Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Veenbad Tuinderslaantje 2
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0736.BPP011Veenbad-va01

Toelichting

  
1 Inleiding
1.1 Aanleiding
Het nieuwe zwembad van De Ronde Venen is inmiddels gerealiseerd. Het bestaande zwembad 'Het Veenbad' heeft daardoor zijn functie verloren en is vrijgekomen voor verkoop en herontwikkeling. Voor de locatie is door de gemeente De Ronde Venen vervolgens een Nota van uitgangspunten en een plan van aanpak opgesteld, waarna de locatie ter verkoop aangeboden is aan projectontwikkelaars. Hierop is de herontwikkeling van de locatie uiteindelijk gegund aan Bolton Ontwikkeling dat ter plaatse tien woningen wil realiseren volgens het eigen Bolton à la Carte concept, dat de koper veel vrijheid biedt om naar eigen inzicht de indeling en de uitstraling van woning aan te passen binnen vooraf gedefinieerde kaders die zijn afgestemd met de gemeente. De gemeente heeft deze werkwijze akkoord bevonden.
De beoogde ontwikkeling past niet in het vigerende bestemmingsplan. Om de realisatie van het project planologisch-juridisch mogelijk te maken, is gekozen voor een procedure tot vaststelling van een (nieuw) bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voorliggend ruimtelijk plan vormt dat nieuwe bestemmingsplan.
 
1.2 Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Vinkeveen, nabij het centrum. Het adres van de planlocatie is Tuinderslaantje 2. De betrokken percelen zijn kadastraal bekend Vinkeveen E 2940 (geheel) en E 3914 (gedeeltelijk).
Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door de ringvaart met daarachter de wijk Zuiderwaard. Aan de noordzijde van het plangebied liggen de sporthal en de bibliotheek met daarachter sociaal-cultureel centrum De Boei. Aan de oostzijde van het plangebied aan het Tuinderslaantje ligt een parkeerterrein. Het plangebied grenst aan de zuidzijde aan het begin 2000 ontwikkelde gebied van Kerkelanden met woningen in diverse typologieën. 
 
Ligging plangebied (bron: Bing Maps)
1.3 Vigerend bestemmingsplan
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Kom Vinkeveen", vastgesteld op 20 december 2012. Ingevolge dit bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming 'Gemengd - 2' met een bouwvlak waarbinnen gebouwen dienen te worden gebouwd. De voor ' Gemengd - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen, sportvoorzieningen en horeca (ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met categorie 2'). De voorgestane woningbouw past niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Om de herontwikkeling mogelijk te maken moet de bestemming worden gewijzigd.
  
Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Kom Vinkeveen' (2012)
1.4 Leeswijzer
In hoofdstuk 2 volgt allereerst een planbeschrijving van de huidige situatie met vervolgens een beschrijving van de voorziene ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het initiatief getoetst aan het geldend ruimtelijk beleid op verschillende schaalniveaus. In hoofdstuk 4 wordt het initiatief getoetst op inpasbaarheid en uitvoerbaarheid aan de hand van de verschillende omgevingsaspecten. De economische uitvoerbaarheid komt aan de orde in hoofdstuk 5, waarna de juridische toelichting wordt gegeven in hoofdstuk 6 en de maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 7 wordt belicht.    
2 Planbeschrijving
2.1 Bestaande situatie
Het plangebied ligt te midden van de bestaande bebouwing. Op de locatie bevindt zich het voormalige zwembadgebouw 'Veenbad' met buitenterrein. Het gebouw is eind jaren zeventig van de vorige eeuw gebouwd. Momenteel is het zwembadgebouw bewoond door een anti-kraakwacht. Het buitenterrein is gedeeltelijk verhard met klinkers en in gebruik als parkeerplaats en bestaat voor het andere deel uit gras en groenstrook. Direct oostelijk van het plangebied ligt een groot parkeerterrein ten behoeve van het oude zwembad, het sociaal-cultureel centrum De Boei en de bibliotheek.
 
Luchtfoto van de huidige situatie (bron: Bing Maps 2013)
                     
Zicht op het oude zwembad in westelijke richting vanaf het Tuinderslaantje
       
2.2 Toekomstige situatie
In de toekomstige situatie wordt het oude zwembad gesloopt en worden er op de plaats daarvan maximaal tien nieuwe woningen gebouwd met als doelgroep gezinnen in de omgeving die een grotere woning willen betrekken en startende tweeverdieners.
 
In het ontwerp is gekozen voor twee stroken waarbinnen de woningen kunnen worden gebouwd. Beide stroken kunnen flexibel worden ingevuld met vrijstaande of aaneengebouwde woningen. De eerste strook ligt in de oorspronkelijke verkavelingsrichting haaks op de Ringvaart en de tweede strook ligt evenwijdig aan de Ringvaart. Met de positionering van de woningen evenwijdig aan de Ringvaart wordt weer betekenis gegeven aan het water, in tegenstelling tot de bestaande situatie waarin de gebouwen zich afkeren van het water.
De precieze uitwerking zal plaatsvinden volgens het 'Bolton à la Carte' concept. Hiermee wordt de koper veel vrijheid wordt geboden om naar eigen inzicht de indeling en de uitstraling van woning aan te passen binnen
gedefinieerde kaders, i.c. de woningaantallen, de bouwstroken, de maatvoering en welstandscriteria, zodat het uiteindelijke beeld toch rustig en eenduidig zal blijven.
 
De ontsluiting van het gebied en de bibliotheek komt in het verlengde te liggen van het Tuinderslaantje, waardoor het karakter van de oorspronkelijke opstrekkende verkaveling wordt versterkt. De opstrekkende verkaveling komt tevens terug in de richting van de woningen haaks op de Ringvaart. Het geprojecteerde groen, gelegen voor deze strook van woningen, versterkt bovendien deze richting. Dit groene gebied, gelegen tussen het voormalige zwembad en de bibliotheek, vormt de overgang naar het water met de groene oevers van de Ringvaart en blijft vrij van bebouwing. Ook wordt een openbare plek gecreëerd. Voor dit specifieke gebied is een inrichtingsschets opgesteld voor het geval de woningen in de maximale beukmaat worden uitgevoerd. Als de kopers van de woonpercelen aan de Ringvaart kiezen voor de maximale beukmaat voor hun huis, moet de ontwikkelaar de openbare ruimte ten noorden van het woonbestemmingsvlak – waarvan deze extra ruimte wordt afgenomen – voorzien van een inrichting met een hoge ruimtelijke kwaliteit. Gezien de importantie van dit gebied, de kwalitatief hoogwaardig gewenste overgang, voorziet dit bestemmingsplan in een juridische regeling (voorwaardelijke verplichting) ten einde de voorgestelde inrichting ook juridisch te borgen bij de maximale invulling (beukmaat) van het woonprogramma.
 
Onderstaand een plattegrond van het stedenbouwkundig ontwerp dat past binnen de kaders van voorliggend bestemmingsplan. De daadwerkelijke invulling zal in samenspraak met de kopers plaatsvinden binnen de regels van dit bestemmingsplan en binnen de door de gemeente aan te geven bandbreedte op het gebied van welstand. De beeldkwaliteit van het ten zuiden van het plangebied gelegen Kerkelanden zal hierbij mede bepalend zijn.
 
     
Plattegrond van het stedenbouwkundig ontwerp (bron: Bolton Ontwikkeling)   
3 Beleidskader
3.1 Inleiding
Dit hoofdstuk beschrijft in hoeverre de voorgenomen ontwikkeling, die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, in overeenstemming is met het geldende ruimtelijke beleidskader van Rijk, provincie en gemeente. Het in dit hoofdstuk samengevatte beleidskader is niet uitputtend. Het geldende beleidskader op bijvoorbeeld het gebied van water en milieu is weergegeven in desbetreffende paragrafen in hoofdstuk 4.
 
3.2 Rijksbeleid
 
3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft het kabinet een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. De structuurvisie benoemt 13 onderwerpen van nationaal ruimtelijk belang. Het merendeel van die onderwerpen betreft specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol, de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, Ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Een onderwerp dat niet aan bepaalde gebieden gebonden is, is duurzame verstedelijking. Voor dit onderwerp introduceert het Rijk de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ waarmee zorgvuldig ruimtegebruik door optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden en het voorkomen van overprogrammering worden nagestreefd. Provincies en gemeenten dienen in hun ruimtelijke besluiten te motiveren of een nieuwe stedelijke ontwikkeling in een actuele regionale behoefte voorziet. Als dat het geval is dient gekeken te worden of deze in bestaand stedelijk gebied past (inbreiding). Pas als dat niet het geval is komt uitbreiding in beeld onder voorwaarde van een optimale ontsluiting door verschillende vervoersmodaliteiten.
 
In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee het SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend verankerd.
 
In de structuurvisie worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.
 
Planspecifiek
De SVIR richt zich op onderwerpen van nationaal ruimtelijk belang. Het voorliggend initiatief ligt niet in een gebied dat van belang is voor het nationaal functioneren. Het Barro geeft in die zin geen regels voor het plangebied. Wel betreft het project nieuwe verstedelijking van een dusdanige omvang dat hiervoor de ladder voor duurzame verstedelijking is doorlopen.

Stap 1: voorziet de stedelijke ontwikkeling in een actuele regionale behoefte? Ja, het bouwplan voorziet in een (kwalitatieve) behoefte die op dit moment onder de eigen bevolking van Vinkeveen bestaat aan een bepaald type woningen. Deze behoefte is onderkend en onderbouwd in de Woonvisie De Ronde Venen (zie paragraaf 3.4.4). De doelgroep van voorliggend bouwplan sluit aan op deze behoefte.

Stap 2: indien er wordt voorzien in de regionale behoefte: in hoeverre kan de uitbreiding binnen het bestaande stedelijk gebied worden gerealiseerd? De ontwikkeling vindt plaats binnen het bestaande stedelijk gebied, zoals vastgelegd in de provinciale ruimtelijke verordening (zie paragraaf 3.3). Hiermee voldoet de ontwikkeling aan het principe van "inbreiding voor uitbreiding".
          
De voorliggende ontwikkeling is verenigbaar is met de strekking van de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.3 Provinciaal beleid
 
3.3.1 Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (2013)

De Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) is op 4 februari 2013 vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Utrecht. In de PRS beschrijft de provincie Utrecht haar ruimtelijk beleid voor de periode tot 2018. De provincie Utrecht geeft aan welke doelstellingen zij voor welke gebieden van provinciaal belang achten, welk beleid bij deze doelstellingen hoort en hoe zij uitvoering geven aan dit beleid. Deels wordt uitvoering gegeven aan het beleid via de Provinciale Ruimtelijke Verordening welke tegelijk met de PRS is opgesteld.
 
In de Provinciale ruimtelijke structuurvisie zijn de volgende provinciale belangen vastgelegd: 
  • Duurzame leefomgeving
    1. ontwikkelen van een robuust en duurzaam bodem- en watersysteem en een waterveilige provincie;
    2. behoud van de strategische grondwatervoorraden;
    3. ruimte voor duurzame energiebronnen;
    4. anticiperen op de langetermijngevolgen van klimaatverandering;
    5. behouden en versterken van de kernkwaliteiten van het landschap;
    6. behouden en ontwikkelen van de kwaliteit van de cultuurhistorische hoofdstructuur en de aardkundige waarden. 
  • Vitale dorpen en steden
    1. realiseren van voldoende en op de behoefte aansluitend woningaanbod, met een accent op binnenstedelijke ontwikkeling;
    2. een vitale en innovatieve regionale economie, met voldoende en diverse vestigingsmogelijkheden;
    3. optimaal gebruik van de binnenstedelijke ruimte;
    4. een goede bereikbaarheid voor woon-, werk- en vrijetijdsverkeer.  
  • Landelijk gebied met kwaliteit
    1. uitnodigende stadlandzones die stad en land verbinden en met een adequaat recreatieaanbod;
    2. behouden en ontwikkelen van een vitaal en samenhangend stelsel van natuurgebieden;
    3. een economisch vitale en duurzame landbouwsector;
    4. behouden en ontwikkelen van de mogelijkheden voor vrijetijdsbesteding (recreatie en toerisme);
    5. behouden van gebieden waar rust en stilte kan worden ervaren.
  
Planspecifiek
In het kader van zorgvuldig ruimtegebruik hanteert de provincie het instrument van de rode contour. Dit is een verstedelijkingscontour rond de bestaande bebouwde gebieden en uitleglocaties, waarbinnen de verstedelijkingsambities een plaats dient te vinden.
Het plangebied ligt binnen de rode contour in bestaand stedelijk gebied. Op grond hiervan is het gebied onder meer aangewezen voor binnenstedelijke woningbouw. De voorliggende herontwikkeling van het terrein is daarom zonder meer passend binnen de beleidslijn verstedelijking van de PRS.
          
3.3.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening (2013)

Tegelijk met de PRS is op 4 februari 2013 de Provinciale Ruimtelijke Verordening vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Utrecht. In de PRV wordt deels uitvoering gegeven aan het beleid uit de PRS. De PRV geeft regels met betrekking tot de onderwerpen bodem, water, energie, cultureel erfgoed, wonen, werken, verkeer en vervoer, landelijk gebied, landschap, natuur en recreatie.
 
Planspecifiek
De nieuwe woningen liggen binnen het stedelijk gebied, zoals weergegeven op de kaart 'Wonen en werken' van de PRV. Voor het realiseren van woningen binnen dit stedelijk gebied worden in de PRV geen regels gegeven. Overige punten uit de PRV zijn daarnaast niet van belang.
3.4 Gemeentelijk beleid
   
3.4.1 Structuurvisie Centrum Vinkeveen (2007)

De Structuurvisie Centrum Vinkeveen is in september 2007 door de raad van de gemeente De Ronde Venen vastgesteld. Deze structuurvisie is een plan op hoofdlijnen, die richting geeft aan wenselijke ontwikkelingen en een kader biedt voor verdere planuitwerkingen.
 
Planspecifiek
Over de zwembadlocatie wordt in de structuurvisie het volgende gesteld:
"Herontwikkeling van de locatie van het Veenbad wordt afhankelijk gesteld van de verkeersontsluiting van het Tuinderslaantje op de Kerklaan. Mogelijke herontwikkeling dient passend te zijn in de structuur van deelgebied Mariaoord plus. Een visuele relatie met de ringvaart is gewenst."
Het voorliggend plan past binnen deze ambitie.

3.4.2 Beleidsplan 2011-2014 "kernachtig verbinden" (2011)

Het beleidsplan bestaat uit 10 programma’s. Ten aanzien van het programma 'ruimtelijke ordening en volkshuisvesting' heeft de gemeente omschreven dat het uitgangspunt is om niet te bouwen in de groene contour en om optimalisatie binnen de rode contour na te streven. Het vertrekpunt bij woningbouw is de woningbehoefte. Bij deze visie horen onder meer de volgende doelen:
  • het bieden van passende woningen die aansluiten op de vraag vanuit de gemeente;
  • benutten van bestaande kwaliteiten en kansen van het landschap, met oog voor betaalbaar beheer;
  • op lange termijn de leefbaarheid en sociale samenhang binnen de kernen behouden;
Planspecifiek
Gezien de doelgroep van het voorliggend plan (gezinnen in de omgeving die een grotere woning willen betrekken en startende tweeverdieners) en het gegeven dat deze ontwikkeling binnen de rode contour plaatsvindt, past het plan goed binnen de gestelde ambities.

3.4.3 Woonvisie De Ronde Venen (2013)

Doorstroming staat centraal in de Woonvisie, met daarbij drie speerpunten: bouwen voor kwaliteit, beter benutten van de bestaande voorraad en vermarkten van de gemeente als aantrekkelijke woonplaats. 
De vraag bepaalt het aanbod: de woningbehoefte is leidend. 1.150 woningen tot en met 2020 is het uitgangspunt.
 
Bestaande afspraken en woningbouwprogramma’s worden gerespecteerd. Bij herprogrammering en nieuwe initiatieven dient de Woonvisie als uitgangspunt, waarbij de volgende punten centraal staan:
  1. Toevoegen van nieuwe woonmilieus: Rust en Ruimte en Voorzieningen om de hoek. Bij Rust en Ruimte wordt ingespeeld op de kwaliteiten van het landschap en het water; Voorzieningen om de hoek richt zich op het bieden van gelijkvloerse woningen in de centra van Mijdrecht, Vinkeveen en Abcoude. De ontwikkeling van woningen vergroot tevens het draagvlak voor voorzieningen en daarmee de kwaliteit van de centra.
  2. In eerste instantie bouwen voor ouderen en voor doorstromers die een iets grotere woning willen. Dit heeft het grootste effect op doorstroming in de hele woningvoorraad.
  3. In mindere mate bouwen voor jongeren, aangezien er in de bestaande voorraad al veel geschikte woningen beschikbaar zijn. Hiervan afwijken wanneer het gaat om particulier opdrachtgeverschap.
  4. Op uitleglocaties betekent dit het bouwen van twee-onder-één kap en vrijstaande woningen, bungalow/patiowoningen en in beperkte mate rij-/hoekwoningen, zowel koop als huur.
  5. Ruimtelijk wordt de verbinding met het landschap gezocht, wat zichtbaar, beleefbaar en het liefst toegankelijk is. Kleinschalige structuren vormen het uitgangspunt, een monotoon beeld wordt zo veel mogelijk voorkomen.
  6. Op inbreidingslocaties in centra patiowoningen/appartementen met lift bouwen in het betaalbare/middeldure segment, zowel koop als huur. De ruimtelijke inpassing is maatwerk. Uitgangspunt vormt het versterken van kwaliteiten in de bestaande stedenbouwkundige structuur.
  7. We bouwen ook voor vestigers, dit betekent zo min mogelijk belemmerende maatregelen bij toewijzing van woningen, behalve bij sociale huur- en koopwoningen en woningen voor ouderen (gelijkvloers, wonen en zorg).
  8. Woningen dienen een toevoeging te zijn op de bestaande voorraad; de effecten van afzet op de markt worden nauwgezet gevolgd. Wat prijsklasse betreft, dient de nadruk te liggen op woningen tot € 250.000 en boven de € 350.000; in de tussenliggende prijsklasse is er voldoende aanbod in de bestaande voorraad.
  9. Bij monitoring is er aandacht voor rij-/hoekwoningen in de prijsklasse tussen de € 200.000 en € 300.000. De kernen Wilnis en Mijdrecht verdienen hierbij bijzondere aandacht.
  10. De gemeente heeft een positieve grondhouding ten aanzien van particulier opdrachtgeverschap. Waar wij kansen zien brengen wij partijen samen om de mogelijkheden voor particulier opdrachtgeverschap te onderzoeken. 
Planspecifiek:
Het woningbouwprogramma voor de planlocatie wordt bepaald door de huidige markt, met als uitgangspunt de doorstroming binnen de gemeente te bevorderen (punt 2). Een belangrijke doelgroep hiervoor vormen de gezinnen in de omgeving die een grotere woning willen betrekken en de startende tweeverdieners.
Met de stedenbouwkundige opzet (gebruik maken van opstrekkende verkaveling) wordt aansluiting gezocht op de landschapskwaliteiten (punt 5) en wordt ingespeeld op de ligging aan het water (punt 1).
Het voorliggend plan past goed binnen de ambities zoals neergelegd in de Woonvisie.
          
3.4.4 Dorpsvisie Centrum Vinkeveen (2014)

De dorpsvisie schetst een beeld van Vinkeveen in 2025 en geeft richting aan nieuwe ontwikkelingen. Binnen deze kaders kunnen gemeente, provincie, grondeigenaren en inwoners hun plannen verder uitwerken. Niet alle ontwikkelingen zullen gelijker tijd uitgevoerd hoeven te worden. Zo lang een ontwikkeling past binnen het eindbeeld kan de uitvoering gefaseerd plaats vinden.
Op het gebied van wonen is het volgende thema vastgesteld:
 
Thema ‘Wonen aan het water’
Binnen het plangebied bevinden zich onbebouwde terreinen die in de huidige situatie niet of nauwelijks gebruikt worden. Deze gebieden zien er vaak rommelig uit, terwijl ze gezien de ligging een bijzonder ontwikkelpotentieel hebben.
Bij ontwikkeling van deze gebieden geldt als voorwaarde dat dit onder het thema ‘Wonen aan het water’ gebeurt en dat de cultuurhistorisch ondergrond als basis dient.
 
Planspecifiek:
In de dorpsvisie zijn een aantal ontwikkellocaties voor wonen aan het water geselecteerd. Het Veenbad valt niet binnen een van deze locaties.
Wel voldoet het plan aan het thema 'wonen aan het water'. In het stedenbouwkundig plan is er gebruik gemaakt van de woonkwaliteit water. Een aantal kavels grenzen aan de Ringvaart. Daarnaast is het ontwikkelpotentieel van het projectgebied groot en is het een verbetering op de huidige ruimtelijke kwaliteit. Daaruit is op te maken dat het project aansluit op de Dorpsvisie Centrum Vinkeveen.

3.4.5 Duurzaam bouwen

De gemeente De Ronde Venen is actief op het gebied van duurzame ontwikkeling en heeft voor het onderdeel duurzaam bouwen verschillende beleidsdocumenten vastgesteld, waarin ambities zijn opgenomen.
 
De gemeente heeft in 2006 een duurzaamheidsambitie voor projecten vastgesteld. De duurzaamheidsambitie geeft een kort en bondig overzicht voor praktisch gebruik in (woningbouw)projecten, plannen en onderhandelingen met bouwpartners. Bij nieuwbouw van woningen wordt een energieprestatie gevraagd die verder gaat dan de landelijke regelgeving, namelijk een 10% scherpere Energieprestatiecoëfficiënt (EPC). Ingezet wordt op energiebesparend ontwerpen (bijvoorbeeld compact bouwen en goede woningisolatie), het gebruik van duurzame energie (bijvoorbeeld het gebruik van zonnecollectoren en biomassa) en het gebruik van duurzame materialen (bijvoorbeeld duurzaam geproduceerd hout).
 
De gemeente heeft in 2008 besloten om de (regionale) “Werkwijze Duurzaam Bouwen met GPR Gebouw (nieuwbouw)” vast te stellen. Hiermee heeft de gemeente de volgende duurzaamheidsambities vastgesteld die van toepassing zijn op GPR-gebouw:
  • Woningen: Streven naar minimaal een 7 op alle thema’s en totaal minimaal 38 punten (5 thema’s)
  • Utiliteitsbouw: Streven naar minimaal een 7 op alle thema’s en totaal minimaal 38 punten (5 thema’s). 
GPR- gebouw laat zien hoe duurzaam een gebouw is en berekent de prestaties van het gebouw op vijf verschillende modules; energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. Per module verschijnt een waardering op een schaal van 1 tot 10.
 
Bouwpartijen kunnen voor wat betreft de energieprestaties voorlopig kiezen of ze willen bouwen volgens het huidige beleid zoals opgenomen in de duurzaamheidsambitie voor projecten of afspraken willen maken op basis van de GPR-gebouw methode (met minimaal een even hoge ambitie). Om gebruik te kunnen maken van GPR-gebouw, kunnen ontwikkelaars en architecten een sublicentie aanvragen bij de gemeente.
 
Planspecifiek:
Voor het betreffende project zal het streven liggen op minimaal een 7 naar de 'GPR Gebouw' norm. De woningen worden gerealiseerd volgens het 'Bolton à la Carte' concept. Hiermee wordt de koper veel vrijheid wordt geboden om naar eigen inzicht de indeling en de uitstraling van woning op maat te maken binnen gedefineerde kaders. Het woningaanbod sluit direct aan op de vraag. Door deze flexibiliteit kunnen mensen de woning op maat maken, passend bij hun huidige en ook toekomstige woonbehoefte. Het woningtype (twee lagen en een kap) langs het water leent zich om aan te passen naar diverse woonprogramma's, zoals die met een levensloopbestendige component. De woningen zijn ruim en daarom makkelijk her in te delen. Hierbij sluit het project aan op het gemeentelijk beleid voor duurzaam bouwen.
 
3.4.6 Coalitieakkoord 2014

Na de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2014 hebben de partijen CDA, ChristenUnie-SGP, PvdA-GroenLinks-LokaalSociaal en Ronde Venen Belang een coalitieakkoord gesloten. Hierin wordt op diverse thema’s ambities uitgesproken.
 
Voor de ruimtelijke ontwikkeling binnen de gemeente zijn goede lijnen uitgezet in de vorige raadsperiode. Het beleid uit de recent vastgestelde Structuurvisie, Woonvisie en het Grondbeleid wordt onverminderd voortgezet. Aangekondigd wordt dat het college wil zoeken naar mogelijke oplossingen om de doorstroming in de woningmarkt te bevorderen.
 
De gemeente bouwt voldoende starterswoningen en levensloopbestendige woningen en spant zich in om voorzieningen zoals winkels dorpen te behouden en juist in de nabijheid van deze voorzieningen ook passende woonvoorzieningen te realiseren en te behouden.
4 Uitvoerbaarheid
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, ect.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
4.1 Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden:
  1. het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig;
  2. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht;
  3. het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd;
  4. de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Planspecifiek
Het plan omvat de realisatie van 10 woningen. Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat deze ontwikkeling valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. - D11), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2000 woningen of meer. Omdat het in onderhavig plan gaat om 0.5% van de drempelwaarde kan afgezien worden van een m.e.r.-beoordeling en kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:
  1. belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
  2. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.-beoor­de­ling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.
In de hiernavolgende paragraven worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen gesignaleerd. Deze gevolgen kunnen derhalve worden uitgesloten. Daarmee is geen nadere m.e.r.-beoordeling noodzakelijk en kan volstaan worden naar de reguliere onderzoeken in het kader van een goede ruimtelijke ordening.
4.2 Bedrijven en milieuzonering

Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
 
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
 
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
 
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
  • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek
In de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" wordt onderscheid gemaakt in niet-bindende richtafstanden voor omgevingstypen "gemengd gebied", "rustige woonwijk en "rustig buitengebied". De omgeving, het centrum van Vinkeveen, kan worden getypeerd als het gebiedstype "gemengd gebied". De omgeving van het plangebied wordt hoofdzakelijk gekenmerkt door een afwisseling van woningen, bedrijvigheid en voorzieningen.
 
Aan de noordzijde van het plangebied zijn een bibliotheek, sociaal-cultureel centrum De Boei en een sporthal gelegen:
- de bibliotheek valt in de categorie 'bibliotheken, musea, ateliers en dergelijke' uit de VNG-publicatie. Voor deze categorie geeft de VNG een richtafstand van 10 m voor geluid. Gezien het omgevingstype kan de richtafstand met één trap kan worden verkleind tot 0 meter. De bibliotheek is hiermee niet relevant. 
- het centrum de Boei valt binnen de categorie 'Buurt- en clubhuizen' met een grootste richtafstand van 30 meter voor geluid, gezien het omgevingstype te verkleinen tot 10 meter. De afstand van de dichtstbij gelegen nieuwbouwwoning tot het centrum De Boei is ca. 35 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan.
Voor het gemotiveerd afwijken van de richtafstand voor de activiteit "Sporthal" is in 2013 een akoestisch onderzoek uitgevoerd door de ODRU (DRV1310.G103). Op basis van dit onderzoek kan ook geconcludeerd worden dat voor woningbouwplan gemotiveerd kan worden afgeweken van de richtafstanden omdat bij de realisatie van het plan de activiteiten van De Boei binnen de milieunormen blijven.
- voor de sporthal geldt op grond van de categorie ' Sporthallen' een afstand van 50 meter voor het aspect geluid, te verkleinen tot 30 meter. De afstand van de dichtstbij gelegen nieuwbouwwoning tot de sporthal is ca. 25 meter, echter betreft dit de afstand van de woning tot de blinde muur van de sporthal. Aan de muurzijde is geluidsoverlast niet aannemelijk, de geluidveroorzakende entree van de sporthal ligt aan de Kerklaan op ca. 50 meter afstand van de eerste nieuwbouwwoning. Om deze reden kan gemotiveerd worden afgeweken van de richtafstand van 30 meter. Tevens is er door adviesbureau ODRU akoestisch onderzoek verricht voor deze situatie. Hieruit werd geconcludeerd dat voor het woningbouwplan kan worden afgeweken van de richtafstanden omdat bij de realisatie van het plan de activiteiten van De Boei binnen de milieunormen blijven
 
Direct naast het plangebied ligt een parkeerterrein. De VNG kent in haar publicatie de categorie 'autoparkeerterreinen, parkeergarages', waarbij zij zich niet uitspreekt over de omvang van het parkeerterrein. Voor een parkeerterrein gelden richtafstanden van 10 meter voor geur en van 30 meter voor geluid, welke met één trap kunnen worden verkleind tot 0 resp. 10 meter. De afstand tussen de dichtstbij gelegen nieuwe woning en het parkeerterrein is kleiner dan 10 meter. Van deze richtafstand wordt gemotiveerd afgeweken en wel om de reden dat het parkeerterrein voornamelijk ten dienste staat van activiteiten in de Boei, de Sint Jozefschool en de bibliotheek. De piek in parkeervraag doet zich voor tussen 19:30 uur en 22:00 uur op een doordeweekse avond. Overdag en in het weekend is de parkeerdruk beduidend lager (zie hiervoor paragraaf 4.6). Gezien het voorgaande is er geen sprake van een continue geluidsbelasting. Continue en daarmee ernstige geluidhinder als gevolg van het parkeerterrein voor de omliggende woningen wordt daarom onwaarschijnlijk geacht.
 
Het aspect bedrijven en milieuzonering heeft geen negatieve invloed op de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.3 Geluid
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh | per 01-04-2012):
 
  • woningen;
  • geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
  • andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
 
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
 
Planspecifiek
Het plangebied ligt binnen de wettelijke zone van 200 meter van de 50 km/uur van de volgende straten: Kerklaan en de Roerdompstraat. Op grond van de Wet geluidhinder is akoestisch onderzoek verplicht. Door Kraaij Akoestisch Adviesbureau (rapportnr. VL.1411.RO1) een akoestisch onderzoek verricht. Hieruit volgde de volgende conclusies:
 
Toets aan de Wet geluidhinder
Vanwege de Kerklaan is de hoogste geluidbelasting berekend op de noordgevel van het bouwblok voor 3 woningen en bedraagt 46 dB (toetspunt 01). Op het andere bouwblok is de geluidbelasting lager. Daarmee wordt op allebei de bouwblokken voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Onderzoek naar verdere maatregelen om de geluidbelasting vanwege de Kerklaan te reduceren is niet noodzakelijk.
 
Vanwege de Heulweg is de hoogste geluidbelasting berekend op de westgevel van het bouwblok voor 3 woningen en bedraagt 31 dB. Op het andere bouwblok is de geluidbelasting lager. Daarmee wordt op allebei de bouwblokken voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Onderzoek naar verdere maatregelen om de geluidbelasting vanwege de Heulweg te reduceren is niet noodzakelijk.
 
Gezien het feit dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt worden er geen belemmeringen op het gebied van geluidshinder verwacht voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.4 Luchtkwaliteit
In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
 
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m
3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
 
Besluit gevoelige bestemmingen
Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening.
Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt.
 
De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
  • scholen;
  • kinderdagverblijven;
  • verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten.  
In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.
 
Planspecifiek
In het plangebied worden maximaal tien woningen toegevoegd. Hiermee wordt 'niet in betekenende mate' bijgedragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavige planontwikkeling.
    
4.5 Bodem
In het kader van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Middels dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.
 
Planspecifiek
In het plangebied is in 2010 een verkennend bodemonderzoek en in 2012 een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Beide onderzoeken zijn uitgevoerd door Grondslag B.V.
 
Uit deze bodemonderzoeken blijkt het volgende:
 
Slootdempingen
Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat in het dempingsmateriaal van beide slootdempingen maximaal lichte verhogingen aan metalen zijn aangetoond. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft echter in voldoende mate de milieuhygienische situatie ter plaatse van de slootdempingen weer en op dit punt is er geen aanleiding tot het uitvoeren van aanvullend onderzoek. Het verkennend bodemonderzoek volstaat.
 
(Voormalige) opslag van chloorbleekloog en zwavelzuur
Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat ter plaatse van de opslag van chloorbleekloog verhogingen aan chloride (230 mg/l) in het grondwater zijn aangetroffen. In de Circulaire Bodemsanering 2009 en Bijlage B van de Regeling Bodemkwaliteit is voor chloride echter geen norm opgenomen. In de voorgaande norm is wel een streefwaarde van 100 mg/l voor chloride vastgesteld die in voorliggend geval overschreden wordt.
Ter plaatse van de opslag van zwavelzuur is geen lage zuurgraad vastgesteld. De pH van het grondwater ter plaatse is 7,45.
 
Voor het aspect chloride is een aanvullend bodemonderzoek verricht. Het onderzoek is uitgevoerd om vast te stellen of de aangetoonde chloride verhoging in het grondwater tijdens het onderzoek in 2010 een natuurlijke oorsprong heeft of is veroorzaakt door lekkages van chloorstoffen tijdens de periode dat het perceel als zwembad in gebruik was (vanaf circa eind jaren zeventig tot begin 2010).
Uit zowel het verkennend als het aanvullend bodemonderzoek blijkt dat de chloride verhogingen in het grondwater ter plaatse van de het voormalig zwembad veroorzaakt worden door natuurlijke bodemprocessen en niet door de voormalige aanwezigheid van een zwembad. De reden is dat in bepaalde gebieden van Nederland, zoals polders en zeekleigebieden, de concentratie chloride in het grondwater de streefwaarde veelvuldig overschrijdt door natuurlijke bodemprocessen (brakwater). De verhogingen hebben dus een natuurlijke oorsprong; bodemsanering is niet noodzakelijk.
    
Overige terreindeel
Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat ter plaatse van het overige terreindeel maximaal matige verhogingen aan barium in de grond zijn aangetoond. Daarnaast zijn lichte verhogingen aan overige metalen, minerale olie, PAK en OCB's aangetoond in de grond. In het grondwater zijn lichte verhogingen aan metalen aangetoond.
De gevolgde onderzoeksstrategie geeft in voldoende mate de milieuhygienische situatie ter plaatse weer, behoudens voor de verontreiniging met minerale olie. Hiervoor is aanvullend onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de minerale olie verhogingen in de grond en het grondwater zeer waarschijnlijk zijn te relateren aan het dempingsmateriaal dat is toegepast voordat het perceel de functie zwembad kreeg eind jaren zeventig. Er is geen sprake van een ‘nieuw geval van bodemverontreiniging’ en sanering is niet van toepassing.
 
Asbest
In het plangebied zijn in 2011 en 2012 twee asbestinventarisaties uitgevoerd.
 
Gezien het voorkomen van een verhardingslaag op het oostelijk gelegen terreindeel van onbekende herkomst is ter plaatse door RPS Advies B.V. een Asbestinventarisatie type A uitgevoerd. Uit de resultaten blijkt dat er geen asbest is aangetroffen in de verhardingslaag.
Vervolgens is door Nijhoff & Poppinghaus Adviseurs een Asbestinventarisatie type B uitgevoerd waarbij o.a. aftimmeringen zijn verwijderd en destructief onderzoek is uitgevoerd om achterliggende materialen te inspecteren. Op basis van deze inventarisatie kan worden geconcludeerd dat er in het zwembad geen asbesthoudende materialen aanwezig zijn.
 
Conclusie
Op basis van de onderzoeksresultaten zijn er geen milieuhygienische belemmeringen voor de beoogde bestemmingswijziging. Na de sloop van het oude zwembad is echter nog wel aanvullend bodemonderzoek noodzakelijk.
          
De beide bodemonderzoeken alsmede beide asbestinventarisaties zijn als bijlagen aan deze toelichting toegevoegd.
4.6 Externe veiligheid
In het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (Bevi) zijn de normen van externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen vastgelegd. Deze normen zijn uitgedrukt in een groepsrisico (GR1) en een plaatsgebonden risico (PR2). Afstand dient gecreëerd te worden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicovolle bedrijven.
De risiconormen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in het Bevi. In dit besluit zijn milieukwaliteitseisen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. De bij het besluit behorende ministeriële regeling "Regeling externe veiligheid inrichtingen" (Revi) werkt de afstanden, de referentiepunten en de wijze van berekenen van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico verder uit ter uitvoering van het Bevi. Daarnaast zijn de Handreiking Verantwoording Groepsrisico van VROM en de Handleiding externe veiligheid inrichtingen hulpmiddelen voor de wijze waarop volgens het Bevi met het externe veiligheidsrisico’s moet worden omgegaan.
Het Bevi verplicht het bevoegd gezag op basis van de Wet milieubeheer om veiligheidsafstanden aan te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. In het besluit zijn gevoelige objecten gedefinieerd als kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.
 
Planspecifiek
Via de site risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Onderstaand een screenshot van die site.
 
Uitsnede risicokaart
 
Uit de risicokaart is op te maken dat er geen risicovolle inrichtingen en/of routes in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Dit wordt tevens schriftelijk bevestigd op 1 mei 2014 door de 'Veiligheidsregio Utrecht'.  Bij nadere planuitwerking dient rekening gehouden te worden met de Handreiking Bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid van brandweer Nederland (d.d. 12 november 2012). Daarmee vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.7 Verkeer
Om te beoordelen of met dit plan sprake is van een goede ruimtelijke ordening, is ook het effect van het project op de verkeersstructuur en het parkeren van belang. Om te bepalen of er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie na realisatie van het plan is er gekeken naar de parkeersituatie, de verkeersaantrekkende werking en de ontsluiting.
 
Planspecifiek
Verkeersgeneratie en ontsluiting
Het plan is via het Tuinderslaantje aangesloten op de Kerklaan. Er is hier sprake van een verkeersveilige aansluiting op de Kerklaan. De beoogde ontwikkeling zal nieuw verkeer genereren. In de publicatie 'Verkeersgeneratie woon- en werkgebieden, vuistregels en kengetallen gemotoriseerd verkeer' van het CROW (publicatie 256) zijn kengetallen opgenomen voor de verkeersgeneratie van woningen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar woonmilieu. Op de locatie zullen 10 nieuwe woningen worden gerealiseerd.
De verkeersaantrekkende werking in de nieuwe situatie kan worden berekend op basis van de verkeersgeneratiecijfers van het CROW. De woningen zorgen voor het volgende aantal voertuigbewegingen:
 
  aantal voertuigbewegingen per woningtype totaal
vrijstaande woning 8 24
rijwoning 6,9 48
totaal   72
 
Dit aantal is dusdanig beperkt dat dit niet leidt tot problemen op de toeleidende wegen als de Kerklaan. Gezien de ligging nabij het centrum en de reeds bestaande verkeersintensiteiten op de wegen rondom het plangebied is de toename aan verkeersbewegingen door de nieuwe ontwikkeling verwaarloosbaar. Geconcludeerd wordt dat de verkeersafwikkeling gewaarborgd is.
 
Parkeren
Toetsing van nieuwe situatie - algemeen
Om te bepalen of er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie na realisatie van het plan wordt er gekeken naar (1) de parkeersituatie, (2) de verkeersaantrekkende werking en (3) de ontsluiting. Het theoretisch aantal benodigde aantal parkeerplaatsen en de verkeersaantrekkende werking worden bepaald aan de hand van de cijfers van het CROW. Deze cijfers variëren naar de aard van de gemeente, de locatie en het type woningen. Voor deze locatie gelden de volgende uitgangspunten:
  • De stedelijkheidsgraad van de gemeente is matig stedelijk;
  • De locatie van deze locatie is schil centrum/overloopgebied;   
  • De typering van de woningen is rijwoningen (koop) en vrijstaande woningen (koop).
 
Parkeersituatie
De beantwoording van de vraag of er sprake is van een acceptabele parkeersituatie is op twee manieren benaderd: een theoretische benadering op basis van parkeerkencijfers en op basis van een praktische benadering door de uitvoering van een parkeertelonderzoek.
 
Parkeersituatie – theoretisch benadering
Bij deze benadering wordt het aantal benodigde parkeerplaatsen berekend op basis van parkeernormen, zoals vastgesteld door de gemeente De Ronde Venen, op basis van de ASVV 2004 van het CROW. Deze worden vergeleken met het aantal te realiseren parkeerplaatsen.
 
Het theoretisch aantal benodigde aantal parkeerplaatsen is als volgt:
 
Functie opp./aantal parkeerkencijfer benodigd aantal
Rijwoning 7 1,7 per woning 12
Vrijstaande woning* 3 1,1 per woning 4
Bibliotheek 320m2
0,8 per 100m2
3
De Boei
3150m2
2 per 100m2 bvo
63
      82
*Parkeernorm voor een vrijstaande woning is 2,1. Elke woning krijg een parkeerplaats op eigen terrein, daarom is de parkeernorm 1,1.
 
Er worden in de nieuwe situatie 96 parkeerplaatsen gerealiseerd (exclusief de parkeerplaatsen op eigen terrein). De conclusie is derhalve dat er in de nieuwe situatie voldoende parkeergelegenheid aanwezig is op het parkeerterrein achter de Boei. De parkeerbehoefte kan namelijk worden ingepast.
 
Parkeersituatie – praktische benadering
Naar aanleiding van overleg met bewoners heeft de gemeente toegezegd om een parkeertelonderzoek uit te voeren. Volgens bewoners is de parkeergelegenheid nu op sommige momenten krap en met de realisatie van het plan zou die parkeersituatie nog krapper worden. Dit zou worden veroorzaakt door een combinatie van de verkeersaantrekkende activiteiten in de Boei (en sporthal) en de Sint Jozefschool. Dit parkeertelonderzoek heeft de huidige parkeersituatie als uitgangspunt.
 
Voor het parkeertelonderzoek zijn, in overleg met de betrokken partijen, de maatgevende momenten voor de uitvoering van de parkeertellingen bepaald. Vervolgens zijn er op dit momenten tellingen uitgevoerd. De conclusie van het onderzoek is dat inpassing van het plan in de bestaande omgeving niet leidt tot parkeerproblemen. In incidentele gevallen (minder dan 10 keer per jaar), kan de parkeerdruk wat hoger zijn en tot (relatief) langere loopafstanden leiden en tot meer (kortdurende) parkeerdruk in de omliggende woonbuurten leiden.
Omdat die perioden zich maar weinig voordoen, wordt het kleine geringe effect hiervan als acceptabel beschouwd.
4.8 Water
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Daarom is het belangrijk om, waar mogelijk, te werken volgens de volgende principes:
 
  1. afkoppelen van schoon hemelwater zodat dit niet in het vuilwaterriool komt en waardoor het vuile water geconcentreerder wordt waardoor verwerking ervan beter verlopen kan;
  2. opvangen en vasthouden van gebiedseigen water. Dit door middel van infiltratie in de bodem in het plangebied (als dat kan) of anders infiltratie in de omgeving en / of het 'getrapt' afvoeren via opvangbekkens naar het oppervlaktewater;
  3. goed zorgen voor (de mogelijkheden voor) waterinfrastructuur zoals dijken langs de kust, rivieren en andere waterwegen.  
Watertoets
De watertoets is een standaard overleg met het waterschap (of hoogheemraadschap) dat gevoerd moet worden wanneer de planologische situatie op een locatie wijzigt. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.
 
Planspecifiek
Verharding
Onderhavig plan betreft de sloop van het oude zwembad en de bouw van tien woningen binnen twee bouwvlakken. In de toekomstige situatie treedt er geen significante verandering op in de mate van verharding. De bebouwde oppervlakte neemt af.
   
Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Waternet zorgt namens AGV voor schoon oppervlaktewater, veilige dijken en het waterpeil in de sloten en vaarten. Het verzorgingsgebied van Waternet omvat de gemeente Amsterdam en een groot gebied in de provincie Utrecht en Noord Holland. Het beleid van AGV is verwoord in het Waterbeheerplan en diverse beleidsnota’s. In de keur van AGV zijn geboden en verboden opgenomen voor de bescherming van de functionaliteit van waterlopen en waterkeringen. Met de Keur wil AGV de waterkwaliteit verbeteren, de doorstroming in sloten veilig stellen en de dijken sterk houden. Bij de Keur horen Keurkaarten met informatie over wateren en waterkeringen.
In de legger van het waterschap worden gegevens vastgelegd over de locatie van wateren, dijken en kunstwerken, aan welke eisen deze moeten voldoen (diepte, hoogte, sterkte etc.) en de onderhoudsverplichtingen. De legger dient als basis voor de vergunningverlening door de waterbeheerder.
 
AGV hanteert het beleid dat bij het aanbrengen van meer dan 1000 m2 verharding in stedelijk gebied of meer dan 5000 m2 in landelijk gebied 10% daarvan gecompenseerd moet worden in de vorm van oppervlaktewater voor waterberging. Door compensatie wordt voorkomen dat ernstige peilstijging optreedt door afstromend regenwater met wateroverlast tot gevolg.
 
Onderhavig plan gaat uit van het slopen van het oude zwembadgebouw dat een oppervlakte heeft van 1200 m2. In de plaats daarvan worden woningen gebouwd in twee bouwvlakken die in principe voor 100% kunnen worden bebouwd. Beide bouwvlakken hebben een oppervlakte van resp. 612 en 419 m2 (totaal: 1031 m2). De bebouwde oppervlakte neemt hiermee in ieder geval af met 169 m2.
De beoogde verkeersbestemming heeft een oppervlakte van 758 m2 en ligt grotendeels over reeds bestaande wegverharding (parkeerplaatsen). Het criterium van 1000 m2 wordt in elk geval geenszins overschreden en er is geen watercompensatie vereist.
 
Legger
Tevens is de waterlegger van AVG geraadpleegd. Het plangebied is gelegen aan de Ringvaart. Hierdoor bevindt het plangebied zich in de beschermingszone van een secundaire directe waterkering. De werkzaamheden zijn daamee vergunningsplichtig. Hiervoor geldt een behandelingstermijn van 13 weken. Een van de voorwaarde waaronder Amstel, Gooi en Vecht vergunning verleent is dat de fundering van de toekomstige huizen buiten het dijkprofiel wordt aangelegd. De onderstaande afbeeldingen tonen een uitsneden van de legger en het dijkprofiel van deze uitsneden.
 
Uitsnede legger AVG ter plaatse van het plangebied
 
Dijkprofiel waterkering
 
Voor de aanleg van lozingspunten van regenwaterafvoeren e.d. dient wel een een melding in het kader van de Integrale Keur van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht gedaan worden. Het voorontwerpbestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg ter beoordeling aan de waterbeheerder voorgelegd.
 
Grondwaternorm
In het verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) staat het gemeentelijk gronndwaterbeleid voor nieuwe ontwikkelingen vastgesteld. Wat betreft woningbouw worden de volgende normen gesteld:
  • woning zonder kruipruimte- drooglegging van 50 cm;
  • woning met kruipruimte - drooglegging van 90 cm.
Grondwateronttrekking
Het onttrekken van (meer dan 3 m3/uur) grondwater in de beschermingszone van een waterkering is watervergunningplichtig. Voor grondwateronttrekkingen in de beschermingszone  zijn strenge regels en lange proceduretermijnen (6 mnd) gebonden.
4.9 Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is de Flora- en Faunawet van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd.
 
Gebiedsbescherming
De Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. In de Natuurbeschermingswet zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd:
  • Natura 2000-gebieden (Habitat- en Vogelrichtlijngebieden);
  • beschermde Natuurmonumenten;
  • wetlands.
Naast deze drie soorten gebieden is de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in het kader van de gebiedsbescherming van belang. De EHS is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvat bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. De EHS draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
  • vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
  • verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;
  • verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming
De Flora- en faunawet regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister van LNV (artikel 75, lid 3). Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.
 
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
 
Planspecifiek
Om de gevolgen van het plan voor flora & fauna te onderzoeken is in het plangebied een quick scan flora & fauna uitgevoerd. Deze is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hieronder de conclusies:
 
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet in of nabij een Natura2000 gebied. Het dichtstbijzijnde gebied wat beschermd is in de Natuurbeschermingswet 1998 is het gebied Botshol, op ongeveer 3,2 kilometer afstand van het plangebied. Het grotendeels bebouwde en verharde plangebied heeft geen enkele relatie met dit natuurgebied. Gezien de ligging in de bebouwde kom, tussen andere bebouwing en grote afstand van Natura2000 gebieden, zijn effecten op deze natte Natura2000 gebieden uit te sluiten. De effecten op flora en fauna als gevolg van de beoogde ingreep zullen lokaal van aard zijn. Het plangebied ligt ook niet in of direct nabij de EHS. Vanwege de bovenstaande redenen zijn ook geen effecten op de EHS te verwachten.
 
Soortenbescherming
De meeste (mogelijk) voorkomende beschermde soorten vallen onder de lichte beschermingscategorie van de Flora- en faunawet. Vaste rust- en verblijfplaatsen van deze soorten mogen op basis van een algemene, landelijk geldende vrijstelling worden aangetast, zonder dat sprake is van procedurele consequenties;
 
Van de meer strikt beschermde soorten uit de Flora- en faunawet kunnen vleermuizen wel foerageren in het plangebied. Het plangebied is voor vleermuizen niet essentieel als foerageergebied. Echter, de Ringvaart vormt voor vleermuizen een potentiële vliegroute, en in de bebouwing kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen niet zonder gericht onderzoek worden uitgesloten.
 
Alle vogelnesten zijn in het broedseizoen strikt beschermd in de Flora- en faunawet. Er dient daarom buiten het broedseizoen van vogels (globaal half maart tot half juli) te worden gestart met werkzaamheden. Bij start in het broedseizoen moet door gericht onderzoek worden aangetoond dat er geen vogels broeden in en om het plangebied;
  
Voor vissen zijn maatregelen nodig om effecten te voorkomen:
Er zijn geen ingrepen aan het water voorzien. De voorgenomen insteekhaven is losgelaten daarmee zijn er geen maatregelen meer noodzakelijk. Wel geldt altijd de zorgplicht, op basis waarvan door iedereen voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit kan bijvoorbeeld door buiten kwetsbare periodes (het voortplantings- en winterslaap seizoen) te starten met werkzaamheden, het plangebied eerst kort te maaien en het gefaseerd werken om dieren te kans te geven om te vluchten.
 
Vrijblijvende aanbevelingen
Als vrijblijvend advies wordt aanbevolen om de nieuwbouw geschikt te maken voor vleermuizen door het aanbrengen van 2 cm bij 5 cm brede open stootvoegen op minimaal 2,5 meter hoogte in bij voorkeur de zuidelijke spouwmuur (niet boven ramen en deuren) of een houten wand;
Ook kan worden gedacht aan het geschikt maken van het pand voor huismussen en gierzwaluwen door het aanbrengen van neststenen in de muur (minimaal 3 meter hoog) of het 1 dakpan hoger dan normaal aanbrengen van vogelschroot. Verder zouden neststenen of nestpannen kunnen worden geplaatst.
Het aanbrengen van wat meer bomen en opgaande struiken zou de ecologische waarde van het omliggende gebied sterk verhogen omdat de waarde nu nihil is.
 
Voorafgaand aan de sloop van het zwembad is echter wel een gericht ecologisch onderzoek in verband met vleermuizen noodzakelijk.
4.10 Archeologie en cultuurhistorie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet en de Wet op Archeologie en Monumentenzorg. Op basis van deze wetten zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat waar nodig die waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden.
 
Planspecifiek
Op de archeologische beleidskaart gemeente De Ronde Venen (2011) ligt het te bebouwen gebied binnen een gebied met een relatief lage archeologische verwachting. Op de kaart valt de binnen de typering AWV6. Dit houdt in dat bij het eventueel roeren van de grond bij een omvang groter dan 1 hectare er een onderzoeksplicht geldt. Aangezien de locatie een veel kleinere omvang betref is archeologisch onderzoek derhalve niet noodzakelijk en is dit bestemmingsplan op dit punt uitvoerbaar.
 
Uitsnede archeologische beleidskaart ter plaatse van het plangebied
 
Voor het plangebied is, ter bescherming van de middeleeuwse cope verkaveling, in lijn met het bestemmingsplan 'Kom Vinkeveen' de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' opgenomen.
4.11 Kabels en leidingen
In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen of waterleidingen gelegen. Er zijn geen hoogspanningslijnen in de omgeving van het plan. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen, mits voor de werkzaamheden een KLIC-melding wordt gedaan, geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het plan.
 
5 Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek
Dit bestemmingsplan heeft gelet op artikel 6.2.1 Bro betrekking op een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan. Er worden immers één of meer woningen gebouwd.
 
De gemeente De Ronde Venen heeft ten behoeve van het project met de exploitant, projectontwikkelaar Bolton Ontwikkeling, een koopovereenkomst getekend. In deze overeenkomst is onder meer geregeld dat de kosten van het aanpassen van het perceel aan het toekomstig gebruik, de ontwikkeling en realisatie van de woningen, de aanleg van de hierbij behorende groenvoorzieningen en infrastructuur etc. voor rekening zijn van de exploitant. In deze overeenkomst wordt ook de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. De exploitant heeft voor het plan een exploitatieopzet gemaakt waaruit een positief resultaat blijkt. De opbrengsten worden behaald door de verkoop van de woningen aan particulieren.
 
Gelet op de kosten en opbrengsten van het project is te verwachten dat het project een positief resultaat behaalt en in elk geval geen tekorten zal kennen. Mochten er onverwachte risico's zijn dan is de exploitant een partij die de tekorten kan opvangen. Indien het plan uiteindelijk geen positief resultaat laat zien, dan zal dat voor de gemeente geen consequenties hebben. Het risico daarvoor ligt geheel bij de exploitant.
Het bestemmingsplan is hierdoor financieel uitvoerbaar.
6 Juridische planbeschrijving
 
6.1 Algemeen
Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
 
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
 
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
6.2 Toelichting afzonderlijke bestemmingen
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:
  • Wonen, waarbij de woonfunctie wordt neergelegd ten behoeve van realisatie van de nieuwe woningen, inclusief tuinen, bijgebouwen en bij de woningen behorende parkeerplaatsen. Hoofdgebouwen mogen enkel worden gebouwd binnen de aangegeven bouwvlakken, waarbij de maatvoering middels een aanduiding op de verbeelding is aangegeven.
  • Verkeer, waarmee de erftoegangsweg en parkeerplaatsen worden vastgelegd;
  • Groen, waarmee het openbaar groen wordt vastgelegd.
De noemenswaardige bijzonderheden van dit plan zijn:
  • op het gehele plangebied rust de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie. Deze dubbelbestemming is opgenomen ter bescherming van de middeleeuwse cope verkaveling. Diverse werken en werkzaamheden ten behoeve van samenvallende bestemmingen zijn uitsluitend met een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag toegestaan.
Voorwaardelijke verplichting
Om ook bij de maximale invulling te voorzien in een kwalitatief goede openbare ruimte is een groeninrichtingsplan opgesteld. Hiermee wordt voorzien in een goede functionele overgang tussen wonen en de maatschappelijke functie. Daarnaast wordt ook zo het doorzicht van oost naar west behouden en kwalitatief ingevuld.
Voor het gebied tussen de bibliotheek en de nieuw te realiseren woningen is een speciale regeling opgenomen. Deze regeling voorziet in het borgen van het inrichtingsplan welke is opgesteld voor deze zone wanneer het woonprogramma wordt uitgevoerd met een maximale beukmaat. Wanneer drie smallere woningen worden gerealiseerd hoeft geen uitvoering gegeven te worden aan het inrichtingsplan.
In het kader van de vaststelling is een ruimere maatvoering doorgevoerd in het plan. Het bouwconcept van Bolton gaat uit van standaard beukbreedtes die steeds met 60 cm toenemen. Voor de vrijstaande woningen kan gekozen worden uit beukbreedtes van 6,00 m, 6,60 m en 7,20m. Het concept gaat uit van een standaard garage van 3,00 x 8,00 m (uitwendige maten). De totale breedte van de woningen inclusief de garage wordt dan 9,52 m, 10,12 m en 10,72 m. Daarnaast geldt vanuit het Burgelijk wetboek de eis dat een woning minimaal 2,00 m uit de erfgrens moet staan om in die betreffende gevel ook ramen te mogen maken. Om de optimale keuzevrijheid voor alle 3 de kavels te realiseren is het wenselijk om het bestemmingsplanvlak een totale breedte te geven van 3 x 12,72 m is 38,16 m wat dus 2,16 m breder is dan wat is aangehouden in het ontwerp bestemmingsplan. Voorgaande is aanleiding geweest om het bestemmingsplan op dit onderdeel gewijzigd vast te stellen. De gemeente is akkoord gegaan met het uitbreiden van het woonbestemmingsvlak onder toevoeging van de voorwaardelijke verplichting.
 
Functieaanduiding Groen
Omdat het exacte woningtype, en daarmee de beukmaat, nog niet bekend is is middels een aanduiding Groen nader geregeld dat deze gronden, met de bestemming Woongebied, aangewend kunnen worden t.b.v. de groenfunctie indien een smallere beukmaat wordt toegepast. Binnen deze groenfunctie kan een ruimer opgezet groenplan worden gerealiseerd.
 
Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
 
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.1 Overleg
Het voorontwerpbestemmingsplan is voor vooroverleg verstuurd aan onderstaande diensten en instanties:
  1. Provincie Utrecht 
  2. Waternet
  3. VRU
  4. Woonadviescommissie
In de bijlage zij de resultaten van het vooroverleg te vinden.
 
In november 2012 heeft tevens een informatieavond voor de omgeving van het Veenbad plaatsgevonden. Hier is het woningbouwplan gepresenteerd. Deze avond heeft verschillende aandachtspunten opgeleverd, waarvan met name de vraag om zorgvuldig om te gaan met de parkeerbehoefte in de buurt ook in dit bestemmingsplan wordt verankerd.
 
In aanloop naar de tervisielegging van het ontwerp bestemmingsplan is (bij wijze van gerichte inspraak) overleg gevoerd met vertegenwoordigers van De Boei, De Jozefschool, de Klimboom en de bewoners van de naastliggende woningen. Aandachtspunten vanuit deze overleggen zijn onder meer:
  • Parkeren blijft een zorgpunt. Het plan bevat daarom een onderbouwing van de parkeerbehoefte (zowel op basis van de CROW normen als op basis van parkeertelling) en de conclusie is dat het plan voldoende parkeerruimte biedt. In pieksituaties (enkele keren per jaar) zal er wel sprake zijn van overloop op de omgeving, maar is geen aanleiding het plan hierop aan te passen.
  • Het beheer van de insteekhaven wordt door verschillende partijen genoemd. De zorg bestaat dat zich hier vuil gaat ophopen. In de laatste planaanpassing is de insteekhaven komen te vervallen. Hiermee is tegemoet gekomen aan de geuite zorgen.
  • Vanuit de Boei bestaan er zorgen over mogelijke toekomstige geluidsklachten van de nieuwe bewoners. Deze zouden ertoe kunnen leiden dat De Boei aanpassingen moet doen om te kunnen blijven functioneren. In verband me deze zorgen is in het bestemmingsplan de situatie zoals die nu is vastgelegd en verantwoord. Er wordt aan de geldende wetgeving voldaan. Voor toekomstige bewoners is daarmee bekend dat ze te maken hebben met een sporthal in de nabije omgeving.
  • Met name voor de Jozefschool en De Klimboom is de situatie tijdens de realisatie een zorgpunt. Hierover worden partijen voorafgaand aan de uitvoering in contact gebracht, zodat hierover afspraken kunnen worden gemaakt.
  • Vanuit de bewoners van de omgeving worden vragen gesteld over hoe de hoogteverschillen worden overbrugt en op welk peil de nieuwe woningen worden gerealiseerd. Ook dit wordt meegenomen naar de uitvoering, zodat hier geen problemen ontstaan.
  • Naar aanleiding van het overleg is de bouwgrens ten opzichte van de eerste woning aan het Achterveld naar 1,5 meter (vanaf de erfgrens) opgeschoven.
In aanloop naar de uitvoering wordt opnieuw overlegd met deze betrokkenen, zodat met de genoemde en andere uitvoeringsaspecten rekening kan worden gehouden bij de bouw. 
 
Gelet op het uitgebreide voorbereidende overleg dat reeds over dit plan is gevoerd, is afgezien van een terinzagelegging van het voorontwerp van dit bestemmingsplan, maar wordt meteen een ontwerp plan ter visie gelegd.
7.2 Zienswijzen
Gedurende de periode van ter inzage legging zijn 2 zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn samengevat en voorzien van een inhoudelijke beantwoording in de Nota Beantwoording zienswijzen n.a.v. ontwerpbestemmingsplan Veenbad Tuinderslaantje 2.