direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Donkereind 17a Vinkeveen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0736.TAM05Donkereind17a-va01

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de ontwikkeling op de locatie Donkereind 17A te Vinkeveen en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk van het omgevingsplan van de gemeente De Ronde Venen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22e van het omgevingsplan van de gemeente De Ronde Venen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22e.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22e.' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

1.1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk;

1.2 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen:

1.2.1 TAM-omgevingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;

1.2.2 plan

het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Donkereind 17a Vinkeveen met identificatienummer NL.IMRO.0736.TAM05Donkereind17a-va01 van de gemeente De Ronde Venen;

1.2.3 omgevingsplan

Het omgevingsplan van de gemeente De Ronde Venen;

1.2.4 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waar gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.2.5 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.2.6 ander werk

een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid;

1.2.7 antenne

een constructie bestaande uit een mast, een vang- en zenddraad of een stelsel van draden, dan wel een schotel bestemd voor (tele)communicatiedoeleinden;

1.2.8 archeologisch deskundige

professioneel archeoloog die op basis van de geldende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie bevoegd is om archeologisch onderzoek uit te voeren en/of Programma's van Eisen op te stellen en te toetsen;

1.2.9 archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit oude tijden;

1.2.10 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.2.11 beroep en bedrijf aan huis

een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten, dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten en het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten, voor zover voorkomend in ten hoogste categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten in Bijlage 1 en waarvan de omvang van de activiteiten zodanig is dat deze in een woning en bijbehorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kunnen worden uitgeoefend.

1.2.12 bestaand bouwwerk

een bouwwerk dat:

  • a. op het moment van het ter inzage leggen van het ontwerp van dit plan bestaat of in uitvoering is;
  • b. na dat tijdstip is of mag worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning;
1.2.13 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden waaronder begrepen de uitstalling ten behoeve van de verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending, anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, zulks met uitzondering van horeca-activiteiten;

1.2.14 dienstverlening

het bedrijfsmatig verlenen van diensten;

1.2.15 horecabedrijf

een bedrijf, dat (nagenoeg) volledig is gericht op het verstrekken van nachtverblijf en/of van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodatie;

1.2.16 peil
  • c. voor gebouwen, waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang; Indien deze weg een dijk betreft, gemeten ten opzichte van de kruin van de dijk;
  • d. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;
1.2.17 perceelsgrens

de grens van een bouwperceel;

1.2.18 prostitutie

het aanbieden van seksuele diensten tegen een materiële vergoeding;

1.2.19 prostitutiebedrijf

een bedrijf waar prostitutie het hoofdbestanddeel van de activiteiten vormt, een erotische massagesalon mede begrepen;

1.2.20 seksinrichting

een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een mate alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht. Onder een seksinrichting wordt in elk geval verstaan een parenclub en een prostitutiebedrijf, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.2.21 steiger

een constructie boven het water, meestal langs een oever, die dient voor het afmeren van schepen, vaartuigen, boten, woonschepen of recreatiewoonschepen;

1.2.22 uitbouw

een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een uitspringend aanbouwsel ofwel door toevoeging van een afzonderlijke ruimte aan een bestaand gebouw ofwel door uitbreiding van het bestaande gebouw, zoals een erker, portaal, serre of veranda;

1.2.23 verbeelding

de verbeelding van het 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Donkereind 17a Vinkeveen'.

1.2.24 voldoende parkeergelegenheid

van 'voldoende parkeergelegenheid' is sprake als voldaan wordt aan de parkeernormen, zoals neergelegd in het 'Beleidsplan Verkeer 2017-2021' zoals vastgesteld op 24 november 2016. Indien deze regeling wordt gewijzigd of herzien, moet rekening worden gehouden met deze wijziging danwel herziening.

1.2.25 voorgevelbreedte

de breedte van alle naar de weg toegekeerde gevels, met uitzondering van bijbehorende bouwwerken (of ondergeschikte gedeelten);

1.2.26 voorgevelrooilijn

de lijn, welke zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft;

1.2.27 vrijstaande woning

een woning zonder gemeenschappelijke wand met een andere woning;

1.2.28 weg

openstaande wegen of paden, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende parkeerterreinen;

1.2.29 woning

een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden;

1.2.30 zijtuin

de gronden van een bouwperceel, behorende bij een woning, voorzover gelegen tussen de zijgevel van het hoofdgebouw en de zijdelingse perceelscheiding van het bouwperceel.

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • 1. de regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Donkereind 17a in Vinkeveen, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0736.TAM05Donkereind17a-va01
  • 2. de regels in dit hoofdstuk gaan voor op de regels in het bestemmingsplan "1e herziening Lintbebouwing Vinkeveen 2003" waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het het GML-bestand NL.IMRO.0736.PC01herzlint-oh01 en "Parapluplan Parkeren" waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0736.BP020parkerenANA-va01 die onderdeel vormen van het tijdelijke deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g van de Invoeringswet Omgevingswet;
  • 3. De regels in afdeling 22.2 en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk;
  • 4. Het besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid, is niet van toepassing.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 3.1 tot en met 3.3.

3.1 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

3.2 de lengte, breedte of diepte

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

3.3 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

3.4 ondergeschikte bouwdelen

bij de toepassing van het in dit artikel bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken en daarmee naar aard en omvang gelijk te stellen bouwonderdelen, buiten beschouwing gelaten.

3.5 perceelsoppervlakte

de perceelsoppervlakte voor wat betreft het gezamenlijk oppervlak aan bijbehorende bouwwerken wordt bepaald door de perceelsoppervlakte vanaf 3 meter achter de
voorgevelrooilijn (zone zijtuin en achtertuin). Bij de berekening van deze oppervlakte wordt, het oppervlak van het (bestaande) hoofdgebouw niet meegerekend.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 4 Wonen

4.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Wonen'.

4.2 Functieomschrijving

Een als 'Wonen' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. wonen;

met daarbij behorende:

  • b. tuinen en erven;
  • c. parkeerplaatsen;
  • d. ontsluitingsverhardingen;
  • e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder steigers.
4.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen het bouwvlak gelden de volgende regels:

  • a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. per bouwvlak is ten hoogste één woning toegestaan;
  • c. de goot- en bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  • d. het bebouwde oppervlak aan bijbehorende bouwwerken mag ten hoogste 50 m² van de perceelsoppervlakte bedragen, met dien verstande dat:
    • 1. de afstand tot de voorgevelrooilijn, moet ten minste 3 meter bedragen;
    • 2. de goothoogte maximaal 3 meter mag bedragen;
    • 3. de bouwhoogte maximaal 4 meter mag bedragen;
    • 4. voor aangebouwde bijgebouwen geldt dat:
      • bij vrijstaande woningen slechts aan de achtergevel en aan één zijgevel bijbehorende bouwwerken mogen worden aangebouwd;
      • het aan de achtergevel aan te bouwen bijbehorende bouwwerk slechts aan de oorspronkelijke achtergevel mag worden opgericht;
  • e. de aanleg van een dakterras is slechts toegestaan, indien het niet binnen twee meter van de perceelsgrens wordt gerealiseerd;
  • f. voor het overige mogen uitsluitend niet-overdekte bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, met dien verstande dat:
    • 1. op het voorerf tot 1 meter achter de voorgevelrooilijn slechts erf- of perceelsafscheidingen zijn toegestaan, met een maximale hoogte van 1 meter;
    • 2. de bouwhoogte van overige erf- of perceelsafscheidingen niet meer mag bedragen dan 2 meter;
    • 3. de bouwhoogte van palen en masten niet meer mag bedragen dan 6 meter;
    • 4. de bouwhoogte van overige niet-overdekte bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer mag bedragen dan 3 meter;
  • g. in aanvulling op het bepaalde sub e mag per woning één steiger worden gebouwd ten behoeve van een aanlegplaats grenzend aan het bestemmingsvlak, met dien verstande dat:
    • 1. de steiger evenwijdig aan de oeverlijn dient te worden gebouwd;
    • 2. de lengte en breedte van de steiger niet meer mogen bedragen dan 6,00 meter x 1,20 meter;
    • 3. de maximale bouwhoogte niet meer mag bedragen dan het peil (aansluitende maaiveld);
    • 4. de steiger de oeverlijn met niet meer dan 0,50 meter mag overschrijden;
    • 5. een vrije doorvaart mogelijk blijft.
4.4 Vergunningplicht voor het afwijken
4.4.1 Afwijking ten behoeve van erkers

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.3, onder d, sub 1, voor de bouw van een erker aan de naar de weg toegekeerde zijde van het hoofdgebouw (voorgevel), met dien verstande dat:

  • a. de goothoogte lager dient te zijn dan de goothoogte van de woning tot een maximale goothoogte van 3 meter;
  • b. de diepte gemeten uit de voorgevel van de woning niet meer dan 0,6 meter mag bedragen;
  • c. de breedte niet meer dan 3/5 van de breedte van de woning mag bedragen;
  • d. de afstand tot de aan de wegzijde gelegen perceelsgrens minimaal 3 meter dient te bedragen;
  • e. de omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend indien er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van c.q. afbreuk wordt gedaan aan:
    • 1. de gebruiksmogelijkheden
      ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en de zich daarop bevindende bouwwerken;
    • 2. het straat- en bebouwingsbeeld
      in het belang van een verantwoorde evenwichtige en samenhangende inpassing en ter waarborging van de stedenbouwkundige (beeld)kwaliteit;
    • 3. de woonsituatie
      ter waarborging van een verantwoorde woonsituatie, met in het bijzonder aandacht voor:
      • de lichttoetreding/bezonning ten opzichte van (bebouwing op) aangrenzende gronden;
      • het uitzicht;
      • de aanwezigheid van voldoende privacy;
    • 4. de verkeersveiligheid
      ter waarborging van de verkeersveiligheid, in het bijzonder de benodigde uitzichthoeken op (hoeken van) wegen;
    • 5. de parkeerruimte
      ter waarborging van voldoende parkeerruimte op het eigen terrein.
4.4.2 Afwijking ten behoeve van uitbouwen aan de zijgevel

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.3, onder d, sub 3, voor de bouw van een aan de zijgevel aangebouwd bijbehorend bouwwerk met een grotere bouwhoogte, waarbij niet hoger gebouwd mag worden dan het doorgetrokken dakvlak van het hoofdgebouw en met dien verstande dat de omgevingsvergunning uitsluitend wordt verleend indien er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van c.q. afbreuk wordt gedaan aan:

  • a. de gebruiksmogelijkheden
    ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en de zich daarop bevindende bouwwerken;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld
    in het belang van een verantwoorde evenwichtige en samenhangende inpassing en ter waarborging van de stedenbouwkundige (beeld)kwaliteit;
  • c. de woonsituatie
    ter waarborging van een verantwoorde woonsituatie, met in het bijzonder aandacht voor:
    • 1. de lichttoetreding/bezonning ten opzichte van (bebouwing op) aangrenzende gronden;
    • 2. het uitzicht;
    • 3. de aanwezigheid van voldoende privacy.
4.4.3 Afwijking ten behoeve van uitbouwen aan de achtergevel

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.3, onder d, sub 2 en 3, voor het uitbreiden van woningen bovenop een (bestaande) uitbouw aan de achtergevel met een lessenaarsdak in het verlengde van het bestaande dakvlak en met dien verstande dat de omgevingsvergunning uitsluitend wordt verleend indien er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van c.q. afbreuk wordt gedaan aan:

  • a. de gebruiksmogelijkheden
    ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en de zich daarop bevindende bouwwerken;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld
    in het belang van een verantwoorde evenwichtige en samenhangende inpassing en ter waarborging van de stedenbouwkundige (beeld)kwaliteit;
  • c. de woonsituatie
    ter waarborging van een verantwoorde woonsituatie, met in het bijzonder aandacht voor:
    • 1. de lichttoetreding/bezonning ten opzichte van (bebouwing op) aangrenzende gronden;
    • 2. het uitzicht;
    • 3. de aanwezigheid van voldoende privacy.
4.5 Specifieke functieregels
4.5.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik:

  • a. voor de uitoefening van handel (incl. detailhandel) nijverheid en dienstverlening (zoals kantoren en horeca);
  • b. voor zover het bijgebouwen betreft, voor zelfstandige bewoning.
4.5.2 Beroep of bedrijf aan huis

In en bij woningen, is de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis toegestaan, met inachtneming van het volgende:

  • a. de vloeroppervlakte in gebruik voor een beroep of bedrijf aan huis bedraagt ten hoogste 30% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woning en bijbehorende bijgebouwen met een maximum van 50 m²;
  • b. het beroep of bedrijf aan huis mag uitsluitend worden uitgeoefend door de bewoner(s) van de betreffende woning;
  • c. bedrijfsactiviteiten zijn uitsluitend toegestaan voor zover voorkomend in categorie 1 of 2 van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten in bijlage 1, met dien verstande dat detailhandel, groothandel en horeca zijn uitgesloten;
  • d. in afwijking van het bepaalde onder c is horeca in de vorm van een bed en breakfast wel toegestaan met inachtneming van de volgende aanvullende voorwaarden:
  • e. een bed en breakfast biedt plaats aan ten hoogste 6 gasten tegelijkertijd;
  • f. een bed en breakfast is alleen toegestaan in de woning en in aangebouwde bijgebouwen;
  • g. het uitoefenen van het beroep of bedrijf aan huis mag niet leiden tot een onevenredige verkeers- en parkeerdruk gelet op de capaciteit van de bestaande infrastructuur en parkeervoorzieningen.

Artikel 5 Waarde - Archeologie

5.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie'.

5.2 Functieomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden.

5.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.3.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden;
  • b. het bodemverlagen of afgraven van gronden;
  • c. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,30 meter, waartoe ook gerekend wordt woelen en draineren;
  • d. het omzetten van grasland in bouwland;
  • e. het aanleggen van boomgaarden;
  • f. het bebossen van gronden;
  • g. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • h. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • i. het graven van sloten, watergangen, vijvers of vaarten.
5.3.2 Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in lid 5.3.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. normaal onderhoud, beheer en gebruik overeenkomstig de bestemming betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.
5.3.3 Toetsingscriteria

De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 5.3.1 zijn slechts toelaatbaar indien daardoor de archeologische waarden van de gronden niet worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

5.3.4 Adviesprocedure

Alvorens omtrent het verlenen van omgevingsvergunning op grond van lid 5.3.1 te beslissen, winnen Burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige inzake archeologische waarden met betrekking tot de vraag of de aanwezige archeologische waarden door het verlenen van een omgevingsvergunning niet onevenredig c.q. onherstelbaar worden aangetast en omtrent eventueel te stellen voorwaarden.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 6 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 8 Algemene gebruiksregels

8.1 Strijdig gebruik

Tot een gebruik in strijd met alle functies wordt in ieder geval begrepen:

  • a. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van puin, vuil of andere vaste of vloeibare afvalstoffen, anders dan voor zover noodzakelijk is voor het normale onderhoud van tuinen en andere onbebouwde terreinen en het onderhoud van watergangen;
  • b. het opslaan of opgeslagen houden van gerede of ongerede goederen, materialen, werktuigen, machines of gebruiksklare of onklare voer- of vaartuigen of onderdelen hiervan, anders dan voor zover dit het gevolg is van of direct samenhangt met het gebruik van een bedrijfserf, behorende bij een winkel of bedrijf, in overeenstemming met de desbetreffende functie en activiteiten;
  • c. het gebruik van bebouwde dan wel onbebouwde gronden als of ten behoeve van een seksinrichting en/of prostitutie;
  • d. het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning.

Artikel 9 Overige regels

9.1 Parkeren
  • a. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik is verzekerd dat op eigen terrein, dat bij dat bouwwerk of terrein waarvoor vergunning wordt verleend hoort, wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen. Daarbij moet worden voldaan worden aan de parkeernormen, zoals neergelegd in het 'Beleidsplan Verkeer 2017-2021' zoals vastgesteld op 24 november 2016.
  • b. Indien het 'Beleidsplan Verkeer 2017-2021' zoals vastgesteld op 24 november 2016 wordt gewijzigd of herzien, moet rekening worden gehouden met deze wijziging danwel herziening.
  • c. De sub a. bedoelde parkeergelegenheid moet afmetingen hebben die afgestemd zijn op de richtlijnen opgenomen in de ASVV2021 van het CROW of diens rechtsopvolgers.
9.2 Laden en lossen

Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. In deze behoefte moet voorzien zijn op eigen terrein.

9.3 Afwijken

Bij een omgevingsvergunning voor bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik verlenen in afwijking van het bepaalde in lid 9.1 en / of lid 9.2 kan worden afgeweken:

  • a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
  • b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.
9.4 Maatwerkvoorschriften

Bij een omgevingsvergunning kunnen maatwerkvoorschriften worden gesteld ten aanzien van de maatvoering van de parkeervoorzieningen, zoals bedoeld in lid 9.1, indien dit, gelet op de feitelijke omstandigheden, noodzakelijk is.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 10 Overgangsrecht

10.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld sub a met maximaal 10%.
  • c. Sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

10.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde sub a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Sub a is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan op de locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.