| Plan: | Winkeldijk 5, Abcoude en Kleiweg 27a, Baambrugge |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0736.BPP019winkd5klei27-va01 |
Voorliggend rapport betreft het bestemmingsplan "Winkeldijk 5, Abcoude en Kleiweg 27a, Baambrugge" van de gemeente De Ronde Venen.
Op het adres Winkeldijk 5 te Abcoude is het agrarisch bedrijf van de familie De Vries gevestigd. Op de gronden ten noordoosten van het bedrijf is Land van Winkel in uitvoering. Het betreft een nieuwe woonbuurt aan de zuidzijde van de kern Abcoude (ook wel bekend als De Winkelbuurt).
De geuremissie van het agrarisch bedrijf vormt een belemmering voor het volledig uitvoeren van de woonbuurt. Ten tijde van de planvorming werd dit reeds onderkend. Met het doel de geuremissie te beperken hebben de gemeente en de familie De Vries op 22 december 2010 een overeenkomst gesloten, in grote lijnen omvattende:
Beide ontwikkelingen kunnen niet plaatsvinden op basis van het vigerende bestemmingsplan. Reden waarom het bestemmingsplan wordt herzien.
Hoewel de ontwikkelingen ruimtelijk gezien geen direct verband hebben, is er wel sprake van een financieel-economische verbondenheid. Daarom zijn beide ontwikkelingen in één bestemmingsplan vervat.
Onderstaande afbeelding geeft de topografische situatie van weer. Daar is de ligging van beide locatie op weergegeven.
TOPOGRAFISCHE SITUATIE
Onderstaande afbeelding geeft de kadastrale situatie van de locatie Winkeldijk 5 weer.
KADASTRALE SITUATIE WINKELDIJK 5
De gronden zijn kadastraal bekend gemeente Abcoude, sectie B, nummers 3363, 3364 (gedeeltelijk) en 3985 (ged.). De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 11.300 m².
Onderstaande afbeelding geeft de kadastrale situatie van de locatie Kleiweg 27a weer.
KADASTRALE SITUATIE KLEIWEG 27A
De gronden zijn kadastraal bekend gemeente Baambrugge, sectie B, nummers 2234 (ged.) en 2235. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 3.820 m².
Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan "Abcoude Buitengebied", vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 17 december 2009.
Locatie Winkeldijk 5, Abcoude
Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de vigerende verbeelding. De ligging van dit deelplan is aangegeven.
UITSNEDE VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN LOCATIE WINKELDIJK 5
Dit deel van het plangebied ligt in de bestemming 'Agrarisch'. Ter plaatse is onder meer de uitoefening van een grondgebonden bedrijf toegestaan, waarbij (agrarische) bebouwing uitsluitend binnen het bouwvlak mag worden opgericht. Per bouwvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan.
Op een groot deel van het plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' van toepassing. Ter bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 centimeter met een oppervlakte van meer dan 100 m².
Locatie Kleiweg 27a, Baambrugge
Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de vigerende verbeelding. De ligging van dit deelplan is aangegeven.
UITSNEDE VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN LOCATIE KLEIWEG 27A
Dit deel van het plangebied ligt eveneens in de bestemming 'Agrarisch'. Ter plaatse is geen bouwvlak opgenomen.
Hier is eveneens de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' van toepassing, met de onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 centimeter met een oppervlakte van meer dan 100 m².
Deze toelichting is als volgt opgebouwd:
Onderstaande afbeelding geeft het plangebied in zijn omgeving weer.
PLANGEBIED EN OMGEVING
Het plangebied is onderdeel van het agrarische buitengebied van Abcoude. Het open landschap is kenmerkend voor dit deel van Nederland, gelegen enkele meters onder NAP. Een planmatige verkaveling wordt verdeeld door watergangen. Het verkavelingspatroon wordt onderbroken door het riviertje de Winkel en de Winkeldijk, die hier meanderend doorheen kronkelen. Het riviertje ligt duidelijk hoger dan het omringende landschap (op bovenstaande afbeelding met een lichtere tint weergegeven). Het rivier- en dijkpatroon zijn onderdeel van het werelderfgoed 'Stelling van Amsterdam'.
De agrarische bedrijven liggen verspreid in het gebied. Het agrarisch bedrijf van de familie De Vries ligt aan de noordzijde van de Winkel(dijk). Opvallend is de open ligging van de bedrijfspercelen in het veld. Het opgaande groen is beperkt.
Ten noorden van het plangebied is de nieuwe woonbuurt Land van Winkel in voorbereiding. Het betreft een gebied van 15 hectare voor circa 200 grondgebonden woningen.
Binnen het plangebied staan diverse gebouwen. In het oog springend zijn de woonboerderij en aanbouw die in 2009 geheel zijn gerestaureerd. Aan de woonboerderij is een grupstal gebouwd waar 's winters de koeien tussen de staken staan. Direct ten oosten van de grupstal is recent de hooimijt teruggebouwd. Dit geheel van gebouwen vormt een fraai ensemble.
Ten westen van de boerderijgebouwen staan enkele kleinere stallen en schuurtjes, waarvan een aantal bouwkundig niet meer in goede staat zijn. Geheel aan de oostzijde staat een kleine schapenstal. Voorts ligt er op de achterzijde van het terrein een mestbassin.
Het agrarisch bedrijf heeft twee entrees. De hoofdentree ligt direct ten westen van het boerderijgebouw en wordt gemarkeerd door enkele grote bomen.
De nevenentree ligt meer naar het oosten en wordt thans tevens gebruikt voor de ontsluiting van het bouwverkeer van de ontwikkeling van de woonbuurt en van de verzwaring van de Winkeldijk.
De beplanting op en rond het plangebied is beperkt. Op enkele solitaire bomen op het voorerf en een kleine bomenrij op het achtererf na is er binnen het plangebied geen opgaande beplanting. Het overige terrein bestaat uit gras aansluitend op de agrarische open polder. Behoudens de locatie van de nieuwe woonbuurt zijn de aansluitende gronden allemaal in agrarisch gebruik.
Op een vrij regelmatige afstand van elkaar (circa 50 meter) liggen de sloten van het open polderlandschap. Deze sloten liggen tevens voor een deel op het boerenerf. Ook aan de voorzijde langs de Winkeldijk loopt een sloot. Water speelt een belangrijke rol voor het plangebied.
In dit hoofdstuk wordt het plan voor de locatie Winkeldijk 5 beschreven. Bijlage 1 bevat een landschapsplan met een globale inrichtingsschets.
Het agrarisch bedrijf van de familie De Vries is bescheiden van omvang. De bedrijfsactiviteiten worden voornamelijk uitgevoerd door de heer Bart de Vries en zijn echtgenote. De familie heeft thans een vergunning voor het houden van:
Het melkvee wordt alleen in de zomerperiode gemolken. In de winter wordt het vee 'drooggezet'. De schapen zijn uitsluitend bij huis in de periode van het aflammeren (voorjaar). Er worden sinds 2009 geen varkens gehouden.
Het huiskavel heeft een oppervlakte van 13,5 hectare. Daarnaast heeft de familie nog 6,5 hectare weide in de omgeving in pacht.
De familie wenst het agrarisch bedrijf voorlopig op basis van de huidige vergunning voort te zetten. Dochter Maaike de Vries is werkzaam als veearts en wenst het agrarisch bedrijf in de toekomst over te nemen.
De familie De Vries zal een groot deel van de bestaande bebouwing behouden, te weten:
De overige gebouwen zijn van slechte kwaliteit of voldoen niet meer voor de toekomstige bedrijfsvoering. Deze zullen worden gesloopt. Het mestbassin zal worden verwijderd.
Ten westzijde van de te behouden gebouwen wordt een nieuwe ligboxenstal met mestkelder gebouwd, met een omvang van 22 x 35 meter. In deze stal kunnen de vergunde dieren worden gehouden. In het gebouw wordt tevens een melkstal aangebracht.
De nieuwe stal wordt op enige afstand van de Winkeldijk gebouwd. Zo ontstaat een traditionele indeling met een (formeel) voorerf en een (informeel) agrarisch bedrijfserf die door een denkbeeldige lijn van elkaar gescheiden worden. Het voorerf met de woning was van oudsher het domein van de vrouw en was gericht op 'sier'. Op het voorerf lagen onder andere de moestuin, de siertuin, de huisweide en de boerenboomgaard. De man droeg de verantwoordelijkheid over het achtererf waar het doel meer op 'nut' was gericht. Hier wordt gewerkt en worden de dieren gehouden. Vanaf de Winkeldijk is er een fraai zicht op het bebouwingsensemble van het boerderijgebouw en de hooimijt.
Het nieuwe agrarisch bouwvlak biedt de mogelijkheid de nieuwe ligboxenstal naar de achterzijde uit te breiden en eventueel een tweede stal (of andere bedrijfsgebouwen) te bouwen. Hiermee biedt het bouwvlak voldoende ruimte voor de toekomst.
In verband met de geursituatie is het niet toegestaan om binnen een afstand van 50 meter tot de woonbuurt Land van Winkel nieuwe dierenverblijven op te richten. Andere gebouwen of bouwwerken zijn wel toegestaan. Zie ook paragraaf 5.1.4.
Momenteel is op het boerenerf weinig opgaande beplanting aanwezig. Om het perceel meer in te passen in de karakteristiek van het rivierlint en meer contrast te bieden met het open polderlandschap, worden enkele nieuwe landschapselementen gerealiseerd. Langs de sloten worden twee nieuwe rijen van knotwilgen aangeplant. Deze transparante schermen passen zeer goed in het natte rivierlandschap. Ze zorgen er tevens voor dat de bebouwingsmassa van de nieuwe stal wordt gecamoufleerd. Ook biedt de knotwilgenrij aan de oostzijde enige afscherming van de woonbuurt in ontwikkeling. De aan te brengen beplanting heeft geen negatieve invloed op de afwatering van het gebied en op de huidige sloten.
De bestaande rij populieren wordt aangevuld zodat de nieuwe stal vanuit de nieuwe woningen minder goed zichtbaar is. Ook worden op de achterste perceelgrens enkele solitaire bomen of boomgroepen geplant. Vanaf het boerenerf is er met name aan de achterzijde zicht op het open landschap.
Om de traditionele verdeling van voorerf versus achtererf goed zichtbaar te maken is op het voorerf een kleine boomgaard voorgesteld. Deze vormt samen met de siertuin rondom de woning en een kleine paardenweide het beeld van een typisch boerenvoorerf.
Verkeersaantrekkende werking
Er bestaan geen kengetallen voor de verkeersaantrekkende werking van agrarische bedrijven. In de praktijk zijn er de volgende verkeersbewegingen:
Ontsluiting
Het bedrijf is thans op twee plaatsen vanaf de Winkeldijk ontsloten. Een hoofdentree nabij het boerderijgebouw en een nevenentree ten westen daarvan. Het is in de nabije toekomst niet nodig deze entrees aan te passen. Bij een verder uitbreiding van het bedrijf is het aanleggen van een extra entree aan de westzijde voorstelbaar, al of niet ter vervanging van een bestaande entree.
Parkeren
Er bestaan eveneens geen kencijfers voor het aantal parkeerplaatsen bij agrarische bedrijven. Het terrein biedt voldoende ruimte om in de benodigde parkeerplaatsen te voorzien.
In dit hoofdstuk wordt het plandeel Winkeldijk 5 getoetst aan het relevante vigerende beleid. Achtereenvolgens komt aan de orde het beleid op:
In 2012 heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ondertekend. De SVIR geeft een integraal kader voor het ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid op rijksniveau, en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR worden de ambities van het Rijk tot 2040 geschetst, alsmede doelen, belangen en opgaven tot 2028. In de SVIR kiest het Rijk voor minder nationale belangen en eenvoudiger regelgeving.
De reeds ingezette trend om aan de provincies en gemeenten ruimte te laten inzake de ruimtelijke ontwikkelingen wordt versterkt in de SVIR.
De SVIR bevat 13 nationale belangen die worden beschermd middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Het gaat onder meer om militaire objecten en terreinen, de grote rivieren en de ecologische hoofdstructuur.
Voor onderhavig plandeel is het belang 'Werelderfgoederen' aan de orde. Dit plandeel is onderdeel van "De Stelling van Amsterdam". Middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (zie paragraaf 4.1.2) is dit belang beschermd. Als aan dat besluit wordt voldaan, wordt tevens aan de SVIR voldaan.
De in de SVIR opgenomen nationale belangen krijgen een wettelijke grondslag in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).
De werking van het Barro is naar plaats beperkt. Onderhavig plangebied ligt binnen het gebied van 'Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde "De Stelling van Amsterdam"'. Het Barro is derhalve van toepassing. In het Barro is de stelling (kortweg) omschreven als een samenhangend geheel bestaande uit een doorgaand stelsel van liniedijken met bijbehorende sluizen, kanalen en inundatiegebieden.
In de provinciale Verordening zijn regels opgenomen ter bescherming van dit erfgoed. Een nadere toetsing is in paragraaf 4.2.2 opgenomen.
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is van toepassing op het plan. Specifiek aandachtspunt is het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 2, waarin de verplichting is opgenomen om in de toelichting op een ruimtelijk besluit voor nieuw te realiseren stedelijke ontwikkelingen bepaalde duurzaamheidsaspecten van het voornemen te motiveren; de ladder voor duurzame verstedelijking. Daarbij moet achtereenvolgens worden aangetoond dat er een actuele regionale behoefte is (trede 1), of deze behoefte in bestaand stedelijk gebied kan worden opgevangen (trede 2), en - in geval van een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied - dat de locatie multimodaal is of kan worden ontsloten (trede 3).
Dit deelproject omvat een vormverandering van een agrarisch bouwvlak (zonder uitbreiding) en wordt derhalve niet gezien als een stedelijke ontwikkeling. Een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet nodig.
Conclusie
Het initiatief voldoet aan het Besluit ruimtelijke ordening en aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Het provinciale ruimtelijk beleid is vastgelegd in de nota's:
Het plan wordt aan deze twee nota's getoetst.
Op 4 februari 2013 heeft Provinciale Staten de "Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2103-2028" (kortweg: PRS) vastgesteld. De PRS bevat een ruimtelijke beleidskader dat moet bijdragen aan een kwalitatief hoogwaardige fysieke leefomgeving, waarin het ook in de toekomst plezierig wonen, werken en recreëren is.
De PRS bevat de volgende provinciale belangen vastgelegd:
Voorliggend bestemmingsplan omvat de vormverandering van een agrarisch bouwvlak. Deze ontwikkeling past binnen het provinciale belang ten aanzien van een economisch vitale en duurzame landbouwsector. Het plan sluit derhalve aan bij de provinciale belangen.
Conclusie
Het plan past binnen c.q. is niet in strijd met de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie.
Eveneens op 4 februari 2013 heeft Provinciale Staten de "Provinciale Ruimtelijke Verordening, Provincie Utrecht 2013" (kortweg: PRV) vastgesteld. De PRV stelt regels aan de inhoud van ruimtelijke plannen voor die aspecten waar provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.
De PRV bevat regels ten aanzien van een breed scala aan agrarische en niet-agrarische ontwikkelingen. In deze toelichting zijn alleen de voor het plan relevante regels verwoord.
Artikel 4.13 - Agrarische bedrijven
Artikel 4.13 van de PRV bevat regels ten aanzien van de ontwikkeling van agrarische bedrijven.
In lid 4 is opgenomen dat bestaande agrarische bedrijven mogen worden uitgebreid tot maximaal 1,5 hectare. Het plan omvat een vormverandering van het agrarisch bouwvlak met een oppervlakte van circa 9000 m². Het plan voldoet daarmee aan de voorwaarde.
Lid 8 bepaalt dat er sprake moet zijn van een ruimtelijke onderbouwing waarin is aangetoond dat de uitbreiding niet leidt tot wezenlijk negatieve effecten voor nabijgelegen natuur. Voorliggende toelichting bevat de ruimtelijke onderbouwing. Deze is in paragraaf 5.2.3 opgenomen.
Artikel 3.7 - Mobiliteitstoets
In artikel 3.7 van de PRV is opgenomen dat de toelichting op een ruimtelijk plan een beschrijving bevat van het aantal verplaatsingen die deze ruimtelijke ontwikkelingen tot gevolg hebben en of er door het aantal verplaatsingen knelpunten op het ontsluitende en omliggende verkeersnetwerk voor de diverse modaliteiten kunnen ontstaan. Een beschrijving hiervan is in paragraaf 3.4 opgenomen.
Artikel 4.9 - Landschap
Het plangebied ligt in de landschappelijk waardevolle gebieden 'Stelling van Amsterdam' en het 'Groene Hart'.
Het plangebied maakt deel uit van de zone behorende bij het werelderfgoed 'Stelling van Amsterdam'. Dit gebied wordt gekenmerkt door open veenlandschap, waarin een stelsel van forten, dijken, kanalen en inundatiewerken ligt, aangelegd om Amsterdam te beschermen. Hoewel de Stelling nooit als verdedigingswerk is gebruikt, zijn de forten en infrastructuur echter bewaard gebleven, waardoor een uniek monument van defensieve en waterstaatkundige techniek is ontstaan. Alle bovengenoemde elementen zijn aangewezen als Unesco Werelderfgoed.
De hoofdverdedigingslijn volgt bij het plangebied de Winkeldijk. Het inundatieveld ligt ten zuiden daarvan. Het plangebied ligt dus in het 'veilige gebied' achter de hoofdweerstandslijn en bevat geen elementen die tot de Stelling behoren. De voorgenomen vormverandering van het agrarisch bouwvlak leidt niet tot aantasting van de bij de Stelling behorende elementen.
Voor het landschap 'Groene Hart' wil de provincie de volgende kernkwaliteiten behouden en versterken: openheid, (veen)weidekarakter (incl. strokenverkaveling, lintbebouwing, etc.), landschappelijke diversiteit, rust & stilte.
De provincie heeft de kwaliteiten van het gebied opgenomen in een kwaliteitsgids, die de basis c.q. inspiratie heeft gevormd voor de inrichting van het plangebied.
Artikel 2.5 - Vrijwaringszone versterking regionale waterkering
In dit artikel is de verplichting opgenomen tot het opnemen van een vrijwaringszone aan weerszijden van regionale waterkeringen. De Winkeldijk is zo'n waterkering. De in het vigerende bestemmingsplan "Abcoude Buitengebied" opgenomen dubbelbestemming met de vrijwaringszone ligt buiten het plangebied van voorliggend bestemmingsplan. Het behoud van de waterkering is hiermee in voldoende mate gewaardborgd. Er is geen aanleiding de dubbelbestemming in dit bestemmingsplan op te nemen.
Conclusie
Het plan voldoet aan de regels van de Provinciale Ruimtelijke Verordening.
Door de gemeenteraad van De Ronde Venen is op 17 oktober 2013 de "Structuurvisie De Ronde Venen 2030" vastgesteld.
Ten aanzien van agrarische bedrijven is in de Structuurvisie opgenomen dat agrarische bedrijven een bouwblok moeten hebben dat past bij de omvang van het bedrijf en waarbinnen uitbreiding van bebouwing mogelijk is. Uitbreiding van bedrijven is toegestaan, waarbij er gebieden zijn aangegeven waarbinnen de uitbreiding tot maximaal 1,5 hectare is toegestaan. Het plangebied behoort tot zo'n gebied.
Het plan omvat de vormverandering (zonder uitbreiding) van een agrarisch bouwvlak met een oppervlakte van circa 9000 m² en past daarmee in het structuurvisiebeleid.
Conclusie
Het plan past binnen c.q. is niet in strijd met de Structuurvisie De Ronde Venen 2030.
In dit hoofdstuk worden de uitvoeringsaspecten voor de locatie Winkeldijk 5 beschreven. Achtereenvolgens komen aan de orde:
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een toetsing plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkelingen aan de relevante milieuaspecten, teneinde het toekomstige gebruik af te stemmen op de omgeving. In deze paragraaf worden de milieuaspecten afzonderlijk beschreven.
Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie.
Het plan omvat de vormverandering van een agrarisch bouwvlak teneinde nieuwe agrarische bedrijfsgebouwen mogelijk te maken.
Uit het Bodemloket van de provincie Utrecht volgt dat ter plaatse van het perceel Winkeldijk 5 een ernstige bodemverontreiniging is aangetroffen (WBB-code: UT030500119), gelegen onder vóór en naast het boerderijgebouw. Het bodemloket meldt dat er geen spoedsanering hoeft plaats te vinden.
Om de huidige bodemkwaliteit inzichtelijk te maken heeft Wareco Ingenieurs uit Amstelveen een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locaties van de nieuwe ligboxenstal: rapport "Verkennend bodemonderzoek Winkel 5 te Abcoude" (3 maart 2016, nr. AU91A RAP20160211). Er heeft tevens een asbestonderzoek plaatsgevonden. Het onderzoeksrapport is als bijlage 2 bijgevoegd.
Wareco concludeert dat:
Het asbestonderzoek zal na de sloop van de bestaande gebouwen worden uitgevoerd.
Het aspect bodemkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:
Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.
Invloed plan op de omgeving
Een rundveehouderij is in de genoemde VNG-handreiking opgenomen als categorie 3.1-bedrijf met een richtafstand van 100 meter (SBI-code 0141, 0142). De richtafstand is bepaald aan de hand van de aspecten geluid, geur, stof en gevaar. Het aspect geur is afstandbepalend (100 meter). De beoordeling hiervan is in paragraaf 5.1.4 opgenomen.
De overige aspecten hebben een richtafstand van 30 meter (stof en geluid) en 0 meter (gevaar). Het nieuwe bouwvlak ligt tot op 20 meter van de woonbuurt Land van Winkel. Omdat er aan die zijde geen dierenverblijven mogen worden opgericht, zullen ook de stof- en geluidbelasting beperkt zijn. Er is hiermee sprake van een acceptabele situatie.
Invloed omliggende inrichtingen op plan
Het plan omvat geen nieuwe milieugevoelige objecten. Een nadere toetsing is niet nodig.
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies is het aspect externe veiligheid van belang. Dit heeft betrekking op inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, met fatale gevolgen voor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit.
Het plan betreft de vormverandering van een agrarisch bouwvlak en leidt planologisch gezien niet tot een toename van het aantal personen in het gebied. Het groepsrisico neemt derhalve niet toe.
Het plangebied ligt voorts niet binnen de plaatsgebonden risicocontour van inrichtingen, buisleidingen of transportroutes. Een nadere toetsing aan het aspect externe veiligheid is niet aan de orde.
Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan.
Een vermindering van de geurbelasting ten opzichte van de nieuwe woonbuurt Land van Winkel is de aanleiding voor de voorgenomen bouwvlakverandering van het agrarisch bedrijf. Bij de beoordeling van de geursituatie van het agrarisch bedrijf is gekeken naar twee bedrijfsonderdelen:
De huisvesting van dieren
Het agrarisch bedrijf beschikt over een milieuvergunning voor het houden van koeien, varkens en schapen.
Koeien en schapen zijn in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) aangeduid als 'vasteafstandsdieren', hetgeen betekent dat er een vaste minimum afstand geldt tussen het dierenverblijf en geurgevoelige objecten van derden. Conform artikel 4, lid 1, onder a Wgv bedraagt die minimum afstand 100 meter. Deze afstand is overgenomen in het vigerende bestemmingsplan voor de woonbuurt Land van Winkel en vormt derhalve een beperking voor het ontwikkelen van de buurt.
Op basis van artikel 6, lid 3, onder a Wgv heeft de gemeente de bevoegdheid de vaste afstand te verkleinen naar 50 meter. Middels het vaststellen van de "Verordening lokaal geurbeleid voor het grondgebied van de voormalige gemeente Abcoude (inclusief Baambrugge)" op 31 mei 2012, heeft de gemeente gebruik gemaakt van deze bevoegdheid. Dit heeft tot gevolg dat er binnen een afstand van 50 meter vanaf de woonbestemming van de woonbuurt Land van Winkel (vastgelegd in het bestemmingsplan "De Winkelbuurt 2011") geen dieren mogen worden gehuisvest.
Op de inrichtingsschets in bijlage 1 is deze afstand weergegeven middels de contour 'afstand geurhinder (50 m)'. Daaruit volgt dat het nieuwe agrarisch bouwvlak deels op een kleinere afstand tot de woonbuurt ligt. Om aan de gemeentelijke verordening te kunnen voldoen is in de planregels - en met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - dierenverblijf' op de verbeelding - opgenomen dat er geen dieren gehuisvest mogen worden op een afstand kleiner dan 50 meter tot de woonbuurt. Hiermee wordt aan het aspect geurhinder voldaan en is er tevens sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Voor varkens geldt geen vaste afstand, maar moet de geurbelasting middels een berekening worden bepaald. Op basis van de huidige vergunning mogen maximaal 50 varkens worden gehouden. Sinds 2009 zijn er op het bedrijf geen varkens aanwezig. Ook heeft het bedrijf thans geen varkensstal. In het geval de agrariër opnieuw varkens wil gaan houden zal hij een nieuwe stal moeten bouwen. Een berekening van de geurbelasting is afhankelijk van het gekozen staltype. Omdat er nog geen concrete plannen zijn, kan er geen berekening worden uitgevoerd.
In meer algemene zin geldt dat 50 varkens een relatief klein aantal is - een rendabele varkenshouderij heeft honderden, zo niet duizenden varkens - en dat de geurbelasting op de omgeving zeer beperkt is waarbij de maximaal toelaatbare belasting op geurgevoelige objecten op minder dan 50 meter van het emissiepunt zal liggen. Met het aanhouden van de vaste afstand van 50 meter wordt tevens in een goed woon- en leefklimaat voorzien in het kader van het houden van varkens. De feitelijke geurbelasting wordt berekend bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor de bouw van de nieuwe varkensstal. Het agrarisch bouwvlak biedt voldoende ruimte voor het zodanig positioneren van de stal en het emissiepunt dat er geen overlast is voor de omgeving.
Het mestbassin
Aan de noordzijde van het agrarisch bouwvlak ligt een mestbassin met een oppervlakte van circa 380 m². Op basis van het Besluit mestbassins milieubeheer geldt een vaste geurafstand van 50 meter voor mestbassins met een oppervlakte tot 350 m² en 100 meter voor mestbassins groter dan 350 m². Voor het mestbassin binnen het plangebied geldt een vaste geurafstand van 100 meter.
De werkelijke afstand van het mestbassin tot de nieuwe woonbuurt bedraagt circa 48 meter. Het bestaande bassin vormt derhalve ook een beperking voor de ontwikkeling van de woonbuurt.
Door het mestbassin te verkleinen tot minder dan 350 m² én de afstand tot de woonbuurt te vergroten tot meer dan 50 meter wordt de geurbelasting weggenomen. Dit is eenvoudig te realiseren door het mestbassin aan de zijde van de woonbuurt te verkleinen. In de planregels is vastgelegd dat het in gebruik hebben van een mestbassin met een oppervlakte van meer dan 350 m² en ter plaatse van gronden buiten het bouwvlak niet is toegestaan.
Het verwijderen c.q. aanpassen van het bestaande mestbassin wordt in een privaatrechtelijke overeenkomst met de agrariër vastgelegd.
Met de vormverandering van het agrarisch bouwvlak, het vastleggen van een minimale afstand tussen dierenverblijven en de nieuwe woonbuurt, en het verkleinen c.q. verwijderen van het mestbassin wordt de geurbelasting op de nieuwe woonbuurt Land van Winkel volledig weggenomen.
Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan. Tevens wordt de belemmering voor het realiseren van de woonbuurt "Land van Winkel" weggenomen.
Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd.
Het plan omvat geen nieuwe geluidgevoelige objecten. Een nadere toetsing aan het aspect geluidhinder is niet aan de orde.
Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Effecten plan op luchtkwaliteit
Omdat het plan een vormverandering van een agrarisch bouwvlak omvat, is er geen sprake van een uitbreiding van het bedrijf ten opzichte van de bestaande planologische situatie. De invloed van het plan op de luchtkwaliteit is onveranderd.
Goed woon- en leefklimaat
De vormverandering van het agrarisch bouwvlak vindt plaats in de richting van de autosnelweg A2. Omdat het theoretisch mogelijk is daarmee ook de bedrijfswoning in die richting te verplaatsen, is een beoordeling van het woon- en leefklimaat noodzakelijk.
In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn daarom alleen de volgende criteria van toepassing:
In het kader van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is door diverse bronbeheerders zoals gemeenten, provincies en Rijkswaterstaat de Monitoringstool ingevoerd. Uit de resultaten van de Monitoringstool blijkt dat op deze locatie in de jaren 2012, 2015 en 2020 aan bovengenoemde grenswaarden (jaargemiddelde en overschrijdingsdagen) voor PM10 en NO2 wordt voldaan. Uit de monitoringstool volgt dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de gevallen opgenomen waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Alle andere vormen van ontwikkeling zijn in principe niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig, maar er kan hiervoor wel een nadere motivering vereist zijn.
Het plan valt onder de activiteit D14 - de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren - zoals genoemd in de bijlage Besluit milieueffectrapportage. Het plan is niet m.e.r.(-beoordelings)plichtig. Aan de hand van de onderstaande toetsingscriteria (conform bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn) vindt hiervan een motivering plaats:
| ad 1. | Het aantal dieren blijft ruim onder de drempelwaarden die een m.e.r.(-beoordelings)plicht noodzakelijk maken. |
| ad 2. | In de nabije omgeving van het plangebied liggen geen gevoelige gebieden. De effecten van het plan op Natura 2000-gebieden en andere natuurgebieden zijn beoordeeld en voldoen aan de daaraan gestelde eisen. Zie ook paragraaf 5.2.3. |
| ad 3. | Uit paragraaf 5.1 is gebleken dat het plan geen significante milieueffecten op de omgeving heeft. |
Het plan heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen. Een m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk.
Conform het bepaalde in artikel 38a van de Monumentenwet 1988 moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.
Het plangebied ligt in een zone met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Ter bescherming van de archeologische waarden is in het vigerende bestemmingsplan een dubbelbestemming opgenomen, die een archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen met een diepte van 30 cm onder maaiveld over een oppervlakte van meer dan 100 m².
Omdat er thans geen concreet bouwplan voorligt, is het niet mogelijk een gericht archeolgoisch onderzoek uit te voeren. Ter bescherming van de archeologische waarden in het gebied is de dubbelbestemming in voorliggend bestemminsplan overgenomen.
Het aspect archeologie vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.
Het boerderijgebouw met aanbouw is als cultuurhistorisch waardevol aangemerkt, maar is niet aangewezen als monument. Het plan leidt niet tot aantasting van cultuurhistorische waarden. Ter bescherming van het boerderijgebouw met aanbouw is in de planregels een aanduiding opgenomen.
Zoals in paragraaf 4.2.2 aangegeven ligt het plan in het gebied van de 'Stelling van Amsterdam', maar vormt het hiervoor geen aantasting.
Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Ten behoeve van de bescherming van zeldzame of kwetsbare planten en dieren zijn twee wetten van toepassing:
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en de ecologische hoofdstructuur.
Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om de stikstofdepositie. Hiervoor geldt de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS).
Het plan omvat een vormverandering van een bestaand agrarisch bouwvlak. Het aantal te houden dieren zal gelijk blijven. De afstand van het agrarisch bouwvlak tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Botshol) bedraagt thans circa 2280 meter en na vormverandering circa 2250 meter bedragen. De effecten van de vormverandering zijn verwaarloosbaar klein.
Uit een uitgevoerde quickscan is gebleken dat er binnen de PAS momenteel voldoende ontwikkelingsruimte is. Bij het thans vergunde aantal dieren kan het bedrijf met een melding volstaan. Een feitelijke beoordeling van eventuele effecten op Natura 2000-gebieden kan uitsluitend plaatsvinden op basis van een concreet plan. Deze beoordeling wordt bij een aanvraag om omgevingsvergunning uitgevoerd.
De voorgenomen vormverandering van het agrarisch bouwvlak heeft geen negatief effect op Natura 2000-gebieden. Hiermee is de uitvoerbaarheid van het plan met betrekking tot dit aspect in voldoende mate aangetoond.
Soortenbescherming
Het plangebied is thans deels in gebruik voor als agrarisch bedrijfsperceel en deels als weide. Als gevolg van de vormverandering van het agrarisch bouwvlak blijft het leefgebied van algemeen beschermde soorten die gebruik maken van weidegebied gelijk. Er is geen nader onderzoek nodig.
Het aspect flora en fauna vormt geen planologische belemmering voor het plan.
De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets.
De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).
In deze paragraaf is het relevante vigerende beleid opgenomen.
Het Nationaal Waterplan
Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009-2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.
Waterplan 2010-2015
Het Waterplan 2010-2015 van de provincie Utrecht omvat het beleid voor waterveiligheid, waterbeheer en gebruik en beleving van water in de provincie voor de periode 2010-2015.
Het plangebied heeft op basis van het Waterplan de functie 'landbouw'. De inrichting en het beheer zijn gericht op de landbouw, met de bijbehorende doelstellingen:
Onderhavig plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht.
Waterbeheerplan Waterschap Amstel, Gooi en Vecht
Hoewel thans het Waterbeheerplan 2010-2015 'Werken aan water in en met de omgeving'. In dit beheerplan worden de hoofdtaken van het Waterschap behandeld, namelijk veiligheid, voldoende water en schoon water.
Het plangebied ligt binnen de functie 'Landbouw'. Het peilbeheer in landbouwgebied is in beginsel afgestemd op landbouwkundig gebruik. Het waterschap streeft naar een hogere ecologische kwaliteit in boezem en hoofdwatergangen door natuurvriendelijk onderhoud en inrichtingsmaatregelen. Voor verbetering van de ecologische toestand in sloten is AGV vooral afhankelijk van vrijwillige inrichtings- en beheerovereenkomsten met agrariërs.
Thans is het waterbeheerplan voor de periode 2016-2021 in voorbereiding.
Keur Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2011
Naast het waterbeheerplan beschikt het waterschap over een keur. De Keur geeft met verboden aan welke activiteiten in de buurt van water en waterkeringen (dijken) wel of niet zijn toegestaan. Daarnaast geeft de Keur met geboden aan welke onderhoudsverplichtingen eigenaren en gebruikers van wateren en waterkeringen hebben. Het doel van de Keur is om de waterkwaliteit te verbeteren, de doorstroming in sloten veilig te stellen en de dijken sterk te houden.
Met betrekking tot het aanleggen van verhard oppervlak hanteert het waterschap het beleid dat bij het aanbrengen van meer dan 1.000 m² verharding in stedelijk gebied of glastuinbouwgebied of meer dan 5.000 m² in overig gebied er een compensatie moet plaatsvinden door de aanleg van water met een omvang van tussen 10-20% van het te verharden oppervlak. Deze compensatie moet voorkomen dat ernstige peilstijging optreedt door versneld afstromend regenwater met wateroverlast tot gevolg. Een afname aan oppervlaktewater door demping moet met 100% worden gecompenseerd.
Bij compensatie in de vorm van nieuw oppervlaktewater moet deze worden gerealiseerd binnen het hetzelfde peilvak en dient deze blijvend in open verbinding te staan met de rest van het watersysteem.
Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2013-2017
De gemeentelijke watertaken zijn als volgt te onderscheiden:
In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) staan de hoofdlijnen van de aanpak om de doelen te halen.
Het plan omvat specifiek de bouw van een nieuwe ligboxenstal met een oppervlakte van circa 800 m². Daarnaast is op de inrichtingsschets in bijlage 1 een toekomstige uitbreiding met circa 1400 m² bebouwing aangeduid. Er vanuit gaande dat er ongeveer evenveel terreinverharding wordt aangelegd bedraagt de totale hoeveelheid bebouwing en terreinverharding maximaal circa 4400 m².
Omdat de toename van de verharding minder dan 5000 m² bedraagt, stelt het waterschap geen compensatie-eisen.
Het hemelwater afkomstig van de daken en verharde oppervlakken wordt rechtstreeks op de omliggende sloten geloosd.
Uitgangspunt is dat het vuile afvalwater en het schone hemelwater worden gescheiden.
Het vuile afvalwater zal op de bestaande riolering in de Winkeldijk geloosd worden.
Er zijn geen bijzondere maatregelen genomen om vervuiling van het oppervlaktewater te voorkomen. Overeenkomstig de eis van het waterschap worden in principe geen uitlogende materialen toegepast.
Onderstaande afbeelding geeft het plangebied in zijn omgeving weer.
PLANGEBIED EN OMGEVING
Het plangebied ligt op de overgang tussen het dorpsgebied en het agrarisch buitengebied aan de noordzijde van Baambrugge. Het agrarisch gebied bestaat uit een open landschap met planmatige verkaveling, verdeeld door watergangen. Kenmerkend voor dit deel van Nederland.
Op de hoger gelegen gronden langs het riviertje de Angstel is het dorp Baambrugge ontstaan. Oorspronkelijk als nederzetting en later in trek bij welgestelde stedelingen die aan het water buitenplaatsen lieten bouwen. In de tweede helft van de vorige eeuw kwamen aan weerszijden van de Angstel dorpsuitbreidingen tot stand. Het merendeel van de buitenplaatsen is verdwenen. Aan beide zijden van de Angstel is het oorspronkelijke bebouwingslint nog herkenbaar. Het plangebied vormt de beëindiging van het lint langs de Kleiweg.
Binnen het plangebied staan twee voormalige agrarische bedrijfsgebouwen (oppervlakten circa 400 m² en 540 m²). De agrarische bedrijfsfunctie is al ruime tijd beëindigd. De gebouwen worden thans gebruikt voor statische opslag.
De gebouwen staan op enige afstand van de Kleiweg en zijn via een afzonderlijk pad daarop ontsloten. Met name langs de noordzijde is sprake van een landschappelijke inkadering in de vorm van een groensingel. Ook op de oost- en zuidgrens, op het perceel van Kleiweg 27, zijn groensingels met bomen. Overigens is binnen het plangebied geen opgaande beplanting aanwezig.
Ten noorden en zuiden van het plangebied vormen twee sloten de begrenzing van het perceel. Deze zijn vanuit het plangebied zelf niet beleefbaar door afschermende beplanting. Ook het open veenlandschap is nauwelijks beleefbaar vanaf het erf.
Direct ten oosten van het plangebied ligt het woonperceel Kleiweg 27. Het fraaie boerderijgebouw op dit perceel is aangewezen als rijksmonument. Bij deze woonboerderij behoren een bijgebouw en de veldschuur ten westen van het plangebied. Ten noorden van de woning ligt een kleine boomgaard en een paardenbak.
In dit hoofdstuk wordt het plan voor de locatie Kleiweg 27a beschreven. Bijlage 2 van de regels bevat een landschapsplan met een globale inrichtingsschets.
De meest noordelijke van de twee voormalige agrarische bedrijfsgebouwen (oppervlakte 400 m²) wordt gesloopt. Ter plaatse worden een vrijstaande woning met bijgebouw gerealiseerd. In bijlage 2 van de regels is de situering ervan indicatief aangegeven. Er is thans nog geen ontwerp beschikbaar. Conform de algemeen geldende bouwregels voor woningen in het buitengebied van Abcoude mag de inhoud van de woning maximaal 600 m³ bedragen, waarbij de goothoogte maximaal 3 meter mag zijn en de bouwhoogte maximaal 10 meter. De oppervlakte van het bijgebouw mag niet meer dan 50 m² bedragen.
De nieuwe woning moet samen met de bestaande bebouwing op het perceel Kleiweg 27 en de hooimijt een 'boerenerfensemble' gaan vormen. Daarbij is de boerderij Kleiweg 27 als het ware het hoofdgebouw en hebben de overige gebouwen de uitstraling van boerenschuren.
Het te behouden agrarische bedrijfsgebouw (met goothoogte 2 meter, bouwhoogte 5 meter en oppervlakte 540 m²) zal worden gebruikt voor de statische opslag van goederen. Er mag geen buitenopslag plaatsvinden. Tevens mogen er geen bedrijfsactiviteiten worden uitgevoerd.
Momenteel is het plangebied aan de noordzijde afgeschermd van het open landschap door een gesloten groensingel. Door deze deels te verwijderen en te vervangen door een bomenrij ontstaat meer relatie tussen het erf en het omringende agrarische landschap. Vanuit de toegangsweg, maar ook vanuit de boomgaard en paardenbak is dan onder de bomen door zicht op het open achterland. De bomenrij wordt doorgetrokken tot aan de woning. Zodoende valt er wat meer licht op de noordzijde van de woning en is ook hier een relatie met het open landschap en de sloot.
Achter op het erf zal een kleine bomenrij een extra (transparant) beplantingsscherm vormen tussen het erf en de achterliggende veldschuur van de buren. Het boerenerf is grotendeels omkaderd met afwisselend gesloten en transparante opgaande beplanting.
Vanuit de nieuwe woning is tevens zicht op de paardenbak en boomgaard bij het perceel Kleiweg 27. Bij de woning wordt een eenvoudige siertuin gerealiseerd met gras, heesters en vaste planten. Een solitaire boom midden op het terrein kan een interessante blikvanger worden voor het boerenerf. De bebouwing en beplanting van beide boerenerven (Kleiweg 27 en 27a) geven een samenhangend beeld.
Verkeersaantrekkende werking
In onderstaande tabel is de verkeersaantrekkende werking in de bestaande en nieuwe situatie weergegeven. Het betreft het aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal. De kencijfers zijn gebaseerd op de CROW Kennisbank.
| functie | kencijfer | bestaand | nieuw | ||
| opp./aantal | aantal mvt. | opp./aantal | aantal mvt | ||
| statische opslag | 3,9 1) | 940 m² | 37 | 500 m² | 20 |
| woning | 8,2 2) | 0 won. | 0 | 1 won. | 8 |
| totaal | 37 | 28 | |||
| 1) | Betreft het aantal motorvoertuigbewegingen per 100 m² bvo. Uitgegaan is van het laagstgenoemde aantal bij de functie 'bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)', niet stedelijk, rest bebouwde kom. Waarschijnlijk is het werkelijke aantal lager. |
| 2) | Uitgegaan is van het gemiddelde aantal verkeersbewegingen voor een vrijstaande koopwoning, niet stedelijk, rest bebouwde kom. |
Als gevolg van het plan neemt het aantal verkeersbewegingen af van 37 naar 28 motorvoertuigbewegingen per etmaal.
Ontsluiting
Zowel de woning als het gebouw voor statische opslag worden via het bestaande pad ontsloten op de Kleiweg. Er hoeft geen extra inrit te worden aangelegd.
Parkeren
Met behulp van de CROW Kennisbank is onderstaande parkeerbalans opgesteld.
| functie | kencijfer | opp./aantal | benodigde p.p. |
| statische opslag | 0,8 p.p./100 m² 1) | 500 m² | 4,0 |
| woning | 2,3 p.p./woning 2) | 1 woning | 2,3 |
| totaal | 6,3 |
| 1) | Uitgegaan is van het laagstgenoemde aantal bij de functie 'bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)', niet stedelijk, rest bebouwde kom. |
| 2) | Uitgegaan is van het gemiddelde aantal voor een vrijstaande koopwoning, niet stedelijk, rest bebouwde kom. |
Het plangebied biedt voldoende ruimte om in de benodigde parkeerplaatsen te voorzien.
In dit hoofdstuk wordt het plandeel Kleiweg 27a getoetst aan het relevante vigerende beleid . Achtereenvolgens komt aan de orde het beleid op:
In 2012 heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ondertekend. De SVIR geeft een integraal kader voor het ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid op rijksniveau, en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR worden de ambities van het Rijk tot 2040 geschetst, alsmede doelen, belangen en opgaven tot 2028. In de SVIR kiest het Rijk voor minder nationale belangen en eenvoudiger regelgeving.
De reeds ingezette trend om aan de provincies en gemeenten ruimte te laten inzake de ruimtelijke ontwikkelingen wordt versterkt in de SVIR.
De SVIR bevat 13 nationale belangen die worden beschermd middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Het gaat onder meer om militaire objecten en terreinen, de grote rivieren en de ecologische hoofdstructuur.
Voor onderhavig plandeel zijn geen van de nationale belangen aan de orde.
De in de SVIR opgenomen nationale belangen krijgen een wettelijke grondslag in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).
De werking van het Barro is naar plaats beperkt. Onderhavig plangebied ligt niet in een gebied waarbinnen het Barro van toepassing is.
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is van toepassing op het plan. Specifiek aandachtspunt is het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 2, waarin de verplichting is opgenomen om in de toelichting op een ruimtelijk besluit voor nieuw te realiseren stedelijke ontwikkelingen bepaalde duurzaamheidsaspecten van het voornemen te motiveren; de ladder voor duurzame verstedelijking. Daarbij moet achtereenvolgens worden aangetoond dat er een actuele regionale behoefte is (trede 1), of deze behoefte in bestaand stedelijk gebied kan worden opgevangen (trede 2), en - in geval van een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied - dat de locatie multimodaal is of kan worden ontsloten (trede 3).
Projecten die minder dan negen woningen bevatten worden op basis van jurisprudentie (ABRvS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4720) niet als stedelijke ontwikkelingen gezien. Een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet nodig.
Conclusie
Het initiatief voldoet aan het Besluit ruimtelijke ordening en aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Het provinciale ruimtelijk beleid is vastgelegd in de nota's:
Het plan wordt aan deze twee nota's getoetst.
Op 4 februari 2013 heeft Provinciale Staten de "Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2103-2028" (kortweg: PRS) vastgesteld. De PRS bevat een ruimtelijke beleidskader dat moet bijdragen aan een kwalitatief hoogwaardige fysieke leefomgeving, waarin het ook in de toekomst plezierig wonen, werken en recreëren is.
De PRS bevat de volgende provinciale belangen vastgelegd:
Voorliggend bestemmingsplan omvat de bouw van een nieuwe woning in combinatie met de sloop van een voormalig agrarisch bedrijfsgebouw met een oppervlakte van 400 m² en de aanleg van nieuwe landschapselementen. Hiermee is sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Deze ontwikkeling past binnen het provinciale belang ten aanzien van het versterken van de kernkwaliteiten van het landschap. Het plan sluit derhalve aan bij de provinciale belangen.
Conclusie
Het plan past binnen c.q. is niet in strijd met de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie.
Eveneens op 4 februari 2013 heeft Provinciale Staten de "Provinciale Ruimtelijke Verordening, Provincie Utrecht 2013" (kortweg: PRV) vastgesteld. De PRV stelt regels aan de inhoud van ruimtelijke plannen voor die aspecten waar provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.
De PRV bevat regels ten aanzien van een breed scala aan agrarische en niet-agrarische ontwikkelingen. In deze toelichting zijn alleen de voor het plan relevante regels verwoord.
Artikel 4.7 - Algehele agrarische bedrijfsbeëindiging of bedrijfsverplaatsing
Artikel 4.7 lid 4 van de PRV biedt de mogelijkheid tot het bouwen van één of meerdere woningen bij beëindiging van een agrarisch bedrijf. Daarbij gelden een aantal voorwaarden:
| ad a. | Het plangebied ligt in directe omgeving van de kern Baambrugge en grenst direct aan een woonperceel. De hervestiging van een veehouderij is vanuit het geuraspect niet wenselijk. |
| ad b. | Het plan omvat de sloop van 400 m² voormalige agrarische bedrijfsgebouwen en het aanbrengen van nieuwe landschapselementen ter verhoging van de ruimtelijke kwaliteit. |
| ad c. | Hieraan wordt voldaan, zie hoofdstuk 7. |
| ad d. | In de omgeving van het plangebied liggen geen agrarische bedrijven waarvoor het plan een belemmering zou kunnen zijn. |
Artikel 3.7 - Mobiliteitstoets
In artikel 3.7 van de PRV is opgenomen dat de toelichting op een ruimtelijk plan een beschrijving bevat van het aantal verplaatsingen die deze ruimtelijke ontwikkelingen tot gevolg hebben en of er door het aantal verplaatsingen knelpunten op het ontsluitende en omliggende verkeersnetwerk voor de diverse modaliteiten kunnen ontstaan. Een beschrijving hiervan is in paragraaf 7.3 opgenomen.
Artikel 4.9 - Landschap
Het plangebied ligt in het landschappelijk waardevolle gebied het 'Groene Hart'. Voor dit gebied wil de provincie de volgende kernkwaliteiten behouden en versterken: openheid, (veen)weidekarakter (incl. strokenverkaveling, lintbebouwing, etc.), landschappelijke diversiteit, rust & stilte.
Het plan leidt tot een ruimtelijke kwaliteitsverbetering en draagt derhalve bij aan de genoemde kernkwaliteiten.
Conclusie
Het plan voldoet aan de regels van de Provinciale Ruimtelijke Verordening.
Door de gemeenteraad van De Ronde Venen is op 17 oktober 2013 de "Structuurvisie De Ronde Venen 2030" vastgesteld.
Ten aanzien van beëindiging van agrarische bedrijven is in de Structuurvisie opgenomen dat de agrarische functie van de bouwkavel worden omgezet in wonen. Eén of enkele extra woningen zijn mogelijk, wanneer daar de sloop van bedrijfsbebouwing tegenover staat. Provinciaal beleid is hierbij leidend.
Het plan voorziet in de bouw van een woning op een voormalige agrarische bedrijfslocatie, in combinatie met de sloop van gebouwen en een kwaliteitsverbtering van het landschap.
Conclusie
Het plan past binnen c.q. is niet in strijd met de Structuurvisie De Ronde Venen 2030.
In dit hoofdstuk worden de uitvoeringsaspecten beschreven. Achtereenvolgens komen aan de orde:
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een toetsing plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkelingen aan de relevante milieuaspecten, teneinde het toekomstige gebruik af te stemmen op de omgeving. In deze paragraaf worden de milieuaspecten afzonderlijk beschreven.
Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie.
Op de plaats waar de nieuwe woning gebouwd wordt staat nog bebouwing. Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek is thans nog niet goed mogelijk. In het kader van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen van de woning zal een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd.
Uit het Bodemloket van de provincie Utrecht volgt dat ter plaatse van het perceel Kleiweg 27a geen bodemverontreiniging bekend is. Hiermee is de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan voor dit aspect in voldoende mate aangetoond.
Het aspect bodemkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:
Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.
Invloed plan op de omgeving
Het plan betreft woningbouw. Er is derhalve geen sprake van milieutechnische uitstraling op de omgeving.
Invloed omliggende inrichtingen op plan
In de omgeving van het plangebied liggen geen bedrijven waarvan de richtafstand tot binnen het plangebied reikt.
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies is het aspect externe veiligheid van belang. Dit heeft betrekking op inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, met fatale gevolgen voor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit.
Het plan omvat nieuwe kwetsbare objecten. De Risicokaart Nederland geeft een overzicht van de ligging van risicovolle activiteiten (inrichtingen, buisleidingen en transportroutes). Daarop is te vernemen dat in de omgeving van het plan geen inrichtingen of buisleidingen met gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. In deze paragraaf wordt het plan derhalve uitsluitend in relatie tot transportroutes voor gevaarlijke stoffen bezien.
Voor de beoordeling van de veiligheidsrisico's vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor en water zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), de Regeling Basisnet en de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) het relevante toetsingskader.
Het plangebied ligt uitsluitend binnen het invloedsgebied van de spoorlijn, zoals blijkt uit onderstaande tabel. Het plangebied ligt echter buiten de meest relevante zone voor het groepsrisico (200 meter zones).
AFSTANDEN PLAATSGEBONDEN RISICO EN GROEPSRISICO PER TRANSPORTROUTE
| transportroute | afstanden obv Bevt | werkelijke | |
| PR 10-6/jr | GR invloed | afstand | |
| - autosnelweg A2 | 30 m | 880 m | 1000 m |
| - spoorlijn A'dam-Utrecht | 30 m | 4000 m | 1020 m |
Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in het kader van de spoorlijn worden ingegaan op de mogelijkheden voor:
Overeenkomstig het gestelde in artikel 9 van het Bevt wordt de Veiligheidsregio in de
gelegenheid gesteld om hierover een advies uit te brengen. Hieronder is ingegaan op de
genoemde aspecten.
Het plan omvat geen "bijzonder kwetsbare objecten", bestemd voor verminderd zelfredzame personen, binnen het invloedsgebied van de spoorlijn. Het plangebied ligt voorts geheel buiten het invloedsgebied (1%-letaliteitsgebied) vanwege een calamiteit met brandbare gassen, gemeten 460 meter vanaf de spoorlijn. Er is daarmee sprake van een 'standaard situatie', waarvoor een eenvoudige verantwoording volstaat:
Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan.
De nieuwe woning betreft een geurgevoelig object. In de directe omgeving liggen echter geen agrarische bedrijven waarvoor de nieuwe woning een belemmering voor de bedrijfsvoering kan vormen of die een negatieve invloed hebben op het woon- en leefklimaat in en om de woning.
Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd.
Het plan omvat nieuwe geluidgevoelige objecten.
Verkeerslawaai
Het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van de Kleiweg/De Horn. Het betreft een weg met een lage intensiteit. De nieuwe woning ligt voorts op circa 60 meter van de weg. Zonder specifieke berekening kan worden geconcludeerd dat de gevelbelasting als gevolg van het wegverkeer minder bedraagt dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB). Er is geen nader onderzoek nodig.
Industrielawaai
Het plangebied ligt niet binnen een geluidszone van een gezoneerd bedrijventerrein. Er is geen akoestisch onderzoek nodig.
Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Effecten plan op luchtkwaliteit
In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen.
Onderhavig plan omvat één woning en betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig.
Goed woon- en leefklimaat
In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn daarom alleen de volgende criteria van toepassing:
Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke vaarwegen. Ook de afstand tot de autosnelweg A2 is zodanig groot dat deze geen invloed heeft op de luchtkwaliteit in het plangebied. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de gevallen opgenomen waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Alle andere vormen van ontwikkeling zijn in principe niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig, maar er kan hiervoor wel een nadere motivering vereist zijn.
Het plan valt onder de activiteit D11.2 - de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen - zoals genoemd in de bijlage Besluit milieueffectrapportage. Omdat de omvang van het plan ruimschoots onder de drempelwaarde van 2000 woningen voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten ligt en gelet op de resultaten van de hiervoor reeds uitgevoerde milieuanalyse, kan zonder nader onderzoek worden geconcludeerd dat het plan geen significant nadelige milieugevolgen heeft. Een nadere motivering is niet noodzakelijk.
Het plan is niet m.e.r.(-beoordelings)plichtig. Het plan heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen.
Conform het bepaalde in artikel 38a van de Monumentenwet 1988 moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.
Het plangebied ligt deels in een zone met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Ter bescherming van de archeologische waarden is in het vigerende bestemmingsplan een dubbelbestemming opgenomen, die een archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen met een diepte van 30 cm onder maaiveld over een oppervlakte van meer dan 100 m².
De nieuwe woning en het bijgebouw worden gerealiseerd op een locatie buiten de dubbelbestemming en bovendien op een locatie waar thans reeds bebouwing staat, waardoor de bodem is geroerd. Ten behoeve van de bouw van de woning is geen archeologisch onderzoek nodig. Volledigheidshalve is de dubbelbestemming overgenomen in de planregels en op de verbeelding.
Het aspect archeologie vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.
Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Het plan tast geen waardevolle elementen aan.
Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Ten behoeve van de bescherming van zeldzame of kwetsbare planten en dieren zijn twee wetten van toepassing:
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en de ecologische hoofdstructuur. Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om de stikstofdepositie. Hiervoor geldt de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS).
In de PAS is rekening gehouden met een autonome economische groei van 2,5% per jaar. De bouw van woningen behoort tot de autonome groei. Een nadere beoordeling aan de PAS is niet nodig. Het plan heeft geen negatief effect op natuurgebieden.
Soortenbescherming
Het plangebied is onderdeel van het agrarisch gebied rondom Baambrugge. Mogelijk wordt het plangebied gebruikt door algemene soorten die gebruik maken van weidegebied. Het plan omvat de sloop van een voormalig agrarisch bedrijfsgebouw en de bouw van een nieuwe woning met bijgebouw op dezelfde locatie. Voor algemene soorten zal hierbij geen leefgebied verloren gaan.
Het te slopen bedrijfsgebouw biedt thans mogelijk verblijfsruimte voor beschermde soorten, zoals vleermuizen. Voorafgaand aan de sloop van het gebouw moet worden aangetoond dat er geen beschermde soorten aanwezig zijn c.q. worden verstoord.
Het aspect flora en fauna vormt geen planologische belemmering voor het plan.
De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets.
De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).
In deze paragraaf is het relevante vigerende beleid opgenomen.
Het Nationaal Waterplan
Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009-2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.
Waterplan 2010-2015
Het Waterplan 2010-2015 van de provincie Utrecht omvat het beleid voor waterveiligheid, waterbeheer en gebruik en beleving van water in de provincie voor de periode 2010-2015.
Het plangebied heeft op basis van het Waterplan de functie 'landbouw'. De inrichting en het beheer zijn gericht op de landbouw, met de bijbehorende doelstellingen:
Onderhavig plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht.
Waterbeheerplan Waterschap Amstel, Gooi en Vecht
Hoewel thans het Waterbeheerplan 2010-2015 'Werken aan water in en met de omgeving'. In dit beheerplan worden de hoofdtaken van het Waterschap behandeld, namelijk veiligheid, voldoende water en schoon water.
Het plangebied ligt binnen de functie 'Landbouw'. Het peilbeheer in landbouwgebied is in beginsel afgestemd op landbouwkundig gebruik. Het waterschap streeft naar een hogere ecologische kwaliteit in boezem en hoofdwatergangen door natuurvriendelijk onderhoud en inrichtingsmaatregelen. Voor verbetering van de ecologische toestand in sloten is AGV vooral afhankelijk van vrijwillige inrichtings- en beheerovereenkomsten met agrariërs.
Thans is het waterbeheerplan voor de periode 2016-2021 in voorbereiding.
Keur Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2011
Naast het waterbeheerplan beschikt het waterschap over een keur. De Keur geeft met verboden aan welke activiteiten in de buurt van water en waterkeringen (dijken) wel of niet zijn toegestaan. Daarnaast geeft de Keur met geboden aan welke onderhoudsverplichtingen eigenaren en gebruikers van wateren en waterkeringen hebben. Het doel van de Keur is om de waterkwaliteit te verbeteren, de doorstroming in sloten veilig te stellen en de dijken sterk te houden.
Met betrekking tot het aanleggen van verhard oppervlak hanteert het waterschap het beleid dat bij het aanbrengen van meer dan 1.000 m² verharding in stedelijk gebied of glastuinbouwgebied of meer dan 5.000 m² in overig gebied er een compensatie moet plaatsvinden door de aanleg van water met een omvang van tussen 10-20% van het te verharden oppervlak. Deze compensatie moet voorkomen dat ernstige peilstijging optreedt door versneld afstromend regenwater met wateroverlast tot gevolg. Een afname aan oppervlaktewater door demping moet met 100% worden gecompenseerd.
Bij compensatie in de vorm van nieuw oppervlaktewater moet deze worden gerealiseerd binnen het hetzelfde peilvak en dient deze blijvend in open verbinding te staan met de rest van het watersysteem.
Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2013-2017
De gemeentelijke watertaken zijn als volgt te onderscheiden:
In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) staan de hoofdlijnen van de aanpak om de doelen te halen.
Het plan omvat specifiek de sloop van een voormalig agrarisch bedrijfsgebouw (oppervlakte 400 m²) en de bouw van een nieuwe woning met bijgebouw (gezamenlijke oppervlakte circa 150 m²). Er is daarmee sprake van een afname van de bebouwing met 250 m².
Omdat de toename van de verharding minder dan 5000 m² bedraagt, stelt het waterschap geen compensatie-eisen.
Het hemelwater afkomstig van de daken en verharde oppervlakken wordt rechtstreeks op de omliggende sloten geloosd.
Uitgangspunt is dat het vuile afvalwater en het schone hemelwater worden gescheiden.
Het vuile afvalwater zal op de bestaande riolering in de Kleiweg geloosd worden.
Er zijn geen bijzondere maatregelen genomen om vervuiling van het oppervlaktewater te voorkomen. Overeenkomstig de eis van het waterschap worden in principe geen uitlogende materialen toegepast.
De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling betreft een aantal aspecten. Ten eerste moet het realiteitsgehalte van de plannen worden aangetoond; is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling. Ten tweede moet de financiële uitvoerbaarheid worden onderbouwd. Dat wil zeggen, zijn alle kosten die de gemeente moet maken ten behoeve van het initiatief gedekt.
Voorliggend bestemmingsplan omvat de vormverandering van een agrarisch bouwvlak en de bouw van een vrijstaande woning. De vormverandering van het agrarisch bouwvlak is nodig voor het wegnemen van de geurbelasting op de nabijgelegen uitbreidingsbuurt Land van Winkel. De nieuwe woning zal gebruikt gaan worden door de initiatiefnemer zelf.
Kostenverhaal
Artikel 6.12 lid 1 Wro verplicht de gemeente een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop bepaalde bouwactiviteiten zijn voorgenomen, tenzij het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' is (artikel 6.12 lid 2a Wro).
In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwactiviteiten genoemd waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is. De in voorliggend bestemmingsplan opgenomen ontwikkelingen behoren tot deze in het Bro genoemde bouwactiviteiten. Op basis van artikel 6.12 lid 2a Wro is het vaststellen van een exploitatieplan echter niet verplicht, omdat de gemeente en grondeigenaren een (anterieure) overeenkomst hebben gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over het kostenverhaal. Het kostenverhaal is derhalve 'anderszins verzekerd'. Het opstellen van een exploitatieplan is niet vereist.
Gemeentelijke grondexploitatie
De gemeente heeft geen gronden binnen het plangebied in eigendom. Alle kosten en risico's van de planontwikkeling, -voorbereiding en -uitvoering zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke grondexploitatie wordt dus niet belast door voorliggend ruimtelijk plan. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is hiermee aangetoond.
Het plan is economisch uitvoerbaar. De behoefte is aangetoond en de financiële uitvoerbaarheid van het plan is gewaarborgd.
In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het plan juridisch is vertaald. Deze juridische vertaling is bindend.
Het bestemmingsplan bestaat uit:
De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels, en in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake nadere eisen en afwijkingen.
De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken.
De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.
Het bestemmingsplan voldoet aan de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.
De indeling van de planregels is als volgt.
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Hoofdstuk 3 Algemene regels
Hoofdstuk 4 Overgangsregels
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Begrippen (artikel 1)
In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.
Wijze van meten (artikel 2)
In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Agrarisch (artikel 3)
Aan de locatie Winkeldijk 5 is onveranderd de bestemming 'Agrarisch' toegekend. De relevante regels van het vigerend bestemmingsplan zijn overgenomen. Toegevoegd is een zone waarbinnen geen huisvesting van dieren mag plaatsvinden.
Wonen (artikel 4)
De locatie Kleiweg 27a krijgt de bestemming 'Wonen' om de bouw van een nieuwe woning mogelijk te maken. Ook hier zijn de relevante regels van het vigerende bestemmingsplan overgenomen. Op de verbeelding is een ruim bouwvlak opgenomen, waarbinnen de nieuwe woning mag worden gesitueerd.
Waarde - Archeologie (artikel 5)
De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' uit het vigerend bestemmingsplan is overgenomen in voorliggend bestemmingsplan.
Hoofdstuk 3 Algemene regels
Anti-dubbeltelregel (artikel 6)
In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.
Algemene bouwregels (artikel 7)
Dit artikel bevat de verplichting tot het voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waarbij een verwijzing is opgenomen naar het relevante beleidsdocument.
Algemene gebruiksregels (artikel 8)
In dit artikel is nader omschreven welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig met het bestemmingsplan worden aangemerkt, waaronder het gebruik van bouwwerken en terreinen zonder voldoende parkeergelegenheid.
Algemene afwijkingsregels (artikel 9)
In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Deze afwijkingen betreffen onder meer het overschrijden van de maximaal toegestane maten, afmetingen en percentages.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht (artikel 10)
Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud
en de herbouw een overgangsregel opgenomen.
Het gebruik van de bebouwing daarentegen wordt indien mogelijk positief bestemd of indien noodzakelijk door handhaving aan de gebruiksregels van de betreffende bestemming aangepast.
Slotregel (artikel 11)
Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
Het bestemmingsplan doorloopt de gebruikelijke procedure op grond van artikel 3.9a Wro. De voorziene procedurestappen zijn:
In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de betrokken instanties. Er is één zienswijze ingekomen.