Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22g Aarleseweg 24, Best
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0753.TAMOPAarleseweg24-VG01

Regels

 
Preambule
 
Dit TAM-IMRO omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een ontwikkeling op de locatie aan Aarleseweg 24 te Best en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22g) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Best. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met de landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22g van het omgevingsplan van de gemeente Best. In de in dit deel weergegeven artikelen moet in de artikel kop na het woord 'Artikel' en de spatie '22g.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22g' gelezen worden.
 
1 Inleidende regels
Artikel 1 Begripsbepalingen
 
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22g van dit omgevingsplan. Daarnaast gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen:
 
1.1 TAM-omgevingsplan
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g ‘Aarleseweg 24, Best’.
 
1.2 Omgevingsplan
Het omgevingsplan van de gemeente Best.
 
1.3 Aan- en uitbouw
Een aan een hoofdgebouw gebouwd bijgebouw dat in directe verbinding staat met het hoofdgebouw en dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
 
1.4 Aanduiding
Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
 
1.5 Aanduidingsgrens
Grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
 
1.6 Aan huis verbonden beroep
Een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerp-technisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend.
 
1.7 Achtererfgebied
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw en gelegen is achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 meter achter de voorgevel en van daaruit evenwijdig loopt met de weg waaraan de voorgevel van het hoofdgebouw is gelegen.
 
1.8 Agrarisch bedrijf
een onderneming met een of meerdere milieubelastende activiteiten die gericht is op het voortbrengen van agrarische producten door het telen van gewassen en/of het houden van landbouwhuisdieren, waarbij mest niet tot voortgebrachte agrarische producten wordt gerekend en niet zijnde een agrarisch technisch hulpbedrijf, agrarisch verwant bedrijf of bedrijf met overwegend gebruiksgerichte activiteiten als maneges of pensions.
 
1.9 Agrarische bodemexploitatie
Het telen van gewassen en/of het beweiden door landbouwhuisdieren.
 
1.10 Archeologische/cultuurhistorische waarde
De aan een gebied toegekende waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit in het verleden, het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden.
 
1.11 Archeologische verwachting
De aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten.
 
1.12 Bebouwing
Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
 
1.13 Bebouwingspercentage
Een in de geometrie dan wel in de planregels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een bouwperceel, bouwvlak of bestemmingsvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd.
 
1.14 Bestaand
  1. tav bebouwing:
bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit hoofdstuk (TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22g Aarleseweg 24, Best), dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip onherroepelijk verleende omgevingsvergunning;
  1. tav gebruik:
het gebruik van grond en opstallen, zoals legaal aanwezig op het tijdstip dat dit hoofdstuk (TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22g Aarleseweg 24, Best), rechtskracht heeft verkregen.
 
1.15 Bijgebouw
Gebouw dat door zijn ligging, constructie en/of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
 
1.16 Bouwen
Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.
 
1.17 Bouwperceel
Aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en bijbehorende voorzieningen worden geconcentreerd, en dat bestaat uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan;
 
1.18 Bouwvlak
Een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
 
1.19 Bouwwerk
Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
 
1.20 Bouwwijze
De wijze van bouwen van een woning, waarbij sprake is van vrijstaande, twee aaneengebouwde of meerdere aaneengebouwde dan wel gesplitste woningen; de bouwwijze wordt bepaald door de mate waarop het hoofdgebouw direct verbonden is met een ander hoofgebouw, dan wel indien het hoofdgebouw gesplitst is in twee of meerdere zelfstandige wooneenheden.
 
1.21 Carport
Een bouwwerk, geen gebouw zijnde voorzien van een gesloten dak en met maximaal 1 wand voor de stalling van motorvoertuigen.
 
1.22 Dagrecreatie
Recreatieve activiteiten in de vorm van ontspanning, sport, spel, toerisme en educatie, waarbij overnachting niet is toegestaan.
 
1.23 Dak
Iedere bovenbeëindiging van een gebouw.
 
1.24 Detailhandel
Bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Activiteiten die vallen onder het begrip horeca worden niet aangemerkt als detailhandel.
 
1.25 Erfbeplanting
Visueel afschermende, maskerende en/of het landschapsbeeld versterkende en overwegend opgaande (rand)beplanting binnen, op de rand of direct aansluitend op het bestemmingsvlak of bouwperceel van een bedrijf, een woning of een terrein met een andere functie.
 
1.26 Extensief recreatief medegebruik:
Niet-bedrijfsmatig recreatief medegebruik van gronden, zoals wandelen, fietsen, varen en daarmee gelijk te stellen activiteiten, dat een specifiek beslag legt op de ruimte, behoudens ruimtebeslag door voet-, fiets- en ruiterpaden en die in hoofdzaak gericht zijn op natuur- en landschapsbeleving.
 
1.27 Functie
Doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan.
 
1.28 Gebouw
Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
 
1.29 Geluidgevoelige ruimte
Een ruimte binnen een woning voor zover die kennelijk als slaap-, woon-, of eetkamer wordt gebruikt of voor een zodanig gebruik is bestemd.
 
1.30 Hoofdfunctie
Een functie waarvoor het hoofdgebouw en/of gronden als zodanig mag worden gebruikt.
 
1.31 Hoofdgebouw
Een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt.
 
1.32 Huishouden
Een alleenstaande, of twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren. Indien het huishouden uit twee of meer personen bestaat, betreft het een leefvorm of samenlevingsvorm met een continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid.
 
1.33 Kamerverhuur
Het opdelen van een woning in twee of meer onzelfstandige wooneenheden óf het opdelen van een woning in één zelfstandige en één of meer onzelfstandige wooneenheden.
 
1.34 Kampeermiddel
Tent, tentwagen, kampeerauto, caravan of enig ander onderkomen of verblijf, geen bouwwerk zijnde, dat geschikt is voor tijdelijk recreatief nachtverblijf.
 
1.35 Kampeerterrein
Terrein, geheel of gedeeltelijk ingericht en bedrijfsmatig geëxploiteerd, dat is bestemd om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen.
 
1.36 Kelder
Een nagenoeg geheel ondergronds gelegen ruimte, die grotendeels is gesitueerd onder een bijbehorende bovengronds bouwwerk.
 
1.37 Kleinschalige bedrijvigheid
Het verlenen van diensten of het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door middel van handwerk, waarvan de omvang in een woning met bijbehorende gebouwen past en de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin in overwegende mate blijft behouden. Hieronder wordt mede begrepen consumentenverzorging.
 
1.38 Kleinschalige overnachting
Een kleinschalige overnachtings- en verblijfsaccommodatie, gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een kortdurend verblijf en eventueel het serveren van ontbijt, waarvoor een vergoeding wordt betaald.
 
1.39 Kunstwerken
Waterstaatkundige bouwwerken die van belang zijn voor de functie die de wateren hebben, dan wel uit andere hoofde behoren tot of gelegen zijn in een watergang.
 
1.40 LIR
Landschapsinvesteringsregeling (LIR) 2019 gemeente Best, en opvolgende beleidsregels, waarin, met betrekking tot de beoordeling van initatiatieven, de verschillende vormen van bijdragen aan de kwaliteit van het landschap zijn voorgeschreven.
 
1.41 Mantelzorg
Langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende (fysiek, psychisch en/of sociaal) door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten van elkaar overstijgt.
 
1.42 Nevenactiviteiten
Activiteiten die in ruimtelijk functioneel en inkomen wervend opzicht duidelijk ondergeschikt zijn aan de toegestane hoofdactiviteit/hoofdfunctie.
 
1.43 Nutsvoorzieningen
Voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling, apparatuur voor telecommunicatie, voorzieningen ten behoeve van het openbaar vervoer en/of het wegverkeer.
 
1.44 Overkapping
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een dak en niet meer dan 1 wand.
 
1.45 Peil
  • Voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst; de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang.
  • In andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld.
 
1.46 Perceelsgrens
De grens van een bouwperceel.
 
1.47 Permanente bewoning
het gebruik van een gebouw of ander onderkomen als woonruimte op een wijze, die ingevolge de bepalingen van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, noopt tot inschrijving van de bewoner(s) in het bevolkingsregister van de gemeente waarin dat gebouw is gelegen; of indien betrokkene op meer dan één adres woont, het gebruik van het gebouw of ander onderkomen als verblijf waar betrokkene naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten met dien verstande dat van permanente of tijdelijke bewoning voorts wordt geacht sprake te zijn wanneer buiten het zomerseizoen (dat loopt van 1 mei tot 1 oktober) in een kalenderjaar ter plaatse door betrokkene meer dan 70 maal nachtverblijf wordt gehouden en door betrokkene niet aannemelijk is of kan worden gemaakt, dat elders over een hoofdwoonverblijf kan worden beschikt.
 
1.48 Recreatief medegebruik
Een recreatief gebruik van gronden dan ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan. Voorbeelden hiervan zijn wandelen, fietsen, paardrijden en sportvissen.
 
1.49 Recreatieve voorziening
Voorzieningen bedoeld voor recreatieve activiteiten die in de vrije tijd plaatsvinden en ontspanning tot doel hebben, zoals musea, sportterreinen, speeltuinen, hondenoefenterreinen, dierenparken en openluchttheaters.
 
1.50 Toename stikstofemissie
  1. Er is sprake van een toename van stikstofemissie door het gebruik van gronden en bouwwerken wanneer de emissie van stikstof (N/kg/jaar*) meer bedraagt dan de emissie van stikstof (N/kg/jaar*) afkomstig van het feitelijk bestaande, planologisch legale gebruik van gronden en bouwwerken, voorafgaand aan de vaststelling van het plan.
  2. Indien een gelijkblijvende of een afname van de stikstofemissie (N/kg/jaar*) afkomstig van het feitelijk bestaande, planologisch legale gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken voorafgaand aan de vaststelling van het plan, een hogere stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige en voor stikstof overbelaste habitats in een Natura 2000-gebied, dan wordt dit eveneens beschouwd als een toename van stikstofemissie;
  3. Als uitzondering op lid a en lid b van deze bepaling geldt het volgende:
    1. de emissie N/kg/jaar afkomstig van betreffende gronden en bouwwerken bedraagt maximaal de emissie( N/kg/jaar*) afkomstig van de betreffende gronden en bouwwerken conform de ten tijde geldende stikstofwetgeving.
    2. de toename van de stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige en voor stikstof overbelaste habitats in een Natura 2000-gebied ten gevolge van een toename van stikstofemissie zoals bedoeld in lid a en lid b van deze bepaling, kleiner is dan 0,005 mol/ha/jaar.
 
er is geen sprake van een toename van stikstofemissie wanneer er sprake is van één van de volgende situaties:
* wanneer in deze regels 'emissie N/kg/jaar' wordt gebruikt, wordt de hiervan onderdeel uitmakende hoofdletter 'N' bedoeld als verzamelnaam voor NH3 en NOx.
 
1.51 Teeltondersteunende voorziening
Ondersteunende voorziening die een onderdeel is van de vollegrondse bedrijfsvoering van een (vollegronds)teeltbedrijf, waarbij het volgende onderscheid wordt gemaakt:
  1. teeltondersteunende kas:
een teeltondersteunde voorziening in de vorm van een (permanente) kas.
  1. hoge teeltondersteunende voorzieningen met een permanent karakter:
teeltondersteunende voorzieningen, in de regel hoger dan 1,5 meter, ter bescherming van zaaisels en planten, tegen onkruid en wildschade en tegen weersinvloeden, die vrij makkelijk verwijderbaar zijn, maar waarbij dat niet na elk teeltseizoen plaats vindt. Hieronder worden in ieder geval verstaan:
  • teeltbakken in stellingen of teelttafels, eventueel met regenkappen;
  • ondersteunende (glas)kassen;
  • plastic-/foliekassen, -tunnels en -regenkappen.
  1. hoge teeltondersteunende voorzieningen met een tijdelijk karakter:
teeltondersteunende voorzieningen, in de regel hoger dan 1,5 meter, ter bescherming van zaaisels en planten, tegen onkruid en wildschade en tegen weersinvloeden, die aanwezig zijn gedurende de periode dat de teelt dat vereist, en die na (een deel van) van het teeltseizoen, en uiterlijk binnen 8 maanden, weer worden verwijderd. Hieronder worden in ieder geval verstaan:
  • menstoegankelijke wandelkappen;
  • schaduwhallen voor het afharden van producten en ter bescherming van plantmateriaal tegen scherpe zon;
  • hagelnetten en vraatnetten.
  1. lage ondersteunende voorzieningen met een meer permanent karakter/containervelden
ondersteunende voorzieningen voor plantaardige teelten, die op of nabij de grond worden aangebracht, voor zogenaamde containerteelt. Hierbij kan het volgende onderscheid worden gemaakt:
  • containervelden als onomkeerbare voorziening, waarbij gebruik gemaakt wordt van een geheel verharde ondergrond veelal van niet-openbare/gesloten verhardingen, zoals beton;
  • containervelden als omkeerbare voorzieningen, waarbij gebruik gemaakt wordt van anti-worteldoek met daartussen opneembare of open verhardingen, zoals betonplaten, tegel- of klinkerbestratingen.
  1. lage teeltondersteunende voorzieningen met een tijdelijk karakter
teeltondersteunende voorzieningen, met een hoogte van maximaal 1,5 meter, aanwezig gedurende de periode dat de teelt dat vereist, en die na (een deel van) het teeltseizoen, en uiterlijk binnen 8 maanden, weer worden verwijderd. Hieronder worden in ieder geval verstaan:
  • lage tunnels van halfronde bogen waarover plastic of gaasdoek wordt gespannen, insectengaas, afdekfolies, vlakveldfolies.
 
1.52 Verblijfsrecreatie
Het verblijf voor recreatieve doeleinden buiten de eerste woning, waarbij ten minste een nacht wordt doorgebracht, met uitzondering van overnachtingen bij familie en kennissen.
 
1.53 Vloeroppervlakte
de oppervlakte van de vloer van de begane grond.
 
1.54 Voorgevel
De gevel van de voorzijde van een gebouw.
 
1.55 Voorgevellijn
De lijn waarin de voorgevel van een bouwwerk is gelegen alsmede het verlengde daarvan.
 
1.56 Voorzieningen van algemeen nut
Voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer.
 
1.57 Water en waterhuishoudkundige voorzieningen
Al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voor voorzieningen, die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten en dergelijke.
 
1.58 Werk
Een constructie, geen gebouw of bouwwerk zijnde.
 
1.59 Woning
Een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden, dan wel voor de huisvesting van één huishouden met daarbij niet bedrijfsmatige kamerverhuur van maximaal 2 personen, danwel voor de huisvesting van maximaal 4 personen, die geen gezamenlijk huishouden vormen maar wel gezamenlijk gebruikmaken van de voorzieningen als ware het één huishouden. In het laatste geval dient sprake te zijn van een gebruiksoppervlakte van minimaal 12 m2 per persoon. Binnen een woning is sprake van één zelfstandige wooneenheid, dat wil zeggen één eenheid waarin een zelfstandig huishouden kan worden gevoerd doordat die eenheid beschikt over de daartoe strekkende voorzieningen (sanitair, kookgelegenheid en dergelijke) en een eigen huisnummer.
 
Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen
 
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
2.1. De dakhelling:
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
 
2.2. De goothoogte van een bouwwerk:
Vanaf het peil tot aan de bovenkant de goot, c.q. druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
 
2.3. De inhoud van een bouwwerk:
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
 
2.4. De (bouw)hoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
 
2.5. De oppervlakte van een bouwwerk:
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
 
2.6. De oppervlakte van zonnepanelen:
De oppervlakte van geplaatste of geïnstalleerde zonnepanelen is de netto oppervlakte loodrecht gemeten vanuit de lucht.
 
2.7. De afstand tot de weg:
De afstand tussen de bebouwing en de as van de weg.
 
2.8. De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens:
De kortste afstand van enig punt van een gebouw tot de zijdelingse grens van het bouwperceel.
 
2.9. De breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk:
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidsmuren.
 
2.10. Ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk:
Vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
 
2.11. Ondergeschikte bouwdelen:
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- en/of functiegrenzen niet meer dan 1,00 meter bedraagt.
 
Artikel 3 Toepassingsbereik
 
  1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in sub c.
  2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie ‘Aarleseweg 24, Best’, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0753.TAMOPAarleseweg24-VG01,. zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
 
2 Regels voor functies en activiteiten
 
Artikel 4 Agrarisch
 
4.1 Functies en gebruik
In het voor 'Agrarisch' aangewezen gebied zijn de volgende functies/gebruiksactiviteiten toegestaan:
  1. agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen, waarbij hobbymatig gebruik van de gronden rondom en aansluitend aan de woonfunctie is toegestaan;
  2. behoud, herstel en ontwikkeling van landschapselementen/landschappelijke inpassing ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - landschappelijke inpassing’;
  3. behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden;
  4. teeltondersteunende voorzieningen;
  5. groenvoorzieningen;
  6. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  7. extensief recreatief medegebruik;
overeenkomstig de in 4.2 opgenomen specifieke regels over het gebruik.
 
4.2 Specifieke regels over het gebruik
Toegestane gebruiksvormen per categorie
  1. Teeltondersteunende voorzieningen
Enkel hoge en lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan.
 
  1. Hobbymatig gebruik
Het genoemde hobbymatig gebruik van de agrarische gronden is uitsluitend toegestaan binnen een contour van 50 m rondom en aansluitend aan de in 4.1 genoemde functies, en mag uitsluitend bestaan uit hobbymatig agrarisch gebruik, zoals bijvoorbeeld voor het laten grazen van paarden en andere dieren of een boomgaard met dien verstande dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet is toegestaan.
 
4.3 Bouwen
In het voor 'Agrarisch’ aangewezen gebied gelden de volgende beoordelingsregels voor bouwactiviteiten.
 
4.3.1 Gebouwen
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
 
4.3.2 Bouwwerken geen gebouw zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
  1. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat uitsluitend open erfafscheidingen zijn toegestaan, alsmede eenvoudige voorzieningen voor recreatief medegebruik, zoals prullenbakken, bankjes, bewegwijzering.
  2. Verlichting is niet toegestaan tenzij het bestaande verlichting betreft met de bestaande hoogte als maximum.
  3. De bouwhoogte van de voorzieningen voor recreatief medegebruik mag niet meer bedragen dan 3,5 m; de bouwhoogte van de open erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m.
 
4.4 Gebruiksregels
Tot een strijdig gebruik met de agrarische functie wordt in ieder geval verstaan het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van:
  1. het gebruiken of het laten gebruiken van gronden waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt;
  2. voor het beproeven van of racen/crossen met motoren of voertuigen, alsmede voor lawaaisporten;
  3. gewasbeschermingsmiddelen op een afstand van minder dan 50 m van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies;
  4. buitenopslag;
  5. het (half)verharden van onverharde wegen en paden.
 
4.5 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit
 
4.5.1 Vergunningplicht uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
Het is verboden op of in het voor 'Agrarisch’ aangewezen gebied zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, met een oppervlakte van meer dan 100 m².
 
4.5.2 Uitzonderingen
Het in 4.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud en/of beheer betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  2. reeds legaal in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
 
4.5.3 Toelaatbaarheid
De in 4.5.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud van de agrarische gronden.
 
Artikel 5 Wonen
 
5.1 Functies en gebruik
In het voor 'Wonen' aangewezen gebied zijn de volgende functies/gebruiksactiviteiten toegestaan:
  1. wonen in een woning met de daarbij behorende bijgebouwen;
  2. behoud, herstel en ontwikkeling van landschapselementen/landschappelijke inpassing ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen – landschappelijke inpassing’;
  3. aan huis verbonden beroepen;
één en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals voorzieningen voor verkeer en verblijf, wegen en paden; tuinen en erven; parkeervoorzieningen; erfontsluitingen; groenvoorzieningen (en landschapselementen/landschappelijke inpassing); water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
en overeenkomstig de in 5.2 opgenomen specifieke regels over het gebruik.
 
5.2 Specifieke regels over het gebruik
a Aantal woningen
Voor woningen gelden de volgende bepalingen:
  1. per voor ‘Wonen’ aangewezen gebied is maximaal één woning toegestaan.
 
5.3 Bouwen
In het voor 'Wonen’ aangewezen gebied gelden de volgende beoordelingsregels voor bouwactiviteiten.
 
5.3.1 Algemeen
Voor gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende algemene bouwregels:
  1. Nieuwbouw van hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is uitsluitend toegestaan ter plaatse van het voor ‘Wonen’ aangewezen gebied;
  2. in afwijking van lid a is binnen het tevens voor ‘Leiding -Riool’ aangewezen gebied geen nieuwbouw toegestaan van hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde’.
 
5.3.2 Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:
  1. vervangende nieuwbouw van de woning mag uitsluitend worden gesitueerd ter plaatse van de bestaande fundering en, ingeval van uitbreiding, daar direct op aansluitend, mits de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 3 meter bedraagt. De bestaande bouwwijze dient te worden gehandhaafd;
  2. de inhoud mag niet meer bedragen dan 750 m3, met dien verstande dat:
    1. indien de bestaande inhoud reeds meer dan 750 m3 bedraagt, geldt deze bestaande inhoud als de maximum toegestane inhoud;
  3. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 5,50 m;
  4. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m.
 
 
5.3.3 Bijgebouwen bij woningen
Voor het bouwen van aangebouwde en/of vrijstaande bijgebouwen gelden per woning de volgende bepalingen:
  1. bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 2 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd;
  2. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen mag niet meer bedragen dan met de aanduiding 'maximum oppervlakte bijgebouwen (m2)' aangegeven maximale oppervlakte;
  3. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
  4. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 m.
 
5.3.4 Bouwwerken geen gebouw zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
  1. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m voor en 2 m achter de voorgevellijn;
  2. voor carports en overkappingen, behorende bij de woning, geldt het volgende:
    1. ze dienen minimaal 2 m achter de voorgevelrooilijn te worden gesitueerd
    2. de hoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
    3. de totale oppervlakte per woning, mag niet meer bedragen dan 50 m2, met dien verstande dat de maximale oppervlakte aan bijgebouwen inclusief overkappingen/carporten in totaal maximaal 300 m2 mag bedragen.
  3. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen of carports/overkappingen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m;
  4. Voor onoverdekte zwembaden geldt dat de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 100 m².
 
5.4 Gebruiksregels
 
5.4.1 Gebruik woning
Tot een strijdig gebruik met de woonfunctie wordt in ieder geval verstaan het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van:
  1. het gebruiken of het laten gebruiken van gronden en bouwwerken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt;
  2. kleinschalige overnachting, behoudens bestaande kleinschalige overnachtingen;
  3. voor bedrijvigheid.
 
5.4.2 Aan huis verbonden beroep
Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van aan huis verbonden beroepen gelden de volgende bepalingen:
  1. de vloeroppervlakte voor aan huis verbonden beroepen in de woning en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woning tot een maximum van 100 m²;
  2. uitsluitend beroepsactiviteiten zijn toegestaan indien deze voorkomen in, of gelijk te stellen zijn aan de lijst aan huis verbonden beroepen, zoals opgenomen in bijlage 1 Lijst beroep aan huis.
  3. detailhandel is niet toegestaan;
  4. de activiteit wordt uitgeoefend door een bewoner (ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie) van het pand.
 
5.5 Vergunningplicht voor activiteiten
 
5.5.1 Kleinschalige bedrijvigheid
Het bevoegd gezag verleent in afwijking van het bepaalde in artikel 5.4.1. een omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor kleinschalige bedrijvigheid, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
  1. de bedrijvigheid mag worden gevestigd in de woning en/of een bijbehorend bijgebouw, voorzover dit past binnen de vigerende bouwregels die voor de woning en bijgebouwen gelden,
  2. de woonfunctie blijft in overwegende mate behouden;
  3. er vindt geen detailhandel plaats;
  4. het gebruik leidt niet tot een onevenredige aantasting van het woonklimaat;
  5. het uitsluitend een bedrijfsactiviteit betreft welke voorkomt in, of gelijk te stellen is aan de lijst kleinschalige bedrijvigheid zoals opgenomen in bijlag 2 Lijst kleinschalige bedrijvigheid (niet limitatieve lijst), alsmede inpandige statische opslag;
  6. er vindt geen buitenopslag plaats;
  7. de omvang van de activiteit bedraagt niet meer dan 40% van de vloeroppervlakte van de woning, tot een maximum van 100 m²;
  8. er worden geen reclame-uitingen geplaatst, behalve hetgeen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening is toegestaan;
  9. de activiteit wordt uitgeoefend door een bewoner (ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie) van het pand.
 
5.5.2 Kleinschalige overnachting
Het bevoegd gezag verleent in afwijking van het bepaalde in artikel 5.4.1. een omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor kleinschalige overnachting, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
  1. de voorziening mag worden gevestigd in de woning en/of een bijbehorend bijgebouw, voorzover dit past binnen de vigerende bouwregels die voor de woning en bijgebouwen gelden;
  2. de voorziening is kleinschalig en ondergeschikt aan de woonfunctie:
  3. het aantal kamers bedraagt maximaal 5;
  4. het aantal gasten per nacht bedraagt maximaal 10;
  5. de oppervlakte die voor kleinschalige overnachting mag worden gebruikt, bedraagt maximaal 50% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw van de woning, tot een maximum van 150 m2. Indien de woning en/of een bijbehorend bijgebouw ook worden gebruikt voor een aan huis verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijvigheid, gelden genoemd percentage en oppervlakte als maximum voor het aan huis verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijvigheid en kleinschalige overnachting samen;
  6. de voorziening mag geen belemmering vormen voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende (bedrijfs)percelen;
  7. ter plaatse is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd;
  8. permanente bewoning van de voorziening is niet toegestaan;
  9. de voorziening wordt geëxploiteerd door de hoofdbewoner of eigenaar van de betreffende woning, die op het adres van het pand is ingeschreven in het GBP. De hoofdbewoner of eigenaar dient tijdens het nachtverblijf op het adres aanwezig te zijn.
 
5.5.3 Meergeneratiewoning
Het bevoegd gezag verleent in afwijking van het bepaalde in artikel 5.4 een omgevingsvergunning voor het gebruiken van een deel van de woning of bijbehorende bouwwerken bij een woning of een tijdelijke woonunit voor een tweede huishouden, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
  1. er is sprake van het wonen van meerdere generaties bij elkaar, uitsluitend in een familierelatie In de 1e lijn;
  2. het is alleen toegestaan indien een van de bewoners 60 jaar of ouder is;
  3. het dient te passen binnen de bouwregels van dit hoofdstuk dan wel de vergunningvrije bouwregels;
  4. er mag maximaal 100 m2 door het tweede huishouden in gebruik worden genomen;
  5. in afwijking van het bepaalde onder c kan binnen het bouwvlak een tijdelijke woonunit van maximaal 100 m² worden toegestaan op een maximale afstand van 25 meter tot de bedrijfswoning;
  6. er blijft planologisch-juridisch sprake van één woning;
  7. zodra één van de generaties niet meer verblijft in het pand/op het perceel, dient de (bouwkundige) voorziening c.q. tijdelijke woonunit voor het 2e huishouden te worden verwijderd;
  8. er mag geen kadastrale splitsing plaatsvinden;
  9. aan het gebruik in relatie tot het wonen kan nimmer het recht worden ontleend voor een planologisch-juridisch gebruik als twee (zelfstandige) (bedrijfs)woningen;
  10. aan het gebruik kan nimmer het recht worden ontleend op woningsplitsing;
  11. wanneer in de toekomst mantelzorg noodzakelijk is, dan wordt het gedeelte dat c.q. de (bouwkundige) voorziening c.q. tijdelijke woonunit die bestemd is voor het tweede huishouden gebruikt ten behoeve van deze mantelzorgbehoefte;
  12. indien het tweede huishouden in een ander gebouw verblijft dan de woning, dan gelden de volgende aanvullende voorwaarden:
    1. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen; waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
    2. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
  13. er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregeling (LIR);
  14. indien gebruik wordt gemaakt van een tijdelijke woonunit (onder e) is juridisch en financieel geborgd dat de voorzieningen na afloop van het gebruik worden verwijderd.
 
5.6 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit
 
5.6.1 Vergunningplicht uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
  1. het verwijderen van landschapselementen/landschappelijke inpassing ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen – landschappelijke inpassing'.
 
5.6.2 Uitzonderingen
Het in 5.6.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud en/of beheer betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  2. reeds legaal in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
 
5.6.3 Toelaatbaarheid
  1. De in 5.6.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien de werken en werkzaamheden geen aantasting van de aanwezige landschappelijke inpassing betekent, zoals vastgelegd in het landschappelijk inpassingsplan (bijlage 3), dan wel anderszins wordt voorzien in een gelijkwaardige zorgvuldige landschappelijke inpassing.
 
Artikel 6 Leiding - Riool
 
6.1 Functies en gebruik
 
6.1.1 Algemeen
In het voor 'Leiding - Riool' aangewezen gebied zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van een ondergrondse rioolwatertransportleiding met de daarbij behorende belemmeringenstrook.
 
6.1.2 Voorrangsregeling
Indien strijd ontstaat tussen het belang van de bescherming van de leiding als bedoeld in dit artikel en het bepaalde in de artikelen 4 en 5, prevaleert de regeling zoals opgenomen in dit artikel.
 
6.2 Bouwen
In het voor 'Leiding - Riool’ aangewezen gebied gelden de volgende beoordelingsregels voor bouwactiviteiten:
  1. op deze gronden mogen ten behoeve van de in 6.1 genoemde functie uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 meter;
  2. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende functie(s mag - met inachtneming van de voor de betrokken functie(s) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien:
    1. het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande, legaal aanwezige bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; en
    2. de leidingbeheerder heeft ingestemd met de vervanging, vernieuwing of verandering van de bouwwerken als genoemd onder 1.
 
6.3 Vergunningsplicht voor bouw
Het bevoegd gezag verleent een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bepaalde in 6.2 en staat toe dat overeenkomstig de andere functies van deze gronden wordt gebouwd, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. het behoud van een veilige ligging, de toegankelijkheid over een breedte van 3,5 meter aan weerszijden van het hart van de leiding en de continuïteit van de leiding is gewaarborgd;
  2. het bevoegd gezag dient vooraf schriftelijk advies in te winnen bij de betreffende leidingbeheerder, omtrent het bepaalde onder a.
 
6.4 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit
 
6.4.1 Vergunningplicht uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
Het is verboden op of in de gronden met de functie 'Leiding - Riool' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  2. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
  3. het vellen of rooien van houtgewas;
  4. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  5. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  6. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  7. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers of andere wateren;
  8. het plaatsen van lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilbair.
 
6.4.2 Uitzonderingen
Het in 6.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud en/of beheer betreffen, dan wel volgens bevoegd bezag en de leidingbeheerder van ondergeschikte betekenis zijn;
  2. reeds legaal in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

6.4.3 Toelaatbaarheid
De werken of werkzaamheden als bedoeld in 6.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien:
  1. het leidingbelang daardoor niet wordt geschaad;
  2. het bevoegd gezag vooraf schriftelijk advies vraagt bij de betreffende leidingbeheerder omtrent het bepaalde onder a en de eventueel aan de omgevingsvergunning te stellen voorwaarden.
 
Artikel 7 Waarde - Archeologie 3
 
7.1 Functies en gebruik
 
7.1.1 Algemeen
De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden hebben, behalve voor de andere toegestane functies en activiteiten, mede de functie van het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.
 
7.1.2 Meerdere archeologische dubbelfuncties
Indien een bouwwerk wordt gebouwd, of een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden worden uitgevoerd binnen verschillende archeologische dubbelfuncties op een bouwperceel, gelden de meest strenge regels voor het hele bouwperceel.
 
7.2 Bouwen
Binnen het voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gebied mogen uitsluitend bouwwerken worden opgericht ten behoeve van de op deze gronden liggende functie(s), indien en voor zover het een bouwplan betreft:
  1. Met een oppervlakte van maximaal 250 m2, of;
  2. met een oppervlakte groter dan 250 m2 en een verstoringsdiepte van minder dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld, of;
  3. dat betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, dan wel niet meer dan 2,5 m uit de bestaande fundering wordt gebouwd.
 
7.3 Maatwerkvoorschriften
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd maatwerkvoorschriften op te nemen ten aanzien van de afmetingen en de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.
 
7.4 Vergunningsplicht in verband met de archeologische waarde
 
7.4.1 Algemeen
Het bevoegd gezag verleent in afwijking van het bepaalde in 7.2 een omgevingsvergunning voor het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden voorkomende functie(s), indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat er geen of nauwelijks behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn dan wel dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende regels worden verbonden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouwplan) monumenten in de bodem worden behouden;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
 
7.4.2 Bouwverbod
Indien uit het (archeologisch) onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in lid 7.4.1 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.
 
7.4.3 Advies
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een afwijking van de bouwregels als bedoeld in lid 7.4.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door afwijking van de bouwregels geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
 
7.5 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit (werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden)
 
7.5.1 Aanwijzing vergunningplicht uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
Het is verboden op de voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren of uit te laten voeren:
  1. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,3 m onder maaiveld, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
  2. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplantingen, waarbij de stobben worden verwijderd;
  3. het ophogen en egaliseren van gronden;
  4. het verlagen van het waterpeil;
  5. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
  6. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers en andere wateren;
  7. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend wordt boomteelt en graszodenteelt;
  8. het afplaggen van heide- of natuurgebieden;
  9. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies waarbij de breedte van de grondwerken meer dan 50 cm bedragen;
indien de oppervlakte van het werk of de werkzaamheden groter is dan 250 m2.
 
7.5.2 Uitzonderingen
Het in lid 7.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud en/of beheer betreffen overeenkomstig de overige functies van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  3. worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  4. binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bouwwerk worden uitgevoerd.
 
7.5.3 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning als bedoeld in 7.5.1 wordt verleend indien is gebleken dat:
  1. de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden;
  2. vooraf door de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie is overlegd waaruit blijkt dat de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, waarbij:
    1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld, of;
    2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
    3. de archeologische waarden hierdoor niet onevenredig worden geschaad;
  3. voor zover de in lid 7.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologische waarden, kunnen aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende regels worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouwplan) monumenten in de bodem worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    3. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
 
7.5.4 Advies
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld lid 7.5.1 wint zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een afwijking geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
 
7.6 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit (slopen van een bouwwerk)
 
7.6.1 Aanwijzing vergunningplicht voor het slopen van een bouwwerk
Het is verboden binnen de ‘Waarde - Archeologie 3’ aangewezen gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het slopen de aanwezige bouwwerken te slopen indien de oppervlakte groter is dan 250 m2 en de diepte meer dan 0,3 m bedraagt.
 
7.6.2 Maatwerk voorschriften
  1. Aan de omgevingsvergunning voor slopen kan in ieder geval de voorwaarde worden verbonden dat de sloop wordt begeleid door een erkende archeologische partij.
 
7.6.3 Omgevingsvergunning
Het bevoegd gezag verleent een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bepaalde in lid 7.6.1, met dien verstande dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien sloop onevenredige aantasting van de archeologische waarden tot gevolg heeft.
 
Artikel 8 Waarde - Archeologie 4
 
8.1 Functies en gebruik
 
8.1.1 Algemeen
De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden hebben, behalve voor de andere toegestane functies en activiteiten, mede de functie van het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.
 
8.1.2 Meerdere archeologische dubbelfuncties
Indien een bouwwerk wordt gebouwd, of een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden worden uitgevoerd binnen verschillende archeologische dubbelfuncties op een bouwperceel, gelden de meest strenge regels voor het hele bouwperceel.
 
8.2 Bouwen
Binnen het voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gebied mogen uitsluitend bouwwerken worden opgericht ten behoeve van de op deze gronden liggende functie(s), indien en voor zover het een bouwplan betreft:
  1. Met een oppervlakte van maximaal 500 m2, of;
  2. met een oppervlakte groter dan 500 m2 en een verstoringsdiepte van minder dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld, of;
  3. dat betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, dan wel niet meer dan 2,5 m uit de bestaande fundering wordt gebouwd.
 
8.3 Maatwerkvoorschriften
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd maatwerkvoorschriften op te nemen ten aanzien van de afmetingen en de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.
 
8.4 Vergunningsplicht in verband met de archeologische waarde
 
8.4.1 Algemeen
Het bevoegd gezag verleent in afwijking van het bepaalde in 8.2 een omgevingsvergunning voor het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden voorkomende functie(s), indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat er geen of nauwelijks behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn dan wel dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende regels worden verbonden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouwplan) monumenten in de bodem worden behouden;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
 
8.4.2 Bouwverbod
Indien uit het (archeologisch) onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in lid 8.4.1 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.
 
8.4.3 Advies
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een afwijking van de bouwregels als bedoeld in lid 8.4.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door afwijking van de bouwregels geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
 
8.5 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit (werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden)
 
8.5.1 Aanwijzing vergunningplicht uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
Het is verboden op de voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren of uit te laten voeren:
  1. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,3 m onder maaiveld, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
  2. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplantingen, waarbij de stobben worden verwijderd;
  3. het ophogen en egaliseren van gronden;
  4. het verlagen van het waterpeil;
  5. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
  6. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers en andere wateren;
  7. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend wordt boomteelt en graszodenteelt;
  8. het afplaggen van heide- of natuurgebieden;
  9. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies waarbij de breedte van de grondwerken meer dan 50 cm bedragen;
indien de oppervlakte van het werk of de werkzaamheden groter is dan 500 m2.
 
8.5.2 Uitzonderingen
Het in lid 8.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud en/of beheer betreffen overeenkomstig de overige functies van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  3. worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  4. binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bouwwerk worden uitgevoerd.

8.5.3 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning als bedoeld in 8.5.1 wordt verleend indien is gebleken dat:
  1. de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden;
  2. vooraf door de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie is overlegd waaruit blijkt dat de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, waarbij:
    1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld, of;
    2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
    3. de archeologische waarden hierdoor niet onevenredig worden geschaad;
  3. voor zover de in lid 8.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologische waarden, kunnen aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende regels worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouwplan) monumenten in de bodem worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    3. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
 
8.5.4 Advies
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld lid 8.5.1 wint zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een afwijking geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
 
8.6 Omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit (slopen van een bouwwerk)
 
8.6.1 Aanwijzing vergunningplicht voor het slopen van een bouwwerk
Het is verboden binnen de ‘Waarde - Archeologie 4’ aangewezen gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het slopen de aanwezige bouwwerken te slopen indien de oppervlakte groter is dan 50 m2 en de diepte meer dan 0,3 m bedraagt.
 
8.6.2 Maatwerk voorschriften
  1. Aan de omgevingsvergunning voor slopen kan in ieder geval de voorwaarde worden verbonden dat de sloop wordt begeleid door een erkende archeologische partij.
 
8.6.3 Omgevingsvergunning
Het bevoegd gezag verleent een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bepaalde in lid 8.6.1, met dien verstande dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien sloop onevenredige aantasting van de archeologische waarden tot gevolg heeft.
 
3 Algemene regels
 
Artikel 9 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 10 Algemene gebruiksregels
 
10.1 Gebruik van gronden of bouwwerken
Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies en/of gebruiksactiviteiten.
 
10.2 Landschappelijke inpassing
Het is verboden de gronden en bouwwerken ter plaatse van de werkingsgebieden ‘Agrarisch’ en ‘Wonen’ ter plaatse te gebruiken of (doen) laten gebruiken indien de landschappelijke inpassing conform Bijlage 3 of een soortgelijke landschappelijke inpassing die middels een omgevingsvergunning is toegestaan, niet binnen 1 jaar na inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan is gerealiseerd en in stand wordt gehouden, met dien verstande dat de bomen buiten de als ‘Leiding - Riool’ aangewezen gronden moeten worden aangeplant.
 
10.3 Parkeren
Het is verboden de gronden en bouwwerken ter plaatse van de werkingsgebieden ‘Agrarisch’ en ‘Wonen’ te gebruiken of (doen) laten gebruiken indien niet binnen 1 jaar na inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan is voorzien in voldoende parkeergelegenheid, overeenkomstig artikel 13.1 van dit TAM-omgevingsplan.
 
10.4 Sloop overtollige bebouwing
Het is verboden de gronden en bouwwerken ter plaatse van de werkingsgebieden ‘Agrarisch’ en ‘Wonen’ te gebruiken of (doen) laten gebruiken indien niet binnen 1 jaar na inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan de in bijlage 4 Te slopen gebouwen als te slopen aangeduide gebouwen zijn gesloopt en de gehele overtollige erfverharding, buitenopslag en aanhorigheden is verwijderd.
 
10.5 Uitvoeren verkennend bodem- en asbestonderzoek
Het (doen/laten) gebruik(en) voor wonen als bedoeld in artikel 5.1 en agrarisch als bedoeld in artikel 4.1 is uitsluitend toegestaan nadat voor het totale plangebied (na de sloop van de bedrijfsbebouwing en bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen) middels een verkennend bodem- en asbestonderzoek is aangetoond dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik dan wel als de resultaten van deze onderzoeken daar aanleiding toe geven de bodem middels een sanering geschikt is gemaakt voor het beoogde gebruik.
 
10.6 Uitvoeren archeologisch onderzoek
Het (doen/laten) gebruik(en) voor wonen als bedoeld in artikel 5.1 is uitsluitend toegestaan indien bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, waarbij een bouwwerk groter dan 250 m2 mogelijk wordt gemaakt binnen de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 3” een nader archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd. Een en ander zoals opgenomen in bijlage 7 bij de regels.
 
Artikel 11 Algemene bouwregels
 
11.1 Maatwerkvoorschriften
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd maatwerkvoorschriften op te nemen aan de situering en de afmetingen van de bouwwerken, ten behoeve van:
  1. het straat- en bebouwingsbeeld;
  2. de verkeersveiligheid;
  3. de sociale veiligheid;
  4. de bescherming van gevestigd zakelijk recht.
 
11.2 Bestaande afwijkende maatvoering
In die gevallen, dat de (goot)hoogte, de oppervlakte, de inhoud, een bebouwingspercentage en/of de afstand tot de weg of perceelsgrenzen, en andere maten, legaal aanwezig is en met een omgevingsvergunning tot stand is gekomen, op het tijdstip van ter-inzage-legging van het ontwerp van het plan minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die bestaande maatvoering in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan, met dien verstande dat het gebouw is opgericht ten behoeve van een uit de huidige (of vergelijkbare) functie voortvloeiende activiteit.
 
11.3 Ondergronds bouwen
Voor ondergronds bouwen (bouwen beneden straatpeil) gelden de volgende bepalingen:
  1. de bebouwing moet worden opgericht onder een (bedrijfs)woning en/of andere bij de (bedrijfs)woning behorende bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de woonfunctie, met dien verstande dat deze aan één zijde maximaal 2 m buiten het bovengrondse gevelvlak mag uitsteken;
  2. de inhoud van de ondergrondse bebouwing mag niet meer bedragen dan de inhoud van het gebouw waaronder de ondergrondse bebouwing wordt gebouwd;
  3. de verticale diepte mag niet meer bedragen dan 4m.
 
Artikel 12 Algemene aanduidingsregels
 
12.1 luchtvaartverkeerzone - ihcs en invliegfunnel
Al dan niet in afwijking van het elders in de planregels bepaalde, geldt ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'luchtvaartverkeerzone - ihcs en invliegfunnel' ten behoeve van een obstakelvrij start- en landingsvlak met zijkanten ten behoeve van de vliegverkeersveiligheid een bouwverbod voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien deze een bouwhoogte kennen, die de in Bijlage 5 Luchtvaartzone Ihcs en invliegfunnel aangegeven waarde (uitgedrukt in meters boven NAP) overschrijdt.
 
12.2 Vrijwaringszone – radar
Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - radar' geldt een bouwverbod voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor een hogere bebouwing dan 90 m boven NAP, in verband met het obstakelvrij kunnen functioneren van een radarinstallatie voor vliegbewegingen.
 
Artikel 13 Overige regels
 
13.1 Parkeernormen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of een gebruiksactiviteit aan te vangen of te intensiveren die een toename van de parkeerbehoefte tot gevolg heeft.
 
13.2 Beoordelingsregels parkeernormen
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing:
  1. er dient in voldoende mate in parkeergelegenheid te worden voorzien overeenkomstig de normen in de beleidsregels in de 'Nota Parkeernormen 2022', of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s).
 
4 Overgangs- en slotregels
 
Artikel 14 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning
 
  1. De aanvraagvereisten, als bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan Best d.d. 11 juli 2024, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit TAM omgevingsplan. Als de regels uit paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan Best d.d. 11 juli 2024 in de toekomst een andere plek in de structuur van het omgevingsplan Best krijgen, zijn die regels van overeenkomstige toepassing met inachtneming van de daarop doorgevoerde wijzigingen.
  2. Bij een aanvraag om omgevingsvergunning worden de gegevens en bescheiden die redelijkerwijs benodigd zijn voor de beoordeling van de vergunningaanvraag voorgelegd. Hierbij dient de aanvrager schriftelijk te motiveren waarom wordt voldaan aan de beoordelingsregels.
 
Artikel 15 Overgangsrecht
 
15.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
 
15.2 Overgangsrecht gebruik
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde in sub a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Sub a is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan op de locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
 
Artikel 16 Slotregel
 
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het 'TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22g Aarleseweg 24, Best’.