Regels
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de ontwikkeling op de locatie Lage Heide 10 te
Eersel en is als nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22c) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Eersel. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan en STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel)
weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22c van het
omgevingsplan van de gemeente Eersel. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet
na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikel nummer '22c' gelezen worden. In de kop van
de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct
na het nummer van de bijlage '22c' gelezen worden.
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Artikel 1 Toepassingsbereik
-
1. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
-
2. De regels in afdeling 22.2 met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Lage Heide 10 te Eersel, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0770.TOBLageheide0117-VAST zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
Artikel 2 Begripsbepalingen
Voor de toepassing van de regels in dit TAM-omgevingsplan gelden de begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling. Daarnaast gelden aanvullend de begrippen, zoals opgenomen in Bijlage 1.
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit TAM-omgevingsplan. Daarnaast gelden de meet- en rekenbepalingen, zoals opgenomen in Bijlage 2.
Artikel 4 Doelen
-
a. Dit TAM-omgevingsplan is met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet gericht op het uitoefenen van de bevoegdheden en taken van de gemeente Eersel als bedoeld in artikel 2.1 van de Omgevingswet waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en andere regels die met het oog daarop nodig zijn als bedoeld in artikel 4.2 van de Omgevingswet.
Hoofdstuk 2 Functies en gebiedsaanwijzingen
Artikel 5 Agrarisch
5.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Agrarisch' heeft de volgende functies:
-
a. agrarisch gebruik;
-
b. nevenactiviteiten, zoals opgenomen in artikel 5.6;
-
c. uitsluitend ter plaatse van het werkingsgebied 'bouwvlak' zijn agrarische bedrijven toegestaan, waarbij geldt dat een (vollegronds)teeltbedrijf of een overig agrarisch bedrijf tot een omvang van ten hoogste 1,5 ha bouwperceel, mag worden uitgeoefend;
-
d. ter plaatse van het werkingsgebied 'specifieke vorm van agrarisch – veehouderij' is tevens een veehouderij toegestaan;
-
e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
-
f. extensief recreatief medegebruik met bijbehorende voorzieningen, waaronder paden, banken picknicktafels, bewegwijzering, e.d.;
-
g. doeleinden van openbaar nut;
-
h. erfbeplanting;
-
i. tuinen ter plaatse van het werkingsgebied 'bouwvlak', alsmede voortuinen tussen het werkingsgebied 'bouwvlak' en de weg, en tussen het werkingsgebied 'Wonen' en de weg;
-
j. wonen in bestaande bedrijfswoningen met bijbehorende bouwwerken ter plaatse van het werkingsgebied 'bedrijfswoning';
-
k. een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen en sloten.
5.2 Specifieke regels over het gebruik
5.2.1 Verbod
-
a. bij een bestaande veehouderij mogen dieren -al dan niet in hokken- binnen gebouwen alleen op de be-gane grond gehouden worden, met uitzondering van voliére- en scharrelstallen voor legkippen, waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden.
5.2.2 Bed & Breakfast
-
A. Toegestande gebruiksvormen
Het is toegestaan om een gedeelte van een woning en/of bijbehorende bouwwerk voor een bed & breakfast te gebruiken, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
-
a. de omvang van de activiteit bedraagt niet meer dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de bebouwing tot een maximum van 80 m²;
-
b. de bed & breakfast mag bestaan uit maximaal twee kamers met elk maximaal 2 bedden;
-
c. wanneer bed & breakfast plaatsvindt in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk, dan is hierin geen keuken of soortgelijke voorziening toegestaan;
-
d. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer;
-
e. parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden;
-
f. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.
5.2.3 Ondergeschikte detailhandel
-
A. Toegestane gebruiksvormen
Ondergeschikte detailhandel ten dienste van het agrarische bedrijf is toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
-
a. het gaat om een nevenfunctie;
-
b. het gaat enkel om detailhandel in streekgebonden producten en agrarisch gerelateerde producten;
-
c. de omvang van de activiteit bedraagt niet meer dan 100 m² vloeroppervlakte;
-
d. de activiteit vindt uitsluitend plaats in de aanwezige gebouwen; nieuwbouw ten behoeve van de activiteit is niet toegestaan.
5.2.4 Inpandige statische opslag
-
A. Toegestane gebruiksvormen
Inpandige statische opslag is toegestaan in gebouwen, niet zijnde kassen, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
-
a. het gaat om een nevenfunctie;
-
b. de omvang van de activiteit bedraagt niet meer dan 500 m² vloeroppervlakte;
-
c. de inpandige opslag vindt niet plaats in kassen.
-
B. Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning meer dan 500 m² vloeroppervlakte aan gebouwen, niet zijnde kassen, voor inpandige opslag te gebruiken.
-
C. Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid b wordt alleen verleend als:
-
a. de nevenactiviteit dient plaats te vinden binnen de aanwezige gebouwen; er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de nevenactiviteit plaats;
-
b. de opslag mag niet plaatsvinden in kassen;
-
c. de vloeroppervlakte van de bebouwing, die wordt aangewend voor de nevenactiviteit, mag niet meer bedragen dan 750 m2;
-
d. detailhandel ten behoeve van deze nevenactiviteit is niet toegestaan;
-
e. de milieubelasting mag niet toenemen;
-
f. de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
-
g. het gebruik mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken;
-
h. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieuwetgeving;
-
i. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
-
j. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
-
k. de afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 5.1 omschreven waarden;
-
l. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
5.2.5 Evenementen
-
A. Toegestane gebruiksvormen
Evenementen zijn, in de vorm van medegebruik, toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
-
a. er is sprake van een evenement in de vorm van een voor publiek bestemde uitvoering/verrichting van vermaak, op het gebied van sport, muziek of op sociaal-cultureel vlak;
-
b. het evenement duurt maximaal 7 (aaneengesloten) dagen.
-
B. Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning de gronden en/of bouwwerken voor een periode langer dan 7 dagen te gebruiken voor een evenement.
-
C. Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid b wordt alleen verleend als:
-
a. er dient voldoende parkeergelegenheid -al dan niet op eigen terrein- beschikbaar te zijn;
-
b. de aan te brengen voorzieningen dienen tijdelijk te zijn;
-
c. de activiteit mag niet leiden tot onomkeerbare voorzieningen en/of ingrepen;
-
d. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
-
e. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de binnen het gebied aanwezige waarden.
5.2.6 Mestbewerking
-
A. Toegestande gebruiksvormen
Mestbewerking is toegestaan bij een agrarisch bedrijf, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
-
a. het mest dat gebruikt wordt voor de mestbewerking is afkomstig van het ter plaatse gevestigde agrarische bedrijf en ter plaatse geproduceerd.
-
B. Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning te voorzien in mestvergisting voor samenwerkende melkrundveehouderijen.
-
C. Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid b wordt alleen verleend als:
-
a. er wordt ten hoogste 25.000 ton per jaar vergist;
-
b. de locatie is goed ontsloten;
-
c. de op-, overslag en verwerking van producten vindt niet in de openlucht plaats;
-
d. in het geval dat de mest na vergisting ter plaatse verder wordt bewerkt, wordt ten minste 50% van het volume van de mest omgezet in loosbaar water;
-
e. de ontwikkeling is vanuit een goede leefomgeving inpasbaar in de omgeving;
-
f. de ontwikkeling is niet gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij'. Dit geldt niet indien er sprake is van een grondgebonden veehouderij;'
-
g. de ontwikkeling is niet gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - natuurnetwerk brabant';
-
h. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
-
i. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
-
j. de afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 5.1 omschreven waarden;
-
k. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
-
l. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document;
-
m. er dient te worden aangetoond dat geen toename van ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf of de betreffende gronden plaatsvindt.
5.2.7 Teeltondersteunende voorzieningen
-
A. Toegestande gebruiksvormen
Teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
-
a. permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn uitsluitend ter plaatse van het werkingsgebied 'bouwvlak' toegestaan;
-
b. tijdelijke en overige teeltondersteunende voorzieningen zijn zowel ter plaatse van het werkingsgebied 'bouwvlak' als daar buiten toegestaan.
5.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
5.3.1 Algemene regels voor het bouwen van bouwwerken
Voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de in artikel 5.1 bedoelde functies gelden de volgende beoordelingsregels:
-
a. uitsluitend mag worden gebouwd ten behoeve van deze functie.
5.3.2 Algemene regels voor het bouwen van gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van de in artikel 5.1 bedoelde functies gelden de volgende beoordelingsregels:
-
a. afstand tot de bouwperceelgrens bedraagt niet minder dan 3 m;
-
b. afstand tot de as van de als stroomweg aangeduide weg, zoals aangegeven op de in de bijlage opgenomen Kaart wegcategorisering, mag niet minder bedragen dan 100 m;
-
c. afstand tot de as van de als gebiedsontsluitingsweg aangeduide weg, zoals aangegeven op de in de bijlage opgenomen Kaart wegcategorisering, mag niet minder bedragen dan 20 m;
-
d. afstand tot de as van de als erftoegangsweg aangeduide weg, zoals aangegeven op de in de bijlage opgenomen Kaart wegcategorisering, mag niet minder bedragen dan 15 m;
-
e. afstand tot de as van de als onverharde weg aangeduide weg, zoals aangegeven op de in de bijlage opgenomen Kaart wegcategorisering, mag niet minder bedragen dan 10 m;
-
f. bestaande kleinere afstanden zijn toegestaan.
5.3.3 Toegestane bouwwerken binnen werkingsgebied 'bouwvlak'
De volgende bouwwerken zijn toegestaan, mits wordt voldaan aan de bijbehorende beoordelingsregels:
-
a. agrarische bedrijfsgebouwen, met dien verstande dat een toename van de oppervlakte van dierenverblijven voor de uitoefening van een veehouderij niet is toegestaan;
-
b. bedrijfswoningen;
-
c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
-
d. teeltondersteunende voorzieningen;
-
e. paardenbakken.
5.3.4 Agrarische bedrijfsgebouwen
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van agrarische bedrijfsgebouwen:
-
a. agrarische bedrijfsgebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van het werkingsgebied 'bouwvlak' gebouwd worden;
-
b. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 m;
-
c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 11 m;
-
d. de dakhelling mag, met dien verstande dat de minimale dakhelling niet geldt voor ondergeschikte platte tussenleden en andere gebouwen van ondergeschikte aard, niet minder bedragen dan 12°, tenzij de bestaande dakhelling minder bedraagt, dan geldt de bestaande dakhelling;
-
e. de dakhelling mag niet meer bedragen dan 60°.
5.3.5 Teeltondersteunende voorzieningen
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van teeltondersteunende voorzieningen, niet zijnde teeltondersteunende kassen:
-
a. teeltondersteunende voorzieningen mogen uitsluitend ter plaatse van het werkingsgebied 'bouwvlak' gebouwd worden;
-
b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 2,5 m.
5.3.6 Teeltondersteunende kassen
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van teeltondersteunende kassen:
-
a. teeltondersteunende kassen mogen uitsluitend ter plaatse van het werkingsgebied 'bouwvlak' gebouwd worden;
-
b. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 5.000 m²;
-
c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 m;
-
d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 7 m;
-
e. de afstand van teeltondersteunende kassen tot woningen (anders dan eigen bedrijfswoning) bedraagt minimaal 25 m.
5.3.7 Bedrijfswoning
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van bedrijfswoningen:
-
a. een bedrijfswoning mag uitsluitend ter plaatse van het werkingsgebied 'bedrijfswoning' gebouwd worden;
-
b. binnen het werkingsgebied 'bedrijfswoning' is maximaal één woning toegestaan;
-
c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,5 m, tenzij de bestaande goothoogte meer bedraagt, dan geldt de bestaande goothoogte als maximum;
-
1. de maximale goothoogte geldt voor minimaal 60% van de lengte van de goot;
-
d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 9 m, tenzij de bestaande bouwhoogte meer bedraagt, dan geldt de bestaande bouwhoogte als maximum;
-
e. de inhoud mag niet meer bedragen dan 750 m³ (incl. aangebouwde bijbehorende bouwwerken), tenzij:
-
1. de bestaande inhoud van de bestaande woning reeds meer bedraagt, welke inhoud dan als maximum geldt;
-
2. het een bestaande (woon)boerderij betreft, waarbij de inhoud van het hele bestaande boerderijlichaam/ bouwmassa daarvan als maximum geldt;
-
f. de dakhelling bedraagt niet meer dan 60°;
-
g. voor het herbouwen van bestaande woningen geldt:
-
1. de herbouw vindt grotendeels plaats op de plaats van de (voor zover aanwezige) bestaande fundamenten van de woning;
-
2. de voorgevel van de te herbouwen woning wordt geplaatst in de (voormalige) voorgevelrooilijn van de woning;
-
3. de bouwwijze (d.w.z. vrijstaand, halfvrijstaand of aaneengebouwd) van de te herbouwen woning(en) wijkt niet af van de bouwwijze van de oorspronkelijke woning(en).
5.3.8 Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoning
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning:
-
a. bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning mogen uitsluitend ter plaatse van het werkingsgebied 'bouwvlak'/ 'bedrijfswoning' gebouwd worden;
-
b. de gezamenlijke oppervlakte per woning bedraagt niet meer dan 150 m²;
-
c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,2 m;
-
d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m;
-
e. de afstand van vrijstaande bijbehorende bouwwerken tot de bedrijfswoning bedraagt niet meer dan 15 m, tenzij de bestaande afstand meer bedraagt, dan geldt de bestaande afstand als maximum;
-
f. de dakhelling bedraagt niet minder dan 0°;
-
g. de dakhelling bedraagt niet meer dan 45°.
5.3.9 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt verleend, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
-
a. de genoemde bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen uitsluitend ter plaatse van het werkingsgebied 'bouwvlak' gebouwd worden;
-
b. de bouwhoogte van mestbassins mag niet meer bedragen dan 8,5 m;
-
c. de bouwhoogte van silo's of waterbassins mag niet meer bedragen dan 15 m;
-
d. de bouwhoogte van erf- en perceelsafscheidingen bedraagt niet meer dan 1,5 m vóór de voorgevelrooilijn en niet meer dan 2 m achter de voorgevelrooilijn;
-
e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 6 m;
-
f. sleufsilo's mogen niet vóór de voorgevel van een bedrijfswoning gebouwd worden;
-
g. er is maximaal één paardenbak per werkingsgebied 'bouwvlak' toegestaan.
5.3.10 Toegestane bouwwerken buiten werkingsgebied 'bouwvlak'
De volgende bouwwerken zijn toegestaan, mits wordt voldaan aan de bijbehorende beoordelingsregels:
-
a. erf- en perceelsafscheidingen zijn toegestaan, mits:
-
1. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 1,5 m;
-
b. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan, mits:
-
1. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 2,5 m (indien en voorzover er sprake is van een bouwwerk);
-
c. overige teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan, mits:
-
1. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 m;
-
d. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde (sleuf)silo's, ten behoeve van de in artikel 5.1 bedoelde functies, mits:
-
1. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 2 m.
5.4 Maatwerkvoorschriften
Burgemeester en wethouders kunnen door middel van een maatwerkvoorschrift nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bebouwing. Deze nadere eisen mogen slechts worden gesteld voor het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en hun omgeving en ten behoeve van het behoud en herstel van de waardevolle elementen en structuren en de bestaande ruimtelijke karakteristiek.
5.5 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit
5.5.1 Minimumafstand van bebouwing tot de weg
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 5.3.2, de voorgeschreven minimum afstand van bebouwing tot de weg te verkleinen, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
-
a. de noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering aanwezig is;
-
b. er mogen geen onevenredige verkeerskundige belemmeringen plaatsvinden;
-
c. er dient voldoende parkeerruimte op het eigen erf aanwezig te blijven;
-
d. de wegbeheerder dient te worden gehoord;
-
e. de stedenbouwkundige structuur mag niet onevenredig worden aangetast;
-
f. indien het een woning of ander geluidgevoelig object betreft, moet voldaan worden aan de Omgevingswet;
-
g. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
-
h. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
5.5.2 Minimum afstand zijdelingse (kadastrale) perceelsgrens bedrijfswoningen en/of bijbehorende bouwwerken
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 5.3.2, de voorgeschreven minimum afstand van bedrijfswoningen en/of bijbehorende bouwwerken tot de zijdelingse (kadastrale) perceelsgrens te verkleinen, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
-
a. de noodzaak vanuit een doelmatige bedrijfsvoering aanwezig is;
-
b. er mogen geen onevenredige verkeerskundige belemmeringen plaatsvinden;
-
c. er dient voldoende parkeerruimte op het eigen erf aanwezig te blijven;
-
d. de wegbeheerder dient te worden gehoord;
-
e. de stedenbouwkundige structuur mag niet onevenredig worden aangetast;
-
f. indien het een woning of ander geluidgevoelig object betreft, moet voldaan worden aan de Omgevingswet;
-
g. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
-
h. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
5.5.3 Hogere erfafscheiding
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 5.3.10, onder a, voor erf- en terreinafscheidingen buiten het werkingsgebied 'bouwvlak' en hogere bouwhoogte tot maximaal 2 m toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
-
a. de grotere bouwhoogte is noodzakelijk om dieren binnen de wei te houden;
-
b. de erf- en perceelsafscheidingen zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van afrasteringen;
-
c. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
-
d. de afwijking leidt niet tot een onevenredige aantasting van de in 5.1 omschreven waarden;
-
e. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
5.5.4 Herbouw bedrijfswoning
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 5.3.7, onder a, de voorgevel te kunnen plaatsen buiten de (voormalige) voorgevelrooilijn, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
-
a. de nieuwe situering van de woning is stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieukundig aanvaardbaar;
-
b. er dient sprake te zijn van (zekerheidsstelling omtrent de) sloop van de bestaande woning;
-
c. door de herbouw wordt het landelijke karakter van het gebied niet onevenredig aangetast;
-
d. de nieuwe situering van de woning leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving;
-
e. er moet voldaan worden aan de regelgeving m.b.t. geluid van de Omgevingswet;
-
f. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
-
g. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
-
h. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
5.5.5 Bouwhoogte i.v.m. technische maatregelen
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 5.3, een grotere bouwhoogte toe te staan voor het treffen van milieutechnische voorzieningen, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
-
a. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 4 m boven de (feitelijke) hoogte van het betreffende gebouw;
-
b. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
-
c. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
-
d. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
5.6 Vergunningplichten
5.6.1 Uitbreiding dierenverblijven
-
a. het is verboden om zonder omgevingsvergunning de oppervlakte van dierenverblijven, voor de uitoefening van een veehouderij, uit te breiden.
-
b. het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om de uitbreiding van de oppervlakte van dierenverblijven, voor de uitoefening van een veehouderij, toe te staan, waarbij moet worden getoetst aan de volgende beoordelingsregels:
-
1. de bebouwing is niet gelegen ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone – natuurnetwerk brabant';
-
2. de bebouwing is niet gelegen ter plaatse het werkingsgebied 'overige zone - beperkingen veehouderij'. Dit geldt niet indien er sprake is van een grondgebonden veehouderij;
-
3. er zijn maatregelen getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij;
-
4. de ontwikkeling is vanuit een goede leefomgeving inpasbaar in de omgeving;
-
5. de maatregelen als bedoeld onder 3, in ieder geval voldoen aan de door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant gestelde nadere regels Beleidsregel omgevingsrecht; Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV 2.3), zoals deze gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag, met dien verstande dat, indien deze regels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging;
-
6. er is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan de genoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke tenminste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;
-
7. er is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 ìg/m³;
-
8. er is een zorgvuldige dialoog gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de ontwikkeling;
-
9. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
-
10. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document;
-
11. binnen gebouwen mogen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de begane grond gehouden worden, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden;
-
12. in aanvulling op het bepaalde onder 1 t/m 11 is binnen het stalderingsgebied een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen het bouwperceel voor een hokdierhouderij, door het oprichten of het in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf, uitsluitend toegestaan als bewijs is overlegd dat:
- binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;
- de oppervlakte van het te saneren dierenverblijf voor hokdieren bedraagt ten minste 120% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen bij sloop en ten minste 200% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen bij functiewijziging.
-
13. de vestiging van, de uitbreiding van, de omschakeling naar en een toename van de oppervlakte dierenverblijf van geitenhouderijen is niet toegestaan, tenzij het verbod zoals opgenomen in de provinciale verordening is opgeheven;
-
14. bij een gebruikswijziging van bestaande gebouwen, gericht op het in gebruik nemen van deze gebouwen als dierenverblijf, wordt voldaan aan de bepalingen zoals opgenomen onder 1 t/m 13.
5.6.2 Paardenbak
-
a. het is verboden om zonder omgevingsvergunning een paardenbak te gebruiken en te realiseren.
-
b. het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om een paardenbak toe te staan, waarbij moet worden getoetst aan de volgende beoordelingsregels:
-
1. de paardenbak is voor hobbymatig gebruik;
-
2. de paardenbak kan redelijkerwijs niet worden gesitueerd ter plaatse van het werkingsgebied 'bouwvlak' of binnen het werkingsgebied 'Wonen';
-
3. de paardenbak wordt aansluitend aan het werkingsgebied 'bouwvlak' of het werkingsgebied 'Wonen' gesitueerd;
-
4. de paardenbak wordt zodanig gesitueerd dat deze landschappelijk wordt ingepast;
-
5. schuurtjes, lichtmasten en andere aan de paardenbak verwante bouwwerken zijn niet toegestaan;
-
6. de oppervlakte van de paardenbak bedraagt maximaal 800 m², tezamen met de oppervlakte die binnen het werkingsgebied 'bouwvlak' danwel het werkingsgebied 'Wonen' wordt gesitueerd;
-
7. er is maximaal één paardenbak per werkingsgebied 'bouwvlak' danwel werkingsgebied 'Wonen' toegestaan en uitsluitend bij het eigen bouwvlak respectievelijk de eigen woning;
-
8. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
-
9. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de waterhuishoudkundige situatie; hieromtrent kan advies worden ingewonnen bij het waterschap;
-
10. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
5.6.3 Agrarisch verwant bedrijf/ agrarisch technisch hulpbedrijf als nevenactiviteit
-
a. het is verboden om zonder omgevingsvergunning een agrarisch verwant bedrijf of agrarisch technisch hulpbedrijf als nevenactiviteit uit te oefenen.
-
b. het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om een agrarisch verwant bedrijf of agrarisch technisch hulpbedrijf als nevenactiviteit toe te staan, waarbij moet worden getoetst aan de volgende beoordelingsregels:
-
1. de nevenactiviteit dient ondergeschikt te zijn aan het ter plaatste gevestigde agrarisch bedrijf;
-
2. de nevenactiviteit dient plaats te vinden binnen de aanwezige gebouwen; er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de nevenactiviteit plaats;
-
3. de vloeroppervlakte, die wordt aangewend voor deze nevenactiviteit, mag niet meer bedragen dan 250 m²;
-
4. de totale vloeroppervlakte van nevenactiviteiten bij het agrarisch bedrijf, exclusief inpandige statische opslag, mag maximaal 1.000 m² bedragen;
-
5. de oppervlakte die wordt aangewend voor buitenopslag ten behoeve van het agrarisch verwant bedrijf/agrarisch technisch hulpbedrijf mag niet meer bedragen dan 200 m², mits de buitenopslag ruimtelijk is ingepast;
-
6. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieuwetgeving;
-
7. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
-
8. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
-
9. detailhandel ten behoeve van deze nevenactiviteit is niet toegestaan;
-
10. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
-
11. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte;
-
12. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast;
-
13. de afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in artikel 5.1 omschreven waarden;
-
14. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document;
-
15. bedrijven die behoren tot categorie 3 of hoger van de Staat van bedrijfsactiviteiten (Staat van bedrijfsactiviteiten) zijn niet toegestaan;
5.6.4 Pensionstalling voor paarden als nevenactiviteit
-
a. het is verboden om zonder omgevingsvergunning een pensionstalling voor paarden als nevenactiviteit uit te oefenen.
-
b. het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om een pensionstalling voor paarden als nevenactiviteit toe te staan, waarbij moet worden getoetst aan de volgende beoordelingsregels:
-
1. de nevenactiviteit dient ondergeschikt te zijn aan het ter plaatse gevestigde agrarische bedrijf;
-
2. de nevenactiviteit dient plaats te vinden binnen de aanwezige gebouwen; er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de nevenactiviteit plaats;
-
3. de vloeroppervlakte, die wordt aangewend voor deze nevenactiviteit, mag niet meer bedragen dan 100 m²;
-
4. de totale vloeroppervlakte van nevenactiviteiten bij het agrarisch bedrijf, exclusief inpandige statische opslag, mag maximaal 1.000 m² bedragen;
-
5. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieuwetgeving;
-
6. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
-
7. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
-
8. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
-
9. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte;
-
10. de afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in artikel 5.1 omschreven waarden;
-
11. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
5.6.5 Zorgverlenende nevenactiviteit
-
a. het is verboden om zonder omgevingsvergunning een zorgverlenende nevenactiviteit uit te oefenen.
-
b. het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om een nevenactiviteit in de vorm van zorgverlening op sociaal, fysiek of psychisch vlak toe te staan, waarbij moet worden getoetst aan de volgende beoordelingsregels:
-
1. de nevenactiviteit dient ondergeschikt te zijn aan het ter plaatse gevestigde agrarische bedrijf;
-
2. de nevenactiviteit dient plaats te vinden ter plaatse van het werkingsgebied 'bouwvlak';
-
3. indien er nieuwe gebouwen worden gebouwd ten behoeve van de nevenfunctie, dan kan advies worden ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen;
-
4. de vloeroppervlakte, die wordt aangewend voor deze nevenactiviteit, mag niet meer bedragen dan 500 m²;
-
5. de totale vloeroppervlakte van nevenactiviteiten bij het agrarisch bedrijf, exclusief inpandige statische opslag, mag maximaal 1.000 m² bedragen;
-
6. ondergeschikte en ondersteunende horeca, met een inpandige oppervlakte van maximaal 100 m² en een buitenpandige oppervlakte van maximaal 200 m²;
-
7. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieuwetgeving;
-
8. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
-
9. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
-
10. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
-
11. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte;
-
12. de afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 5.1 omschreven waarden;
-
13. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
5.6.6 Recreatieve nevenactiviteit
-
a. het is verboden om zonder omgevingsvergunning een recreatieve nevenactiviteit uit te oefenen.
-
b. het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om bij een agrarisch bedrijf extensieve vormen van dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen, zoals een kinderboerderij, theehuis, ambachtelijke ijs- of kaasmakerij, verhuur van fietsen/huifkarren, organiseren van rondleidingen en exposities, bed & breakfastvoorzieningen in een grotere omvang e.d., toe te staan, waarbij moet worden getoetst aan de volgende beoordelingsregels: de nevenactiviteit vindt plaats naast en ter ondersteuning van de agrarische bedrijfsvoering;
-
1. de nevenactiveit vindt plaats naast en ter ondersteuning van de agrarische dienstverlening;
-
2. verblijfsrecreatieve activiteiten zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van vakantieappartementen, kamerverhuur, bed & breakfast e.d.; solitaire recreatiewoningen, kampeermiddelen en stacaravans zijn niet toegestaan;
-
3. maneges zijn niet toegestaan;
-
4. de nevenactiviteit dient plaats te vinden ter plaatse van het werkingsgebied 'bouwvlak'; de nevenactiviteit is daarnaast toegestaan in cultuurhistorisch waardevolle vrijstaande bijbehorende bouwwerken;
-
5. bed & breakfast is toegestaan met een maximum van 10 (éénpersoons)bedden per agrarisch bedrijf;
-
6. de vloeroppervlakte, die wordt aangewend voor deze nevenactiviteit, mag niet meer bedragen dan 500 m²; de oppervlakte die nodig is voor het plaatsen van kampeermiddelen wordt hierbij niet meegerekend;
-
7. indien er nieuwe gebouwen worden gebouwd ten behoeve van de nevenfunctie, dan kan advies worden ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen;
-
8. ondergeschikte en ondersteunende horeca, met een inpandige oppervlakte van maximaal 100 m² en een buitenpandige oppervlakte van maximaal 200 m²;
-
9. de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
-
10. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte;
-
11. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieuwetgeving;
-
12. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
-
13. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
-
14. detailhandel is uitsluitend toegestaan in ondergeschikte, aan de nevenactiviteit gerelateerde vorm;
-
15. de afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 5.1 omschreven waarden;
-
16. vooraf kan door de gemeente advies worden ingewonnen bij de commissie Recreatie en Toerisme;
-
17. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document.
5.6.7 Opslag gevaarlijke stoffen
-
a. het is verboden om zonder omgevingsvergunning gevaarlijke stoffen op te slaan.
-
b. het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om bij een agrarisch bedrijf de opslag van gevaarlijke stoffen toe te staan, waarbij moet worden getoetst aan de volgende beoordelingsregels:
-
1. de 10-6 risicocontour overschrijdt het werkingsgebied 'bouwvlak' niet;
-
2. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieuwetgeving;
-
3. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
-
4. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document;
-
5. bedrijven die behoren tot categorie 3 of hoger van de Staat van bedrijfsactiviteiten (Staat van bedrijfsactiviteiten) zijn niet toegestaan.
-
6. de totale omvang van het bouwperceel van de activiteit bedraagt ten hoogste 5.000 m².
Artikel 6 Groen - Landschappelijke inpassing
6.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Groen – Landschappelijke inpassing' heeft de volgende functies:
-
a. het aanbrengen en instandhouden van gebiedseigen (erf)beplanting ter landschappelijke inpassing van gebouwen en verhardingen, een en ander overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in Bijlage 4;
-
b. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
-
c. een en ander met bijbehorende voorzieningen zoals doorgangen.
6.2 Specifieke regels over het gebruik
6.2.1 Verbod
Het is verboden de gronden en bouwwerken te (laten) gebruiken voor:
-
a. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is ten behoeve van de in artikel 6.1 bedoelde functies;
-
b. het aanleggen van wegen en/of verhardingen.
6.3 Beoordelingsregels bouwwerken
6.3.1 Verbod
Het is verboden om op of in deze gronden gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bouwen.
6.3.2 Beoordelingsregels erfafscheidingen
Een omgevingsvergunning voor erfafscheidingen ten behoeve van de in 6.1 bedoelde functies wordt verleend, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
-
a. een erfafscheiding mag uitsluitend in een open constructie;
-
b. de bouwhoogte bedraagt maximaal 1 m.
6.4 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit
6.4.1 Wijzigen landschappelijke inpassing
Een omgevingsvergunning ten behoeve van de wijziging van het landschappelijk inpassingsplan wordt verleend, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
-
a. het gewijzigde landschappelijk inpassingsplan dient gelijkwaardig te zijn aan de in Bijlage 4 opgenomen landschappelijk inpassingsplan;
-
b. voldaan wordt aan de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document zoals die geldt op het tijdstip van de ontvankelijke aanvraag van de omgevingsvergunning.
Artikel 7 Waarde - Archeologie 5.1
7.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel
Een werkingsgebied dat op de verbeelding is aangewezen als 'Waarde - Archeologie 5.1' heeft, behalve de andere daaraan toegekende functies, mede de functie voor behoud en bescherming van waardevolle verwachte archeologische informatie in de bodem.
7.2 Beoordelingsregels bouwwerken
Ter plaatse van het werkingsgebied 'Waarde - Archeologie 5.1' zijn uitsluitend toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze functie, alsmede ten behoeve van de andere daar aangewezen functies, mits:
-
a. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en niet dieper dan de bestaande fundering wordt gebouwd;
-
b. gebouwen maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering worden opgericht;
-
c. de bodemverstoring als gevolg van het bouwen niet dieper is dan 30 cm onder het bestaande maaiveld én de omvang van de bodemingreep niet groter is dan 2.500 m².
7.3 Maatwerkvoorschriften
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd maatwerkvoorschriften te stellen ten aanzien van de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn.
De maatwerkvoorschriften zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.
7.4 Vergunningplicht voor afwijken
7.4.1 Afwijking
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.2 teneinde het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de aan deze gronden toegekende functies, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
-
a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
-
b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
-
c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te bepalen kwalificaties.
7.4.2 Verplichting rapportage of beleidsadvieskaart
De omgevingsvergunning als bedoeld in 7.4.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld of getoetst wordt aan een daartoe opgestelde archeologische beleidsadvieskaart.
7.4.3 Advies archeologisch deskundige
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld 7.4.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
7.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
7.5.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren:
-
a. het ophogen van de bodem met meer dan 2 m;
-
b. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
-
c. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
-
d. het verlagen van het waterpeil;
-
e. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
-
f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
-
g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
-
h. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
-
i. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
7.5.2 Uitzonderingen vergunningplicht
Het onder 7.5.1 vervatte verbod geldt niet:
-
a. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 30 cm onder het bestaande maaiveld én over een maximale oppervlakte van 2.500 m2;
-
b. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit de plaats van de bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
-
c. indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
-
d. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
-
e. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in 7.4.1.
7.5.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
Een omgevingsvergunning als bedoeld in 7.4.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering de aanwezige archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
-
a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
-
b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
-
c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
7.5.4 Advies deskundige
Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in van een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
Hoofdstuk 3 Algemene regels
Artikel 8 Antidubbeltelregeling
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 9 Algemene bouwregels
9.1 Afwijkende maatvoering
Bestaande gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die zijn opgericht in overeenstemming met de Woningwet, maar in afwijking van dit bestemmingsplan, zijn toegestaan. Herbouw van deze bestaande gebouwen is niet toegestaan.
Artikel 10 Algemene gebruiksregels
10.1 Verbod
Het is verboden om gronden en/of bouwwerken te gebruiken in strijd met de regels van dit TAM-omgevingsplan. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:
-
a. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de functie gerichte gebruik en plaatsvindt ter plaatse van het werkingsgebied 'bouwvlak';
-
b. vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning;
-
c. het bewonen van bedrijfsruimten;
-
d. een niet-publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis of een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis;
-
e. seksinrichting;
-
f. buitenopslag ten behoeve van nevenactiviteiten.
10.2 Toegestane functies
Het is toegestaan de gronden en bouwwerken te gebruiken voor de volgende functies:
-
a. nutsvoorzieningen;
-
b. voorzieningen voor verkeer en verblijf;
-
c. groenvoorzieningen en ecologische voorzieningen;
-
d. water- en waterhuishoudkundige voorzieningen.
10.3 Landschappelijke inpassing
Het is verboden de gronden en bouwwerken ter plaatse van het werkingsgebied 'Agrarisch' te gebruiken indien de landschappelijke inpassing, conform Bijlage 4 of een soortgelijke landschappelijke inpassing wat middels een afwijkingsmogelijkheid is toegestaan, niet binnen 3 jaar na inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan is gerealiseerd en in stand wordt gehouden.
10.4 Waterberging
Het is verboden de gronden en bouwwerken ter plaatse van het werkingsgebied 'Agrarisch' te gebruiken indien de waterberging niet binnen 12 maanden na verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen is gerealiseerd en in stand wordt gehouden. De bergingsopgave wordt daarbij gebaseerd op 0,06 m³ per vierkante meter toekomstig verhard oppervlak.
Artikel 11 Overige regels
11.1 Specifieke beoordelingsregels parkeeractiviteiten
-
a. het bevoegd gezag toetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en ruimte voor laden en lossen. Hiervoor gelden de volgende beoordelingsregels:
| Parkeergelegenheid
|
a. In het geval van de oprichting of uitbreiding van een gebouw dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied van dit TAM-omgevingsplan. b. In het geval van functiewijziging van een gebouw en/of van gronden dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied van dit TAM-omgevingsplan. c. Aan het voorgaande (in voldoende parkeergelegenheid voorzien) wordt voldaan indien wordt voldaan aan de normen die zijn neergelegd in het Parkeerbeleidsplan. d. Indien deze beleidsregels worden gewijzigd, wordt bij de vergunningverlening rekening gehouden met de gewijzigde beleidsregels. e. De parkeervoorzieningen die zijn aangelegd om te voldoen aan het bepaalde onder a en b dienen in stand te worden gehouden.
|
| Ruimte voor laden en lossen van goederen
|
a. Indien het gebruik van een gebouw en/of gronden daar aanleiding toe geeft, dient te worden voorzien in voldoende ruimte voor laden en lossen. b. De ruimte voor laad- en losvoorzieningen als bedoeld onder a dient in stand te worden gehouden.
|
| Afwijkingsmogelijk-heden
|
Het bevoegd gezag kan, in afwijking van het voorgaande, tevens een omgevingsvergunning verlenen, indien: a. het voldoen aan de voorgaande beoordelingsregels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, of b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.
|
-
b. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld onder a. worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
-
1. een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw aan te leggen parkeergelegenheid en/of laad- en losruimte; en
-
2. een parkeerbalans en toelichting hierop; en/of
-
3. een beschrijving van de (aantallen) vervoersbewegingen in geval van een laad- en losactiviteit.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Artikel 12 Overgangsrecht
12.1 Overgangsrecht bouwwerken
-
a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot;
-
1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
-
2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
-
b. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in lid a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
-
c. het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
12.2 Overgangsrecht gebruik ten dienste van functie
-
a. het gebruik van gronden en bouwwerken ten dienste van de functie als bedoeld in hoofdstuk 2 dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet
-
b. het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
-
c. indien het gebruik, bedoeld in lid a, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
-
d. het bepaalde in lid a is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan van rechtswege voor die locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.