| Plan: | Bestemmingsplan Buitengebied 2017, herziening Maaskant ongenummerd Vessem |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0770.BPBmaaskantong0078-VAST |
Voor het perceel Maaskant ongenummerd, aansluitend aan Maaskant 2 te Vessem is de intentie om te komen tot een ontwikkeling die voorziet in het realiseren van één ruimte voor ruimte-woning.
Het gemeentebestuur heeft aangegeven medewerking te willen verlenen aan het initiatief, mits:
Het geldende bestemmingsplan staat de voorgenomen bouw van een woning niet toe. Daarom wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld, waarmee een planologisch-juridische basis wordt gevormd voor het bouwplan.
Het plangebied is gelegen naast het perceel Maaskant 2 te Vessem.
Voor het plangebied vigeert het bestemmingsplan 'Buitengebied 2017', vastgesteld op 3 juli 2018 en geheel in werking getreden.
Het projectperceel heeft daarin de enkelbestemming 'Agrarisch´ en de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 4.1'.
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven, waarna in hoofdstuk 3 het geldende beleidskader aan bod komt. In hoofdstuk 4 worden diverse milieuhygiënische en planologische aspecten verantwoord. Hoofdstuk 5 gaat in op de juridische regeling. Tot slot worden in hoofdstuk 6 de financiële en maatschappelijke haalbaarheid beschreven.
In dit hoofdstuk wordt aandacht geschonken aan de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied. Het initiatief wordt beschreven, inclusief de inpassing in de directe omgeving.
Bestaande situatie
Op het projectperceel is momenteel geen bebouwing aanwezig. Het perceel is in gebruik t.b.v. een agrarisch bedrijf.
Het voornemen is om op het perceel te komen tot de bouw van een ruimte voor ruimte-woning met bijbehorende bouwwerken. De initiatiefnemer wil dit op een duurzame wijze doen en aansluiting zoeken bij de ruimtelijke kwaliteiten van het gebied.
Voor een verdere uitwerking wordt verwezen naar het gestelde onder 2.2.
De beoogde bebouwing zal bestaan uit een bescheiden ensemble. Van belang zijn de positionering, het materiaalgebruik, de soberheid en het kleurgebruik met als resultaat een vanzelfsprekende samenhang met de buurtschap. De beoogde bebouwing blijft op het erf een vrijstaand individu. Bindend blijft de eenvoudige architectuur: traditionele vorm met lage dakvoet en bescheiden materialisering en tevens de typologie van een 'schuurwoning' in een landelijke vormgeving met natuurlijke materialen.
Onderstaand een visualisatie van de beoogde indeling van de kavel. Om randvoorwaarden en kansen optimaal te borgen wordt het perceel met woonbestemming opgedeeld in vijf zones. Voor een toelichting op dit punt wordt eveneens verwezen naar het gestelde onder 2.2.
De voorliggende planherziening voorziet in het realiseren van een ruimte voor ruimte-woning op het zuidelijke deel van het perceel gelegen direct aansluitend aan Maaskant 2 te Vessem met bijbehorende ontsluiting en parkeervoorzieningen.
Daarbij worden de specifieke gebiedskenmerken gerespecteerd en deze maken ook deel uit van de invulling en inrichting van het perceel.
Maaskant wordt gekenmerkt als een geïsoleerd cluster binnen de gemeente Eersel. Het ligt tussen Hazenloop en akkers en is door bossen afgeschermd van het kerkdorp Vessem. Een ruimtelijk verdicht ensemble van boerderijen, voorerven, bomen en waterlopen markeert de buurtschap. Zowel de stedenbouwkundige als architectonische context van bebouwing, wegen, verkavelingen en waterlopen geven de buurtschap een historische indruk.
In het beeldkwaliteitsplan van de gemeente Eersel wordt aan de buurtschap op diverse aspecten ruimtelijke waarden toegekend. De stedenbouwkundige structuur en de zichtlijn zijn elementen die in dit plan aandacht krijgen en behoudenswaardig zijn. Met respect voor deze waarden zijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk mits die zich voegen in de beschreven kwaliteiten. Naast deze kwaliteiten ziet de initiatiefnemer bestaande en verloren gegane kwaliteiten die op termijn ontwikkeld kunnen worden en daarmee een toevoeging betekenen voor de omgeving. De opzet van het initiatief wordt zodanig vormgegeven dat het in de toekomst geen belemmering hoeft te zijn voor deze ontwikkelingen.
De land- en buurtweg, begrensd door greppels, ontsluit de aanpalende erven en biedt met de forse percelen met vrijstaande bebouwing, panorama's en doorzichten op het achterliggende landschap. Landschappelijke belijning verloopt vloeiend door de buurtschap en langs aanwezige opstallen. Groene bermen en erfbeplanting en afwezigheid van parkeren versterken het groene karakter. In het zuiden van Maaskant is sprake van landbouwgronden. De natuurwaarden zijn laag.
De paden zijn doorsteken die voor een dorps netwerk van belang zijn. In het verleden werd Maaskant met de kerk verbonden door een onverhard pad dat ten noorden van het perceel Maaskant 2 lag. Dit pad, met een oversteek over de Hazenloop, lag onopvallend in het landschap als markering van landbouwpercelen. Begin zeventiger jaren van de vorige eeuw is het pad grotendeels verdwenen.
De greppels verzamelen regenwater bij stevige regenbuien en voeren water af richting beekdalen. Het meeste water infiltreert onderweg naar de beken. De Hazenloop vormt de westelijke grens van de bebouwing aan Maaskant. De loop maakt deel uit van het watergangenstelsel van het waterschap om water af- en aan te voeren. Het is een watergang die geschikt is om als droog/nat natuurelement te functioneren. De bestaande oostelijke greppel is een aanvulling en een verrijking van het straatbeeld.
Stedenbouwkundig wordt de buurtschap gekenmerkt door een aantal percelen waarvan bijna alle van oorsprong agrarisch in gebruik waren. Daarbij is oorspronkelijke erfbeplanting nog aanwezig. De gebouwen kennen een variatie in bouwstijlen, frontbreedtes en situering van hoofdmassa's ten opzichte van de land- en buurtweg. Vanuit een historisch perspectief valt vooral de agrarische functie binnen het gebied op. Deze heeft ook zijn stedenbouwkundige weerslag gekregen. Naast de hoofdbebouwing bestaande uit een hoofdmassa waarin geïntegreerd een stal en woning bevinden zich op de historische agrarische bedrijfspercelen diverse losse bedrijfsgebouwen met uiteenlopende oppervlaktes en situering ten opzichte van het hoofdgebouw. Typisch voor de diverse agrarische gebouwen was de willekeurige ligging van gebouwen ten opzichte van elkaar, de grote verscheidenheid in verschijningsvormen en de soberheid in materiaaltoepassing.
Ruimtelijke randvoorwaarden waaronder landschappelijke inpassing
Het gedeelte van de Hazenloop dat aan de noordzijde aan het plangebied grenst zal vanuit het nieuwe bestemmingsplan Postels Huufke worden verlegd. Daarmee is er geen fysiek raakvlak meer met het onderhavige plangebied. Het gedeelte van de Hazenloop dat westelijk aan het plangebied grenst op korte termijn nog niet worden heringericht. Mogelijk dat dit in de toekomst plaatsvindt. Om een dergelijke toekomstige inrichting niet te frustreren zal in het bestemmingsplan de aan dit gedeelte van de waterloop grenzende strook een aanduiding 'natuur' krijgen en zal in de planregels worden bepaald dat deze zone niet mag worden bebouwd.
Door aan het noordelijke gedeelte van het plangebied tot een lijnelement van beplanting te komen wordt vormgegeven aan de kleinschaligheid van het landschap. Om de zichtlijn die vanuit het beeldkwaliteitsplan van belang wordt geacht intact te laten, wordt voor het noordelijke gedeelte van het plangebied bebouwing in de vorm van gebouwen en overkappingen uitgesloten. Uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijn toegestaan. De erfafscheiding aan de oostzijde zal bestaan uit een beukenhaag met een tweetal doorgangen die kunnen worden afgesloten met een poort. Verder wordt aan de oostzijde, grenzend aan de entree een bescheiden boomgaard aangelegd.
De afvoer en opvang van regenwater wordt vormgeven door dakwater en water van het verharde gedeelte van het erf naar greppels te leiden en krijgt het de kans om in te zijgen. Hierdoor ontstaat belevingswaarde van regenwater.
Vanaf Maaskant kan vanuit cultuurhistorisch en recreatief perspectief in de toekomst een kerkpad worden ontwikkeld. Met het ontsluiten van het perceel ter hoogte van dit kerkpad wordt een lijnelement ruimtelijk teruggebracht binnen de buurtschap. Door middel van begeleidende haag wordt het lijnelement visueel versterkt. Op het moment dat er een concreet initiatief is om een kerkpad geheel terug te brengen kan in overleg met de initiatiefnemer worden bezien de inrit en een stook ten zuiden van de woning tot aan de Hazenloop onderdeel uit te laten maken van het pad. Om dit toekomstige initiatief niet te frustreren wordt ook voor het traject van het kerkpad bebouwing in de vorm van gebouwen en overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen uitgesloten. Uitsluitend ter hoogte van de aansluiting met het openbare gebied wordt de mogelijkheid geboden tot het bouwen van een poort (dit is tevens een van de twee poorten zoals genoemd onder het kopje 'landschap').
De bebouwing bestaat uit een bescheiden ensemble. Van belang zijn de positionering, het materiaalgebruik, de soberheid en het kleurgebruik. Met als resultaat een vanzelfsprekende samenhang met de buurtschap. Zoals aangegeven blijft de bebouwing op het erf een vrijstaand individu.
Om tot een stedenbouwkundig aanvaardbare ontwikkeling te komen die tevens landschappelijk verantwoord wordt ingepast wordt het perceel met woonbestemming opgedeeld in vijf zones:
In de bestemmingsplanregels wordt elke vorm van bebouwing, ook het vergunningsvrije bouwen, uitgesloten, met uitzondering van een tweetal poorten waarvan een poort in het gedeelte van de zone die ook cultuurhistorische waarde heeft. Hiermee wordt voldaan aan randvoorwaarde in het beeldkwaliteitsplan van behoud van de zichtlijn.
Ook hier wordt elke vorm van bebouwing, inclusief vergunningsvrij bouwen, uitgesloten. Door deze aanduiding wordt realiseren van natuurvriendelijke oevers veiliggesteld en ruimte gereserveerd om in de toekomst een landlooppaadje mogelijk te maken.
Ook hier wordt elke vorm van bebouwing, behalve een toegangspoort, uitgesloten. Door deze aanduiding wordt de zone ruimtelijk gereserveerd om in de toekomst onderdeel uit te maken van een eventueel te herstellen kerkpad.
Door de juridische vertaling van deze zones in functie-aanduidingen op de verbeelding met daarbij behorende passende bestemmingsbeschrijvingen en bouw- en gebruiksmogelijkheden wordt het doorzicht en de historische stedenbouwkundige context van de buurtschap behouden, wordt invulling gegeven aan eisen van het beeldkwaliteitsplan en worden de archeologische verwachtingswaarden geborgd.
Ten behoeve van de genoemde landschappelijke inpassing is een beplantingsplan opgesteld waarin de diverse bovenstaande landschappelijke elementen zijn opgenomen:
Dit beplantingsplan zal onderdeel uitmaken van de planregels als voorwaardelijke verplichting in het kader van het gebruik van de woning en is eveneens onderstaand weergegeven.
Op het terrein van de ontwikkeling worden ten behoeve van de beoogde woning 3 parkeerplaatsen aangelegd.
De verkeersafwikkeling vanuit het plangebied vindt plaats via de Maaskant.
In januari 2014 heeft de gemeente Eersel het parkeerbeleidsplan vastgesteld. Dit plan vormt een toetsingskader voor vraagstukken omtrent parkeren en bevat de volgende aspecten:
Indien nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, dient dus aan de parkeernormen uit het parkeerbeleidsplan te worden getoetst.
Voor de verdere uitwerking van dit onderdeel wordt verwezen naar paragraaf 4.8.
Het projectperceel heeft de enkelbestemming Agrarisch en de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 4.1.
De ruimte voor ruimte-woning is gezien de vastgestelde Visie buitengebied en het beeldkwaliteitsplan van de gemeente Eersel voorstelbaar in de omgeving.
In paragraaf 4.6 worden de milieuhygiënische en planologische aspecten verder uitgewerkt.
De voorgenomen ontwikkeling van het plangebied moet passen binnen het vigerend beleid op zowel nationaal, provinciaal, regionaal als gemeentelijk niveau. Voor de ontwikkeling en het plangebied zijn verschillende beleidsstukken relevant. Gezien de beperkte aard en omvang van het planvoornemen worden er op nationaal niveau geen uitspraken gedaan ten aanzien van het voorliggend initiatief. Hierna zijn daarom de belangrijkste bevindingen uit het provinciale en gemeentelijk beleid beschreven en wordt aangegeven hoe de ontwikkeling van het plangebied hierop inspeelt.
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Deze structuurvisie vormt de uitwerking van de ambities van het Rijk, op basis van haar verantwoordelijkheden, in Rijksdoelen en daarmee samenhangende nationale belangen op het gebied van een samenhangend ruimtelijk en mobiliteitsbeleid. Het Rijk heeft tot doel Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te maken in een periode van economische conjunctuurschommelingen, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen. Aanleiding voor het vaststellen van de visie is de constatering dat het voorheen geldende ruimtelijke Rijksbeleid onvoldoende bijdroeg aan het behalen van deze doelen, onder meer door het veroorzaken van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving en een te sectorale blik op vraagstukken. Om dit te keren brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat en laat het meer over aan gemeenten en provincies.
Het Rijk onderscheidt thans nog dertien nationale belangen; uitsluitend op basis van deze belangen intervenieert het Rijk in de ruimtelijke ordening. Een groot deel van deze belangen leidt tot het reserveren van ruimte voor functies. Dit betreft dan bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor waterberging, militaire activiteiten en de uitbreiding van het hoofdwegennet. Deze belangen zijn vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Eén van de belangen die niet leidt tot een ruimtereservering is het belang van een 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten'. In het kader van dit belang heeft het Rijk besloten om, ten behoeve van het verminderen van de bestuurlijke drukte en het neerleggen van verantwoordelijkheden bij decentrale overheden, de verstedelijkingsstrategie te wijzigen. Dit houdt in dat het bundelingsbeleid, verdichtingsbeleid, locatiebeleid voor bedrijven en voorzieningen, beleid voor basiskwaliteit, stedelijke netwerken, nationale landschappen en rijksbufferzones is afgeschaft en dat daar slechts één beleidslijn voor terug komt: de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Deze 'ladder' heeft tot doel het principe van vraaggericht programmeren en het principe van zorgvuldig ruimtegebruik bindend voor te schrijven bij de afwegingen van gemeenten en provincies. Dit belang is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Grondgedachte van de 'ladder' is dat een activiteit op meerdere locaties zou kunnen plaatsvinden en dat vervolgens de planologisch meest juiste locatie gekozen moet worden. Dat gaat uit van de activiteit. Hiermee wordt beoogd om de voorheen bestaande praktijk, waarbij in veel gevallen een bestemming wordt gezocht voor een bepaalde locatie (bv. herbestemmen van een voormalige vuilstortplaats), om te vormen.
Het voorliggende plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een ruimtereservering geldt. Uitsluitend het nationale belang van een 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten', als vervat in de 'ladder voor duurzame verstedelijking', is van toepassing op het onderhavige bestemmingsplan. Zie hiervoor 3.1.4.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het onderhavige plangebied niet gelegen is in een gebied waarvoor van Rijkswege een ruimtereservering geldt. Aan de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt onder 3.1.4 getoetst.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken.
De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee- tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling.
Met dit initiatief zijn geen kaders noodzakelijk ten behoeve van nieuwe ontwikkelingen waarbij Nationale belangen gemoeid zijn. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit initiatief.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat met dit initiatief geen kaders noodzakelijk zijn ten behoeve van nieuwe ontwikkelingen waarbij Nationale belangen gemoeid zijn.
Per 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Deze wijziging geldt voor alle aanvragen na 16 mei 2017, omdat er een directe werking van het Europese recht geldt.
Een milieueffectrapportage (MER) en de bijbehorende procedure (m.e.r.) is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is:
Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.-(beoordelings)plichtige besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Onder de grenzen uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt de plicht om een 'vormvrije' m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. In het geval van woningbouw dient sprake te zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject teneinde te kunnen spreken van een activiteit uit de D-lijst. Over het begrip stedelijk ontwikkelingsproject is inmiddels jurisprudentie. Bekeken moet worden naar de concrete omstandigheden van het geval, waarbij de aard en omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen (afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 31-01-2018 ECLI:NL:RVS:2018:348).
Gezien de zeer beperkte aard en omvang van de wijziging mag redelijkerwijs worden aangenomen dat in het onderhavige geval geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject en daarmee ook een m.e.r.-beoordeling niet van toepassing is.
Conclusie
Het onderdeel m.e.r. is niet van toepassing.
Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van art. 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – de 'ladder voor duurzame verstedelijking' – geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Dit procesvereiste is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de SVIR, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen.
Het Rijk heeft ervoor gekozen om, gedeeltelijk gebaseerd op de al langer geldende SER-ladder uit 1999, het procesvereiste vorm te geven als een determinerend-cumulatief werkende motivatieverplichting. De motivatieverplichting voor ruimtelijke besluiten, welke geldt voor de maximale planologische mogelijkheden inclusief flexibiliteitsinstrumenten (waarbij planologische saldering niet per definitie is toegestaan), bestaat uit twee eisen (treden):
Ten aanzien van de eerste trede dient allereerst te worden beoordeeld of het planvoornemen een stedelijke ontwikkeling betreft. Een stedelijke ontwikkeling wordt in artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) als volgt gedefinieerd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Het onderhavige planvoornemen betreft de realisatie van één ruimte voor ruimte-woning, hetgeen op grond van jurisprudentie niet als stedelijke ontwikkeling behoeft te worden gezien. In dit kader is onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22-11-2015 ECLI:NL:RVS:2015:3542 van belang. Daarin wordt uitgesproken dat een woningbouwplan van 11 woningen geen nieuwe stedelijke ontwikkeling is. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet vereist.
Conclusie
Het planinitiatief, dat voorziet in het realiseren van één ruimte voor ruimte- woning, is geen nieuwe stedelijke ontwikkeling en daarmee is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing.
Toetsingskader
De nieuwe Omgevingswet bundelt de wetten en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur, cultureel erfgoed en water en regelt zo het beheer en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. De provincie wil alvast gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet.
Daarom is in december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. Deze Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.
In de visie zijn door de provincie de doelen nog niet precies vastgelegd. Immers, diep, rond en breed kijken (zie hoofdstuk 4 in deze omgevingsvisie) is centraal uitgangspunt bij het samenspel voor de uitwerking van de visie. Dat betekent dat de provincie volop ruimte biedt voor inbreng vanuit partijen en disciplines. De omgevingsvisie agendeert en nodigt uit om hier samen mee aan de slag te gaan. Daarvoor is een verdere uitwerking van de ambitie nodig in programma's. Die uitwerking is een opgave die op de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en de ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Steeds anticiperend op veranderende omstandigheden en beweging in Brabant.
Conclusie
De uitwerking van de ambitie in programma's heeft nog niet plaatsgevonden. Het is derhalve niet mogelijk initiatieven te toetsen aan de omgevingsvisie. Totdat de programma's nader zijn uitgewerkt, worden de initiatieven voorlopig nog getoetst aan de 'Structuurvisie 2010 – partiele herziening 2014'.
Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 7 februari 2014 de partiële herziening 2014 van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 (SVRO) vastgesteld. De SVRO is opgebouwd uit twee onderdelen. In onderdeel A wordt de kern van de visie verwoord op ruimtelijke ontwikkelingen van Noord-Brabant. Het landschap en de wijze waarop dit moet worden versterkt, staan in dit onderdeel voorop. Deel B van de structuurvisie beschrijft de wijze waarop de provincie de visie uitwerkt in vier robuuste ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur.
In de structurenkaart (zie onderstaande afbeelding) van de SVRO is het plangebied aangeduid als 'Kernen in het landelijk gebied'. Hiervoor geldt dat deze gebieden zo veel als mogelijk worden ontzien van verdere verstedelijking door alleen van de opvang van de eigen verstedelijkingsbehoefte op te vangen. De ontwikkeling waarin dit bestemmingsplan voorziet, het toevoegen van één ruimte voor ruimte-woning, past binnen deze structuur.
Projectlocatie geel gemarkeerd
Het planvoornemen voorziet in het realiseren van een ruimte voor ruimte-woning en bijbehorende ontsluiting en parkeervoorzieningen.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat dit initiatief past binnen de visie en kaders van de Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014.
Op 25 oktober 2019 hebben Provinciale Staten de Interim omgevingsverordening vastgesteld. De Interim omgevingsverordening is op 5 november 2019 inwerking getreden. De Interim omgevingsverordening betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De Interim omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, maar is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In principe zijn de huidige regels gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau.
De Interim omgevingsverordening betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies.
De omgevingsvisie is vastgesteld om –vooruitlopend op de Omgevingswet- kansen te benutten.
Met ruimte voor handelen door te werken vanuit doelen in plaats vanuit instrumenten. Door maatschappelijk gedragen waarden centraal te stellen. Door meerwaarde-creatie als basis te hanteren in plaats van als uitzondering. En door vanuit casuïstiek te werken en het doel voorop te stellen.
Voor de provinciale inzet is het werken vanuit het samenspel met diep, rond en breed kijken vertrekpunt. Dit vraagt om een provincie die gemakkelijk van rol kan wisselen en die gericht is op het verbinden van belangen: private belangen, gebiedsbelangen en het publieke belang.
Daarbij hanteert de provincie vijf kernwaarden voor haar denken en handelen. De provincie zet in op:
De gemeente Eersel heeft aangegeven medewerking te verlenen aan het initiatief tot realisatie van een ruimte voor ruimte-woning.
In artikel 3.80 van de Interimomgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in één of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels, ieder ten behoeve van de bouw van één woning, indien:
In de plantoelichting is op de diverse onderdelen beschreven en geconcludeerd –meer specifiek wordt verwezen naar het gestelde onder 2.2, 3.4.2, 3.4.4, 3.4.5 en 3.4.6– dat wordt voldaan aan de in de verordening opgenomen voorwaarden.
Aanvullend daarop is het van belang te melden, dat de initiatiefnemer een ruimte voor ruimte-titel heeft verworven, welke als Bijlage 5 is bijgevoegd.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat dit initiatief voldoet aan de bepalingen van de Interimomgevingsverordening met betrekking tot ruimte voor ruimte-woningen.
De vier Kempengemeenten, Bergeijk, Bladel, Eersel en Reusel-De Mierden, hebben een gezamenlijke woonvisie opgesteld. Binnen de Kempengemeenten spelen namelijk dezelfde thema's op het gebied van wonen. Daarnaast heeft een Kempische visie op wonen een toegevoegde waarde omdat elke gemeente te maken heeft met gemeentegrensoverschrijdende opgaven, zoals de regionale afstemming over de woningbouwopgave.
De gemeenteraad van Eersel heeft daarom op 12 maart 2019 ingestemd met de vaststelling van de 'Kempische visie op wonen 2019-2013'. In de visie zijn vijf thema's die van belang zijn voor de ontwikkelingen van de regionale woningmarkt nader uitgewerkt in afspraken die met elkaar gemaakt zijn. Het gaat daarbij om beschikbaarheid en betaalbaarheid van woningen, wonen met zorg, duurzaam wonen en tot slot het thema wonen en werken.
De provincie Noord-Brabant heeft de kwantitatieve woningbehoefte voor de Kempengemeenten in beeld gebracht, uitgedrukt in een laag en hoog scenario. Gelet op de sterke economische groei en de daarmee gepaard gaande aantrekkingskracht op vestigers nemen we het hoge scenario als richtlijn voor de toekomstige woningbehoefte. Op basis daarvan is er behoefte aan 2.440 extra woningen in de regio voor de periode 2018-2028.
Voor Eersel bedraagt dit aantal woningen 460.
Conclusie
Het plan past binnen de kaders van de Kempische woonvisie.
Op 26 januari 2020 heeft de gemeenteraad van Eersel de Omgevingsvisie 1.0 vastgesteld.
In deze visie zijn het bestaande beleid en de actuele ontwikkelingen in de gemeente Eersel in beeld gebracht en zijn tegenstellingen tussen sectoren geïdentificeerd. Belangrijkste leidraad hierbij zijn de gemeentelijke ambities, zoals verwoord in de Toekomstvisie 2030. Net zoals de toekomstvisie is ook de omgevingsvisie vooral richtinggevend. De visie biedt een ontwikkelperspectief.
Voor de kern Vessem ziet de detailkaart er als volgt uit:
Conclusie
Het plan is niet in strijd met de Omgevingsvisie 1.0.
In juni 2013 heeft de gemeenteraad de Toekomstvisie 2030 'Kempisch wonen in een wereldregio' vastgesteld. Deze visie geeft het gewenste beeld van de gemeente in 2030 weer en biedt het kader waarin de gemeente haar beleid kan richten. De gemeente heeft drie kernambities geformuleerd die voortbouwen op de sterke kwaliteiten van de gemeente:
Voor de kern Vessem ligt de nadruk op het behoud van de cultuurhistorische en groene waarden van het dorp. Duurzaamheid en het streven naar een energie neutrale gemeente staan hoog op de agenda.
Conclusie
Met het optimaal borgen van randvoorwaarden en kansen, die aan de hand van de zonering op perceelsniveau zijn uitgewerkt, kan worden geconcludeerd dat het plan niet in strijd met de Toekomstvisie 2030 is.
Op 3 april 2012 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie 2011 vastgesteld. In de structuurvisie is het bestaande ruimtelijke beleid bijeengebracht en zijn de sectorale visies met elkaar verbonden, zodat ze in onderlinge samenhang tot uitvoer kunnen worden gebracht. Een belangrijk onderdeel van de structuurvisie is de bijdrage van nieuwe stedelijke ontwikkelingen aan de landschappelijke kwaliteit, doordat de structuurvisie een relatie legt tussen de stedelijke ontwikkelingsmogelijkheden en de voorgenomen ruimtelijke verbeteringsprojecten in het buitengebied. De StructuurvisiePlus, die is vastgesteld op 17 december 2002, maakt integraal deel uit van de Structuurvisie 2011. Ook het Landschapsontwikkelingsplan, dat is vastgesteld op 15 mei 2007, maakt deel uit van de nieuwe structuurvisie. De ruimtelijke visie zoals vastgelegd in de StructuurvisiePlus en het Landschapsontwikkelingsplan blijft daardoor richtinggevend voor de komende jaren.
In de StructuurvisiePlus (2002) heeft het gemeentebestuur haar integrale visie heeft weergegeven voor de meest wenselijke ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. De structuurvisie heeft als doel de ruimtelijke kwaliteiten van de gemeente te behouden, maar tegelijkertijd ook ruimte te bieden voor nieuwe duurzame ontwikkelingen. De volgende items zijn verder uitgewerkt en onderbouwd in de StructuurvisiePlus:
In de structuurvisie is aangegeven dat in het buitengebied grote veranderingen spelen. De landbouw neemt veelal een minder prominente plaats in dan voorheen. De behoefte om nieuwe economische activiteiten in het buitengebied te ontwikkelen is dan ook groot. Tevens is er de behoefte om in het aantrekkelijke landelijke gebied van Eersel te wonen.
Het is niet mogelijk om alle wensen en ontwikkelingen overal in het buitengebied toe te staan. Dit zou de landschappelijke kwaliteiten van het gebied en huidige uitbreidingsmogelijkheden van agrarische bedrijven te veel aantasten. Daarom is ervoor gekozen om een samenhangende visie voor de ontwikkelingsmogelijkheden in het buitengebied op te stellen. Hierbij worden in de bebouwingsconcentraties ruimere mogelijkheden geboden dan daarbuiten.
Per bebouwingsconcentratie is een visie op maat opgesteld. Hierin zijn de kwaliteiten van de bebouwingsconcentratie aangegeven die behouden moeten blijven. Tevens is nagegaan waar de ruimte voor ontwikkeling ligt en hoe deze kan worden ingevuld.
Voor een concrete uitwerking hiervan wordt verwezen naar paragraaf 3.4.4.
Visueel geeft dit voor specifiek Vessem het volgende beeld:
Het plangebied is gelegen binnen een bebouwingsconcentratie in het buitengebied van de gemeente Eersel. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de kaart behorende bij de 'Structuurvisie 2011'.
Conclusie
Nu het gaat om een invulling binnen een bebouwingsconcentratie in het buitengebied kan worden geconcludeerd dat het plan past binnen de structuurvisie 2030.
Het gemeentelijk beleid dat relevant is voor het plangebied is vastgelegd in het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied 2017', vastgesteld op 3 juli 2018 en in zijn geheel in werking getreden.
Voor het plangebied geldt op grond van dit bestemmingsplan de enkelbestemming `Agrarisch´ en de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 4.1'.
Op grond van de geldende regels zijn de voor Agrarisch aangewezen gronden bestemd voor:
een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen en sloten, en overeenkomstig de in 3.1.2 opgenomen nadere detaillering van de doeleinden.
Conclusie
De realisatie van een (ruimte voor ruimte)woning binnen de bestemming 'Agrarisch' past niet binnen het geldend planologisch regiem.
De 'Gebiedsvisie Bebouwingsconcentraties' bestaat uit twee delen. Het eerste deel bevat een integrale analyse van buitengebied en een bepaling en analyse van de bebouwingsconcentraties. Per landschappelijke zone en bebouwingsconcentratie zijn de ruimtelijke en functionele kenmerken geïnventariseerd. In het tweede deel is per bebouwingsconcentratie een analyse en een ruimtelijke en functionele visie opgenomen.
In het eerste deel van de gebiedsvisie is het grondgebied van de gemeente ingedeeld in functiezones.
Het plangebied is gelegen in een bebouwingsconcentratie in 'Agrarisch overgangsgebied'. Dit betreft gronden gelegen in een zone tussen de woonkern Vessem en het aangewezen landbouwontwikkelingsgebied ten zuiden van Vessem. In dit gebied ligt het primaat bij het agrarisch gebruik, maar kunnen in de bebouwingsconcentraties ook mogelijkheden voor functiemenging geboden worden. Dichtbij de kernen zijn de ontwikkelingsmogelijkheden voor niet-agrarische functies het ruimst.
In het tweede deel van de 'Gebiedsvisie Bebouwingsconcentraties' is een analyse uitgevoerd van alle aangewezen bebouwingsconcentraties. Uit deze analyse zijn kwaliteiten en knelpunten gedestilleerd, die samen met de analyse aan de basis staan voor de ruimtelijke en functionele visie op de verschillende concentraties. Het projectperceel is gelegen in de bebouwingsconcentratie 'Driehuizen'. In de 'Gebiedsvisie Bebouwingsconcentraties' is de volgende analyse van de kansen en knelpunten van deze bebouwingsconcentratie weergegeven:
Kansen en Knelpunten
Het bebouwingscluster heeft een herkenbaar agrarische/landelijk karakter. Het kleinschalige karakter biedt een kans voor nieuwe initiatieven. Het open agrarisch gebied gelegen tussen de Mr. De la Courtstraat en de Maaskant wordt als waardevol beschouwd en dient derhalve behouden te blijven.
Voor de bebouwingsconcentratie 'Driehuizen' is de volgende visie geformuleerd:
Visie
Deze bebouwingsconcentratie is blijkens de visiekaart aangeduid als agrarisch ontwikkelingsgebied, met uitzondering van het meest zuidelijke gedeelte, dat is aangeduid als primair agrarisch gebied. De nadruk ligt hier op het agrarisch gebruik. Functiemenging is hier mogelijk. De ontwikkeling van agrarische en niet agrarische functies dient samen te gaan met een goede landschappelijke inpassing van erven en bebouwing en behoud van de landschappelijke karakteristieken. Dicht bij de kern zijn de ontwikkelingsmogelijkheden voor niet-agrarische functies het ruimst. De voorkeur gaat uit naar functies die een meerwaarde hebben voor de kernen, zoals: wonen, agrarisch verwante bedrijvigheid (bv. hovenier, dierenpension) en ambachtelijke dienstverlening en lichte bedrijvigheid. Naast herbouwmogelijkheden bij afbraak van (voormalige) bedrijfsgebouwen/glasopstanden wordt in deze bebouwingsconcentratie de incidentele toevoeging van nieuwe bebouwing mogelijk geacht, mits de te behouden open ruimten in acht worden genomen.
Voor de bebouwingsconcentratie 'Driehuizen' is de 'Gebiedsvisie Bebouwingsconcentraties' tevens een kaartbeeld met daarin de analyse en het wensbeeld opgenomen. Navolgende figuur geeft dit kaartbeeld weer. Ter plaatse van het plangebied is geen specifieke aanduiding aanwezig.
Conclusie
De beoogde herontwikkeling is passend binnen de 'Gebiedsvisie Bebouwingsconcentraties'. In de gebiedsvisie is aangegeven dat het plangebied een geschikte locatie is voor woningbouw.
De gemeenteraad van Eersel heeft op 28 januari 2020 de Visie Buitengebied vastgesteld. Op basis van de daarin opgenomen zonering is het projectperceel geduid als 'lokaal dorpsovergangsgebied'.
De daarvoor geldende matrix laat zien dat de functie wonen binnen deze zone mogelijk is op grond van ruimte voor ruimte.
Conclusie
De realisatie van een (ruimte voor ruimte) woning binnen de zone 'lokaal dorpsovergangsgebied', zoals opgenomen in de Visie Buitengebied, past binnen het vastgestelde beleidskader.
Het hoofddoel van het gemeentelijke beeldkwaliteitplan is het borgen van de ruimtelijke kwaliteit en samenhang van de dorpen om daarmee de identiteit en de leefbaarheid van de dorpen te versterken. Daarnaast moet het beeldkwaliteitplan een toetsingskader vormen voor beleidsmedewerkers bij de gemeente en welstand. Het gemeentelijk beeldkwaliteitplan bestaat uit twee delen. In het eerste deel is gezocht naar de overeenkomsten in het Kempische landschap. Die overeenkomsten zijn samengesteld in bouwstenen die typisch Kempisch zijn en die in meerdere dorpen voorkomen en dus ook kunnen worden toegepast.
In deel 2 worden de Kempische bouwstenen die zorgen voor samenhang tussen de verschillende dorpen toegepast en specifiek gemaakt per dorp en per straat. In dit deel krijgt ieder dorp een eigen hoofdstuk waarin begonnen wordt met een analyse van het hele dorp. Deze analyse wordt samengevat in een overzichtskaart waarin alle specifieke soorten openbare ruimte benoemd worden.
Vervolgens wordt er per straat een analyse gegeven van het huidige beeld, inclusief een beknopte historische terugblik, het huidige gebruik en beheer. Per ontwikkellocatie wordt een analyse en waardering geschreven. Dit mondt uit in een aantal uitgangspunten.
Over Maaskant is het volgende opgenomen:
"Aan de bovenloop van de Hazenloop liggen een drietal buurtschappen omgeven door bospartijen. De buurtschappen liggen aan de landelijke wegen, de clustering van de bebouwing zorg voor een ruimtelijk moment langs de weg. Deze buurtschappen zijn relatief klein en bestaan uit enkele zeer oude (behorende tot de oudste van Brabant) langgevelboerderijen en woonhuizen."
In paragraaf 2.2 is uitvoerig beschreven op welke wijze invulling is gegeven aan en rekening is gehouden met het gemeentelijk beeldkwaliteitplan.
Conclusie
Het initiatief voldoet aan de uitgangspunten van het gemeentelijk beeldkwaliteitsplan.
Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het bij het opstellen van een bestemmingsplan of daarmee vergelijkbare planvorm verplicht om inzicht te bieden in de relevante planologische en milieuhygiënische aspecten. In dit hoofdstuk is een verantwoording voor deze aspecten opgenomen.
Door het bureau Lankelma is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor het plangebied (rapportage d.d. 1 juli 2020, rapportnummer 2001193). De resultaten leiden tot de conclusie dat op basis van de aangetroffen waarden geen aanvullend onderzoek nodig is. Dit onderzoek is als Bijlage bij deze toelichting gevoegd.
Grond
Op de planlocatie zijn in de bovengrond geen verhoging van de onderzochte stoffen aangetoond. Allen liggen onder de achtergrondwaarden. Evenmin zijn er asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen.
Grondwater
De licht verhoogde concentraties aan barium en nikkel overschrijden slechts de streefwaarden en niet de interventiewaarden en geven geen aanleiding tot verder onderzoek.
Conclusie
Ter plaatse van het beoogde plangebied zijn geen verontreinigingen aangetroffen die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. De bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied vormt geen belemmering voor de beoogde functiewijziging.
Bij elke ruimtelijke ontwikkeling is het opstellen van een waterparagraaf verplicht gesteld, mede in relatie tot de watertoets. In deze paragraaf wordt verwoord hoe er in het plan met de aspecten water en ruimte rekening wordt gehouden, in relatie tot enerzijds het waterbeleid en anderzijds de waterhuishouding.
Sinds juli 2003 is de watertoets wettelijk verankerd in het Besluit op de Ruimtelijke Ordening. Het besluit verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de toelichting van alle ruimtelijke plannen.
Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van de oprichting van de woning binnen het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het plangebied valt onder het beheer van waterschap De Dommel. Aanvullend op het beleid van het waterschap, heeft de gemeente Eersel beleid opgesteld voor de omgang met stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Navolgend wordt ingegaan op zowel het relevante beleid van het waterschap als het relevante gemeentelijke beleid.
Waterbeheerplan De Dommel 2016-2021 'Waardevol Water'
Het Waterbeheerplan 'Waardevol Water' is actueel vanaf 1 januari 2016. In dit Waterbeheerplan van Waterschap De Dommel is aangegeven wat de doelen van het waterschap zijn voor de periode 2016 - 2021 en hoe het waterschap dit wil bereiken. Het waterbeheerplan geeft vier uitgangspunten weer die de richting aangeven van de plannen en oplossingen van het waterschap voor de periode 2016 – 2021. Deze vier uitgangspunten luiden als volgt:
De werkzaamheden van het waterschap zijn onder te verdelen in de volgende thema's:
Keur 2015
Waterschap De Dommel beheert het grond- en oppervlaktewater (zoals rivieren en beken) en waterkeringen met bijbehorende kunstwerken (bijvoorbeeld stuwen en gemalen). Om het grond- en oppervlaktewater en de waterkeringen goed te kunnen beheren en beschermen zijn er regels nodig, vastgelegd in een verordening, de 'Keur Waterschap De Dommel 2015'. In de Keur staan algemeen geformuleerde geboden en verboden. Naast deze geboden en verboden zijn er een groot aantal algemene regels opgesteld. Daarnaast zijn in veel gevallen activiteiten in en rondom kleine waterlopen helemaal vrijgesteld van regels. Navolgend figuur geeft de ligging van het plangebied op de kaart 'Beschermde gebieden keur' weer, waarbij het plangebied met een rode cirkel is aangeduid.
Het plangebied is niet gelegen in een keurbeschermings- of attentiegebied. Ten noorden en westen van het projectperceel is een leggerwatergang, de Hazenloop, gelegen. In bovenstaande afbeelding is de ligging van deze leggerwatergang in blauw weergeven.
Ten aanzien van deze leggerwatergang dient een beschermingszone met een breedte van 5 meter te worden aangehouden. In onderhavig bestemmingsplan is voorzien in een aanduiding 'natuurwaarden'. Binnen deze aanduiding is bebouwing niet toegestaan. Daarmee wordt het waterstaatkundige belang op voldoende wijze gewaarborgd.
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
Het plangebied is in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant aangeduid als 'grondwaterbeschermingsgebied'.
In een grondwaterbeschermingsgebied heeft het grondwater 25, dan wel 100 jaar nodig om de pompputten te bereiken. Op de locatie ontbreekt een slecht doorlaatbare kleilaag die het te onttrekken water beschermt. Voor het betreffende gebied geldt een aantal beperkingen voortvloeiend uit de provinciale milieuverordening. Paragraaf 2.1.3 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant stelt regels ten aanzien van grondwaterbeschermingsgebieden.
Doel van de regels in grondwaterbeschermingsgebied is om te voorkomen dat:
Binnen grondwaterbeschermingsgebied geldt dat activiteiten die schadelijk (kunnen) zijn voor de bodem en het zich daarin bevindende grondwater zijn verboden.
Activiteiten die risico kunnen geven voor de kwaliteit van de bodem en het grondwater zijn alleen onder voorwaarden toegestaan. Deze zijn bij elkaar opgenomen in artikel 2.8 waarbij de zogenaamde 'ja, mits benadering' is toegepast. De voorwaarden worden per activiteit uitgewerkt. Activiteiten die niet onder de werking van deze artikelen vallen, zijn met in acht neming van de zorgplicht (artikel 2.1) toegestaan.
Uit zorg voor een goede kwaliteit van het grondwater moet bij de nieuwbouw van de beoogde woningen worden afgezien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen in daken, gevels, verhardingen en regenwatervoorzieningen (goten en leidingen). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Het afstromende hemelwater van de bebouwing is derhalve voldoende schoon en kan direct geïnfiltreerd worden.
Ook mag het te infiltreren hemelwater van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen. De geplande activiteiten zijn dan ook niet bedreigend voor de ondergrond en het grondwater. Met dit plan ontstaat dan ook geen extra risico voor het grondwater.
Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen
De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'.
Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², 2.000 m² - 10.000 m² en meer dan 10.000 m².
Op basis van de Keur en de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen' wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 2.000 m². Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. Zoals aangegeven blijft het verharde oppervlak beneden de 2.000 m².
Verbreed Gemeentelijk rioleringsplan 2016-2021
Sinds 1 januari 2008 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het hemelwater, het afvalwater en het grondwater. In het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2021 (vGRP) beschrijft de gemeente Eersel de beleidsvoornemens en maatregelen voor inzameling, transport en (lokale) verwerking van afval-, hemel- en grondwater in Eersel voor de periode 2016-2021. De algemene doelen van dit vGRP ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater zijn hieronder beschreven:
Vanuit de Wet Milieubeheer heeft de gemeente de verplichting om een voorziening aan te bieden voor het inzamelen van afvalwater. Ook bij nieuwbouwlocaties zal de gemeente zorgdragen voor de inzameling van het afvalwater.
Het transport van het stedelijk afvalwater binnen de gemeente Eersel vindt hoofdzakelijk plaats via een gemengd rioolstelsel. Om wateroverlast te voorkomen dient de riolering over voldoende afvoercapaciteit te beschikken. De gemeente Eersel heeft reeds in de voorgaande planperiode ingezet op het afkoppelen van verhard oppervlak van de riolering boven het vergroten van de diameters. De gemeente continueert dit beleid voor de komende planperiode.
Belangrijk vertrekpunt in de wetgeving is dat de zorgplicht in eerste instantie bij de burger ligt. De burger draagt in eerste instantie zorg voor het verwerken van hemelwater op het eigen perceel. Dit kan door hergebruik, infiltreren in de bodem of bergen in bijvoorbeeld een vijver. Wanneer dit redelijkerwijs niet mogelijk is, moet de gemeente de zorgplicht overnemen mits dit doelmatig is.
Bij uitbreidingssituaties (nieuwbouw) zet de gemeente Eersel in op het centraal verwerken van hemelwater. Bekostiging (eerste aanleg) hiervan vindt plaats vanuit de exploitatie van het bouwplan. De particulier is hierbij zelf verantwoordelijk voor de inzameling en afvoer van het hemelwater tot aan de perceelgrens. Bij het ontwerpen van infrastructuur in nieuwbouwplannen wordt rekening gehouden met de aanleg van deze regenwatervoorzieningen, in de vorm van een hemelwaterriool, een wadi of een watergang.
Tijdens de watertoets wordt gekeken of een nieuw te ontwikkelen gebied geschikt is om te bebouwen. Bij de locatiekeuze van deze ontwikkelingen is de grondwaterstand een belangrijk aandachtspunt. Hierbij wordt bepaald of grondwater belemmerend kan zijn voor de bestemming van het gebied en zo ja, welke maatregelen in de inrichtings- en bestemmingsfase noodzakelijk zijn.
Het beheer van de riolering is gericht op een duurzame instandhouding van het totale rioleringsstelsel tegen de laagst mogelijke kosten en zo min mogelijk overlast voor de burger en gebruiker.
Hemelwaterafvoer
Onderhavig bestemmingsplan maakt 1 woning mogelijk.
Voor de toekomstige situatie wordt uitgegaan van een bebouwd en verhard oppervlak van circa 400 m².
Hemelwater dat valt op erfverharding op eigen terrein zal afvloeien op de tuin en het erf en aldaar rechtstreeks in de bodem infiltreren.
Benodigde bergingsvoorziening
In de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen' is een rekenregel opgenomen om de benodigde bergingsvoorziening te berekenen. De vereiste compensatie kan berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m²) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m).
Daarnaast geeft de kaart 'Algemene regel afvoer regenwater door verhard oppervlak 2015' vervolgens aan of voor een specifieke situatie met minder compensatie volstaan kan worden. Onderstaand is een uitsnede van deze kaart weergegeven.
Ter plaatse van de beoogde uitbreidingslocatie is gevoeligheidsfactor 1 van toepassing. De benodigde compensatie bedraagt derhalve 40 m³ (670 m² * 0,06 * 1).
Zoals bovenaangehaald is het onbebouwde gedeelte van het perceel van voldoende omvang om het hemelwater van het bebouwd en verhard oppervlak van circa 670 m² ter plekke te laten infiltreren.
Dit verharde oppervlak bestaat uit:
Bebouwing 300 m2 en gesloten verharding rondom woonhuis 100 m2 en halfverharding 270 m2 t.b.v. toerit/kerkpad en parkeerplaatsen.
Huishoudelijk afvalwater in nieuwe situatie
Het huishoudelijk afvalwater zal op de bestaande riolering worden geloosd.
Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater
Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van lood of asfalt etc.). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.
Conclusie
Met inachtneming van vorenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect water geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het initiatief. De infiltratie vindt plaats via het onverharde terrein en de ter plaatse aanwezige greppel.
Conform de Wet Geluidhinder dient een akoestisch onderzoek te worden verricht indien er sprake is van het projecteren van nieuwe woningen binnen de zone van een weg. Uitzonderingen hierop zijn wegen, die bestemd zijn als woonerf of opgenomen zijn in een 30 km-zone.
Het projectperceel is niet gelegen in de onderzoekszone van een of meerdere wegen. Nu de ontwikkellocatie is gesitueerd nabij niet gezoneerde wegen (30 km/u wegen) dient daarnaast op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening aannemelijk te worden gemaakt dat ook sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau.
Door F. Bouwmans Ingenieursburo te Deurne is een akoestisch onderzoek uitgevoerd ten behoeve van het initiatief (rapportage d.d. 11 juni 2020, project nr. 20200611-01).
Het akoestisch onderzoek, dat als Bijlage is bijgevoegd, heeft tot doel de geluidsbelasting op de kavelgrenzen van het projectperceel te bepalen en te toetsen aan de grenswaarden, die in wet Geluidhinder zijn gesteld.
Indien niet aan de grenswaarden wordt voldaan, moet worden bezien of geluidsbeperkende maatregelen doelmatig zijn.
Uit het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken:
Conclusie
Ter plaatse van de kavelgrenzen van het beoogde plangebied is geen sprake van overschrijding van de grenswaarden. Het geluid ter plaatse van het plangebied vormt geen belemmering voor de beoogde functiewijziging.
Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit') bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer:
Het voorliggende planinitiatief maakt de bouw van één woning mogelijk.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Aangezien het voorgestane initiatief zich uitstrekt over (het toevoegen van) slechts één woning en dit aantal ver beneden de wettelijke drempel (van 1500 nieuwe woningen op één ontsluitingsweg) ligt wordt voldaan aan het 3%-criterium.
Conclusie
Aangezien het initiatief voldoet aan het 3%-criterium en bovendien daarmee de verkeersaantrekkende werking van dit plan ruim onder der 7500 verkeerbewegingen ligt kan gezien het voorgaande geconcludeerd worden dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Op basis van artikel 5.16, lid 1, aanhef en onder c van de Wet milieubeheer kan het project zonder nader onderzoek doorgang vinden.
Algemeen
Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico's die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als 'de kans op overlijden' voor personen. De aanwezige risico's zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: risicovolle inrichtingen, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende (sub)paragrafen nader toegelicht.
Ten aanzien van risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR):
Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar contour. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Het groepsrisico (GR) drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.
Beleidskader
Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het besluit bevat eisen voor het PR en regels voor het GR.
Het externe veiligheidsbeleid bij buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd is sinds 1 januari 2011 vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dit besluit is vastgelegd hoe gemeenten moeten omgaan met de externe veiligheid van buisleidingen bij het vaststellen van ruimtelijke besluiten.
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) waarborgt een basisbeschermingsniveau door te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Het besluit van 11 november 2013 bevat eisen voor het PR en regels voor het GR.
De gemeente Eersel heeft in 2013 de 'Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Eersel' opgesteld. Deze visie schetst de huidige externe veiligheid situatie van de gemeente Eersel. Daarnaast vormt de visie een beleidskader hoe de gemeente met externe veiligheid omgaat, met name bij ruimtelijke ordening. De beleidsvisie heeft tot doel de risico's waaraan burgers in de gemeente Eersel worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Daarnaast vormt het beleidsdocument een instrument om het gewenste beleid voor de verschillende risicobronnen vast te leggen. De relevante typen bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en hoogspanningslijnen en buisleidingen worden behandeld in de 'Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Eersel'. In navolgende paragrafen wordt op de relevante typen ingegaan.
Beoordeling projectperceel
Het Bevi en de bijbehorende regeling externe veiligheid inrichtingen (REVI) zijn op 27 oktober 2004 in werking getreden. Het BEVI legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vastgesteld dient te worden of het plangebied gelegen is binnen de veiligheidscontour van bestaande inrichtingen. De inrichtingen zijn weergegeven op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant. Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid.
Vervoer over het spoor
Op het grondgebied van de gemeente Eersel bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is dus niet van toepassing.
Vervoer over het water
Binnen de gemeente Eersel vindt geen significant transport over water plaats. Dit aspect is dus niet van toepassing.
Vervoer over de weg
Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande weg in de nabijheid van het plangebied waarover dergelijke transporten zullen plaatsvinden is de autosnelweg A67. Het plangebied ligt op een afstand van minimaal 5.000 meter van de A67. Het plangebied ligt daarmee buiten de veiligheidszone die in het kader van het plaatsgebonden risico moet worden aangehouden. Ook is het plangebied buiten het invloedsgebied van 4.000 meter gelegen, waarmee in het kader van het groepsrisico rekening moet worden gehouden.
Vervoer via buisleidingen
Door de gemeente Eersel lopen twee hogedruk aardgasleidingen. Het plangebied is op een afstand van minimaal 2.500 meter van deze leidingen gelegen en ligt daarmee buiten de invloedsgebieden van de leidingen (80 en 100 meter). De leidingen hebben geen plaatsgebonden risico (10-6/jaar) buiten de leiding. Daarnaast liggen op Eersels grondgebied nog een drietal hogedrukleidingen. De afstand van het plangebied tot deze leidingen is minimaal 3.000 meter. Het plangebied ligt daarmee buiten de invloedsgebieden van deze leidingen (maximaal 31 meter) en het plaatsgebonden risico (maximaal 12 meter).
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het oogpunt van externe veiligheid vanwege transport van gevaarlijke stoffen geen belemmeringen bestaan voor een goed woon- en leefmilieu.
Hoogspanningslijnen
Voor hoogspanningslijnen gelden geen risicoafstanden, maar gezondheidsafstanden. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen hoogspanningslijnen en kan dus ook geen interactie plaatsvinden.
Conclusie
Vanwege hoogspanningsleidingen zijn er geen belemmeringen voor het initiatief.
Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet is het nieuwe toetsingskader bij aanvragen om een milieuvergunning van veehouderijen. De veehouderijen moeten voldoen aan individuele wettelijke normen voor de geurbelasting op een geurgevoelig object.
Echter ook omgekeerd dient vanuit deze wet te worden beoordeeld of bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Dit betekent dat vanuit de individuele bedrijven een voorgrondbelasting wordt gehanteerd en vanuit het beoordelen of sprake is van een goed woon- en leefklimaat wordt een achtergrondbelasting gehanteerd.
Bij besluitvorming omtrent de (her)ontwikkeling van de locaties dient in het kader van het aspect 'geur' antwoord gegeven te worden op de vragen:
In de directe nabijheid van het projectperceel is een aantal veehouderijen gelegen, te weten:
Onderstaande afbeelding geeft een overzicht van de ligging van deze veehouderijen ten opzichte van het projectperceel.
De geldende vergunningen voor deze bedrijven geeft het volgende beeld:
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Gemeenten mogen, binnen bepaalde grenzen, bij verordening van de normen in de Wet geurhinder en veehouderij afwijken (artikel 6 van de wet). In aanvulling op de Wgv heeft de gemeenteraad op 29 september 2015 de 'Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Eersel 2015' vastgesteld. Deze verordening is op 9 oktober 2015 in werking getreden. De verordening van de gemeente Eersel stelt voor bepaalde gebieden geurnormen die afwijken van de wettelijke normen zoals vastgelegd in de Wgv. In plangebieden voor woningbouw en industrieterrein bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op de voor geurgevoelige objecten 3 oue/m³. In het buitengebied bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op de voor geurgevoelige objecten 10 oue/m³. Daarnaast bedraagt binnen de bebouwde kom de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object ten minste 50 meter voor zover dit betrekking heeft op bedrijven met maximaal 56 stuks dieren waarvoor vaste afstanden gelden. Het plangebied betreft een plangebied voor woningbouw. Derhalve geldt ter plaatse van het plangebied bij vergunning verlening voor veehouderij de maximale waarde voor de voorgrondbelasting van 3 oue/m³. Daarnaast dient in afwijking van de Wgv ten aanzien van veehouderijen met maximaal 56 stuks dieren waarvoor vaste afstanden gelden, een afstand van 50 meter aangehouden te worden. Bij herbestemming dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de handreiking 'Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7' is navolgende tabel opgenomen, welke de relatie tussen de voorgrondbelasting, de achtergrondbelasting en het leefklimaat weergeeft.
Inleiding
Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting ten minste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Onderstaand worden derhalve de voorgrond- en achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied inzichtelijk gemaakt.
Voorgrondbelasting
Op de veehouderijen aan Maaskant 1, Driehuizen 1 en Driehuizen 4 worden dieren (rundvee en paarden) gehouden waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld en waarvoor derhalve op grond van artikel 4 van de Wgv een vaste afstand aangehouden dient te worden. Tot het bedrijf aan Driehuizen 4 dient een vaste afstand van 50 meter aangehouden te worden (minder dan 56 stuks dieren). Tot de overige twee veehouderijen dient een afstand van 100 meter te worden aangehouden. De veehouderij aan Driehuizen 4 is op een grotere afstand dan 50 meter van de beoogde woning gelegen. Het bedrijf aan Driehuizen 1 is op meer dan 100 meter van de beoogde woning gelegen. Het dichtst bij het bouwvlak voor de nieuwe woning gelegen emissiepunt van de veehouderij aan Maaskant 1 is gelegen op een afstand van ruim 120 meter ten opzichte van het plangebied en ruim 150 meter ten opzichte van het bouwvlak voor de beoogde woning.
Op de bedrijven Driehuizen 1 en Driehuizen 7 worden (tevens) dieren gehouden waarvoor wel een geuremissiefactor is vastgesteld. De geurbelasting afkomstig van het bedrijf aan Driehuizen 1 is reeds meegenomen in de berekening van de voorgrondbelasting in de vorige paragraaf. De voorgrondbelasting van het bedrijf aan Driehuizen 7 is berekend met behulp van het programma VStacks-Vergunning t.b.v. de op grond van het nieuwe bestemmingsplan “Postels Huufke 2-4 en Mr. De la Courtstraat 15” mogelijk te maken woningen, waarin de geprojecteerde woningen dichter bij het bedrijf zijn gelegen dan in de onderhavige situatie. De resultaten van deze berekeningen zijn navolgend weergegeven.
Aan de hand van de berekende voorgrondbelastingen kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de in het bestemmingsplan “Postels Huufke 2-4 en Mr. De la Courtstraat 15” geprojecteerde woningen sprake is van een voorgrondbelasting van maximaal 6,5 oue/m³. Op basis van de tabel uit de handreiking 'Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7' is ter plaatse van dat plangebied op basis van de voorgrondbelasting sprake van een 'redelijk goed' woon- en leefklimaat. Mutatis mutandis mag voor het onderhavige plangebied tenminste eenzelfde conclusie worden getrokken.
Achtergrondbelasting
De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een kaart met de achtergrondbelasting (peildatum 27 maart 2019) gepubliceerd. Een uitsnede van deze kaart is onderstaand opgenomen:
Ter plaatse van het plangebied is met een achtergrondbelasting van 3-7 oue/m³ sprake van een 'goed' woon- en leefklimaat.
Conclusie
Uit de bepaling van de voor- en achtergrondbelasting blijkt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Ter plaatse is dan ook minimaal sprake van een 'redelijk goed' en dus aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
De herontwikkeling van het plangebied mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen niet belemmeren. Tussen de veehouderijen in de omgeving en het plangebied, dan wel in directe nabijheid van de veehouderijen zijn reeds geurgevoelige objecten gelegen die de veehouderijen reeds belemmeren. De beoogde herontwikkeling van het plangebied belemmert de omliggende veehouderijen daarmee niet meer in de ontwikkelingsmogelijkheden dan thans het geval is.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de herontwikkeling in het kader van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen geen bezwaar is.
Er dient een noodzakelijke ruimtelijke scheiding te worden aangebracht tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming en/of vergroting van de leefkwaliteit. De milieuhinder van bedrijven dient te worden geanalyseerd op hun invloed op mogelijke ontwikkelingen. Indien milieubelastende functies in het plangebied mogelijk worden gemaakt, dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te worden gemaakt.
De toelaatbaarheid van bedrijvigheid kan globaal worden beoordeeld met behulp van de methodiek van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (uitgave 2009). In deze brochure is een bedrijvenlijst opgenomen die informatie geeft over de milieukenmerken van typen bedrijven.
Vervolgens wordt in de lijst op basis van een aantal factoren (waaronder geluid, gevaar en verkeer) een indicatie gegeven van de afstanden tussen bedrijfstypen en een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals rustig buitengebied), waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. De lijst is algemeen geaccepteerd als uitgangspunt bij het opstellen van ruimtelijke plannen.
De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'.
In en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.
Er zijn geen belemmeringen vanuit aanwezige kabels en leidingen
Het initiatief voorziet in het toevoegen van één woning. Met behulp van de landelijke richtlijn van het CROW 'Toekomstbestendig parkeren' (december 2018) is de verkeersaantrekkende werking van beoogde ontwikkeling bepaald. Het autobezit en de concurrentieverhoudingen tussen vervoerswijzen worden bepaald door het type woonmilieu waarin het plangebied gelegen is.
Het plangebied is gelegen in een 'weinig stedelijk' woonmilieu in een gebied dat is te kwalificeren als 'rest bebouwde kom'. Voor dit type woonmilieu geldt een gemiddelde per vrijstaande woning per weekdagetmaal van 7,4 – 8,2.
De realisatie van één woning geeft maximaal 8 motorvoertuigen per etmaal. Dit zal de intensiteit op de Maaskant nauwelijks beïnvloeden, omdat het slechts een zeer beperkt percentage betreft van de huidige intensiteit op diezelfde Maaskant.
Het is dan ook niet aannemelijk dat de ontsluiting van de woning op de Maaskant zal leiden tot een onevenredige belasting ervan.
Er dient tevens voorzien te zijn in voldoende parkeergelegenheid. Gemeente Eersel heeft op 23 januari 2014 het 'Parkeerbeleidsplan Eersel' vastgesteld. Dit plan omvat een toetsingskader voor vraagstukken omtrent parkeren en bevat parkeernormen voor nieuwe ontwikkelingen. Het kerkdorp Wintelre is daarbij aangewezen als 'rest bebouwde kom'.
In het parkeerbeleidsplan is voor deze categorie vastgelegd dat voor twee-onder-een-kap woningen voorzien moet worden in 2,5 parkeerplaatsen per woning. Bij de beoogde woning is voldoende ruimte om 3 auto's te kunnen parkeren. De beoogde ontwikkeling vormt dus tevens geen belemmeringen voor wat betreft het aspect parkeren.
Conclusie
Er zijn geen belemmeringen vanuit verkeer en parkeren.
Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving, meer specifiek de Wet natuurbescherming. Het wettelijk kader is gericht op het behoud van de biologische diversiteit en een duurzaam gebruik van de bestanddelen daarvan, de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, het behoud van het vogelstand en de bescherming van bedreigde dier- en plantensoorten en hun natuurlijke leefomgeving.
In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Wnb richt zich in hoofdzaak op de bescherming van de Natura 2000-gebieden.
Ten aanzien van gebiedsbescherming is in de Wet natuurbescherming opgenomen dat beoordeeld dient te worden of plannen (en projecten) significante gevolgen kunnen hebben voor de Natura 2000-gebieden. Een plan kan worden vastgesteld indien op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat een plan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, een verslechterend of een significant verstorend effect kan hebben voor de Natura 2000-gebieden. Er gelden dan geen verdere restricties of procedurele vereisten vanuit de Wet natuurbescherming.
Het plangebied is op ruime afstand gelegen ten opzichte van de Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied vanaf het plangebied betreft 'Kempenland-West'. In westelijke richting is op ruim 1000 meter de watergang Kleine Beerze gelegen. Deze watergang is onderdeel van het Natura 2000-gebied, maar kent geen stikstofgevoelige habitats. In noordoostelijke richting is op circa 1,3 kilometer het Groot- en Kleinmeer gelegen.
Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied weer ten opzichte van het Natura 2000-gebied.
Het plangebied ligt niet in beschermde gebieden krachtens de Provinciale Verordening.
Door het bureau Maerlant is een ecologische quickscan uitgevoerd voor het plangebied (rapportage d.d. 24 juni 2020). Dit onderzoek is als Bijlage bij deze toelichting gevoegd.
De quickscan richt zich enerzijds op de gebiedsbescherming en anderzijds op het voorkomen van beschermde de soorten.
Gebiedsbescherming
Het plangebied is niet direct nabij Natura 2000-gebieden gelegen, deze gebieden bevinden zich op een afstand van ruim 1 km of meer ten opzichte van het plangebied. Blijkens AERIUS (berekening d.d. 24 juni 2020) levert een NOx-uitstoot vanaf circa 21 kg op jaarbasis een depositie op naar deze gebieden (Kempenland West).
Uitgaande van het gebruik van modern materieel (vanaf bouwjaar 2015) kunnen effecten in de realisatiefase redelijkerwijs worden uitgesloten doordat sprake is van locatie gebonden activiteiten t.b.v. de bouw van slechts een woning.
Aangezien de woning conform de huidige regels gasloos wordt uitgevoerd zal de uitstoot van NOx beperkt blijven door de verkeersgeneratie. Ook de verkeersbewegingen zullen geen significante negatieve gevolgen hebben voor de gunstige instandhouding van het betreffende natura 2000-gebied.
Soorten
In het plangebied of binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden zijn enkel potentiële natuurwaarden aangetroffen in de vorm van (niet jaarrond beschermde) algemene broedvogels waar rekening mee gehouden dient te worden.
Als broedbiotoop zijn de beplantingen aan de randen (buiten het bouwvlak) geschikt voor diverse vogels. Bij werkzaamheden met groot materieel nabij deze beplantingen in het voorjaar of de zomer, is het wenselijk deze te controleren op in gebruik zijnde nesten. Als nesten zijn verlaten/of afwezig zijn, is het zonder meer mogelijk ook in deze periode te werken. Het verstoren van broedende vogels, dat leidt tot het permanent verlaten van een nest, is conform de Wet natuurbescherming niet toegestaan.
Voor alle soortgroepen geldt de zorgplicht, waarbij wordt verwacht, dat men voorzichtig omgaat met planten en dieren in het algemeen.
Doordat de werkzaamheden op het land plaatsvinden, beperkt van aard zijn, en preventief afdoende maatregelen kunnen worden getroffen, zijn géén negatieve effecten op strikter beschermde soorten te verwachten.
Conclusie
Met inachtneming van vorenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect flora en fauna en/of natuur geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het initiatief.
De Wet op de archeologische monumentenzorg, gericht op een betere bescherming van het archeologisch erfgoed, bepaalt dat elke gemeente over een eigen archeologiebeleid dient te beschikken. De algemene uitgangspunten van deze wet laten zich als volgt vertalen:
De projectlocatie maakt deel uit van de kern Vessem. Om inzicht te krijgen in de aanwezige en te verwachten cultuurhistorische waarden is door de Kempengemeenten en A2-gemeenten een gezamenlijk erfgoedplan opgesteld. Het erfgoedplan bevat een uitgebreide inventarisatie van de archeologische en cultuurhistorische (verwachtings)waarden binnen het grondgebied van de betrokken gemeenten en een aanzet voor een integraal cultuurhistorisch beleid.
Het erfgoedplan is op 22 december 2011 vastgesteld door de gemeenteraad van Eersel. De erfgoedkaart bestaat uit drie delen: een inventarisatiekaart (die op zijn beurt is onderverdeeld in kaarten betreffende het archeologisch, historisch en fysisch landschap en een verstoringenkaart), verwachtingen- en waardenkaarten voor archeologie en cultuurhistorie en beleidskaarten voor archeologie en cultuurhistorie. De beleidskaarten vormen de basis voor het gemeentelijk beleid op het gebied van cultuurhistorie en kunnen worden vertaald in bestemmingsplannen.
Op de archeologische beleidskaart, die deel uitmaakt van het erfgoedplan, zijn de archeologische (verwachtings)waarden voor het hele gemeentelijk grondgebied in beeld gebracht. Op basis van een analyse van landschappelijke, bodemkundige en archeologische informatie is een vlakdekkende kaart opgesteld. Binnen het grondgebied van de gemeente Eersel bevinden zich diverse gebieden van archeologische waarde.
Op de beleidskaart wordt onderscheid gemaakt in 7 categorieën.
Uitsnede Archeologische beleidskaart
Het erfgoedbeleid heeft al een juridische vertaling gekregen in het geldende bestemmingsplan. Door middel van een dubbelbestemming met een archeologische verwachtingswaarde 4.1. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en bij te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 500 m² en dieper gaan dan 0,3 meter beneden maaiveld.
Door het bureau Transect is een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied (rapportage d.d. 10 juli 2020, nummer 20040078). Dit onderzoek is als Bijlage bij deze toelichting gevoegd.
Op basis van het onderzoek blijkt dat in het zuidelijk deel van het plangebied de archeologische verwachting van het terrein vanaf een diepte van 55 cm -Mv hoog is. De zone, waarvoor deze verwachting geldt is aangeduid in bijlage 6 van het advies. Voor het overige gedeelte van het plangebied worden geen archeologische waarden verwacht.
Transect adviseert op basis van het onderzoek om voor de zone met een hoge archeologische verwachting in het toekomstig bestemmingsplan een dubbelbestemming op te nemen (cf. het gemeentelijk beleid). Op het moment dat in dit gebied graafwerkzaamheden gepland zijn, die beneden 35 cm -Mv reiken (met inbegrip van een buffer van 20 cm), kunnen eventueel aanwezige archeologische resten in dat gebied worden verstoord. In dat geval verdient het de aanbeveling in die zone een nader karterend/waarderend onderzoek uit te voeren om te bepalen of en in hoeverre in het gebied behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn. Op het moment dat de vindplaats begrensd en gewaardeerd is kan hiermee binnen de toekomstige inrichting van het terrein (de uiteindelijke bouw van een woning) rekening worden gehouden door deze zone in de ontwikkeling uit te sparen, in te passen om verstoring ervan te vermijden of door opgraven. Buiten de in bijlage 6 van het advies aangegeven zone gelden geen restricties en worden geen vervolgmaatregelen voorgesteld in het kader van een eventuele toekomstige ontwikkeling.
De noodzaak van een gravend (vervolg)onderzoek wordt mede bepaald door de aard en diepte van de geplande ingrepen in relatie tot de diepteligging van de archeologische niveaus. Dit laat ruimte om eventueel aanwezige archeologische resten in te passen op een archeologievriendelijke manier. Het (beperkt) ophogen van de te bebouwen locatie behoort hier tot de mogelijkheden. Op het moment binnen het in bijlage 6 van het advies aangeduide gebied voor vervolgonderzoek geen omvangrijke bodemingrepen plaatsvinden beneden 35 cm -Mv zijn in principe geen aanvullende maatregelen nodig.
Vanuit het bevoegde gezag is aangegeven dat met het betreffende onderzoek onvoldoende zekerheid wordt geboden voor de conclusie dat voor een gedeelte van het plangebied geen archeologische waarden worden verwacht en de betreffende verwachtingswaarde en dientengevolge dubbelbestemming voor het gehele plangebied dient te gelden.
Conclusie
Gelet op het standpunt van het bevoegde gezag blijft de geldende dubbelbestemming met de huidige planherziening in stand voor het gehele plangebied. Dit betekent, dat indien in dit gebied t.b.v. het planinitiatief bodemingrepen plaatsvinden te weten het aanleggen van werken en werkzaamheden niet zijnde bouwen en bouwactiviteiten met een grotere oppervlakte van 500 m2 en dieper gaan dan 0,3 meter onder maaiveld en bouwactiviteiten met een grotere oppervlakte van 500 m2 en dieper gaan dan 0,3 meter onder maaiveld, sprake is van een aanvullend archeologisch onderzoek. In die zin blijft voor het perceel de dubbelbestemming 'Waarde – archeologie – 4.1' met de daarbij behorende regels onverkort gehandhaafd.
Cultuurhistorie
In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorisch elementen en archeologische vindplaatsen ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale cultuurhistorische waardenkaart. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven.
Het cultureel erfgoed van de gemeente Eersel is opgenomen in de Erfgoedkaarten van de Kempen- en A2-gemeenten.
De ontwikkellocatie heeft op geen enkele wijze monumentale of beschermingswaardige betekenis.
Conclusie
Er zijn geen belemmeringen vanuit cultuurhistorie.
Endotoxinen
De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. In de juridische notitie 'Veehouderij en volksgezondheid; Mogelijkheden om volksgezondheidaspecten mee te wegen bij vergunningverlening' van juni 2014 is geconcludeerd dat het aspect volksgezondheid dient te worden meegewogen in zowel het ruimtelijk als het milieuspoor.
Door de rechter is uitdrukkelijk uitgesproken dat gezondheid als een onderdeel van het begrip milieu wordt gezien. Dit betekent dat risico's voor de volksgezondheid, die door het in werking zijn van een inrichting kunnen ontstaan, bij de beoordeling van de aanvraag moeten worden betrokken.
Veehouderijen hebben zowel positieve als negatieve gezondheidseffecten op hun omgeving. Astma en neusallergie komen minder vaak voor bij mensen die in de buurt van veehouderijen wonen.
Daarnaast hebben echter de uitstoot van fijnstof en endotoxinen negatieve effecten op de gezondheid van omwonenden. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen.
Op 30 april 2018 is de definitieve 'Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0, een stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is' van kracht geworden.
Beoordeeld dient te worden of een nader advies van de GGD noodzakelijk is bij een ruimtelijke ontwikkeling. De voorlopige onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie 'Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0; een stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is'.
Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden.
Dit berekeningsmodel is alleen toepasbaar op varkenshouderijen en pluimveehouderijen, die in de omgeving van het plangebied niet aanwezig zijn. De fijnstofemissies van de bedrijven in de omgeving van het plangebied zijn verwaarloosbaar.
Conclusie
De beoogde herontwikkeling is in het kader van endotoxinen geen bezwaar.
Geitenhouderij
Uit VGO-onderzoeken is naar voren gekomen dat tot twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde kans op longontsteking bestaat. Naar aanleiding daarvan hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant besloten tot een moratorium op de geitenhouderij, om uitbreiden van dierenverblijven en omschakelen naar geitenhouderij tegen te gaan. In verband hiermee vraagt men zich af men of woningbouwontwikkelingen binnen twee kilometer nog verantwoord zijn. Gekeken naar de aard en omvang van de omliggende bedrijven en activiteiten zijn er geen belemmeringen.
Conclusie
De afstanden tot geitenhouderijen zijn dermate groot dat de risico's voor volksgezondheid voldoende worden beperkt.
Spuitzones
In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Binnen een afstand van 50 meter vindt geen agrarische bedrijvigheid plaats waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van spuitzones geen bezwaar is.
Het onderhavige bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van gronden en gebouwen binnen het projectgebied gelegen op de hoek van de Kloosterstraat en de Willibrordusstraat.
In voorgaande hoofdstukken zijn de uitgangspunten voor de komende jaren voor de ruimtelijke en functionele gewenste situatie in het plangebied aangegeven. Deze uitgangspunten zijn getoetst aan de milieu- en omgevingsaspecten; ook uit deze aspecten blijkt een aantal randvoorwaarden naar voren te komen die in het bestemmingsplan opgenomen moet worden.
In dit hoofdstuk wordt de inhoud van de bestemmingen (de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden) toegelicht en wordt aangegeven hoe de uitgangspunten hun juridische vertaling in het eigenlijke plan (regels en verbeelding) hebben gekregen. De bestemmingen zijn juridisch vastgelegd in de tekst van de regels en in beeld op een verbeelding. Verbeelding en regels zijn één geheel en niet afzonderlijk leesbaar.
Bij het opstellen van het bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Voorts is aangesloten bij het gemeentelijke Handboek digitale bestemmingsplannen. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels.
Het bestemmingsplan is naar aanleiding van de inwerkingtreding van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening opgezet volgens de verplichte landelijke Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). Deze standaard - welke slechts een systematische standaardisering betreft en geen inhoudelijke standaard is - is verplicht in het nieuwe Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Zo voorziet het SVBP in een standaardopbouw van een bestemmingsplan door onder andere:
In het kader van de nieuwe wet- en regelgeving is het plan technisch als een digitaal raadpleegbare versie uitgevoerd en voldoet het aan de eisen van DURP (Digitale Uitwisseling in Ruimtelijke Processen). Het plan kan in het informatiesysteem van de gemeente en diverse andere overheden worden ingevoerd en worden ontsloten via internet. Er zal een analoge (papieren) versie van het bestemmingsplan naast het digitale plan blijven bestaan. Het vaststellen van een digitale versie is vanaf de invoering van de nieuwe Wro overigens verplicht.
Hieronder wordt een uitleg gegeven bij die bestemming waarvoor dit noodzakelijk is. Niet alle bestemmingen zijn hier beschreven. Wanneer de bestemming niet beschreven is, zijn er geen bijzonderheden te melden.
Wonen
De projectlocatie is hoofdzakelijk bestemd tot “Wonen”. Binnen deze bestemming zijn de volgende bouwwerken toegestaan: hoofdgebouwen (woningen), aan- en uitbouwen, bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en overkappingen.
Ter plaatse mag maximaal één ruimte voor ruimte-woning worden gerealiseerd.
Teneinde de diverse belangen veilig te stellen is een aantal specifieke- en gebiedsaanduidingen opgenomen en is een voorwaardelijke verplichting opgenomen met betrekking tot het realiseren en instandhouden van het beplantingsplan.
Waarde - Archeologie
De in het plan opgenomen dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4.1' categorie 4.1 is conform de beleidscategorieën van de gemeente Eersel.
Afwijkingen (algemeen)
De in het plan opgenomen afwijkingsmogelijkheden bieden de mogelijkheid om veranderingen relatief snel, na een korte procedure en binnen gemeentelijk te beoordelen en door te voeren. Aan het gebruik van deze binnenplanse afwijkingen is wel een aantal voorwaarden verbonden. Deze voorwaarden zijn opgenomen in de planregels. Het doel van het opnemen van deze voorwaarden is om te voorkomen dat er een stedenbouwkundige, planologische onaanvaardbare situatie zal ontstaan.
De rechtszekerheid voor de belanghebbenden is verzekerd door de bezwaarschriftenprocedure die bij de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid is voorgeschreven. Iedere voorgenomen afwijking van de verbeelding en de planvoorschriften zal in de procedure namelijk niet alleen worden beoordeeld op zijn inhoudelijke aspecten en getoetst worden aan het plan, maar zal evenzeer worden bezien op zijn gevolgen voor omwonenden en andere belanghebbenden.
Algemene afwijkingsregels
Het betreft een flexibiliteitsregeling die noodzakelijk is om op kleine onderdelen te kunnen afwijken van de regels van het plan, bijvoorbeeld als gevolg van in de praktijk vaak voorkomende problemen met het uitmeten van terreinen en dergelijke. Een bekend gegeven is de mogelijkheid om 10% te kunnen afwijken van maten, percentages en afmetingen. Deze regel is slechts toepasbaar onder bepaalde beperkingen.
Met betrekking tot de grondwaterbescherming is een bepaling in het bestemmingsplan opgenomen, welke gelijk is aan die in het bestemmingsplan Buitengebied.
Met betrekking tot de mogelijkheid van toetsing van bouwactiviteiten of afwijkend gebruik aan de lokale parkeerregeling is een algemene bepaling opgenomen.
Door middel van deze regels kunnen bestaande afwijkingen ten opzichte van het bestemmingsplan worden voortgezet, tenzij deze op illegale manier tot stand zijn gekomen. Als er geen sprake is van illegale situaties kan de bestaande situatie worden gecontinueerd.
De overgangsregels zijn opgenomen conform artikel 3.2.1. en 3.2.2. Bro.
In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van de ontwikkeling aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en de te doorlopen procedures weergegeven.
Uitvoerbaarheid
De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen.
Kostenverhaal
Met de initiatiefnemer zal een anterieure overeenkomst worden gesloten waarin onder andere wordt bepaald dat eventuele planschade op de initiatiefnemer wordt verhaald.
Conclusie
In voorliggend geval is het afsluiten van een anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer noodzakelijk.
Het planinitiatief zal in het kader van de inspraak en de zienswijzenprocedure ter inzage worden gelegd.