Regels
Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Griendtsveenseweg 10 in Deurne en is als een nieuw hoofdstuk 22t opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Deurne. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op
https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22t van het omgevingsplan van de gemeente Deurne. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22t' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ’22t’ gelezen worden.
Artikel 1 Toepassingsbereikbepaling
- De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid.
- De regels in afdeling 2.22, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
- De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Griendtsveenseweg 10 te Deurne, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0762.TAMOP202516-C001 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl/home.
Artikel 2 Begripsbepalingen
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage l bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage l bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage l bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage l bij het Omgevingsbesluit en bijlag el bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in Artikel 3 daarvan is afgeweken.
Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen
3.1 aanduidingsgrens
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de planregels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
3.2 aan-huis-verbonden bedrijf
het bedrijfsmatig verlenen van diensten of het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, overwegend door middel van handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning/woonwagen en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken, niet zijnde de aanwezige (agrarische) bedrijfsbebouwing, met behoud van de woonfunctie in overwegende zin kan worden uitgeoefend.
3.3 aan-huis-verbonden beroep
het uitoefenen van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, ICT, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of daarmee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning/woonwagen en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken, niet zijnde de aanwezige (agrarische) bedrijfsbebouwing, met behoud van de woonfunctie in overwegende zin kan worden uitgeoefend.
3.4 afhankelijke woonruimte
een tijdelijke zelfstandige woonruimte in een deel van een hoofdgebouw, een aanbouw dan wel een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij dat hoofdgebouw, waarin een tweede huishouden kan worden gehuisvest uit oogpunt van mantelzorg, welke tijdelijke woonruimte qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met het hoofdgebouw en gelegen is binnen een bestemming die wonen mogelijk maakt. Bedrijfsgebouwen of andere gebouwen die niet ten dienste staan van een woonfunctie vallen hier nadrukkelijk niet onder.
3.5 agrarisch bedrijf
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van dieren, waarbij onderscheid wordt gemaakt in:
- een (vollegronds)teeltbedrijf;
- een glastuinbouwbedrijf;
- een veehouderij;
- een overig agrarisch bedrijf.
a (vollegronds)teeltbedrijf
een agrarisch bedrijf in de land- en tuinbouwsector dat zich richt op het telen van gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt.
b glastuinbouwbedrijf
een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in kassen plaatsvindt.
c veehouderij
een agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren. Hierbij worden de volgende typen onderscheiden:
c1 intensieve veehouderij (iv)
een veehouderij met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt, zoals rundveemesterij, varkenshouderij, vleeskalverhouderij, pluimveehouderij, geitenhouderij, schapenhouderij of pelsdierhouderij, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen.
pelsdierhouderij (sa - pdh)
een agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van pelsdieren.
geiten- en/of schapenhouderij (sa - ge/sh)
een agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van geiten en/of schapen.
c2 overige veehouderij (sa-ovh)
een veehouderij met een bedrijfsvoering gericht op het fokken, mesten en houden van dieren, met een bedrijfsvoering die niet geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt.
d overig agrarisch bedrijf
een agrarisch bedrijf, niet zijnde een (vollegronds)teeltbedrijf, glastuinbouwbedrijf of veehouderij, zoals een:
- paardenhouderij;
- agrarisch bedrijf gericht op het telen van vissen, wormen, insecten of het houden van een diersoort anders dan opgenomen in het begrip veehouderij;
- agrarisch bedrijf gericht op het telen van gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen, niet zijnde kassen, plaatsvindt, zoals witlof of champignons.
3.6 agrarisch grondgebruik
het bedrijfsmatig gebruik van gronden voor het telen van gewassen en/of het weiden van dieren alsmede het gebruik van gronden voor het weiden van hobbymatig gehouden dieren.
3.7 arbeidsmigranten
personen die hun vaste woon- en verblijfplaats niet in Nederland hebben maar die tijdelijk (maximaal één jaar), in Nederland verblijven, om hier betaalde werkzaamheden te verrichten.
3.8 archeologische waarden
waarden van een terrein in verband met de zich mogelijk daarin bevindende oudheidkundige zaken die van belang zijn vanwege hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap en/of hun cultuurhistorische waarde.
3.9 bebouwde kom
het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven.
3.10 bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouw zijnde.
3.11 bed & breakfast
recreatief nachtverblijf in de vorm van logies met ontbijt.
3.12 bedrijfsactiviteiten
handelingen en werkzaamheden die plaatsvinden in het kader van de uitoefening van een bedrijf.
3.13 bestaand
- bij bebouwing: bouwwerken zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan dan wel die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;
- bij gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan, dan wel gebruik dat is toegestaan krachtens een onherroepelijke omgevingsvergunning.
3.14 bevoegd gezag
bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning.
3.15 bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.
3.16 bos
elk terrein waarop bosbouw wordt uitgeoefend, zijnde het geheel van bedrijfsmatig handelen en activiteiten gericht op de duurzame instandhouding en ontwikkeling van bestaande en nieuwe bossen ten behoeve van (een of meerdere van de functies) natuur, houtproductie, landschap, milieu (waaronder begrepen waterhuishouding) en recreatie.
3.17 bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd.
3.18 bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
3.19 bouwgrens
de grens van een bouwvlak.
3.20 bouwperceel
aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd, bestaande uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan alsmede verhardingen ten behoeve van de ontsluiting van het bouwvlak.
3.21 bouwperceelgrens
een grens van een bouwperceel.
3.22 bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
3.23 bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
3.24 bouwwerk, geen gebouw zijnde
elke constructie, niet zijnde een gebouw, van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct, hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.
3.25 cultuurhistorische waarde
de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarden, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied.
3.26 detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan degene die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; webwinkels vallen niet onder het begrip detailhandel, tenzij er sprake is van uitstalling en levering van producten ter plaatse.
3.27 diepploegen
een kerende grondbewerking door middel van een ploeg, die dieper gaat dan de teeltlaag.
3.28 diepwoelen
een grondbewerking, gericht op het losbreken van storende lagen in de ondergrond, tot maximaal 90 cm.
3.29 eigen bedrijf
hoofdvestiging inclusief eventuele nevenvestigingen en kan dus verschillende locaties betreffen.
3.30 erf
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een omgevingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.
3.31 evenement
voor publiek toegankelijke verrichting op, in ieder geval, het gebied van kunst, ontwikkeling, ontspanning, sport of vermaak, alsmede grootschalige herdenkingsplechtigheden, tentoonstellingen, optochten, kermissen, circussen, filmopnamen en feesten of daarmee gelijk te stellen activiteiten.
3.32 extensief agrarisch grondgebruik
die vormen van natuurvriendelijke recreatie die in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen en fietsen.
3.33 functievlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie.
3.34 gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
3.35 groenblauwe mantel
gebieden met een belangrijke nevenfunctie voor natuur en water die overwegend grenzen aan het Natuur netwerk Brabant en ecologische verbindingszone die deze verbinden.
3.36 grootschalige huisvesting
huisvesting van meer dan 10 personen.
3.37 hoofdgebouw
een (deel van een) gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken.
3.38 huishouden
een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of willen voeren, waar bij een gemeenschappelijke huishouding sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan (kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen); indien sprake is van één persoon, spreekt men eveneens van een (zij het één-persoons)huishouden.
3.39 huisvesting arbeidsmigranten
- structurele huisvesting: het huisvesten van arbeidsmigranten over een aaneengesloten periode van zes maanden of meer per kalenderjaar.
- tijdelijke huisvesting: het huisvesten van arbeidsmigranten voor een periode van maximaal zes maanden per kalenderjaar ten behoeve van de eigen bedrijfsvoering.
3.40 kwaliteitsverbetering van het landschap
kwaliteitsverbetering van het landschap, zoals is opgenomen in het gemeentelijk beleidskader kwaliteitsverbetering landschap, zoals weergegeven in bijlage 4 van de regels van het omgevingsplan ‘Herstelomgevingsplan Buitengebied Deurne 2021’ met IMRO-code: NL.IMRO.0762. BP202016-C001, inclusief later vastgestelde aanvullingen dan wel het kader dat volgend op voornoemd kader wordt vastgesteld, waarbij voornoemd kader is komen te vervallen.
3.41 landschappelijke waarde
gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van het landschap, gericht op ruimtelijke, ecologische, cultuurhistorische en recreatieve aspecten.
3.42 logies
verblijf van personen die hun hoofdverblijf elders hebben.
3.43 mantelzorg
het op basis van vrijwilligheid en buiten organisatorisch verband bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op fysiek, psychisch en/of sociaal vlak.
3.44 natuurwaarde
de aan een gebied toegekende waarden, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.
3.45 normenset Keurmerk SNF
de door Stichting Normering Flexwonen vastgestelde norm voor de huisvesting van arbeidsmigranten (versie 8.0, d.d. 1 september 2019) met dien verstande dat indien voornoemde normenset wordt gewijzigd, een aanvraag moet voldoen aan de nieuwe normen.
3.46 nutsvoorziening
voorziening ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen en apparatuur voor telecommunicatie.
3.47 omgevingsplan
het Omgevingsplan gemeente Deurne.
3.48 overtollige bebouwing
bebouwing die niet (meer) wordt gebruikt voor het doel, dan wel ten behoeve van de bestemming waar deze oorspronkelijk voor is gebouwd.
3.49 seksinrichting
een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof hij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in elk geval verstaan: seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, parenclub, escortbureau en (raam)prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.
3.50 sloop
het geheel of gedeeltelijk verwijderen van bouwwerken inclusief vloeren en alles wat onder de vloeren aanwezig is, voerkuilen, silo's, overkappingen, verhardingen en andere bijbehorende bouwwerken en bouwwerken die geen gebouwen zijn.
3.51 statische opslag
opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, en die tevens niet ter plaatse worden bewerkt, verwerkt, gerepareerd of verhandeld.
3.52 verbeelding
de verbeelding behorend bij dit plan met identificatienummer NL.IMRO.0762.TAMOP202516-C001.
3.53 voorgevel
de naar de openbare weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, die gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt.
3.54 voorgevelrooilijn
de denkbeeldige lijn, evenwijdig aan de as van de weg waaraan gebouwd wordt:
- op een afstand van de weg die gelijk is aan de in de regels voorgeschreven afstand van gebouwen uit de as van de weg op het betreffende bouwperceel;
- op een afstand van de weg die gelijk is aan de afstand van bestaande gebouwen tot de as van de weg op het betreffende bouwperceel, indien die afstand kleiner is dan de in de regels voorgeschreven afstand;
- indien geen afstand tot de weg is voorgeschreven, de lijn welke zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft.
3.55 wonen
huisvesting in een woning.
3.56 woning
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden of maximaal vier personen die geen huishouden vormen.
3.57 zelfstandige wooneenheid
een wooneenheid, die beschikt over een eigen toegang en over eigen voor bewoning noodzakelijke voorzieningen zoals keuken, douche/badkamer en toilet.
Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen
Voor de meet- en rekenbepalingen, in aanvulling op artikel 22.24 van het Omgevingsplan, gelden de volgende meet- en rekenbepalingen en zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hier niet van is afgeweken in het eerste lid tot en met het zevende lid.
4.1 de dakhelling
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
4.2 de bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
4.3 de goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
bij toepassing van een dakkapel of dakopbouw met een breedte van meer dan 50% van het dakvlak wordt de bovenzijde daarvan als goothoogte aangemerkt.
4.4 de inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
4.5 de oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het
bouwwerk.
ondergrondse (verticale) bouwdiepte van een bouwwerk
vanaf het peil tot de afgewerkte vloer van het ondergrondse (deel van het) bouwwerk.
4.6 peil
- voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg;
- in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld, voor aanvang van de bouwwerkzaamheden, het oorspronkelijke maaiveld.
4.7 toepassing van maten
de in deze regels gegeven bepalingen omtrent plaatsing, afstanden en maten zijn niet van toepassing op goot- en kroonlijsten, schoorstenen, gasafvoer- en ontluchtingskanalen, antennes, balkons, galerijen, noodtrappen, luifels, liftkokers, ventilatiekanalen, afvoerpijpen van hemelwater, zonnepanelen, gevellijsten, pilasters, plinten, stoeptreden, kozijnen, dorpels en dergelijke bouwonderdelen.
Artikel 5 Aanvraagvereisten
- De aanvraagvereisten, bedoel in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
- Indien in dit hoofdstuk aanvraagvereisten worden gesteld zijn dit aanvullende aanvraagvereisten op de aanvraagvereisten zoals bedoeld in lid 1.
2 Functies en activiteiten
Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan de overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.
7.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Agrarisch’.
7.2 Functieomschrijving
Een als ‘Agrarisch’ aangewezen locatie heeft de volgende functies:
- agrarisch grondgebruik;
- behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden;
- waterhuishoudkundige doeleinden;
- extensief recreatief medegebruik;
- nutsvoorzieningen;
met daarbij behorende:
- perceel ontsluitingen.
7.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels.
7.3.1 Gebouwen
Op de voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden mag niet worden gebouwd.
7.3.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde
Op de voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, met dien verstande dat:
- de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2,5 m;
- het oprichten van perceelsafscheidingen niet is toegestaan, met uitzondering van open afrasteringen;
- er geen sprake mag zijn van wezenlijke hydrologische effecten op natuurwaarden.
- bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van extensief recreatief medegebruik, met dien verstande dat de bouwhoogte van banken, picknicktafels en dergelijke niet meer mag bedragen dan 2 m;
7.4 Specifieke functieregels voor gebruik
7.4.1 Algemeen
Tot een met de functie ‘Agrarisch’ strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en opstallen anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in
artikel 7 lid 2, meer in het bijzonder:
- het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik;
- het plaatsen van kampeermiddelen, met uitzondering van het plaatsen van kampeermiddelen ten behoeve van evenementen, die geen of slechts geringe planologische relevantie hebben;
- recreatieve activiteiten, met uitzondering van exensief recreatief medegebruik.
7.4.2 Voorwaardelijke verplichting – blijvend grasland
Het gebruik van de gronden en het oprichten van bouwwerken conform de functieomschrijvingen in
artikel 7 lid 2 en
artikel 8 lid 2 is uitsluitend toegestaan indien en zolangde gronden ter plaatse van de aanduiding
‘specifieke vorm van agrarisch – blijvend grasland’als graslandworden gebruikt.
7.4.3 Voorwaardelijke verplichting – intrekken milieutoestemmingen
Het gebruik van de gronden en het oprichten van bouwwerken conform de functieomschrijvingen in
artikel 7 lid 2 en
artikel 8 lid 2 is uitsluitend toegestaan indien de voor het agrarische bedrijf geldende milieutoestemmingen (waaronder omgevingsvergunning(en) milieu en/of milieumeldingen) zijn ingetrokken of anderszins rechtsgeldig beëindigd. De voor het agrarisch bedrijf geldende milieutoestemmingen (waaronder omgevingsvergunning(en) milieu en/of milieumeldingen) moeten zijn ingetrokken vóór de vaststelling van dit plan.
7.4.4 Voorwaardelijke verplichting – sloop van gebouwen
Het gebruik van de gronden en het oprichten van bouwwerken conform de functieomschrijvingen in artikel
artikel 7 lid 2 en
artikel 8 lid 2 is uitsluitend toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- de bestaande bebouwing, zoals aangegeven in bijlage 2 ‘Overzicht te slopen bebouwing Griendtsveenseweg 10’ is gesloopt;
- de bebouwing die in het kader van deze verplichting wordt gesloopt, mag niet opnieuw worden opgericht of op enige wijze worden teruggebouwd, met uitzondering van de te herbouwen langgevelboerderij, in bijlage 2 aangegeven met letter A. Deze mag worden herbouwd, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – 1’.
7.4.5 Voorwaardelijke verplichting – landschappelijke inpassing
Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing ' is het gebruiken en (doen) laten gebruiken van de gronden en opstallen conform de in de artikelen 7.2 en 8.2 opgenomen functieomschrijvingen alleen toegestaan als de landschappelijke inpassing, zoals opgenomen in bijlage 1 van de regels of een kwalitatief daarmee vergelijkbaar plan dat door het college van burgemeester en wethouders is geaccordeerd, binnen 12 maanden na in werkingtreding van dit omgevingsplan is uitgevoerd en vervolgens in stand wordt gehouden.
7.4.6 Voorwaardelijke verplichting – bodem
7.4.6.1 Saneringsvereisten
Het gebruik van de gronden en het oprichten van bouwwerken conform de functieomschrijvingen in
artikel 7 lid 2 en
artikel 8 lid 2 is uitsluitend toegestaan indien en zolang:
- de PCB- en asbestverontreinigingin de druppelzone aan de oostzijde van stal 4 is gesaneerdconform de geldende wet- en regelgeving en zoals aangegeven in het onderzoek ‘B3816 verkennend bodemonderzoek Griendtsveenseweg 10 te Deurne versie 2’;
- de zones aan de west- en zuidzijde van stal 5 met verhoogde concentraties respirabele asbestvezels, zoals weergegeven in het onderzoek ‘B3816 verkennend bodemonderzoek Griendtsveenseweg 10 te Deurne versie 2’ zijn gesaneerd, voor zover graaf- of bouwwerkzaamheden plaatsvinden op deze locaties;
- op de overige (asbest)drupzones, waar sprake is van gehalten onder de interventiewaarde, geen graafwerkzaamheden plaatsvinden voordat de bodem geschikt is gemaakt voor het beoogde gebruik.
7.4.6.2 Uitzonderingen
- Het bepaalde in subsubsubparagraaf 7.4.6.1 is niet van toepassing op gronden die niet zijn aangemerkt als verontreinigde locaties, zoals beschreven in het onderzoek ‘B3816 verkennend bodemonderzoek Griendtsveenseweg 10 te Deurne versie 2’.
7.4.6.3 Moment van saneren
- het bouwen van de nieuwe woning;
- het uitvoeren van graafwerkzaamheden op de betreffende verontreinigde locaties, zoals weergegeven in het vooronderzoek ‘B3816 verkennend bodemonderzoek Griendtsveenseweg 10 te Deurne versie 2’;
- het gebruiken van de gronden en bouwwerken voor woondoeleinden.
7.4.6.4 Strijdig gebruik
Indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in lid 1 en 2, wordt het bouwen en gebruiken van de woning en de bijbehorende gronden geacht in strijd te zijn met dit plan.
8.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Wonen’.
8.2 Functieomschrijving
Een als ‘Wonen’ aangewezen locatie heeft de volgende functies:
- wonen in woningen;
- aan-huis-verbonden beroepen;
- ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – 1’ mag een kortgevelboerderij worden gebouwd, uitsluitend conform de beeldkwaliteitseisen zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze planregels;
- nutsvoorzieningen;
met daarbij behorende:
- tuinen, erven en verhardingen.
8.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels.
8.3.1 Algemeen
Op de voor ‘Wonen’ aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, die ten dienste staan aan de ter plaatse toegestane functie(s), waarbij de volgende beoordelingsregels gelden.
8.3.2 Beoordelingsregels voor gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:
- Per functievlak is maximaal 1 woning met bijgebouwen toegestaan;
- Herbouw van een woning is niet toegestaan.
8.3.3 Hoofdgebouw
Voor het bouwen van een hoofdgebouw gelden de volgende beoordelingsregels:
- Hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden opgericht ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’;
- Voor het bouwen van een woning gelden de volgende maatvoeringseisen:
goothoogte | maximaal 4,5 m |
bouwhoogte | maximaal 9 m |
inhoud | maximaal 750 m3; indien de bestaande inhoud meer bedraagt dan 750 m3, geldt de bestaande inhoud als maximale inhoud. |
Dakhelling | Minimaal 12 graden Maximaal 70 graden
Indien de bestaande dakhelling meer of minder bedraagt, geldt de bestaande dakhelling als maximale/minimale dakhelling.
De dakhelling geldt niet voor aan- en uitbouwen en dakkapellen. |
- Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – 1’ dient gebouwd te worden conform de beeldkwaliteitseisen, zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze planregels.
8.3.4 Beoordelingsregels voor bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende maatvoeringseisen:
gezamenlijke oppervlakte | maximaal 150 m2 |
goothoogte | maximaal 3 m |
bouwhoogte | maximaal 6 m |
8.3.5 Beoordelingsregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende maatvoeringseisen:
bouwhoogte erfafscheidingen | maximaal 1 m vóór de voorgevelrooilijn maximaal 2 m achter de voorgevelrooilijn |
bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde | |
8.4 Specifieke functieregels voor gebruik
8.4.1 Algemeen
Tot een met de functie ‘Wonen’ strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en opstallen anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in
artikel 8 lid 2, meer in het bijzonder:
- het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest;
- het bedrijfsmatig vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten;
- detailhandel;
- verblijfsrecreatie;
- het plaatsen van kampeermiddelen;
- aan-huis-verbonden bedrijven;
8.4.2 Aan-huis-verbonden-beroepen
In een woning en de bijgebouwen bij de woning is de uitoefening van een aan-huis-verbonden-beroep toegestaan. Hiervoor gelden de volgende beoordelingsregels:
- de vloeroppervlakte die in gebruik is voor het aan-huis-gebonden-beroep mag niet meer bedragen dan 100 m2;
- het aan-huis-gebonden-beroep mag uitsluitend worden uitgeoefend door een bewoner van de woning.
8.4.3 Voorwaardelijke verplichting – blijvend grasland
Het gebruik van de gronden en het oprichten van bouwwerken conform de functieomschrijvingen in
artikel 7 lid 2 en
artikel 8 lid 2 is uitsluitend toegestaan indien en zolangde gronden ter plaatse van de aanduiding
‘specifieke vorm van agrarisch – blijvend grasland’ als graslandworden gebruikt.
8.4.4 Voorwaardelijke verplichting – intrekken milieutoestemmingen
Het gebruik van de gronden en het oprichten van bouwwerken conform de functieomschrijvingen in
artikel 7 lid 2 en
artikel 8 lid 2 is uitsluitend toegestaan indien de voor het agrarische bedrijf geldende milieutoestemmingen (waaronder omgevingsvergunning(en) milieu en/of milieumeldingen) zijn ingetrokken of anderszins rechtsgeldig beëindigd. De voor het agrarisch bedrijf geldende milieutoestemmingen (waaronder omgevingsvergunning(en) milieu en/of milieumeldingen) moeten zijn ingetrokken vóór de vaststelling van dit plan.
8.4.5 Voorwaardelijke verplichting – sloop van gebouwen
Het gebruik van de gronden en het oprichten van bouwwerken conform de functieomschrijvingen in
artikel 7 lid 2 en
artikel 8 lid 2 is uitsluitend toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- de bestaande bebouwing, zoals aangegeven in bijlage 2 ‘Overzicht te slopen bebouwing Griendtsveenseweg 10’ is gesloopt;
- de bebouwing die in het kader van deze verplichting wordt gesloopt, mag niet opnieuw worden opgericht of op enige wijze worden teruggebouwd, met uitzondering van de te herbouwen langgevelboerderij, in bijlage 2 aangegeven met letter A. Deze mag worden herbouwd, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – 1’.
8.4.6 Voorwaardelijke verplichting – landschappelijke inpassing
Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing ' is het gebruiken en (doen) laten gebruiken van de gronden en opstallen conform de in
artikel 7 lid 2 en
artikel 8 lid 2 opgenomen functieomschrijvingen alleen toegestaan als de landschappelijke inpassing, zoals opgenomen in
bijlage 1 van de regels of een kwalitatief daarmee vergelijkbaar plan dat door het college van burgemeester en wethouders is geaccordeerd, binnen 12 maanden na in werkingtreding van dit omgevingsplan is uitgevoerd en vervolgens in stand wordt gehouden.
8.4.7 Voorwaardelijke verplichting – bodem
8.4.7.1 Saneringsvereisten
Het gebruik van de gronden en het oprichten van bouwwerken conform de functieomschrijvingen in
artikel 7 lid 2 en
artikel 8 lid 2 is uitsluitend toegestaan indien en zolang:
- de PCB- en asbestverontreinigingin de druppelzone aan de oostzijde van stal 4 is gesaneerdconform de geldende wet- en regelgeving en zoals aangegeven in het onderzoek ‘B3816 verkennend bodemonderzoek Griendtsveenseweg 10 te Deurne versie 2’;
- de zones aan de west- en zuidzijde van stal 5 met verhoogde concentraties respirabele asbestvezels, zoals weergegeven in het onderzoek ‘B3816 verkennend bodemonderzoek Griendtsveenseweg 10 te Deurne versie 2’ zijn gesaneerd, voor zover graaf- of bouwwerkzaamheden plaatsvinden op deze locaties;
- op de overige (asbest)drupzones, waar sprake is van gehalten onder de interventiewaarde, geen graafwerkzaamheden plaatsvinden voordat de bodem geschikt is gemaakt voor het beoogde gebruik.
8.4.7.2 Uitzonderingen
- Het bepaalde in subsubsubparagraaf 8.4.7.1 is niet van toepassing op gronden die niet zijn aangemerkt als verontreinigde locaties, zoals beschreven in het onderzoek ‘B3816 verkennend bodemonderzoek Griendtsveenseweg 10 te Deurne versie 2’
8.4.7.3 Moment van saneren
- het bouwen van de nieuwe woning;
- het uitvoeren van graafwerkzaamheden op de betreffende verontreinigde locaties, zoals weergegeven in het vooronderzoek ‘B3816 verkennend bodemonderzoek Griendtsveenseweg 10 te Deurne versie 2’;
- het gebruiken van de gronden en bouwwerken voor woondoeleinden.
8.4.7.4 Strijdig gebruik
Indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in lid 1 en 2, wordt het bouwen en gebruiken van de woning en de bijbehorende gronden geacht in strijd te zijn met dit plan.
8.4.8 Voorwaardelijke verplichting – gevelwerend onderzoek
8.4.8.1 Onderzoeksverplichting
Het bouwen van de nieuwe woning ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – 1’ is slechts toegestaan indien en zolang een gevelwerend onderzoek is uitgevoerd ter plaatse van de te realiseren of vervangende nieuwbouw, waarmee is vastgesteld welke maatregelen nodig zijn om een binnenniveau van maximaal 33 dB te waarborgen.
8.4.8.2 Uitvoering en inhoud
Het gevelwerend onderzoek dient te worden uitgevoerd door een daartoe gekwalificeerde deskundige en dient ten minste inzicht te geven in de noodzakelijke gevelwerende maatregelen om het binnenniveau ≤ 33 dB te realiseren.
8.4.8.3 Moment van uitvoering
Het onderzoek dient te zijn afgerond vóór aanvang van de bouw van de woning.
8.4.8.4 Strijdig gebruik bij niet-naleving
Indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in lid 1 en 2, wordt het bouwen en gebruiken van de woning en de bijbehorende gronden geacht in strijd te zijn met dit plan.
8.5 Vergunningplicht voor afwijken van de gebruiksregels
8.5.1 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van recreatieve nevenactiviteiten
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in
subsubparagraaf 8.4.1 teneinde kleinschalige recreatieve dagactiviteiten toe te staan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- kleinschalige recreatieve activiteiten zijn niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - Primag';
- huisvesting van arbeidsmigranten is niet toegestaan;
- in opzet en ontwikkelingsperspectief moet het gaan om een kleinschalige activiteit met in beginsel enkele werknemers;
- de kleinschalige recreatieve activiteiten dienen gezien de aard, omvang en intensiteit passend te zijn binnen de woonfunctie;
- de ontwikkeling draagt bij aan de ontwikkeling van een gemengde plattelandseconomie;
- de gebruiker van de woning dient zelf de bedrijfsmatige activiteit te ontplooien;
- de vloeroppervlakte ten behoeve van de bedrijfsactiviteit mag in totaal niet meer bedragen dan 200 m2;
- hergebruik voor dagrecreatieve activiteiten vindt plaats binnen de bestaande bebouwing, waarbij geldt:
- dat uitbreiding van de bebouwing niet is toegestaan en
- dat overtollige bebouwing wordt gesloopt;
- hergebruik voor dagrecreatieve doeleinden kan binnen de gehele bestemming worden toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijfsgebouw';
- er dient te worden voldaan aan de volgende landschappelijke en ruimtelijke kwaliteitseisen:
- Landschappelijke inpassing:
- Met het initiatief dient een gedegen landschappelijke inpassing plaats te vinden middels erfbeplanting (met voor het landschap kenmerkende soorten);
- de kwaliteitswinst blijkt uit een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan;
- hierbij wordt getoetst aan de gemeentelijke investeringsregeling ruimtelijke kwaliteit zoals weergegeven in bijlage 4 'Beleidskader kwaliteitsverbetering landschap' van de regels van het omgevingsplan ‘Herstelomgevingsplan Buitengebied Deurne 2021’ met IMRO-code: NL.IMRO.0762.BP202016-C001, inclusief later vastgestelde aanvullingen dan wel het kader dat volgend op voornoemd kader wordt vastgesteld, waarbij voornoemd kader is komen te vervallen.
- Verkaveling: Met het initiatief dient aansluiting te worden gezocht bij het bestaand verkavelingspatroon (occupatiegeschiedenis) bij de erfinrichting.
- Zuinig ruimtegebruik: de inrichting van het bouwvlak bevordert een gunstige verhouding tussen bruto (bestemmings- of bouwvlak) en netto (bebouwing) ruimtebeslag.
- Sloop: met het initiatief wordt eveneens bewerkstelligd, dat overtollige bebouwing (niet zijnde cultuurhistorisch waardevol) wordt gesloopt.
- Parkeren dient op eigen erf plaats te vinden.
- detailhandel wordt slechts toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit;
- de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
- er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
- de afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van in de in de directe omgeving voorkomende waarden.
Artikel 9 Waarde - Archeologie
9.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de gronden die zijn aangewezen als ‘Waarde – Archeologie’.
9.2 Functieomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden in de bodem.
9.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
9.3.1 Omgevingsvergunningplicht
Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te (doen) voeren:
- het verwijderen of het aanbrengen van diep wortelende beplantingen of bomen;
- het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe ook wordt gerekend het diepploegen en diepwoelen van de bodem;
- het ontginnen, (af)graven, ophogen en egaliseren van de bodem;
- het aanleggen, verharden of verwijderen van wegen, paden, parkeergelegenheden en het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen;
- het aanbrengen van ondergrondse leidingen of daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
- het verlagen of verhogen van het waterpeil;
- het graven, verbreden, uitdiepen, dempen en/of verleggen van watergangen.
uitgezonderd werken en werkzaamheden tot 0,30 m beneden het maaiveld.
9.3.2 Uitzonderingen vergunningplicht
- tot 0,3 m beneden het maaiveld;
- ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - omgevingsvergunning bufferzone bestaande bebouwing (peildatum 1 juli 2008)';
- buiten de aanduiding 'wetgevingzone - omgevingsvergunning bufferzone bestaande bebouwing (peildatum 1 juli 2008)' en dieper dan 0,3 m onder maaiveld, tot een oppervlakte van maximaal 250 m2.
9.3.3 Toetsing
- De in subsubparagraaf 9.3.1 bedoelde vergunning wordt slechts verleend indien de betreffende werken/ werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken/ werkzaamheden niet leiden tot een verstoring van het archeologisch materiaal; hiertoe wordt een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke erkende ter zake deskundige gehoord.
- In afwijking van het bepaalde onder a mag, in geval de bedoelde werken/ werkzaamheden dan wel de directe gevolgen van deze werken/ werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, de omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden niettemin worden verleend, indien aan de vergunning de volgende regels worden verbonden:
- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
- de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
- de verplichting de uitvoering van de werken/ werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
9.3.4 Archeologisch onderzoek
De in
subsubparagraaf 9.3.1 bedoelde vergunning wordt pas verleend als de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat:
- Het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd of
- De archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad of
- Geen archeologische waarde aanwezig is.
Indien voor het betreffende gebied inmiddels een ander voldoende deskundig onderzoek heeft plaatsgevonden en daaruit is gebleken dat geen archeologische waarden te verwachten zijn, kan ook worden volstaan met een verwijzing naar dit onderzoek.
Artikel 10 Anti-dubbeltelregel
Gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijven bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 11 Algemene bouwactiviteiten
Ondergronds bouwen
Voor ondergronds bouwen gelden de volgende regels:
- Ondergronds bouwen is alleen toegestaan onder gebouwen of in gronden aansluitend aan deze gebouwen;
- De verticale diepte mag niet meer bedragen dan 4 meter.
Artikel 12 Algemene gebruiksactiviteiten
12.1 Strijdig gebruik
- Onder strijdig gebruik met de bestemming wordt in ieder geval verstaan:
- het gebruiken of doen gebruiken van delen van het hoofdgebouw van een woning, de aanbouw dan wel het vrijstaande bijbehorend bouwwerk bij dat hoofdgebouw als afhankelijke woonruimte;
- het gebruik van (bedrijfs-)woningen voor bed & breakfast voorzieningen;
- de huisvesting van arbeidsmigranten is niet toegestaan in recreatieve verblijfsvoorzieningen;
- het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie;
- het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor statische opslag.
12.2.1 Bouwregels
- De gronden zoals aangewezen in de verschillende bestemmingen mogen slechts worden bebouwd onder de voorwaarde dat op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden, alsmede dat voor het laden en lossen van goederen voldoende voorzieningen worden getroffen op eigen terrein.
- Bij omgevingsvergunning om te bouwen wordt aan de hand van de ‘Regeling parkeernormen Deurne 2019’, zoals vastgesteld op 19 november 2019 bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, aan de hand van die nieuwe beleidsregels wordt bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid.
12.2.2 Gebruiksregels
- Als gebruik in strijd met het omgevingsplan geldt het (veranderen van het) gebruik van gronden of bouwwerken, indien niet in voldoende mate parkeergelegenheid op eigen terrein wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden, alsmede voor het laden en lossen van goederen niet voldoende voorzieningen worden getroffen op eigen terrein, een en ander volgens de ‘Regeling parkeernormen Deurne 2019’ zoals vastgesteld op 19 november 2019.
- Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bestaand gebruik.
12.2.3 Afwijken
Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in
subsubparagraaf 12.2.1 en
subsubparagraaf 12.2.2 indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit en mits wordt voldaan aan de in de ‘Regeling parkeernormen Deurne 2019’ opgenomen voorwaarden voor afwijking, met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, voldaan moet worden aan die nieuwe beleidsregels.
Artikel 13 Algemene aanduidingsregels
13.1 Specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing
- Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing' is het gebruiken en (doen) laten gebruiken van de gronden en opstallen conform de in de artikel 7 lid 2 en artikel 8 lid 2 opgenomen functieomschrijvingen alleen toegestaan als de landschappelijke inpassing, zoals opgenomen in bijlage 1 van de regels of een kwalitatief daarmee vergelijkbaar plan dat door het college van burgemeester en wethouders is geaccordeerd, binnen 12 maanden na onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning van de woning, is uitgevoerd en vervolgens in stand wordt gehouden.
Artikel 14 Algemene afwijkingsregels
14.1 Omgevingsvergunning algemene afwijking maatvoering en situering
Het bevoegd gezag kan, voor zover niet reeds op grond van een andere bepaling kan worden afgeweken en voor zover het niet betreft het vergroten van de inhoud van een (bedrijfs)woning, afwijken van de in het plan opgenomen maatvoering- en situeringseisen ten aanzien van bebouwing, met dien verstande dat maximaal 10% van de in de regels vastgelegde maatvoerings- en situeringseisen mag worden afgeweken, mits het landelijk karakter van het gebied, alsmede binnen de bestemming opgenomen waarden niet onevenredig wordt aangetast.
14.2 Nutsvoorzieningen - vergunningplicht
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in
artikel 14 lid 2 wordt slechts verleend als:
- deze afwijkingsregel geldt niet voor de functie 'Agrarisch met waarden', antennemasten zijn tevens niet toegestaan in de 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht';
- voor het bouwen van nutsvoorzieningen gelden de volgende bepalingen:
- de inhoud bedraagt niet meer dan 50 m3;
- de goothoogte bedraagt niet meer dan 3 m;
- voor het bouwen van antennemasten gelden de volgende bepalingen:
- door de aanvrager wordt aangetoond dat de antenne-installatie op de gekozen locatie onmisbaar is voor de realisering van een adequaat netwerk;
- de mogelijkheden van site-sharing van de te plaatsen antenne-installaties dienen voldoende te worden gewaarborgd;
- de maximale hoogte van de mast bedraagt 40 m;
- de afstand van een vrije veldinstallatie tot een gebouw moet ten minste 25 m zijn;
- het woon- en leefklimaat mogen niet onevenredig worden aangetast;
- er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de landschappelijke- en natuurwaarden;
- er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de cultuurhistorische waarden;
- de oppervlakte van de bij de mast behorende apparatuur bedraagt maximaal 15 m2;
- de maximale hoogte van de bij de mast behorende apparatuurkast bedraagt 3 m;
- de minimale afstand van de mast met bebouwing tot aan de weg bedraagt 10 m.
14.3 Bed & breakfastvoorziening - vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning en in afwijking van de in dit hoofdstuk opgenomen regels gronden en bouwwerken te gebruiken voor uitoefenen van een bed & breakfastvoorziening.
14.3.1 Bed & Breakfastvoorziening – beoordelingsregels
De omgevingsvergunning als bedoeld in
artikel 14 lid 3 wordt slechts verleend als:
- de bed & breakfastvoorziening is gelegen ter plekke van functie ‘Wonen’;
- de woning blijft voldoen aan het bepaalde in het Besluit bouwwerken leefomgeving;
- de bed & breakfastvoorzieningen enkel in de (bedrijfs-)woning en binnen de regels van dit TAM-omgevingsplan maximaal toegestane op te richten bij de (bedrijfs-)woning behorende bouwwerken - niet zijnde bedrijfsgebouwen – is gelegen en tot een maximum bebouwingsoppervlak van 150 m2 ;
- de bed & breakfastvoorzieningen ondergeschikt van aard is;
- de gebruiksoppervlakte niet meer dan 250 m2 bedraagt;
- de bed & breakfastvoorziening uit niet meer dan 9 bedden bestaat of maximaal 15 gasten kan huisvesten
- er geen sprake is van permanente bewoning of huisvesting van arbeidsmigranten;
- de verkeersaantrekkende werking van de bed & breakfastvoorzieningen is afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
- eventueel extra benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd;
- er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende bedrijven;
- de bed & breakfastvoorziening niet leidt tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke en ecologische waarden;
- de cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast.
14.4 Afhankelijke woonruimte - vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning en in afwijking van de in dit hoofdstuk opgenomen regels gronden en bouwwerken te gebruiken voor het gebruik als afhankelijke woonruimte.
14.4.1 Afhankelijke woonruimte – beoordelingsregels
De omgevingsvergunning als bedoeld in
artikel 14 lid 4 wordt slechts verleend als:
- uit de aanvraag blijkt er behoefte is (in medisch danwel sociaal opzicht) aan mantelzorg van de persoon of personen voor wie de afhankelijke woonruimte is bedoeld;
- de afhankelijke woonruimte uitsluitend wordt gerealiseerd in een deel van het hoofdgebouw, een aanbouw of een (vrijstaand) bijbehorend bouwwerk, behorende bij een in deze functies toegestane (bedrijfs)woning;
- de oppervlakte van de afhankelijke woonruimte is aangegeven, alsmede hoe de ruimte concreet ingedeeld en gebruikt wordt en de afhankelijke woonruimte niet meer dan 120 m2 bedraagt;
- de cultuurhistorische waarden niet onevenredig aangetast wordt;
- er sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing (met voor het landschap kenmerkende soorten), op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan. Hierbij wordt getoetst aan de gemeentelijke investeringsregeling ruimtelijke kwaliteit zoals bedoeld in het 'Beleidskader kwaliteitsverbetering landschap', inclusief later vastgestelde aanvullingen dan wel het kader dat volgend op voornoemd kader wordt vastgesteld, waarbij voornoemd kader is komen te vervallen;
- er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
Degene aan wie de omgevingsvergunning is verleend, diens rechtsopvolger en in ieder geval de hoofdbewoner van het hoofdgebouw de gemeente onmiddellijk te informeren, indien de afhankelijke woonruimte niet meer wordt gebruikt door de persoon of personen ten behoeve waarvan de omgevingsvergunning is verleend. Het bevoegd gezag trekt deze omgevingsvergunning in, indien de afhankelijke woonbehoefte, waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, eindigt.
14.5 Herbouw (bedrijfs)woning - vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning en in afwijking van de in dit hoofdstuk opgenomen beoordelingsregels voor het bouwen een (bedrijfs)woning te herbouwen.
14.5.1 Herbouw (bedrijfs)woning - beoordelingsregels
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in
artikel 14 lid 5 wordt slechts verleend als:
- de nieuwe situering van de (bedrijfs)woning stedenbouwkundig, landschappelijk en milieukundig aanvaardbaar is, waarbij voldaan wordt de geluidsnormen zoals bepaald in het Omgevingsplan en/of gemeentelijk geluidsbeleid;
- er sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing, (met voor het landschap kenmerkende soorten), op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan. Hierbij wordt getoetst aan de gemeentelijke investeringsregeling ruimtelijke kwaliteit zoals bedoeld in het 'Beleidskader kwaliteitsverbetering landschap', inclusief later vastgestelde aanvullingen dan wel het kader dat volgend op voornoemd kader wordt vastgesteld, waarbij voornoemd kader is komen te vervallen;
- er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van derden, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
- overtollige bebouwing, waaronder de voormalige (bedrijfs)woning, wordt gesloopt.
14.6 Aan-huis-verbonden-bedrijf – vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning en in afwijking van de in dit hoofdstuk opgenomen regels een aan-huis-verbonden-bedrijf uit te oefenen.
14.6.1 Aan-huis-verbonden-bedrijf – beoordelingsregels
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in
artikel 14 lid 6 wordt slechts verleend als:
- de vloeroppervlakte die in gebruik is voor het aan-huis-verbonden bedrijf niet meer bedraagt dan 100 m2.
- het bedrijf-aan-huis uitsluitend uitgeoefend wordt door een bewoner van de (bedrijfs-)woning.
- het bedrijf-aan-huis behoort tot de categorieën 1 of 2 van de Lijst Activiteiten zoals opgenomen in de VNG publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009 of daarmee naar aard, omvang en invloed vergelijkbaar zijn.
- het bedrijf-aan-huis uitsluitend uitgeoefend wordt in een (bedrijfs-)woning en de bij die (bedrijfs-)woning behorende bouwwerken, niet zijnde (agrarische) bedrijfsgebouwen.
- het bedrijf-aan-huis milieukundig aanvaardbaar is en er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de belangen van derden, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven.
14.7 Evenementen - vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning en in afwijking van de in dit hoofdstuk opgenomen regels het tijdelijk gebruiken van gronden voor evenementen.
14.7.1 Evenementen – beoordelingsregels
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in
artikel 14 lid 7 wordt slechts verleend als:
- er op één locatie maximaal 4 evenementen per jaar plaatsvinden;
- het maximaal aantal bezoekers per dag 5000 bedraagt;
- een evenement maximaal 7 dagen duurt, inclusief minimaal 4 dagen voor op- en afbouw;
- het evenement niet eerder begint dan 9.00 uur en sluit niet later dan 2.00 uur;
- de maximale gevelbelasting op 2 meter uit de gevel van een geluidsgevoelig object bedraagt:
Periode | Tijden | Maximale gevelbelasting* |
Dag | 07.00 - 19.00 u | 75 dB(A) 89 dB(C) |
Avond (zondag t/m donderdag) | 19.00 - 23.30 u | 75 dB(A) 89 dB(C) |
Avond (vrijdag, zaterdag en op dagen voorafgaand aan een feestdag) | 19.00 - 01.30 u | 75 dB(A) 89 dB(C) |
Nacht (zondag t/m donderdag) | 23.30 - 07.00 u | 45 dB(A) 59 dB(C) |
Nacht (vrijdag, zaterdag en op dagen voorafgaand aan een feestdag | 01.30 - 07.00 u | 45 dB(A) 59 dB(C) |
* Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (-LAr,LT) afkomstig van de muziek en/of omroepgeluid, gemeten volgens de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, uitgave 2004, en beoordeeld volgens deze handleiding, mag ter plaatse van de gevels van de meest nabij gelegen woningen van derden en andere gevoelige bestemmingen niet meer bedragen dan is opgenomen in de tabel. In afwijking van voornoemde handleiding is de straffactor van 10 dB vanwege de herkenbaarheid van het muziekgeluid niet van toepassing.
- in afwijking van het bepaalde onder e is met in-/afstemming met omwonenden en direct belanghebbenden een verhoging naar 80 dB(A) en 94 dB(C) op 2 meter uit de gevel van geluidgevoelig object aanvaardbaar;
- voor op- en afbouwwerkzaamheden voldaan wordt aan de volgende regels:
- op- en afbouwwerkzaamheden mogen plaatsvinden tussen 08.00 uur en 20.00 uur;
- afbouw van elektronische apparatuur is toegestaan tot maximaal één uur na de eindtijd;
- het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de gevel van een geluidsgevoelig object mag niet meer bedragen dan 50 dB(A);
- het maximale geluidsniveau op de gevel van een geluidsgevoelig object mag niet meer bedragen dan 70 dB(A).
- er een evenwichtige belangenafweging plaatsvindt, waarbij betrokken worden:
- de mate waarin waarden, die de bestemmingsomschrijving van de ter plaatse geldende bestemming beoogt te beschermen, kunnen worden geschaad;
- de mate waarin de belangen van gebruikers en/of eigenaren van de aanliggende gronden worden geschaad;
- de mate waarin de uitvoerbaarheid is aangetoond, waaronder begrepen de milieutechnische, de waterhuishoudkundige, de archeologische, de ecologische en de verkeerstechnische toelaatbaarheid;
- de omgevingsvergunning voor maximaal 5 jaar wordt verleend.
14.8 Huisvesting arbeidsmigranten - vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning en in afwijking van de in dit hoofdstuk opgenomen regels tijdelijke arbeidsmigranten te huisvesten.
14.8.1 Huisvesting tijdelijke arbeidsmigranten – beoordelingsregels
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in
artikel 14 lid 8 wordt slechts verleend als:
- ter plaatse van de huisvesting sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
- er geen belemmeringen voor (ontwikkelingen van) omliggende (agrarische) bedrijven ontstaan;
- de huisvesting voldoet aan het normenset Keurmerk SNF;
- er voldoende parkeergelegenheid beschikbaar of realiseerbaar is. Uitgangspunt is de ‘Regeling parkeernormen Deurne 2019’ met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregels worden gewijzigd, aan de hand van die nieuwe beleidsregels wordt bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid zoals die op het moment van de aanvraag geldt. Maar het is ook mogelijk dit aantoonbaar anders te regelen. Dit dient dan nader aangetoond en onderbouwd te worden.
- de huisvesting niet leidt tot een onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking in relatie tot de functie en aard van de omliggende weg(en);
- de omgevingsvergunning voor maximaal 10 jaar wordt verleend;
- bij structurele huisvesting tevens wordt voldaan aan het bepaalde in subsubparagraaf 14.9.1.
14.9 Structurele huisvesting arbeidsmigranten – vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning en in afwijking van de in dit hoofdstuk opgenomen regels structureel arbeidsmigranten te huisvesten, op een niet-agrarische bedrijfslocatie.
14.9.1 Structurele huisvesting arbeidsmigranten – beoordelingsregels
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in
artikel 14 lid 9 wordt slechts verleend als:
- het maximale aantal te huisvesten personen is afgestemd op de omvang van de locatie, de ligging in zijn omgeving, de grootte van een bestaand pand, de bereikbaarheid van de locatie en parkeervoorzieningen;
- de afstand, gemeten vanuit het erf, tot andere grootschalige huisvesting voor arbeidsmigranten bedraagt:
- tot 100 personen ten minste 250 meter;
- bij 100 personen of meer ten minste 500 meter;
- beheer en toezicht dient op een adequate wijze geregeld te zijn met bij meer dan 10 personen in ieder geval één aanspreekpunt en 24 uur per dag bereikbaarheidsdienst;
- de bebouwing, met uitzondering een bedrijfswoning, is niet gelegen op een bedrijventerrein met uitzondering van een bestaand op zichzelf stand kantoorpand;
- nieuwbouw is niet toegestaan met uitzondering van de nieuwbouw van zelfstandige gebouwen (geen reguliere woning zijnde) binnen de bebouwde kom en niet op een bedrijventerrein.
Artikel 15 Algemene wijzigingsregels
15.1 Wijziging ten behoeve vergroting inhoudsmaat woning
Bevoegd gezag kan het plan zodanig wijzigen dat de inhoudsmaat van een (bedrijfs)woning kan worden vergroot, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- de inhoud bedraagt niet meer dan 1.000 m3;
- de cultuurhistorische waarden mogen niet onevenredig worden aangetast;
- er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
- er dient te worden voldaan aan de volgende landschappelijke en ruimtelijke kwaliteitseisen:
- Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering:
- met het initiatief dient een gedegen landschappelijke inpassing plaats te vinden middels erfbeplanting (met voor het landschap kenmerkende soorten);
- de kwaliteitswinst blijkt uit een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan;
- hierbij wordt getoetst aan de gemeentelijke investeringsregeling ruimtelijke kwaliteit zoals weergegeven bijlage 4 van de regels van het omgevingsplan ‘Herstelomgevingsplan Buitengebied Deurne 2021’ met IMRO-code: NL.IMRO.0762.BP202016-C001, inclusief later vastgestelde aanvullingen dan wel het kader dat volgend op voornoemd kader wordt vastgesteld, waarbij voornoemd kader is komen te vervallen.
- Verkaveling: Met het initiatief dient aansluiting te worden gezocht bij het bestaand verkavelingspatroon (occupatiegeschiedenis) zowel bij de erfinrichting als de situering van de gebouwen.
- Zuinig ruimtegebruik: de inrichting van het bouwvlak bevordert een gunstige verhouding tussen bruto (bestemmings- of bouwvlak) en netto (bebouwing) ruimtebeslag.
- Ontstening: met het initiatief wordt eveneens bewerkstelligd, dat overtollige bebouwing (niet zijnde cultuurhistorisch waardevol) wordt gesloopt.
- Bebouwing: de bebouwing is passend bij de aard van de omgeving (hoogte, massa en architectonische kwaliteit).
- bij toename van bebouwing of verharding dient aangegeven te worden hoe met water wordt omgegaan via de trits: vasthouden, bergen en afvoeren; er zal in alle gevallen minimaal hydrologisch neutraal gebouwd dienen te worden;
- er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
- de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van in de in de directe omgeving voorkomende waarden.
Artikel 16 Overgangsrecht
16.1 Overgangsrecht bouwwerken
- een bouwwerk, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
- gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
- na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen 2 jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
- burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a. met maximaal 10%.
- het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
16.2 Overgangsrecht gebruik
- Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
- Het is verboden het met dit hoofdstuk strijdige gebruik, als bedoeld in het bepaalde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit hoofdstuk strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
- Indien het gebruik, als bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
- Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met de regels die op grond van dit omgevingsplan golden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit hoofdstuk, daaronder begrepen de op dat moment geldende overgangsbepalingen.