1 Vereiste van een aanlegvergunning
a. Het is verboden zonder of in afwijking van een aanlegvergunning van burgemeester en wethouders, als bedoeld in artikel 3.16 e.v. Wet ruimtelijke ordening, de werken en werkzaamheden, volgens het overzicht en de uitzonderingen (5.5 lid 3 en 4) van dit artikel, welke zijn aangeduid met ‘A’ (aanlegvergunning vereist) en ‘Ae’ (aanlegvergunning elementgebonden vereist), volgens het toepassingsschema (lid 5) van dit artikel uit te voeren, te doen of laten uitvoeren.
b. Indien een werk of werkzaamheid betrekking heeft op een gebied waarop meerdere aanduidingen van toepassing zijn, geldt de zwaarste regel wat betreft het vereiste van een aanlegvergunning, waarbij ‘A’ als zwaarder wordt aangemerkt dan ‘Ae’.
2 Verlening van een aanlegvergunning
a. Een aanlegvergunning, als bedoeld in 5.5 lid 1, kan uitsluitend worden verleend indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen, de in de omschrijving van de bestemming erkende natuurwaarden, gebruikswaarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast dan wel de mogelijkheden tot herstel van genoemde waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.
b. Zo nodig kunnen voorwaarden aan de aanlegvergunning verbonden worden ter voorkoming of vermindering van de nadelige effecten van de voorgenomen werken of werkzaamheden (mitigatie) of ter compensatie van waarden die door de voorgenomen werken en werkzaamheden verloren zullen gaan.
c. Voor wat betreft de verdere afwegingsaspecten en beoordelingscriteria in dit verband wordt verwezen naar lid 6.
d. Alvorens te beslissen omtrent een aanvraag om vergunning, als bedoeld in 5.5 lid 1, kan het advies ingewonnen van:
- het Waterschap Aa en Maas en/of het provinciale Bureau Grondwater inzake waterhuishoudkundige aspecten met betrekking tot oppervlaktewater en/of grondwater;
- een onafhankelijke adviseur dan wel een gemeentelijke adviescommissie die deskundig is op het (betreffende) vlak van: landbouw, bosbouw, landschap, ecologie en/of ruimtelijke ordening.
3 Overzicht van werken en werkzaamheden
Bodem/water
1 Het verlagen, vergraven, ophogen, egaliseren, diepwoelen, diepploegen of het anderszins verzetten van grond voor zover dat, uitgezonderd bij steilranden, meer bedraagt dan 100 m3 of 0,6 m ten opzichte van het maaiveld.
2 Het aanleggen van ondergrondse leidingen of of het uitvoeren van andere ingrepen in de bodem voor zover die werken dieper dan 0,60 m onder maaiveld plaatsvinden.
3 Het dempen, graven, verdiepen, vergroten of herprofileren van waterlopen, sloten en greppels of het (anderszins) verlagen van de grondwaterstand, uitgezonderd legale grondwateronttrekkingen.
4 Het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen in de bodem.
Beplanting/grondgebruik
5 Het vellen of rooien van bos.
6 Het verwijderen van landschapselementen (waaronder hagen).
7 Het aanleggen van landschapselementen.
8a. Het beplanten van gronden met niet hoger dan 1,5 m opgaand houtgewas in verband met boom- of vaste plantenteelt of andere tuinbouw of als (agrarische) houtteelt.
8b. Het beplanten van gronden met hoger dan 1,5 m opgaand houtgewas in verband met boom- of vaste plantenteelt of andere tuinbouw of als (agrarische) houtteelt.
Infrastructuur/voorzieningen
9 Het verwijderen van onverharde wegen of paden.
10 Het aanleggen en/of verharden van wegen of paden, dan wel het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen groter dan 100 m².
11 Het aanbrengen van tijdelijke of overige teeltondersteunende voorzieningen, voor zover geen bouwwerken zijnde en voor zover niet hoger dan 1,5 m.
4 Uitzonderingen (ten opzichte van 5.5 lid 1)
Van het vereiste van een aanlegvergunning, als bedoeld in 5.5 lid 1, zijn uitgezonderd werken en werkzaamheden zoals genoemd in 5.5 lid 3 onder die:
- van zodanig geringe omvang en ondergeschikte betekenis zijn dat daardoor geen aantasting plaatsvindt van de te beschermen natuurwaarden, overeenkomstig (de bestemmingsomschrijving van) de bestemming;
- behoren tot ter plaatse normaal onderhoud, beheer, gebruik of exploitatie overeenkomstig (de bestemmingsomschrijving van) de betreffende bestemming;
- overeenkomstig een beheersplan op grond van artikel 14 van de Natuurbeschermingswet
plaatsvinden;
- zijn omschreven in 5.5 lid 3 onder 1 en 2, voor zover daarvoor op grond van de Ontgrondingenwet daarvoor een vergunning is vereist;
- zijn omschreven in 5.5 lid 3 onder 3 voor zover daarvoor op grond van de Keur van het waterschap waaronder het plangebied valt een ontheffing of vergunning vereist is, waarbij de betreffende natuur- of landschapswaarden conform de aanduiding op de plankaart integraal worden meegewogen;
- zijn omschreven in 5.5 lid 3 onder 2, 8a, 8b en 11 voor zover het betreft vervanging of voortzetting van dergelijke ter plaatse al bestaande leidingen, drainage, teelten of tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;
- zijn omschreven in 5.5 lid 3 onder 6 en 7, voor zover betrekking hebbend op erfbeplantingen of nieuw vrij groen;
6 Aanvullende toetsingscriteria aanlegvergunning
De wijze waarop een aanlegvergunning wordt getoetst kan in hoofdlijnen als volgt omschreven.
1 Bestemming (algemeen)
De bescherming van de algemene gebiedskarakteristiek en potenties voor de ontwikkeling van natuurwaarden (basisbescherming), door:
- het behoud van het bodemprofiel en het aanwezige reliëf;
- de bescherming van het hydrologisch systeem (kwantitatief en kwalitatief).
Belangrijk zijn een hoge waterstand, een stabiel waterpeil, een goede waterkwaliteit en het voorkomen van (verdere) verdroging;
- het behoud van een ongestoorde strooisellaag;
- het behoud van structuurrijke houtopstanden en droge en natte vegetaties en een gevarieerde inrichting;
- het behoud van bestaande waterrijke plaatsen en gevarieerde oevers zoals poelen, vijvers, watergangen (ook ruige slootkanten) e.d.;
- het tegengaan van verstoring door een te hoge recreatieve druk en het tegengaan van nieuwe aanleg van wegen en het verharden of verwijderen van bestaande zandwegen.
2 natuurwaarden (algemeen)
De toetsing heeft betrekking op de mate waarin een werk/werkzaamheid inbreuk maakt op de bescherming van de bestaande natuur waarden in relatie tot de functie/het gebruik van de grond. Allereerst zijn daarbij een aantal algemene aspecten belangrijk, te weten:
- de locatie van de geplande activiteit;
- de omvang van de activiteit;
- de aard van de activiteit;
- het tijdvak waarin de activiteit wordt ondernomen;
- de mogelijkheden tot herstel, mitigatie dan wel compensatie;
- het maatschappelijk belang in relatie tot het economisch belang.
Aanvullend op deze algemene aspecten wordt hieronder per bestemming en voorkomende natuur- en landschappelijke waarden (aanduiding) beschreven waarop de genoemde bescherming betrekking heeft. Belangrijk is dat wanneer verschillende natuur waarden in combinatie met elkaar voorkomen, bij de toetsing rekening dient te worden gehouden met alle voorkomende aspecten zoals hieronder beschreven.
3 ‘S struweelvogels’
De bescherming van de aanwezige populatie struweelvogels door:
- het behoud van kruidenrijke grasvegetaties (anders dan agrarisch cultuurgrasland) en structuurrijkdom van beplantingen;
- het behoud van ruige wegbermen, overhoeken, slootkanten en greppels, landschappelijke beplantingen en natuurelementen;
- het tegengaan van ingrepen die verstoring door een te hoge recreatieve druk tot gevolg hebben, zoals het aanleggen van wegen of het verharden of verwijderen van bestaande zandwegen;
- het tegengaan van hoge druk door intensieve, hoogdynamische landbouw in de vorm van grote aaneengesloten arealen boom- en/of vaste plantenteelt.
4 ‘D dassen’
De bescherming van de aanwezige populatie dassen door:
- het behoud van bestaande dassenburchten, voldoende areaal foerageergebied en aanwezige landschappelijke beplantingen en natuurelementen;
- het tegengaan van ingrepen die verstoring door een te hoge recreatieve druk tot gevolg hebben, zoals het aanleggen van wegen of het verharden of verwijderen van bestaande zandwegen.