Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Uitbreiding BestZoo, De Vleut
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0753.BpUitbreidBestZoo-VG01

Regels

1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 Plan

het bestemmingsplan 'Uitbreiding BestZoo, De Vleut' met identificatienummer NL.IMRO.0753.BpUitbreidBestZoo-VG01  van de Gemeente Best;

1.2 Aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.3 Aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.4 Archeologische/cultuurhistorische waarde

De aan een gebied toegekende waarden in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit in het verleden, tenminste ouder dan 50 jaar;

1.5 Archeologisch deskundige

professioneel archeoloog die voldoet aan de kwalificaties van de geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie;

1.6 Archeologisch monument

Gebied of terrein van zeer hoge archeologische waarde dat van rijkswege of van gemeentewege is beschermd. Dit is een gebied of terrein waar zaken aanwezig zijn die tenminste 50 jaar oud zijn en van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen terreinen van zeer hoge waarde, hoge waarde en waarde. Binnen de categorie van zeer hoge waarde zijn sommige terreinen aangewezen als beschermd monument. Indien het monument door de Minister is aangewezen, is het beschermd conform de Erfgoedwet 2016. De beschermde monumenten kennen een aanduiding op de verbeelding/plankaart;

1.7 Archeologische verwachting

aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten; de trefkans of verwachting kan uiteen lopen van geen tot laag tot zeer hoog;

1.8 Bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

1.9 Bedrijf

een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, be-werken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen;

1.10 Bedrijfsgebouw

een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;

1.11 Bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is;

1.12 Bestaand

  1. bestaande bouwwerken: bestaand ten tijde van de terinzagelegging van het bestemmingsplan als ontwerp, dan wel mogen worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;
  2. bestaand gebruik: bestaand ten tijde van het in werking treden van het bestemmingsplan;

1.13 Bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak;

1.14 Bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij behorende regels en de daarbij behorende bijlagen;

1.15 Bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.16 Bezoekerscentrum

voorziening welke informatie in de breedste zin biedt over de natuur in het Groene Woud, waarvan het aanbieden van educatieve pakketten, excursies, activiteiten, start- en eindpunt voor rondleidingen en andere vormen van extensieve recreatie en dergelijke onderdeel uitmaakt, waarbij in het gebouw onder andere de volgende functies aanwezig zijn:
  • vergaderruimte/kantoor
  • infromatie- en educatiecentrum
  • workshops 
  • expositieruimte
  • landwinkel
  • horeca (Horeca 2)
  •  ondergeschikte overige voorzieningen (toiletten, installatieruimten)

1.17 Bijgebouw

gebouw dat door zijn ligging, constructie en/of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, onderscheid wordt gemaakt in aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen;

1.18 Bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

1.19 Bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

1.20 Bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;

1.21 Bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop, ingevolge de regels, een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.22 Bouwperceelgrens

de grens van een bouwperceel;

1.23 Bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

1.24 Bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect, met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.25 Bouwwerk, geen gebouw zijnde

bouwwerk of gedeelte daarvan, voor zover dat geen gebouw of onderdeel daarvan is en niet bedoeld voor permanent menselijk verblijf;

1.26 Bruto vloeroppervlakte

De gezamenlijke vloeroppervlakte ten dienste van kantoren, winkels, horeca of andere bedrijven, met inbegrip van de daarbij behorende magazijnruimte en overige dienstruimten.

1.27 Cultuurhistorische waarden en kenmerken

waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden;

1.28 Dagrecreatie

bieden van diensten op het gebied van recreatie, educatie, cultuur of sport, door middel van publieksaantrekkende voorzieningen, welke door de consument binnen één dag kunnen worden afgenomen en welke zich geheel of in overwegende mate in de open lucht bevinden;

1.29 Detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.30 Dierenbuitenverblijf

een ten minste aan drie zijden met gaas, rasterwerk of een ander doorzichtig materiaal omgeven en aan de elementen blootgestelde loop- en/of leefruimte voor dieren;

1.31 Dierenverblijf

een gebouw ten behoeve van de huisvesting van dieren, niet zijnde een dierenbuitenverblijf;

1.32 Educatiecentrum

voorziening gericht op het informeren van bezoekers over de natuur, historie van het gebied en de dieren in de dierentuin;

1.33 Erf-/Terreinafscheiding

afscheiding, inclusief poort, van een erf en/of gedeelte van een erf (terrein);

1.34 Entreegebouw dierenpark

gebouw dat dienst doet als entree voor de dierentuin, waarbij in het gebouw tevens, maar niet uitsluitend, de volgende functies aanwezig zijn:
  • souvenirwinkel
  • educatieruimte
  • ondergeschikte daghoreca (Horeca 1)
  • dierenverblijven
  • personeelsruimten, zoals:
    • kantoorruimten
    • kantine
    • kleedruimten
    • ect.
  • overige ondergeschikte voorzieningen (toiletten, installatieruimten)
   

1.35 Erkende archeologische partij

een archeologische dienst, bedrijf of instelling, erkend door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) en werkend volgens de specificaties van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie;

1.36 Erotisch getinte vermaaksfunctie

een vermaaksfunctie, welke is gericht op het doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard, waaronder begrepen een seksbioscoop, een seksclub en een seksautomatenhal;

1.37 Escortbedrijf

de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon, die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend (escortservices, bemiddelingsbureaus, overige);

1.38 Evenement

het geheel van al dan niet incidentele kortdurende, tijdelijke activiteiten (maximaal 3 dagen per evenement inclusief opbouwen afbreken), dat plaatsvindt bij een voor publiek toegankelijke gebeurtenis. De eindtijd voor evenementen bedraagt 22.00. De evenementen hebben een binding met de dierentuin zoals gevestigd ter plaaste van de aanduiding specifieke vorm van recreatie -1, het bezoekerscentrum zoals gevestigd ter plaatse van de aanduiding specifieke vorm van recreatie - 3 of het gebied Het Groene Woud. Onder evenementen wordt onder meer verstaan:
  • demonstraties met dieren
  • markt met streekproducten 
  • kinderdagen / themadagen (Halloween, dierendag met knutselen, bouwen, etc.)

1.39 Expositie

een gelegenheid waarbij één of meer personen of organisaties objecten tonen voor een publiek van particulieren of bedrijven, die voor dit doel naar deze gelegenheid komen;

1.40 Expositieruimte

ruimte voor exposities;

1.41 Extensieve recreatie

die vormen van openluchtrecreatie, waarbij vooral het landschap of bepaalde aspecten daarvan worden beleefd, zoals wandelen en fietsen, waarbij relatief weinig recreanten aanwezig zijn per oppervlakte-eenheid en die plaatsvinden in een gebied zonder recreatievoorzieningen;

1.42 Gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.43 Horecabedrijf

een bedrijf dat is gericht op het verstrekken van een nachtverblijf en/of het ter plaatse nuttigen van voedsel en dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodatie, een en ander gepaard gaande met dienstverlening. Tot de hieronder genoemde categorieën Horeca 1 tot en met Horeca 2 worden mede begrepen de niet genoemde, maar naar aard, omvang en uitstraling op het woon- en leefmilieu vergelijkbare horecasoorten:
 
Horeca 1 (ondergeschikte daghoreca):
vormen van horeca-activiteiten die qua exploitatievorm en openingstijden aansluiten bij winkelvoorzieningen en waarbij de activiteiten primair gericht zijn op het bedrijfsmatig verstrekken van etenswaren en/of licht-alcoholische en niet-alcoholische dranken voor nuttiging al dan niet ter plaatse en waarvan de exploitatie doorgaans geen of slechts in lichte mate een aantasting van het woon- en leefklimaat kan veroorzaken, zoals broodjeszaken, ijssalons, eethuisjes en lunchrooms;
 
Horeca 2 (maaltijdverstrekkers):
vormen van horeca-activiteiten die primair zijn gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van maaltijden en/of dranken voor consumptie ter plaatse waarvan de exploitatie doorgaans geen aantasting van het woon- en leefklimaat veroorzaakt, zoals restaurants, bistro's en grand cafés.
   

1.44 Inventariserend archeologisch onderzoek

onderzoek naar de archeologische waarden binnen een plangebied, uitgevoerd volgens de geldende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Het inventariserend archeologisch onderzoek kan uit diverse stappen bestaan als bureauonderzoek, verkennend -, karterend - en waarderend inventariserend veldonderzoek met als doel vast te stellen of er archeologische resten aanwezig zijn in een plangebied en of deze behoudenswaardig zijn;

1.45 Kelder

een geheel ondergronds gelegen ruimte, die grotendeels is gesitueerd onder een bijbehorende bovengronds bouwwerk;

1.46 Landschappelijke inpassing

het optimaal op elkaar afstemmen van bebouwing en beplanting, rekening houdend met de ter plaatse voorkomende landschappelijke en cultuurhistorische waarden om zo te komen tot een landschappelijke inpassing van nieuwe bebouwing die recht doet aan de kwaliteit en de beleving van het landschap.

1.47 Landwinkel

Een winkel met verkoop van overwegend in het plangebied en de omgeving daarvan van vervaardigde producten;

1.48 Museum

een permanente instelling, toegankelijk voor publiek, die bekendheid geeft aan de materiële en immateriële getuigenissen van de mens en zijn omgeving, voor doeleinden van studie, educatie en genoegen;

1.49 Natuurspeeltuin

speeltuin met speeltoestellen van natuurlijke materialen, zoals hout, zand en water en waar ruimte wordt geboden om met deze natuurlijke materialen te spelen; 

1.50 Ondergeschikte horeca

een horecavoorziening binnen een bestemming waarvan de functie een andere dan horeca is maar waar men uitsluitend ten behoeve van de hoofdfunctie een ruimte specifiek heeft ingericht voor de consumptie van drank en etenswaren;

1.51 Ondergeschikt

voorziening in functioneel en ruimtelijk opzicht ondergeschikt aan de toegestane hoofdfunctie;

1.52 Peil

de hoogte van de weg ter plaatse van het bouwperceel;

1.53 Permanente bewoning

het gebruik van een ruimte, daaronder begrepen kampeermiddelen, chalets, stacaravans en recreatieverblijven, als woonadres als bedoeld in de Wet Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (Wet GBA);

1.54 Prostitutie

het zich ten behoeve van een ander tegen vergoeding beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele diensten;

1.55 Recreatieve voorziening

voorzieningen bedoeld voor recreatief gebruik zoals, maar niet uitsluitend, musea, sportterreinen, speeltuinen, hondenoefenterreinen, dierenparken en openluchttheaters;

1.56 Seksinrichting

de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden; onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.57 Speeltoestel

inrichting die bestemd is voor vermaak of ontspanning, waarbij uitsluitend van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens gebruik wordt gemaakt;

1.58 Straatprostitutie

het op de openbare weg door handeling, houding, woord, gebaar of op andere wijze benaderen van het publiek, met de kennelijke intentie passanten te werven voor prostitutie;

1.59 Water en waterhuishoudkundige voorzieningen

al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc;

1.60 Waterpeil

de hoogte (het niveau) van de waterspiegel gemeten naar NAP op het moment van aanvraag van de omgevingsvergunning of bestemmingswijziging. Dit kan betrekking hebben op zowel oppervlaktewater als grondwater;

1.61 Werk

een werk, geen gebouw of bouwwerk zijnde;

1.62 Woning

Een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden, dan wel voor de huisvesting van maximaal 4 personen, die geen gezamenlijk huishouden vormen maar wel gezamenlijk gebruikmaken van de voorzieningen als ware het één huishouden. In het laatste geval dient sprake te zijn van een gebruiksoppervlakte van minimaal 12 m² per persoon. Binnen een woning is sprake van één zelfstandige wooneenheid, dat wil zeggen één eenheid waarin een zelfstandig huishouden kan worden gevoerd doordat die eenheid beschikt over de daartoe strekkende voorzieningen (sanitair, kookgelegenheid en dergelijke) en een eigen huisnummer.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 De dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.2 De goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.3 De inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.4 De bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.5 De oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.6 De afstand tot de bestemmingsgrens

De kortste afstand van het buitenwerkse gevelvlak van een gebouw tot de bestemmingsgrens.

2.7 De afstand tot de bouwperceelsgrens

Tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.

2.8 De afstand tussen gebouwen

 De kortste afstand van de buitenwerkse gevelvlakken van de gebouwen.

2.9 De afstand tot de plangrens

De kortste afstand van het buitenwerkse gevelvlak van een gebouw tot de plangrens.

2.10 Ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- en/of bestemmingsgrenzen niet meer dan 1,00 meter bedraagt.

2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Groen

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. groenvoorzieningen;
  2. bermen en beplanting;
  3. paden voor langzaam verkeer;
  4. speelvoorzieningen;
  5. water- en waterhuishoudkundige voorzieningen.

3.2 Bouwregels

3.2.1 Gebouwen
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:
  1. de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer dan 6 m bedragen;
  2. de bouwhoogte van overige bouwwerken , geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 3 m.

3.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:
  1. De verkeersveiligheid.
  2. De sociale veiligheid.
  3. Een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld.

3.4 Specifieke gebruiksregels

Onder een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in ieder geval verstaan het gebruik voor:
  1. het opslaan van gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten, bouwmaterialen, werktuigen, machines of onderdelen hiervan;
  2. het opslaan van voer- of vaartuigen of onderdelen hiervan;
  3. het al dan niet ten verkoop opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen;
  4. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van puin, vuil of andere vaste of vloeibare afvalstoffen.

Artikel 4 Recreatie

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. dagrecreatieve voorzieningen;
  2. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - 1', een dierenpark;
  3. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - 2' een entreegebouw dierenpark, met dierenverblijven, ondergeschikte daghoreca (Horeca 1) en bijbehorende voorzieningen, zoals souvenirwinkel, educatieruimte, personeelsruimten en ondersteunende ruimtes;
  4. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - 3', een bezoekerscentrum, met horeca (Horeca 2), educatiecentrum, expositieruimtes, landwinkel en ondersteunende ruimtes;
  5. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - 4', uitsluitend een grondwal;
  6. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - 5', een natuurspeeltuin;
  7. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - 6' zijn dierenverblijven, mestopslagen en voeropslagen niet toegestaan;
  8. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - 7', een dierenweide, waarop tevens evenementen zijn toegestaan;
  9. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - 8', een dierenweide en welke tevens dienst doet als overloop-parkeerterrein;
  10. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - 9', is een uitbreiding van het dierenpark toegestaan.
  11. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - 10' is landschappelijke inpassing in de vorm van heide toegestaan;
  12. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - 11', uitsluitend een terreinafscheiding;
met daarbij behorende:
  1. een bedrijfswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding bedrijfswoning 'bw';
  2. terreinen, wegen en paden, met uitzondering van parkeren;
  3. groenvoorzieningen en landschappelijke inpassing;
  4. openbare nutsvoorzieningen;
  5. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  6. andere werken, geen bouwwerken zijnde;
  7. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

4.2 Bouwregels

 
4.2.1 Algemeen
  1. ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de bestemming;
  2. ter plaatse vand e aanduiding bedrijfswoning 'bw' is 1 bedrijfswoning toegestaan en deze mag worden heropgericht.
4.2.2 Specifieke vorm van recreatie - 1
Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – 1’ gelden de volgende bouwregels:
  1. uitsluitend bestaande bedrijfswoningen zijn toegestaan en mogen worden heropgericht, waarbij geldt dat:
    1. de herbouw uitsluitend plaats mag vinden binnen de aanduiding ‘bedrijfswoning’;
    2. de inhoud niet meer bedraagt dan 750 m³;
    3. de goothoogte niet meer bedraagt dan 5,5 m;
    4. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 10 m;
  2. Voor het bouwen van aaneen gebouwde en/of vrijstaande bijgebouwen bij woningen geldt dat:
    1. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 120 m²;
    2. bijgebouwen op minimaal 2 m achter de voorgevel van de woning worden gebouwd;
    3. de goothoogte niet meer bedraagt dan 3 m;
    4. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 5,5 m; 
  3. voor overige gebouwen geldt dat:
    1. de totale oppervlakte aan bebouwing mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak (m²) is aangegeven;
    2. de bouwhoogte maximaal 5 m bedraagt;
    3. de oppervlakte per gebouw maximaal 100 m² bedraagt;
    4. de afstand tussen twee gebouwen minimaal 10 m bedraagt;
    5. de afstand tot aan een plangrens minimaal 10 m bedraagt;
    6. voor zover de maatvoering ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerp van dit plan meer of minder bedraagt, geldt de bestaande maatvoering als maximum dan wel minimum;
  4. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
    1. voor terreinafscheidingen de maximale bouwhoogte van 5 m bedraagt;
    2. voor dierenbuitenverblijven de bouwhoogte maximaal 10 m bedraagt;
    3. voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde een maximale bouwhoogte van 10 m bedraagt;
    4. voor zover de maatvoering ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerp van dit plan meer bedraagt, geldt de bestaande maatvoering als maximum.
4.2.3 Specifieke vorm van recreatie - 2
Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie –2’ gelden de volgende bouwregels:
  1. voor gebouwen geldt dat:
    1. binnen het bouwvlak een gebouw is toegestaan, met dien verstande dat de oppervlakte van dit gebouw maximaal 1.500 m² bedraagt;
    2. de bouwhoogte maximaal 6 meter of 10 meter bedraagt, zoals aangeduid  in de hoogtemaatvoering op de plankaart;
    3. de goothoogte maximaal 6 m bedraagt, zoals op de hoogtemaatvoering op de plankaart;
    4. in afwijking van het bepaalde onder 3 voor dierverblijven geen maximale goothoogte geldt;
    5. de eerste bouwlaag mag geheel of gedeeltelijk door een grondwal worden omgeven.
  2. voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt dat:
    1. de bouwhoogte voor terreinafscheidingen maximaal 2 m bedraagt;
    2. de bouwhoogte voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal de hoogte bedraagt zoals aangeduid in de hoogtemaatvoering op de plankaart.
4.2.4 Specifieke vorm van recreatie - 3
Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie –3’ gelden de volgende bouwregels:
  1. het bouwvlak mag geheel bebouwd worden;
  2. voor gebouwen geldt dat:
    1. de bouwhoogte maximaal 10 m bedraagt;
    2. de goothoogte maximaal 6 m bedraagt;
  3. voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat:
    1. de bouwhoogte voor terreinafscheidingen maximaal 2 m bedraagt;
    2. de bouwhoogte voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal 10 m bedraagt.
4.2.5 Specifieke vorm van recreatie - 4
Ter plaatste van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie – 4' zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van een grondwal toegestaan, waarbij de bouwhoogte minimaal 2 meter en maximaal 5 meter bedraagt.
4.2.6 Specifieke vorm van recreatie - 5
Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – 5’ zijn uitsluitend speeltoestellen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, waarbij geldt dat:
  1. de bouwhoogte maximaal 10 m bedraagt;
  2. de afstand tot de plangrens minimaal 10 m bedraagt.
4.2.7 Specifieke vorm van recreatie - 6
Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – 6’ mag niet gebouwd worden ten behoeve van dierenverblijven en mest –of voeropslagen.
4.2.8 Specifieke vorm van recreatie - 7
Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – 7’ gelden de volgende bouwregels:
  1. Voor gebouwen geldt dat:
    1. de oppervlakte aan gebouwen maximaal 300 m² bedraagt;
    2. de oppervlakte per gebouw maximaal 100 m² bedraagt;
    3. de bouwhoogte maximaal 5 m bedraagt;
    4. de goothoogte maximaal 3 m bedraagt;
    5. de afstand tussen twee gebouwen minimaal 10 m bedraagt;
    6. de afstand tot de plangrens minimaal 10 m bedraagt.
  2. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt dat:
    1. de bouwhoogte voor terreinafscheidingen maximaal 2 m bedraagt;
    2. de bouwhoogte voor overige bouwwerken,  geen gebouwen zijnde  maximaal 10 m bedraagt, waarbij de afstand tot de plangrens minimaal 5 m bedraagt.
4.2.9 Specifieke vorm van recreatie - 8
Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – 8’ zijn uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde toegestaan, waarbij geldt dat:
  1. de bouwhoogte voor terreinafscheidingen maximaal 2 m bedraagt;
  2. de bouwhoogte voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal 10 m bedraagt, waarbij de afstand tot de plangrens minimaal 5 meter bedraagt.
4.2.10 Specifieke vorm van recreatie - 9
Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – 9’ is geen bebouwing toegestaan, met uitzondering van terreinafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt.
4.2.11 Specifieke vorm van recreatie - 10
Ter plaatse van de aanduiding specifieke vorm van recreatie - 10 is geen bebouwing toegestaan, met uitzondering van terreinafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 1 meter bedraagt.
4.2.12 Specifieke vorm van recreatie – 11
Ter plaatste van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie – 11' zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van terreinafscheidingen toegestaan, waarbij de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt.

4.3 Afwijken van de bouwregels

 
4.3.1 Bouwhoogte
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4 lid 2.2 sub c onder 2 en artikel 4 lid 2.3 sub a onder 3 voor een bouwhoogte van maximaal 15 m, ten behoeve van het dierenwelzijn of wettelijke huisvestingsvereisten, mits dit landschappelijk inpasbaar is.
4.3.2 Oppervlakte gebouw
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4 lid 2.2 sub c onder 3 voor oppervlakte van meer dan 100 m², ten behoeve van het dierenwelzijn of wettelijke huisvestingsvereisten, mits dit landschappelijk inpasbaar is.
4.3.3 Afstand tussen gebouwen
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4 lid 2.2 sub c onder 4 voor kleinere onderlinge afstand tussen gebouwen, indien dit noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering en mits dit landschappelijk inpasbaar is.
4.3.4 Afstand tot de plangrens
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4 lid 2.2 sub c onder 5, artikel 4 lid 2.6 sub 2, artikel 4 lid 2.8 sub 1 onder 6, artikel 4 lid 2.8 sub 2 onder 2 en artikel 4 lid 2.9 sub 2 voor een kleinere afstand tot de plangrens, mits:
  1. dit landschappelijk inpasbaar is;
  2. er geen onevenredige aantasting van de in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven, plaatsvindt. 
4.3.5 Vervangen dierenverblijven
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4 lid 2.7 voor het vervangen van bestaande dierenverblijven en mest- of voeropslagen, mits de afstand van het vervangende dierenverblijf en mest- of voeropslagen tot omliggende geurgevoelige objecten niet minder is dan de bestaande afstand van het te vervangen dierenverblijf en mest- of voeropslagen tot het geurgevoelig object.  
4.3.6 Oprichten bebouwing
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4 lid 2.10 voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – 9‘ mits:
  1. deze gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de uitbreiding van het ter plaatse van 'specifieke vorm van recreatie - 1' gevestigde dierenpark zijn;
  2. deze landschappelijk ingepast zijn;
  3. de oppervlakte aan gebouwen in totaal niet meer bedraagt dan 2.000 m², waarbij geldt dat onder genoemde oppervlakte niet wordt geschaard dierenbuitenverblijven. Deze mogen worden opgericht tot een oppervlakte zoals noodzakelijk is voor dierenwelzijn en waarmee voldaan wordt wettelijke eisen;
  4. voor gebouwen de bouwregels zoals vastgelegd in artikel 4 lid 2.2 sub c onder 2 tot en met 5 gelden, inclusief de naar deze artikelen verwijzende afwijkingsbevoegdheden;
  5. voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde de bouwregels zoals vastgelegd in artikel 4 lid 2.2 sub d, onder 1 en 2 gelden, inclusief de naar naar deze artikelen verwijzende afwijkingsbevoegdheden.
  6. er geen onevenredige aantasting van de in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven, plaatsvindt.

4.4 Specifieke gebruiksregels

 
4.4.1 Strijdig gebruik
Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruiken of het laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor en/of als:
  1. verblijfsrecreatie;
  2. het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  3. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  4. seksinrichting en (straat)prostitutie;
  5. van gebouwen voor het verkopen of ten verkoop aanbieden van goederen als detailhandel, met uitzondering van het verkopen of ten verkoop aanbieden van:
    1. goederen, waarvan de verkoop deel uitmaakt van de normale dienstverlening behorende bij het op hetzelfde perceel uitgeoefende bedrijf;
    2. producten afkomstig van en geteeld op het ter plaatse aanwezige bedrijf en/of uit de omgeving van het plangebied;
  6. van niet voor bewoning bestemde gebouwen of ruimten, daaronder begrepen kampeermiddelen, voor permanente bewoning.
4.4.2 Voorwaardelijke verplichting waterberging
  1. het gebruik conform de bestemming 'Recreatie' is alleen toegestaan indien een waterberging met een capaciteit van minimaal 131 m³ wordt gerealiseerd, welke gereed is zodra de bouwwerkzaamheden zijn afgerond. Deze waterberging wordt vervolgens in stand gehouden.
  2. indien de verharding in het plangebied door inrichtingskeuzes op een andere wijze dan nu voorzien worden aangelegd, geldt de verplichting op een waterberging aan te leggen welke voldoet aan de 'Keur Waterschap De Dommel 2015', met gebruikmaking van de regeling 'Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'.
4.4.3 Voorwaardelijke verplichting Kwaliteitsverbetering
Het gebruik conform de bestemming ‘Reatie' is alleen toegestaan indien er voldaan wordt aan de investering in de kwaliteitsverbetering, zijnde de aanleg en instandhouding van een grondwal ter plaatse van de aanduiding ''spefifieke vorm van recreatie-10' en zijnde de aanleg en instandhouding van heide ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie-10' en de uitvoering van het door Guido WFM Paumen – Tuin- & Landschapsarchitect opgestelde landschappelijke inpassingsplan met kenmerk PNR 5681PG15-250417 zoals opgenomen in bijlage 2 van deze regels.
4.4.4 Evenementen
Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - 7' is ten hoogste 12 keer per jaar een evenement toegestaan. De eindtijd voor evenementen is 22.00. De evenementen hebben een binding met het dierenpark zoals gevestigd ter plaatse van de aanduiding specifieke vorm van recreatie - 1, het bezoekerscentrum zoals gevestigd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie – 3' of het gebied Het Groene Woud. Onder evenementen wordt onder meer verstaan:
  •  aan natuurbeleving en cultuurhistorie gerelateerde evenementen;
  •  ambachtelijke markt met (streek)producten;
  •  kinderdagen / themadagen (Dierendag met knutselen en bouwen, etc); 
Evenementen hebben maximaal 1.200 bezoekers, waarbij 400 bezoekers tegelijkertijd op het terrein aanwezig mogen zijn.
4.4.5 Ammoniak- en stikstofdepositie
Het gebruik van het perceel mag niet leiden tot meer depositie van ammoniak en stikstof op Natura-2000 gebieden dan de depositie van ammoniak en stikstof op deze gebieden welke is vastgelegd met de als bijlage 1opgenomen geaccepteerde melding in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof.
4.4.6 Entreegebouw en ondergeschikte horeca
Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – 2’ geldt dat de ondergeschikte daghoreca (Horeca 1) uiterlijk sluit op het moment dat het dierenpark sluit.
4.4.7 Bezoekerscentrum en ondersteunende horeca
Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – 3’ geldt het volgende:
  1. de totale bruto vloeroppervlakte voor Horeca 2 mag niet meer bedragen dan 200m²;
  2. de sluitingstijd voor Horeca 2 mag niet later zijn dan 22.00 uur.

Artikel 5 Verkeer

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. voorzieningen voor verkeer en verblijf waaronder verharde wegen en paden;
  2. parkeervoorzieningen;
  3. groenvoorzieningen;
  4. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

5.2 Bouwregels

5.2.1 Gebouwen
Het oprichten van gebouwen is niet toegestaan.
5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
  1. de hoogte van signalerings- en telecommunicatiemasten mag niet meer bedragen dan 40 m;
  2. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.

Artikel 6 Leiding - Hoogspanningsverbinding

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Leiding - Hoogspanningsverbinding’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor aanleg en instandhouding van een bovengrondse hoogspanningsverbinding één en ander met de bijbehorende voorzieningen.

6.2 Bouwregels

  1. Op de voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' aangewezen gronden mogen, in afwijking van hetgeen in de overige regels is bepaald, uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde,  waarbij de de bouwhoogte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijn mag maximaal 4 meter bedragen;
  2. in afwijking van het bepaalde onder a, mag de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de hoogspanningsleiding maximaal 60 meter bedragen.

6.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6 lid 2 teneinde het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de op deze gronden liggende hoofdbestemming toe te staan, mits hierbij uit hoofde van de bescherming van de leidingen geen bezwaar bestaat; dienaangaande wordt door het bevoegd gezag ingewonnen bij de betrokken leidingbeheerder.

6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

6.4.1 Omgevingsvergunningsplichtige werken
Het is verboden op of in de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden) de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:
  1. het aanbrengen van hoogopgaande beplanting of bomen;
  2. het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur hoger dan 4 m;
  3. het opslaan van materialen of stoffen, die onder bepaalde omstandigheden gevaar van brand of explosie kunnen opleveren;
  4. het ophogen en egaliseren, bodemverlaging of afgraven of anderszins wijzigen in maaiveld of weghoogte.
6.4.2 Uitzonderingen
Het onder artikel 6 lid 4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken of werkzaamheden:
  1. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan aanlegvergunning dan wel omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden is verleend;
  2. welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan in uitvoering waren;
  3. welke het normale beheer en onderhoud van de leidingen betreffen.
6.4.3 Verlening
De in artikel 6 lid 4.1 genoemde omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover door de werken en werkzaamheden geen veiligheidsrisico's ontstaan en de leidingen niet worden aangetast. Alvorens te beslissen omtrent een vergunning als bedoeld in artikel 6 lid 4.1 wordt door het bevoegd gezag schriftelijk advies ingewonnen bij de betrokken leidingbeheerder.

Artikel 7 Leiding - Riool

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van de leiding(en) ten behoeve van het transport van rioolwater, met de daarbij behorende veiligheidszone van 7,5 meter ter weerszijden van deze leiding.

7.2 Bouwregels

Op de voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden mogen, in afwijking van hetgeen in de overige regels is bepaald, uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de rioolleiding worden gebouwd, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer dan 2,5 m mag bedragen.

7.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7 lid 2 en toestaan dat wordt gebouwd ten dienste van (een) andere voor deze gronden geldende bestemming(en), mits het leidingbelang niet onevenredig wordt geschaad. Hiertoe wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder(s).

7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

7.4.1 Verbod
Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Riool' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te laten uitvoeren of te doen uitvoeren;
  1. het egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
  2. graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm;
  3. het in de grond drijven van voorwerpen dieper dan 30 cm;
  4. diepploegen dieper dan 30 cm;
  5. het aanleggen van gesloten oppervlakteverhardingen;
  6. het planten van hoogopgaande bomen en/of houtopstanden die dieper (kunnen) wortelen dan 30 cm;
  7. het verrichten van grondroeractiviteiten, zoals het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage, anders dan normaal spit- en ploegwerk;
  8. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen.
7.4.2 Uitzonderingen op het verbod
Het in artikel 7 lid 4.1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:
  1. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  2. reeds in uitvoering zijn dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
  3. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor afwijking is verleend, zoals in artikel 7 lid 3 bedoeld;
  4. gericht zijn op het geheel of gedeeltelijk vervangen van de leidingen ten behoeve van het transport van rioolwater.
7.4.3 Afwegingskader
De werken en werkzaamheden, zoals bedoeld in artikel 7 lid 4.1, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad. Hiertoe wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder(s).

Artikel 8 Waarde - Archeologie 4 (gebied met een hoge archeologische verwachting)

8.1 Bestemmingsomschrijving

8.1.1
De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.
8.1.2
Indien een bouwwerk wordt gebouwd, of een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden worden uitgevoerd binnen verschillende archeologische dubbelbestemmingen op een bouwperceel, gelden de meest strenge regels voor het hele bouwperceel.

8.2 Bouwregels

Binnen het gebied met 'Waarde - Archeologie 4' mogen uitsluitend bouwwerken worden opgericht ten behoeve van de op deze gronden liggende bestemming(en), indien en voor zover het een bouwplan betreft:
  1. met een oppervlakte van maximaal 500 m², of;
  2. met een oppervlakte groter dan 500 m² en een verstoringsdiepte van minder dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld, of;
  3. met een oppervlakte groter dan 500 m² en een verstoringsdiepte van minder dan 0,5 m ten opzichte van het maaiveld, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - esdekken agrarisch', of;
  4. dat betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, dan wel niet meer dan 2,5 m uit de bestaande fundering wordt gebouwd.

8.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de afmetingen en de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.

8.4 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 8 lid 2 voor het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden voorkomende bestemming(en), indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat er geen of nauwelijks behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn dan wel dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende regels worden verbonden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouwplan) monumenten in de bodem worden behouden;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
8.4.1 Bouwverbod
Indien uit het (archeologisch) onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in artikel 8 lid 4 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.
8.4.2 Advies
Alvorens burgemeester en wethouders beslissen over een afwijking van de bouwregels als bedoeld in artikel 8 lid 4.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door afwijking van de bouwregels geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

8.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

8.5.1 Verbod
Het is verboden op de gronden met de bestemming 'Waarde Archeologie 4' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren of uit te laten voeren:
  1. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,3 m onder maaiveld, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
  2. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplantingen, waarbij de stobben worden verwijderd;
  3. het ophogen en egaliseren van gronden;
  4. het verlagen van het waterpeil;
  5. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
  6. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers en andere wateren;
  7. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend wordt boomteelt en graszodenteelt;
  8. het afplaggen van heide- of natuurgebieden;
  9. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies waarbij de breedte van de grondwerken meer dan 50 cm bedragen;
indien de oppervlakte van het werk of de werkzaamheden groter is dan 500 m².
8.5.2 Uitzondering
Het in artikel 8 lid 5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud en/of beheer betreffen overeenkomstig de overige bestemmingen van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  3. worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  4. binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bouwwerk worden uitgevoerd;
  5. voor zover het in artikel artikel 8 lid 5.1 genoemde werken en werkzaamheden betreft, worden uitgevoerd ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - esdekken agrarisch' en een verstoringsdiepte hebben van minder dan 0,5 m onder maaiveld.
8.5.3 Toelaatbaarheid
De omgevingsvergunning wordt verleend indien is gebleken dat:
  1. de in artikel 8 lid 5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden, en
  2. vooraf door de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie is overlegd waaruit blijkt dat de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, waarbij:
    1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld, of;
    2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
    3. de archeologische waarden hierdoor niet onevenredig worden geschaad.
  3. Voor zover de in artikel 8 lid 5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologische waarden, kunnen aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende regels worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouwplan) monumenten in de bodem worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    3. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
8.5.4 Advies
Alvorens burgemeester en wethouders beslissen over de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8 lid 5.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een afwijking geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

8.6 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

8.6.1 Verbod
Het is verboden binnen de met 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het slopen de aanwezige bouwwerken te slopen indien de oppervlakte groter is dan 500 m² en de diepte meer dan 0,3 m onder maaiveld bedraagt, met dien verstande dat deze toegestane verstoringsdiepte ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - esdekken agrarisch' maximaal 0,5 m bedraagt.
8.6.2 Nadere eisen
Aan de omgevingsvergunning voor slopen kan in ieder geval de voorwaarde worden verbonden dat de sloop wordt begeleid door een erkende archeologische partij.
8.6.3 Omgevingsvergunning
Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 8 lid 6.1 met dien verstande dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien sloop onevenredige aantasting van de archeologische waarden tot gevolg heeft.

8.7 Wijzigingsbevoegdheid

 
8.7.1
Het bevoegd gezag kan de verbeelding van het bestemmingsplan zodanig wijzigen dat de bestemming 'Waarde - Archeologie 4':
  1. naar ligging wordt verschoven, dan wel;
  2. naar omvang wordt vergroot of verkleind, dan wel;
  3. van bestemming wijzigt in een andere 'Waarde - Archeologie 1, 2, 3 of 5';
  4. wordt verwijderd.
8.7.2
Alvorens de wijzigingen als bedoeld onder artikel 8 lid 7.1 worden uitgevoerd, wordt archeologisch advies ingewonnen bij de archeologisch deskundige.

Artikel 9 Waarde - Archeologie 5 (gebied met een middelhoge archeologische verwachting)

9.1 Bestemmingsomschrijving

9.1.1
De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.
9.1.2
Indien een bouwwerk wordt gebouwd, of een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden worden uitgevoerd binnen verschillende archeologische dubbelbestemmingen op een bouwperceel, gelden de meest strenge regels voor het hele bouwperceel.

9.2 Bouwregels

Binnen het gebied met 'Waarde - Archeologie 5' mogen uitsluitend bouwwerken worden opgericht ten behoeve van de op deze gronden liggende bestemming(en), indien en voor zover het een bouwplan betreft:
  1. met een oppervlakte van maximaal 2.500 m², of;
  2. met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en een verstoringsdiepte van minder dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld, of;
  3. met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en een verstoringsdiepte van minder dan 0,5 m ten opzichte van het maaiveld, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - esdekken agrarisch', of;
  4. dat betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, dan wel niet meer dan 2,5 m uit de bestaande fundering wordt gebouwd.

9.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de afmetingen en de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermingswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.

9.4 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 9 lid 2 voor het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden voorkomende bestemming(en), indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat er geen of nauwelijks behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn dan wel dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende regels worden verbonden:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouwplan) monumenten in de bodem worden behouden;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
9.4.1 Bouwverbod
Indien uit het (archeologisch) onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in artikel 9 lid 4 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.
9.4.2 Advies
Alvorens burgemeester en wethouders beslissen over een afwijking van de bouwregels als bedoeld in artikel 9 lid 4.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door afwijking van de bouwregels geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

9.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

9.5.1 Verbod
Het is verboden op de gronden met de bestemming 'Waarde Archeologie 5' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren of uit te laten voeren:
  1. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,3 m onder maaiveld, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
  2. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplantingen, waarbij de stobben worden verwijderd;
  3. het ophogen en egaliseren van gronden;
  4. het verlagen van het waterpeil;
  5. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
  6. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers en andere wateren;
  7. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend wordt boomteelt en graszodenteelt;
  8. het afplaggen van heide- of natuurgebieden;
  9. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies waarbij de breedte van de grondwerken meer dan 50 cm bedragen;
indien de oppervlakte van het werk of de werkzaamheden groter is dan 2.500 m².
 
9.5.2 Uitzonderingen
Het in artikel 9 lid 5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud en/of beheer betreffen overeenkomstig de overige bestemmingen van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  3. worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  4. binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bouwwerk worden uitgevoerd;
  5. voor zover het in artikel 9 lid 5.1 genoemde werken en werkzaamheden betreft, worden uitgevoerd ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - esdekken agrarisch' en een verstoringsdiepte hebben van minder dan 0,5 m onder maaiveld.
9.5.3 Toelaatbaarheid
De omgevingsvergunning wordt verleend indien is gebleken dat:
  1. de in artikel 9 lid 5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden, en
  2. vooraf door de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie is overlegd waaruit blijkt dat de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, waarbij:
    1. de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld, of;
    2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
    3. de archeologische waarden hierdoor niet onevenredig worden geschaad.
  3. Voor zover de in artikel 9 lid 5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologische waarden, kunnen aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende regels worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouwplan) monumenten in de bodem worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    3. de verplichting de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
9.5.4 Advies
Alvorens burgemeester en wethouders beslissen over de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9 lid 5.1 winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een afwijking geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

9.6 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

9.6.1 Verbod
Het is verboden binnen de met 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het slopen de aanwezige bouwwerken te slopen indien de oppervlakte groter is dan 2.500 m² en de diepte meer dan 0,3 m onder maaiveld bedraagt, met dien verstande dat deze toegestane verstoringsdiepte ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - esdekken agrarisch' maximaal 0,5 m bedraagt.
9.6.2 Nadere eisen
Aan de omgevingsvergunning voor slopen kan in ieder geval de voorwaarde worden verbonden dat de sloop wordt begeleid door een erkende archeologische partij.
9.6.3 Omgevingsvergunning
Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 9 lid 6.1 met dien verstande dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien sloop onevenredige aantasting van de archeologische waarden tot gevolg heeft.

9.7 Wijzigingsbevoegdheid

9.7.1
Het bevoegd gezag kan de verbeelding van het bestemmingsplan zodanig wijzigen dat de bestemming 'Waarde - Archeologie 5':
  1. naar ligging wordt verschoven, dan wel;
  2. naar omvang wordt vergroot of verkleind, dan wel;
  3. van bestemming wijzigt in een andere 'Waarde - Archeologie 1, 2, 3 of 4';
  4. wordt verwijderd.
9.7.2
Alvorens de wijzigingen als bedoeld in artikel 9 lid 7.1 worden uitgevoerd, wordt archeologisch advies ingewonnen bij de archeologisch deskundige.

3 Algemene regels

Artikel 10 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 11 Algemene gebruiksregels

11.1 Strijdig gebruik parkeren

Tot een strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van gronden of bouwwerken bij een ontwikkeling (gebruiksverandering en/of bouwplan) waarbij niet wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de berekening die leidt tot 350 parkeerplaatsen en die is opgenomen in bijlage 3 van deze regels.

11.2 Afwijken parkeren

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 11 lid 1, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie ter plaatse.

Artikel 12 Algemene afwijkingsregels

12.1 Algemeen

Indien niet op grond van een andere bepaling kan worden afgeweken van de regels kan het bevoegd gezag door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het volgende:
  1. het afwijken van de in de regels voorgeschreven maatvoering met ten hoogste 10%;
  2. de bestemmingsbepalingen en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft.

12.2 Voorwaarden afwijking

De in artikel 12 lid 1 genoemde afwijkingsmogelijkheden kunnen uitsluitend verleend worden, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  1. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  2. de verkeersveiligheid;
  3. de sociale veiligheid;
  4. de milieusituatie;
  5. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 13 Algemene wijzigingsregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van:
  1. overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijding mag echter niet meer bedragen dan 3 meter en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot;
  2. het aanpassen van opgenomen bepalingen in de voorafgaande artikelen, waarbij verwezen wordt naar bepalingen in wettelijke regelingen, indien deze wettelijke regelingen na het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpplan worden gewijzigd.

4 Overgangs- en slotregels

Artikel 14 Overgangsrecht

14.1 Overgangsrecht bouwwerken

  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sub a met maximaal 10%.
  3. Sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

14.2 Overgangsrecht gebruik

  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde in sub a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan

Artikel 15 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Uitbreiding BestZoo, De Vleut'.