| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0736.TAM001GMNOgrasland-va01 |
In de polder Groot Mijdrecht Noordoost (GMNO) worden 15 percelen voormalige agrarische grond met een oppervlakte van circa 50 hectare (ha) landbouwgrond omgevormd tot bloemrijk graslanden, in de categorieen 'kruiden- en faunarijk grasland' (N12.02) en 'vochtig hooiland' (N10.02). Daarnaast wordt een moerasblok gerealiseerd. Het gaat om gronden die in eigendom zijn van de provincie Utrecht of Natuurmonumenten, maar op dit moment nog niet zijn ingericht als natuur.
Deze voorgenomen ontwikkeling is onderdeel van de in 2012 vastgestelde ‘Versoberde Veenribben Variant’, waarin er een eindbeeld voor de gehele polder Groot Mijdrecht Noordoost is vastgelegd. Het eindbeeld bestaat uit 3 moerasblokken met daaromheen bloemrijke graslanden. Ook in 2012 is het ‘Pact van Poldertrots’ gesloten waarin kaders en uitgangspunten voor de voorgenomen natuurontwikkeling zijn vastgelegd tussen provincie Utrecht, gemeente De Ronde Venen, waterschap Amstel Gooi en Vecht, Natuurmonumenten en de Bewonersdelegatie Groot Mijdrecht Noord.
Voor 5 van de 15 percelen binnen de voorgenomen ontwikkeling staat het geldende omgevingsplan nog agrarische activiteiten toe. Het is de wens om het geldende planologisch regime hier te wijzigen, zodat uitsluitend 'Natuur' wordt toegestaan. Hiertoe is voorliggend TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland opgesteld. Dit plan voorziet in een passend planologisch kader voor het plangebied.
Het plangebied van voorliggen TAM-omgevingsplan is gelegen in polder Groot Mijdrecht en bestaat uit vijf kadastrale percelen. De vijf percelen zijn allen gelegen op grondgebied van de kern Waverveen, gemeente De Ronde Venen. Het betreft de volgende kadastrale percelen:
Onderstaande figuren tonen de ligging.
Figuur 1.1: Globale ligging weergegeven op een luchtfoto (bron: QGIS,
eigen bewerking), plangebied bij benadering rood uitgelicht
Figuur 1.2: Ligging in de directe omgeving (bron: QGIS, eigen
bewerking), plangebied met kadastrale perceelnummers bij benadering
rood uitgelicht
Ter plaatse van het projectgebied geldt het "Omgevingsplan gemeente De Ronde Venen" (/akn/nl/act/gm0736/2020/omgevingsplan), zoals gepubliceerd op 22 mei 2023 (in werking vanaf 1 januari 2024). Het projectgebied valt onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan, aangezien de voormalige bestemmingsplannen nog niet zijn omgezet naar het definitief omgevingsplan. In Hoofdstuk 3 van dit TAM-omgevingsplan wordt hier nader op ingegaan.
De beoogde activiteit 'Natuur' is in het geldende omgevingsplan in het plangebied reeds toegestaan. Echter zijn agrarische activiteiten ook nog toegestaan. Het is de wens om hier uitsluitend natuur toe te staan. Middels voorliggend TAM-omgevingsplan wordt voorzien in het nieuw planologisch kader.
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige en nieuwe situatie van het plangebied. In hoofdstuk 3 vindt de toetsing aan het geldende omgevingsplan plaats. Hoofdstuk 4 geeft een beschouwing van de relevante beleidskaders en hoofdstuk 5 betreft een beschrijving van de omgevingskwaliteit, waarbij onder meer archeologie, cultuurhistorie en duurzaamheid aan bod komen. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de landschappelijke inpassing van de beoogde ontwikkeling. Hoofdstuk 7 bevat vervolgens een beschrijving van de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving, waar omgevingsaspecten zoals bodem, geluid en gezondheid behandeld worden. In hoofdstuk 8 wordt de juridische planbeschrijving gegeven en in tot slot wordt in hoofdstuk 8 ingegaan op de uitvoerbaarheid van het voorliggend TAM-omgevingsplan.
De gronden ter plaatse van het plangebied betreffen voormalige landbouwgronden. De percelen zijn allen volledig onverhard. Op en rondom enkele percelen zijn kavelsloten aanwezig.
Figuur 2.1: Ligging noordelijke percelen in meer detail (bron: QGIS,
eigen bewerking), plangebied bij benadering rood omlijnd
Figuur 2.3: Ligging zuidelijke percelen in meer detail (bron: QGIS, eigen bewerking), plangebied bij benadering rood omlijnd
Het plangebied maakt onderdeel uit van een grotere herontwikkeling van landbouwgronden naar moeras en bloemrijke graslanden in de polder Groot Mijdrecht. Deze context wordt hieronder nader toegelicht.
Polder Groot Mijdrecht
Het plangebied is gelegen in de polder Groot Mijdrecht. Polder Groot Mijdrecht is een landbouwgebied en open veenweidelandschap in gemeente De Ronde Venen. Grenzend aan het natuurgebied Waverhoek en het Natura 2000-gebied Botshol vormt Groot Mijdrecht een natuurverbinding voor bijzondere vogels, zoals de lepelaar, de purperreiger en de roerdomp. De ambitie voor deze polder is dan ook dat het een ecologische verbinding zal zijn voor aangrenzende natuurgebieden zoals Botshol en de Nieuwkoopse Plassen. Vogels en andere dieren kunnen dan ongestoord heen- en weer pendelen.
In Groot Mijdrecht Noordoost wil de provincie een aantrekkelijk leefgebied creëren voor dieren en planten die thuishoren in het veenweidegebied. Dit wil zij doen door drie moerasgebieden aan te leggen met daaromheen bloemrijk grasland. Met de natuurinrichting willen de provincie de biodiversiteit in de polder vergroten, de waterkwaliteit verbeteren, verdere bodemdaling voorkomen en waardevolle natuurgebieden verbinden. Rondom de moerasblokken worden bloemrijke graslanden aangelegd. Het gaat hierbij over zogenaamd ‘kruiden- en faunarijk grasland’ en ‘vochtig hooiland’. Dit zorgt voor een kleurrijk landschap waarin verschillende planten en dieren graag leven. In totaal is de ambitie om 180 hectare bloemrijk grasland te realiseren in de polder van Groot Mijdrecht. Natuurmonumenten en de provincie werken op dit moment samen aan de inrichting van circa 50 hectare.
Herontwikkeling bloemrijke graslanden
In polder Groot Mijdrecht worden gronden, van gezamenlijk circa 50 hectare, herontwikkeld tot bloemrijke graslanden. De bloemrijke graslanden worden gerealiseerd door natuurvriendelijke oevers aan te leggen, de diversiteit aan bloemen en planten te vergroten en het gebied goed te beheren. Deze circa 50 hectare is verdeeld over drie deelgebieden, die bekend staan als: Groot Mijdrecht Noord Oost, perceel B en perceel J.
Onderstaande figuur toont de ligging van de drie deelgebieden en de globale ligging van het toekomstige 'Moerasblok 1'. Perceel 3262 maakt onderdeel uit van het toekomstig moerasblok.
Figuur 2.3: Deelgebieden GMNO, percelen B en J groen uitgelicht (bron: "Bloemrijke graslanden Groot Mijdrecht: Rapport bij het Voorlopig Ontwerp", BWZ ingenieurs, 2024), ligging moerasblok bij benadering blauw uitgelicht, plangebied rood omlijnd
Voor vijf kadastrale percelen geldt dat in het geldende omgevingsplan nog agrarische activiteiten worden toegestaan. Het is niet wenselijk dat omvorming naar agrarische percelen in de toekomst mogelijk blijft. Deze vijf percelen betreffen dan ook het plangebied van voorliggend TAM-omgevingsplan. Middels dit TAM-omgevingsplan wordt op deze vijf percelen uitsluitend natuur toegestaan.
Voor de resterende gronden van de circa 50 ha biedt het geldende omgevingsplan al wel een passend planologisch kader voor de toekomstige inrichting als natuur, om die reden worden deze gronden verder dan ook buiten beschouwing gelaten in voorliggend TAM-omgevingsplan.
In de toekomstige situatie zijn alle vijf percelen ingericht als natuur. Perceel 3262 wordt ingericht als moerasland (onderdeel uit van Moerasblok 1). De overige vier percelen worden ingericht als ‘kruiden- en faunarijk grasland’ en/of ‘vochtig hooiland’. In Hoofdstuk 6 Landschappelijke inpassing worden het Voorlopig Ontwerp voor de toekomstige situatie en de beoogde werkzaamheden nader toegelicht.
Ter plaatse van het plangebied geldt het "Omgevingsplan gemeente De Ronde Venen" (/akn/nl/act/gm0736/2020/omgevingsplan). Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de (voormalig geldende) bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan en de bruidsschat. Hierna wordt per relevant onderdeel de voorgenomen ontwikkeling die dit TAM-omgevingsplan mogelijk maakt, getoetst op strijdigheden.
Op 23 februari 2023 is het bestemmingsplan "Buitengebied-West (Geconsolideerde versie)" gepubliceerd. De basis van dit geconsolideerde plan wordt gevormd door het moederplan 'Buitengebied-West', deels onherroepelijk in werking getreden, vastgesteld op 21 februari 2019. Op het moederplan volgde een gerechtelijke uitspraak en een reactieve aanwijzing van de provincie welke zijn verwerkt in het bestemmingsplan '1e herziening Buitengebied-West', vastgesteld op 23 februari 2023. Naast het verwerken van de gerechtelijke uitspraak en de reactieve aanwijzing, zijn in het plan ook nog een aantal kennelijke verschrijvingen aangepast. Om de raadpleegbaarheid van de geldende plannen te verbeteren is een geconsolideerde versie (een werkversie van het plan, zonder juridische status) van het bestemmingsplan Buitengebied-West opgesteld.
Onderstaande figuren tonen de geldende bestemmingen op basis van het bestemmingsplan "Buitengebied-West" (geconsolideerde versie). Na de figuren worden de geldende bestemmingen nader toegelicht.
Figuur 3.1: verbeelding bestemmingsplan "Buitengebied-West"
noordelijke percelen (bron: QGIS, eigen bewerking), plangebied bij
benadering weergegeven met rode stippellijn
Figuur 3.2: Verbeelding bestemmingsplan "Buitengebied-West" zuidelijke percelen (bron: QGIS, eigen bewerking), plangebied bij benadering weergegeven met rode stippellijn
Enkelbestemming
Ter plaatse van alle vijf percelen in het plangebied geldt de enkelbestemming "Agrarisch met waarden - Natuurwaarden". Deze gronden zijn in hoofdzaak bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven, alsmede voor (onder andere) behoud, versterking en ontwikkeling van natuurwaarden in de vorm van:
De beoogde bloemrijke graslanden (in de vorm van 'vochtig hooiland' en 'kruiden- en faunarijk grasland') zijn aan te merken als natte voedselarme graslanden. Ook moeras is toegestaan. De beoogde ontwikkeling naar natuur in onderhavig plangebied is daarmee reeds toegestaan binnen de geldende bestemming "Agrarisch met waarden - Natuurwaarden". Echter is het niet wenselijk dat dat agrarische bedrijven zich in de toekomst nog in het plangebied kunnen vestigen. Daarom voorziet voorliggend TAM-omgevingsplan in een wijziging naar de functie 'Natuur', waarmee agrarische activiteiten niet langer worden toegestaan.
Gebiedsaanduidingen
Het gehele plangebied is ook voorzien van de gebiedsaanduiding "Milieuzone - veengebied kwetsbaar voor oxidatie". Voor deze gronden geldt dat bodembewerkingen in agrarische bestemmingen, die tot gevolg hebben dat veen aan de oppervlakte wordt gebracht, niet zijn toegestaan. Hiervan uitgezonderd zijn bodembewerkingen die plaatsvinden ten behoeve van graslandvernieuwing of de aanleg van een andere blijvende teelt. Aangenomen wordt dat dit voor de beoogde ontwikkeling geen belemmering vormt, aangezien bij de beoogde ontwikkeling naar natuur niet langer sprake is van bodembewerkingen in agrarische bestemmingen. Voor het noordelijk deel van perceel 3257 geldt bovendien de gebiedsaanduiding "Vrijwaringszone - stelling van Amsterdam". Ter plaatse van deze aanduiding mag de zichtbaarheid en beleefbaarheid van de Stelling van Amsterdam niet onevenredig worden aangetast. Bij inrichting van de percelen als natuur is dit niet aan de orde. Volledigheidshalve is in voorliggend TAM-omgevingsplan deze gebiedsaanduiding conserverend overgenomen, om zodoende ook het voorkomen van aantasting van de Stelling van Amsterdam in de toekomst goed te borgen.
Dubbelbestemmingen
Voor alle noordelijke percelen (3257, 3263 en 3202) geldt nagenoeg overal de dubbelbestemming "Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 5". Deze dubbelbestemming geldt ook voor een groot deel van zuidelijk perceel 3263. Voor het overige deel van dit perceel gelden de archeologische dubbelbestemmingen categorie 2b en 6. De archeologische dubbelbestemming categorie 2b is tot slot van toepassing op het gehele zuidelijk gelegen perceel 3165. De als archeologisch waardevol verwachtingsgebied aangewezen gronden, zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische (verwachtings)waarden. Op de archeologische waarden wordt in paragraaf 5.2 van deze motivering nader ingegaan.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de beoogde invulling als 'Natuur' niet strijdig is met het geldend omgevingsplan. Dit TAM-omgevingsplan is dan ook conserverend van aard en ziet hoofdzakelijk toe op het uitsluiten van agrarische activiteiten in het plangebied.
Voor de volledigheid wordt de beoogde ontwikkeling naar natuur in dit TAM-omgevingsplan getoetst aan het geldende beleidskader en worden de omgevingskwaliteit, landschappelijke inpassing en aspecten van de fysieke leefomgeving nader toegelicht.
Op 26 juni 2018 is de "Paraplubeheersverordening Parkeren" vastgesteld door gemeente De Ronde Venen. Deze beheersverordening stelt uniforme bepalingen vast die verwijzen naar beleidsregels voor parkeernormen. Voor de gewenste herontwikkeling naar natuur geldt dat een parkeervraag niet aan de orde is (zie ook paragraaf 7.11 Mobiliteit en parkeren). Dit parapluplan is daarmee verder dan ook niet relevant voor de beoogde ontwikkeling.
Hoewel de beoogde herontwikkeling naar natuur in het geldende omgevingsplan is toegestaan, wordt in dit hoofdstuk volledigheidshalve kort stilgestaan bij het geldende ruimtelijk beleid.
In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen.
De vier prioriteiten
De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten:
Drie afwegingsprincipes
Het doel van de NOVI is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd:
Relatie tot het plangebied
Voorliggend TAM-omgevingsplan borgt de ontwikkeling en instandhouding van natuur. De ontwikkeling levert daarmee een bijdrage aan de ambitie voor een toekomstbestendig landelijk gebied (prioriteit 4). De ontwikkeling geeft meer specifiek invulling aan het nationaal belang tot het "verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit" (nationaal belang 20). Behoud en herstel van natuur en biodiversiteit in Nederland dragen in belangrijke mate bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. Het is van nationaal belang dat inspanning wordt geleverd om de Europese (instandhoudings)doelstellingen te realiseren waartoe Nederland verplicht is. Het realiseren van meer natuurgebieden van een goede kwaliteit, zoals de beoogde ontwikkeling, is een belangrijk onderdeel van bijbehorende opgave.
Conclusie
Dit TAM-omgevingsplan staat een ontwikkeling toe, die in overeenstemming is met opgaven uit de NOVI.
In de Omgevingsvisie worden de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vastgelegd. Er zijn zeven beleidsthema's waarvoor de ambities en beleidskeuzes staan benoemd. Het gaat om de volgende zeven thema's:
Deze zeven thema's vragen om een brede blik. Ze staan niet op zichzelf, maar kennen samenhang en relaties in boven- en ondergrond. De zeven thema's zorgen gezamenlijk voor integrale, toekomstgerichte oplossingen voor onze opgaven waarmee de Utrechtse kwaliteiten per saldo worden behouden of versterkt. Dit wordt bereikt door nieuwe ontwikkelingen te combineren en te concentreren, zorgvuldig om te gaan met de schaarse ruimte en kwaliteiten en door ontwerp en innovatie te stimuleren.
Relatie tot het plangebied
De provinciale natuurvisie is vastgelegd in de omgevingsvisie. Hierin zijn in Paragraaf 4.7.1 ‘Robuuste natuur met hoge biodiversiteit’ de ambities voor natuur opgenomen:
Centraal staat het beschermen en ontwikkelen van beleefbare natuur en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit. De beoogde ontwikkeling, waarbij kruiden- en faunarijk grasland’, vochtig hooiland en moeras wordt gerealiseerd, levert een bijdrage aan het ontwikkelen en behouden van natuur en biodiversiteit.
De Omgevingsvisie bevat daarnaast meerdere kaarten. Ter plaatse van het plangebied zijn diverse aanduidingen opgenomen, waaruit bijvoorbeeld volgt dat sprake is van een aandachtsgebied voor bodemdaling en dat het onderdeel uitmaakt van het landelijk gebied, het landschap Groene Hart en Natuurnetwerk Nederland. De beoogde ontwikkeling van natuur staat de bijbehorende provinciale ambities voor het plangebied niet in de weg.
Conclusie
Onderhavig TAM-omgevingsplan is in lijn met de ambities uit de Omgevingsvisie Provincie Utrecht.
Op 1 januari 2024 is de omgevingsverordening in werking getreden. Per 1 maart 2024 is de eerste wijziging in werking getreden van de Omgevingsverordening. De inhoud van de Omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de Omgevingsverordening. In de verordening zijn de regels over de fysieke leefomgeving van de provincie opgenomen. Gemeentelijke omgevingsplannen dienen aan deze regels te voldoen. Enkele relevante speerpunten uit de omgevingsverordening zijn de regels voor ruimtelijke kwaliteit. Hieronder zijn de voor de ontwikkeling relevante regels uit de verordening opgenomen.
Relatie tot het plangebied
De Omgevingsverordening bevat instructieregels over taken en bevoegdheden van gemeenten en waterschappen. Daarnaast bevat de omgevingsverordening direct werkende regels. Dit zijn regels die rechtstreeks gelden voor bedrijven, burgers en andere initiatiefnemers bij het uitvoeren van een activiteit. Bijvoorbeeld: vergunningplichten, waarbij op basis van een aanvraag eerst een besluit wordt genomen, gelden voor iedereen. Andere voorbeelden van direct werkende regels zijn de meld- en informatieplichten en de specifieke zorgplichten.
Voor het plangebied zijn de regels met betrekking tot Natuurnetwerk Nederland en de cultuurhistorische hoofdstructuur relevant. Deze worden hieronder nader toegelicht. Overige gebiedsaanwijzingen worden hier buiten beschouwing gelaten, vanwege het ontbreken van relevantie voor de beoogde ontwikkeling of omdat deze al in paragraaf 4.2.1 aan bod zijn gekomen.
Natuurnetwerk Nederland
De provincie beschermt het Natuurnetwerk Nederland (NNN) via het ruimtelijk beleid om ervoor te zorgen dat NNN niet zomaar wordt aangetast. Dit is geregeld in de Omgevingsverordening (artikel 6.3). Een nieuwe activiteit of wijziging van bestaande activiteiten mogen geen nadelige gevolgen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN of leiden tot een vermindering van de kwaliteit, oppervlakte of samenhang van het NNN. Uitzonderingen hierop zijn gevallen waarin sprake is van: een groot openbaar belang, waarbij geen reële alternatieven zijn; een plan waarop de meerwaardebenadering wordt toegepast, of; een beperkte wijziging, waarbij die wijziging of toevoeging noodzakelijk is voor de instandhouding van de bestaande activiteiten.
Het plangebied maakt deel uit van het NNN. Het doel van het project is om meer natuur aan te brengen in de vorm van vochtig hooiland en kruiden- en faunarijk grasland en dit dient de functie van de nabij gelegen moerasgebieden te versterken. Gezien de aard van de ingreep (bloemrijk grasland realiseren) is van significante aantasting van de natuur in het NNN geen sprake (bron: Quickscan Wet natuurbescherming Botsholsedijk Waverveen, Econsultancy, 2024). Aan artikel 6.3 uit de provinciale verordening kan zodoende worden voldaan.
Op grond van artikel 6.2 van de provinciale verordening moet een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het natuurnetwerk Nederland regels bevatten die strekken tot bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kwaliteit, de wezenlijke kenmerken en waarden en samenhang van het natuurnetwerk Nederland. In dit TAM-omgevingsplan is daarom een dergelijke regeling opgenomen. De natuur-, cultuur- en landschapswaarden worden binnen de functie 'Natuur' namelijk beschermd door gebruiksverboden en een omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden. De beoogde ontwikkeling van natuur in het plangebied levert een bijdrage aan de instandhouding van het NNN.
Cultuurhistorische hoofdstructuur (agrarisch cultuurlandschap, Ronde Venen)
Het plangebied maakt daarnaast onderdeel uit van de cultuurhistorische hoofdstructuur, namelijk het deelgebied 'agrarisch cultuurlandschap'. Het Agrarisch cultuurlandschap bestaat uit de deelgebieden Lopikerwaard, Kockengen-Kamerik-Zegveld, Westbroek, Linschoten, Ronde Venen, Soester Eng, Cope-ontginningscomplex Hei- en Boeicop e.o. en Zouweboezem. De cultuurhistorische waarde van het Agrarisch cultuurlandschap ligt met name in:
Specifiek voor Ronde Venen geldt het volgende:
Het radiale patroon van de middeleeuwse strokenverkaveling van de
Ronde Venen, het turfwinningslandschap van de Vinkeveense Plassen
en de orthogonale structuur van de droogmakerijen, vormen samen een
staalkaart van kenmerkend agrarisch grondgebruik door de eeuwen
heen. Vanaf de veenriviertjes Kromme Mijdrecht, Drecht, Waver en
Winkel is in de middeleeuwen het grote veenkussen radiaal ontgonnen
naar een centraal gelegen hoger punt. De zuid- en oostzijde werd
benaderd vanuit de daartoe gegraven Ennipwetering, Geer- en
Veenkade en de oostzijde vanuit de Oukoperdijk en de
Groenlandsekade. Met zuwes werd het gebied in taartpunten verdeeld
en in opstrekkende stroken ontgonnen. Halverwege vestigden zich de
ringvormige boerderijlinten van Vinkeveen, Wilnis, Mijdrecht en
Waverveen. Van deze ontginningen resteert langs de veenriviertjes nog
slechts een smalle zone, terwijl ze in het zuidenoosten nog goed
bewaard zijn gebleven. Door intensieve turfwinning in de zeventiende en
achttiende eeuw zijn in het noordoosten de Vinkeveense Plassen
ontstaan, met een karakteristiek patroon van legakkers en petgaten. In
de negentiende eeuw zijn de overige plassen in een viertal
droogmakerijen verkaveld binnen zware ringdijken.
Bij de beoogde ontwikkeling van natuur in het plangebied wordt rekening gehouden met deze waarden, doordat het verkavelingspatroon in tact blijft. De aanwezige ontginningsstructuur en -richting en de openheid van het landschap worden niet aangetast. Het heeft geen gevolgen voor de cultuurhistorische waarde van het waterbeheersingssysteem of de structuur, maatvoering, kenmerken en karakter van de boerderijlinten. Verstoring van cultuurhistorische waarde is dan ook niet aan de orde. De toekomstige invulling met kruiden- en faunarijk grasland, vochtig hooiland en moeras in het plangebied borgt juist het behoud van de verkavelingsstructuur en de openheid van het landschap.
Artikel 7.9 van de provinciale verordening schrijft voor dat in een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Cultuurhistorische hoofdstructuur rekening moet worden gehouden met de waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur. In dit TAM-omgevingsplan zijn daarom regels opgenomen ter bescherming en benutting van deze waarden. De natuur-, cultuur- en landschapswaarden worden binnen de functie 'Natuur' namelijk beschermd door gebruiksverboden en een omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden.
Conclusie
Dit TAM-omgevingsplan is in overeenstemming met de (instructie)regels uit de Omgevingsverordening Provincie Utrecht.
Het Natuurbeheerplan 2024-2025 beschrijft de beleidsdoelen en de subsidiemogelijkheden in de provincie Utrecht voor de ontwikkeling en het beheer van natuurterreinen, en voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Het Natuurbeheerplan geeft de kaders voor het aanvragen van deze subsidies en vormt het inhoudelijk toetsingskader voor het beoordelen van subsidieaanvragen. Het Natuurbeheerplan bestaat uit dit document, de gebiedsbeschrijvingen en bijbehorende kaarten 1 tot en met 13 Natuurbeheerplan (zie in Atlas bij ‘Natuurbeheerplan 2024-2025’).
Relatie tot het plangebied
In Tabel 1 zijn de prioriteiten van kaart 4 Ambitiekaart opgenomen. Hier is te vinden welke natuur op de percelen ontwikkeld kan worden. Per gebied is met de getallen 0, 1, 2, 3 en 4 aangegeven welke prioriteit een natuurbeheertype heeft in dat gebied. Prioriteit 0 betekent dat de ontwikkeling van het natuurbeheertype niet van toepassing is in het gebied. Natuurbeheertypen met prioriteit 1 hebben de hoogste prioriteit om in het gebied te worden ontwikkeld, vervolgens prioriteit 2, dan prioriteit 3 en 4 en als laatste prioriteit 5.
Het plangebied van dit TAM-omgevingsplan valt onder het gebied 'De Venen'. Voor het gebied 'De Venen' zijn de in het plangebied beoogde natuurbeheertypen in Tabel 1 van het Natuurbeheerplan 2024-2025 als volgt opgenomen:
Hieruit volgt dat de beoogde natuurbeheertypen allemaal onder de prioriteiten voor het plangebied vallen. In de "Versoberde Veenribbenvariant" uit 2012 is bepaald er in de polder Groot Mijdrecht Noordoost moerasnatuur wordt gerealiseerd, met daaromheen bloemrijke graslanden. Onder bloemrijke graslanden wordt verstaan ‘Kruiden- en Faunarijk grasland (12.02)’ en ‘Vochtig Hooiland (10.02)’. Er worden in het plangebied geen andere natuurbeheertypen overwogen dan deze twee.
In het plangebied van dit TAM-omgevingsplan is enkel sprake van realisatie van natuurbeheertypen die vallen onder de prioriteiten zoals die in tabel 1 van het natuurbeheerplan. Er worden in het plangebied geen andere natuurbeheertypen overwogen dan deze drie. De beoogde ontwikkeling in het plangebied is zodoende in lijn met de afspraken die zijn gemaakt voor het gebied. De ontwikkeling past binnen de ambitie van provincie Utrecht.
Conclusie
De beoogde ontwikkeling is in lijn met het Natuurbeheerplan 2024-2025.
Het programma gaat een afrondende periode 2021-2024 in onder de naam Hollandse Waterlinies; met deze naam wordt het Utrechtse deel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie en van de Stelling van Amsterdam bedoeld. De Nieuwe Hollandse Waterlinie is in 2019 door Nederland voorgedragen voor Unesco Werelderfgoed als uitbreiding op de Stelling van Amsterdam, die deze status sinds 1996 geniet. Het programma beslaat een periode van vier jaar waarin de provincie Utrecht voortbouwt op de successen uit de voorgaande jaren en verder inzet op borging van alle resultaten. Provincie Utrecht wil het gehele waterliniegebied tot meerwaarde brengen door slimme koppelingen te maken met andere maatschappelijke opgaven. Want van een weggestopt, wegkwijnend en verbrokkeld stelsel van forten en watergangen, zijn de waterlinies in enkele decennia veranderd in een imposant cultuurhistorisch fenomeen. Ze fungeren door hun open karakter met prachtige natuur als groene longen, spreken tot de verbeelding, en trekken bezoekers en geïnteresseerden uit binnen- en buitenland. Oftewel, van verdedigingslinie naar inspiratiebron.
Voor de periode 2021-2024 heeft de provincie een duidelijke ambitie geformuleerd: Het verleden met het heden verbinden en in de toekomst borgen. De eerste concrete vertaling daarvan is dit programmaplan. Het schetst hoe de provincie wil voortgaan op de ingeslagen weg met het versterken en verder ontwikkelen van de waterlinie als drager van ruimtelijke kwaliteit en inspiratiebron voor gebiedsontwikkeling. Tot slot werkt zij toe naar een duurzame borging binnen de provincie en bij partners buiten na afloop van de programmaperiode.
Relatie tot het plangebied
Een van de opgaves in het kader van de Hollandse Waterlinie is de dynamische omgeving en context. De waterlinies liggen namelijk in een gebied waar, door belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen, steeds meer vraag is naar ruimte. Zo is de zoektocht naar plaatsen voor duurzame energiebronnen als zonnepanelen en windturbines in volle gang, is er de noodzaak voor klimaatadaptatiemaatregelen naast de immer stijgende vraag naar woningen, infrastructuur en recreatieterreinen. Voeg daarbij dat het natuurnetwerk nog lang niet af is en het is duidelijk dat ontwikkelingen in het waterliniegebied een complexe, uitdagende, maar ook zeer relevante en inspirerende opgave zijn.
Naast het beschermen van de linie, is het daarom ook van belang om andere ruimte ruimtevragers zoals groene recreatie, natuur en klimaatadaptatie een plek te geven in dit cultuurlandschap. Juist dat geeft de Hollandse Waterlinies meerwaarde. De provincie wil zoveel mogelijk passende ontwikkelingskansen als recreatie, klimaatadaptatie en natuur verzilveren en laten landen in deze karakteristieke groene long waar het geweldig toeven is. De beoogde ontwikkeling in het plangebied draagt bij aan deze ambities.
Conclusie
De beoogde ontwikkeling is in lijn met het Uitvoeringsprogramma Hollandse Waterlinies 2021-2024.
Gebiedsanalyses maken duidelijk wat de kernkwaliteiten van de Hollandse Waterlinies in een gebied zijn. Het gaat om het militaire erfgoed, zoals forten, sluizen en kazematten, maar ook de openheid van de voormalige inundatiegebieden, waarmee rekening moet worden gehouden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Zo heeft Provincie Utrecht ook voor de Stelling van Amsterdam Zuid een gebiedsanalyse opgesteld. Hierin worden de kernkwaliteit, uitgangspunten en ontwikkelingsrichting voor de Stelling van Amsterdam Zuid toegelicht.
Het doel van de gebiedsanalyses is om meer inzicht te geven in waar en hoe de kernkwaliteiten zich manifesteren in het gebied, zodat ze duurzaam in stand gehouden kunnen worden en ingezet kunnen worden als bouwsteen voor ontwikkeling. De gebiedsanalyses schetsen welke kernkwaliteiten zich waar bevinden en wat hun belang is, zowel op zichzelf als in samenhang. Tevens is het doel om meer helderheid te geven hoe met de kernkwaliteiten is om te gaan, zodanig dat er geen sprake is van aantasting. Daarom worden per deelgebied van de Hollandse Waterlinies uitgangspunten en ontwikkelingsrichtingen meegegeven. Wat in een gebied uiteindelijk kan, blijft echter maatwerk. Bij visie- en planvorming is een integrale afweging van aanwezige belangen nodig. Daarbij blijft de regel van het niet mogen aantasten van het Werelderfgoed altijd gelden.
Relatie tot het plangebied
Het plangebied van onderhavig TAM-omgevingsplan valt feitelijk niet binnen de in de gebiedsanalyse aangegeven begrenzing van de Stelling van Amsterdam Zuid (zie onderstaande figuur). Vanwege de nabije ligging, wordt de kernkwaliteiten van de Stelling van Amsterdam Zuid volledigheidshalve kort toegelicht na de figuur.
Figuur 4.3: Stelling van Amsterdam Zuid (bron: Gebiedsanalyse kernkwaliteiten HW SvA Zuid)
De Hollandse Waterlinies zijn uniek én zijn op een bijzondere manier verbonden aan het Nederlandse Landschap. De Hollandse Waterlinies worden gevormd door de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW) en de Stelling van Amsterdam (SvA). De Stelling van Amsterdam werd tussen 1881 en 1914 aangelegd als een 135 kilometer lange waterlinie, gebaseerd op dezelfde defensieve principes (primair inundatie) als de NHW. De Stelling kreeg echter, in tegenstelling tot de NHW, geen min of meer lineaire vorm, maar werd aangelegd als een gesloten gordel rond de hoofdstad. De Stelling kwam op zo’n 15 - 20 kilometer afstand te liggen van de toenmalige bebouwde kom van Amsterdam. De bedoeling was dat de Stelling als ‘Nationaal Reduit’ zou fungeren: het laatste bastion van de landsverdediging waarin leger en regering zich konden terugtrekken. Bij de aanleg is gebruik gemaakt van het aanwezige landschap; onderdelen daarvan werden voor de linie ingezet. Zo kregen aanwezige dijken, die al eeuwenlang een waterstaatkundige functie hadden, tevens een defensieve functie. Datzelfde gold voor dijken van toen soms nog vrij recente droogmakerijen. Dijken van veenpolders en droogmakerijen gingen met elkaar de hoofdweerstandslijn van de linie vormen. De hoofdweerstandslijn is de scheiding tussen de te verdedigen ‘veilige’ zijde en daarbuiten een ‘onveilige’ zijde van waar de vijand kwam. Landschap en linie werden doelbewust met elkaar verknoopt. Op enkele plekken kon de hoofdweerstandslijn niet via bestaande dijken lopen en werden specifiek voor de SvA liniewallen aangelegd. De langste is de Geniedijk door de Haarlemmermeerpolder. In deelgebied Stelling van Amsterdam Zuid werd een liniewal aangelegd tussen het Fort bij Nigtevecht en het Gein. Aan de buitenkant, de ‘onveilige’ zijde, kon bij een militaire dreiging het open agrarische land onder water gezet (geïnundeerd) worden. Ook dit agrarische land kreeg dus een defensieve nevenfunctie. Bovendien werden door de Kringenwet 1853 beperkingen opgelegd aan het ruimtegebruik in de ‘verboden kringen’ rond de forten van de Stelling. Zoals bij de NHW onderdelen van de Oude Hollandse Waterlinie werden hergebruikt, gebeurde dat bij de Stelling met eerdere werken van linies rond de hoofdstad. Een voorbeeld daarvan zijn de Batterijen aan het Gein, aangelegd in 1808 - 1810 ter afsluiting van het riviertje en de dijken erlangs. De verdedigingswerken hoorden bij een voorganger van de Stelling, de Posten van Krayenhoff (1804 - 1810).
De beoogde ontwikkeling van natuur in het plangebied voorziet niet in ingrijpende wijzigingen in het landschap. De verkaveling blijft ongewijzigd en er is geen sprake van negatieve effecten op forten of andere onderdelen van de Stelling van Amsterdam. De kernkwaliteiten van de Stelling van Amsterdam Zuid worden niet aangetast. De beoogde ontwikkeling doet niet af aan de zichtbaarheid of beleefbaarheid van de Stelling van Amsterdam.
Conclusie
De beoogde ontwikkeling staat de kernkwaliteiten van de Stelling van Amsterdam Zuid niet in de weg.
Gemeente De Ronde Venen beschikt nog niet over een omgevingsvisie. Op dit moment is de Structuurvisie Ronde Venen 2030, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 17 oktober 2013 (in combinatie met de Aanvulling Structruurvisie De Ronde Venen 2030 zoals vastgesteld op 29 september 2021) daarom leidend.
In de Structuurvisie worden de hoofdzaken van het gemeentelijk ruimtelijk beleid en de voorgenomen ontwikkeling daarvan beschreven tot aan het jaar 2030. In de Structuurvisie wordt in gezet op de ligging van de gemeente: enerzijds in het Groene Hart en anderzijds in de Noordvleugel van de Randstad. In de Structuurvisie wordt ingezet op het uitbouwen en versterken van deze relaties en op het optimaliseren van de Ronde Venen als een aantrekkelijke woon-, werk- en recreatiegemeente. Deze visie is beeldend tot uiting gebracht in de visiekaart (zie onderstaande figuur).
Figuur 4.3: Visiekaart (bron: Structuurvisie Ronde Venen 2030)
Relatie tot het plangebied
Voor voorliggend TAM-omgevingsplan is in het bijzonder hoofdstuk 3 Landschap uit de Structuurvisie relevant. In dit hoofdstuk wordt het landelijk karakter van de gemeente benadrukt en wordt gesteld dat het landschap het uitgangspunt is voor de ontwikkelingen tot 2030. Bij ruimtelijke ontwikkelingen speelt de landschappelijke en cultuurhistorische context een nadrukkelijke rol en wordt er gezocht naar mogelijkheden om de verschillende functies elkaar op samenhangende wijze te laten versterken.
In dit hoofdstuk worden een zestal onderwerpen nader besproken:
Het beoogde intiatief draagt bij aan versterking van natuur en behoud van ecologische waarden. Zoals reeds toegelicht blijven ook de aanwezige cultuurhistorische waarden behouden. De ontwikkeling staat de overige gemeentelijke ambities niet in de weg.
Conclusie
Dit TAM-omgevingsplan is in lijn met de gemeentelijke Structuurvisie Ronde Venen 2030.
In het Groenbeleidsplan 2017 - 2040 geeft gemeente De Ronde Venen haar visie op het groen in de gemeente. Hierin geeft de gemeente antwoord op vragen als: Waaraan moet het groen voldoen? Hoe willen we dat het zich ontwikkelt? Wat zijn onze ambities?
Het Groenbeleidsplan geeft aan langs welke lijnen gemeente de komende decennia met het groen in wil omgaan. Om het groen in de Ronde Venen zo goed mogelijk te blijven ontwikkelen, inrichten, beheren en aan te sluiten bij nieuwe trends benoemt de gemeente samen met de adviesgroepen van de acht kernen de volgende algemene speerpunten:
Relatie tot het plangebied
In het groenbeleidsplan is ook de gemeentelijk visie voor beplantingen in het buitengebied toegelicht. Beplantingen markeren bepaalde dijken, veel wegen en linten, maar kan ook losse elementen betreffen. Ze structureren het landschap, laten zichtlijnen zien en zorgen voor perspectief. Daarmee dragen ze bij aan het ervaren van de openheid, een belangrijke waarde in het polderlandschap. In relatie tot de visie beplantingen buitengebied worden in het Groenbeleidsplan diverse thema's nader toegelicht: openheid en beplantingen, Stelling van Amsterdam en lijnstructuren. Vervolgens worden wijzigingen op de beplantingsstructuur beschreven. In het deelgebied 'droogmakerijen' zijn enkele maatregelen voorzien en in dat kader wordt onder andere ingegaan op polder Groot Mijdrecht:
"Elke droogmakerij heeft een eigen karakter, wat we ook zien in Groot Mijdrecht, waar de westelijke delen agrarisch gebied blijven. Het westelijk deel van Groot Mijdrecht Zuid is ook kernrandzone. De oostelijke delen van deze droogmakerij worden natuur. De natuurdoelen zijn gericht op soorten van moerasnatuur met moerasvogels, en is niet gericht op weidevogels."
De beoogde ontwikkeling naar natuur in het plangebied maakt onderdeel uit van de bedoelde delen van de droogmakerij die worden ingericht als natuur. Voorliggend TAM-omgevingsplan geeft zodoende invulling aan de in het Groenbeleidsplan voorgestelde maatregelen.
Conclusie
Dit TAM-omgevingsplan is in lijn met het gemeentelijke Groenbeleidsplan De Ronde Venen 2017-2040.
Tijdens hete perioden heeft een groot deel van de mensen last van hittestress. Hittestress leidt in sommige gevallen zelfs tot sterfte. Het CBS heeft berekend dat tijdens de hittegolven van 2019 en 2020 in Nederland ongeveer 400 mensen per week overleden. 75% was 80 jaar of ouder. Dit komt onder andere doordat ouderen minder warmte en dorst voelen. Dit probleem wordt groter doordat het gemiddeld steeds warmer wordt. Daarom heeft de provincie Utrecht besloten om gemeenten te ondersteunen bij het opstellen van lokale hitteplannen. En zo ook gemeente De Ronde Venen. Hitteplannen helpen namelijk om het aantal slachtoffers te verminderen. In dit kader heeft de gemeente het Lokaal Hitteplan gemeente De Ronde Venen (Lokaal hitteplan 1.0 d.d. 14 februari 2023) vastgesteld.
Het hoofddoel van het lokaal hitteplan is: het verkleinen van gezondheidsrisico's van kwetsbare ouderen bij aanhoudende hitte. Dit hoofddoel is uitgewerkt in de volgende doelen:
Relatie tot het plangebied
In algemene zin heeft het aanleggen van natuur een positieve impact op de vermindering van hittestress Het aanleggen van meer natuur kan een aanzienlijke impact hebben in verkoeling. Toevoeging van groen en natuur kan helpen om de hoge temperaturen te verlagen. Planten verhogen de vochtigheid. Daarnaast blijkt uit verschillende onderzoeken dat groene plekken overdag koeler zijn dan gebieden zonder groen.
Globaal genomen kan zodoende worden geconcludeerd dat de beoogde realisatie van natuur een positieve bijdrage kan leveren aan het voorkomen van gezondheids- en welzijnsproblemen tijdens periodes van hitte.
Conclusie
De beoogde ontwikkeling van natuur biedt kansen om een bijdrage te leveren aan het voorkomen van hittestress.
De gezondheidsnota 2021-2025 van de gemeente De Ronde Venen richt zich op verschillende speerpunten om de gezondheid van de inwoners te bevorderen.
Wat wil de gemeente bereiken?
Door de vergrijzing neemt het aantal inwoners met een ziekte of aandoening toe, maar dat betekent niet dat zij daarmee beperkt of ongezond zijn. Gezondheid is het vermogen van inwoners om zich aan te passen en zelf regie te voeren. Gezond leven hebben inwoners dus zelf in de hand, op de plek waar ze wonen, werken en naar school gaan. De visie op gezondheid sluit hiermee ook goed aan op de visie uit de Maatschappelijke Agenda, waarbij ook zoveel mogelijk wordt uitgegaan van de eigen kracht en potentie van inwoners.
Visie
In De Ronde Venen kan iedereen meedoen en zijn inwoners zoveel als mogelijk zelfredzaam. Inwoners kunnen hun leven zelf organiseren, onderhouden sociale contacten en zijn bij hun omgeving betrokken. Kwetsbare inwoners ontvangen tijdelijk of indien nodig permanente ondersteuning om mee te doen en zelfredzaam te zijn of te worden. Gemeente De Ronde Venen biedt inwoners de mogelijkheid om de juiste keuzes te maken om zich gezond te voelen en gezond te leven. Er ontstaat een samenleving waarin zelfredzaamheid, gemeenschapszin en participatie belangrijke waarden zijn.
Positieve gezondheid
Als basis voor deze gezondheidsnota wordt uitgegaan van het gedachtegoed van Positieve Gezondheid. Hierin staat een brede kijk op gezondheid centraal. Gezondheid is zo veel meer dan de afwezigheid van ziekte.Deze brede positieve gezondheidsvisie is opgebouwd uit 6 dimensies die onderling met elkaar verbonden zijn. Ze bepalen samen in hoeverre iemand zich gezond voelt. Deze dimensies zijn:
Deze visie op gezondheid vraagt om een integrale aanpak, die gefocust is op het versterken van veerkracht, eigen regie en gezondheidsvaardigheden. Mensen zijn er in beginsel zelf verantwoordelijk voor. Gemeente de Ronde Venen ziet voor zichzelf een rol in het bijdragen om de gezonde keuze de makkelijke keuze te maken en de omgeving meer gezondheidsbevorderend in te richten.
Relatie tot het plangebied
Gemeente de Ronde Venen wil inzetten op de volgende 3 ambities voor de lokale gezondheidsnota 2021-2025 van De Ronde Venen:
In het kader van ambitie 1 'Gezonde leefomgeving' is het uitgangspunt dat de invloed van omgeving op gezondheid wordt benut. Hierbij wordt onder andere ingezet op een toegankelijke en uitnodigende omgeving waarin ontmoeten en bewegen worden gestimuleerd. Dit betekent onder meer: aantrekkelijk groen. De beoogde ontwikkeling, waarbij natuur wordt gerealiseerd, draagt hieraan bij. De beoogde natuurontwikkeling vindt plaats in het buitengebied, waar bewegen (zoals fietsen) al een uitnodigende activiteit is. Daarnaast heeft veel groen om je heen zowel een positieve invloed op je stresslevel als op je beweeggedrag. Recreatie in het buitengebied kan bijdragen aan ontspanning en daarmee het welzijn van inwoners.
Conclusie
De beoogde ontwikkeling van natuur biedt kansen om een bijdrage te leveren aan positieve gezondheid.
De Landschapsnota geeft invulling aan de ambitie van De Ronde Venen om een Groene Hart gemeente te zijn waar op een zorgvuldige manier ruimte wordt geboden voor ontwikkelingen terwijl landschappelijke kwaliteiten in stand gehouden en verstrekt worden.
Het hoofddoel van de Landschapsnota is het creëren van een ruimtelijk toetsingskader voor een zorgvuldige afweging van ruimtelijke initiatieven met landschappelijke impact. Om dit doel te realiseren wordt gebruik gemaakt van een Landschapsbeleidskaart en - toets en een hier aan gerelateerde beschrijving van de kenmerken, waarden en ontwikkelingen van de deelgebieden van De Ronde Venen.
Gebiedsprocessen,
Het provinciale natuurbeheerplan heeft haar SNL-subsidiestelsel. Andere middelen lopen via het Gebiedsprogramma Utrecht-West 2012-2015. Dit programma heeft betrekking op gebiedsprocessen, plattelandsontwikkeling, water en boden, natuur, landbouw en recreatie. In De Ronde Venen spelen vier gebiedsprocessen waar het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN) (voorheen: EHS) een belangrijke rol speelt. Een van deze gebieden is Groot Mijdrecht Noordoost. In de Landschapsnota zijn, evenals in de Structuurvisie, de vastgelegde afspraken in het kader van deze gebiedsprocessen meegenomen.
Relatie tot het plangebied
De Deelgebiedenkaart verdeelt de gemeente in deelgebieden met vergelijkbare landschappelijke kenmerken. In de bijbehorende Deelgebiedbeschrijvingen is per deelgebied beschreven welke landschappelijke waarden en kenmerken aanwezig zijn. Het plangebied is gelegen in deelgebied 8: 'Droogmakerij: natuur'.
Figuur 4.4 Uitsnede deelgebiedenkaart, plangebied gelegen in gebied 8 (bron: De Landschapsnota De Ronde Venen 2030)
Hieronder zijn de landschappelijke waarden en kenmerken beschreven behorend bij het deelgebied 'Droogmakerij: natuur'.
Droogmakerijen
Natuur
De beoogde ontwikkeling, waarbij natuur wordt gerealiseerd past in de kenmerken behorend bij het deelgebied 'Droogmakerij: natuur'. Behoud en versterking van de rationele structuur wordt zo veel als mogelijk nagestreefd. Het plangebied van de beoogde ontwikkeling is grotendeels reeds ingericht als 'natuurgebied'. In Hoofdstuk 6 wordt verder ingegaan op de landschappelijke inpassing van het plan.
Conclusie
De beoogde ontwikkeling van natuur sluit aan op de Landschapsnota De Ronde Venen 2030.
Goede riolering is nodig voor de bescherming van de volksgezondheid, het milieu en het tegengaan van wateroverlast. In het Water- en Rioleringsplan (WRP) geeft de gemeente De Ronde Venen aan hoe zij als gemeente omgaan met de wettelijke zorgplichten voor stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwater.
De WRP is tot stand gekomen in nauwe samenwerking tussen de gemeente De Ronde Venen, het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht en ingenieursbureau Sweco.
Er zijn veel ontwikkelingen gaande binnen de rioleringszorg. Met dit WRP geeft de gemeente extra aandacht aan de volgende ontwikkelingen:
Stedelijk afvalwater
Stedelijk afvalwater is huishoudelijk afvalwater of een mengsel van huishoudelijk afvalwater met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. In principe is het uitgangspunt om bij nieuwbouw een gescheiden stelsel aan te leggen. De gemeente streeft ernaar om alle panden aan te sluiten op de riolering, maar soms is een kleine individuele zuivering, een IBA, de beste oplossing.
Afvloeiend hemelwater
Voor de verwerking van hemelwater volgt de gemeente de trist 'vasthouden - bergen - afvoeren'. De voorkeur is om afvloeiend hemelwater zo lokaal mogelijk te verwerken door bijvoorbeeld hemelwater af te koppelen en lokaal te laten infiltreren. per locatie wordt bekeken wat de mogelijkheden zijn, waarbij het streven is om tegen beperkte kosten zoveel mogelijk hemelwater te kunnen verwerken. Er zijn vele mogelijkheden van klimaatadaptief inrichten.
Grondwater
De aanpak van grondwateroverlast is een samenspel van de grondeigenaar, gemeente, waterschap en provincie. Ook sterk fluctuerende grondwaterpeilen kunnen vallen onder grondwateroverlast. Het gaat ook om tekorten aan grondwater. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden diverse volgende grondwaternormen- en richtlijnen gehanteerd zoals het streven naar volledig grondwaterneutrale ingrepen in het systeem. De ontwikkeling mag geen hydrologische achteruitgang aan de randen van het plangebied tot gevolg hebben, ten opzichte van de huidige situatie. Binnen de gemeente wordt een groot aantal oppervlaktewateren beheerd, vooral in de vorm van sloten. Het waterschap voert het beheer over de primaire wateren, en de gemeente over de secundaire wateren binnen de gemeentelijke grenzen. Het oppervlaktewater maakt onderdeel uit van het hemelwaterstelsel, het speelt een belangrijke rol in de berging en afvoer van hemelwater uit het bebouwde gebied.
Relatie tot het plangebied
Bij de planvorming van de beoogde ontwikkeling, waarbij natuur wordt gerealiseerd is rekening gehouden met de waterhuishouding. Bij de beoogde ontwikkeling worden geen wijzigingen gedaan aan het huidige rioleringsstelsel.
Voor de weging van het waterbelang is door BWZ ingenieurs een watertoets uitgevoerd, zie hiervoor Bijlage 11 Memo watertoets bij de motivering. Hieruit blijkt onder andere dat het functioneren van de waterhuishouding door de voorgenomen ingrepen niet wezenlijk zal veranderen. Zo wordt op percelen waar het kwelwater van hoge kwaliteit is, een holle maaiveldsligging gerealiseerd, zodat binnen het perceel een gradiënt tot stand wordt gebracht en kwelwater optimaal wordt vastgehouden en benut. Hierdoor blijven midden in de percelen (voor vochtig hooiland noodzakelijke) natte omstandigheden, ook als de grondwaterstand door verdamping wegzakt. Daarnaast worden langs een groot aantal watergangen (secundaire wateren) eenzijdig natuurvriendelijke oevers aangelegd in de vorm van een flauw talud over een maximale breedte van 3 meter. De natuurvriendelijke oevers worden alleen aangelegd in de watergangen tussen de natuurpercelen, niet aan de buitenranden van het projectgebied. Langs alle oevers waar geen natuurvriendelijke oever komt, vindt herprofilering van de oever plaats, indien in de buidige situatie 'grondwallen'langs de slootkant aanwezig zijn. Daarnaast wordt in het noordwestelijk deel van het projectgebied een nieuwe dwarswatergang gerealiseerd. Deze voldoet aan de dimmensionering zoals die eerder met het waterschap is afgestemd voor de omleidingswatergang voor moerasblok 1.
In 7.14 Waterbelang wordt nader ingegaan op het aspect water in het plangebied.
Conclusie
Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling aansluit op diverse aandachtspunten uit het Water- en Rioleringsplan De Ronde Venen 2023-2027.
In de Omgevingswet is een goede omgevingskwaliteit opgenomen als een centrale doelstelling (artikel 1.3 Omgevingswet). Dit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving.
Op Rijksniveau zijn er een beperkt aantal instructieregels opgesteld voor landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De provincie en gemeente hebben hierdoor vrijheid om de aspecten landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit in te vullen in bijvoorbeeld de Omgevingsvisie en het Omgevingsplan. Eén van de instructieregels waaraan de provincies en gemeenten moeten voldoen betreft het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5 van het Bkl).
Relatie tot het plangebied
In Hoofdstuk 6 Landschappelijke inpassing van deze motivering wordt ingegaan op de landschappelijke inpassing. In onderhavige paragraaf wordt derhalve volstaan met de constatering dat in dit TAM-omgevingsplan voldoende rekening wordt gehouden met de landschappelijke inpassing van het voorgenomen initiatief.
Conclusie
Het aspect landschappelijke inpassing staat de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan niet in de weg.
Onderdeel van de fysieke leefomgeving is het cultureel erfgoed en werelderfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit vijf elementen, namelijk monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschap en roerend of immaterieel erfgoed. Alle wettelijke regelingen rond de omgang met cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving zijn in de Omgevingswet terecht gekomen. Artikel 5.130 en Artikel 5.131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat de instructieregels voor het cultureel erfgoed. Het beschermingsregime in het omgevingsplan moet ertoe strekken om in een vroeg stadium inzicht te verschaffen in het cultureel erfgoed dat binnen het desbetreffende gebied aanwezig is en om dit cultureel erfgoed voldoende te beschermen als een activiteit wordt ontplooid. De Omgevingswet vormt samen met de Erfgoedwet (2016) het fundament voor de bescherming van het erfgoed.
Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente De Ronde Venen
In de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente De Ronde Venen zijn in paragraaf 6.7 Archeologie bepalingen opgenomen met betrekking tot de instandhouding van archeologische terreinen, opgravingen en begeleiding, de gemeentelijke archeologische beleidskaart en advies van een archeologisch deskundige. Met deze bepalingen wordt invulling gegeven aan de verplichtingen die volgen uit de Omgevingswet en de Erfgoedwet met betrekking tot archeologie.
Archeologische beleidskaart met legenda De Ronde Venen 2017
De gemeente De Ronde Venen heeft de Archeologische beleidskaart De Ronde Venen 2017 opgesteld waarop voor zowel landbodems als waterbodems (verwachte) archeologische waarden zijn vastgesteld. Deze waarden zijn vertaald zijn functieaanduidingen in het omgevingsplan. In Artikel 5 van dit TAM-omgevingsplan zijn de verwachtingswaarden opgenomen die op basis van de beleidskaart van toepassing in het plangebied.
Relatie tot het plangebied
Hieronder wordt achtereenvolgens ingegaan op de aspecten archeologie, cultuurhistorie en erfgoed.
Archeologie
Voor het plangebied is de gemeentelijke archeologische beleidskaart geraadpleegd. Voor het overgrote deel van het plangebied geldt een 'Archeologische verwachting Laagpakket van Wormer vanaf maaiveld'. In het zuidelijk deelgebied geldt gedeeltelijk een 'Lage archeologische verwachting Formatie van Echteld/Nieuwkoop (Komgebied)' en 'ontginningsbasis'. Onderstaande figuur toont een uitsnede van de archeologische verwachtingskaart ter plaatse van het zuidelijk deelgebied.
Figuur 5.1: Uitsnede archeologische beleidskaart zuidelijke percelen, percelen 3263 en 3165 bij benadering blauw omlijnd (bron: Bijlage 2)
Naar het plangebied is archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. De resultaten worden hieronder samenvattend toegelicht.
Noordelijke percelen
Bureau voor Archeologie heeft in 2020 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het project Moerasblok 1, zie hiervoor Bijlage 1 Archeologisch bureauonderzoek (Moerasblok 1). Perceel 3262 valt binnen het hoofdonderzoeksgebied. Om voldoende informatie over aardkundige, historische en archeologische gegevens te verzamelen wordt een onderzoeksgebied gebruikt dat groter is dan het plangebied. Het onderzoeksgebied voor het bureauonderzoek is een zone met straal van circa 500 m om de ontwikkeling heen (zie onderstaande figuur. Hierdoor zijn ook de percelen 3257 en 3202 onderzocht. Voor alle drie de noordelijke percelen geldt dezelfde archeologische verwachting volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente De Ronde Venen.
Figuur 5.2: Uitsnede onderzoeksgebied (bron: bijlage 1)
Bureau voor Archeologie adviseert om in zones met mogelijk bewoonbare kreekafzettingen alle graafwerkzaamheden te vermijden. Daarnaast wordt aanbevolen om in het hele plangebied graafwerkzaamheden te beperken tot een maximale diepte van 220 cm beneden het huidige maaiveld. Binnen de percelen van GMNO en B liggen geen mogelijk bewoonbare kreekafzettingen (zoals volgt uit figuur 35 in het onderzoeksrapport). De voorziene graafwerkzaamheden gaan niet dieper dan 220 cm beneden maaiveld. Een verkennend archeologisch booronderzoek is niet nodig.
Zuidelijke percelen 3263 en 3165
De percelen J vallen buiten de onderzoeksbegrenzing van bovengenoemd onderzoek. Daarom is hier in 2024 een bureaustudie uitgevoerd door Bureau voor Archeologie, zie hiervoor Bijlage 2
Archeologisch bureauonderzoek (percelen 3263 en 3165). Uit de bureaustudie blijkt dat in het plangebied drie potentiële archeologische niveaus aanwezig zijn. Het onderste en oudste betreft het Pleistocene (dekzand)landschap. Dit niveau ligt ongeveer drie meter onder het maaiveld en wordt daarom alleen bij diepreikende graafwerkzaamheden verstoord. Dit is als gevolg van de beoogde ontwikkeling van natuur niet te verwachten. Het Pleistocene niveau is afgedekt door het Basisveen en getijdenafzettingen van het Laagpakket van Wormer. De kans dat archeologische resten in de getijdenafzettingen worden verstoord, wordt als klein ingeschat. Bij graafwerkzaamheden in het veenrestant in het zuidoosten van het plangebied (zie onderstaande figuur), kunnen archeologische resten worden verstoord. Hier is een veenrestant aanwezig naast een middeleeuwse kade (tegenwoordig het Waverveense pad). Op deze plek kan een boerderij hebben gestaan.
Figuur 5.3: Veenrestant (rood) volgens het 19e-eeuwse kadastraal
minuutplan (bron: Archeologisch bureauonderzoek, Bureau voor
Archeologie, 2024)
Om verstoring van archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd te voorkomen, wordt geadviseerd graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm -mv te vermijden op de plek waar nog een veenrestant aanwezig is (zoals getoond in bovenstaande figuur). Als dieper wordt gegraven dan 30 cm -mv in deze zone wordt aanbevolen om de aard en intactheid van het bodemprofiel te bepalen en zo de gespecificeerde verwachting te controleren en te verfijnen.
Om de archeologische waarden te beschermen, zijn de geldende dubbelbestemmingen in het plangebied volledigheidshalve conserverend overgenomen uit het geldende bestemmingsplan. De dubbelbestemmingen zijn overgegaan naar de corresponderende functie-aanduidingen. Waar nodig zijn de regels aangepast om te voldoen aan de vereisten van een omgevingsplan.
Cultuurhistorie en erfgoed
Agrarisch cultuurlandschap
Het plangebied is aangewezen als onderdeel van de cultuurhistorische hoofdstructuur (agrarisch cultuurlandschap, Ronde Venen). Op basis van gaafheid en representativiteit van de verkavelingsstructuur en op basis van de samenhang van de agrarische patronen en de bebouwingslinten zijn in het Groene Hart vijf gebieden geselecteerd waar de provincie specifieke aandacht vraagt voor de cultuurhistorische waarden. De Ronde Venen behoort tot een van de vijf geselecteerde gebieden. Vanwege de ligging in het landschap Groene Hart zijn ook de kernkwaliteiten openheid, (veen)weidekarakter (incl. strokenverkaveling, lintbebouwing, etc.), landschappelijke diversiteit en rust & stilte, mede bepalend.
In paragraaf 4.2.2 Omgevingsverordening Provincie Utrecht is hier reeds op ingegaan. De beoogde ontwikkeling naar natuur heeft geen negatief effect op dit cultuurlandschap.
Stelling van Amsterdam
Daarnaast maakt het plangebied onderdeel uit van het aangewezen inundatieveld in de Stelling van Amsterdam. De Stelling van Amsterdam is aangewezen als militair erfgoed. Tussen 1883 en 1914 werd als laatste grote verdedigingslinie van ons land de Stelling van Amsterdam aangelegd. In het Utrechtse deel vormden de riviertjes de Amstel, de Waver en de Winkel de hoofdverdedigingslijn. Hierlangs kwamen, op regelmatige afstanden, lage, goed gecamoufleerde forten: Uithoorn, Waver-Amstel, het onvoltooide Botshol en Winkel. De direct ten zuiden gelegen, verzonken droogmakerijen (tot zes meter onder NAP) waren zeer geschikt om bij oorlogsdreiging te inunderen.
De openheid van de voormalige inundatiegebieden versterkt de beleving van de linie.
De Stelling van Amsterdam is een voormalig nationaal landschap. In dit kader wil de provincie Utrecht volgende kernkwaliteiten behouden:
De beoogde ontwikkeling naar natuur tast deze kernkwaliteiten niet aan. De beoogde ontwikkeling draagt bij aan een groen en overwegend rustig karakter en behoud van de relatief grote openheid. Bij de beoogde ontwikkeling worden de cultuurhistorische en landschappelijke waarden voldoende geborgd.
Conclusie
Het aspect archeologie, cultuurhistorie en erfgoed staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, is het wenselijk om duidelijk aan te geven welke duurzame aspecten aanwezig zijn of waar het plan aan bijdraagt (ook in relatie tot de Bruidsschat, art. 22.52).
Relatie tot het plangebied
De toekomstige functie natuur heeft in algemene zin een positief effect op duurzaamheid en natuurinclusiviteit. Bij uitvoering van de beoogde aanleg van natuur zal zoveel mogelijk rekening gehouden worden met de uitgangspunten zoals deze zijn bepaald voor het project (gunningscriteria):
Bij de aanlegfase zal dit nader uitgewerkt en getoetst worden.
Biodiversiteit
Momenteel wordt gewerkt aan een soortenmanagement plan, dat ingaat op de huidige natuurwaarden en doelsoorten binnen de gemeente. De toekomstige functie natuur zal biodiversiteit in het plangebied stimuleren. Bovendien wordt opgemerkt dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met het natuurbeleid van provincie utrecht en het gemeentelijk groenbeleidsplan, zoals reeds beschreven in Hoofdstuk 4.
Conclusie
Het aspect duurzaamheid en natuurinclusieviteit staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.
De toets voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, ook wel de 'laddertoets' genoemd, moet gedaan worden voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen die 'voldoende substantieel' zijn. Het doel van de laddertoets is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in (niet-) stedelijke gebieden.
Op basis van artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dient een omgevingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, in het omgevingsplan rekening te houden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied, dan dient in het omgevingsplan te worden beschreven wat de mogelijkheden zijn om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
Relatie tot het plangebied
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van natuur. De beoogde ontwikkeling van natuur is een functie die inherent is verbonden aan het buitengebied. Dit is niet aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking. De laddertoets is om die reden niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling. Nut en noodzaak van de beoogde realisatie van natuur is te vinden in de bijdrage aan beleidsdoelstellingen, zoals reeds toegelicht in Hoofdstuk 4.
Conclusie
De Ladder voor duurzame verstedelijking staat de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan niet in de weg.
Het plangebied wordt ingericht als natuur. In het schetsontwerp is op basis van bodemchemisch onderzoek bepaald waar potenties liggen voor N10.02 vochtig hooiland en waar het beste N12.02 kruiden- en faunarijk grasland ontwikkeld kan worden. In het voorlopig ontwerp (VO) is deze indeling gehandhaafd. Voor het westelijke perceel van B en voor de percelen J is geen bodemchemisch onderzoek uitgevoerd. Uitgangspunt voor het voorlopig ontwerp is de ontwikkeling van kruiden- en faunarijk grasland op die percelen.
Perceel 3262 wordt ingericht als moeras. De overige vier percelen worden ingericht als bloemrijke graslanden (bestaande uit kruiden- en faunarijk grasland dan wel vochtig hooiland). In onderstaande figuur is dit aangeduid. Voor geen van de natuurdoeltypen wordt het maaiveld afgeplagd.
Figuur 6.1: Ontwerp bloemrijke graslanden (bron: BWZ ingenieurs)
In de figuur zijn de omliggende percelen van GMNO weergegeven met groene arcering 'bloemrijk grasland'.
Oevers
Natuurvriendelijke oevers
Natuurvriendelijke oevers dienen om een gradiënt te creëren voor biodiversiteit en bevorderen het vernatten van de percelen. Ze worden gerealiseerd in de vorm van een flauw talud en hebben een maximale breedte van 3 m met het oog op beheerbaarheid. Natuurvriendelijke oevers worden nooit aan beide zijden van de watergang aangelegd om de schouw niet te belemmeren. Ook komen ze niet langs de buitenranden van het projectgebied. Het ontwerp bevat in totaal 6.940 m1 aan natuurvriendelijke oevers.
De natuurvriendelijke oevers worden direct na aanleg ingezaaid. Bij voorkeur wordt maaisel van een lokale, kruidenrijke bronpopulatie gebruikt. Als dit niet mogelijk is, dan is een mengsel voor oevers of vochtige gronden een optie. Bij de definitieve keuze voor een zaadmengsel is het van belang dat floravervalsing wordt voorkomen en wordt gekozen voor inheemse zaden van autochtone herkomst. Deze sluiten beter aan op de behoeften van onze insecten en vogels dan zaden uit het buitenland.
Herprofileren
De slootkanten van veel percelen hebben grondwallen die zijn ontstaan door de bodemdruk van de landbouwmachines bij het schonen van de sloten. De grondwallen belemmeren een optimale afwatering van de percelen en daarmee de beheerbaarheid. Deze worden daarom verwijderd. Dit wordt 'herprofileren' genoemd.
Langs alle oevers waar geen natuurvriendelijke oever komt, is het herprofileren van de oever als maatregel opgenomen in het voorlopig ontwerp. Er is geen landmeetkundige inmeting beschikbaar, dus de exacte locaties waar grondwallen aanwezig zijn en de omvang van de grondwallen zijn niet precies in beeld. Bij de percelen J is geen sprake van grondwallen. Het ontwerp bevat in totaal 8.465 m1 aan te herprofileren oevers.
Ook het nieuwe maaiveld ter plaatse van de herprofilering wordt direct na aanleg ingezaaid. Hiervoor gelden dezelfde voorwaarden als voor de natuurvriendelijke oevers.
Ter plaatse van de middenspanningsleiding en datakabel van Stedin zijn diepere graafwerkzaamheden ongewenst. In het ontwerp is hiermee rekening gehouden door hier geen natuurvriendelijke oevers te situeren. Uitgangspunt is dat herprofilering van oevers wel mogelijk is.
Greppels
Op enkele locaties, zoals vastgelegd in het schetsontwerp, zijn greppels voorzien. Deze mogen de gemiddeld hoogste grondwaterstand niet aansnijden. Ze zijn daarom slechts 0,2 m diep en 0,5 m breed. De greppels zijn niet aangesloten op een sloot. Mogelijk is een greppelpomp gewenst om de greppels nat te houden. Hierover is nog geen besluit genomen.
Bomen en struweel
Rondom de percelen B worden wilgen aangeplant. Deze dienen bij aanplant direct van enige omvang te zijn. Het voorstel is om een stamdiameter van 8-10 cm aan te houden voor het plantmateriaal. In de rest van het plangebied worden geen bomen aangeplant om de open uitstraling van het gebied te behouden.
Voor een hoge landschapskwaliteitsscore voor kruiden- en faunarijk grasland dient 5 tot 20% van het oppervlak te bestaan uit hoog struweel. Dit komt op te voedselrijke plekken waar N12.02 bodemchemisch niet haalbaar is.
Vanwege de wens van een open landschap wordt het gewenste percentage in het voorlopig ontwerp niet gehaald. Wel wordt op twee locaties struweel overwogen. De vakken hebben een breedte van 10-15 m. Een boomlaag is afwezig. Het struweel bestaat uit inheemse soorten, zoals meidoorn, sporkehout, gewone vlier, wilde liguster en Gelderse roos. Deze inheemse heesters gedijen goed op veengrond. De soortenkeuze biedt variatie in hoogte, kleur en structuur en biedt voedsel en schuilmogelijkheden voor kleine zoogdieren, vogels en insecten. Vanwege de vroege bloei wordt ook een enkele grauwe wilg toegevoegd. De planten worden groepsgewijs aangebracht, waarbij rekening wordt gehouden met de ruimte die ze nodig hebben. Voor vlier en vuilboom is een plantafstand van 2-3 m goed, terwijl ligusterstruiken op 1 m afstand van elkaar kunnen worden aangeplant.
Toegankelijkheid voor beheer
Dammen en bruggen
Op enkele plaatsen zijn nieuwe dammen met duikers nodig om de percelen bereikbaar te maken. De bestaande dam bij het perceel B wordt iets verbreed. Eén bestaande landbouwbrug wordt vervangen.
Beheerpaden en beheerroutes
Voor een goede beheerontsluiting is het belangrijk dat slenken gedicht worden, zodat deze gepasseerd kunnen worden met beheervoertuigen. Op dammen wordt schoon menggranulaat (max. 0,1% vervuiling) toegepast. Op deze locaties vinden de meeste rij- en draaibewegingen plaats.
Hekwerken en poorten
Op twee locaties is geen natuurlijke scheiding (sloot) tussen de natuurpercelen en agrarische of privépercelen. Het voorstel in het VO is om hier een afrastering in de vorm van palen met twee puntdraden te plaatsen. De definitieve oplossing moet nog met de aangrenzende eigenaar worden afgestemd. Alle toegangspoorten tot de natuurpercelen worden vervangen door een uniforme nieuwe poort.
Overig
Vanuit de directe projectomgeving zijn wandelpaden door het gebied niet gewenst. Daarom is in het VO gekozen voor de aanwijzing van een mogelijke locatie voor een kijkplek langs de randen van het projectgebied. De voorkeursplek ligt op de onverharde dijk, aan de noordoostzijde van het gebied. De iets hogere ligging maakt het een geschikte plek. Er ligt al een struinpad over de dijk en voor zover bekend is er geen zitgelegenheid aanwezig. Voor fietsers is deze plek helaas niet bereikbaar.
In de motivering van dit TAM-omgevingsplan dient beschreven te worden op welke wijze rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). Deze aspecten omvatten in ieder geval de onderdelen die zijn opgenomen in artikel 1.2 van de Omgevingswet.
De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Daartoe integreert de Omgevingswet het ruimtelijk spoor en het milieuspoor. De Omgevingswet beoogt maatwerk te bieden op basis van de specifieke kenmerken van de locatie én van het type activiteit. Dit gebeurt door gebruik te maken van milieuwaarden. Milieuwaarden zijn milieuaspecten of hinderaspecten waarvoor in het door de gemeente op te stellen omgevingsplan normen worden gesteld. Deze normen zien toe op geluid, geur en licht. De milieuthema's stof en gevaar worden op andere wijze gereguleerd. Het inzichtelijk maken van milieuwaarden komt aan de orde wanneer een nieuwe functie wordt gestart, een bestaande functie wordt veranderd of een ingrijpende wijziging van de bedrijfsvoering plaatsvindt.
Onlangs is de nieuwe uitgave van de VNG Activiteiten en Milieuzonering Omgevingswet 2024 beschikbaar gesteld. De VNG handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ vervangt de veelgebruikte publicatie Bedrijven en milieuzonering uit 2009. De handreiking Activiteiten en milieuzonering (2024) gaat uit van aanduidingen die in het omgevingsplan dienen te zijn opgenomen, zoals
In het geldende omgevingsplan zijn deze grenzen en zones (nog) niet opgenomen. Daarmee is ook de systematiek uit Activiteiten en milieuzonering nog niet altijd één op één toepasbaar. Voor bestaande situaties en bij beschikking toegekende rechten zijn daarom overgangsregelingen voorzien.
Onder een milieugevoelige activiteit wordt in deze handreiking verstaan: een activiteit waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Naast wonen zijn dat onder meer scholen, kinderdagverblijven en ziekenhuizen.
Relatie tot het plangebied
Dit TAM-omgevingsplan staat natuur toe. In het kader van activiteiten en milieuzonering is natuur niet aan te merken als milieugevoelige activiteit. De toekomstige functie natuur veroorzaakt bovendien geen hinder naar gevoelige functies in de omgeving. Milieuzonering is daarom bij de beoogde ontwikkeling verder niet aan de orde.
Conclusie
Het aspect activiteiten en milieuzonering staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving:
Relatie tot het plangebied
De beoogde functie natuur is reeds toegestaan in het plangebied. Daarom mag worden aangenomen dat de gronden geschikt zijn voor de beoogde functie en om die reden kan bodemonderzoek achterwege blijven.
In het kader van de bodemkwaliteit zijn echter diverse bodemonderzoeken beschikbaar. Deze onderzoeken zijn volledigheidshalve opgenomen als bijlagen bij deze motivering en worden hieronder nader toegelicht.
Perceel 3202
Aveco de Bondt heeft in 2023 een beknopt vooronderzoek bodem uitgevoerd voor het deelgebied GMNO, zie hiervoor Bijlage 5 Bodem
vooronderzoek (perceel 3202). Op basis van de beschikbare gegevens uit het vooronderzoek wordt geconcludeerd dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat op de locatie bodemverontreinigingen of asbest aanwezig zijn die een belemmerende rol spelen in de voorgenomen bloemrijke inrichting van het gebied. Op basis van de bodemkwaliteitskaart voldoet de bovengrond aan de klasse ‘wonen’ en de ondergrond aan de klasse ‘landbouw/natuur’. Uit een statistische benadering mag worden verwacht dat niet gewerkt wordt in sterk verontreinigde grond. Aangezien op basis van uitgevoerd beperkt vooronderzoek maximaal licht verhoogde gehalten worden verwacht is er geen aanleiding om aanvullend (bodem)onderzoek uit te voeren op perceel 3202.
Percelen 3257 en 3262
Grondslag heeft in 2022 een vooronderzoek en indicatief bodemonderzoek dam uitgevoerd, zie hiervoor Bijlage 4 Bodem
historisch onderzoek (percelen 3257 en 3262). De dam die is onderzocht betreft de dam aan de westelijke zijde van het noordelijke deel van de onderzoekslocatie.Ter plaatse van de locatie zijn voor zover zichtbaar aan het maaiveld geen (puin) verhardingslagen in het verleden aangebracht. Hierbij is de dam op het westelijke perceel naar de Botsholsedwarsweg buiten beschouwing gelaten.Ter plaatse van de locatie zijn voor zover zichtbaar aan het maaiveld geen (puin) verhardingslagen in het verleden aangebracht. Hierbij is de noordelijk gelegen dam bij de Botsholsedwarsweg buiten beschouwing gelaten. Op basis van het historische en huidige gebruik van de locatie kunnen op het perceel geen voor bodemverontreiniging verdachte (deel)locaties worden aangewezen. Hierbij is aangenomen dat de lengtesloot (greppel) en korte dwarssloot gedempt zijn met gebiedseigen grond. Om een eventuele demping met bodemvreemd materiaal geheel uit te kunnen sluiten is aanvullend onderzoek nodig. Dit is alleen nodig wanneer in de demping wordt gegraven. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling is dit niet aan de orde. Nader onderzoek naar de demping wordt om die reden achterwege gelaten. Op de locatie zijn geen onderzoeken bekend bij de gemeente of de omgevingsdienst. Op basis van de bodemkwaliteitskaart kunnen op de locatie licht verhoogde achtergrondgehalten aan diverse metalen worden verwacht. In de dam aan de westelijke zijde zijn maximaal lichte verhogingen aangetroffen aan metalen, olie en PAK. Er is geen verharding aangetroffen in de dam. Op basis van de geringe mate aan bijmengingen (sporen baksteen) wordt geen verontreiniging met asbest boven de interventiewaarde ter plaatse van de dam verwacht. Verkennend bodemonderzoek is nodig naar de nog niet onderzochte noordelijk gelegen dam bij de Botsholsedwarsweg (alleen als hierin gegraven gaat worden).
Perceel 3263 en 3165
Grondslag heeft in 2022 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie hiervoor Bijlage 3 Bodem verkennend onderzoel (perceel 3263). De aanleiding hiervoor was dat op basis van een vooronderzoek een aantal verdachte deellocaties zijn geconstateerd. Met het onderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van die verdachte locaties vastgelegd. Ook is de aanwezigheid van asbest onderzocht. Aanbevolen wordt om, indien deze verwijderd worden, nader bodemonderzoek te doen naar de ernst en omvang van de verontreinigingen ter plaatse van twee van de drie dammen op het perceel. Om vast te stellen of de puinlaag in de meest noordwestelijke dam asbesthoudend is, dient een verkennend onderzoek asbest te worden uitgevoerd. Om een definitief asbestgehalte te bepalen in de bovengrond van de drie noordelijke dammen is een nader onderzoek asbest noodzakelijk. Verwacht wordt dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging ter plaatse van de dammen bij boring 7 en 8. Als de dammen in het plan behouden blijven en er geen graafwerkzaamheden in plaatsvinden dan is onderzoek van deze dammen niet nodig. Dit geldt ook voor puinpaden en dempingen. Als hier niet gegraven wordt, dan hoeven deze niet te worden onderzocht. Uitgangspunt is dat graafwerkzaamheden op deze locaties kunnen worden vermeden. Om die reden wordt geen vervolgonderzoek gedaan. Wanneer vrijkomende grond binnen de regio wordt hergebruikt dan kan dit op basis van de bodemkwaliteitskaart. Indien hergebruik elders gaat plaatsvinden dan dient de bodemkwaliteit met een AP04-keuring te worden vastgesteld. De keuringen worden uitgevoerd tijdens de uitvoering. Voor perceel 3165 geldt dat hier geen grondroerende werkzaamheden plaatsvinden, op dit perceel wordt enkel een landbouwhek vervangen. Aangezien de beoogde functie natuur op de gronden reeds is toegestaan, mag worden aangenomen dat de bodemkwaliteit de beoogde ontwikkeling niet in de weg staat.
Conclusie
Het aspect bodem staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.
De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de - nog te bepalen - datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.
Relatie tot het plangebied
Soortenbescherming
De beoogde ontwikkeling naar natuur is planologisch reeds toegestaan. Dit TAM-omgevingsplan voorziet enkel in een planologische wijziging om agrarische activiteiten uit te sluiten. Hierbij is verstoring van beschermde soorten flora en fauna niet aan de orde. Het aspect soortenbescherming staat de uitvoerbaarheid van voorliggend TAM-omgevingsplan dan ook niet in de weg.
In het kader van toekomstige werkzaamheden voor het natuurbeheer, zal waar nodig ecologisch onderzoek worden aangeleverd. Het is overigens niet de verwachting dat bomen worden gekapt.
Gebiedsbescherming
Het plangebied maakt deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Gezien de aard van de ingreep (bloemrijk grasland realiseren) is van significante aantasting van de natuur in het NNN geen sprake.
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Botshol, bevindt zich op circa 30 meter afstand ten noorden van het plangebied.
AERIUS-berekening
Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie Natura 2000-gebied Botshol zijn vanwege eventuele machinale werkzaamheden (graaf- en freeswerkzaamheden) op voorhand niet uit te sluiten. Om een doorkijk te geven naar de effecten van werkzaamheden voor de aanleg van de beoogde natuur, is een AERIUS-berekening uitgevoerd naar de aanlegfase. In de beoogde situatie is de gebruiksfase niet relevant, deze is daarom buiten beschouwing gelaten. De rapportage en rekenbestanden zijn opgenomen in bijlagen 6, 7 en 8.
In de AERIUS-berekening moet voor intern salderen uitgegaan worden van de planologisch legale situatie. Dit betekent dat intern salderen met bemeste gronden mogelijk is, immers is op de te wijzigen gronden agrarisch grasland toegestaan. Uit de berekening volgt dat het berekende projecteffect op 0,00 mol/ha/jaar uitkomt. Voor de uitvoeringsfase van de werkzaamheden wordt een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit aangevraagd bij de Provincie Utrecht en de interne saldering toegepast als mitigerende maatregel in de passende beoordeling. De passende beoordeling vormt een onderdeel van het vergunningentraject. Aangezien het in deze aanvraag louter de uitvoeringsfase betreft en niet de gebruiksfase, wordt de aanvraag omgevingsvergunning in een apart traject van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland doorlopen. Hierdoor staat dit aspect de vaststelling van het TAM-omgevingsplan niet in de weg.
Conclusie
Het aspect natuur staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.
Bij externe veiligheid gaat het om de risico’s van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Relatie tot het plangebied
Voor de beoogde ontwikkeling geldt dat natuur geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object betreft in het kader van externe veiligheid. Bovendien is de toekomstige functie natuur zelf ook geen risicovolle activiteit. In het plangebied bevinden zich geen risicobronnen. Tot slot is het plangebied op de kaart van Atlas Leefomgeving niet aangemerkt als 'brandbaar natuurgebied'. Externe veiligheid speelt bij de beoogde ontwikkeling verder dan ook geen rol.
Conclusie
Het aspect omgevingsveiligheid staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.
De instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) voor geluid wijzen geluidgevoelige gebouwen en ruimten aan ter bescherming van mensen tegen geluid. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie van belang, te weten:
Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke standaardwaarde geluid of de grenswaarde geluid uit het Bkl. De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) beperken zich tot geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige ruimten. Deze instructieregels verschillen (deels) per type geluidsbron zoals bedrijven en wegen. Daarnaast moet er gekeken worden naar geluid van alle geluidbronnen samen. Tot slot geldt voor geluidsnormen van onversterkt menselijk stemgeluid, zoals dat van spelende kinderen op een schoolplein, dat dit niet met waarden wordt gereguleerd. Volgens artikel 5.59 van het Bkl moet het omgevingsplan regelen dat het geluid dat wordt veroorzaakt door een activiteit op een geluidsgevoelig gebouw (zoals woningen) aanvaardbaar is.
Relatie tot het plangebied
Met de realisatie van natuur wordt geen geluidgevoelige functie gerealiseerd. De toekomstige functie natuur produceert geen geluid. Het plangebied maakt overigens ook geen onderdeel uit van een stiltegebied. Het aspect geluid vormt dan ook geen belemmering.
Conclusie
Het aspect geluid staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat gemeenten in het omgevingsplan rekening dienen te houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op:
Gemeenten dienen dus te overwegen wat de beste locatie is voor een activiteit en/of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw. Naast gebouwen met een woon-, zorg-, onderwijs- of kinderopvangfunctie mag de gemeente ook overige gebouwen en locaties beschermen tegen geur.
Relatie tot het plangebied
Dit TAM-omgevingsplan voorziet in de realisatie van natuur. Natuur is niet aangewezen als geurgevoelig. Bovendien mag worden aangenomen dat natuur geen onaanvaardbare geurhinder naar de omgeving veroorzaakt. Geurhinder vormt voor de beoogde ontwikkeling dan ook geen belemmering.
Conclusie
Het aspect geur staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.
Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten.
Relatie tot het plangebied
Zoals reeds beschreven in Hoofdstuk 4 Beleidskader draagt de beoogde ontwikkeling van natuur bij aan de gezondheidsdoelstellingen van het Rijk, provincie en gemeente.
Conclusie
Het aspect gezondheid staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.
In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden.
Relatie tot het plangebied
In het geldende omgevingsplan zijn geen regels opgenomen over buisleidingen / hoogspanningsleidingen met een bijbehorende beschermingszone. Ook uit de HoogspanningsNet Netkaart volgen geen kabels en leidingen die in of in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen.
Een grondroerder is verplicht informatie over de ligging van eventuele ondergrondse kabels en leidingen op de graaflocatie op te vragen (Klic melding). Dit moet gebeuren vóór de graafwerkzaamheden beginnen. Hiermee wordt geborgd dat er geen schade optreedt aan ondergrondse kabels en leidingen of dat er gevaarlijke situaties ontstaan.
Voor deelgebied GMNO is in 2023 een melding gedaan. Binnen de plancontour zijn niet of nauwelijks kabels en leidingen aanwezig. Alleen een middenspanningsleiding en datakabel van Stedin doorkruisen op twee locaties het plangebied. Voor deelgebieden B en J is in juli 2024 een melding gedaan. Op geen van de in te richten percelen B en J zijn kabels en leidingen aanwezig.
Conclusie
Het aspect kabels en leidingen staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.
Kunstmatige verlichting kan vier soorten negatieve effecten veroorzaken, te weten:
Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat daarom geen rijksinstructieregels voor lichthinder. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen staan rijksregels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het Bal noemt lichthinder niet als een specifieke milieubelastende activiteit. Wel kan een lichthinder veroorzakende activiteit een functioneel ondersteunende activiteit zijn bij een milieubelastende activiteit in de zin van het Bal. In dat geval is de specifieke zorgplicht van het Bal van toepassing op het veroorzaken van lichthinder. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen, lokaal algemeen verbindende voorschriften stellen en kan eventueel ook direct handhavend optreden als er onmiskenbaar strijd is met de zorgplicht. Overheden kunnen hierbij de “Richtlijn lichthinder” van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) als uitgangspunt hanteren. Concreet kan bijvoorbeeld gedacht worden aan kwantitatieve of kwalitatieve normen, aan het opleggen van een bepaalde afstelling of aan armaturen met afschermkapjes. Dit kan ook voor vormen van lichthinder die niet door het Bal zelf geregeld worden.
Daarnaast kunnen in de provinciale verordening, een gemeentelijke visie en/of het omgevingsplan regels gesteld worden omtrent (het voorkomen van) lichthinder.
Relatie tot het plangebied
De ontwikkeling die dit TAM-omgevingsplan mogelijk maakt voorziet in de realisatie van natuur. In de omgeving van het plangebied is geen kunstmatige verlichting aanwezig die onevenredige verstoring van de natuur veroorzaakt.
Conclusie
Het aspect lichthinder staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.
De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier reeds een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeenteactiviteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl.
Relatie tot het plangebied
De aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit staan in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. De gemeenten die onder deze agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 van de Omgevingsregeling. De gemeente De Ronde Venen is niet aangewezen als een van de aandachtsgebieden.
De beoogde ontwikkeling maakt de realisatie van natuur mogelijk en genereert geen extra verkeer (met uitzondering van verkeersbewegingen voor beheer en onderhoud, zie hiernavolgende paragraaf 7.11 Mobiliteit en parkeren). Hiermee mag worden aangenomen dat het plan niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving. Een luchtkwaliteitsonderzoek kan daarom achterwege blijven.
Natuurgebieden kunnen schade ondervinden van depositie (neerslag) van zwaveldioxide (SO2) en stikstofoxiden (NOx). Er gelden daarom omgevingswaarden om de kwetsbare vegetatie te beschermen. Aangezien natuur in het plangebied planologisch reeds is toegestaan, mag worden aangenomen dat de luchtkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie natuur.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.
Bij mobiliteit en ruimtelijke planvorming dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Nieuwe ontwikkelingen mogen namelijk niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Mobiliteit speelt op alle schaalniveaus (Rijk, provincie, regio en gemeente). Zo bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verschillende rijksinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. In de omgevingsvisies, de omgevingsverordening en het omgevingsplan komt het aspect mobiliteit ook terug. Op het moment dat de gemeente of provincie specifieke ambities heeft voor mobiliteit kan dit uitgewerkt worden in een programma, zoals bijvoorbeeld een Regionaal mobiliteitsprogramma (RMP). In deze RMP's wordt hoofdzakelijk gefocust op verbetering van de duurzame mobiliteit middels een regionale aanpak.
Gemeentelijk beleid
Momenteel is het mobiliteitsbeleid van de gemeente vastgelegd in het Mobiliteits- en Verkeersveiligheidsplan 2023-2030 van gemeente De Ronde Venen. In dit beleidsplan maakt de gemeente de keuzes voor hoe zij het gemeentelijke mobiliteitssysteem vormgeeft tot 2030, om zo de ambitie te halen om ook in 2040 een leefbare, vitale en bereikbare gemeente te zijn. Dit Mobiliteits- en Verkeersveiligheidsplan bestaat uit een overkoepelende visie en een ambitie en beleidsuitgangspunten voor vijf thema’s:
Relatie tot het plangebied
Voor de beoogde ontwikkeling van natuur geldt dat een parkeereis niet aan de orde is. De te realiseren natuur zal niet van buitenaf toegankelijk zijn voor auto's, wandelaars of fietsers. Langs de randen is gekozen voor de aanwijzing van een mogelijke locatie voor een kijkplek voor recreanten, maar de inrichting als natuur zorgt niet voor een parkeervraag. Volledigheidshalve is in dit TAM-omgevingsplan een voorwaardelijke verplichting tot het voorzien van voldoende parkeergelegenheid opgenomen (zie artikel 7.3).
De verkeersgeneratie voor de beoogde ontwikkeling beperkt zich uitsluitend tot verkeersbewegingen die nodig zijn voor het beheer en onderhoud van de gronden. Gelet op de frequentie, worden deze verkeersbewegingen in het algemene verkeersbeeld verwaarloosbaar geacht. Bovendien leiden de verkeersbewegingen voor natuurbeheer niet tot een toename in verkeersgeneratie, omdat de gronden in de huidige situatie ook worden beheerd door agrariërs. De wegcapaciteit is ruim voldoende om het beperkte aantal verkeersbewegingen voor beheer van de natuurgronden in de toekomstige situatie af te wikkelen.
Conclusie
Het aspect mobiliteit en parkeren staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.
De Nederlandse ondergrond verbergt nog veel ontplofbare oorlogsresten (OO) zoals munitie, granaten en bommen, met name afkomstig uit de Tweede Wereldoorlog. OO worden regelmatig ontdekt bij bouw-, graaf-, bagger- en saneringswerkzaamheden. Het aantreffen ervan kent veiligheidsrisico's in de vorm van ontploffingsgevaar. OO in de bodem zijn enerzijds afkomstig van bombardementen en gevechtshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Anderzijds is aan het einde en in de periode na de Tweede Wereldoorlog munitie geruimd en gedumpt in bijvoorbeeld watergangen, oude loopgraven, bomkraters. Om die reden is het belangrijk om te weten waar (zware) bombardementen hebben plaatsgevonden, waar (loopgraaf)gevechten en verdedigingslinies zijn geweest en waar munitie werd opgeslagen. Daar waar de bodem mogelijk verdacht is op OO dient te worden beoordeeld in hoeverre deze explosieven een risico vormen.
Relatie tot het plangebied
In het kader van de beoogde ontwikkeling is het plangebied onderzocht op mogelijke risico's met betrekking tot ontplofbare oorlogsresten. De resultaten worden hieronder samenvattend toegelicht.
Noordelijke percelen 3202, 3257 en 3262
KWS heeft in 2023 een onderzoek Conflictperiode uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten uit de periode 1940-1945, zie hiervoor Ontplofbare oorlogsresten onderzoek (percelen
3202, 3257 en 3262). Het analysegebied "Groot Mijdrecht" (met daarbinnen de deelgebieden en B) is aangemerkt als onverdacht op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten in de (water)bodem. De werkzaamheden kunnen regulier (dus zonder verdere opsporing) worden uitgevoerd.
Zuidelijke percelen 3262 en 3165
BeoBom heeft in juli 2024 eenzelfde onderzoek uitgevoerd voor de percelen J, zie hiervoor Ontplofbare oorlogsresten onderzoek (percelen
3262 en 3165). Ook hier is de conclusie dat de percelen zijn aangemerkt als onverdacht op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten in de (water)bodem. De werkzaamheden kunnen regulier (dus zonder verdere opsporing) worden uitgevoerd.
Conclusie
Het aspect ontplofbare oorlogsresten staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.
Het Bkl bepaalt dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw. Het omgevingsplan dient er daarnaast in te voorzien dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Van deze aanvaardbaarheid is sprake wanneer in het omgevingsplan toepassing is gegeven aan de waarden zoals benoemd in artikel 5.87, eerste en tweede lid, artikel 5.87, vierde lid, artikel 5.88 of 5.89 Bkl. Of aan deze waarden kan worden voldaan, dient te blijken uit een onderzoek naar trillingshinder.
Relatie tot het plangebied
In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen spoorlijnen of bedrijven gesitueerd die trillingshinder binnen het plangebied kunnen veroorzaken. De toekomstige functie natuur veroorzaakt geen trillingshinder.
Conclusie
Het aspect trillingen staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.
Relatie tot het plangebied
Voor de weging van het waterbelang is door BWZ ingenieurs een watertoets uitgevoerd, zie hiervoor Bijlage 11 Memo watertoets bij deze motivering. Hieruit blijkt het volgende:
Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het waterbelang voldoende is meegewogen. Voor een uitgebreidere beschrijving van de waterhuishoudkundige situatie wordt kortheidshalve verwezen naar Bijlage 11. Het effect van het hol leggen van de percelen op de waterafvoer wordt nader onderbouwd bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de wateractiviteit. Daarnaast is perceel 3262 onderdeel van het moerasblok. In het kader van het ontwerp voor de moerasblokken wordt voldoende rekening gehouden met de waterhuishoudkundige situatie.
Conclusie
Het waterbelang staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit TAM-omgevingsplan in de weg.
De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Omgevingswet (afdeling 16.4) en het Omgevingsbesluit (hoofdstuk 11) met bijlage V. In afdeling 16.4 Omgevingswet is onderscheid gemaakt tussen de MER en de m.e.r.-beoordeling voor plannen en programma's (paragraaf 16.4.1) en tussen de MER en de m.e.r.-beoordeling voor projecten (paragraaf 16.4.2). In bijlage V van het Omgevingsbesluit is de aanwijzing van de m.e.r-(beoordelings-)plichtige projecten en besluiten geregeld. In bijlage V zijn verschillende kolommen opgenomen. Zo bevat kolom 1 in samenhang met kolom 2 van bijlage V Omgevingsbesluit de projecten waarvoor een project-MER moet worden gemaakt. Kolom 1 in samenhang met kolom 3 van bijlage V Omgevingsbesluit bevat de projecten waarvoor een project-m.e.r.-beoordeling moet worden verricht. De besluiten waarvoor de projectMER-plicht of de project-m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, zijn aangewezen in kolom 4 van bijlage V Omgevingsbesluit. In kolom 4 wordt onder 'het omgevingsplan' ook 'de omgevingsplanactiviteit' verstaan (art. 11.6 lid 3 Omgevingsbesluit). Indien een ontwikkeling bijvoorbeeld kwalificeert als een stedelijk ontwikkelingsproject, is een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Er dient in dat geval te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen.
De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag (zie ook Omgevingsbesluit artikel 11.10). De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud. In de praktijk staat de informatie vaak in een aparte notitie (aanmeldnotitie). In deze mededeling staat de informatie die het bevoegd gezag nodig heeft om te bepalen of de initiatiefnemer een MER moet maken. De mededeling en aanvraag kunnen tegelijkertijd, het verzoek om de m.e.r.-beoordelingsbeslissing is dan onderdeel van de aanvraag. Het is ook mogelijk om eerst te verzoeken om een m.e.r.-beoordelingsbeslissing, en daarna de aanvraag te doen.
Het bevoegde gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de te verlenen omgevingsvergunning (artikel 11.11 Omgevingsbesluit).
Relatie tot het plangebied
In bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de projecten aangewezen waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt. De beoogde ontwikkeling kan worden aangemerkt als aanleg of wijziging van een landinrichtingsproject zoals opgenomen onder J12 in kolom 1 van bijlage V. Uit kolom 2 blijkt dat een mer-plicht niet van toepassing is. Op grond van kolom 3 is een m.e.r.-beoordeling wel nodig.
Tabel 7.1: Relevant onderdeel J.12 uit bijlage V van het Omgevingsbesluit (bron: Omgevingsbesluit)
In het kader van de m.e.r.-beoordeling dient een mededeling te worden gedaan van het aangewezen project bij het bevoegd gezag, waarin een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten zijn opgenomen. De aanmeldnotitie is opgenomen als Bijlage 12 Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling bij deze motivering. Hieruit volgt dat geen sprake is van belangrijke negatieve milieueffecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling, waardoor een nadere m.e.r.-beoordeling dan wel het doorlopen van een MER niet noodzakelijk is.
Conclusie
Omdat sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject onder J.12, dient een m.e.r.-beoordeling doorlopen te worden. Het bevoegd gezag neemt een apart besluit op de project-mer-beoordeling.
Onderhavig TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland vormt een wijziging van het omgevingsplan. Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland dient dus ook als zodanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de Regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22a van het omgevingsplan.
Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een motivering. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel. De verbeelding die is opgesteld voor het voorbeeld TAM-omgevingsplan dient te worden opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dit betekent dat er op de verbeelding wel 'bestemmingen' zijn te zien, en dat specifieke functies als zijnde 'functieaanduidingen' worden benoemd. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijke plannen komt.
Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen
Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente De Ronde Venen. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling in het plangebied (tenzij ze daarmee strijdig zijn of specifiek zijn uitgezonderd). Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling van het plan 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland'. Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat.
Hoofdstuk 2 - Functies en activiteiten
Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op de (nog tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn echter wel zodanig opgesteld dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet (en de voor TAM-omgevingsplannen beschikbare technische en juridische werkinstructie).
Hoofdstuk 3 - Algemene regels
Voor dit hoofdstuk zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels in die gelden voor het gehele grondgebied van de ontwikkellocatie.
Opgemerkt wordt dat in TAM-omgevingsplannen geen bepalingen inzake overgangsrecht hoeven te worden opgenomen. In dit TAM-omgevingsplan is, wegens het ontbreken van een noodzaak voor overgangsrechtelijke bepalingen, dan ook afgezien van het opnemen van overgangsrecht.
In dit TAM-omgevingsplan zijn de volgende functies en activiteiten opgenomen:
De functie 'Natuur' is toegekend aan alle vijf kadastrale percelen die onderdeel uitmaken van het plangebied. Gronden met de functie 'Natuur' zijn in hoofdzaak bedoeld voor de instandhouding en versterking van aanwezige natuurlijke, cultuurhistorische en landschappelijke waarden. De natuur-, cultuur- en landschapswaarden in deze gebieden worden beschermd door gebruiksverboden en een omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden.
Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem
Om de eventueel in de grond voorkomende archeologische waarden te beschermen, is de functie 'Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem' aan de gronden toegekend. De categorieën, op de verbeelding onderscheiden door middel van aanduidingen, hebben elk een eigen onderzoeksdrempel. Wanneer een ontwikkeling deze drempel overschrijdt, is het noodzakelijk om aan te tonen dat de ontwikkeling de eventueel aanwezige archeologische waarden niet schaadt. Een bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek vormen hier de eerste stappen.
De ontwikkeling die dit TAM-omgevingsplan mogelijk maakt is een initiatief van een ontwikkelende partij. De kosten voor de uitvoering van het plan worden gedragen door de aanvrager. Deze beschikt over voldoende financiële middelen om het voornemen te bekostigen. Tussen de initiatiefnemer en gemeente De Ronde Venen wordt een anterieure overeenkomst gesloten. Hiermee is de financiële haalbaarheid van dit TAM-omgevingsplan voldoende aannemelijk gemaakt.
De provincie Utrecht werkt samen met Natuurmonumenten, waterschap Amstel, Gooi en Vecht, gemeente De Ronde Venen en de bewonersdelegatie aan de natuurontwikkeling in Groot Mijdrecht Noordoost. Deze afspraken zijn vastgelegd in de Versoberde Veenribbenvariant en Pact van Poldertrots uit 2012 en zijn tot stand gekomen in samenspraak met voorgenoemde partijen. De ontwikkelingen in dit TAM-omgevingsplan geven invulling aan deze afspraken.
Bewoners uit de polder Groot Mijdrecht, waarbinnen het plangebied valt, zijn in 2024 op de hoogte gesteld door middel van drie bewonersbrieven. Onderdeel daarvan was een digitale enquête. Bewoners uit de polder Groot Mijdrecht worden waar nodig betrokken bij de plannen. Zo zijn in 2019 en 2020 diverse bewonersbrieven verstuurd en kunnen geïnteresseerden via de website op de hoogte blijven van de planontwikkeling. Op 27 juni 2024 hebben ongeveer 190 adressen een brief ontvangen met informatie over bloemrijke graslanden en een uitnodiging voor een korte enquête via “Circlelytics”. In totaal hebben 23 deelnemers 112 beoordelingen ingevuld, waarvan 71 met onderbouwing. Ten slotte kunnen geïnteresseerden via de website op de hoogte blijven van de planontwikkeling.
In totaal hebben er 23 personen mee gedaan met deze online dialoog. De reacties geven ons een beeld van wat mensen belangrijk vinden en waar mogelijk zorgen zijn. De belangrijkste reacties kunnen worden samengevat als:
Op basis van (onder meer) deze reacties is aanvullend onderzoek gedaan naar hydrologie en ecologie om vooraf de kans van slagen zo groot mogelijk te maken. Ook wordt er een apart beheer en onderhoudsplan opgesteld die duidelijke richtlijnen geeft voor het beheer van de in te richten percelen. Er is geen wandelpad voorzien in het plan en in de aanbesteding van het werk wordt de factor ‘duurzaamheid’ als zwaarwegende factor meegenomen.
Op 17 april 2025 is tijdens de ter inzage leggingsperiode van het TAM-omgevingsplan een inloopbijeenkomst georganiseerd voor onder andere omwonenden in de gemeente. Tijdens deze bijeenkomst is het plan toegelicht en zijn vragen van omwonenden beantwoord.
Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft vanaf 29 maart 2025 zes weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend op het ontwerp TAM-omgevingsplan.