direct naar inhoud van Regels
Plan: Winkeldijk 5, Abcoude en Kleiweg 27a, Baambrugge
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0736.BPP019winkd5klei27-va01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 plan

het bestemmingsplan Winkeldijk 5, Abcoude en Kleiweg 27a, Baambrugge met identificatienummer NL.IMRO.0736.BPP019winkd5klei27-va01 van de gemeente De Ronde Venen

1.2 bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen

1.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden

1.4 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft

1.5 aan- en uitbouw

een gebouw, in één bouwlaag en aangebouwd aan de (bedrijfs)woning, welk onderscheiden kan worden van de (bedrijfs)woning en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan de (bedrijfs)woning; functionele ondergeschiktheid is niet vereist

1.6 agrarisch bedrijf

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren

1.7 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde

1.8 bedrijfsgebouw

een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf

1.9 bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is

1.10 bestaand
  • 1. ten aanzien van bebouwing:
    bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning
  • 2. ten aanzien van gebruik:
    het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan
1.11 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak

1.12 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming

1.13 bijgebouw

een niet voor bewoning bestemd vrijstaand gebouw, dat ten dienste staat en in bouwmassa ondergeschikt is aan de (bedrijfs)woning, waaronder in ieder geval begrepen een huishoudelijke ruimte, garage of hobbyruimte

1.14 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats

1.15 bouwgrens

de grens van een bouwvlak

1.16 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolgde de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten

1.17 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten

1.18 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond

1.19 extensief recreatief medegebruik

vorm van recreatief gebruik, waarbij de recreatie geen specifiek beslag legt op de ruimte, zoals fiets-, voet-, en ruiterpaden, picknickplaatsen, parkeerplaatsen, speelweiden, watersport en naar aard, omvang en schaal daarmee gelijk te stellen voorzieningen

1.20 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt

1.21 grondgebonden agrarisch bedrijf

een agrarisch bedrijf dat overwegend afhankelijk is van de bij het bedrijf behorende gronden als agrarisch productiemiddel

1.22 intensieve veehouderij

een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf voor het houden van vee en pluimvee –zelfstandig of als neventak- waarbij dit houden van veen en pluimvee geheel of nagenoeg geheel plaatsvindt in gebouwen

1.23 karakteristiek

de panden genoemd in categorie 1 en 2 van het Monumenten Inventarisatie Project

1.24 manegebedrijf

paardenhouderij die is gericht op het bieden van paardrijmogelijkheden en instructie aan derden, al dan niet met een horecavoorziening die is gericht op het verstrekken van dranken en etenswaren aan bezoekers van het manegebedrijf

1.25 mantelzorg

tijdelijke zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt

1.26 ondersteunende teelt

het gebruik van gronden ten behoeve van de productie van ruwvoedergewassen

1.27 paardenbak

een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk grond kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen van paarden dan wel het uitoefenen van de paardensport

1.28 productiegerichte paardenhouderij

grondgebonden paardenhouderij die is gericht op het fokken van paarden, het bieden van leefruimte aan opgroeiende paarden met daarbij behorende trainingsfaciliteiten of het voortbrengen van producten door middel van het houden van paarden, zoals een paardenmelkerij of een daarmee gelijk te stellen bedrijfsvorm

1.29 peil
  • a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst:
    de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst:
    de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij de voltooiing van de bouw
1.30 seksinrichting

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, een (raam)prostitutiebedrijf en een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar

1.31 volwaardig grondgebonden agrarisch bedrijf

een grondgebonden agrarisch bedrijf waaruit een zelfstandig en reëel inkomen voortkomt voor minimaal één huishouden

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.2 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.4 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.5 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1 meter.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving
3.1.1 Algemeen

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de uitoefening van een volledig en volwaardig grondgebonden agrarisch bedrijf;
  • b. openheid;
  • c. water en watergangen;
  • d. behoud en/of herstel van oever- en slootvegetaties;
  • e. groenvoorzieningen;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' voor de bescherming, instandhouding en herstel van de waardevolle bebouwingskenmerken en -elementen;

met de daarbij behorende:

  • g. bouwwerken;
  • h. erfbeplanting;
  • i. nutsvoorzieningen;
  • j. wegen en paden;
  • k. erven en terreinen.
3.1.2 Bedrijfswoningen

Per bouwvlak mag maximaal één bedrijfswoning gebouwd worden.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak (agrarisch bouwperceel) worden gebouwd;
  • b. de afstand tussen gebouwen binnen het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 15 m;
  • c. de maatvoering van een gebouw dient te voldoen aan de eisen die in de navolgende tabel zijn gesteld:
functie van een gebouw   goothoogte   bouwhoogte   inhoud   oppervlakte   dakhelling  
agrarisch bedrijfsgebouw   5 meter   10 meter        
bedrijfswoning, inclusief aan- en uitbouwen   3 meter   10 meter   600 m³     minimaal 30° en maximaal 60°  
bijgebouwen bij bedrijfswoning   3 meter   4,5 meter     50 m²    
3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. silo's zijn uitsluitend binnen het bouwvlak (agrarisch bouwperceel) toegestaan, waarbij de maximale bouwhoogte voor mestsilo's 6 meter en voor voedersilo's 12 meter bedraagt;
  • b. kuilvoerplaten en mestzakken zijn uitsluitend binnen het bouwvlak (agrarisch bouwperceel) toegestaan waarbij de maximale bouwhoogte 1,5 meter bedraagt;
  • c. lichtmasten zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan en tot een bouwhoogte van niet meer dan 3 meter;
  • d. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 meter;
  • e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag binnen het bouwvlak (agrarisch bouwperceel) niet meer bedragen dan 10 meter;
  • f. de bouwhoogte en de oppervlakte van overige bouwwerken, geen gebouwen, mogen buiten het bouwvlak niet meer bedragen dan respectievelijk 3 meter en 6 m².
3.2.3 Afwijkende maatvoering

Indien de bestaande bebouwing afwijkt van het bepaalde in 3.2.1 en 3.2.2 dan geldt de bestaande bebouwing op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan, mits deze op een legale wijze tot stand is gebracht.

3.3 Afwijken van de bouwregels

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van:

  • a. het bepaalde in 3.2.1 onder b. ten behoeve van het vergroten van de afstand tussen de gebouwen binnen het bouwvlak tot 25 meter, mits de bedrijfsvoering dit noodzakelijk maakt.
  • b. het bepaalde in 3.2.1 onder c. ten behoeve van het vergroten van de bouwhoogte van een agrarisch bedrijfsgebouw tot 14 meter, mits dit in verband met de bedrijfsvoering noodzakelijk is.
  • c. het bepaalde in 3.2.1 onder c. ten behoeve van het vergroten van de goothoogte van een agrarisch bedrijfsgebouw tot 6 meter, mits dit in verband met de bedrijfsvoering noodzakelijk is.
  • d. het bepaalde in 3.2.2 onder b. voor het plaatsen van kuilvoerplaten en mestzakken direct aansluitend aan het bouwvlak, mits passend in het landschap en de verkavelingsstructuur en mits de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 1,5 meter.
  • e. het bepaalde in 3.2.2 onder d. voor het vergroten van de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen tot 2 meter, mits de openheid van het landschap niet wordt aangetast.
  • f. het bepaalde in 3.2 voor vervangende nieuwbouw voor groene dienstverlening, indien de bestaande bebouwing ongeschikt is, mits daarmee een ruimtelijke kwalitatieve verbetering wordt bereikt.
3.4 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik met deze bestemming en aanduidingen wordt ieder geval begrepen:

  • a. het gebruik van de gronden ten behoeve van een manegebedrijf;
  • b. het gebruik van de gronden gelegen buiten het bouwvlak voor het plaatsen en geplaatst houden van tunnelkassen;
  • c. het gebruik van de gronden gelegen buiten het bouwvlak ten behoeve van opslag;
  • d. het gebruik van gronden ten behoeve van ondersteunende teelt;
  • e. het gebruik van gronden ten behoeve van intensieve veehouderij;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - dierenverblijf': het gebruik van gebouwen voor de huisvesting van dieren als opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij;
  • g. het gebruik van gronden voor een mestbassin met een oppervlakte van meer dan 350 m², en het gebruik van gronden buiten het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - dierenverblijf' voor een mestbassin.
3.5 Afwijken van de gebruiksregels
3.5.1 Nevenactiviteiten bij agrarisch bedrijven

Voor de duur dat de agrarische activiteit wordt uitgeoefend kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in 3.1 voor wat betreft het uitoefenen van nevenactiviteiten, die zijn opgenomen in bijlage 1, Lijst van nevenactiviteiten, alsmede naar aard en omvang daarmee vergelijkbare nevenactiviteiten tot maximaal de aldaar aangegeven oppervlakte, mits:

  • a. de nevenactiviteiten inpasbaar zijn binnen de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden;
  • b. de nevenactiviteiten binnen de bestaande bebouwing plaatsvinden, met dien verstande, dat buitenactiviteiten tevens direct aansluitend aan het bouwvlak mogen plaatsvinden;
  • c. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden niet worden beperkt;
  • d. de nevenactiviteit voldoet aan de wet- en regelgeving op milieugebied;
  • e. de verkeersveiligheid niet verslechtert;
  • f. parkeren plaatsvindt op eigen terrein.
3.5.2 Paardenbakken

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 3.1 ten behoeve van het realiseren van een paardenbak, mits deze paardenbak voldoet aan de volgende regels:

  • a. de paardenbak wordt uitsluitend gesitueerd binnen het bouwvlak (agrarisch bouwperceel), dan wel buiten het bouwvlak indien het een paardenbak ten behoeve van de bestemming ‘Wonen’ betreft die wegens gebrek aan ruimte op het erf aldaar niet geheel binnen die bestemming is gelegen;
  • b. de afstand tussen de paardenbak en een woning van derden moet minimaal 50 meter bedragen;
  • c. de oppervlakte van de paardenbak mag niet meer bedragen dan 10% van het gehele bouwvlak, tot een maximum van 800 m², met dien verstande, dat, indien de paardenbak gedeeltelijk op gronden met de bestemming ‘Wonen’ gelegen is, de oppervlakte van de paardenbak binnen de bestemming ‘Agrarisch’ niet meer mag bedragen dan 800 m² verminderd met de oppervlakte van het binnen de bestemming ‘Wonen’ gelegen gedeelte van de paardenbak;
  • d. de bouwhoogte van de omheining mag niet meer bedragen dan 1,5 meter.
3.5.3 Ondersteunende teelt

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 3.4 onder d. ten behoeve van ondersteunende teelt voor ten hoogste 20% van de oppervlakte van de bij het agrarisch bedrijf behorende gronden, mits rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische, natuurlijke en landschapswaarden in het betrokken gebied.

3.5.4 Extensief recreatief medegebruik

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 3.1 ten behoeve van extensief recreatief medegebruik, mits rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische, natuurlijke en landschapswaarden in het betrokken gebied.

3.5.5 Zwembaden

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 3.1 ten behoeve van een zwembad bij de bedrijfswoning, met dien verstande, dat:

  • a. maximaal één zwembad is toegestaan;
  • b. een zwembad uitsluitend binnen het bouwvlak en achter (het verlengde van) de achtergevel van de bedrijfswoning is toegestaan;
  • c. de afstand tot de zijdelingse perceelgrens ten minste 3 meter bedraagt;
  • d. de oppervlakte van een zwembad ten hoogste 15% van het perceel bedraagt met een maximum van 50 m²;
  • e. een zwembad niet meer dan 0,2 meter boven het maaiveld mag uitsteken.
3.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.6.1 Verbod

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen, uitgezonderd binnen de agrarische bouwvlakken;
  • b. het vellen en rooien van houtopstanden, waaronder begrepen randbeplantingen rondom agrarische bouwvlakken;
  • c. het aanleggen van waterlopen en het vergraven, verruimen en dempen van bestaande waterlopen;
  • d. het bebossen of anderszins beplanten met hoogopgaande beplanting, waaronder het kweken en telen van bomen, struiken en heesters;
  • e. het aanleggen van verhardingen ten behoeve van in- en uitritten, met dien verstande, dat bij de aanleg van een tweede inrit op een perceel met het oog op de verkeersveiligheid voldoende afstand tot de eerste inrit dient te worden aangehouden;
  • f. het scheuren en diepploegen van gronden.
3.6.2 Toelaatbaarheid
  • a. Een omgevingsvergunning als bedoeld in 3.6.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering van het werk of werkzaamheid, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden en/of functies die het plan beoogt te beschermen, niet leidt tot inklinking van de bodem of wanneer geen aantasting van de landschappelijke inpassing van agrarische bouwpercelen plaatsvindt, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen. Onder waarden en functies worden in ieder geval verstaan de cultuurhistorische, natuurlijke en landschapswaarden in het betrokken gebied.
  • b. In de afweging als bedoeld in onder a. wordt in ieder geval de bestemmingsomschrijving betrokken.
3.6.3 Uitzonderingen

Geen omgevingsvergunning als bedoeld in 3.6.1 is vereist voor:

  • a. werken of werkzaamheden, behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer;
  • b. het aanleggen van verhardingen ten behoeve van 1 in- en uitrit per bouwvlak;
  • c. het scheuren van grasland, uitsluitend ter grasverbetering;
  • d. werken of werkzaamheden, behorende bij ondersteunende teelt, indien en voor zover daarvoor ontheffing is verleend ingevolge het bepeelde in 3.5.3;
  • e. werken of werkzaamheden, behorende bij de aanleg van zwembaden, indien en voor zover daarvoor ontheffing is verleend ingevolge het bepaalde in 3.5.5;
  • f. werken of werkzaamheden die op het moment van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of aangevraagde vergunning;
  • g. de aanleg van kavelpaden.
3.7 Wijzigingsbevoegdheid
3.7.1 Wijziging in Wonen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de gronden binnen het bouwvlak te wijzigen in de bestemming 'Wonen', mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. het agrarisch bedrijf binnen het bouwvlak wordt geheel beëindigd;
  • b. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden mogen niet worden aangetast;
  • c. de functiewijziging mag niet eerder plaatsvinden dan nadat uit een bodemonderzoek is gebleken dat daartegen geen bezwaar bestaat;
  • d. bij de functiewijziging dienen de wettelijke bepalingen inzake externe veiligheid in acht te worden genomen;
  • e. bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid worden de bij of krachtens de Wet geluidhinder gestelde bepalingen in acht genomen;
  • f. ten minste 50% van de oppervlakte van de overige bedrijfsgebouwen wordt gesloopt, tenzij de gronden zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek';
  • g. in afwijking van het bepaalde in 4.2 onder e. mag bij een boerderij met aangebouwde deel het geheel als woning worden verbouwd en gebruikt;
  • h. eventuele bijbehorende gronden die geen erffunctie hebben, blijven of komen beschikbaar voor de grondgebonden functies landbouw of natuur, overeenkomstig de functie van het betrokken gebied;
  • i. voldaan dient te worden aan de wettelijke bepalingen inzake luchtkwaliteit.
3.7.2 Wijziging vergroting agrarisch bouwvlak

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een bouwvlak (agrarisch bouwperceel) te vergroten tot een oppervlakte van maximaal 1,5 ha, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de bedrijfseconomische noodzaak van de uitbreiding moet zijn aangetoond;
  • b. de uitbreiding dient plaats te vinden ten behoeve van de grondgebonden agrarische bedrijfsvoering;
  • c. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden mogen niet worden aangetast;
  • d. de wijziging mag niet leiden tot een aantasting van het landschappelijk karakter van het gebied;
  • e. een wijziging met de daarbij behorende bebouwing en inrichting dient inpasbaar te zijn in de landschapsstructuur; waar mogelijk zal door het stellen van voorwaarden een versterking van de landschapsstructuur worden nagestreefd; als voorwaarde zal in ieder geval worden geëist dat geen buitenopslag plaatsvindt;
  • f. een wijziging met de daarbij behorende bebouwing en inrichting mag niet leiden tot nadelige gevolgen voor de natuurwaarden;
  • g. de wijziging mag niet in strijd zijn met de wet- en regelgeving op milieugebied;
  • h. bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheden dienen de wettelijke bepalingen inzake natuurregelgeving, waaronder in elk geval begrepen het bepaalde in de Natuurbeschermingswet, in acht te worden genomen;
  • i. bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheden dient een watertoets te worden verricht.
3.7.3 Wijziging ten behoeve van paardenhouderij

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming te wijzigen ten behoeve van de vestiging van een productiegerichte paardenhouderij, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de bedrijfseconomische noodzaak door middel van een bedrijfsplan;
  • b. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden mogen niet worden aangetast;
  • c. de paardenhouderij dient landschappelijk te worden ingepast.
3.7.4 Wijziging ten behoeve van vormverandering agrarisch bouwvlak

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming te wijzigen ten behoeve de vormverandering van het bouwvlak, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de oppervlakte van het bouwvlak behouden blijft;
  • b. de wijziging om bedrijfseconomische en/of milieutechnische redenen noodzakelijk is.

Artikel 4 Wonen

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen;

met de daarbij behorende:

  • b. bouwwerken;
  • c. watergangen;
  • d. tuinen en erfbeplanting;
  • e. wegen en paden;
  • f. terreinen en erven.
4.2 Bouwregels

Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. per bouwvlak is maximaal één woning toegestaan;
  • c. het oprichten van gebouwen vóór (het verlengde van) de voorgevel van de woning is niet toegestaan, met uitzondering van toegangsportalen, erkers en naar de aard daarmee gelijk te stellen aanbouwen;
  • d. de woningen worden met kap gebouwd;
  • e. de maatvoering van de bebouwing mag niet meer bedragen dan de maatvoering die is aangegeven in de onderstaande tabel:
bouwwerk   goothoogte   bouwhoogte   inhoud   oppervlakte   dakhelling  
woning, inclusief aan- en uitbouwen   3 meter   10 meter   600 m³     minimaal 30° en maximaal 60°  
bijgebouwen bij de woning   3 meter   4,5 meter     50 m²    
ter plaatse van de aanduiding 'opslag'   2 meter   5 meter     540 m²    
erfafscheidingen     1 meter        
bouwwerken, geen gebouwen zijnde     3 meter     10 meter    
4.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van het voorkomen van een onevenredige aantasting van:

  • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • het bebouwingsbeeld;
  • landschappelijke inpassing;
  • de verkeersveiligheid;

nadere eisen stellen aan:

  • de plaats van gebouwen in die zin dat aan- en uitbouwen en bijgebouwen 3 meter achter de voorgevel van de woning moeten worden gebouwd;
  • de plaats van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een grotere oppervlakte dan 6 m² en/of een grotere bouwhoogte dan 1,5 meter.
4.4 Afwijken van de bouwregels

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van:

  • a. het bepaalde in 4.2 onder e. ten behoeve van een grotere oppervlakte aan bijgebouwen tot maximaal 150 m² ten behoeve van het hobbymatig houden van dieren, mits:
    • 1. de activiteiten inpasbaar zijn binnen de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden;
    • 2. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden niet worden beperkt;
  • b. het bepaalde in 4.2 onder e. voor overschrijding van het maximaal aantal toegestane m² aan bijgebouwen en overkappingen, ten behoeve van het voorzien van hooibergen van wanden tot een hoogte van 3 m;
  • c. het bepaaldein 4.2 onder e. ten behoeve van het vergroten van de bouwhoogte van erfafscheidingen tot 2 meter, mits de openheid van het landschap niet wordt aangetast.
4.5 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik met deze bestemming en aanduidingen wordt ieder geval begrepen:

  • a. het gebruik van de onbebouwde gronden als opslagplaats;
  • b. het gebruik van het in 4.1 bedoelde woning zonder aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in bijlage 1 opgenomen landschapsplan, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing.
4.6 Afwijken van de gebruiksregels
4.6.1 Nevenactiviteiten bij woningen

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 4.1 ten behoeve van het uitoefenen van nevenactiviteiten, die zijn opgenomen in bijlage 1, Lijst van nevenactiviteiten, alsmede naar aard en omvang daarmee vergelijkbare nevenactiviteiten tot maximaal de aldaar aangegeven oppervlakte, mits:

  • a. de activiteiten binnen de bestaande bebouwing plaatsvinden, met dien verstande, dat buitenactiviteiten tevens direct aansluitend aan het bouwvlak mogen plaatsvinden;
  • b. de nevenactiviteiten inpasbaar zijn binnen de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden;
  • c. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden niet worden beperkt;
  • d. de verkeersveiligheid niet verslechtert;
  • e. parkeren plaatsvindt op eigen terrein.
4.6.2 Zwembaden

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 4.1 ten behoeve van zwembaden, met dien verstande, dat:

  • a. per bouwperceel maximaal één zwembad is toegestaan;
  • b. een zwembad uitsluitend achter (het verlengde van) de achtergevel van de woning is toegestaan;
  • c. de afstand tot de zijdelingse perceelgrens ten minste 3 meter bedraagt;
  • d. de oppervlakte van een zwembad ten hoogste 15% van het perceel bedraagt met een maximum van 50 m²;
  • e. een zwembad niet meer dan 0,2 meter boven het maaiveld mag uitsteken.
4.6.3 Paardenbakken

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 4.1 ten behoeve van paardenbakken, met dien verstande, dat:

  • a. per perceel maximaal één paardenbak is toegestaan;
  • b. een paardenbak uitsluitend achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning is toegestaan;
  • c. de oppervlakte van een paardenbak niet meer dan 800 m² bedraagt, met dien verstande, dat, indien de paardenbak gedeeltelijk op gronden met de bestemming 'Agrarisch' gelegen is, de oppervlakte van de paardenbak binnen de bestemming 'Wonen' niet meer mag bedragen dan 800 m² verminderd met de oppervlakte van het binnen de bestemming 'Agrarisch' gelegen gedeelte van de paardenbak;
  • d. de afstand tot omliggende woningen ten minste 50 meter bedraagt;
  • e. de afstand tot de woning op het eigen perceel ten hoogste 10 meter bedraagt;
  • f. de bouwhoogte van omheiningen niet meer dan 1,5 meter mag bedragen.
4.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.7.1 Verbod

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het aanleggen van verhardingen ten behoeve van in- en uitritten, met dien verstande, dat bij de aanleg van een tweede inrit op een perceel met het oog op de verkeersveiligheid voldoende afstand tot de eerste inrit dient te worden aangehouden.
4.7.2 Toelaatbaarheid
  • a. Een omgevingsvergunning als bedoeld in 4.7.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering van het werk of werkzaamheid, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden en/of functies die het plan beoogt te beschermen, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen. Onder waarden en functies worden in ieder geval verstaan de cultuurhistorische, natuurlijke en landschapswaarden in het betrokken gebied.
  • b. In de afweging als bedoeld in onder a. wordt in ieder geval de bestemmingsomschrijving betrokken.
4.7.3 Uitzonderingen

Geen omgevingsvergunning als bedoeld in 4.7.1 is vereist voor:

  • a. het aanleggen van verhardingen ten behoeve van één in- en uitrit per bouwvlak;
  • b. werken of werkzaamheden, behorende bij de aanleg van zwembaden, indien en voor zover daarvoor een omgevingsvergunning is verleend ingevolge het bepaalde in 4.6.2;
  • c. werken of werkzaamheden die op het moment van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of aangevraagde vergunning.

Artikel 5 Waarde - Archeologie

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van archeologische waarden.

5.2 Bouwregels

Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd, tenzij:

  • a. het bouwen gepaard gaat met bodemingrepen van niet meer dan 0,3 meter onder het bestaande maaiveld;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn;
  • c. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut;
  • d. het nieuw te bouwen oppervlak, in aanvulling op het bepaalde onder c, niet groter is dan 100 m².
5.3 Afwijken van de bouwregels

Met een omgevingsvergunning kan worrden afgeweken van het bepaalde in 5.2, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Aan de omgevingsvergunning kunnen in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het al dan niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een ontheffing, wint hij schriftelijk advies in bij een archeologische deskundige, welke is gecertificeerd volgens de richtlijn van de kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, omtrent de vraag of door het verlenen van de ontheffing geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.4.1 Verbod

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen en andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse leidingen;
  • c. het zoeken naar delfstoffen in de vorm van seismisch onderzoek of exploratieonderzoek;
  • d. het bewerken van en graven, boren of roeren in de bodem.
5.4.2 Toelaatbaarheid

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 5.4.1 wordt niet verleend indien ten aanzien van het werk of de werkzaamheid sprake is van onevenredige afbreuk aan de waarden en/of de functies welke het plan beoogt te beschermen, dan wel hieraan door het stellen van voorwaarden niet voldoende tegemoet kan worden gekomen, in welk kader advies wordt ingewonnen bij een archeologisch deskundige, welke is gecertificeerd volgens de richtlijn van de kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Onder waarden en functies worden in ieder geval verstaan de cultuurhistorische, natuurlijke en landschapswaarden in het betrokken gebied.

5.4.3 Uitzonderingen

Geen omgevingsvergunning als bedoeld in 5.4.1 is vereist voor:

  • a. bodemingrepen van niet meer dan 0,3 meter diep betreffen;
  • b. betrekking hebben op gronden waarvan op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat zich geen archeologische waarden (meer) bevinden;
  • c. bodemingrepen betreffen met een oppervlakte van niet meer dan 100 m²;
  • d. het normale onderhoud tot doel hebben, met inbegrip van:
    • 1. onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen;
    • 2. de aanleg van nieuwe en de vervanging van bestaande kabels en leidingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
    • 3. ploegen;
  • e. reeds zijn uitgevoerd of in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.
5.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen door de bestemming 'Waarde - Archeologie' geheel of gedeeltelijk te verwijderen, indien:

  • a. uit nader onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;
  • b. het niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan voorziet in de bescherming van deze waarden.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 7 Algemene bouwregels

7.1 Parkeren
  • a. Indien de omvang of de bestemming van een gebouw of gronden daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het gebouw behoort.
  • b. De aantallen, afmetingen en wijze van het berekenen van de parkeercapaciteit voor de onder a bedoelde ruimte voor het parkeren zijn vervat in de digitale publicatie "ASVV2012".
  • c. Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate voorzien zijn aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
  • d. Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde onder a en c:
    • 1. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit: of
    • 2. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

Artikel 8 Algemene gebruiksregels

8.1 Strijdig gebruik

Tot een gebruik in strijd met de bestemmingen wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruiken van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting;
  • b. het gebruik van een bijgebouw ten behoeve van zelfstandige bewoning;
  • c. het gebruik van gronden en bouwwerken zonder aanleg en instandhouding van de in 7.1 bedoelde ruimte voor het parkeren.

Artikel 9 Algemene afwijkingsregels

Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van:

  • a. de bestemmingsregels en worden toegestaan dat bestemmingsgrenzen ten behoeve van het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven;
  • b. de bestemmingsregels en worden toegestaan dat bestemmingsgrenzen en bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft, dit tot een maximum van 1 meter;
  • c. de bestemmingsregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en worden toegestaan dat deze bouwhoogte ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot met niet meer dan 5 meter inclusief antennes, uitsluitend mits de masten worden geplaatst op gebouwen gelegen binnen het bouwvlak in de bestemming Agrarisch, met een maximum van drie per agrarisch bouwvlak;
  • d. de bestemmingsregels en worden toegestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van het bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits:
    • 1. de inhoud per gebouwtje niet meer bedraagt dan 60 m³;
    • 2. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 4 meter;
  • e. het bepaalde ten aanzien van het tijdelijk gebruik van een bijgebouw bij woningen en bedrijfswoningen, en worden toegestaan dat een bijgebouw wordt verbouwd en gebruikt ten behoeve van bewoning, met dien verstande dat:
    • 1. het bewoning betreft in het kader van mantelzorg;
    • 2. de inhoud van een bijgebouw niet meer mag bedragen dan 200 m³;
    • 3. van het vervallen van de noodzaak van mantelzorg dient door of vanwege de gebruiker van het hoofdgebouw waaraan of waarbij de mantelzorg is verleend, aan het bevoegd gezag schriftelijk mededeling te worden gedaan;
    • 4. indien de noodzaak van mantelzorg is vervallen wordt de omgevingsvergunning ingetrokken.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 10 Overgangsrecht

10.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
10.2 Overgangsrecht gebruik
  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 11 Slotregel

Deze regels kunnen worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan 'Winkeldijk 5, Abcoude en Kleiweg 27a, Baambrugge'