Type plan: wijzigingsplan
Naam van het plan: Rieterdreef 3
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0756.BW13OvlRieterdr3-VG01

Regels

1 Bestemmingsregels

Artikel 1 Agrarisch

1.1 Bestemmingsomschrijving

De op de plankaart voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
 
1. agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen, voor zover geen permanente teeltondersteunende voorzieningen zijnde;
 
2. agrarische bedrijven/bedrijfsdoeleinden ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijf’ voor niet meer dan één agrarisch bedrijf per bestemmingsvlak/bouwvlak waarbij, als bedrijfsvorm (al of niet met een combinatie van meerdere bedrijfstakken), is toegestaan: een grondgebonden agrarisch(e) bedrijf(stak);
 
3. agrarische verbreding uitsluitend in de navolgende aard en omvang:
 
3.1 detailhandel in eigen agrarische producten en rechtstreeks daarvan afgeleide ambachtelijke producten, tot een verkoopvloeroppervlakte van maximaal 100 m2;
 
4. in afwijking van het bepaalde onder 1 geldt voor bestemmingsvlakken/bouwvlakken die op de verbeelding zijn aangeduid met een koppelteken dat niet meer dan 1 agrarisch bedrijf is toegestaan per gekoppeld bouwblok en dat voor beide gekoppelde bouwblokgedeelten gezamenlijk het bepaalde in deze bestemming van toepassing is;
 
5. niet-agrarische of agrarisch verwante bedrijvigheid als neventak, te weten een loonwerkersbedrijf en een aardappelgroothandel, zijnde agrarisch-technische hulpbedrijven, in combinatie met een functionerend agrarisch bedrijf, is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘loonwerkbedrijf/aardappelgroothandel’ tot een maximum bebouwd oppervlak van 3750 m2;
 
6. informatie- en educatievoorziening ter plaatse van de aanduiding ‘informatie- en educatievoorziening’ met een maximum bebouwd oppervlak van 250 m2;
 
7. woondoeleinden, in de vorm van bedrijfswoningen, met aan huis gebonden beroep, waarbij het huidige aantal bedrijfswoningen als maximum geldt;
 
8. erfbeplanting en landschappelijke beplanting ten behoeve van een goede inpassing en/of
visueel afschermende functie naar het omliggende gebied;
 
9. instandhouding van bestaande paden en wegen;
 
10. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
 
11. dagrecreatief medegebruik.
 

1.2 Bouwregels

Op de voor 'Agrarisch’ aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de in 3.1 bedoelde doeleinden worden gebouwd, met inachtneming van:
 
- het bepaalde in 3.2.1 t/m 3.2.5;
 
- de nadere aanduidingen bij het agrarische bouwvlak op de verbeelding;
 
- de nadere eisen of ontheffingen.
 
1.2.1 Voor het bouwen van bouwwerken in het algemeen gelden de volgende bepalingen:
a. bouwen ten behoeve van grondgebonden agrarische bedrijvigheid is altijd toegestaan, mits de bebouwing plaatsvindt binnen het bouwvlak;
 
b. per bestemmingsvlak is bebouwing ten behoeve van niet meer dan één agrarisch bedrijf toegestaan.
 
1.2.2 Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en andere bouwwerken (geen gebouwen zijnde), met uitzondering van terreinafscheidingen en antennes:
a. hoogte:
- voor silo’s en schoorstenen: niet meer dan 15 m;
- voor het overige: niet meer dan 10 m;
 
b. goothoogte, met uitzondering van silo’s: niet meer dan 5 m;
 
c. afstand tot de perceelsgrens: niet minder dan 5 m;
 
d. de afstand tot de grens van de bestemming ‘wegen’ ter plaatse van de weg waaraan wordt gebouwd:
- langs ‘interlokale wegen’: niet minder dan 15 m;
- langs overige wegen: niet minder dan 5 m.
 
1.2.3 Voor het bouwen van bedrijfswoningen, inclusief uitbouwen en aanbouwen, gelden de volgende bepalingen:
a. het huidige aantal bedrijfswoningen geldt als maximum;
 
b. de afstand tot de naar de weg gekeerde grens van het bouwperceel ter plaatse van de weg waaraan wordt gebouwd mag niet minder dan 5 m en niet meer dan 20 m bedragen;
 
c. inhoud niet meer dan 750 m3, tenzij sprake is van de navolgende situaties:
- indien de bestaande inhoud al meer bedraagt dan 750 m3 geldt die grotere inhoud als maximum;
- indien het een bedrijfswoning betreft in een bestaande boerderij, waarvan de inhoud meer bedraagt dan 750 m3, mag de bedrijfswoning worden uitgebreid tot het gehele bestaande boerderijgebouw, zonder verdere vergroting daarvan;
 
d. hoogte: niet meer dan 10 m;
 
e. goothoogte: niet meer dan 5,5 m;
 
f. dakhelling: overwegend 35 – 55 graden, uitgezonderd uitbouwen en aanbouwen;
 
g. horizontale diepte: niet meer dan tot 15 m uit de voorgevel van de woning;
 
h. afstand tot de perceelsgrens: niet minder dan 5 m.
 
i. de afstand tot de grens van de bestemming ‘wegen’, ter plaatse van de weg waaraan wordt gebouwd:
- langs ‘interlokale wegen’: niet minder dan 15 m;
- langs overige wegen: niet minder dan 5 m.
 
1.2.4 Voor het bouwen van bijgebouwen bij bedrijfswoningen gelden de volgende bepalingen:
a. gezamenlijke oppervlakte per bedrijfswoning: niet meer dan 95 m2;
 
b. hoogte: niet meer dan 5,5 m;
 
c. goothoogte: niet meer dan 3 m;
 
d. afstand ten opzichte van de voorgevel van de woning c.q. de voorgevelrooilijn: niet minder dan 2 m daarachter;
 
e. afstand tot de perceelsgrens: niet minder dan 3 m.
 
1.2.5 Voor het bouwen van carports, terreinafscheidingen en antennes gelden de volgende bepalingen:
a. overkapping c.q. carport:
- aantal/situering: niet meer dan 1, achter de voorgevelrooilijn;
- oppervlakte: niet meer dan 25 m²;
- hoogte: niet meer dan 3 m;
 
b. hoogte van terreinafscheidingen:
- voor de voorgevellijn: niet meer dan 1 m;
- voor het overige: niet meer dan 2 m;
 
c. hoogte van antennemasten: niet meer dan 15 m;
 
d. schotelantenne(s):
- aantal en situering: niet meer dan 1, achter de voorgevelrooilijn;
- diameter: niet meer dan 2 m;
- hoogte: niet meer dan 3 m.
 

1.3 Nadere eisen

1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, op grond van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 sub d van de Wet ruimtelijke ordening, nadere eisen te stellen ten aanzien van het bouwen op grond van het bepaalde in artikel 3, waarbij als algemene voorwaarde geldt dat een doelmatige bebouwing en een doelmatig gebruik overeenkomstig de bestemming(sdoeleinden) niet onevenredig belemmerd mag worden.
 
2. Nadere eisen kunnen, conform het bepaalde in de tabel onder lid 4, uitsluitend gesteld worden ten aanzien van de volgende bebouwingsaspecten:
 
A1
- de afstand tot de perceelsgrenzen, voor zover deze minder bedraagt dan 10 m;
- de afstand tot de weg waaraan wordt gebouwd;
 
A2
de situering van bebouwing op een perceel, ten opzichte van elkaar of ten opzichte van bestaande of nog aan te brengen erfbeplantingen;
 
A3
de afmetingen, dakhelling en/of kapvorm van gebouwen en andere bouwwerken.
 
3. Nadere eisen kunnen, conform het bepaalde in de tabel onder lid 4, uitsluitend gesteld worden met het oog op de volgende belangen:
 
B1
de gewenste concentratie van de bebouwing op het bestemmingsvlak of bouwperceel in het algemeen,en in het bijzonder van:
- bedrijfswoning(en) en overige bedrijfsgebouwen op bouwblokken groter dan 1 ha;
- bijgebouwen bij woningen op bouwpercelen groter dan 0,5 ha;
 
B2
een goede landschappelijke inpassing van de bebouwing in relatie tot de waarden volgens de bestemmingen;
 
B3
een goede stedenbouwkundige inpassing m.n. in relatie tot de aangrenzende en nabijgelegen bebouwing;
 
B4
een goede verkeerskundige inpassing ten opzichte van de weg waaraan wordt gebouwd m.n. in verband met voldoende uitzicht van en/of voldoende parkeerruimte op het bouwperceel;
 
B5
voldoende ruimte voor behoud van bestaande of het aanbrengen van nieuwe erfbeplanting ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing van het totale bestemmingsvlak of bouwperceel;
 
B6
doelmatig onderhoud en bereikbaarheid van waterlopen;
 
B7
de verkrijging van het (wettelijk) vereiste geluidsniveau aan de gevel van een nieuwe (bedrijfs)woning en/of een afdoende geluidsreducerend effect.
 
4. Toepassingstabel nadere eisen
In hoeverre nadere eisen ten aanzien van bebouwingsaspecten, als bedoeld onder 2, kunnen worden gesteld met het oog op belangen, als bedoeld onder 3, is aangegeven met een ‘x’ in onderstaand schema.
  
  

1.4 Specifieke gebruiksregels

Voor de gebruiksregels wordt verwezen naar het bepaalde in artikel 10.

1.5 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd op grond van en met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 sub c van de Wet ruimtelijke ordening ontheffing te verlenen, met inachtneming van de algemene ontheffingsvoorwaarden, zoals genoemd in artikel 12.
1.5.1 Voor het toestaan van tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers:
A: bij agrarische bedrijven, in woonunits
 
1. Bij het verlenen van ontheffing ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers in woonunits gelden de volgende voorwaarden:
- een dergelijke huisvesting dient noodzakelijk te zijn voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering vanuit het oogpunt van de opvang van de tijdelijke grote arbeidsbehoefte van dat bedrijf;
- de huisvesting mag uitsluitend werknemers betreffen, die alleen binnen het bedrijf, waar ze gehuisvest zijn, werkzaamheden verrichten;
- de huisvesting mag niet meer dan 6 maanden per kalenderjaar bedragen;
- de huisvesting dient plaats te vinden in een of meer woonunits, waarvan de gezamenlijke oppervlakte niet meer mag bedragen dan 250 m2;
- de (nok)hoogte van een woonunit mag niet meer bedragen dan 3,0 m;
- de woonunit(s) word(t)(en) geplaatst binnen het agrarische bouwblok en niet in een bedrijfsgebouw;
- er dient voorzien te worden in een doelmatige landschappelijke inpassing;
- de woonunits dienen telkens na het tijdelijke gebruik te worden verwijderd;
 
2. Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de situering van de woonunit(s) voor zover nodig met het oog op:
- een goede landschappelijke inpassing;
- bescherming van de belangen van de omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven en/of;
- een passende situering ten opzichte van elkaar of andere aanwezige bebouwing.
 
3. Burgemeester en Wethouders trekken de ontheffing in indien de daaraan ten grondslag liggende tijdelijk grote arbeidsbehoefte niet meer aanwezig is.
 
B: bij agrarische bedrijven, in bedrijfsgebouwen
 
1. Bij het verlenen van ontheffing ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers in een bestaand bedrijfsgebouw gelden de volgende voorwaarden:
- een dergelijke huisvesting dient noodzakelijk te zijn voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering vanuit het oogpunt van de opvang van de tijdelijke grote arbeidsbehoefte van dat bedrijf;
- de huisvesting mag uitsluitend werknemers betreffen die alleen binnen het bedrijf waar ze gehuisvest zijn werkzaamheden verrichten;
- de huisvesting mag niet meer dan 6 maanden per kalenderjaar bedragen;
- de huisvesting dient plaats te vinden in een bestaand, een uit te breiden dan wel een nieuw op te richten bedrijfsgebouw of een gedeelte daarvan, met dien verstande dat de gezamenlijke vloeroppervlakte daarvoor niet meer bedraagt dan 250 m²;
- er mag geen sprake zijn van zelfstandige wooneenheden.
 
2 Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de situering van de bebouwing die geschikt wordt gemaakt voor het bieden van nachtverblijf voor zover nodig met het oog op:
- bescherming van de belangen van de omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven en/of
- een passende situering ten opzichte van andere aanwezige bebouwing waaronder de bedrijfswoning.
 
3 Burgemeester en Wethouders trekken de ontheffing indien de daaraan ten grondslag liggende tijdelijk grote arbeidsbehoefte niet meer aanwezig is.
 
1.5.2 Voor hogere/afwijkende bedrijfsbebouwing
Bij het verlenen van ontheffing voor de bouw van hogere of anderszins qua maatvoering afwijkende bedrijfsbebouwing gelden de volgende voorwaarden:
 
- de afwijkende maatvoeringen moeten ter plaatse noodzakelijk zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering, perceelsinrichting, uitbreiding en/of aansluiting op aanwezige bebouwing (met een reeds op deze punten afwijkende maatvoering) en worden slechts toegestaan voor zover dat voor de betreffende bebouwing of onderdeel daarvan noodzakelijk is;
 
- hogere silo’s of schoorstenen (van meer dan 15 m) zijn uitsluitend toegestaan tot een hoogte van niet meer dan 25 m;
 
- de hoogte van bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan 15 m;
 
- de goothoogte van bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan 7,5 m;
 
- een kleinere afstand tot de perceelsgrens is toegestaan mits die niet minder gaat bedragen dan 3 m, tenzij het betreft uitbreiding van bestaande bebouwing die al dichter dan 3 m bij de perceelsgrens gelegen is, welke kleinere afstand dan maatgevend is;
 
- landschappelijke waarden volgens direct omringende gebiedsbestemmingen, met name in cultuurhistorisch en/of visueel-ruimtelijk opzicht, en cultuurhistorische waarden van omringende detailbestemmingen mogen niet onevenredig worden aangetast;
 
- een goede landschappelijke inpassing, op basis van aanwezige erfbeplanting en/of een uitvoerbaar erfinrichtingsplan, dient verzekerd te zijn;
 
- de stedenbouwkundige structuur van de omringende of direct aangrenzende bebouwing mag niet onevenredig worden aangetast;
 
- er dient vooraf advies te worden ingewonnen van de AAB over de noodzaak voor afwijkende maatvoeringen voor een doelmatige bedrijfsvoering, perceelsinrichting, uitbreiding en/of aansluiting op aanwezige bebouwing (met een reeds op deze punten afwijkende maatvoering).
 

Artikel 2 Agrarisch met waarden - agrarische functie met natuurwaarden

2.1 Bestemmingsomschrijving

De op de verbeelding voor ‘Agrarisch met waarden – agrarische functie met natuurwaarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
 
1. agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen, voor zover geen permanente teeltondersteunende voorzieningen zijnde;
 
2. behoud, herstel en/of ontwikkeling van natuurwaarden in het algemeen en in het bijzonder van de volgende natuurwaarden als biotoop voor de betreffende soort(groepen):
- ‘S: struweelvogels’;
- ‘D: dassen’;
 
3. instandhouding van bestaande paden en wegen;
 
4. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
 
5. dagrecreatief medegebruik.
 

2.2 Bouwregels

Op of in de gronden binnen deze bestemming mag niet worden gebouwd, behoudens ontheffingen zoals aangegeven in artikel 4.3;

2.3 Nadere eisen

1 Vereiste van een aanlegvergunning
 
a. Het is verboden zonder of in afwijking van een aanlegvergunning van burgemeester en wethouders, als bedoeld in artikel 3.16 e.v. Wet ruimtelijke ordening, de werken en werkzaamheden, volgens het overzicht en de uitzonderingen (4.5 lid 3 en 4) van dit artikel, welke zijn aangeduid met ‘A’ (aanlegvergunning vereist) en ‘Ae’ (aanlegvergunning elementgebonden vereist), volgens het toepassingsschema (lid 5) van dit artikel uit te voeren, te doen of laten uitvoeren.
 
b. Indien een werk of werkzaamheid betrekking heeft op een gebied waarop meerdere aanduidingen van toepassing zijn, geldt de zwaarste regel wat betreft het vereiste van een aanlegvergunning, waarbij ‘A’ als zwaarder wordt aangemerkt dan ‘Ae’.
 
2 Verlening van een aanlegvergunning
 
a. Een aanlegvergunning, als bedoeld in 4.5 lid 1, kan uitsluitend worden verleend indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen, de in de omschrijving van de bestemming erkende natuurwaarden, gebruikswaarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast dan wel de mogelijkheden tot herstel van genoemde waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.
 
b. Zo nodig kunnen voorwaarden aan de aanlegvergunning verbonden worden ter voorkoming of vermindering van de nadelige effecten van de voorgenomen werken of werkzaamheden (mitigatie) of ter compensatie van waarden die door de voorgenomen werken en werkzaamheden verloren zullen gaan.
 
c. Voor wat betreft de verdere afwegingsaspecten en beoordelingscriteria in dit verband wordt verwezen naar lid 6.
 
d. Alvorens te beslissen omtrent een aanvraag om vergunning, als bedoeld in 4.5 lid 1, kan het advies ingewonnen van:
- het Waterschap Aa en Maas en/of het provinciale Bureau Grondwater inzake waterhuishoudkundige aspecten met betrekking tot oppervlaktewater en/of grondwater;
- een onafhankelijke adviseur dan wel een gemeentelijke adviescommissie die deskundig is op het (betreffende) vlak van: landbouw, bosbouw, landschap, ecologie en/of ruimtelijke ordening.
 
3 Overzicht van werken en werkzaamheden
Bodem/water
 
1 Het verlagen, vergraven, ophogen, egaliseren, diepwoelen, diepploegen of het anderszins verzetten van grond voor zover dat, uitgezonderd bij steilranden, meer bedraagt dan 100 m3 of 0,6 m ten opzichte van het maaiveld.
 
2 Het aanleggen van ondergrondse leidingen of het uitvoeren van andere ingrepen in de bodem voor zover die werken dieper dan 0,60 m onder maaiveld plaatsvinden.
 
3 Het dempen, graven, verdiepen, vergroten of herprofileren van waterlopen, sloten en greppels of het (anderszins) verlagen van de grondwaterstand, uitgezonderd legale grondwateronttrekkingen.
 
4 Het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen in de bodem.
 
Beplanting/grondgebruik
 
5 Het vellen of rooien van bos.
 
6 Het verwijderen van landschapselementen (waaronder hagen).
 
7 Het aanleggen van landschapselementen.
 
8a. Het beplanten van gronden met niet hoger dan 1,5 m opgaand houtgewas in verband met boom- of vaste plantenteelt of andere tuinbouw of als (agrarische) houtteelt.
 
8b. Het beplanten van gronden met hoger dan 1,5 m opgaand houtgewas in verband met boom- of vaste plantenteelt of andere tuinbouw of als (agrarische) houtteelt.
 
Infrastructuur/voorzieningen
 
9 Het verwijderen van onverharde wegen of paden.
 
10 Het aanleggen en/of verharden van wegen of paden, dan wel het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen groter dan 100 m².
 
11 Het aanbrengen van tijdelijke of overige teeltondersteunende voorzieningen, voor zover geen bouwwerken zijnde en voor zover niet hoger dan 1,5 m.
 
4 Uitzonderingen (ten opzichte van 4.5 lid 1)
 
Van het vereiste van een aanlegvergunning, als bedoeld in 4.5 lid 1, zijn uitgezonderd werken en werkzaamheden zoals genoemd in 4.5 lid 3 onder die:
 
- van zodanig geringe omvang en ondergeschikte betekenis zijn dat daardoor geen aantasting plaatsvindt van de te beschermen natuurwaarden, overeenkomstig (de bestemmingsomschrijving van) de bestemming;
 
- behoren tot ter plaatse normaal onderhoud, beheer, gebruik of exploitatie overeenkomstig (de bestemmingsomschrijving van) de betreffende bestemming;
 
- overeenkomstig een beheersplan op grond van artikel 14 van de Natuurbeschermingswet
plaatsvinden;
 
- zijn omschreven in 4.5 lid 3 onder 1 en 2, voor zover daarvoor op grond van de Ontgrondingenwet daarvoor een vergunning is vereist;
 
- zijn omschreven in 4.5 lid 3 onder 3 voor zover daarvoor op grond van de Keur van het waterschap waaronder het plangebied valt een ontheffing of vergunning vereist is, waarbij de betreffende natuur- of landschapswaarden conform de aanduiding op de plankaart integraal worden meegewogen;
 
- zijn omschreven in 5.4 lid 3 onder 2, 8a, 8b en 11 voor zover het betreft vervanging of voortzetting van dergelijke ter plaatse al bestaande leidingen, drainage, teelten of tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;
 
- zijn omschreven in 4.5 lid 3 onder 6 en 7, voor zover betrekking hebbend op erfbeplantingen of nieuw vrij groen;
 
5 Aanvullende toetsingscriteria aanlegvergunning
De wijze waarop een aanlegvergunning wordt getoetst kan in hoofdlijnen als volgt omschreven.
 
1 Bestemming(algemeen)
 
De bescherming van de algemene gebiedskarakteristiek en potenties voor de ontwikkeling van natuurwaarden (basisbescherming), door:
 
- het behoud van het bodemprofiel en het aanwezige reliëf;
 
- de bescherming van het hydrologisch systeem (kwantitatief en kwalitatief).
 
Belangrijk zijn een hoge waterstand, een stabiel waterpeil, een goede waterkwaliteit en het voorkomen van (verdere) verdroging;
 
- het behoud van een ongestoorde strooisellaag;
 
- het behoud van structuurrijke houtopstanden en droge en natte vegetaties en een gevarieerde inrichting;
 
- het behoud van bestaande waterrijke plaatsen en gevarieerde oevers zoals poelen, vijvers, watergangen (ook ruige slootkanten) e.d.;
 
- het tegengaan van verstoring door een te hoge recreatieve druk en het tegengaan van nieuwe aanleg van wegen en het verharden of verwijderen van bestaande zandwegen.
 
2 natuurwaarden (algemeen)
 
De toetsing heeft betrekking op de mate waarin een werk/werkzaamheid inbreuk maakt op de bescherming van de bestaande natuur waarden in relatie tot de functie/het gebruik van de grond. Allereerst zijn daarbij een aantal algemene aspecten belangrijk, te weten:
 
- de locatie van de geplande activiteit;
 
- de omvang van de activiteit;
 
- de aard van de activiteit;
 
- het tijdvak waarin de activiteit wordt ondernomen;
 
- de mogelijkheden tot herstel, mitigatie dan wel compensatie;
 
- het maatschappelijk belang in relatie tot het economisch belang.
 
Aanvullend op deze algemene aspecten wordt hieronder per bestemming en voorkomende natuur- en landschappelijke waarden (aanduiding) beschreven waarop de genoemde bescherming betrekking heeft. Belangrijk is dat wanneer verschillende natuur waarden in combinatie met elkaar voorkomen, bij de toetsing rekening dient te worden gehouden met alle voorkomende aspecten zoals hieronder beschreven.
 
3 ‘S struweelvogels’
 
De bescherming van de aanwezige populatie struweelvogels door:
 
- het behoud van kruidenrijke grasvegetaties (anders dan agrarisch cultuurgrasland) en structuurrijkdom van beplantingen;
 
- het behoud van ruige wegbermen, overhoeken, slootkanten en greppels, landschappelijke beplantingen en natuurelementen;
 
- het tegengaan van ingrepen die verstoring door een te hoge recreatieve druk tot gevolg hebben, zoals het aanleggen van wegen of het verharden of verwijderen van bestaande zandwegen;
 
- het tegengaan van hoge druk door intensieve, hoogdynamische landbouw in de vorm van grote aaneengesloten arealen boom- en/of vaste plantenteelt.
 
4 ‘D dassen’
 
De bescherming van de aanwezige populatie dassen door:
 
- het behoud van bestaande dassenburchten, voldoende areaal foerageergebied en aanwezige landschappelijke beplantingen en natuurelementen;
 
- het tegengaan van ingrepen die verstoring door een te hoge recreatieve druk tot gevolg hebben, zoals het aanleggen van wegen of het verharden of verwijderen van bestaande zandwegen.
   

2.4 Specifieke gebruiksregels

Voor de gebruiksregels wordt verwezen naar het bepaalde in artikel 10. In aanvulling op het bepaalde in artikel 10 wordt onder strijdig gebruik tevens verstaan het beplanten van gronden met opgaand houtgewas, in verband met boom- of vaste plantenteelt, andere tuinbouw of (agrarische) houtteelt, tenzij het reeds bestaand gebruik als zodanig betreft.

2.5 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd op grond van en met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 sub c van de Wet ruimtelijke ordening ontheffing te verlenen, met inachtneming van de algemene ontheffingsvoorwaarden zoals genoemd in artikel 12.
2.5.1 Bebouwing ten behoeve van algemeen nut
Bij het verlenen van ontheffing voor het bouwen van kleine, niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een functie ten behoeve algemeen nut - zoals ten dienste van verkeer, waterhuishouding, energievoorziening, telecommunicatie, dagrecreatief medegebruik, de wering van milieuhinder en/of gevaar, de bescherming van diersoorten en/of wild, herdenkings- of religieuze doeleinden - gelden de volgende voorwaarden:
 
a. De bebouwde oppervlakte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 20 m².
 
b. De goothoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 3 m.
 
c. De hoogte van gebouwen mag niet bedragen dan 5 m.
 
d. De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 15 m.
 
e. Gebruiksfuncties en natuurwaarden mogen niet onevenredig worden belemmerd of aangetast.
 
2.5.2 Kleine bouwwerken of gebouwen
Bij het verlenen van ontheffing voor het bouwen van kleine bouwwerken of gebouwen, zoals schuilgelegenheden voor vee, veld- en/of opslagschuren, wildrasters, terreinafscheidingen,
informatie-, picknick- en/of schuilvoorzieningen voor dagrecreatieve passanten en andere daarmee vergelijkbare kleine bouwwerken, gelden de volgende voorwaarden:
 
a. De noodzaak ter plaatse in verband voor een doelmatige inrichting en beheer als natuurgebied of in verband met recreatief medegebruik dient te worden aangetoond.
 
b. De oppervlakte van de veldkavel c.q. het bouwperceel dient ten minste 2,5 ha te bedragen.
 
c. Aanwezige natuur waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
 

2.6 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd op grond van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1
sub a van de Wet ruimtelijke ordening en met inachtneming van de algemene wijzigingsvoorwaarden zoals genoemd in artikel 12 de bestemming ‘Agrarisch met waarden - agrarische functie met natuurwaarden (AW –NW)’ te wijzigen in de bestemming ‘Agrarisch’ ten behoeve van:
 
2.6.1 De vormverandering van het agrarisch bouwvlak
De volgende voorwaarden zijn van toepassing:
 
1. De vormverandering is noodzakelijk uit het oogpunt van een doelmatige agrarische
bedrijfsvoering.
 
2. Bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en/of aardkundige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
 
3. Een goede landschappelijke inpassing van het bouwblok, op basis van een uitvoerbaar erfinrichtingsplan, is of blijft verzekerd.
 
4. Er kan vooraf advies worden ingewonnen van de AAB over tenminste de voorwaarden zoals genoemd onder 1.
 
2.6.2 Het vergroten van het agrarisch bouwvlak voor niet-zelfstandig, aan het agrarisch bedrijf ter plaatse gekoppelde, mestbewerking, mestverwerking of biomassa(co)vergisting met gebruikmaking van product (mest, mestfractie of biomassa) van het eigen agrarische bedrijf aangevuld met product van derden en waarbij in het geval van biomassa(co)vergisting de verwerkingscapaciteit minimaal 36000 ton biomassa op jaarbasis bedraagt:
De volgende voorwaarden zijn van toepassing:
 
1. De uitbreiding dient noodzakelijk te zijn voor de continuïteit van een reëel agrarisch bedrijf of een doelmatige agrarische bedrijfsontwikkeling van een volwaardig agrarisch bedrijf;
 
2. De uitbreiding dient plaats te vinden aansluitend aan een geldend agrarische bouwvlak en de omvang van het totale bouwvlak mag niet meer worden dan 5 ha.;
 
3. Er dient daarnaast sprake te zijn van een afdoende landschappelijke inpassing gelet op de betreffende waarden van de omgeving, wat op basis van een zorgvuldige plaatsing van de bedrijfsbebouwing en erf(her)inrichtingsplan afdoende verzekerd dient te zijn;
 
4. Tevens dient de uitbreiding uit een oogpunt van waterberging en -infiltratie
(= hydrologische neutraliteit), van milieuhygiënische kwaliteit en van externe veiligheid aanvaardbaar te zijn;
4. Er dient vooraf advies te worden ingewonnen van de AAB over de noodzaak voor vergroting voor de continuïteit van een reëel agrarisch bedrijf of een doelmatige agrarische bedrijfsontwikkeling van een volwaardig agrarisch bedrijf;
 
5. De mestverwerking dient ontsloten te worden aan de openbare weg.
 
2.6.3 Het vergroten van het agrarisch bouwvlak voor uitbreiding van een agrarisch bedrijf
De volgende voorwaarden zijn van toepassing:
 
1. De uitbreiding dient noodzakelijk te zijn voor de continuïteit van een reëel agrarisch bedrijf of een doelmatige agrarische bedrijfsontwikkeling van een volwaardig agrarisch bedrijf;
 
2. De uitbreiding dient plaats te vinden aansluitend aan een geldend agrarische bouwvlak en de omvang van het totale bouwblok mag niet meer worden dan 5 ha.;
 
3. Er dient daarnaast sprake te zijn van een afdoende landschappelijke inpassing gelet op de betreffende waarden van de omgeving, wat op basis van een zorgvuldige plaatsing van de bedrijfsbebouwing en erf(her)inrichtingsplan afdoende verzekerd dient te zijn;
 
4. Tevens dient de uitbreiding uit een oogpunt van waterberging en -infiltratie
(= hydrologische neutraliteit), van milieuhygiënische kwaliteit en van externe veiligheid aanvaardbaar te zijn;
 
5. Er dient vooraf advies te worden ingewonnen van de AAB over de noodzaak voor vergroting voor de continuïteit van een reëel agrarisch bedrijf of een doelmatige agrarische bedrijfsontwikkeling van een volwaardig agrarisch bedrijf;
 

Artikel 3 Natuur

3.1 Bestemmingsomschrijving

De op de verbeelding voor ‘Natuur (N)’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
 
1. behoud, herstel en/of ontwikkeling van natuurgebied;
 
2. behoud, herstel en/of ontwikkeling van natuurwaarden in het algemeen en in het bijzonder van de volgende natuurwaarden en op de verbeelding aangeduide, als biotoop voor de betreffende soort(groepen):
- struweelvogels;
- dassen;
 
3. instandhouding van bestaande paden, wegen en dijken;
 
4. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
 
5. dagrecreatief medegebruik;
 

3.2 Bouwregels

Op of in de gronden binnen deze bestemming mag niet worden gebouwd, behoudens ontheffingen zoals aangegeven in artikel 5.3;

3.3 Nadere eisen

1 Vereiste van een aanlegvergunning
 
a. Het is verboden zonder of in afwijking van een aanlegvergunning van burgemeester en wethouders, als bedoeld in artikel 3.16 e.v. Wet ruimtelijke ordening, de werken en werkzaamheden, volgens het overzicht en de uitzonderingen (5.5 lid 3 en 4) van dit artikel, welke zijn aangeduid met ‘A’ (aanlegvergunning vereist) en ‘Ae’ (aanlegvergunning elementgebonden vereist), volgens het toepassingsschema (lid 5) van dit artikel uit te voeren, te doen of laten uitvoeren.
 
b. Indien een werk of werkzaamheid betrekking heeft op een gebied waarop meerdere aanduidingen van toepassing zijn, geldt de zwaarste regel wat betreft het vereiste van een aanlegvergunning, waarbij ‘A’ als zwaarder wordt aangemerkt dan ‘Ae’.
 
2 Verlening van een aanlegvergunning
 
a. Een aanlegvergunning, als bedoeld in 5.5 lid 1, kan uitsluitend worden verleend indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen, de in de omschrijving van de bestemming erkende natuurwaarden, gebruikswaarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast dan wel de mogelijkheden tot herstel van genoemde waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.
 
b. Zo nodig kunnen voorwaarden aan de aanlegvergunning verbonden worden ter voorkoming of vermindering van de nadelige effecten van de voorgenomen werken of werkzaamheden (mitigatie) of ter compensatie van waarden die door de voorgenomen werken en werkzaamheden verloren zullen gaan.
 
c. Voor wat betreft de verdere afwegingsaspecten en beoordelingscriteria in dit verband wordt verwezen naar lid 6.
 
d. Alvorens te beslissen omtrent een aanvraag om vergunning, als bedoeld in 5.5 lid 1, kan het advies ingewonnen van:
 
- het Waterschap Aa en Maas en/of het provinciale Bureau Grondwater inzake waterhuishoudkundige aspecten met betrekking tot oppervlaktewater en/of grondwater;
 
- een onafhankelijke adviseur dan wel een gemeentelijke adviescommissie die deskundig is op het (betreffende) vlak van: landbouw, bosbouw, landschap, ecologie en/of ruimtelijke ordening.
 
3 Overzicht van werken en werkzaamheden
 
Bodem/water
 
1 Het verlagen, vergraven, ophogen, egaliseren, diepwoelen, diepploegen of het anderszins verzetten van grond voor zover dat, uitgezonderd bij steilranden, meer bedraagt dan 100 m3 of 0,6 m ten opzichte van het maaiveld.
 
2 Het aanleggen van ondergrondse leidingen of of het uitvoeren van andere ingrepen in de bodem voor zover die werken dieper dan 0,60 m onder maaiveld plaatsvinden.
 
3 Het dempen, graven, verdiepen, vergroten of herprofileren van waterlopen, sloten en greppels of het (anderszins) verlagen van de grondwaterstand, uitgezonderd legale grondwateronttrekkingen.
 
4 Het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen in de bodem.
 
Beplanting/grondgebruik
 
5 Het vellen of rooien van bos.
 
6 Het verwijderen van landschapselementen (waaronder hagen).
 
7 Het aanleggen van landschapselementen.
 
8a. Het beplanten van gronden met niet hoger dan 1,5 m opgaand houtgewas in verband met boom- of vaste plantenteelt of andere tuinbouw of als (agrarische) houtteelt.
 
8b. Het beplanten van gronden met hoger dan 1,5 m opgaand houtgewas in verband met boom- of vaste plantenteelt of andere tuinbouw of als (agrarische) houtteelt.
 
Infrastructuur/voorzieningen
 
9 Het verwijderen van onverharde wegen of paden.
 
10 Het aanleggen en/of verharden van wegen of paden, dan wel het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen groter dan 100 m².
 
11 Het aanbrengen van tijdelijke of overige teeltondersteunende voorzieningen, voor zover geen bouwwerken zijnde en voor zover niet hoger dan 1,5 m.
 
4 Uitzonderingen (ten opzichte van 5.5 lid 1)
 
Van het vereiste van een aanlegvergunning, als bedoeld in 5.5 lid 1, zijn uitgezonderd werken en werkzaamheden zoals genoemd in 5.5 lid 3 onder die:
 
- van zodanig geringe omvang en ondergeschikte betekenis zijn dat daardoor geen aantasting plaatsvindt van de te beschermen natuurwaarden, overeenkomstig (de bestemmingsomschrijving van) de bestemming;
 
- behoren tot ter plaatse normaal onderhoud, beheer, gebruik of exploitatie overeenkomstig (de bestemmingsomschrijving van) de betreffende bestemming;
 
- overeenkomstig een beheersplan op grond van artikel 14 van de Natuurbeschermingswet
plaatsvinden;
 
- zijn omschreven in 5.5 lid 3 onder 1 en 2, voor zover daarvoor op grond van de Ontgrondingenwet daarvoor een vergunning is vereist;
 
- zijn omschreven in 5.5 lid 3 onder 3 voor zover daarvoor op grond van de Keur van het waterschap waaronder het plangebied valt een ontheffing of vergunning vereist is, waarbij de betreffende natuur- of landschapswaarden conform de aanduiding op de plankaart integraal worden meegewogen;
 
- zijn omschreven in 5.5 lid 3 onder 2, 8a, 8b en 11 voor zover het betreft vervanging of voortzetting van dergelijke ter plaatse al bestaande leidingen, drainage, teelten of tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;
 
- zijn omschreven in 5.5 lid 3 onder 6 en 7, voor zover betrekking hebbend op erfbeplantingen of nieuw vrij groen;
 
6 Aanvullende toetsingscriteria aanlegvergunning
 
De wijze waarop een aanlegvergunning wordt getoetst kan in hoofdlijnen als volgt omschreven.
 
1 Bestemming (algemeen)
 
De bescherming van de algemene gebiedskarakteristiek en potenties voor de ontwikkeling van natuurwaarden (basisbescherming), door:
 
- het behoud van het bodemprofiel en het aanwezige reliëf;
 
- de bescherming van het hydrologisch systeem (kwantitatief en kwalitatief).
Belangrijk zijn een hoge waterstand, een stabiel waterpeil, een goede waterkwaliteit en het voorkomen van (verdere) verdroging;
 
- het behoud van een ongestoorde strooisellaag;
 
- het behoud van structuurrijke houtopstanden en droge en natte vegetaties en een gevarieerde inrichting;
 
- het behoud van bestaande waterrijke plaatsen en gevarieerde oevers zoals poelen, vijvers, watergangen (ook ruige slootkanten) e.d.;
 
- het tegengaan van verstoring door een te hoge recreatieve druk en het tegengaan van nieuwe aanleg van wegen en het verharden of verwijderen van bestaande zandwegen.
  
2 natuurwaarden (algemeen)
 
De toetsing heeft betrekking op de mate waarin een werk/werkzaamheid inbreuk maakt op de bescherming van de bestaande natuur waarden in relatie tot de functie/het gebruik van de grond. Allereerst zijn daarbij een aantal algemene aspecten belangrijk, te weten:
 
- de locatie van de geplande activiteit;
 
- de omvang van de activiteit;
 
- de aard van de activiteit;
 
- het tijdvak waarin de activiteit wordt ondernomen;
 
- de mogelijkheden tot herstel, mitigatie dan wel compensatie;
 
- het maatschappelijk belang in relatie tot het economisch belang.
 
Aanvullend op deze algemene aspecten wordt hieronder per bestemming en voorkomende natuur- en landschappelijke waarden (aanduiding) beschreven waarop de genoemde bescherming betrekking heeft. Belangrijk is dat wanneer verschillende natuur waarden in combinatie met elkaar voorkomen, bij de toetsing rekening dient te worden gehouden met alle voorkomende aspecten zoals hieronder beschreven.
 
3 ‘S struweelvogels’
 
De bescherming van de aanwezige populatie struweelvogels door:
 
- het behoud van kruidenrijke grasvegetaties (anders dan agrarisch cultuurgrasland) en structuurrijkdom van beplantingen;
 
- het behoud van ruige wegbermen, overhoeken, slootkanten en greppels, landschappelijke beplantingen en natuurelementen;
 
- het tegengaan van ingrepen die verstoring door een te hoge recreatieve druk tot gevolg hebben, zoals het aanleggen van wegen of het verharden of verwijderen van bestaande zandwegen;
 
- het tegengaan van hoge druk door intensieve, hoogdynamische landbouw in de vorm van grote aaneengesloten arealen boom- en/of vaste plantenteelt.
 
4 ‘D dassen’
 
De bescherming van de aanwezige populatie dassen door:
 
- het behoud van bestaande dassenburchten, voldoende areaal foerageergebied en aanwezige landschappelijke beplantingen en natuurelementen;
 
- het tegengaan van ingrepen die verstoring door een te hoge recreatieve druk tot gevolg hebben, zoals het aanleggen van wegen of het verharden of verwijderen van bestaande zandwegen.
  

3.4 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd op grond van en met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 sub c van de Wet ruimtelijke ordening ontheffing te verlenen, met inachtneming van de algemene ontheffingsvoorwaarden zoals genoemd in artikel 12.
3.4.1 Bebouwing ten behoeve van algemeen nut
Bij het verlenen van ontheffing voor het bouwen van kleine, niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een functie ten behoeve algemeen nut - zoals ten dienste van verkeer, waterhuishouding, energievoorziening, telecommunicatie, dagrecreatief medegebruik, de wering van milieuhinder en/of gevaar, de bescherming van diersoorten en/of wild, herdenkings- of religieuze doeleinden - gelden de volgende voorwaarden:
 
1. De bebouwde oppervlakte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 20 m².
 
2. De goothoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 3 m.
 
3. De hoogte van gebouwen mag niet bedragen dan 5 m.
 
4. De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 15 m.
 
5. Gebruiksfuncties en natuurwaarden mogen niet onevenredig worden belemmerd of aangetast.
 
3.4.2 Kleine bouwwerken of gebouwen
Bij het verlenen van ontheffing voor het bouwen van kleine bouwwerken of gebouwen, zoals schuilgelegenheden voor vee, veld- en/of opslagschuren, wildrasters, terreinafscheidingen, informatie-, picknick- en/of schuilvoorzieningen voor dagrecreatieve passanten en andere daarmee vergelijkbare kleine bouwwerken, gelden de volgende voorwaarden:
 
1. De noodzaak ter plaatse in verband voor een doelmatige inrichting en beheer als natuurgebied of in verband met recreatief medegebruik dient te worden aangetoond.
 
2. De oppervlakte van de veldkavel c.q. het bouwperceel dient ten minste 2,5 ha te bedragen.
 
3. Aanwezige natuurwaarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
 

3.5 Specifieke gebruiksregels

Voor de gebruiksregels wordt verwezen naar het bepaalde in artikel 10.

Artikel 4 Waarde - Archeologie

4.1 Bestemmingsomschrijving

De op de verbeelding voor ‘Waarde-Archeologie (WR-A)’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.

4.2 Bouwregels

Voor het bouwen binnen deze bestemming(en) gelden de navolgende regels:
 
1. Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemming(en) dient de aanvrager van een reguliere bouwvergunning een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld, in de navolgende gevallen: voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 5.000 m2 en dieper dan 50 centimeter
 
2. Indien uit het in sub 1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de bouwvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de bouwvergunning:
 
a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
 
b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
 
c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
 
3. Indien uit het in sub 1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de bouwvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in sub 2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de vergunning geweigerd.
 

4.3 Nadere eisen

1. Het is verboden op of in de tot ‘Waarde-Archeologie (WR-A)’ bestemde grond zonder of in afwijking van een aanlegvergunning van Burgemeester en Wethouders, als bedoeld in artikel 3.16 e.v. Wet ruimtelijke ordening, en ongeacht het bepaalde in de planregels bij andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemming(en), de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren, te doen of te laten:
 
a. het ophogen van de bodem, indien de oppervlakte meer bedraagt dan 5.000 m2,
 
b. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, indien de oppervlakte meer bedraagt dan 5.000 m2,
 
c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het graven, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren, zulks indien de oppervlakte meer bedraagt dan 5.000 m2,
 
d. het verlagen of het verhogen van het waterpeil;
 
e. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies waarbij de breedte van deze werken ten minste 1,25 meter bedraagt, indien de oppervlakte meer bedraagt dan 5.000 m2,
 
f. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bos zijn bestemd als dat de bodem verstoort op een grotere diepte dan 50 centimeter, indien de oppervlakte meer bedraagt dan 5.000 m2,
 
g. het rooien van bos of boomgaard waarbij de stobben worden verwijderd als dat de bodem verstoort op een grotere diepte dan 50 centimeter, indien de oppervlakte meer bedraagt dan 5.000,
 
h. het aanleggen van bos of boomgaard als dat de bodem verstoort op een grotere diepte dan 50 centimeter, indien de oppervlakte meer bedraagt dan 5.000 m2
 
i. het scheuren van grasland als dat de bodem verstoort op een grotere diepte dan 50 centimeter, indien de oppervlakte meer bedraagt dan 5.000 m2
 
j. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 50 centimeter, waartoe ook wordt gerekend mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen,indien de oppervlakte meer bedraagt dan 5.000 m2;
  
2. Het in sub 1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
 
a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen;
 
b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
  
3. De aanlegvergunning wordt verleend:
 
a. indien is gebleken dat de in sub 1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal.
 
b. Voor zover de in sub 1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de vergunning worden verleend, indien aan de vergunning de volgende regels worden verbonden:
 
- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem worden behouden;
of
 
- de verplichting tot het doen van opgravingen; of
 
- de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
 
c. De vergunning wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.
 

4.4 Afwijken van de bouwregels

1. In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen burgemeester en wethouders regels verbinden aan een sloopvergunning op of in gronden bestemd tot ‘Waarde-Archeologie (WR-A)’.
 
2. Aan de sloopvergunning voor de gronden, als bedoeld in lid 1, kunnen burgemeester en wethouders de regel verbinden dat sloopwerken worden begeleid door een gekwalificeerd deskundige in het geval de sloopwerken een grotere oppervlakte hebben dan 5.000 m2 en dieper dan 50 centimeter vanaf 30 centimeter boven het maaiveld en minder.
 
3. Indien tijdens de begeleiding van de sloopwerken vondsten van zeer hoge waarde worden aangetroffen, wordt hiervan terstond melding gemaakt bij burgemeester en wethouders die in het belang van de archeologische monumentenzorg aanvullende voorschriften kunnen verbinden aan de sloopvergunning.
 

4.5 Specifieke gebruiksregels

Zie artikel 10.

4.6 Wijzigingsbevoegdheid

1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, met toepassing van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, het bestemmingsplan te wijzigen door de bestemming ‘Waarde-Archeologie (WR-A)’ geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
 
2. Op de voorbereiding van een besluit tot wijziging, als bedoeld in sub 1 van dit lid, is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.
 

Artikel 5 Waarde - Cultuurhistorie

5.1 Bestemmingsomschrijving

De gronden die op verbeelding zijn aangewezen als ‘Waarde-Cultuurhistorie’ zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), (dubbel)bestemd voor bestaande beplantingen (langs wegen, langs waterlopen of in de vorm van landschapselementen) voor zover nader aangeduid als ‘historisch groen’.

5.2 Bouwregels

1. In aanvulling op het elders in deze regels bepaalde ten aanzien van het bouwen krachtens de andere (primaire) bestemming van deze gronden, mag de mede tot ‘Waarde-Cultuurhistorie’ bestemde grond uitsluitend worden bebouwd met in acht name van de volgende aanvullende voorwaarden:
 
a. Er mag uitsluitend worden gebouwd indien daardoor de cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden geschaad.
 
b. Alvorens te beslissen over het verlenen van een bouwvergunning, wordt door Burgemeester en Wethouders vooraf advies ingewonnen, van de HC/MC en, in geval van een rijksmonument de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschappen en Monumenten over de vraag of,
en eventueel onder welke voorwaarden de betreffende waarden voldoende worden ontzien.
  
2. Het bepaalde onder 7.2 lid 1a is niet van toepassing op het bouwen van:
 
a. bebouwing uitsluitend ter vervanging van al aanwezige bebouwing;
 
b. terreinafscheidingen en andere bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van de inrichting van tuinen en erven;
 
c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor de normale inrichting van wegen en waterlopen.
 

5.3 Nadere eisen

1. Het is verboden op of in de tot ‘Waarde-Cultuurhistorie’ bestemde grond zonder of in afwijking van een aanlegvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken of werkzaamheden
uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren:
 
- het (geheel of gedeeltelijk) slopen van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde met cultuurhistorische waarden;
 
- het verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem;
 
- het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren of veranderen van open wateren, zoals waterlopen, grachten, vijvers, poelen en dergelijke;
 
- het vellen of rooien van landschapselementen, hagen, bomen of ander, hoger dan 1,5 m, opgaand houtgewas;
 
- het verwijderen van onverharde of verharde wegen, paden of het wijzigen van het wegprofiel of de inrichting daarvan;
 
- het aanleggen, verharden of veranderen van wegen, paden, bermen, parkeerplaatsen, of andere oppervlakteverhardingen, voor zover groter dan 200 m².
  
2. Het onder 1 vervatte verbod geldt niet voor de werken, geen bouwwerken zijnde, of
werkzaamheden:
 
- die van zodanig geringe omvang en ondergeschikte betekenis zijn dat daardoor geen aantasting plaatsvindt van de te beschermen cultuurhistorische waarden, overeenkomstig deze dubbelbestemming;
 
- die behoren tot ter plaatse normaal onderhoud, beheer of gebruik overeenkomstig de tevens geldende overige primaire bestemming;
 
- indien daarvoor op grond van de Monumentenwet of de gemeentelijke monumentenverordening reeds een vergunning vereist is met het oog op de bescherming van de cultuurhistorische waarden.
  
3. Een aanlegvergunning, als bedoeld in onder 1, kan uitsluitend worden verleend indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen, de cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast dan wel de mogelijkheden tot herstel van genoemde waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind. Zo nodig kunnen voorwaarden aan de aanlegvergunning verbonden worden ter voorkoming of vermindering van de nadelige effecten van de voorgenomen werken of werkzaamheden (mitigatie) of ter compensatie van waarden die door de voorgenomen werken en werkzaamheden verloren
zullen gaan.
 
4. Alvorens te beslissen omtrent een vergunning als bedoeld onder 1 wordt het advies ingewonnen van de HC/MC en, in geval van de nadere aanduiding ‘Rijksmonument’ van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschappen en Monumenten.
 

5.4 Specifieke gebruiksregels

Voor de gebruiksregels wordt verwezen naar het bepaalde in artikel 10.

5.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, met toepassing van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, het bestemmingsplan te wijzigen door:
 
a. de dubbelbestemming ‘Waarde-Cultuurhistorie’ geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien
op basis van cultuurhistorisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen cultuurhistorische waarden van belang (meer) aanwezig zijn; of
 
b. Op de voorbereiding van een besluit tot wijziging is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

2 Algemene regels

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel

1. Geen bouwwerk of complex van bouwwerken mag worden opgericht, indien daardoor een ander bouwwerk of complex van bouwwerken met het daarbij behorende bouwperceel, hetzij niet langer zou blijven voldoen aan, hetzij in grotere mate zou gaan afwijken van het plan;
 
2 Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing;
 
3 Een bestaande legale woning binnen het bestemmingsvlak ten behoeve van een bestemming anders dan ‘wonen’ wordt aangemerkt als bedrijfswoning bij het bedrijf of functie conform die betreffende bestemming (anders dan ‘wonen’);
 
4 De op de plankaart aangegeven bebouwingsgrenzen mogen niet worden overschreden door nieuw op te richten bebouwing behoudens:
- kleine/lage bebouwing, met een oppervlakte van niet meer dan 10 m² en een hoogte van niet meer dan 1,5 m;
- andere overschrijdingen die volgens deze regels zijn toegestaan;
 
5 Wat betreft artikel 9, lid 2 (uitsluiting aanvullende werking van de bouwverordening) van de Woningwet, zoals geldend op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerpplan, blijven de regels van de bouwverordening ten aanzien van onderwerpen van stedenbouwkundige aard voor dit plan buiten toepassing, behoudens ten aanzien van de volgende onderwerpen:
- de richtlijnen voor het verlenen van vrijstelling van de stedenbouwkundige bepalingen;
- bereikbaarheid gebouwen voor wegverkeer;
- bereikbaarheid voor gebouwen voor gehandicapten;
- parkeergelegenheid;
- ruimte tussen bouwwerken;
- invloed van de omgeving op een bouwwerk.
 

Artikel 7 Algemene bouwregels

7.1 I Bestaande maatvoering bouwwerken

a In die gevallen dat de goothoogte, bouwhoogte, dakhelling, horizontale dan wel verticale diepte en/of de afstand tot enige op de plankaart of in de regels aangegeven lijn van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet tot stand zijn gekomen, op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, horizontale dan wel verticale diepte en/of afstand in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan;
 
b Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in de bouwregels binnen de verschillende bestemmingen, indien het een voortzetting betreft van een onder a genoemde bestaande afwijking.
 

7.2 II Ondergronds bouwen

a Op plaatsen waar bovengronds gebouwd mag worden op basis van de bouwregels van de bestemmingen in dit bestemmingsplan mag ondergronds gebouwd worden;
 
b De verticale diepte mag bij ondergronds bouwen maximaal 3,5 m bedragen.
  

Artikel 8 Algemene gebruiksregels

I Het is verboden de in het plan begrepen gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan gegeven bestemming.
 
II Onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening van de gronden moet in ieder geval worden gerekend het gebruik:
 
a. het gebruik van bedrijfsgebouwen en (vrijstaande) bijgebouwen voor bewoning, als zelfstandige woning of bedrijfswoning, als afhankelijke woonruimte of voor tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers (behoudens ontheffing);
 
b. het gebruik van bebouwing en gronden voor detailhandels-, horeca-, ambachtelijke, industriële en/of escortbedrijven en/of seksinrichtingen, met uitzondering van aan huis gebonden beroepen in/bij een woning of bedrijfswoning, mits:
 
1 de hoofdfunctie als zodanig aanwezig blijft en de woning of bedrijfswoning blijft voldoen aan het bepaalde in de gemeentelijke bouwverordening en het Bouwbesluit;
 
2 de omvang van de activiteit niet meer bedraagt dan 50% van het bebouwd oppervlak van de woning of bedrijfswoning met bijbehorende bijgebouwen op het bouwperceel en dat tot een maximum van 60 m²;
 
3 er geen zelfstandige vorm van detailhandel ontstaat, uitgezonderd een beperkte verkoop in verband met het uitgeoefende beroep;
 
4 eventueel extra benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd;
 
5 het beroep wordt uitgeoefend door de bewoner(s) van het pand.
 
III Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van:
 
a het bepaalde in lid II, onder a, en toestaan dat een (vrijstaand) bijgebouw bij een (bedrijfs)woning gebruikt wordt als afhankelijke woonruimte, mits:
 
1 aangetoond wordt dat inwoning in het hoofdgebouw of aangebouwd bijgebouw ter plaatse redelijkerwijs niet tot de mogelijkheden behoort;
 
2 bewoning van een (vrijstaand) bijgebouw noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg;
 
3 er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven en rekening wordt gehouden met de milieuhygiënische aspecten (geur, geluid, veiligheid);
 
4 de afhankelijke woonruimte binnen de maatvoeringen voor bijgebouwen bij de betreffende bestemming wordt ingepast, met een maximale oppervlakte van 80 m2;
 
5 de afhankelijke woonruimte wordt gerealiseerd in een bestaand bijgebouw dat op maximaal 20 meter afstand is gelegen van de achtergevel van het hoofdgebouw; afwijking is slechts mogelijk indien er op het erf en achter de voorgevel van het hoofdgebouw sprake is van reeds aanwezige bijgebouwen die zonder ingrijpende verbouwingen geschikt kunnen worden gemaakt voor het bieden van mantelzorg; in het geval sprake is van nieuwbouw mag de afstand tot de achtergevel van het hoofdgebouw niet meer bedragen dan 10 meter;
 
6 burgemeester en wethouders trekken de ontheffing in, indien de bij het verlenen van de ontheffing bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is.
 
b het bepaalde in lid II onder b voor het uitoefenen van een aan huis gebonden bedrijf als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, mits:
 
1 de hoofdfunctie als zodanig aanwezig blijft en de woning of bedrijfswoning blijft voldoen aan het bepaalde in de gemeentelijke bouwverordening en het Bouwbesluit;
 
2 de omvang van het bedrijfsvloeroppervlak niet meer bedraagt dan 60 m²;
 
3 de bedrijvigheid valt onder de categorieën 1 of 2, zoals aangegeven in de tot de regels bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2008’ behorende Bedrijvenstaat of naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen is met de categorieën 1 of 2;
 
4 er geen zelfstandige vorm van detailhandel ontstaat, uitgezonderd een beperkte verkoop in verband met het uitgeoefende bedrijf;
 
5 eventueel extra benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd;
 
6 het bedrijf wordt uitgeoefend door de bewoner(s) van de woning.
 

Artikel 9 Algemene afwijkingsregels

Burgemeester en wethouders kunnen, voor zover niet reeds op grond van een andere bepaling ontheffing kan worden verleend, ontheffing verlenen van het plan:
 
a. het afwijken van de voorgeschreven maten ten aanzien van dakhellingen, goten, bouwhoogte, nokhoogte en bouw percelen met ten hoogste 10%;
 
b. de bouw van niet voor bewoning bestemde bouwwerken van openbaar nut, zoals
wachthuisjes, telefooncellen en naar de aard en omvang daarmee gelijk te stellen bouwwerken, met uitzondering van verkooppunten voor motorbrandstoffen, met dien verstande dat:
i. de goothoogte van een gebouw niet meer dan 3 meter mag bedragen;
ii. de inhoud van een gebouw niet meer dan 75 m3 mag bedragen;
iii. de hoogte van een ander bouwwerk niet meer dan 3 meter mag bedragen;
 
c. geringe afwijkingen, welke in het belang zijn van een ruimtelijk, stedenbouwkundig of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of welke noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, mits de afwijking in situering niet meer dan 3 meter bedraagt;
 
d. het in geringe mate, doch niet meer dan 5 meter afwijken van een bestemmingsgrens, van het profiel van een straat of de vorm van een plein, alsmede van de vorm van bouwpercelen, voor zover zulks noodzakelijk en/of wenselijk is om het plan aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein aan te passen.
 
2. Burgemeester en wethouders kunnen bij verlening van de ontheffing voorwaarden ten aanzien van de situering van bouwwerken stellen, teneinde een ruimtelijke verantwoorde plaatsing daarvan ten opzichte van de omgeving te waarborgen.
 
3. De in het eerste lid genoemde ontheffingen mogen bovendien slechts worden verleend indien:
 
- hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken;
 
- geen afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke, natuurlijke en/of cultuurhistorische waarden binnen het plangebied.
 

Artikel 10 Algemene wijzigingsregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd op grond van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1
sub a van de Wet ruimtelijke ordening en met inachtneming van de algemene wijzigingsvoorwaarden zoals genoemd in artikel 12 de bestemming ‘Agrarisch met waarden - agrarische functie met natuurwaarden (AW –NW)’ te wijzigen in de bestemming ‘Agrarisch’ ten behoeve van:
 

10.1 De vormgeving van het agrarische bouwblok

De volgende voorwaarden zijn van toepassing:
 
1. De vormverandering is noodzakelijk uit het oogpunt van een doelmatige agrarische
bedrijfsvoering.
 
2. Bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en/of aardkundige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
 
3. Een goede landschappelijke inpassing van het bouwblok, op basis van een uitvoerbaar erfinrichtingsplan, is of blijft verzekerd.
 
4. Er kan vooraf advies worden ingewonnen van de AAB over tenminste de voorwaarden zoals genoemd onder 1.
 

10.2 Het vergroten van het agrarisch bouwvlak voor niet-zelfstandig, aan het agrarisch bedrijf ter plaatse gekoppelde, mestbewerking, mestverwerking of biomassa(co)vergisting met gebruikmaking van product (mest, mestfractie of biomassa) van het eigen agrarische bedrijf aangevuld met product van derden en waarbij in het geval van biomassa(co)vergisting de verwerkingscapaciteit minimaal 36.000 ton biomassa op jaarbasis bedraagt

De volgende voorwaarden zijn van toepassing:
 
1. De uitbreiding dient noodzakelijk te zijn voor de continuïteit van een reëel agrarisch bedrijf of een doelmatige agrarische bedrijfsontwikkeling van een volwaardig agrarisch bedrijf;
 
2. De uitbreiding dient plaats te vinden aansluitend aan een geldend agrarische bouwvlak en de omvang van het totale bouwvlak mag niet meer worden dan 5 ha.;
 
3. Er dient daarnaast sprake te zijn van een afdoende landschappelijke inpassing gelet op de betreffende waarden van de omgeving, wat op basis van een zorgvuldige plaatsing van de bedrijfsbebouwing en erf(her)inrichtingsplan afdoende verzekerd dient te zijn;
 
4. Tevens dient de uitbreiding uit een oogpunt van waterberging en -infiltratie
(= hydrologische neutraliteit), van milieuhygiënische kwaliteit en van externe veiligheid aanvaardbaar te zijn;
Er dient vooraf advies te worden ingewonnen van de AAB over de noodzaak voor vergroting voor de continuïteit van een reëel agrarisch bedrijf of een doelmatige agrarische bedrijfsontwikkeling van een volwaardig agrarisch bedrijf;
 
5. De mestverwerking dient ontsloten te worden aan de openbare weg.
 

10.3 Het vergroten van he agrarisch bouvlak voor uitbreiding van een agrarisch bedrijf

De volgende voorwaarden zijn van toepassing:
 
1. De uitbreiding dient noodzakelijk te zijn voor de continuïteit van een reëel agrarisch bedrijf of een doelmatige agrarische bedrijfsontwikkeling van een volwaardig agrarisch bedrijf;
 
2. De uitbreiding dient plaats te vinden aansluitend aan een geldend agrarische bouwvlak en de omvang van het totale bouwblok mag niet meer worden dan 5 ha.;
 
3. Er dient daarnaast sprake te zijn van een afdoende landschappelijke inpassing gelet op de betreffende waarden van de omgeving, wat op basis van een zorgvuldige plaatsing van de bedrijfsbebouwing en erf(her)inrichtingsplan afdoende verzekerd dient te zijn;
 
4. Tevens dient de uitbreiding uit een oogpunt van waterberging en -infiltratie
(= hydrologische neutraliteit), van milieuhygiënische kwaliteit en van externe veiligheid aanvaardbaar te zijn;
 
5. Er dient vooraf advies te worden ingewonnen van de AAB over de noodzaak voor vergroting voor de continuïteit van een reëel agrarisch bedrijf of een doelmatige agrarische bedrijfsontwikkeling van een volwaardig agrarisch bedrijf;
 

Artikel 11 Algemene procedureregels

Bij het verlenen van ontheffingen of wijziging overeenkomstig een in dit plan opgenomen ontheffings- of wijzigingsbepaling nemen burgemeester en wethouders de regels in acht, zoals beschreven in Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 12 Overige regels

In het geval van strijdigheid van belangen tussen een bestemming en een aanduiding blijft het belang van de aanduiding overeind.

12.1 Afstemming, algemeen

   
Dit artikel bevat een beschrijving van het aanvullende kader, in de zin van toetsing, afstemming met andere regelgeving en/of uitvoering, dat voor zover relevant bij het verlenen van bepaalde ontheffingen naast de in die betreffende artikelen opgenomen voorwaarden mede in acht genomen zal worden.
 
Een initiatief waarvoor ontheffing verleend wordt of de bestemming gewijzigd wordt moet redelijkerwijs uitvoerbaar en aanvaardbaar zijn, mede gelet op 'buitenplanse' ruimtelijke randvoorwaarden vanuit andere wet- of regelgeving en bindend beleid op het terrein van bodem, water, natuur, landschap, milieu en veiligheid.

12.2 Afstemming, geluidhinder

Er zal altijd voldaan moeten worden aan de bepalingen van de Wet geluidhinder of een zorgvuldigeruimtelijke ordening betrecht moeten worden, wat betreft een aanvaardbaar
geluidsniveau op de gevels van die objecten. Hierbij gaat het om de geluidsniveaus
in verband met de volgende vorm(en) van lawaai binnen het plangebied.
 
1 Wegverkeerslawaai
 
Binnen geluidzones, ingevolge de Wet geluidhinder, vanwege wegverkeerslawaai zal voldaan moeten worden aan de bepalingen van de Wet geluidhinder ter zake. Dit betekent dat de gevelbelasting van nieuwe geluidsgevoelige bebouwing of objecten volgens dit plan niet meer mag bedragen dan de wettelijke grenswaarde of een door Burgemeester en Wethouders in dit verband vast te stellen/vastgestelde hogere waarde.
 

12.3 Afstemming, geurhinder

Indien er sprake is van nieuwe objecten die ingevolge de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kunnen worden aangemerkt als een geurhinder veroorzakende inrichting of als geurgevoelige bebouwing dient aan de wettelijke bepalingen ingevolge die wet voldaan te worden. Dit betekent dat die geurbelasting op geurgevoelige bebouwing dient te voldoen aan de gestelde wettelijke normen of aan daarvan (binnen wettelijke grenzen) afwijkende normen die op grond van een gemeentelijke verordening ex artikel 6 Wgv gesteld zijn.

12.4 Afstemming, externe veiligheid

Indien nieuwe bebouwing of functieverandering plaats vindt in gevallen waar sprake is van mogelijke onaanvaardbare gevolgen in verband met externe veiligheid dan zal dat nader afgewogen moeten worden op de risico’s dienaangaande. Hierbij gaat het met name om de volgende zaken binnen het plangebied.

12.5 Afstemming, waterberging en infiltratie

Bij omvangrijke vergroting of nieuwbouw van agrarische bedrijfsbebouwing, van meer dan 2.000 m², en in het geval van vergroting van het agrarische bouwblok dient verzekerd te zijn dat hemelwaterafvoer van schoon regenwater op de bestaande systemen van waterlopen, geen substantieel grotere water(piek)afvoer veroorzaakt dan in de bestaande situatie het geval is. Vooraf dient daartoe, in overleg met het Waterschap Aa en Maas, afdoende verzekerd zijn dat er een piekbergingscapaciteit van tenminste 43 mm per m² nieuw te realiseren bebouwing plus (erf)verhardingen wordt gerealiseerd. Dat in de vorm van een afdoende regenwaterpiekberging op bedrijfsniveau of eventueel als collectieve voorziening elders in de nabijheid. Daarnaast dient vooraf, in overleg met de waterbeheerder, afdoende verzekerd te zijn dat het schone regenwater van ten minste 1/3 deel van het nieuwe verharde oppervlak afgekoppeld blijft en niet verbruikt wordt en ter plaatse via (een) infiltratie(voorziening) op de gebruikelijke wijze aan het grondwatersysteem toegevoegd blijft worden.

12.6 Afstemming, luchtkwaliteit

De wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen)
is op 15 november 2007 in werking getreden. Het plan moet voldoen aan de eisen die daarin neergelegd zijn. In de op het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ gebaseerde ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ zijn categorieën van gevallen genoemd die in elk geval als ‘niet
in betekenende mate’ (nibm) worden aangemerkt. Voor deze categorieën staat namelijk vast dat zij ‘niet in betekenende mate’ bijdragen, en hoeft er geen onderzoek verricht te worden. Indien het initiatief niet onder één van deze in het besluit genoemde categorieën
valt, dient er in elk geval nader onderzoek te worden gedaan. Blijkens artikel 3.1 en 3.2 van het eerder genoemde ‘Besluit’ gaat het daarbij, als er sprake is van een ‘bedrijfslocatie’ of ‘inrichting’ om de ‘concentraties afkomstig zowel van het gemotoriseerde verkeer van en naar de inrichting als, van de daar redelijkerwijs te verwachten inrichting.’ In voorkomende gevallen zal dit op basis van nader onderzoek steeds aangetoond (moeten) worden.
 

3 Overgangs- en slotregels

Artikel 13 Overgangsrecht

13.1 Overgangsrecht bouwwerken

15.1.1 Algemeen
 
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
 
a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
 
b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
 
15.1.2 Ontheffing
 
Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 15.1.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in artikel 15.1.1 met maximaal 10 %.
 
15.1.3 Uitzondering
 
Het bepaalde in artikel 15.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
 

13.2 Overgangsrecht gebruik

a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
 
b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a., te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
 
c. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
 
d. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.