direct naar inhoud van Regels
Plan: Rijksstraatweg 107B (bij) 135B en 53
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0736.BPP022ryksstrw107B-va01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 plan:

het bestemmingsplan Rijksstraatweg 107B (bij) 135B en 53 met identificatienummer NL.IMRO.0736.BPP022ryksstrw107B-va01 van de gemeente De Ronde Venen;

1.2 bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;

1.3 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.5 agrarisch bedrijf:

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren;

1.6 agrarisch medegebruik:

een agrarisch gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit agrarisch gebruik is toegestaan;

1.7 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

1.8 bebouwingspercentage:

een in de planregels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;

1.9 bedrijfsgebouw:

een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;

1.10 bedrijfswoning:

en woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is;

1.11 bestaand:
  • 1. ten aanzien van bebouwing:

bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;

  • 2. ten aanzien van gebruik:

het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan;

1.12 bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak;

1.13 bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.14 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

1.15 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

1.16 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolgde de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.17 bouwperceelgrens:

de grens van een bouwperceel;

1.18 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

1.19 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.20 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.21 grondgebonden agrarisch bedrijf:

een agrarisch bedrijf dat overwegend afhankelijk is van de bij het bedrijf behorende gronden als agrarisch productiemiddel;

1.22 intensieve veehouderij:

een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf voor het houden van vee en pluimvee –zelfstandig of als neventak- waarbij dit houden van vee en pluimvee geheel of nagenoeg geheel plaatsvindt in gebouwen;

1.23 manegebedrijf:

paardenhouderij die is gericht op het bieden van paardrijmogelijkheden en instructie aan derden, al dan niet met een horecavoorziening die is gericht op het verstrekken van dranken en etenswaren aan bezoekers van het managebedrijf;

1.24 ondersteunende teelt:

het gebruik van gronden ten behoeve van de productie van ruwvoedergewassen;

1.25 overig bouwwerk:

een bouwkundige contructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;

1.26 paardenbak:

een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk grond kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen van paarden dan wel het uitoefenen van de paardensport;

1.27 pand:

de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundigconstructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is;

1.28 peil:
  • a. voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van het bouwwerk, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende ophogingen, anders dan noodzakelijk voor de bouw, buiten beschouwing blijven.

1.29 seksinrichting:

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, een (raam)prostitutiebedrijf en een erotische mas-sagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.30 volwaardig grondgebonden agrarisch bedrijf:

een grondgebonden agrarisch bedrijf waaruit een zelfstandig en reëel inkomen voortkomt voor minimaal één huishouden.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.2 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.3 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.4 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

2.5 afstand van een gebouw tot de bouwperceelgrens

de afstand gemeten vanaf het dichtst bij de bouwperceelgrens gelegen punt van het gebouw tot aan de bouwperceelgrens;

2.6 bruto vloeroppervlakte:

het bruto bedrijfsvloeroppervlak wordt gemeten binnenwerks met dien verstande dat de totale oppervlakte van de bouwlagen ten dienste van kantoren en/of bedrijven, met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten, wordt opgeteld.

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroon-lijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1 m.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de uitoefening van een volledig en volwaardig grondgebonden agrarisch bedrijf;
  • b. openheid;
  • c. water en watergangen;
  • d. behoud en/of herstel van oever- en slootvegetaties;
  • e. groenvoorzieningen;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – schapenhouderij en jongveeopfok' is uitsluitend een schapenhouderij en jongveeopfokbedrijf toegestaan (in totaal maximaal één bedrijf);
  • g. op de gronden die gekoppeld zijn door middel van een relatieteken, is één agrarisch bedrijf toegestaan;
  • h. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - houden van dieren uitgesloten' is het houden van dieren niet toegestaan.

met de daarbij behorende:

  • i. bouwwerken;
  • j. erfbeplanting;
  • k. nutsvoorzieningen;
  • l. wegen en paden;
  • m. erven en terreinen.

3.2 Bouwregels
  • a. Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:
    • 1. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak (agrarisch bouwperceel) worden gebouwd;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is geen bedrijfswoning toegestaan;
    • 3. de afstand tussen gebouwen binnen het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 15 m;
    • 4. de maximale bouwhoogte mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven;
    • 5. de maximale goothoogte mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven
    • 6. het bouwvlak mag voor 100% bebouwd worden
  • b. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
    • 1. silo's zijn uitsluitend binnen het bouwvlak (agrarisch bouwperceel) toegestaan, waarbij de maximale bouwhoogte voor mestsilo's 6 m en voor voedersilo's 12 m bedraagt;
    • 2. kuilvoerplaten en mestzakken zijn uitsluitend binnen het bouwvlak (agrarisch bouwperceel) toegestaan waarbij de maximale bouwhoogte 1,5 m bedraagt;
    • 3. lichtmasten zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan en tot een bouwhoogte van niet meer dan 3 m;
    • 4. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m;
    • 5. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag binnen het bouwvlak (agrarisch bouwperceel) niet meer bedragen dan 10 m;
    • 6. de bouwhoogte en de oppervlakte van overige bouwwerken, geen gebouwen, mo-gen buiten het bouwvlak niet meer bedragen dan respectievelijk 3 m en 6 m²;
  • c. Indien de bestaande bebouwing afwijkt van sub a en b dan geldt de bestaande bebouwing op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan, mits deze op een legale wijze tot stand is gebracht.

3.3 Afwijken van de bouwregels
  • a. het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2 onder a.3 ten behoeve van het vergroten van de afstand tussen de gebouwen binnen het bouwvlak tot 25 m, mits de bedrijfsvoering dit noodzakelijk maakt.
  • b. het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2 onder a.5 ten behoeve van het vergroten van de goothoogte van een agrarisch bedrijfs-gebouw tot 6 m, mits dit in verband met de bedrijfsvoering noodzakelijk is.
  • c. het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2 onder b.4 voor het vergroten van de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen tot 2 m, mits de openheid van het landschap niet wordt aangetast.

3.4 Specifieke gebruiksregels
3.4.1 Onder strijdig gebruik met deze bestemming en aanduidingen wordt ieder geval begrepen:
  • a. het gebruik van de gronden ten behoeve van een Manegebedrijf;
  • b. het gebruik van de gronden gelegen buiten het bouwvlak voor het plaatsen en geplaatst houden van tunnelkassen;
  • c. het gebruik van de gronden gelegen buiten het bouwvlak ten behoeve van opslag;
  • d. het gebruik van gronden ten behoeve van ondersteunende teelt;
  • e. het gebruik van gronden ten behoeve van intensieve veehouderij;
  • f. het gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en aanwezige bebouwing voor een jong-veeopfok ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting', over-eenkomstig artikel 3.4.2 onder a van dit plan, indien de inrichting van gronden ter plaatse van de aanduiding 'voorwaardelijke verplichting' niet is gerealiseerd binnen de termijn genoemd in artikel 3.4.2 onder b van de regels van dit plan.

3.4.2 Landschappelijke inpassing (voorwaardelijke verplichting)
  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'zone - voorwaardelijke verplichting' is het gebruiken en/of la-ten gebruiken van gronden en aanwezige bebouwing voor jongveeopfok uitsluitend toegestaan als de gronden ter plaatse van de aanduiding 'voorwaardelijke verplichting' worden ingericht en in stand gehouden overeenkomstig de inrichtingsschets in bijlage 1, of volgens een inrichtingsschets die, naar het oordeel van het bevoegd gezag, vanuit een oogpunt van landschaps- en ervenontwerp een zelfde niveau van ruimtelijke kwaliteit garandeert;
  • b. de inrichting van gronden zoals bedoeld in artikel 3.4.2 onder a moet uiterlijk zijn voltooid 18 maanden nadat dit bestemmingsplan onherroepelijk is geworden;
  • c. het bevoegd gezag kan, in afwijking van het bepaalde in artikel 3.4.2 onder b, een omgevingsvergunning verlenen om de gestelde realisatietermijn voor de inrichting van gronden te verlengen met een extra termijn van 12 maanden indien naar het oordeel van het bevoegd gezag realisatie anders onmogelijk zal zijn.

3.4.3 Beperking aantal dieren
  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – schapenhouderij en jongveeopfok' op het perceel behorende bij Rijksstraatweg 107B mogen maximaal 250 schapen gehouden worden.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – schapenhouderij en jongveeopfok' op het perceel behorende bij Rijksstraatweg 135B mogen maximaal 96 schapen gehouden worden.
  • c. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – schapenhouderij en jongveeopfok' op het perceel behorende bij Rijksstraatweg 107B mogen maximaal 140 stuks jongvee en 10 melkkoeien gehouden worden.

3.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
    • 1. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen, uitgezonderd binnen de agrarische bouwvlakken;
    • 2. het vellen en rooien van houtopstanden, waaronder begrepen randbeplantingen rondom agrarische bouwvlakken;
    • 3. het aanleggen van waterlopen en het vergraven, verruimen en dempen van bestaande waterlopen;
    • 4. het bebossen of anderszins beplanten met hoogopgaande beplanting, waaronder het kweken en telen van bomen, struiken en heesters;
    • 5. het aanleggen van verhardingen ten behoeve van in- en uitritten, met dien verstande, dat bij de aanleg van een tweede inrit op een perceel met het oog op de verkeersveiligheid voldoende afstand tot de eerste inrit dient te worden aangehouden;
    • 6. het scheuren en diepploegen van gronden.
  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 3.5, sub a mag alleen worden verleend indien door de uitvoering van het werk of werkzaamheid, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden en/of functies die het plan beoogt te beschermen, niet leidt tot inklinking van de bodem of wanneer geen aantasting van de landschappelijke inpassing van agrarische bouwpercelen plaatsvindt, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen. Onder waarden en functies worden in ieder geval verstaan de cultuurhistorische, natuurlijke en landschapswaarden in het betrokken gebied.
  • c. In de afweging als bedoeld in lid 3.5, sub b wordt in ieder geval de bestemmingsomschrij-ving betrokken.
  • d. Geen omgevingsvergunning als bedoeld in lid 3.5, sub a is vereist voor:
    • 1. werken of werkzaamheden, behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer;
    • 2. het aanleggen van verhardingen ten behoeve van 1 in- en uitrit per bouwvlak;
    • 3. het scheuren van grasland, uitsluitend ter grasverbetering;
    • 4. werken of werkzaamheden, behorende bij ondersteunende teelt, indien en voor zover daarvoor een omgevingsvergunning is verleend ingevolge lid 3.5.3, dan wel ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - ondersteunende teelt';
    • 5. werken of werkzaamheden, behorende bij de aanleg van zwembaden, indien en voor zover daarvoor een omgevingsvergunning is verleend ingevolge lid 3.5.5;
    • 6. werken of werkzaamheden die op het moment van de inwerkingtreding van het be-stemmingsplan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of aangevraagde vergunning;
    • 7. de aanleg van kavelpaden.

Artikel 4 Kantoor

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Kantoor' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. kantoor,
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' voor de bescherming, instandhouding en her-stel van de waardevolle bebouwingskenmerken en –elementen;

met de daarbij behorende:

  • c. groenvoorzieningen;
  • d. parkeervoorzieningen;
  • e. bouwwerken;
  • f. erfbeplanting;
  • g. watergangen;
  • h. wegen en paden;
  • i. erven en terreinen.

Per bouwvlak mag maximaal één bedrijfswoning worden gebouwd.

4.2 Bouwregels

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd worden;
  • b. het bebouwingspercentage per bouwvlak mag niet meer bedragen dan is aangegeven;
  • c. de maatvoering van de bebouwing mag niet meer bedragen dan is aangegeven in de onderstaande tabel:

Bouwwerken   Goothoogte in m   Bouwhoogte in m   Inhoud in m³   Oppervlakte in m²   Dakhelling  
Bedrijfsgebouw   5   8        
Bedrijfswoning, inclusief aan- en uitbouwen   3
 
10   600     Minimaal 30° Maximaal 60°  
Bijgebouwen bij bedrijfswoning   3   4,5     50    
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van terrein- en erfafscheidingen     4     10    
Terrein- en erfafscheidingen     1        

  • d. indien de bestaande maatvoering afwijkt van sub a, b, en c dan geldt de bestaande maat-voering op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan, mits deze maatvoering op een le-gale wijze tot stand is gebracht.

4.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2 onder c voor het vergroten van de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen tot 2 m, mits de openheid van het landschap niet wordt aangetast.

4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
    • 1. Het aanleggen van verhardingen ten behoeve van in- en uitritten, met dien verstande, dat bij de aanleg van een tweede inrit op een perceel met het oog op de verkeersveiligheid voldoende afstand tot de eerste inrit dient te worden aangehouden.
  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 4.4, sub a mag alleen worden verleend indien door de uitvoering van het werk of werkzaamheid, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden en/of functies die het plan beoogt te beschermen, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen. Onder waarden en functies worden in ieder geval verstaan de cultuurhistorische, natuurlijke en landschapswaarden in het betrokken gebied.
  • c. In de afweging als bedoeld in lid 4.4, sub b wordt in ieder geval de bestemmingsomschrijving betrokken.
  • d. Geen omgevingsvergunning als bedoeld in lid 4.4, sub a is vereist voor:
    • 1. het aanleggen van verhardingen ten behoeve van 1 in- en uitrit per bouwvlak;
    • 2. werken of werkzaamheden die op het moment van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of aangevraagde vergunning.

Artikel 5 Waarde - Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 3

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomen-de bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van archeologische waarden.

5.2 Bouwregels

In aanvulling op het elders bepaalde in dit plan gelden ter plaatse van het vlak 'Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 3' de volgende regels voor gebouwen:

  • a. een gebouw in een plangebied met een oppervlakte van ten hoogste 500 m² ter plaatse van het vlak 'Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 3' is toegestaan;
  • b. een gebouw met een grotere oppervlakte dan bedoeld onder a en dieper dan 30 cm is toegestaan mits, naar het oordeel van het bevoegd gezag, voldoende kan worden aangetoond dat de ter plaatse aanwezige archeologische waarden niet worden of kunnen worden aangetast.

5.3 Afwijken van de bouwregels

Voor zover het oprichten van het gebouw kan leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan het bevoegd gezag omgevingsvergunning verlenen van het bepaalde in lid 5.2 onder b indien één van de volgende gevallen zich voordoet:

  • a. de werkzaamheden veroorzaken dieper dan 0,30 m onder het maaiveld geen verstoring;
  • b. de bouwwerkzaamheden betreffen vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder het maaiveld niet wordt uitgebreid en uitsluitend gebruik gemaakt wordt van de bestaande fundering;
  • c. de bouwwerkzaamheden mogen op het tijdstip van in werking treden van dit plan worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
  • d. de bouwwerkzaamheden zijn reeds in uitvoering op het tijdstip van in werking treden van dit plan;
  • e. de bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd ten dienste van archeologisch onderzoek;
  • f. de aanvrager heeft een rapport overgelegd waarin de archeologische waarden van de be-trokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld en de betrokken archeologische waarden, mits gelet op het rapport behoudenswaardig geacht, worden door de in de aanvraag beschreven werkzaamheden naar oordeel van het bevoegd gezag niet geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door het opstellen van regels, gericht op:
    • 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ);
    • 2. het doen van opgravingen (behoud ex situ);
    • 3. begeleiding van de beschreven activiteiten door een archeologisch deskundige;
  • g. het bevoegd gezag heeft een vergunning verleend, waarbij in de regels of voorschriften is vastgelegd dat een archeologisch rapport overgelegd moet worden waarin de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in vol-doende mate zijn vastgesteld en de betrokken archeologische waarden, mits gelet op het rapport behoudenswaardig geacht, worden door de in de aanvraag beschreven werkzaamheden naar oordeel van het bevoegd gezag niet geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door het opstellen van regels, gericht op:
    • 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ);
    • 2. het doen van opgravingen (behoud ex situ);
    • 3. begeleiding van de beschreven activiteiten door een archeologisch deskundige.

5.4 Omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden
5.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden ter plaatse van het in lid 5.2 genoemde vlak zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren welke verstoring van mogelijke archeologische resten onder het maaiveld kunnen veroorzaken, waaronder:

  • a. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  • b. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  • c. het aanbrengen of rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
  • d. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

5.4.2 Uitzondering op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 5.4.1 is niet van toepassing als één van de volgende gevallen zich voordoet:

  • a. de werkzaamheden veroorzaken dieper dan 0,30 meter onder het maaiveld geen verstoring;
  • b. de totale oppervlakte van het plangebied bedraagt ten hoogste 500 m² ter plaatse van het vlak 'Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 3';
  • c. de werkzaamheden mogen op het tijdstip van in werking treden van dit plan worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
  • d. de werkzaamheden zijn reeds in uitvoering op het tijdstip van in werking treden van dit plan;
  • e. de werkzaamheden behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden;
  • f. de werkzaamheden worden uitgevoerd ten dienste van archeologisch onderzoek;
  • g. (voor waterbodems) de onderhoudsbaggerwerkzaamheden gaan aantoonbaar niet dieper dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes;
  • h. de aanvrager heeft een rapport overgelegd waarin de archeologische waarden van de be-trokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld en de betrokken archeologische waarden, mits gelet op het rapport behoudenswaardig geacht, worden door de in de aanvraag beschreven werkzaamheden naar oordeel van het bevoegd gezag niet geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door het opstellen van regels, gericht op:
    • 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ);
    • 2. het doen van opgravingen (behoud ex situ);
    • 3. begeleiding van de beschreven activiteiten door een archeologisch deskundige;
  • i. het bevoegd gezag heeft een vergunning verleend, waarbij in de regels of voorschriften is vastgelegd dat een archeologisch rapport overgelegd moet worden waarin de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld en de betrokken archeologische waarden, mits gelet op het rapport behoudenswaardig geacht, worden door de in de aanvraag beschreven werkzaamheden naar oordeel van het bevoegd gezag niet geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door het opstellen van regels, gericht op:
    • 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ);
    • 2. het doen van opgravingen (behoud ex situ);
    • 3. begeleiding van de beschreven activiteiten door een archeologisch deskundige.

5.5 Uitzondering

Het bepaalde in lid 5.2 onder a en 5.4.2 aanhef en onder b is niet van toepassing indien binnen een periode van 24 maanden voor de datum van de voorgenomen werkzaamheden binnen het onderha-vige terrein, op aangrenzende terreinen of op terreinen op een afstand van minder dan 25 m het bepaalde in de genoemde artikelonderdelen reeds van toepassing is geweest op een aanvraag om een omgevingsvergunning.”

Artikel 6 Waterstaat - Waterkering

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorko-mende bestemming(en), mede bestemd voor de waterkering, waterhuishouding en waterstaat, waarbij de bestemming Waterstaat - Waterkering voorrang heeft op de andere daar voorkomende bestemming(en).

6.2 Bouwregels

Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd.

6.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het in lid 6.2 bepaalde, indien de beheerder van de waterkering een positief advies heeft uitgebracht, met dien verstande dat in dat geval de bouwregels van de overige daar voorkomende bestemmingen in acht worden genomen.

6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden op de in lid 6.1 bedoelde gronden uit te voeren:

  • het verlagen dan wel afgraven van de gronden;
  • het planten of verwijderen van diepgewortelde beplanting of bomen;
  • het in de grond indrijven van voorwerpen/objecten.

Het in lid 6.4 sub a vervatte verbod geldt niet voor:

  • werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden in verband met de realisatie van de bestemming als bedoeld in lid 6.1;
  • werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis binnen het op de bestemming gerichte normale onderhoud en beheer;
  • werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, die op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt in uitvoering zijn.

De omgevingsvergunning voor de werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden als bedoeld in lid 6.4 sub a is slechts toelaatbaar, indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de belangen van de waterkering ontstaat of kan ontstaan.
Alvorens omgevingsvergunning te verlenen als lid 6.4 sub a bedoeld, wordt bij de beheerder van de betreffende waterkering advies ingewonnen.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 8 Algemene bouwregels

8.1 Karakteristieke bebouwing
  • a. ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' dient de uitwendige hoofdvorm van het betrokken bouwwerk, bepaald door goothoogte, bouwhoogte, nokrichting, dakvorm en dakhelling, raamindeling, alsmede de situering op het perceel, te worden gehandhaafd.
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' zijn burgemeester en wethouders bevoegd middels omgevingsvergunning af te wijken van de uitwendige hoofdvorm, mits advies is gevraagd van de monumenten commissie.
  • c. het is verboden om zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders bouw-werken ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' te slopen of minder geschikt te maken voor de verwezenlijking van de daaraan bij het plan gegeven bestemming.

8.2 Parkeren
  • a. in de parkeerbehoefte behorende bij de functies in het plangebied dient binnen het plangebied te worden voorzien;
  • b. de parkeerbehoefte wordt bepaald conform de publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 317', CROW, 2012;
  • c. indien de onder b bedoelde publicatie wordt gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden.

Artikel 9 Algemene gebruiksregels

9.1 Algemeen

Onder strijdig gebruik wordt begrepen het gebruik dat niet in overeenstemming is met de bestemmingsomschrijvingen, waaronder in elk geval wordt begrepen:

  • a. het gebruiken van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting;
  • b. het gebruik van een bijgebouw ten behoeve van zelfstandige bewoning;
  • c. het niet voldoen aan de normen van het parkeerbeleid zoals genoemd in artikel 8.2.

9.2 Verbod ander gebruik

Het is verboden de in de artikelen 3 tot en met 6 bedoelde gronden en bouwwerken te gebruiken en/of te doen en/of te laten gebruiken en/of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, zoals die nader is aangeduid in de doeleinden.

Artikel 10 Algemene afwijkingsregel

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebou-wingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, middels een omgevingsvergunning afwijken van:

  • a. de bestemmingsregels en toestaan dat bestemmingsgrenzen ten behoeve van het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven;
  • b. de bestemmingsregels en toestaan dat bestemmingsgrenzen en bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft, dit tot een maximum van 1 m;
  • c. de bestemmingsregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat deze bouwhoogte ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot met niet meer dan 5 m inclusief antennes, uitsluitend mits de masten worden geplaatst op gebouwen gelegen binnen het bouwvlak in de bestemming Agrarisch, met een maximum van drie per agrarisch bouwvlak;
  • d. de bestemmingsregels en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van het bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits:
    • 1. de inhoud per gebouwtje niet meer bedraagt dan 60 m³;
    • 2. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 4 m.

Artikel 11 Algemene wijzigingsregels

11.1 Burgemeester en wethouders kunnen overeenkomstig artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het plan wijzigen door één of meer locaties met de bestemming Waarde - Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied 3 als bedoeld in artikel 5 te verwijderen, indien:

  • a. uit nader onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;
  • b. het niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan voorziet in de bescherming van deze waarden.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 12 Overgangsrecht

12.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van lid 12 a sub 1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • c. Lid 12 a sub 1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

12.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 12.2 sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het lid 12.2 sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Lid 12.2 sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 13 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan Rijksstraatweg 107B / (bij) 135B en 53.