direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0736.TAM001GMNOgrasland-va01

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de ontwikkeling van natuur in polder Groot Mijdrecht en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22a) van het omgevingsplan van de gemeente De Ronde Venen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan van de gemeente De Ronde Venen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22a.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22a.’ gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

1.1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk;

1.2 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen:

1.2.1 TAM-omgevingsplan

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland;

1.2.2 omgevingsplan

Het omgevingsplan van de gemeente De Ronde Venen;

1.2.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waar gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.2.4 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.2.5 aanlegplaats

een plaats gelegen in een watergang, bedoeld voor het ligplaats nemen met schepen c.q. recreatievaartuigen, niet zijnde woonschepen, voor een bepaalde periode;

1.2.6 ander werk

een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid;

1.2.7 archeologisch deskundige

professioneel archeoloog die op basis van de geldende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie bevoegd is om archeologisch onderzoek uit te voeren en/of Programma's van Eisen op te stellen en te toetsen;

1.2.8 archeologisch onderzoek

onderzoek naar de (aanwezigheid en/of waarde van) archeologische resten door een gecertificeerde instantie werkend conform de richtlijnen van de Kwlaiteitsnorm Nederlandse Archeologie. Dit onderzoek kan bestaan uit bureauonderzoek, booronderzoek, begeleiden, proefsleuvenonderzoek, opgravingen of een combinatie daarvan.

1.2.9 archeologisch rapport

rapport waarin de resultaten van archeologisch onderzoek zijn vastgelegd en dat is opgesteld conform de richtlijnen van de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie;

1.2.10 archeologische verwachting

de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische resten in dat gebied;

1.2.11 archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische resten;

1.2.12 bebouwing

een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.2.13 begeleiden

het begeleiden van bodemverstorende ingrepen door een gecertificeerde instantie die de aanwezige archeologische resten documenteert en verzamelt conform de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en op basis van een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen;

1.2.14 bestaand(e)
  • a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een bouwvergunning, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van terinzagelegging is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald;
  • b. bij gebruik: het gebruik dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald;
1.2.15 bijgebouw

een gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw, hetzij met het hoofdgebouw verbonden of daarvan vrijstaand, dat door zijn ligging, constructie of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, met dien verstande dat het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning niet is toegestaan;

1.2.16 bodem

het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen;

1.2.17 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

1.2.18 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

1.2.19 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.2.20 bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel;

1.2.21 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

1.2.22 bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;

1.2.23 cultuurhistorische waarden

de aan een gebied toe te kennen waarde in verband met het aanwezige cultuurhistorisch erfgoed;

1.2.24 dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

1.2.25 extensief recreatief medegebruik

vormen van recreatie die in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen en fietsen op gronden die bestemd zijn voor een andere hoofdactiviteit en waarvoor geen specifieke inrichting van het gebied noodzakelijk is, maar waarvoor kan worden volstaan met de voorzieningen die reeds ten behoeve van de hoofdfunctie aanwezig zijn en ondergeschikte voorzieningen zoals bewegwijzeringsbordjes, picknickbanken en draaihekjes.

1.2.26 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.2.27 gecertificeerde instantie

instantie die beschikt over een certificaat als bedoeld in art. 5.1 van de Erfgoedwet;

1.2.28 groen(voorziening)

binnen een gebied of perceel, dan wel op een gedeelte ervan, gelegen grasvelden, beplantingen, begroeiingen en paden, al dan niet gecombineerd voorkomend;

1.2.29 hoofdgebouw

gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige functie van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is;

1.2.30 landschappelijke waarden

de aan een gebied toegekende waarde, die wordt bepaald door de aanwezigheid van de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de niet-levende en levende natuur (met inbegrip van de mens);

1.2.31 milieuhygiënisch inpasbaar

een ontwikkeling is milieuhygiënisch inpasbaar indien (voor de relevante aspecten) is aangetoond dat:

  • a. omliggende functies niet onevenredig in hun gebruiksmogelijkheden worden beperkt;
  • b. de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie;
  • c. bij het toestaan van nieuwe geurgevoelige functies voldaan wordt aan de wettelijke geurnormen of vastgestelde hogere geurnorm;
  • d. bij het toestaan van nieuwe geluidsgevoelige functies voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarden of, indien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden er wordt voldaan aan het gemeentelijk beleid hogere waarden Wet geluidhinder en de vastgestelde hogere grenswaarde;
  • e. er geen belemmeringen zijn op het gebied van externe veiligheid;
  • f. de luchtkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie;
  • g. er geen onevenredige lichthinder ontstaat van lichtveroorzakende functies op lichtgevoelige functies;
  • h. er geen sprake is van significant negatief effecten op Natura 2000-gebied(en);
  • i. nieuwe functies binnen de ecologische hoofdstructuur niet schadelijk zijn voor het natuurbeheertype ter plaatse;
  • j. soorten die op basis van de Wet Natuurbescherming beschermd zijn niet worden aangetast;
  • k. de waterhuishouding en waterkwaliteit niet onevenredig verslechteren;
  • l. de capaciteit van de omliggende wegen voldoende is voor veilige afwikkeling van de verkeerstoename;
  • m. er op eigen terrein voorzien wordt in de parkeerbehoefte.
1.2.32 natuurwaarden

de aan een gebied toe te kennen waarde in verband met de aanwezige flora en fauna;

1.2.33 nutsvoorzieningen

de voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie;

1.2.34 overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een dak en niet meer dan 1 wand.

1.2.35 omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Omgevingsplanactiviteit bestaande uit:

  • a. een bouwactiviteit;
  • b. het in stand houden van een bouwwerk; en
  • c. het gebruiken van het te bouwen bouwwerk.
1.2.36 parkeervoorziening

een gebouwde of ongebouwde voorziening die geschikt is om één of meer motorvoertuigen te parkeren, voor privé en/of gemeenschappelijk gebruik, zoals parkeerterreinen, parkeergarages en garageboxen;

1.2.37 peil
  • a. voor gebouwen die onmiddelijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg;
  • b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.
1.2.38 programma van eisen (PvE)

document waarin onderzoeksvragen en uitvoeringseisen voor het uit te voeren archeologisch onderzoek in de vorm van proefsleuven of een opgraving staan geformuleerd. Voor aanvang van het onderzoek dient het PvE door het bevoegd gezag te zijn goedgekeurd.

1.2.39 steiger

een bouwwerk, geheel of grotendeels boven het water en meestal langs een oever, dat dient voor het afmeren van schepen, woonschepen of andere vaartuigen en/of andere doeleinden zoals terras.

1.2.40 verbeelding

de verbeelding van het TAM-omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland'.

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • 1. Het besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid, is niet van toepassing;
  • 2. De regels in afdeling 22.2 en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk;
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie ''TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a GMNO bloemrijk grasland' , waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0736.TAM001GMNOgrasland-va01.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 3.1 tot en met 3.3.

3.1 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

3.2 de lengte, breedte of diepte

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

3.3 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 4 Natuur

4.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Natuur'.

4.2 Functieomschrijving

Een als 'Natuur' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. de instandhouding en versterking van aanwezige natuurlijke, cultuurhistorische en landschappelijke waarden;
  • b. instandhouding van de openheid;
  • c. water;
  • d. waterberging en waterstaatkundige kunstwerken;

alsmede voor:

  • e. verkeersdoeleinden;
  • f. extensief recreatief medegebruik.
4.3 Omgevingsvergunning bouwen in of op gronden met functie Natuur
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten in of op gronden met de functie Natuur.
  • 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing als de aanvraag betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte op of onder het maaiveld niet wordt uitgebreid en waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
4.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen in of op gronden met functie Natuur
  • 1. Een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, zoals bedoeld in 4.3, in of op gronden met de functie Natuur wordt alleen verleend ten behoeve van de volgende bouwwerken:
  • a. gebouwen en overkappingen uitsluitend ten behoeve van natuuronderhoud en -beheer, met een bouwhoogte van ten hoogste 2,5 meter en een oppervlakte van ten hoofste 25 m2 per gebouw of overkapping;
  • b. overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, uitsluitend:
    • 1. ten behoeve van natuur of extensief recreatief medegebruik, zoals hekwerken en poorten, zijn toegestaan met een bouwhoogte van ten hoogste 1,5 meter;
    • 2. in de vorm van veekerende rasteringen, met een bouwhoogte van ten hoogste 2 meter;
    • 3. in de vorm van dammen en duikers ten behoeve van waterstaatkundig doeleinden;
    • 4. in de vorm van bruggen, steigers, openbare aanlegplaatsen, sluizen en andere waterstaatkundige kunstwerken.
4.5 Omgevingsvergunning aanlegactiviteiten in of op gronden met functie Natuur
4.5.1 Regels voor het uitvoeren van werken, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden

Het is verboden op of in de gronden als bedoeld in lid 4.1 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren;

  • a. het vergraven, afgraven, egaliseren of ophogen van gronden;
  • b. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • c. het draineren van gronden;
  • d. het aanleggen, veranderen of dempen van wateren en waterlopen, alsmede het verwijderen van oevervegetaties;
  • e. de aanleg van harde oeverbeschoeiingen, dammen of, stuwen;
  • f. het verwijderen, kappen, rooien of beschadigen van bomen of andere houtgewassen die ten tijde van het in werking treden van het plan aanwezig zijn;
  • g. het planten van bomen of andere houtige gewassen, ter plaatse waar gronden hiermee niet beplant waren ten tijde van het in werking treden van het plan;
  • h. het aanleggen van bestratingen of andere oppervlakteverhardingen met een oppervlakte groter dan 200 m2, kavelpaden uitgezonderd;
  • i. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
4.5.2 Uitzonderingen

Het in lid 4.5.1 opgenomen verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij de bouwregels in acht zijn genomen;
  • b. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de functie en activiteiten betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan.
4.5.3 Voorwaarden

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover daardoor de waarden zoals bedoeld in lid 4.2 sub a en b niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.

Artikel 5 Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem

5.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem'.

5.2 Oogmerk

De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op het behoud van archeologische waarden.

5.3 Functieomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden.

De (verwachtings)waarden zijn van uiteenlopende aard en om die reden onderverdeeld in:

  • Functieaanduiding Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b;
  • Functieaanduiding Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 5;
  • Functieaanduiding Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 6.
5.4 Omgevingsvergunning bouwen in of op gronden met functieaanduiding Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b, 5 en 6.
  • 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing als de aanvraag betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte op of onder het maaiveld niet wordt uitgebreid en waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
  • 3. het bepaalde in dit het eerste lid is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende situaties:
    • a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
    • b. een bouwplan waarbij geen heiwerkzaamheden plaatsvinden en waarbij de graafwerkzaamheden ten minste één van de onderstaande diepte-, oppervlakte- en lengtematen van de betreffende zone niet overschrijden:
      • categorie 2b: dieptemaat 30 cm, oppervlaktemaat 100 m2;
      • categorie 5: dieptemaat 30 cm, oppervlaktemaat 2.000 m;
      • categorie 6: dieptemaat 30 cm, oppervlaktemaat 10.000 m2.
5.5 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen in of gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem
  • 1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, zoals bedoeld in lid 5.4, in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b, 5 en 6 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • a. een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Dit betreft een rapport van:
      • een bureauonderzoek;
      • zo nodig een booronderzoek; en
      • zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek;
    • b. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor een booronderzoek;
    • c. als sprake is van een proefsleuvenonderzoek of opgraving: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd programma van eisen voor het proefsleuvenonderzoek of de opgraving;
    • d. als sprake is van (te verwachten) archeologische waarden onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
  • 2. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • a. als sprake is van zichtbare archeologische waarden: overzichtsfoto's van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand;
    • b. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologischewaarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.
5.6 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem
  • 1. Een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, zoals bedoeld in lid 5.4, in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b, 5 en 6 wordt alleen verleend als:
    • a. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
    • b. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige;
    • c. aanvragers naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende kunnen aantonen dat er al werkzaamheden tot de betreffende diepte van het bouwplan hebben plaatsgevonden. In dat geval is er geen archeologisch onderzoek meer nodig.
  • 2. Op of in de gronden zoals benoemd de in lid 5.3 genoemde functie mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m;
  • 3. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel bij het behoud van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
5.7 Vergunningvoorschriften bouwen in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem

Aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b, 5 en 6 kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot:

  • a. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in situ kunnen worden behouden;
  • b. het verrichtten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigirende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en een door burgemmeester en wathouders goedgekeurd archeologisch programma van eisen;
  • c. Het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en een door burgemeester en wethouders goedgekeurd archeologisch programma van eisen;
  • d. het binnen een bepaalde termijn starten van werkzaamheden;
  • e. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
  • f. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
  • g. het tijdig voor aanvang van werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer;
  • h. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming met de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of van een programma van eisen.
5.8 Omgevingsvergunning aanlegactiviteiten in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem
  • 1. Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
    • a. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
    • b. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
    • c. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op een andere wijze indrijven van voorwerpen;
    • d. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
    • e. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
  • 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden:
    • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 5.4 in acht is genomen;
    • b. ten minste één van de onderstaande diepte-, oppervlakte- en lengtematen van de betreffende zone niet overschrijden:
      • categorie 2b: dieptemaat 30 cm, oppervlaktemaat 100 m2;
      • categorie 5: dieptemaat 30 cm, oppervlaktemaat 2.000 m;
      • categorie 6: dieptemaat 30 cm, oppervlaktemaat 10.000 m2.
    • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
    • d. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;
    • e. onderhoudsbaggerwerkzaamheden betreffen die aantoonbaar niet dieper reiken dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes.
5.9 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning aanlegactiviteiten in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem
  • 1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in of op gronden met de functieaanduiding 'Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem' de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • a. een omschrijving van de aard van het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheid, met vermelding van:
      • de omvang in vierkante meters; en
      • de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld;
    • b. een topografische kaart voorzien van een noordpijl en ten minste twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;
    • c. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;
    • d. een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Dit betreft een rapport van:
      • een bureauonderzoek;
      • zo nodig een booronderzoek; en
      • zo nodig een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek;
    • e. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor een booronderzoek;
    • f. als sprake is van een proefsleuvenonderzoek of opgraving: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd programma van eisen voor het proefsleuvenonderzoek of de opgraving;
    • g. als sprake is van (te verwachten) archeologische waarden onder water: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
  • 2. Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • a. een bestek of werkomschrijving met bijbehorende tekeningen;
    • b. als sprake is van zichtbare archeologische waarden: overzichtsfoto's van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand;
    • c. een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.
5.10 Beoordelingsregels omgevingsvergunning aanlegactiviteiten in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem
  • 1. Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b,5 en 6 wordt alleen verleend als:
    • a. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
    • b. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.
    • c. de aanvrager naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate aan kan tonen dat in het verleden reeds werken of werkzaamheden hebben plaatsgevonden tot een bepaalde diepte waardoor de archeologische verwachtingswaarde niet langer reëel is om nieuw archeologisch onderzoek uit te voeren.
  • 2. Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het behoud van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
5.11 Vergunningvoorschriften aanlegactiviteiten in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem

Aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem 2b, 5 en 6 kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot:

  • a. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in situ kunnen worden behouden;
  • b. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en een door burgemeester en wethouders goedgekeurd archeologisch programma van eisen;
  • c. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en een door burgemeester en wethouders goedgekeurd archeologisch programma van eisen;
  • d. het binnen een bepaalde termijn starten van werkzaamheden;
  • e. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
  • f. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
  • g. het tijdig voor aanvang van werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer;
  • h. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming met de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of van een programma van eisen.
5.12 Omgevingsvergunning slopen van een bouwwerk in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b, 5 en 6 een bouwwerk te slopen.

5.13 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning slopen bouwwerk in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk, zoals bedoeld in 5.12, in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b, 5 en 6 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld, Dit betreft een rapport van:
    • 1. een bureauonderzoek;
    • 2. zo nodig een booronderzoek.

b. voor zover deze beschikbaar zijn: bestaande funderingstekeningen.

5.14 Beoordelingsregels omgevingsvergunning slopen bouwwerk in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem
  • 1. Een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b, 5 en 6 wordt alleen verleend als uit het bij de aanvraag gevoegde rapport blijkt dat:
    • a. er op de locatie van het te slopen bouwwerk geen archeologische waarden aanwezig of te verwachten zijn; of
    • b. de archeologische waarden naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet of niet onevenredig worden geschaad; of
    • c. de archeologische waarden kunnnen worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
  • 2. Bij de beslissing op de aanvraag, zoals bedoeld in 5.12, wordt rekening gehouden met het beginsel van het behoud van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
5.15 Vergunningvoorschriften slopen bouwwerk of in op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem
  • 1. Aan een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk, zoals bedoeld in 5.12, in of op gronden met de functieaanduiding Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem 2b, 5 en 6 kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot:
    • a. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in situ kunnen worden behouden;
    • b. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en een door burgemeester en wethouders goedgekeurd archeologisch programma van eisen;
    • c. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en een door burgemeester en wethouders goedgekeurd archeologisch programma van eisen;
    • d. het binnen een bepaalde termijn starten van werkzaamheden;
    • e. het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
    • f. het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
    • g. het tijdig voor aanvang van werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer;
    • h. het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming met de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of van een programma van eisen.
  • 2. De voorschriften als bedoeld in het eerste sublid, onder a, kunnen worden gesteld over de wijze van slopen.
5.16 Advies

Indien sprake is van een activiteit waarvoor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in leden 5.4, 5.8 en 5.12 is vereist, wint de aanvrager vooraf archeologisch advies in bij de door burgemeester en wethouders aangewezen archeologisch deskundige.

5.17 Beoordeling

Alvorens de omgevingsvergunning zoals bedoeld in leden 5.4, 5.8 en 5.12 te verlenen, vragen burgemeester en wethouders advies aan een archeologisch deskundige.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 6 Algemene gebruiksregels

6.1 Strijdig gebruik

Tot een gebruik in strijd met alle functies wordt in ieder geval begrepen:

  • a. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van puin, vuil of andere vaste of vloeibare afvalstoffen, anders dan voor zover noodzakelijk is voor het normale onderhoud van tuinen en andere onbebouwde terreinen en het onderhoud van watergangen;
  • b. het opslaan of opgeslagen houden van gerede of ongerede goederen, materialen, werktuigen, machines of gebruiksklare of onklare voer- of vaartuigen of onderdelen hiervan, anders dan voor zover dit het gevolg is van of direct samenhangt met het gebruik van een bedrijfserf, behorende bij een winkel of bedrijf, in overeenstemming met de desbetreffende functie en activiteiten;
  • c. het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens;
  • d. het gebruik van bebouwde dan wel onbebouwde gronden als of ten behoeve van een seksinrichting en/of prostitutie;
  • e. het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning.

Artikel 7 Overige regels

7.1 Vrijwaringszone - Stelling van Amsterdam

Ter plaatse van de aanduiding 'Vrijwaringszone - Stelling van Amsterdam' mag de zichtbaarheid en beleefbaarheid van de Stelling van Amsterdam niet onevenredig worden aangetast.

7.2 Milieuzone - veengebied kwetsbaar voor oxidatie

In afwijking van hoofdstuk 2 geldt ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone - veengebied kwetsbaar voor oxidatie' dat bodembewerkingen in agrarische bestemmingen, die tot gevolg hebben dat veen aan de oppervlakte wordt gebracht, niet zijn toegestaan. Hiervan uitgezonderd zijn bodembewerkingen die plaatsvinden ten behoeve van graslandvernieuwing of de aanleg van een andere blijvende teelt.

7.3 Voldoende parkeergelegenheid
7.3.1 Parkeren bouwen
  • a. Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden;
  • b. Bij een omgevingsvergunning wordt voldaan aan de parkeernormen die zijn neergelegd in het "Mobiliteits- en Verkeersveiligheidsplan 2023-2030" en indien deze normen gedurende de planperiode worden gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging bij het bepalen of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid;
  • c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde onder a en wordt toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, wanneer voldaan wordt aan de vereisten uit het "Mobiliteits- en Verkeersveiligheidsplan 2023-2030", dan wel diens rechtsopvolger.
7.3.2 Parkeren gebruik
  • a. Tot een gebruik in strijd met alle functies wordt in ieder geval begrepen het wijzigen van het gebruik van gronden voor zover dit leidt tot een hogere parkeernorm dan het bestaande gebruik;
  • b. Van een strijdig gebruik zoals genoemd onder sub a is geen sprake als wordt voldaan aan de parkeernormen die zijn neergelegd in het "Mobiliteits- en Verkeersveiligheidsplan 2023-2030" , en indien deze normen gedurende de planperiode worden gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging bij het bepalen of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid;
  • c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het onder a bepaalde wanneer voldaan wordt aan de vereisten uit het "Mobiliteits- en Verkeersveiligheidsplan 2023-2030", dan wel diens rechtsopvolger.