direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM omgevingsplan Nieuwstraat 64, Best
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0753.TAMOPnieuw64-VG01

Regels

Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie 'Nieuwstraat 64, Best' en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22h) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Best. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22h van het omgevingsplan van de gemeente Best. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22h.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22h' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22h van dit omgevingsplan. Daarnaast gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen:

1.1 TAM-omgevingsplan

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h 'Nieuwstraat 64, Best'.

1.2 Omgevingsplan

Het omgevingsplan van de gemeente Best.

1.3 Aan- en uitbouw

Een aan een hoofdgebouw gebouwd bijgebouw dat in directe verbinding staat met het hoofdgebouw en dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 

1.4 Aaneengebouwde woning

Woning die deel uitmaakt van bebouwing welke wordt gekenmerkt door een rij van minimaal drie aan elkaar gebouwde hoofdgebouwen.

1.5 Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.6 Aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.7 Afhankelijke woonruimte

Een bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is.

1.8 Beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte

De totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep c.q. een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke.

1.9 Beroep aan huis

Een vrij beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten, dat in of bij een woongebouw met daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij het woongebouw in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is, niet zijnde prostitutie

1.10 Bestaand

bij bouwwerken: legale bouwwerken die aanwezig of in uitvoering zijn op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp van dit plan, dan wel bouwwerken zoals die mogen worden gebouwd krachtens een vergunning.

Bij gebruik: legaal gebruik van grond en opstallen zoals aanwezig tijdens de inwerkingtreding van dit plan.

1.11 Bijgebouw

Gebouw dat door zijn ligging, constructie en/of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.12 Bouwactiviteit

Een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 8.13 Ob.

1.13 Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.14 Bouwgrens

De grens van een bouwvlak.

1.15 Bouwlaag

Een doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.

1.16 Bouwperceel

Een aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en bijbehorende voorzieningen worden geconcentreerd, en dat bestaat uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan.

1.17 Bouwperceelgrens

De grens van een bouwperceel.

1.18 Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.19 Gecumuleerde geluidbelasting

Gecumuleerd geluid als bedoeld in artikel 3.38 van het Bkl.

1.20 Geluidgevoelig gebouw

Een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat is toegelaten op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met een:

  • a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • c. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedden;
  • d. gezondheidszorgfunctie met bedden en nevengebruiksfuncties daarvan

voor zover dit gebouw is toegelaten voor langer dan 10 jaar.

1.21 Geluidgevoelige ruimte van een woning

Een ruimte binnen een woning voor zover die kennelijk als slaap-, woon-, of eetkamer wordt gebruikt of voor een zodanig gebruik is bestemd.

1.22 Geluidluwe gevel

Gevel die ten opzichte van de andere gevels van een geluidgevoelig gebouw relatief weinig wordt belast door geluid.

1.23 Gezamenlijke geluidbelasting

Gezamenlijk geluid als bedoeld in artikel 3.39 van het Bkl.

1.24 Hoofdgebouw

Een gebouw, dat door zijn ligging, constructie en/of afmetingen gezien de functie als belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel valt aan te merken.

1.25 Hospitaverhuur

Ondergeschikte kamerverhuur op niet professionele basis. De hoofdbewoner is de verhuurder van de kamer(s) en is woonachtig op het adres en is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie.

1.26 Huishouden

Persoon of groep personen die een huishouding voert waarbij sprake is van een onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, die binnen een woning gebruik maakt van dezelfde voorzieningen.

1.27 Kamerbewoning

Het gebruik van onzelfstandige woonruimtes van een woning dan wel een hoofdgebouw met bijbehorende bouwwerken door meer dan één huishouden.

1.28 Kamerverhuur

Het verhuren van onzelfstandige woonruimte.

1.29 Kleinschalige bedrijvigheid

Het bedrijfsmatig verlenen van diensten of het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door middel van handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning met daarbij behorende gebouwen past en de woonfunctie in overwegende mate blijft behouden. Hieronder mede begrepen consumentenverzorging en niet zijnde prostitutie of bedrijfsmatige seksuele dienstverlening. 

1.30 Nutsvoorzieningen

Voorziening ten behoeve van het openbare nut zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van ondergrondse afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. 

1.31 Onzelfstandige woonruimte

Woonruimte die geen eigen toegang heeft en niet door een huishouden kan worden bewoond zonder gebruik te maken van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte.

1.32 Openbare ruimte

De gronden in en ten behoeve van het kostenverhaalsgebied waarop de openbare voorzieningen worden gereconstrueerd of gerealiseerd, waaronder openbare wegen, waterwegen en groenvoorzieningen.

1.33 Overkapping

Elk bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste één wand;

1.34 Peil
  • a. voor een gebouw, gelegen op een afstand van maximaal 4 meter uit de wegkant: de hoogte van de kruin van de weg;
  • b. voor andere gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw;
  • c. indien in, op of over het water wordt gebouwd: het gemiddelde waterpeil.
1.35 Seksinrichting

Een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotische/pornografische aard plaatsvinden, waaronder in ieder geval worden verstaan een prostitutiebedrijf, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.36 Verkamering

Het opdelen van een gebouw met een woonfunctie in twee of meer onzelfstandige woonruimten óf het opdelen van een gebouw met een woonfunctie in één zelfstandige en één of meer onzelfstandige woonruimten.

1.37 Voorgevel

Gevel aan de voorzijde van een gebouw.

1.38 Voorgevelrooilijn

De denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel (i.c. de meest gezichtsbepalende gevel) van het hoofdgebouw wordt getrokken tot aan de zijdelingse perceelsgrenzen.

1.39 Vrijstaand bijgebouw

Een bijgebouw dat niet aan het hoofdgebouw verbonden is en ten dienste staat van het hoofdgebouw.

1.40 Vrijstaande woning

Een woning, waarvan het hoofdgebouw niet aan een op een aangrenzend bouwperceel gelegen hoofdgebouw is gebouwd. 

1.41 Water en waterhuishoudkundige voorzieningen

Al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc.

1.42 Werk

Een werkzaamheid of constructie, geen gebouw of bouwwerk zijnde.

1.43 Wonen/woondoeleinden

Het huisvesten van een huishouden in een woning, woonhuis of wooneenheid.

1.44 Woning/wooneenheid/woonhuis

Een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.

1.45 Woonruimte

Besloten ruimte die, al dan niet tezamen met één of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden, met inbegrip van een standplaats voor een woonwagen en de ligplaats voor een woonschip.

1.46 Zelfstandige woonruimte

Woonruimte die een eigen toegang heeft en die door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten de woonruimte.

1.47 Zijdelingse perceelsgrens

De grens tussen twee percelen die voor- en achterzijde van een perceel verbindt.

Artikel 2 Meet- en regelbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 De afstand tot de (zijdelingse) perceelsgrens

De kortste afstand van het buitenwerkse gevelvlak van een gebouw tot de (zijdelingse) perceelsgrens.

2.2 De afstand tussen gebouwen

De kortste afstand tussen de buitenwerkse gevelvlakken van gebouwen.

2.3 De bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van kleine bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.4 De breedte van bouwpercelen

De afstand tussen de zijdelingse perceelsgrenzen.

2.5 De dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.6 De goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.7 De inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.8 De oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.9 Ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1,00 meter bedraagt.

Artikel 3 Toepassingsbereik

  • a. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in sub c.
  • b. De regels in afdeling 22.2 en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • c. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie 'Nieuwstraat 64, Best', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0753.TAMOPnieuw64.VG01.

Hoofdstuk 2 Regels voor functies en activiteiten

Artikel 4 Verkeer

4.1 Functies en gebruik

In het voor 'Verkeer' aangewezen gebied zijn de volgende functies/gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. wegen;
  • b. fiets- en voetpaden;
  • c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • d. met de daarbij behorende behorende voorzieningen zoals parkeerplaatsen, groen en beplantingen, bermen, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen.
4.2 Bouwen

De regels in deze paragraaf gelden als beoordelingsregels voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, zoals bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan, voor zover geen uitzondering op de vergunningplicht geldt op grond van artikel 22.27.

4.2.1 Gebouwen

Gebouwen zijn niet toegestaan.

4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  • a. de bouwhoogte van speeltoestellen mag niet meer bedragen dan 5 m;
  • b. de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen mag niet meer bedragen dan 3 m;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
4.3 Vergunningplichtige activiteiten
4.3.1 Middenspanningsstations

Het bevoegd gezag verleent een omgevingsvergunning voor het realiseren van één middenspanningsstation van maximaal 55 m2 groot en maximaal 4 m hoog, mits voldaan wordt aan de beoordelingsregels dat er geen sprake is van onevenredige aantasting van:

  • a. het woonklimaat plaats vindt;
  • a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. stedenbouwkundige inrichting en vormgeving;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de milieusituatie;
  • e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 5 Woongebied

5.1 Functies en gebruik

In het voor 'Woongebied' aangewezen gebied zijn de volgende functies/gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. wonen, met dien verstande dat maximaal 26 woningen zijn toegestaan;
  • b. aan huis verbonden beroepen;

met de daarbij behorende:

  • c. wegen, paden en parkeervoorzieningen;
  • d. groenvoorzieningen;
  • e. speelvoorzieningen;
  • f. tuinen en erven;
  • g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
5.2 Bouwen
  • 1. De regels in deze paragraaf gelden als beoordelingsregels voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, zoals bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan, voor zover geen uitzondering op de vergunningplicht geldt op grond van artikel 22.27 of artikel 22.36 van het omgevingsplan.
  • 2. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - tiny houses' mag de omvang van de woning niet groter zijn dan 50 m2 wvo zoals bedoeld in de de beleidsregels 'Nota Parkeernormen 2022', of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s).
  • 3. Het oprichten van gebouwen is uitsluitend toegestaan indien wordt voldaan aan het beeldkwaliteitsplan, zoals opgenomen in Bijlage 3 Beeldkwaliteitsplan.
5.2.1 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. de voorgevel van het hoofdgebouw dient geörienteerd te zijn op de aanduiding 'gevellijn', met dien verstande dat de voorgevel van woningen op de aanduidingsgrens dient te worden gesitueerd;
  • b. de voorgevelrooilijn mag uitsluitend worden overschreden met een luifel boven de toegang van een woning met een afmeting van ten hoogste 1,5 m x 1 m;
  • c. de diepte van een hoofdgebouw bedraagt maximaal 11 meter, met dien verstande dat ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - patio' de diepte maximaal 15,5 meter mag bedragen;
  • d. ter plaatse van de aanduiding:
    • 1. 'aaneengebouwd' zijn uitsluitend aaneengebouwde woningen toegestaan;
    • 2. 'vrijstaand' zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan;
    • 3. 'specifieke bouwaanduiding - patio' uitsluitend patiowoningen toegestaan;
  • e. de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen mogen niet meer bedragen dan op de verbeelding met de aanduiding 'maximum goothoogte (m) en/of maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  • f. de afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens dient bij:
    • 1. vrijstaande woningen aan één zijde minimaal 1 m te bedragen;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - patio' en 'aaneengebouwd' geldt geen minimale afstand tot de zijdelingse perceelsgrens.
5.2.2 Aan- en uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen

In afwijking van artikel 22.36 van dit omgevingsplan gelden voor het bouwen van aan- en uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen per bouwperceel de volgende bepalingen:

  • a. aan- en uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 2 m achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw gebouwd te worden;
  • b. de gronden die zijn gelegen achter de achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw mogen voor maximaal 50% worden bebouwd;
  • c. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 70 m²;
  • d. de goothoogte van een aan- of uitbouw mag bij hoofdgebouwen met een goothoogte;
    • 1. tot 6 m niet meer dan 3 m bedragen;
    • 2. van meer dan 6 m niet meer dan 4 m bedragen.
  • e. de bouwhoogte van een aan- of uitbouw mag bij hoofdgebouwen met een goothoogte;
    • 1. tot 6 m niet meer dan 5 m bedragen;
    • 2. van meer dan 6 m niet meer dan 7,5 m bedragen;
    • 3. met dien verstande dat de bouwhoogte van een aan- of uitbouw niet meer mag bedragen dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw.
  • f. de goothoogte van vrijstaande bijgebouwen mag niet meer dan 3 m bedragen;
  • g. de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 5 m.
5.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde overkappingen, geldt dat de bouwhoogte maximaal 3 meter mag bedragen, met uitzondering van:

  • a. erfafscheidingen, waarbij de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan niet meer dan 1 meter mag bedragen;
  • b. vlaggenmasten, waarbij de bouwhoogte maximaal 6 meter bedraagt.
5.3 Bouwen van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied
5.3.1 Plaats en bouwvorm geluidgevoelig gebouw

Geluidgevoelige gebouwen worden gerealiseerd op de locatie en in de bouwvorm die akoestisch gezien het meest gunstig zijn, rekening houdend met de cumulatieve geluidbelasting, tenzij dit niet mogelijk is vanwege overwegingen op grond van stedenbouw, landschap, verkeer en/of financiën.

5.3.2 Onderzoek naar geluidbeperkende maatregelen
  • a. Geluidbeperkende maatregelen worden in onderstaande volgorde onderzocht:
    • 1. maatregelen aan de bron;
    • 2. maatregelen in de overdracht;
    • 3. maatregelen aan de gevel;
  • b. Maatregelen aan de gevel mogen pas worden toegepast wanneer voldoende is onderbouwd dat maatregelen aan de bron of in de overdracht niet mogelijk of doelmatig zijn.
5.3.3 Doelmatigheid geluidbeperkende maatregelen

Om te beoordelen welke maatregelen doelmatig zijn worden in het onderzoek tenminste onderstaande overwegingen meegenomen:

  • a. stedenbouwkundige overwegingen;
  • b. landschappelijke overwegingen;
  • c. verkeerskundige overwegingen;
  • d. financiële overwegingen.
5.3.4 Voorwaarden voor een geluidgevoelig gebouw met een gevelbelasting boven de standaardwaarde

Een geluidgevoelig gebouw met een gevelbelasting boven de standaardwaarde, als gevolg van weg- en railverkeer, mag alleen gerealiseerd worden als:

  • a. het een onderdeel is van een stads- of dorpsvernieuwingsplan of;
  • b. het gebouw door de gekozen plaats of bouwvorm andere geluidgevoelige gebouwen of objecten afschermt, waardoor die een lagere geluidbelasting krijgen of;
  • c. het gebouw nodig is op die locatie vanwege grond- of bedrijfsgebondenheid of;
  • d. het bestaande bebouwing vervangt of;
  • e. het een open plaats tussen aanwezige bebouwing opvult.
5.3.5 Eisen voor woningen met een gevelbelasting boven de standaardwaarde

Wanneer niet voldaan kan worden aan de standaardwaarde voor geluid moet een woning voldoen aan de volgende vereisten:

  • a. tenminste één gevel moet geluidluw zijn;
  • b. er moet tenminste één geluidluwe buitenruimte zijn met een gezamenlijke geluidbelasting van kleiner of gelijk aan de standaardwaarde;
  • c. zoveel mogelijk, maar minimaal 1, verblijfsruimtes moeten aan de minste geluidbelaste kant gerealiseerd worden;
  • d. verblijfsruimtes mogen bij voorkeur niet gerealiseerd worden aan de meest geluidbelaste kant.
5.3.6 Uitzondering plaats verblijfruimtes

Op artikel 5.3.5 lid d kan een uitzondering worden gemaakt wanneer hiervoor belangrijke redenen zijn op het gebied van stedenbouw of volkshuisvesting.

5.3.7 Eisen voor een akoestisch onderzoek

Een akoestisch onderzoek bevat tenminste:

  • a. het effect van de verkeersaantrekkende werking op bestaande woningen in het omliggende gebied;
  • b. op basis van de artikelen 5.78m en 5.78n uit het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt bij een toename van de geluidbelasting van een weg met 1,5 dB of meer getoetst aan de standaardwaarden en grenswaarden;
  • c. zowel de cumulatieve als de gezamenlijke geluidbelasting bij overschrijding van de standaardwaarde;
  • d. piekgeluiden bij parkeren.
5.3.8 Rekenmethode
  • a. voor de rekenmethodes bij wegverkeer, railverkeer en industrielawaai wordt gebruik gemaakt van de rekenmethode conform de Omgevingsregeling;
  • b. voor gecumuleerd geluid: de 'methode Miedema' houdt in dat alle geluidbronsoorten worden omgerekend naar een geluidbelasting door wegverkeer die evenveel hinder veroorzaakt. Daarvoor wordt per bronsoort gebruik gemaakt van de dosis-effectrelatie, aan de hand waarvan het percentage ernstig gehinderden bij een bepaald geluidniveau wordt vastgesteld.
afbeelding "i_NL.IMRO.0753.TAMOPnieuw64-VG01_0001.png"  
5.3.9 Toegang tot een geluidluwe buitenruimte

Als volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving geen individuele buitenruimte nodig is moet er toegang zijn tot een gezamenlijke buitenruimte met een geluidbelasting onder de standaardwaarde.

5.3.10 Gezamenlijk geluid

Het niet-gewogen gezamenlijk geluid ten gevolge van (spoor)wegen en activiteiten op de gevel van een geluidgevoelig gebouw wordt gebruikt voor de beoordeling van het binnenniveau en het bepalen van de eisen aan de geluidwering van een geluidgevoelig gebouw. Hierbij wordt rekening gehouden met het geluid van verschillende geluidbronsoorten. Het vastgesteld gezamenlijk geluid is opgenomen in Bijlage 2 bij regels Tabel vastgesteld gezamenlijk geluid.

5.3.11 Vergunningplicht voor het realiseren van geluidgevoelige gebouwen met een gevelbelasting boven de grenswaarde

Het is verboden zonder vergunning een geluidgevoelig gebouw te realiseren met een gevelbelasting boven de grenswaarde zoals bedoeld in artikel 3.35 Bkl.

5.3.12 Voorwaarden voor het realiseren van geluidgevoelige gebouwen met een gevelbelasting boven de grenswaarde

Een geluidgevoelig gebouw mag alleen een gevelbelasting hebben boven de grenswaarde als bedoeld in artikel 3.35 Bkl, als:

  • a. zwaarwegende economische of maatschappelijke belangen een overschrijding van de grenswaarde rechtvaardigen.
  • b. er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 5.3.13.
  • c. de grenswaarde met niet meer dan 5 dB wordt overschreden.
5.3.13 Vervangende nieuwbouw

Bij vervangende nieuwbouw worden bestaande geluidgevoelige gebouwen van relatief slechte kwaliteit vervangen door nieuwe geluidgevoelige gebouwen met een betere geluidwering die is afgestemd op het geluid buiten. Het aantal geluidgevoelige gebouwen met geluid boven de grenswaarde neemt niet toe.

5.3.14 Eisen voor woningen met een gevelbelasting boven de grenswaarde

Aan de gevel van een geluidgevoelig gebouw waarop de grenswaarde wordt overschreden, worden bouwkundige maatregelen getroffen die:

  • a. bestaan uit een uitwendige scheidingsconstructie die geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of
  • b. borgen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied de grenswaarde niet overschrijdt.
5.4 Gebruiksregels
5.4.1 Gebruik woning
  • a. tot een gebruik in strijd met de bestemmingen wordt in ieder geval gerekend:
    • 1. het gebruik of laten gebruiken van een woning voor de huisvesting van meer dan één huishouden;
    • 2. het gebruik of laten gebruiken van de woning voor bedrijfsmatige kamerverhuur of onzelfstandige woonruimte;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a is toegestaan:
    • 1. het gebruik van de woning voor hospitaverhuur, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
      • de hoofdbewoner blijft beschikken over tenminste 50% van de gebruiksoppervlakte van de woning;
      • de hoofdbewoner woonachtig is in de woning;
      • de hoofdbewoner de kamer(s) verhuurt;
      • maximaal twee extra huurders mogen inwonen;
      • één huurder per kamer is toegestaan;
      • een verhuurde kamer minimaal 6 m2 bedraagt; en
      • per huurder een minimale gebruiksoppervlakte van 12 m2 beschikaar is.
5.4.2 Aan huis verbonden beroepen

Per woning is één beroep aan huis toegestaan onder de voorwaarden dat:

  • a. de vloeroppervlakte voor aan huis verbonden beroepen in de woning en bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte tot een maximum van 80 m2;
  • b. geen sprake is van detailhandel;
  • c. geen sprake is van kleinschalige bedrijvigheid;
  • d. parkeren op eigen terrein plaatsvindt, met dien verstande dat wanneer dit niet mogelijk is, aangetoond wordt dat geen sprake is van een onevenredige toename van de parkeerdruk op de omgeving;
  • e. de activiteit door ten hoogste twee personen wordt uitgeoefend, waarvan minstens een persoon de bewoner is van de woning; voor kapsalons geldt dat deze activiteit door maximaal een persoon, die tevens bewoner is van de woning is, mag worden uitgeoefend;
  • f. het uitoefenen van een beroep aan huis dat gepaard gaat met onevenredige hinder is niet toegestaan.

Artikel 6 Waarde - Archeologie 3 (gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kern)

6.1 Functies en gebruik
6.1.1 Doel

De voor 'Waarde - Archeologie 3 (gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kern)' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies/gebruiksactiviteiten, mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.

6.1.2 Voorrangsbepaling

6.1.2 Voorrangsbepaling

Indien een bouwwerk wordt gebouwd, of een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden worden uitgevoerd binnen verschillende archeologische dubbelbestemmingen op een bouwperceel, gelden de meest strenge regels voor het hele bouwperceel.

6.2 Bouwen

Binnen het gebied met 'Waarde - Archeologie 3 (gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kern)' mogen uitsluitend bouwwerken worden opgericht ten behoeve van de op deze gronden liggende functies(s), indien en voor zover het een bouwplan betreft:

  • a. met een oppervlakte van maximaal 250 m2, of;
  • b. met een oppervlakte groter dan 250 m2 en een verstoringsdiepte van minder dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld, of;
  • c. dat betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, dan wel niet meer dan 1 m uit de bestaande fundering wordt gebouwd.
6.3 Vergunning in verband met de archeologisch waarde
  • a. binnen de voor 'Waarde - Archeologie 3 (gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kern) aangewezen gronden is het verboden om zonder omgevingsvergunning bouwwerken op te richten ten behoeve van de op deze gronden voorkomende functie(s), tenzij de bouwactiviteit op grond van lid 6.2 is toegestaan;
  • b. de omgevingsvergunning wordt verleend, als is gebleken dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad;
  • c. bij de beoordeling van sub b ten behoeve van de aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld onder sub a wordt een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie opgesteld door een gecertificeerde instantie waarin de archeologische waarde van de locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, overgelegd. Dit rapport is niet vereist als:
    • 1. op basis van andere informatie naar oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is aangetoond dat ter plaatse reeds in relevante mate verstoring heeft plaatsgevonden; of
    • 2. op basis van andere informatie naar oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is aangetoond dat als gevolg van de ingreep geen verstoring plaatsvindt;
  • d. aan de omgevingsvergunning als bedoeld onder sub a kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van maatregelen waardoor de archeologische resten in de bodem worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting om het grondwerk te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties;
    • 4. over de afmetingen en de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn;

De vergunningvoorschriften zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.

6.4 Werken en werkzaamheden
6.4.1 Aanwijzing vergunningplicht werken en werkzaamheden

Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie 3 (gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kern)' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren of uit te laten voeren:

  • a. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,3 m onder maaiveld, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplantingen, waarbij de stobben worden verwijderd;
  • c. het ophogen en egaliseren van gronden;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
  • f. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • g. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend wordt boomteelt en graszodenteelt;
  • h. het afplaggen van heide- of natuurgebieden;
  • i. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies waarbij de breedte van de grondwerken meer dan 50 cm bedragen;

indien de oppervlakte van het werk of de werkzaamheden groter is dan 250 m2.

6.4.2 Uitzonderingen

6.4.2 Uitzonderingen

Het in 6.4.1 vervatte vergunningplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of beheer betreffen overeenkomstig de overige functies van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • b. reeds legaal in uitvoering zijn, dan wel krachtens een vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit TAM-omgevingsplan;
  • c. worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  • d. binnen een afstand van maximaal 1 m uit een bestaande fundering van een bouwwerk worden uitgevoerd.
6.4.3 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt verleend indien is gebleken dat:

  • a. de in lid 6.4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden, en
  • b. vooraf door de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie is overlegd waaruit blijkt dat de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, waarbij:
    • 1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld, of;
    • 2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
    • 3. de archeologische waarden hierdoor niet onevenredig worden geschaad.
  • c. Voor zover de in lid 6.4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologische waarden, kunnen aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouwplan) monumenten in de bodem worden behouden;
    • 1. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 2. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan door bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
6.4.4 Advies

Alvorens het bevoegd gezag beslist over de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.4.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een afwijking geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorschriften dienen te worden gesteld.

Artikel 7 Waarde - Archeologie 5 (gebied met een middelhoge archeologische verwachting)

7.1 Functies en gebruik
7.1.1 Doel

De voor 'Waarde - Archeologie 5 (gebied met een middelhoge archeologische verwachting)' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies/gebruiksactiviteiten, mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.

7.1.2 Voorrangsbepaling

Indien een bouwwerk wordt gebouwd, of een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden worden uitgevoerd binnen verschillende archeologische dubbelbestemmingen op een bouwperceel, gelden de meest strenge regels voor het hele bouwperceel.

7.2 Bouwen

Binnen het gebied met 'Waarde - Archeologie 5 (gebied met een middelhoge archeologische verwachting)' mogen uitsluitend bouwwerken worden opgericht ten behoeve van de op deze gronden liggende functies(s), indien en voor zover het een bouwplan betreft:

  • a. met een oppervlakte van maximaal 2.500 m2, of;
  • b. met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en een verstoringsdiepte van minder dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld, of;
  • c. dat betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, dan wel niet meer dan 1 m uit de bestaande fundering wordt gebouwd.
7.3 Vergunning in verband met de archeologisch waarde
  • a. binnen de voor 'Waarde - Archeologie 5 (gebied met een middelhoge archeologische verwachting) aangewezen gronden is het verboden om zonder omgevingsvergunning bouwwerken op te richten ten behoeve van de op deze gronden voorkomende functie(s), tenzij de bouwactiviteit op grond van lid 7.2 is toegestaan;
  • b. de omgevingsvergunning wordt verleend, als is gebleken dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad;
  • c. bij de beoordeling van sub b ten behoeve van de aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld onder sub a wordt een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie opgesteld door een gecertificeerde instantie waarin de archeologische waarde van de locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, overgelegd. Dit rapport is niet vereist als:
    • 1. op basis van andere informatie naar oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is aangetoond dat ter plaatse reeds in relevante mate verstoring heeft plaatsgevonden; of
    • 2. op basis van andere informatie naar oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is aangetoond dat als gevolg van de ingreep geen verstoring plaatsvindt;
  • d. aan de omgevingsvergunning als bedoeld onder sub a kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van maatregelen waardoor de archeologische resten in de bodem worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting om het grondwerk te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties;
    • 4. over de afmetingen en de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn;

De vergunningvoorschriften zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.

7.4 Werken en werkzaamheden
7.4.1 Aanwijzing vergunningplicht werken en werkzaamheden

Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie 5 (gebied met een middelhoge archeologische verwachting)' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren of uit te laten voeren:

  • a. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,3 m onder maaiveld, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplantingen, waarbij de stobben worden verwijderd;
  • c. het ophogen en egaliseren van gronden;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
  • f. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • g. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend wordt boomteelt en graszodenteelt;
  • h. het afplaggen van heide- of natuurgebieden;
  • i. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies waarbij de breedte van de grondwerken meer dan 50 cm bedragen;

indien de oppervlakte van het werk of de werkzaamheden groter is dan 2.500 m2.

7.4.2 Uitzonderingen

Het in 7.4.1 vervatte vergunningplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of beheer betreffen overeenkomstig de overige functies van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • b. reeds legaal in uitvoering zijn, dan wel krachtens een vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit TAM-omgevingsplan;
  • c. worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  • d. binnen een afstand van maximaal 1 m uit een bestaande fundering van een bouwwerk worden uitgevoerd.
7.4.3 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt verleend indien is gebleken dat:

  • a. de in lid 7.4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden, en
  • b. vooraf door de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie is overlegd waaruit blijkt dat de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, waarbij:
    • 1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld, of;
    • 2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
    • 3. de archeologische waarden hierdoor niet onevenredig worden geschaad.
  • c. Voor zover de in lid 7.4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologische waarden, kunnen aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouwplan) monumenten in de bodem worden behouden;
    • 1. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 2. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan door bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
7.4.4 Advies

Alvorens het bevoegd gezag beslist over de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 7.4.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een afwijking geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorschriften dienen te worden gesteld.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 9 Algemene gebruiksregels

9.1 Gebruik van gronden of bouwwerken

Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies en/of gebruiksactiviteiten.

Artikel 10 Algemene vergunningverplichtige bouwactiviteiten

10.1 Algemene beoordelingsregels vergunningplichtige bouwactiviteiten

Burgemeester en wethouders verlenen, voor zover geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen, een omgevingsvergunning voor:

  • a. de bepalingen in dit TAM-omgevingsplan en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven;
  • b. het bepaalde ten aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en technische ruimten, mits:
    • 1. de maximale oppervlakte van de vergroting niet meer dan 10% van het betreffende bouwvlak zal bedragen;
    • 2. de bouwhoogte niet meer dan 1,25 maal de maximale bouwhoogte van het betreffende gebouw zal bedragen.

Artikel 11 Overige regels

11.1 Parkeernormen
11.1.1 Vergunningplicht parkeernormen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of een gebruiksactiviteit aan te vangen of te intensiveren die een toename van de parkeerbehoefte tot gevolg heeft.

11.1.2 Beoordelingsregels parkeernormen

De volgende beoordelingsregel is van toepassing:

  • a. er dient in voldoende mate in parkeergelegenheid te worden voorzien overeenkomstig de normen in de beleidsregels in de 'Nota Parkeernormen 2022', of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s).
11.2 Voorwaardelijke verplichting infiltratie

Een omgevingsvergunning voor de aanleg van nieuw verhard oppervlak, vervanging van bestaand verhard oppervlak of het toevoegen van bebouwing wordt verleend als:

  • a. voorzien wordt in regenwaterberging, welke regenwater vertraagd infiltreert en werkend aanwezig is;
  • b. de waterberging als bedoeld in sub a een bergingsopgave heeft van ten minste 70 liter per vierkante meter verhard oppervlak en bebouwingsoppervlak;
  • c. bij het toetsen van het bepaalde in sub a en b dient een integraal rioleringsplan te worden aangeleverd waarin is aangetoond dat de samenhang in het hemelwatersysteem is gewaarborgd.
11.3 Voorwaardelijke verplichting bodem

Voor het gebruiken en of laten gebruiken van gronden en opstallen en voor het bouwen van bouwwerken ter plaatse van de voor Woongebied aangewezen gronden, geldt de voorwaardelijke verplichting dat dit gebruik en/of deze bouwactiviteiten uitsluitend zijn toegestaan als:

  • a. uit een door het bevoegd gezag goedgekeurd bodemonderzoek blijkt dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik, of:
  • b. de bodem geschikt is gemaakt door het uitvoeren van een bodemsanering waarbij het saneringsplan door het bevoegd gezag is goedgekeurd.
11.4 Voorwaardelijke verplichting flora en fauna onderzoek

Een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten wordt verleend nadat vervolgonderzoek is uitgevoerd voor de kleine marterachtigen, vleermuizen, huismus en gierzwaluw.

Artikel 12 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning

  • 1. De aanvraag vereisten, als bedoeld in paragraaf 22.5.2. van het omgevingsplan Best d.d. 11 juli 2024, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit TAM-omgevingsplan. Als de regels uit paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan Best d.d. 11 juli 2024 in de toekomst een andere plek in de structuur van het omgevingsplan Best krijgen, zijn die regels van overeenkomstige toepassing met inachtneming van de daarop doorgevoerde wijzigingen.
  • 2. Bij een aanvraag om omgevingsvergunning worden de gegevens en bescheiden die redelijkerwijsbenodigd zijn voor de beoordeling van de vergunningaanvraag voorgelegd. Hierbij dient de aanvrager schriftelijk te motiveren waarom wordt voldaan aan de beoordelingsregels.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 13 Overgangsrecht

13.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan legaal aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sub a met maximaal 10%.
  • c. Sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
13.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde in sub a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Sub a is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan op de locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 14 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het 'TAM omgevingsplan Nieuwstraat 64, Best'.