direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Oude Baan 10 Dongen
Status: vastgesteld
Plantype: Omgevingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0766.OPTI20250093-VG01

Regels

Preambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Oude Baan 10 te Dongen en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22b) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Dongen. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP/TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22b van het omgevingsplan van de gemeente Dongen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22b' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22b' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • a. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld onder c.
  • b. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • c. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Oude Baan 10 Dongen, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0766.OPTI20250093-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 2 Begrippen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:

2.1 toepassing omgevingsplan

Artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing op dit omgevingsplan, tenzij hierna daarvan is afgeweken.

2.2 omgevingsplan

Het omgevingsplan van de gemeente Dongen.

2.3 TAM-omgevingsplan

Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Oude Baan 10 Dongen met identificatienummer NL.IMRO.0766.OPTI20250093-VG01 van de gemeente Dongen.

2.4 aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

2.5 aan- en uitbouw

Een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

2.6 archeologisch deskundige

Een door het bevoegd gezag aan te wijzen onafhankelijke en als zodanig geregistreerde deskundige op het gebied van archeologisch onderzoek, in het bezit van een opgravingsbevoegdheid.

2.7 archeologisch onderzoek

Onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt.

2.8 archeologische waarde

De aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden.

2.9 bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

2.10 bedrijf aan huis

Het door bewoner(s) bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

2.11 beroep aan huis

Een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

2.12 bijgebouw

Een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

2.13 bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

2.14 bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

2.15 bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

2.16 cultuurhistorische waarde

De aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde in verband met ouderdom en/of historische gaafheid.

2.17 huishouden

De bewoning door een persoon of meerdere personen in de vorm van een vast samenlevingsverband, niet zijnde kamerverhuur of een bijzondere woonvorm, van een woning. Dit samenlevingsverband dient in continuïteit en onderlinge verbondenheid te zijn.

2.18 huisvesting in verband met mantelzorg

huisvesting in of bij een woning van één huishouden van ten hoogste twee personen, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning.

2.19 kamerverhuur

Het bedrijfsmatig (nacht)verblijf aanbieden, waarbij het kenmerk is dat de kamerhuurder te plaatse het hoofdverblijf heeft.

2.20 mantelzorg

Intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond.

2.21 nutsvoorzieningen

Voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.

2.22 overkapping

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak.

2.23 voorgevel

Het meest naar de wegzijde gekeerde deel van een gebouw. Indien meerdere delen van het gebouw naar de weg zijn gekeerd (hoekkavel), bepalen burgemeester en wethouders welke zijde als voorgevel moet worden beschouwd.

2.24 waterbergingsvoorziening

Bovengrondse en/of ondergrondse voorzieningen ten behoeve van de berging en infiltratie van hemelwater in de bodem, zoals wadi's, verlaging in het groen, waterbergende verharding, waterberging op het dak, grindkoffers, infiltratiekratten en/of het aanbrengen of vergroten van (bestaande) greppels, (zak)sloten, watergangen en vijvers.

2.25 woning

Een (gedeelte van een) hoofdgebouw met daarbij behorende aan- of uitbouwen, dat dient voor de huisvesting van één huishouden.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

In aanvulling op artikel 22.24 van het omgevingsplan, gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

3.1 afstand

De afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst is.

3.2 bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.3 breedte, lengte en diepte van een bouwwerk

Tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidingsmuren.

3.4 goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het straatpeil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; indien een bouwwerk met betrekking tot deze constructiedelen over verschillende hoogten beschikt, wordt als volgt gemeten:

  • a. indien zich aan de voorgevelzijde een goot/druiplijn, boeibord of een ander, daarmee gelijk te stellen constructiedeel bevindt, wordt uitgegaan van de hoogte aan de voorgevelzijde;
  • b. indien zich - in geval van een lessenaarsdak - aan de voorgevelzijde van het gebouw geen goot/druiplijn, boeibord of een ander, daarmee gelijk te stellen constructiedeel bevindt, wordt uitgegaan van de laagste hoogte.
3.5 inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

3.6 oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.7 straatpeil
  • a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
3.8 vloeroppervlakte

De gebruiksoppervlakte volgens NEN2580.

Artikel 4 Algemeen gebruiks- en bouwverbod

Niet genoemde gebruiks- en bouwactiviteiten en gebruiks- en bouwactiviteiten die in strijd zijn met dit omgevingsplan zijn niet toegestaan, met uitzondering van legaal aanwezige bestaande bouwwerken en gebruiksactiviteiten.

Hoofdstuk 2 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

Artikel 5 Groen

De locatie 'Groen' is aangewezen voor de activiteiten zoals bedoeld in artikel 8.

Artikel 6 Verkeer

De locatie 'Verkeer' is aangewezen voor de activiteiten zoals bedoeld in artikel 9.

Artikel 7 Wonen

De locatie 'Wonen' is aangewezen voor de activiteiten zoals bedoeld in artikel 10 t/m 18

Hoofdstuk 3 Gebruiksactiviteiten

Artikel 8 Groen - activiteiten binnen groen - toegestaan

8.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op activiteiten ter plaatse van de locatie 'Groen - activiteiten binnen groen - toegestaan'.

8.2 Activiteiten binnen groen - toegestaan

De volgende activiteiten zijn toegestaan:

  • a. het aanleggen, bouwen, in gebruik nemen en in stand houden van:
    • 1. groenvoorzieningen;
    • 2. voet- en fietspaden;
    • 3. speelvoorzieningen met bijbehorende verhardingen;
    • 4. beeldende kunstwerken;
    • 5. water, waterberging en waterhuishoudkundige voorzieningen;
    • 6. ondergrondse vuilcontainers;
    • 7. nutsvoorzieningen.

één en ander met bijbehorende voorzieningen.

Artikel 9 Verkeer - activiteiten binnen verkeer - toegestaan

9.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op activiteiten ter plaatse van de locatie 'Verkeer - activiteiten binnen verkeer - toegestaan'.

9.2 Activiteiten binnen verkeer - toegestaan

De volgende activiteiten zijn toegestaan:

  • a. het aanleggen, bouwen, in gebruik nemen en in stand houden van:
    • 1. wegen en straten;
    • 2. voet- en fietspaden;
    • 3. water, waterberging en waterhuishoudkundige voorzieningen;
    • 4. nutsvoorzieningen;
    • 5. groenvoorzieningen;
    • 6. beeldende kunstwerken;
    • 7. ondergrondse vuilcontainers;
    • 8. speelvoorzieningen met bijbehorende verhardingen.

één en ander met bijbehorende voorzieningen.

Artikel 10 Wonen - activiteiten binnen wonen - toegestaan

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op activiteiten ter plaatse van de locatie 'Wonen - activiteiten binnen wonen - toegestaan'.

10.2 Activiteiten binnen wonen - toegestaan

De volgende activiteiten zijn toegestaan:

  • a. het wonen in een woning;
  • b. bij de woning behorende voorzieningen, zoals tuinen, parkeervoorzieningen, achterpaden en ontsluitingen, water en nutsvoorzieningen.

Artikel 11 Wonen - bedrijven aan huis - toegestaan

11.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op activiteiten ter plaatse van de locatie 'Wonen - bedrijven aan huis - toegestaan'.

11.2 Bedrijven aan huis - toegestaan

De uitoefening van een bedrijf aan huis in een woning is toegestaan als:

  • a. Het gezamenlijk vloeroppervlak ten behoeve van 'Wonen - bedrijven aan huis - toegestaan' en 'Wonen - beroepen aan huis - toegestaan' ten hoogste 25% van de vloeroppervlakte van de betrokken woning met een maximum van 40 m2 bedraagt;
  • b. De activiteiten niet vergunnings- dan wel meldingsplichtig zijn op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • c. Voldoende parkeerruimte op het perceel aanwezig is voor zowel het gebruik ten behoeve van bewoning als het bedrijf aan huis conform de regeling opgenomen in artikel 24 van dit TAM-omgevingsplan.

Artikel 12 Wonen - bedrijven aan huis - verbod

12.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op activiteiten ter plaatse van de locatie 'Wonen - bedrijven aan huis - verbod'.

12.2 Bedrijven aan huis - verbod

Het is niet toegestaan een bijgebouw bij een woning te gebruiken voor een bedrijf aan huis.

Artikel 13 Wonen - beroepen aan huis - toegestaan

13.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op activiteiten ter plaatse van de locatie 'Wonen - beroepen aan huis - toegestaan'.

13.2 Beroepen aan huis - toegestaan

De uitoefening van een beroep aan huis in een woning is toegestaan, als:

  • a. Het gezamenlijk vloeroppervlak ten behoeve van 'Wonen - bedrijven aan huis - toegestaan' en 'Wonen - beroepen aan huis - toegestaan' ten hoogste 25% van de vloeroppervlakte van de betrokken woning met een maximum van 40 m2 bedraagt;
  • b. De activiteiten niet vergunnings- dan wel meldingsplichtig zijn op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • c. Voldoende parkeergelegenheid op het perceel aanwezig is voor zowel het gebruik ten behoeve van bewoning als het bedrijf aan huis conform de regeling opgenomen in artikel 24 van dit TAM-omgevingsplan.

Artikel 14 Wonen - beroepen aan huis - verbod

14.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op activiteiten ter plaatse van de locatie Wonen - beroepen aan huis - verbod.

14.2 Beroepen aan huis - verbod

Het is niet toegestaan een bijgebouw bij een woning te gebruiken voor een beroep aan huis.

Artikel 15 Wonen - logies met ontbijt - vergunningplicht

15.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op activiteiten ter plaatse van de locatie 'Wonen - logies met ontbijt - vergunningplicht'.

15.2 Logies met ontbijt - vergunningplicht

Het is niet toegestaan zonder omgevingsvergunning een woning te gebruiken voor logies met ontbijt.

15.3 Beoordelingsregels logies met ontbijt

Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 15.2 wordt alleen verleend als:

  • a. Er in maximaal 2 kamers tegelijkertijd logies worden aangeboden;
  • b. De woning geschikt is voor permanente bewoning en wordt bewoond door de hoofdbewoner(s);
  • c. Er geen onevenredige verkeers- en parkeeroverlast ontstaat voor de omgeving;
  • d. Er slechts terughoudende reclame-uitingen worden geplaatst, neonreclame is niet toegestaan.

Artikel 16 Wonen - logies met ontbijt - verbod

16.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op activiteiten ter plaatse van de locatie 'Wonen - logies met ontbijt - verbod'.

16.2 Logies met ontbijt - verbod

Het is niet toegestaan een bijgebouw bij een woning te gebruiken voor logies met ontbijt.

Artikel 17 Wonen - mantelzorg - vergunningplicht

17.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op activiteiten ter plaatse van de locatie 'Wonen - mantelzorg - vergunningplicht'.

17.2 Mantelzorg - vergunningplicht

In afwijking van het bepaalde in artikel 22.36 onder c. van het omgevingsplan geldt dat het niet is toegestaan zonder omgevingsvergunning een woning, aan- of uitbouw of een bijgebouw bij een woning te gebruiken voor mantelzorg.

17.3 Beoordelingsregels mantelzorg

Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 17.2 wordt alleen verleend als:

  • a. Op het bouwperceel een woning aanwezig is, die krachtens het omgevingsplan op de betreffende gronden toelaatbaar is;
  • b. Per woning slechts 1 aan- of uitbouw of bijgebouw dan wel een gedeelte van de woning tot een maximale omvang van 80 m² als mantelzorgruimte wordt ingezet;
  • c. De gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig wordt aangetast;
  • d. er geen sprake is van een toename van permanente woningbouw.

Artikel 18 Wonen - kamerverhuur - verbod

18.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op activiteiten ter plaatse van de locatie 'Wonen - kamerverhuur - verbod'.

18.2 Kamerverhuur - verbod

Het is niet toegestaan een woning of bijgebouw te gebruiken voor kamerverhuur.

Hoofdstuk 4 Bouwactiviteiten

Artikel 19 Algemene regels bouwactiviteiten

19.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van bouwwerken.

19.2 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven, of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

19.3 Overschrijding bouwgrenzen - toegestaan

De bouwgrenzen mogen worden overschreden door:

  • a. Tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 2,5 m bedraagt;
  • b. Tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding ten hoogste 2 m bedraagt en de afstand tot het openbaar gebied ten minste 0,5 m bedraagt;
  • c. Andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, zoals een risaliet of schoorsteen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt.
19.4 Overschrijding bouwgrenzen en maatvoering - vergunningplicht

Een omgevingsvergunning voor het overschrijden van bouwgrenzen en maatvoering, anders dan genoemd in artikel 20.3 wordt alleen verleend als:

  • a. Het afwijken van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10% betreft;
  • b. Er sprake is van een overschrijding van bouwgrenzen voor zover van belang voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover noodzakelijk in verband met de werkelijke toestand van het terrein;
  • c. De overschrijdingen als genoemd in lid b. ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak met ten hoogste 10% mag worden vergroot;
  • d. Indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
19.5 Waterberging

Het oprichten van bebouwing en het aanleggen van verharding van meer dan 20 m2 is uitsluitend toegestaan indien wordt voorzien in een waterbergingsvoorziening met voldoende capaciteit. De capaciteit van de waterbergingsvoorziening betreft minimaal 60 liter per m² afwaterend verhard oppervlak.

Artikel 20 Bouwen - Groen - vergunningplicht

20.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Bouwen - Groen - vergunningplicht'.

20.2 Nutsgebouwen - beoordelingsregels

Tenzij toepassing kan worden gegeven aan artikel 22.27 en artikel 22.36 van het omgevingsplan wordt in aanvulling op artikel 22.29 van het omgevingsplan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan alleen verleend als:

  • a. De bebouwde oppervlakte niet meer bedraagt dan 25 m2;
  • b. De bouwhoogte niet meer bedraagt dan 5 m;
  • c. De ligging van het gebouw de verkeersveiligheid niet in gevaar brengt;
  • d. De stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving niet onevenredig wordt aangetast.
20.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde bouwen - beoordelingsregels

Tenzij toepassing kan worden gegeven aan artikel 22.27 en artikel 22.36 van het omgevingsplan wordt in aanvulling op artikel 22.29 van het omgevingsplan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan alleen verleend als:

  • a. De bouwhoogte van verkeersgeleiding en wegverlichting ten hoogste 8 meter bedraagt;
  • b. de bouwhoogte van speelvoorzieningen ten hoogste 6 meter bedraagt;
  • c. De bouwhoogte van beeldende kunstwerken ten hoogste 6 meter bedraagt;
  • d. De bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten ten hoogste 10 meter bedraagt;
  • e. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten hoogste 4 meter bedraagt.

Artikel 21 Bouwen - Verkeer - vergunningplicht

21.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Bouwen - Verkeer - vergunningplicht'.

21.2 Nutsgebouwen, jongerenontmoetingsplaatsen en abri's - beoordelingsregels

Tenzij toepassing kan worden gegeven aan artikel 22.27 en artikel 22.36 van het omgevingsplan wordt in aanvulling op artikel 22.29 van het omgevingsplan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan alleen verleend als:

  • a. De bebouwde oppervlakte niet meer bedraagt dan 25 m2;
  • b. De bouwhoogte niet meer bedraagt dan 5 m;
  • c. De ligging van het gebouw de verkeersveiligheid niet in gevaar brengt;
  • d. De stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving niet onevenredig wordt aangetast.
21.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde bouwen - beoordelingsregels

Tenzij toepassing kan worden gegeven aan artikel 22.27 en artikel 22.36 van het omgevingsplan wordt in aanvulling op artikel 22.29 van het omgevingsplan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan alleen verleend als:

  • a. De bouwhoogte van verkeersgeleiding en wegverlichting ten hoogste 8 meter bedraagt;
  • b. de bouwhoogte van speelvoorzieningen ten hoogste 6 meter bedraagt;
  • c. De bouwhoogte van beeldende kunstwerken ten hoogste 6 meter bedraagt;
  • d. De bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten ten hoogste 10 meter bedraagt;
  • e. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten hoogste 4 meter bedraagt.

Artikel 22 Bouwen - Wonen - vergunningplicht

22.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Bouwen - Wonen - vergunningplicht'.

22.2 Algemeen - beoordelingsregels - bouwwerken
  • a. De volgende bouwwerken zijn toegestaan:
    • 1. Binnen een bouwvlak: hoofdgebouwen met de daarbij behorende aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
    • 2. Ter plaatse van de omgevingsnorm 'erf': aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde behorend bij het hoofdgebouw op hetzelfde bouwperceel.
    • 3. Op de overige gronden: uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde.
  • b. Voor een bouwvlak geldt een bebouwingspercentage van 100%.
  • c. De afstand tussen niet aaneengebouwde gebouwen bedraagt ten minste 1 m.
22.3 Hoofdgebouw bouwen - beoordelingsregels

In aanvulling op artikel 22.29 van het omgevingsplan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan alleen verleend als:

  • a. Het aantal hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de omgevingsnorm 'maximum aantal wooneenheden;
  • b. De hoofdgebouwen worden aaneengebouwd ter plaatse van de omgevingsnorm 'aaneengebouwd';
  • c. De hoofdgebouwen worden vrijstaand gebouwd ter plaatse van de omgevingsnorm 'vrijstaand';
  • d. De maximum goothoogte bedraagt niet meer dan is aangegeven ter plaatse van de omgevingsnorm 'maximum goothoogte (m);
  • e. De maximum bouwhoogte bedraagt niet meer dan is aangegeven ter plaatse van de omgevingsnorm 'maximum bouwhoogte (m)'.
22.4 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en garages bouwen - beoordelingsregels

Tenzij toepassing kan worden gegeven aan artikel 22.27 en artikel 22.36 van het omgevingsplan wordt in aanvulling op artikel 22.29 van het omgevingsplan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan alleen verleend als:

  • a. Per bouwperceel de gronden met de omgevingsnorm 'erf' voor ten hoogte 50% worden bebouwd met gebouwen en overkappingen, met een maximum van 60 m²;
  • b. De goot- en bouwhoogte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en garages ten hoogste 3,5 meter bedraagt.
22.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde bouwen - beoordelingsregels

Tenzij toepassing kan worden gegeven aan artikel 22.27 en artikel 22.36 van het omgevingsplan wordt in aanvulling op artikel 22.29 van het omgevingsplan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan alleen verleend als:

  • a. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen ten hoogste 2 meter bedraagt;
  • b. De bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten ten hoogste 10 meter bedraagt.

Hoofdstuk 5 Aanlegactiviteiten

Artikel 23 Aanlegactiviteiten algemeen - toegestaan

23.1 Toepassingsbereik
  • a. Dit artikel is van toepassing op het uitvoeren van aanlegactiviteiten.
  • b. Onder aanlegactiviteiten als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden.
23.2 Aanlegactiviteiten algemeen - toegestaan

De volgende aanlegactiviteiten zijn in ieder geval toegestaan:

  • a. aanlegactiviteiten in het kader van normaal beheer en onderhoud;
  • b. aanlegactiviteiten in het kader van archeologisch (voor)onderzoek of in het kader van archeologische opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  • c. aanlegactiviteiten in het kader van onderhoudsbaggerwerkzaamheden die aantoonbaar niet dieper gaan dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes;
  • d. aanlegactiviteiten waarbij de activiteiten plaatsvinden in bestaande weg- en leidingcunetten.

Hoofdstuk 6 Overige activiteiten

Artikel 24 Parkeren

  • a. Bij bouwplannen en gebruikswijzigingen wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor auto en fiets op eigen terrein, zoals vastgelegd in het 'Parapluplan Parkeren Dongen' (onherroepelijk op 2 juli 2020) en wijzigingen of de rechtsopvolgers daarvan.
  • b. De onder a genoemde parkeergelegenheid moet in stand worden gehouden.
  • c. Met een maatwerk- of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde onder a als wordt voldaan aan het 'Parapluplan Parkeren Dongen' en wijzigingen of de rechtsopvolgers daarvan.

Hoofdstuk 7 Overgangsregels

Artikel 25 Overgangsrecht

25.1 Overgangsrecht gebruik
  • 1. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat omgevingsplan.
  • 5. Het overgangsrecht voor gebruik zoals bedoeld in artikel 25.1 van dit TAM-omgevingsplan, heeft een geldingstermijn van 10 jaar vanaf de dag van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan.
25.2 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat omgevingsplan.
  • 4. Het overgangsrecht voor bouwwerken zoals bedoeld in artikel 25.2 van dit TAM-omgevingsplan, heeft een geldingstermijn van 10 jaar vanaf de dag van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan.