Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22h Gemeentenweg 13
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0766.OPTI20260098-VG01

Regels

 
Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie aan de Gemeentenweg 13 te Dongen en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22h) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Dongen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22h van het omgevingsplan van de gemeente Dongen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22h.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22h' gelezen worden.
 
1 Inleidende regels
  
Artikel 1 Begrippen
 
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de begripsbepalingen die, op de dag van de
inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de
Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22h van dit omgevingsplan.
 
Daarnaast gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen:
 
1.1 TAM-omgevingsplan
Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h 'TAM-Omgevingsplan Gemeentenweg 13’.
 
1.2 Omgevingsplan
Het omgevingsplan gemeente Dongen.
 
1.3 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van
toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan.
 
1.4 Verwijzing naar verbeelding
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie 'Hoofdstuk 22h, TAM-omgevingsplan
Gemeentenweg 13', waarvan de geometrische bepaalde
planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0766.OPTI20260098-VG01.
 
1.5 aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge deze
regels, ten aanzien van het gebruik en / of het bebouwen van deze gronden, regels worden gesteld.
 
1.6 aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
 
1.7 aan- en uitbouw
een aan een hoofdgebouw gebouwd, ondergeschikt gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw.
 
1.8 aan-huis-gebonden beroep
een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.
 
1.9 achtererf
de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn achter de achtergevel van het hoofdgebouw of achter een denkbeeldige lijn in het verlengde daarvan.
 
1.10 agrarisch bedrijf
een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en / of
het houden van dieren, nader te onderscheiden in:
a. grondgebonden agrarisch bedrijf:
1. akker- en vollegrondstuinbouw: de teelt van gewassen op open grond, daaronder niet begrepen
sier-, fruit- en bollenteelt;
2. bollenteelt: de teelt van bloembollen al dan niet in samenhang met de teelt van bolbloemen;
3. fruitteelt: de teelt van fruit op open grond;
4. grondgebonden veehouderij: het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open
grond en waarbij de productie (nagenoeg) geheel afhankelijk is van de agrarische grond als
productiemiddel;
5. paardenhouderij: het fokken van paarden, het houden, stallen of africhten van paarden ten
behoeve van de vlees- en / of melkproductie, handel en / of de gebruiksgerichte
paardenhouderij;
6. sierteelt: de teelt van siergewassen op open grond al dan niet gecombineerd met de handel in
boomkwekerijgewassen en vaste planten;
b. niet-grondgebonden agrarisch bedrijf:
1. glastuinbouw: de teelt van gewassen (nagenoeg) geheel met behulp van kassen;
2. intensieve kwekerij: de teelt in gebouwen van gewassen, paddenstoelen daaronder begrepen, of
dieren anders dan genoemd onder b3 of c.;
3. intensieve veehouderij: de teelt van slacht-, fok-, leg- of pelsdieren in gebouwen en (nagenoeg)
zonder weidegang, waarbij de teelt niet afhankelijk is van de bij het bedrijf behorende agrarische
grond als productiemiddel;
c. aquacultuur: de teelt van (zout)watergebonden organismen waaronder begrepen zagers,
schelpdieren en vissen.
 
1.11 agrarische deskundige
Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen of een andere als zodanig door het college van
burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige.
 
1.12 agrarisch hulp- en nevenbedrijf
een bedrijf dat is gericht op het opslaan van en leveren van goederen aan uitsluitend of overwegend
agrarische bedrijven en / of het opslaan en verwerken van producten die afkomstig zijn van agrarische
bedrijven, waaronder begrepen mestverzamelsilo's met een regionale functie;
een bedrijf dat uitsluitend of overwegend gericht is op het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven met behulp van landbouwwerktuigen en landbouwapparatuur of op het verrichten van werkzaamheden tot onderhoud of reparatie van landbouwwerktuigen of –apparatuur (zoals loonbedrijven).
 
1.13 archeologisch deskundige
een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke en als zodanig geregistreerde
deskundige op het gebied van archeologisch onderzoek, in het bezit van een opgravingsbevoegdheid.
 
1.14 archeologisch onderzoek
onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt.
 
1.15 archeologische waarde
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden.
 
1.16 bebouwing
een of meer gebouwen en / of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
 
1.17 bedrijf
een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van
goederen, alsmede verhuur, opslag en distributie van goederen.
 
1.18 bedrijfsmatige exploitatie van verblijfsrecreatie
het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon exploiteren en beheren van een verblijfsrecreatief complex, gericht op het als onderneming aanbieden van recreatief verblijf aan meerdere, steeds wisselende personen.
 
1.19 bedrijfs- of dienstwoning
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het
huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, gelet op de functie van het
gebouw of het terrein.
 
1.20 bestaande afstands-, hoogte-, inhouds-, oppervlaktematen en voorgevelrooilijnen
afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen alsmede voorgevelrooilijnen, die op het tijdstip van
inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand kunnen komen
 
1.21 bestemmingsgrens / functiegrens
de grens van een bestemmingsvlak of functievlak.
 
1.22 bestemmingsvlak / functievlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie of bestemming.
 
1.23 blauwe diensten
inspanningen die grondeigenaren en grondgebruikers kunnen leveren ten behoeve van waterbeheer,
natuur- en / of landschapsontwikkeling in, nabij of in relatie tot water.
 
1.24 bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een
bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
 
1.25 bouwgrens
de grens van een bouwvlak.
 
1.26 bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende
bebouwing is toegelaten.
 
1.27 bouwperceelgrens
de grens van een bouwperceel.
 
1.28 bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde
gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
 
1.29 bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij
indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
 
1.30 bijgebouw
een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.
 
1.31 café
een horecabedrijf, niet zijnde een discotheek of bar / dancing, uitsluitend of overwegend gericht op het
verstrekken van dranken voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van kleine etenswaren, al dan niet ter plaatse bereid.
 
1.32 consumentenvuurwerk
vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik.
 
1.33 cultuurhistorische waarde
de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde in verband met ouderdom en / of historische
gaafheid.
 
1.34 dagrecreatie
vormen van recreatie die in het algemeen slechts beperkte tijd (maximaal 1 dag) in beslag nemen en in ieder geval geen overnachting inhouden, zoals wandelen, fietsen, het bezoeken van een manege e.d..
 
1.35 dakkapel
een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak
bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst.
 
1.36 dakopbouw
een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich boven de dakgoot bevindt, waarbij deze
constructie (deels) boven de oorspronkelijke nok uitkomt en de onderzijden van de constructie in één of beide dakvlak(ken) is (zijn) geplaatst.
 
1.37 detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en
leveren van goederen aan diegenen die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
 
1.38 detailhandel in volumineuze goederen
detailhandel in de volgende categorieën:
a. detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen;
b. detailhandel in grootschalige goederen, zoals auto's, keukens, badkamers, boten, motoren,
caravans, landbouwwerktuigen en grove bouwmaterialen en daarmee rechtstreeks samenhangende
artikelen, zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen en materialen;
c. tuincentra;
d. grootschalige meubelbedrijven, al dan niet – in ondergeschikte mate – in combinatie met
woninginrichting en stoffering;
e. bouwmarkten.
 
1.39 dienstverlening
het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te
woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureaus, kapsalons, pedicures, wasserettes,
makelaarskantoren, internetwinkels en bankfilialen.
 
1.40 discotheek of dancing
een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van dranken voor consumptie ter plaatse, in
combinatie met het doen beluisteren van overwegend mechanische muziek en het gelegenheid geven
tot dansen, feesten en andere daarmee vergelijkbare evenementen.
 
1.41 emissiepunt of emmissiekoker bij intensieve veehouderij
een bouwwerk ten behoeve van het op één centraal punt mechanisch of via natuurlijke trek afvoeren van emissie (ammoniak, geur, fijnstof) uit een of meerdere dierenverblijven.
 
1.42 extensieve dagrecreatie
niet-gemotoriseerde recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen,
zwemmen en natuurobservatie.
 
1.43 gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden
omsloten ruimte vormt.
 
1.44 geluidsgevoelige objecten
woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, zoals bedoeld in het
Besluit kwaliteit leefomgeving.
 
1.45 hoofdgebouw
een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als het belangrijkste
bouwwerk valt aan te merken.
 
1.46 horecabedrijf
het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig
exploiteren van zaalaccommodatie en / of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf.
 
1.47 hoveniersbedrijf
een bedrijf, gericht op de aanleg, de inrichting en het onderhoud van tuinen en groen, met
gebruikmaking van de daarbij behorende materialen en gereedschappen waarbij ook de aanleg,
inrichting, verkoop en onderhoud van zwembaden is ingebegrepen.
 
1.48 indicatie-orgaan
een als zodanig door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het
gebied van zorg en indicatiestelling.
 
1.49 kampeermiddelen
tenten, vouwwagens, kampeerauto's, caravans of hiermee gelijk te stellen onderkomens, die bestemd
zijn voor recreatief verblijf en waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben.
 
1.50 kantoor
voorzieningen gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch,
juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet of slechts in
ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen.
 
1.51 kassen
bouwwerken van glas of ander lichtdoorlatend materiaal (ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering) met een hoogte van 1,5 m of meer, trek-, tunnel-, schaduw-, boog- en gaaskassen daaronder begrepen.
 
1.52 kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten
het in een woning door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, waarbij de woning in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt met een ruimtelijke uitstraling die daarbij past, zonder dat detailhandel wordt uitgeoefend.
 
1.53 kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen
voorzieningen, zoals aanlegsteigers, picknickplaatsen, observatiepunten, informatieborden en banken,
ten behoeve van activiteiten, zoals wandelen, fietsen, vissen, zwemmen, kanoën en natuurobservatie.
 
1.54 landschapswaarde
de aan een gebied toegekende waarde met betrekking tot het waarneembare deel van de
aardoppervlakte, die wordt bepaald door de herkenbaarheid en de identiteit van de onderlinge
samenhang tussen levende en niet-levende natuur.
 
1.55 logeergebouw
een gebouw, bestemd voor verblijfsrecreatie door meerdere personen in groepsverband.
 
1.56 manege
een bedrijf dat gericht is op het lesgeven in paardrijden en daarvoor paarden en / of pony's houdt, in
combinatie met een of meer van de volgende hiermee samenhangende activiteiten of voorzieningen: het in pension houden van paarden en / of pony's, horeca (kantine, foyer en dergelijke),
verenigingsaccommodatie en het houden van wedstrijden of andere evenementen.
 
1.57 natuurwaarde
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de aanwezige flora en fauna.
 
1.58 NEN
door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van het plan.
 
1.59 niet-permanente verblijfsrecreatie
verblijfsrecreatie waarbij uitsluitend van seizoensgebonden standplaatsen gebruik wordt gemaakt.
 
1.60 nutsvoorzieningen
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations,
schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten
behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.
 
1.61 overkapping
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak.
 
1.62 paardrijactiviteiten
het houden van paarden en / of pony's ten behoeve van verhuur en eigen gebruik, alsmede het bieden
van gelegenheid aan derden om hun paarden en / of pony's in pension te stallen en te weiden.
 
1.63 peil
a. de kruin van de weg indien de afstand tussen het bouwvlak en de kant van de weg minder dan 5 m
bedraagt;
b. bij ligging in het water: het gemiddelde zomerpeil van het aangrenzende water;
c. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het
aansluitende afgewerkte maaiveld.
 
1.64 permanente standplaats
een gedeelte van een terrein bestemd voor de plaatsing van een kampeermiddel, inclusief bij dat
kampeermiddel behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten, gedurende het gehele jaar.
 
1.65 praktijkruimte
een gebouw of een gedeelte daarvan, dat dient voor het beroepsmatig verlenen van diensten op
administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch, medisch, paramedisch, therapeutisch of een
daarmee naar aard gelijk te stellen gebied.
 
1.66 schoorsteen bij glastuinbouwbedrijven
een bouwwerk ten behoeve van het op mechanische wijze of via natuurlijke trek afvoeren van gassen
afkomstig van een warmtekracht koppeling (WKK), verwarming- en/of stookinstallatie.
 
1.67 seizoensgebonden standplaats
een gedeelte van een terrein bestemd voor de plaatsing van een kampeermiddel, inclusief bij het
kampeermiddel behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten, uitsluitend gedurende het zomerseizoen.
 
1.68 seksinrichting
het bedrijfsmatig- of in een omvang of frequentie die daarmee overeenkomt- gelegenheid bieden tot het ter plaatse, in een gebouw of een verblijfsmiddel, verrichten van seksuele handelingen.
 
1.69 standplaats
een gedeelte van een terrein bestemd voor de plaatsing van een kampeermiddel, inclusief bij dat
kampeermiddel behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten.
 
1.70 teeltondersteunende voorzieningen
voorzieningen of constructies die bij agrarische bedrijven worden toegepast om weersinvloeden te
matigen, arbeidsomstandigheden te bevorderen, de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen te
verbeteren of de kwaliteit van producten te verbeteren, nader te onderscheiden in:
a. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen: voorzieningen die niet langer dan 6 maanden
gedurende een jaar worden geplaatst, te onderscheiden in:
1. lage tijdelijke voorzieningen: voorzieningen zoals afdekfolies, acryldoek, insectengaas, tunnels
met een bouwhoogte van niet meer dan 1.50 m;
2. hoge tijdelijke voorzieningen: voorzieningen zoals hagelnetten, schaduwhallen, wandelkappen
en regenkappen;
b. permanente teeltondersteunende voorzieningen, te onderscheiden in:
1. lage permanente voorzieningen zoals containervelden;
2. hoge permanente voorzieningen zoals kassen, tunnelkassen, rolkassen, gaaskassen,
stellingen en regenkappen;
c. overige teeltondersteunende voorzieningen zoals boomteelthekken.
 
1.71 verblijfsmiddelen
voor verblijf geschikte - al dan niet aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken - voer- en vaartuigen,
arken, caravans, tenten en andere soortgelijke constructies, voor zover geen bouwwerken en geen
kampeermiddelen zijnde.
 
1.72 verblijfsrecreatie
het verblijf voor recreatieve doeleinden buiten de eerste woning, waarbij ten minste een nacht wordt
doorgebracht, met uitzondering van overnachtingen bij familie en kennissen. Hieronder worden onder
andere verstaan een camping, groepsaccommodatie, etc.
 
1.73 voorgevel van een gebouw
het meest naar de wegzijde gekeerde deel van een gebouw; indien meerdere delen van het gebouw naar de weg zijn gekeerd (hoekkavel) bepalen burgemeester en wethouders welke zijde als voorgevel moet worden beschouwd.
 
1.74 voorgevelrooilijn
de denkbeeldige lijn in het verlengde van de voorgevel.
 
1.75 voorzieningen voor opslag op agrarisch bedrijf
voorzieningen voor de opslag van onder andere voer, (kunst)mest, water, warmte, CO2of daarmee
vergelijkbare stoffen, nader te onderscheiden in:
  1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals mestsilo's, voerdersilo's, sleufsilo's, watertanks en
  2. CO2-opslagtanks;
  3. geen bouwwerken zijnde, zoals mestzakken of foliebassins.
 
1.76 zijerf
de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn aan de zijkant(en) van dat hoofdgebouw
tussen de denkbeeldige lijnen in het verlengde van de voor- en achtergevel.
 
1.77 zomerseizoen
de periode van 15 maart tot en met 31 oktober.
 
Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen
 
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
2.1 afstand
de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst zijn.
 
2.2 bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
2.3 breedte, lengte en diepte van een bouwwerk
tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.
 
2.4 goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; indien een bouwwerk met betrekking tot deze constructiedelen over verschillende hoogten beschikt, wordt als volgt gemeten:
 
a. indien zich aan de voorgevelzijde een goot/druiplijn, boeibord of een ander, daarmee gelijk te stellen constructiedeel bevindt, wordt uitgegaan van de hoogte aan de voorgevelzijde;
 
b. indien zich - in geval van een lessenaarsdak - aan de voorgevelzijde van het gebouw geen goot/druiplijn, boeibord of een ander, daarmee gelijk te stellen constructiedeel bevindt, wordt uitgegaan van de laagste hoogte.
 
2.5 inhoud van een bouwwerk
tussen peil, de buitenzijde van de gevels (en / of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
 
2.6 oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
Artikel 3 Toepassingsbereik
 
a. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor
zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b,
c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in sub c.
b. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van
toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
c. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie ‘Gemeentenweg 13', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0766.OPTI20260098-VG01, zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
 
2 Regels voor functies en activiteiten
   
Artikel 4 Wonen – 3
 
4.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als
'Wonen - 3'.
 
4.2 Toedeling van functies aan locaties
De voor ‘Wonen – 3’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. Het wonen met aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;
bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en water.
 
4.3 Gebruiksactiviteit - specifieke functieregels
Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:
a. de vloeroppervlakte ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige
activiteiten bedraagt ten hoogste 25% van de vloeroppervlakte van de betrokken woning met een
maximum van 60 m²;
b. het gebruik van de onbebouwde gronden gelegen voor de voorgevelrooilijn ten behoeve van de stalling van voertuigen, aanhangwagens, caravans, boten en dergelijke is niet toegestaan tenzij het onbebouwde gronden betreft die toegang geven tot garage, carport of een niet overdekte parkeerplaats op het desbetreffende perceel;
c. het gebruik van een gebouw ten behoeve van het ontvangen of verlenen van mantelzorg is niet
toegestaan;
d. het gebruiken van een bijgebouw ten behoeve van bewoning is niet toegestaan.
 
4.4 Bouwactiviteit beoordelingsregels
4.4.1 Hoofdgebouwen
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:
a. op deze gronden mogen hoofdgebouwen (woningen) met bijbehorende aan- en uitbouwen,
bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
b. hoofdgebouwen worden binnen een bouwvlak gebouwd;
c. per bestemmingsvlak is ten hoogste één woning toegestaan, tenzij anders bepaald middels de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’. In dat geval geldt de middels de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ als maximum;
d. hoofdgebouwen mogen zowel aaneen als vrijstaand worden gebouwd waarbij de afstand tussen niet aaneengebouwde hoofdgebouwen ten minste 1 m moet bedragen;
e. de goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en / of inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedragen ten hoogste:
 
Bouwwerk
Goothoogte
Bouwhoogte
Hoofdgebouw (inclusief aan- en uitbouwen
6 m, tenzij de maatvoeringsaanduiding anders aangeeft
Maximaal 4 m meer dan de maximaal toelaatbare goothoogte
Bouwlagen onder peil
 
Maximaal 1 bouwlaag uitsluitend onder het hoofdgebouw
 
f. de goothoogte van woningen mag worden overschreden door dakkapellen, indien:
  1. de afstand tot de dakvoet, de nok en de zijkanten van het dakvlak ten minste 0,5 m | bedraagt;
  2. de bouwhoogte van de dakkapel, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, ten hoogste 1,5 m bedraagt;
  3. de breedte van dakkapellen aan de voor- of zijkant van de woning ten hoogste 50% van het dakvlak bedraagt;
  4. de breedte van dakkapellen aan de achterkant van de woning ten hoogste 70% van het dakvlak bedraagt.
 
4.4.2 Aan- en uitbouwen
a. de afstand van aan- en uitbouwen tot perceelsgrenzen bedraagt 0 m of ten minste 1 m;
b. de goothoogte en bouwhoogte van een aan- of uitbouw, bedragen ten hoogste:
 
Bouwwerk
Goothoogte
Bouwhoogte
Aan- en uitbouwen in het bouwvlak 
De toelaatbare goothoogte van het hoofdgebouw
De toelaatbare bouwhoogte van het hoofdgebouw
Aan- en uitbouwen buiten het bouwvlak
3,5 m
7 m
Bouwlagen onder peil
 
Maximaal 1 bouwlaag uitsluitend onder het hoofdgebouw
 
c. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste 40% van de gronden buiten het bouwvlak met een maximum van 100 m² per woning.
 
4.4.3 Bijgebouwen
a. de afstand tussen een bijgebouw en het hoofdgebouw bedraagt ten minste 3 m;
b. de goothoogte en bouwhoogte van een bijgebouw bedragen ten hoogste:
 
Bouwwerk
Goothoogte
Bouwhoogte
Bijgebouwen in het bouwvlak 
3,5
7 m
Bijgebouwen buiten het bouwvlak
3,5 m
7 m
Bouwlagen onder peil
 
Niet toegestaan  
 
c. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste 40% van de gronden buiten het bouwvlak met een maximum van 100 m² per woning.
 
4.4.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
a. de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevel bedraagt ten hoogste 1 m;
b. de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m;
c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m;
d. de oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 60 m².
 
4.5 Omgevingsplanactiviteit - binnenplans afwijken
4.5.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:
a. Het afwijken van de regels zoals beschreven in artikel 4.3 of 4.4.
 
4.5.2 Beoordelingsregels ontheffing mantelzorg
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 4.3 onder c voor het bieden van mantelzorg in een woning, aan- of uitbouw of een bijgebouw, met in achtneming van het volgende:
a. ontheffing wordt slechts verleend indien sprake is van een goed woon- en verblijfsklimaat;
b. ontheffing wordt slechts verleend indien sprake is van een medische noodzaak, onderschreven door een indicatie-orgaan;
c. per woning is slechts 1 aan- of uitbouw of bijgebouw tot een maximale omvang van 80 m² is als mantelzorgruimte toegestaan;
d. ontheffing leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.
 
4.5.3 Beoordelingsregels overschrijding bouwvlakken
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen voor de bouw van een hoofdgebouw op de gronden buiten het bouwvlak waarbij de overschrijding van de grens van het bouwvlak niet meer mag bedragen dan 20 % van de op de kaart aangegeven diepte van bouwvlakken.
 
4.5.4 Vermindering onderlinge afstand
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 4.4.3 onder a voor vermindering van de minimale onderlinge afstand tussen bijgebouwen en hoofdgebouw tot 1 m.
 
  
3 Algemene regels over functies
Artikel 5 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen, waarvoor
bouwvergunning is vereist, buiten beschouwing.
 
Artikel 6 Algemene beoordelingsregels bouwactiviteiten
 
6.1 Overschrijding bouwgrenzen
6.1.1 Overschrijding bouwgrenzen
De bouwgrenzen, niet zijnde functiesgrenzen, mogen in afwijking van de verbeelding en de functieregels worden overschreden door:
a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen,
funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 2,5
m bedraagt;
b. tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding ten hoogste 2 m bedraagt;
c. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m
bedraagt.
 
6.1.2 Overschrijding ten behoeve van aan- of uitbouw
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 6.1.1. ten behoeve van de overschrijding van bouwgrenzen door een aan- of uitbouw aan een woning:
a. tot een maximum oppervlakte van 6 m² indien de diepte van de voortuin kleiner of gelijk is aan 2m;
b. tot een maximum oppervlakte van 15 m² indien de diepte van de voortuin groter is dan 2 m;
met dien verstande dat:
c. de goothoogte van de aan- of uitbouw maximaal 3 m mag bedragen;
d. de afstand van de aan- of uitbouw tot de functie Verkeer ten minste 0,5 m dient te bedragen;
e. er geen onevenredige beperkingen voor de omringende functies mogen optreden.
 
6.2 Bestaande maten
Met betrekking tot bestaande maten gelden de volgende regels:
a. de op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en
oppervlaktematen die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste
toelaatbaar worden aangehouden;
b. de op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en
oppervlaktematen die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten minste
toelaatbaar worden aangehouden;
c. in geval van herbouw is het bepaalde onder a en b slechts van toepassing, indien de herbouw op
dezelfde plaats plaatsvindt.
 
6.3 Afstanden van woningen tot wegen en Wgh-inrichtingen
6.3.1 Aan te houden afstanden tot wegen
a. ingeval de herbouw van een bestaande woning en andere geluidsgevoelige objecten, mag de afstand van de woning (inclusief aan- en uitbouwen) en de andere geluidsgevoelige objecten tot de as van de weg niet minder bedragen dan de bestaande maat.
 
6.3.2 Verkleining van de afstand tot wegen bij herbouw
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 6.3.1 teneinde herbouw van woningen en andere geluidsgevoelige objecten toe te staan op een kleinere afstand, indien:
a. uit geluidsberekeningen blijkt dat op die afstand aan de voorkeursgrenswaarde uit het
omgevingsplan wordt voldaan.
 
Artikel 7 Algemene gebruiksregels
 
a. het is verboden gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven functie, de functieomschrijving en de overige regels.
b. burgemeester en wethouders verlenen ontheffing van het bepaalde onder a, indien strikte toepassing van het verbod leidt tot beperkingen in het meest doelmatige gebruik die niet door dringende redenen worden gerechtvaardigd.
 
Artikel 8 Algemene ontheffingsregels
 
Burgemeester en wethouders kunnen - tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds ontheffing kan worden verleend - ontheffing verlenen van de regels voor:
a. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%;
b. overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde functiegrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.
Ontheffing wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de functie gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
 
Artikel 9 Overige regels
 
De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 10 Overgangsrecht
 
10.1 Overgangsrecht bouwwerken
1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan op de aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM- omgevingsplan mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
 
10.2 Overgangsrecht gebruik ten dienste van functie
Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt:
a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
b. het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
c. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsregeling van dat plan.
 
10.3 Hardheidsclausule
Indien toepassing van het overgangsrecht voor bouwwerken of gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard jegens een of meer natuurlijke personen kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van die persoon of personen dat overgangsrecht buiten toepassing laten.
 
Artikel 11 Slotregel
 
Deze regels worden aangehaald onder de naam Regels van het 'Hoofdstuk 22h, TAM-Omgevingsplan Gemeentenweg 13’.