3 Beleidskader
3.1 Inleiding
Dit hoofdstuk
beschrijft in hoeverre de voorgenomen ontwikkeling, die dit
bestemmingsplan mogelijk maakt, in overeenstemming is met het geldende
ruimtelijke beleidskader van Rijk, provincie en gemeente. Het in dit
hoofdstuk samengevatte beleidskader is niet uitputtend. Het geldende
beleidskader op bijvoorbeeld het gebied van water en milieu is
weergegeven in desbetreffende paragrafen in hoofdstuk 4.
3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft het kabinet
een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op
rijksniveau. De structuurvisie benoemt 13 onderwerpen van nationaal
ruimtelijk belang. Het merendeel van die onderwerpen betreft specifieke
gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol, de
bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote
rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele
werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, Ecologische
hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding
hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Een
onderwerp dat niet aan bepaalde gebieden gebonden is, is duurzame
verstedelijking. Voor dit onderwerp introduceert het Rijk de
‘ladder voor duurzame verstedelijking’ waarmee zorgvuldig
ruimtegebruik door optimale benutting van de ruimte in stedelijke
gebieden en het voorkomen van overprogrammering worden nagestreefd.
Provincies en gemeenten dienen in hun ruimtelijke besluiten te
motiveren of een nieuwe stedelijke ontwikkeling in een actuele
regionale behoefte voorziet. Als dat het geval is dient gekeken te
worden of deze in bestaand stedelijk gebied past (inbreiding). Pas als
dat niet het geval is komt uitbreiding in beeld onder voorwaarde van
een optimale ontsluiting door verschillende vervoersmodaliteiten.
In het Barro
heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee het SVIR
juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit
ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels
aanvullend verankerd.
In de
structuurvisie worden, naast de onderwerpen van nationaal belang,
accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke
verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van
rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel
van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en
bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is,
de ruimte om oplossingen te creëren.
Planspecifiek
De SVIR richt
zich op onderwerpen van nationaal ruimtelijk belang. Het voorliggend
initiatief ligt niet in een gebied dat van belang is voor het nationaal
functioneren. Het Barro geeft in die zin geen regels voor het
plangebied. Wel betreft het project nieuwe verstedelijking van een
dusdanige omvang dat hiervoor de ladder voor duurzame verstedelijking
is doorlopen.
Stap 1: voorziet de stedelijke ontwikkeling in een actuele regionale behoefte? Ja,
het bouwplan voorziet in een (kwalitatieve) behoefte die op dit
moment onder de eigen bevolking van Vinkeveen bestaat aan een bepaald
type woningen. Deze behoefte is onderkend en
onderbouwd in de Woonvisie De Ronde Venen (zie paragraaf
3.4.4). De doelgroep van voorliggend bouwplan sluit aan op deze
behoefte.
Stap 2: indien er wordt voorzien in de regionale behoefte: in
hoeverre kan de uitbreiding binnen het bestaande stedelijk gebied
worden gerealiseerd? De ontwikkeling vindt plaats binnen het
bestaande stedelijk gebied, zoals vastgelegd in de provinciale
ruimtelijke verordening (zie paragraaf 3.3). Hiermee voldoet
de ontwikkeling aan het principe van "inbreiding voor
uitbreiding".
De voorliggende ontwikkeling is verenigbaar is met de strekking van de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.3.1 Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (2013)
De Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) is op 4 februari 2013
vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Utrecht. In de PRS
beschrijft de provincie Utrecht haar ruimtelijk beleid voor de periode
tot 2018. De provincie Utrecht geeft aan welke doelstellingen zij voor
welke gebieden van provinciaal belang achten, welk beleid bij deze
doelstellingen hoort en hoe zij uitvoering geven aan dit beleid. Deels
wordt uitvoering gegeven aan het beleid via de Provinciale Ruimtelijke
Verordening welke tegelijk met de PRS is opgesteld.
In de Provinciale ruimtelijke structuurvisie zijn de volgende provinciale belangen vastgelegd:
- Duurzame leefomgeving
- ontwikkelen van een robuust en duurzaam bodem- en watersysteem en een waterveilige provincie;
- behoud van de strategische grondwatervoorraden;
- ruimte voor duurzame energiebronnen;
- anticiperen op de langetermijngevolgen van klimaatverandering;
- behouden en versterken van de kernkwaliteiten van het landschap;
- behouden en ontwikkelen van de kwaliteit van de cultuurhistorische hoofdstructuur en de aardkundige waarden.
- Vitale dorpen en steden
- realiseren van voldoende en op de behoefte aansluitend woningaanbod, met een accent op binnenstedelijke ontwikkeling;
- een vitale en innovatieve regionale economie, met voldoende en diverse vestigingsmogelijkheden;
- optimaal gebruik van de binnenstedelijke ruimte;
- een goede bereikbaarheid voor woon-, werk- en vrijetijdsverkeer.
- Landelijk gebied met kwaliteit
- uitnodigende stadlandzones die stad en land verbinden en met een adequaat recreatieaanbod;
- behouden en ontwikkelen van een vitaal en samenhangend stelsel van natuurgebieden;
- een economisch vitale en duurzame landbouwsector;
- behouden en ontwikkelen van de mogelijkheden voor vrijetijdsbesteding (recreatie en toerisme);
- behouden van gebieden waar rust en stilte kan worden ervaren.
Planspecifiek
In
het kader van zorgvuldig ruimtegebruik hanteert de provincie het
instrument van de rode contour. Dit is een verstedelijkingscontour rond
de bestaande bebouwde gebieden en uitleglocaties, waarbinnen de
verstedelijkingsambities een plaats dient te vinden.
Het plangebied ligt binnen de rode contour in bestaand stedelijk
gebied. Op grond hiervan is het gebied onder meer aangewezen voor
binnenstedelijke woningbouw. De voorliggende herontwikkeling van het
terrein is daarom zonder meer passend binnen de beleidslijn
verstedelijking van de PRS.
3.3.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening (2013)
Tegelijk met de PRS is op 4 februari 2013 de Provinciale Ruimtelijke
Verordening vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie
Utrecht. In de PRV wordt deels uitvoering gegeven aan het beleid uit de
PRS. De PRV geeft regels met betrekking tot de onderwerpen bodem,
water, energie, cultureel erfgoed, wonen, werken, verkeer en vervoer,
landelijk gebied, landschap, natuur en recreatie.
Planspecifiek
De nieuwe
woningen liggen binnen het stedelijk gebied, zoals weergegeven op de
kaart 'Wonen en werken' van de PRV. Voor het realiseren van woningen
binnen dit stedelijk gebied worden in de PRV geen regels gegeven.
Overige punten uit de PRV zijn daarnaast niet van belang.
3.4.1 Structuurvisie Centrum Vinkeveen (2007)
De Structuurvisie Centrum Vinkeveen is in september 2007 door de raad
van de gemeente De Ronde Venen vastgesteld. Deze structuurvisie is een
plan op hoofdlijnen, die richting geeft aan wenselijke ontwikkelingen
en een kader biedt voor verdere planuitwerkingen.
Over de zwembadlocatie wordt in de structuurvisie het volgende gesteld:
"Herontwikkeling van de locatie van het Veenbad wordt afhankelijk gesteld van de verkeersontsluiting van het Tuinderslaantje op de Kerklaan. Mogelijke herontwikkeling dient passend te zijn in de structuur van deelgebied Mariaoord plus. Een visuele relatie met de ringvaart is gewenst."
Het voorliggend plan past binnen deze ambitie.
3.4.2 Beleidsplan 2011-2014 "kernachtig verbinden" (2011)
Het beleidsplan bestaat uit 10 programma’s. Ten aanzien van het
programma 'ruimtelijke ordening en volkshuisvesting' heeft de gemeente
omschreven dat het uitgangspunt is om niet te bouwen in de groene
contour en om optimalisatie binnen de rode contour na te streven. Het
vertrekpunt bij woningbouw is de woningbehoefte. Bij deze visie horen
onder meer de volgende doelen:
- het bieden van passende woningen die aansluiten op de vraag vanuit de gemeente;
- benutten van bestaande kwaliteiten en kansen van het landschap, met oog voor betaalbaar beheer;
- op lange termijn de leefbaarheid en sociale samenhang binnen de kernen behouden;
Planspecifiek
Gezien de doelgroep van het voorliggend plan (gezinnen in de omgeving
die een grotere woning willen betrekken en startende tweeverdieners) en
het gegeven dat deze ontwikkeling binnen de rode contour plaatsvindt,
past het plan goed binnen de gestelde ambities.
3.4.3 Woonvisie De Ronde Venen (2013)
Doorstroming staat centraal in de Woonvisie, met daarbij drie
speerpunten: bouwen voor kwaliteit, beter benutten van de bestaande
voorraad en vermarkten van de gemeente als aantrekkelijke
woonplaats.
De vraag bepaalt het aanbod: de woningbehoefte is leidend. 1.150 woningen tot en met 2020 is het uitgangspunt.
Bestaande
afspraken en woningbouwprogramma’s worden gerespecteerd. Bij
herprogrammering en nieuwe initiatieven dient de Woonvisie als
uitgangspunt, waarbij de volgende punten centraal staan:
- Toevoegen van
nieuwe woonmilieus: Rust en Ruimte en Voorzieningen om de hoek. Bij
Rust en Ruimte wordt ingespeeld op de kwaliteiten van het landschap en
het water; Voorzieningen om de hoek richt zich op het bieden van
gelijkvloerse woningen in de centra van Mijdrecht, Vinkeveen en
Abcoude. De ontwikkeling van woningen vergroot tevens het draagvlak
voor voorzieningen en daarmee de kwaliteit van de centra.
- In eerste
instantie bouwen voor ouderen en voor doorstromers die een iets grotere
woning willen. Dit heeft het grootste effect op doorstroming in de hele
woningvoorraad.
- In mindere mate
bouwen voor jongeren, aangezien er in de bestaande voorraad al veel
geschikte woningen beschikbaar zijn. Hiervan afwijken wanneer het gaat
om particulier opdrachtgeverschap.
- Op
uitleglocaties betekent dit het bouwen van twee-onder-één
kap en vrijstaande woningen, bungalow/patiowoningen en in beperkte mate
rij-/hoekwoningen, zowel koop als huur.
- Ruimtelijk wordt
de verbinding met het landschap gezocht, wat zichtbaar, beleefbaar en
het liefst toegankelijk is. Kleinschalige structuren vormen het
uitgangspunt, een monotoon beeld wordt zo veel mogelijk voorkomen.
- Op
inbreidingslocaties in centra patiowoningen/appartementen met lift
bouwen in het betaalbare/middeldure segment, zowel koop als huur. De
ruimtelijke inpassing is maatwerk. Uitgangspunt vormt het
versterken van kwaliteiten in de bestaande stedenbouwkundige structuur.
- We bouwen ook
voor vestigers, dit betekent zo min mogelijk belemmerende maatregelen
bij toewijzing van woningen, behalve bij sociale huur- en koopwoningen
en woningen voor ouderen (gelijkvloers, wonen en zorg).
- Woningen dienen
een toevoeging te zijn op de bestaande voorraad; de effecten van afzet
op de markt worden nauwgezet gevolgd. Wat prijsklasse betreft, dient de
nadruk te liggen op woningen tot € 250.000 en boven de €
350.000; in de tussenliggende prijsklasse is er voldoende aanbod in de
bestaande voorraad.
- Bij monitoring
is er aandacht voor rij-/hoekwoningen in de prijsklasse tussen de
€ 200.000 en € 300.000. De kernen Wilnis en Mijdrecht
verdienen hierbij bijzondere aandacht.
- De gemeente
heeft een positieve grondhouding ten aanzien van particulier
opdrachtgeverschap. Waar wij kansen zien brengen wij partijen samen om
de mogelijkheden voor particulier opdrachtgeverschap te
onderzoeken.
Planspecifiek:
Het
woningbouwprogramma voor de planlocatie wordt bepaald door de huidige
markt, met als uitgangspunt de doorstroming binnen de gemeente te
bevorderen (punt 2). Een belangrijke doelgroep hiervoor vormen de
gezinnen in de omgeving die een grotere woning willen betrekken en de
startende tweeverdieners.
Met de
stedenbouwkundige opzet (gebruik maken van opstrekkende verkaveling)
wordt aansluiting gezocht op de landschapskwaliteiten (punt 5)
en wordt ingespeeld op de ligging aan het water (punt 1).
Het voorliggend plan past goed binnen de ambities zoals neergelegd in de Woonvisie.
3.4.4 Dorpsvisie Centrum Vinkeveen (2014)
De dorpsvisie schetst een beeld van Vinkeveen in 2025 en geeft richting
aan nieuwe ontwikkelingen. Binnen deze kaders kunnen gemeente,
provincie, grondeigenaren en inwoners hun plannen verder uitwerken.
Niet alle ontwikkelingen zullen gelijker tijd uitgevoerd hoeven te
worden. Zo lang een ontwikkeling past binnen het eindbeeld kan de
uitvoering gefaseerd plaats vinden.
Op het gebied van wonen is het volgende thema vastgesteld:
Thema ‘Wonen aan het water’
Binnen het
plangebied bevinden zich onbebouwde terreinen die in de huidige
situatie niet of nauwelijks gebruikt worden. Deze gebieden zien er vaak
rommelig uit, terwijl ze gezien de ligging een bijzonder
ontwikkelpotentieel hebben.
Bij ontwikkeling
van deze gebieden geldt als voorwaarde dat dit onder het thema
‘Wonen aan het water’ gebeurt en dat de cultuurhistorisch
ondergrond als basis dient.
Planspecifiek:
In de dorpsvisie
zijn een aantal ontwikkellocaties voor wonen aan het water
geselecteerd. Het Veenbad valt niet binnen een van deze locaties.
Wel voldoet het
plan aan het thema 'wonen aan het water'. In het stedenbouwkundig plan
is er gebruik gemaakt van de woonkwaliteit water. Een aantal kavels
grenzen aan de Ringvaart. Daarnaast is het ontwikkelpotentieel van het
projectgebied groot en is het een verbetering op de huidige ruimtelijke
kwaliteit. Daaruit is op te maken dat het project aansluit op de
Dorpsvisie Centrum Vinkeveen.
3.4.5 Duurzaam bouwen
De gemeente De Ronde Venen is actief op het gebied van duurzame
ontwikkeling en heeft voor het onderdeel duurzaam bouwen verschillende
beleidsdocumenten vastgesteld, waarin ambities zijn opgenomen.
De gemeente heeft
in 2006 een duurzaamheidsambitie voor projecten vastgesteld. De
duurzaamheidsambitie geeft een kort en bondig overzicht voor praktisch
gebruik in (woningbouw)projecten, plannen en onderhandelingen met
bouwpartners. Bij nieuwbouw van woningen wordt een energieprestatie
gevraagd die verder gaat dan de landelijke regelgeving, namelijk een
10% scherpere Energieprestatiecoëfficiënt (EPC). Ingezet
wordt op energiebesparend ontwerpen (bijvoorbeeld compact bouwen en
goede woningisolatie), het gebruik van duurzame energie (bijvoorbeeld
het gebruik van zonnecollectoren en biomassa) en het gebruik van
duurzame materialen (bijvoorbeeld duurzaam geproduceerd hout).
De gemeente heeft
in 2008 besloten om de (regionale) “Werkwijze Duurzaam Bouwen met
GPR Gebouw (nieuwbouw)” vast te stellen. Hiermee heeft de
gemeente de volgende duurzaamheidsambities vastgesteld die van
toepassing zijn op GPR-gebouw:
- Woningen: Streven naar minimaal een 7 op alle thema’s en totaal minimaal 38 punten (5 thema’s)
- Utiliteitsbouw: Streven naar minimaal een 7 op alle thema’s en totaal minimaal 38 punten (5 thema’s).
GPR- gebouw laat
zien hoe duurzaam een gebouw is en berekent de prestaties van het
gebouw op vijf verschillende modules; energie, milieu, gezondheid,
gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. Per module verschijnt een
waardering op een schaal van 1 tot 10.
Bouwpartijen
kunnen voor wat betreft de energieprestaties voorlopig kiezen of ze
willen bouwen volgens het huidige beleid zoals opgenomen in de
duurzaamheidsambitie voor projecten of afspraken willen maken op basis
van de GPR-gebouw methode (met minimaal een even hoge ambitie). Om
gebruik te kunnen maken van GPR-gebouw, kunnen ontwikkelaars en
architecten een sublicentie aanvragen bij de gemeente.
Planspecifiek:
Voor het betreffende project zal het streven liggen op minimaal
een 7 naar de 'GPR Gebouw' norm. De woningen worden
gerealiseerd volgens het 'Bolton à la Carte' concept.
Hiermee wordt de koper veel vrijheid wordt geboden om naar eigen
inzicht de indeling en de uitstraling van woning op maat te maken
binnen gedefineerde kaders. Het woningaanbod sluit direct aan op
de vraag. Door deze flexibiliteit kunnen mensen de woning op maat
maken, passend bij hun huidige en ook toekomstige woonbehoefte. Het
woningtype (twee lagen en een kap) langs het water leent zich om
aan te passen naar diverse woonprogramma's, zoals die met een
levensloopbestendige component. De woningen zijn ruim en daarom
makkelijk her in te delen. Hierbij sluit het project aan op het
gemeentelijk beleid voor duurzaam bouwen.
3.4.6 Coalitieakkoord 2014
Na de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2014 hebben de partijen CDA,
ChristenUnie-SGP, PvdA-GroenLinks-LokaalSociaal en Ronde Venen Belang
een coalitieakkoord gesloten. Hierin wordt op diverse thema’s
ambities uitgesproken.
Voor de
ruimtelijke ontwikkeling binnen de gemeente zijn goede lijnen
uitgezet in de vorige raadsperiode. Het beleid uit de recent
vastgestelde Structuurvisie, Woonvisie en het Grondbeleid wordt
onverminderd voortgezet. Aangekondigd wordt dat het college wil zoeken
naar mogelijke oplossingen om de doorstroming in de woningmarkt te
bevorderen.
De gemeente bouwt
voldoende starterswoningen en levensloopbestendige woningen en spant
zich in om voorzieningen zoals winkels dorpen te behouden en juist in
de nabijheid van deze voorzieningen ook passende woonvoorzieningen te
realiseren en te behouden.
4 Uitvoerbaarheid
De
uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet
ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de
Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende
ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, ect.) als ook de
economische uitvoerbaarheid van het plan.
4.1 Milieueffectrapportage
De
milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse
procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming
te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en
besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van
publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het
milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7
van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit
m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een
plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij
toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden:
- het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig;
- het plan of
besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven
de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2
‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden
beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit
is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3
‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct
een (plan-)m.e.r.-plicht;
- het plan of
besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de
drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van
onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende
plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het
uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of
het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze
keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit
gemotiveerd;
- de
activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet
genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen
m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Planspecifiek
Het
plan omvat de realisatie van 10 woningen. Uit toetsing aan het Besluit
m.e.r. volgt dat deze ontwikkeling valt onder mogelijkheid c. Het
besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (De aanleg,
wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met
inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. - D11), maar
er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2000 woningen of
meer. Omdat het in onderhavig plan gaat om 0.5% van de
drempelwaarde kan afgezien worden van een m.e.r.-beoordeling en kan
worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. Deze
vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:
- belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
- belangrijke
nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch
een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden
gekozen voor m.e.r.
In de hiernavolgende paragraven worden geen belangrijke
nadelige milieugevolgen gesignaleerd. Deze gevolgen kunnen derhalve
worden uitgesloten. Daarmee is geen nadere m.e.r.-beoordeling
noodzakelijk en kan volstaan worden naar de reguliere onderzoeken in
het kader van een goede ruimtelijke ordening.
4.2 Bedrijven en milieuzonering
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die
bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk
van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid.
Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun
aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of
nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen
ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij
een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Bij een
ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige
bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor
dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige
functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een
verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het
waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit
van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
Milieuzonering
beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals:
geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden
en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type
bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten'
(VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit.
In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale
richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van
deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven
te worden waarom dat wordt gedaan.
Het belang van
milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds
vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen
waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige
bestemmingen dient twee doelen:
- het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
- het bieden van
voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld
bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare
voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek
In de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" wordt onderscheid gemaakt in niet-bindende richtafstanden
voor omgevingstypen "gemengd gebied", "rustige woonwijk en "rustig
buitengebied". De omgeving, het centrum van Vinkeveen, kan worden
getypeerd als het gebiedstype "gemengd gebied". De omgeving van het
plangebied wordt hoofdzakelijk gekenmerkt door een afwisseling van
woningen, bedrijvigheid en voorzieningen.
Aan de noordzijde van het plangebied zijn een bibliotheek, sociaal-cultureel centrum De Boei en een sporthal gelegen:
- de bibliotheek
valt in de categorie 'bibliotheken, musea, ateliers en dergelijke' uit
de VNG-publicatie. Voor deze categorie geeft de VNG een richtafstand
van 10 m voor geluid. Gezien het omgevingstype kan de richtafstand met
één trap kan worden verkleind tot 0 meter. De bibliotheek
is hiermee niet relevant.
- het centrum de
Boei valt binnen de categorie 'Buurt- en clubhuizen' met een grootste
richtafstand van 30 meter voor geluid, gezien het omgevingstype te
verkleinen tot 10 meter. De afstand van de dichtstbij gelegen
nieuwbouwwoning tot het centrum De Boei is ca. 35 meter. Aan deze
richtafstand wordt voldaan.
Voor het
gemotiveerd afwijken van de richtafstand voor de activiteit "Sporthal"
is in 2013 een akoestisch onderzoek uitgevoerd door de ODRU
(DRV1310.G103). Op basis van dit onderzoek kan ook geconcludeerd worden
dat voor woningbouwplan gemotiveerd kan worden afgeweken van de
richtafstanden omdat bij de realisatie van het plan de activiteiten van
De Boei binnen de milieunormen blijven.
- voor de
sporthal geldt op grond van de categorie ' Sporthallen' een afstand van
50 meter voor het aspect geluid, te verkleinen tot 30 meter. De afstand
van de dichtstbij gelegen nieuwbouwwoning tot de sporthal is ca.
25 meter, echter betreft dit de afstand van de woning tot de blinde
muur van de sporthal. Aan de muurzijde is geluidsoverlast niet
aannemelijk, de geluidveroorzakende entree van de sporthal
ligt aan de Kerklaan op ca. 50 meter afstand van de eerste
nieuwbouwwoning. Om deze reden kan gemotiveerd worden afgeweken
van de richtafstand van 30 meter. Tevens is er door adviesbureau ODRU
akoestisch onderzoek verricht voor deze situatie. Hieruit werd
geconcludeerd dat voor het woningbouwplan kan worden afgeweken van
de richtafstanden omdat bij de realisatie van het plan de activiteiten
van De Boei binnen de milieunormen blijven
Direct naast het
plangebied ligt een parkeerterrein. De VNG kent in haar publicatie
de categorie 'autoparkeerterreinen, parkeergarages', waarbij zij zich
niet uitspreekt over de omvang van het parkeerterrein. Voor een
parkeerterrein gelden richtafstanden van 10 meter voor geur en van 30
meter voor geluid, welke met één trap kunnen
worden verkleind tot 0 resp. 10 meter. De afstand tussen de
dichtstbij gelegen nieuwe woning en het parkeerterrein is kleiner dan
10 meter. Van deze richtafstand wordt gemotiveerd afgeweken en wel om
de reden dat het parkeerterrein voornamelijk ten dienste
staat van activiteiten in de Boei, de Sint Jozefschool en de
bibliotheek. De piek in parkeervraag doet zich voor tussen 19:30 uur en
22:00 uur op een doordeweekse avond. Overdag en in het weekend is de
parkeerdruk beduidend lager (zie hiervoor paragraaf 4.6). Gezien het
voorgaande is er geen sprake van een continue geluidsbelasting.
Continue en daarmee ernstige geluidhinder als gevolg van het
parkeerterrein voor de omliggende woningen wordt daarom
onwaarschijnlijk geacht.
Het aspect bedrijven en milieuzonering heeft geen negatieve invloed op de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.3 Geluid
De mate waarin
het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet
geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten
worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden
de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh | per 01-04-2012):
- woningen;
- geluidsgevoelige
terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen
terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere
bescherming tegen geluid behoeft);
- andere
geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als
zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik
daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een
woning).
Het beschermen
van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde
zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder
worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en
spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende
voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
Planspecifiek
Het plangebied
ligt binnen de wettelijke zone van 200 meter van de 50 km/uur van
de volgende straten: Kerklaan en de Roerdompstraat. Op
grond van de Wet geluidhinder is akoestisch onderzoek
verplicht. Door Kraaij Akoestisch Adviesbureau (rapportnr.
VL.1411.RO1) een akoestisch onderzoek verricht. Hieruit volgde de
volgende conclusies:
Toets aan de Wet geluidhinder
Vanwege
de Kerklaan is de hoogste geluidbelasting berekend op de noordgevel van
het bouwblok voor 3 woningen en bedraagt 46 dB (toetspunt 01). Op het
andere bouwblok is de geluidbelasting lager. Daarmee wordt op allebei
de bouwblokken voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Onderzoek
naar verdere maatregelen om de geluidbelasting vanwege de Kerklaan te
reduceren is niet noodzakelijk.
Vanwege
de Heulweg is de hoogste geluidbelasting berekend op de westgevel van
het bouwblok voor 3 woningen en bedraagt 31 dB. Op het andere bouwblok
is de geluidbelasting lager. Daarmee wordt op allebei de bouwblokken
voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Onderzoek naar verdere
maatregelen om de geluidbelasting vanwege de Heulweg te reduceren is
niet noodzakelijk.
Gezien
het feit dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt
worden er geen belemmeringen op het gebied van geluidshinder verwacht
voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.4 Luchtkwaliteit
In de Wet
Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf
vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de
‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert
het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten
dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van
de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel
'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur
(wegen).
Wat het begrip
'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene
maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’
(Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten
die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm
voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m
3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit.
'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan
zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een
woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de
normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar
verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in
betekenende mate bijdragen'.
Een belangrijk
onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale
Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds
1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en
gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
Besluit gevoelige bestemmingen
Op 16 januari
2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het
Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet
milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten
'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen
beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening.
Het Besluit is
gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor
fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen,
ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige
bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300
meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale
wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen
dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding
van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt.
De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
- scholen;
- kinderdagverblijven;
- verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het
woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte
aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten.
In het kader van
het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld
gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie
toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit
‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan
wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van
de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden
niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de
grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.
Planspecifiek
In
het plangebied worden maximaal tien woningen toegevoegd. Hiermee wordt
'niet in betekenende mate' bijgedragen aan verslechtering van de
luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor
onderhavige planontwikkeling.
4.5 Bodem
In
het kader van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de
kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in
overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet
Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de
beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een
functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten
worden uitgevoerd op de planlocatie. Middels dit onderzoek kan in beeld
worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het
plangebied bij elkaar passen.
Planspecifiek
In het plangebied
is in 2010 een verkennend bodemonderzoek en in 2012 een aanvullend
bodemonderzoek uitgevoerd. Beide onderzoeken zijn uitgevoerd door
Grondslag B.V.
Uit deze bodemonderzoeken blijkt het volgende:
Slootdempingen
Uit het
verkennend bodemonderzoek blijkt dat in het dempingsmateriaal van beide
slootdempingen maximaal lichte verhogingen aan metalen zijn aangetoond.
De gevolgde onderzoeksstrategie geeft echter in voldoende mate de
milieuhygienische situatie ter plaatse van de slootdempingen weer en op
dit punt is er geen aanleiding tot het uitvoeren van aanvullend
onderzoek. Het verkennend bodemonderzoek volstaat.
(Voormalige) opslag van chloorbleekloog en zwavelzuur
Uit het
verkennend bodemonderzoek blijkt dat ter plaatse van de opslag van
chloorbleekloog verhogingen aan chloride (230 mg/l) in het grondwater
zijn aangetroffen. In de Circulaire Bodemsanering 2009 en Bijlage B van
de Regeling Bodemkwaliteit is voor chloride echter geen norm opgenomen.
In de voorgaande norm is wel een streefwaarde van 100 mg/l voor
chloride vastgesteld die in voorliggend geval overschreden wordt.
Ter plaatse van de opslag van zwavelzuur is geen lage zuurgraad vastgesteld. De pH van het grondwater ter plaatse is 7,45.
Voor het aspect
chloride is een aanvullend bodemonderzoek verricht. Het onderzoek is
uitgevoerd om vast te stellen of de aangetoonde chloride verhoging in
het grondwater tijdens het onderzoek in 2010 een natuurlijke oorsprong
heeft of is veroorzaakt door lekkages van chloorstoffen tijdens de
periode dat het perceel als zwembad in gebruik was (vanaf circa eind
jaren zeventig tot begin 2010).
Uit zowel het
verkennend als het aanvullend bodemonderzoek blijkt dat de chloride
verhogingen in het grondwater ter plaatse van de het voormalig zwembad
veroorzaakt worden door natuurlijke bodemprocessen en niet door de
voormalige aanwezigheid van een zwembad. De reden is dat in
bepaalde gebieden van Nederland, zoals polders en zeekleigebieden, de
concentratie chloride in het grondwater de streefwaarde veelvuldig
overschrijdt door natuurlijke bodemprocessen (brakwater). De
verhogingen hebben dus een natuurlijke oorsprong; bodemsanering is
niet noodzakelijk.
Overige terreindeel
Uit het
verkennend bodemonderzoek blijkt dat ter plaatse van het overige
terreindeel maximaal matige verhogingen aan barium in de grond zijn
aangetoond. Daarnaast zijn lichte verhogingen aan overige metalen,
minerale olie, PAK en OCB's aangetoond in de grond. In het grondwater
zijn lichte verhogingen aan metalen aangetoond.
De gevolgde
onderzoeksstrategie geeft in voldoende mate de milieuhygienische
situatie ter plaatse weer, behoudens voor de verontreiniging met
minerale olie. Hiervoor is aanvullend onderzoek uitgevoerd. Hieruit
blijkt dat de minerale olie verhogingen in de grond en het
grondwater zeer waarschijnlijk zijn te relateren aan het
dempingsmateriaal dat is toegepast voordat het perceel de functie
zwembad kreeg eind jaren zeventig. Er is geen sprake van een ‘nieuw geval van bodemverontreiniging’ en sanering is niet van toepassing.
Asbest
In het plangebied zijn in 2011 en 2012 twee asbestinventarisaties uitgevoerd.
Gezien het
voorkomen van een verhardingslaag op het oostelijk gelegen terreindeel
van onbekende herkomst is ter plaatse door RPS Advies B.V. een
Asbestinventarisatie type A uitgevoerd. Uit de resultaten blijkt dat er
geen asbest is aangetroffen in de verhardingslaag.
Vervolgens is
door Nijhoff & Poppinghaus Adviseurs een Asbestinventarisatie type
B uitgevoerd waarbij o.a. aftimmeringen zijn verwijderd en destructief
onderzoek is uitgevoerd om achterliggende materialen te inspecteren. Op
basis van deze inventarisatie kan worden geconcludeerd dat er in het
zwembad geen asbesthoudende materialen aanwezig zijn.
Conclusie
Op basis van de
onderzoeksresultaten zijn er geen milieuhygienische belemmeringen voor
de beoogde bestemmingswijziging. Na de sloop van het oude zwembad is
echter nog wel aanvullend bodemonderzoek noodzakelijk.
De beide bodemonderzoeken alsmede beide asbestinventarisaties zijn als bijlagen aan deze toelichting toegevoegd.
4.6 Externe veiligheid
In het Besluit
Externe Veiligheid Inrichtingen (Bevi) zijn de normen van externe
veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen
vastgelegd. Deze normen zijn uitgedrukt in een groepsrisico (GR1) en
een plaatsgebonden risico (PR2). Afstand dient gecreëerd te worden
tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicovolle bedrijven.
De risiconormen
voor externe veiligheid zijn vastgelegd in het Bevi. In dit besluit
zijn milieukwaliteitseisen op het gebied van externe veiligheid
geformuleerd. De bij het besluit behorende ministeriële regeling
"Regeling externe veiligheid inrichtingen" (Revi) werkt de afstanden,
de referentiepunten en de wijze van berekenen van het plaatsgebonden
risico en het groepsrisico verder uit ter uitvoering van het Bevi.
Daarnaast zijn de Handreiking Verantwoording Groepsrisico van VROM en
de Handleiding externe veiligheid inrichtingen hulpmiddelen voor de
wijze waarop volgens het Bevi met het externe veiligheidsrisico’s
moet worden omgegaan.
Het Bevi
verplicht het bevoegd gezag op basis van de Wet milieubeheer om
veiligheidsafstanden aan te houden tussen gevoelige objecten en
risicovolle bedrijven. In het besluit zijn gevoelige objecten
gedefinieerd als kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.
Planspecifiek
Via de site
risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de
directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke
transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe
veiligheid van belang zijn. Onderstaand een screenshot van die site.
Uitsnede risicokaart
Uit de
risicokaart is op te maken dat er geen risicovolle inrichtingen en/of
routes in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Dit wordt
tevens schriftelijk bevestigd op 1 mei 2014 door
de 'Veiligheidsregio Utrecht'. Bij nadere planuitwerking
dient rekening gehouden te worden met de Handreiking
Bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid van brandweer Nederland (d.d.
12 november 2012). Daarmee vormt het aspect externe veiligheid geen
belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.7 Verkeer
Om te beoordelen
of met dit plan sprake is van een goede ruimtelijke ordening, is ook
het effect van het project op de verkeersstructuur en het parkeren van
belang. Om te bepalen of er sprake is van een acceptabele
verkeerssituatie na realisatie van het plan is er gekeken naar de
parkeersituatie, de verkeersaantrekkende werking en de
ontsluiting.
Planspecifiek
Verkeersgeneratie en ontsluiting
Het plan is via
het Tuinderslaantje aangesloten op de Kerklaan. Er is hier sprake van
een verkeersveilige aansluiting op de Kerklaan. De beoogde ontwikkeling
zal nieuw verkeer genereren. In de publicatie 'Verkeersgeneratie woon-
en werkgebieden, vuistregels en kengetallen gemotoriseerd verkeer' van
het CROW (publicatie 256) zijn kengetallen opgenomen voor de
verkeersgeneratie van woningen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar
woonmilieu. Op de locatie zullen 10 nieuwe woningen worden
gerealiseerd.
De
verkeersaantrekkende werking in de nieuwe situatie kan worden berekend
op basis van de verkeersgeneratiecijfers van het CROW. De woningen
zorgen voor het volgende aantal voertuigbewegingen:
| |
aantal voertuigbewegingen per woningtype |
totaal |
| vrijstaande woning |
8 |
24 |
| rijwoning |
6,9 |
48 |
| totaal |
|
72 |
Dit aantal is
dusdanig beperkt dat dit niet leidt tot problemen op de toeleidende
wegen als de Kerklaan. Gezien de ligging nabij het centrum en de reeds
bestaande verkeersintensiteiten op de wegen rondom het
plangebied is de toename aan verkeersbewegingen door de nieuwe
ontwikkeling verwaarloosbaar. Geconcludeerd wordt dat de
verkeersafwikkeling gewaarborgd is.
Parkeren
Toetsing van nieuwe situatie - algemeen
Om te bepalen of
er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie na realisatie van het
plan wordt er gekeken naar (1) de parkeersituatie, (2) de
verkeersaantrekkende werking en (3) de ontsluiting. Het theoretisch
aantal benodigde aantal parkeerplaatsen en de verkeersaantrekkende
werking worden bepaald aan de hand van de cijfers van het CROW. Deze
cijfers variëren naar de aard van de gemeente, de locatie en het
type woningen. Voor deze locatie gelden de volgende uitgangspunten:
- De stedelijkheidsgraad van de gemeente is matig stedelijk;
- De locatie van deze locatie is schil centrum/overloopgebied;
- De typering van de woningen is rijwoningen (koop) en vrijstaande woningen (koop).
Parkeersituatie
De beantwoording
van de vraag of er sprake is van een acceptabele parkeersituatie is op
twee manieren benaderd: een theoretische benadering op basis van
parkeerkencijfers en op basis van een praktische benadering door de
uitvoering van een parkeertelonderzoek.
Parkeersituatie – theoretisch benadering
Bij deze
benadering wordt het aantal benodigde parkeerplaatsen berekend op basis
van parkeernormen, zoals vastgesteld door de gemeente De Ronde Venen,
op basis van de ASVV 2004 van het CROW. Deze worden vergeleken met het
aantal te realiseren parkeerplaatsen.
Het theoretisch aantal benodigde aantal parkeerplaatsen is als volgt:
| Functie |
opp./aantal |
parkeerkencijfer |
benodigd aantal |
| Rijwoning |
7 |
1,7 per woning |
12 |
| Vrijstaande woning* |
3 |
1,1 per woning |
4 |
| Bibliotheek |
320m2 |
0,8 per 100m2
|
3 |
| De Boei |
3150m2
|
2 per 100m2 bvo
|
63 |
| |
|
|
82 |
*Parkeernorm
voor een vrijstaande woning is 2,1. Elke woning krijg een parkeerplaats
op eigen terrein, daarom is de parkeernorm 1,1.
Er worden in de
nieuwe situatie 96 parkeerplaatsen gerealiseerd (exclusief de
parkeerplaatsen op eigen terrein). De conclusie is derhalve dat er in
de nieuwe situatie voldoende parkeergelegenheid aanwezig is op het
parkeerterrein achter de Boei. De parkeerbehoefte kan namelijk worden
ingepast.
Parkeersituatie – praktische benadering
Naar aanleiding
van overleg met bewoners heeft de gemeente toegezegd om een
parkeertelonderzoek uit te voeren. Volgens bewoners is de
parkeergelegenheid nu op sommige momenten krap en met de realisatie van
het plan zou die parkeersituatie nog krapper worden. Dit zou worden
veroorzaakt door een combinatie van de verkeersaantrekkende
activiteiten in de Boei (en sporthal) en de Sint Jozefschool. Dit
parkeertelonderzoek heeft de huidige parkeersituatie als uitgangspunt.
Voor het
parkeertelonderzoek zijn, in overleg met de betrokken partijen, de
maatgevende momenten voor de uitvoering van de parkeertellingen
bepaald. Vervolgens zijn er op dit momenten tellingen uitgevoerd. De
conclusie van het onderzoek is dat inpassing van het plan in de
bestaande omgeving niet leidt tot parkeerproblemen. In incidentele
gevallen (minder dan 10 keer per jaar), kan de parkeerdruk wat hoger
zijn en tot (relatief) langere loopafstanden leiden en tot meer
(kortdurende) parkeerdruk in de omliggende woonbuurten leiden.
Omdat die perioden zich maar weinig voordoen, wordt het kleine geringe effect hiervan als acceptabel beschouwd.
4.8 Water
Het aspect water
is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om
te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook
risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de
kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Daarom is het belangrijk
om, waar mogelijk, te werken volgens de volgende principes:
- afkoppelen van
schoon hemelwater zodat dit niet in het vuilwaterriool komt en waardoor
het vuile water geconcentreerder wordt waardoor verwerking ervan beter
verlopen kan;
- opvangen en
vasthouden van gebiedseigen water. Dit door middel van infiltratie in
de bodem in het plangebied (als dat kan) of anders infiltratie in de
omgeving en / of het 'getrapt' afvoeren via opvangbekkens naar het
oppervlaktewater;
- goed zorgen voor
(de mogelijkheden voor) waterinfrastructuur zoals dijken langs de kust,
rivieren en andere waterwegen.
Watertoets
De watertoets is
een standaard overleg met het waterschap (of hoogheemraadschap) dat
gevoerd moet worden wanneer de planologische situatie op een locatie
wijzigt. Het is geen technische toets maar een proces dat de
initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar
in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de
waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel
overleg opgenomen.
Planspecifiek
Verharding
Onderhavig plan
betreft de sloop van het oude zwembad en de bouw van tien woningen
binnen twee bouwvlakken. In de toekomstige situatie treedt er geen
significante verandering op in de mate van verharding. De bebouwde
oppervlakte neemt af.
Het
plangebied valt binnen het beheersgebied van het hoogheemraadschap
Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Waternet zorgt namens AGV voor schoon
oppervlaktewater, veilige dijken en het waterpeil in de sloten en
vaarten. Het verzorgingsgebied van Waternet omvat de gemeente Amsterdam
en een groot gebied in de provincie Utrecht en Noord Holland. Het
beleid van AGV is verwoord in het Waterbeheerplan en diverse
beleidsnota’s. In de keur van AGV zijn geboden en verboden
opgenomen voor de bescherming van de functionaliteit van waterlopen en
waterkeringen. Met de Keur wil AGV de waterkwaliteit verbeteren, de
doorstroming in sloten veilig stellen en de dijken sterk houden. Bij de
Keur horen Keurkaarten met informatie over wateren en waterkeringen.
In
de legger van het waterschap worden gegevens vastgelegd over de locatie
van wateren, dijken en kunstwerken, aan welke eisen deze moeten voldoen
(diepte, hoogte, sterkte etc.) en de onderhoudsverplichtingen. De
legger dient als basis voor de vergunningverlening door de
waterbeheerder.
AGV
hanteert het beleid dat bij het aanbrengen van meer dan 1000 m2
verharding in stedelijk gebied of meer dan 5000 m2 in landelijk gebied
10% daarvan gecompenseerd moet worden in de vorm van oppervlaktewater
voor waterberging. Door compensatie wordt voorkomen dat ernstige
peilstijging optreedt door afstromend regenwater met wateroverlast tot
gevolg.
Onderhavig
plan gaat uit van het slopen van het oude zwembadgebouw dat een
oppervlakte heeft van 1200 m2. In de plaats daarvan worden
woningen gebouwd in twee bouwvlakken die in principe voor 100% kunnen
worden bebouwd. Beide bouwvlakken hebben een oppervlakte van resp. 612
en 419 m2 (totaal: 1031 m2). De bebouwde oppervlakte neemt hiermee in
ieder geval af met 169 m2.
De
beoogde verkeersbestemming heeft een oppervlakte van 758 m2 en ligt
grotendeels over reeds bestaande wegverharding (parkeerplaatsen). Het
criterium van 1000 m2 wordt in elk geval geenszins overschreden en er
is geen watercompensatie vereist.
Legger
Tevens
is de waterlegger van AVG geraadpleegd. Het plangebied is gelegen
aan de Ringvaart. Hierdoor bevindt het plangebied zich in de
beschermingszone van een secundaire directe waterkering. De
werkzaamheden zijn daamee vergunningsplichtig. Hiervoor geldt een
behandelingstermijn van 13 weken. Een van de voorwaarde waaronder
Amstel, Gooi en Vecht vergunning verleent is dat de fundering van de
toekomstige huizen buiten het dijkprofiel wordt aangelegd. De
onderstaande afbeeldingen tonen een uitsneden van de legger en het
dijkprofiel van deze uitsneden.
Uitsnede legger AVG ter plaatse van het plangebied
Dijkprofiel waterkering
Voor
de aanleg van lozingspunten van regenwaterafvoeren e.d. dient wel
een een melding in het kader van de Integrale Keur van Waterschap
Amstel, Gooi en Vecht gedaan worden. Het
voorontwerpbestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg ter
beoordeling aan de waterbeheerder voorgelegd.
Grondwaternorm
In het verbreed
gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) staat het gemeentelijk
gronndwaterbeleid voor nieuwe ontwikkelingen vastgesteld. Wat betreft
woningbouw worden de volgende normen gesteld:
- woning zonder kruipruimte- drooglegging van 50 cm;
- woning met kruipruimte - drooglegging van 90 cm.
Grondwateronttrekking
Het onttrekken
van (meer dan 3 m3/uur) grondwater in de beschermingszone van een
waterkering is watervergunningplichtig. Voor grondwateronttrekkingen in
de beschermingszone zijn strenge regels en lange
proceduretermijnen (6 mnd) gebonden.
4.9 Ecologie
Bij ruimtelijke
ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter
plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en
soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van
een gebied. Wat betreft soortenbescherming is de Flora- en Faunawet van
toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en
diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden
getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige
natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of
vrijstelling worden aangevraagd.
Gebiedsbescherming
De
Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. In de
Natuurbeschermingswet zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd:
- Natura 2000-gebieden (Habitat- en Vogelrichtlijngebieden);
- beschermde Natuurmonumenten;
- wetlands.
Naast deze drie
soorten gebieden is de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in het kader
van de gebiedsbescherming van belang. De EHS is een samenhangend
netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvat bestaande
natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones.
De EHS draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het
Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden,
versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en
een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van
belang:
- vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
- verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;
- verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming
De Flora- en
faunawet regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse
planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op
het in stand houden van populaties van soorten die bescherming
behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten
aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Naast een aantal in de
wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden
om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet
een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister van LNV (artikel
75, lid 3). Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen
negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of
er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.
Daarnaast geldt
voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende
beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden
bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien
deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar
is.
Planspecifiek
Om de gevolgen
van het plan voor flora & fauna te onderzoeken is in het plangebied
een quick scan flora & fauna uitgevoerd. Deze is als bijlage bij
deze toelichting gevoegd. Hieronder de conclusies:
Gebiedsbescherming
Het
plangebied ligt niet in of nabij een Natura2000 gebied. Het
dichtstbijzijnde gebied wat beschermd is in de Natuurbeschermingswet
1998 is het gebied Botshol, op ongeveer 3,2 kilometer afstand van het
plangebied. Het grotendeels bebouwde en verharde plangebied heeft geen
enkele relatie met dit natuurgebied. Gezien de ligging in de bebouwde
kom, tussen andere bebouwing en grote afstand van Natura2000 gebieden,
zijn effecten op deze natte Natura2000 gebieden uit te sluiten. De
effecten op flora en fauna als gevolg van de beoogde ingreep zullen
lokaal van aard zijn. Het plangebied ligt ook niet in of direct nabij
de EHS. Vanwege de bovenstaande redenen zijn ook geen effecten op de
EHS te verwachten.
Soortenbescherming
De meeste
(mogelijk) voorkomende beschermde soorten vallen onder de lichte
beschermingscategorie van de Flora- en faunawet. Vaste rust- en
verblijfplaatsen van deze soorten mogen op basis van een algemene,
landelijk geldende vrijstelling worden aangetast, zonder dat sprake is
van procedurele consequenties;
Van de meer
strikt beschermde soorten uit de Flora- en faunawet kunnen vleermuizen
wel foerageren in het plangebied. Het plangebied is voor vleermuizen
niet essentieel als foerageergebied. Echter, de Ringvaart vormt
voor vleermuizen een potentiële vliegroute, en in de bebouwing
kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen niet zonder gericht onderzoek
worden uitgesloten.
Alle vogelnesten
zijn in het broedseizoen strikt beschermd in de Flora- en faunawet.
Er dient daarom buiten het broedseizoen van vogels (globaal half
maart tot half juli) te worden gestart met werkzaamheden. Bij start in
het broedseizoen moet door gericht onderzoek worden aangetoond dat er
geen vogels broeden in en om het plangebied;
Voor vissen zijn maatregelen nodig om effecten te voorkomen:
Er zijn geen
ingrepen aan het water voorzien. De voorgenomen insteekhaven is
losgelaten daarmee zijn er geen maatregelen meer noodzakelijk. Wel
geldt altijd de zorgplicht, op basis waarvan door iedereen voldoende
zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en
hun leefomgeving. Dit kan bijvoorbeeld door buiten kwetsbare periodes
(het voortplantings- en winterslaap seizoen) te starten met
werkzaamheden, het plangebied eerst kort te maaien en het gefaseerd
werken om dieren te kans te geven om te vluchten.
Vrijblijvende aanbevelingen
Als vrijblijvend
advies wordt aanbevolen om de nieuwbouw geschikt te maken voor
vleermuizen door het aanbrengen van 2 cm bij 5 cm brede open
stootvoegen op minimaal 2,5 meter hoogte in bij voorkeur de zuidelijke
spouwmuur (niet boven ramen en deuren) of een houten wand;
Ook kan worden
gedacht aan het geschikt maken van het pand voor huismussen en
gierzwaluwen door het aanbrengen van neststenen in de muur (minimaal 3
meter hoog) of het 1 dakpan hoger dan normaal aanbrengen van
vogelschroot. Verder zouden neststenen of nestpannen kunnen worden
geplaatst.
Het aanbrengen
van wat meer bomen en opgaande struiken zou de ecologische waarde van
het omliggende gebied sterk verhogen omdat de waarde nu nihil is.
Voorafgaand aan de sloop van het zwembad is echter wel een gericht ecologisch onderzoek in verband met vleermuizen noodzakelijk.
4.10 Archeologie en cultuurhistorie
In 1992 is in
Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het
archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van
Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed
onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken.
Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de
Monumentenwet en de Wet op Archeologie en Monumentenzorg. Op basis van
deze wetten zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten
van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een
meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat
melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede
ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek
naar mogelijke waarden nodig zijn zodat waar nodig die waarden
veiliggesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden.
Planspecifiek
Op de
archeologische beleidskaart gemeente De Ronde Venen (2011) ligt het te
bebouwen gebied binnen een gebied met een relatief lage
archeologische verwachting. Op de kaart valt de binnen de typering
AWV6. Dit houdt in dat bij het eventueel roeren van de grond bij een
omvang groter dan 1 hectare er een onderzoeksplicht geldt. Aangezien de
locatie een veel kleinere omvang betref is archeologisch onderzoek
derhalve niet noodzakelijk en is dit bestemmingsplan op dit punt
uitvoerbaar.
Uitsnede archeologische beleidskaart ter plaatse van het plangebied
Voor het
plangebied is, ter bescherming van de middeleeuwse cope verkaveling, in
lijn met het bestemmingsplan 'Kom Vinkeveen' de dubbelbestemming
'Waarde - Cultuurhistorie' opgenomen.
4.11 Kabels en leidingen
In het plangebied
of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals
rioolpersleidingen of waterleidingen gelegen. Er zijn geen
hoogspanningslijnen in de omgeving van het plan. Er wordt derhalve
geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen, mits voor de
werkzaamheden een KLIC-melding wordt gedaan, geen belemmering
oplevert voor de uitvoering van het plan.
5 Economische uitvoerbaarheid
Bij de
voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6
lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de
(economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij
vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan
vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op
basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de
Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het
bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen
indien:
- het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
- het bepalen van
een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder
c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
- het stellen van
eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel
6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek
Dit
bestemmingsplan heeft gelet op artikel 6.2.1 Bro betrekking op een bij
algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan. Er worden immers
één of meer woningen gebouwd.
De gemeente De
Ronde Venen heeft ten behoeve van het project met de exploitant,
projectontwikkelaar Bolton Ontwikkeling, een koopovereenkomst getekend.
In deze overeenkomst is onder meer geregeld dat de kosten van het
aanpassen van het perceel aan het toekomstig gebruik, de ontwikkeling
en realisatie van de woningen, de aanleg van de hierbij behorende
groenvoorzieningen en infrastructuur etc. voor rekening zijn van de
exploitant. In deze overeenkomst wordt ook de betaling van de eventuele
tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan
veroorzaken, geregeld. De exploitant heeft voor het plan een
exploitatieopzet gemaakt waaruit een positief resultaat blijkt. De
opbrengsten worden behaald door de verkoop van de woningen aan
particulieren.
Gelet op de
kosten en opbrengsten van het project is te verwachten dat het project
een positief resultaat behaalt en in elk geval geen tekorten zal
kennen. Mochten er onverwachte risico's zijn dan is de exploitant een
partij die de tekorten kan opvangen. Indien het plan uiteindelijk geen
positief resultaat laat zien, dan zal dat voor de gemeente geen
consequenties hebben. Het risico daarvoor ligt geheel bij de exploitant.
Het bestemmingsplan is hierdoor financieel uitvoerbaar.
6 Juridische planbeschrijving
6.1 Algemeen
Voor het
bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke
ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare
Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
Dit
bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een
toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch
bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen
in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de
verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn
bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting
heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel
van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave
van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de
beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen.
Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste
interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
6.2 Toelichting afzonderlijke bestemmingen
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:
- Wonen, waarbij
de woonfunctie wordt neergelegd ten behoeve van realisatie van de
nieuwe woningen, inclusief tuinen, bijgebouwen en bij de woningen
behorende parkeerplaatsen. Hoofdgebouwen mogen enkel worden gebouwd
binnen de aangegeven bouwvlakken, waarbij de maatvoering middels een
aanduiding op de verbeelding is aangegeven.
- Verkeer, waarmee de erftoegangsweg en parkeerplaatsen worden vastgelegd;
- Groen, waarmee het openbaar groen wordt vastgelegd.
De noemenswaardige bijzonderheden van dit plan zijn:
- op het gehele
plangebied rust de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie. Deze
dubbelbestemming is opgenomen ter bescherming van de middeleeuwse cope
verkaveling. Diverse werken en werkzaamheden ten behoeve van
samenvallende bestemmingen zijn uitsluitend met een omgevingsvergunning
van het bevoegd gezag toegestaan.
Voorwaardelijke verplichting
Om ook bij de
maximale invulling te voorzien in een kwalitatief goede openbare ruimte
is een groeninrichtingsplan opgesteld. Hiermee wordt voorzien in een
goede functionele overgang tussen wonen en de maatschappelijke functie.
Daarnaast wordt ook zo het doorzicht van oost naar west behouden en
kwalitatief ingevuld.
Voor het gebied
tussen de bibliotheek en de nieuw te realiseren woningen is een
speciale regeling opgenomen. Deze regeling voorziet in het borgen van
het inrichtingsplan welke is opgesteld voor deze zone wanneer het
woonprogramma wordt uitgevoerd met een maximale beukmaat. Wanneer
drie smallere woningen worden gerealiseerd hoeft geen uitvoering
gegeven te worden aan het inrichtingsplan.
In het kader van
de vaststelling is een ruimere maatvoering doorgevoerd in het
plan. Het bouwconcept van Bolton gaat uit van standaard beukbreedtes
die steeds met 60 cm toenemen. Voor de vrijstaande woningen kan gekozen
worden uit beukbreedtes van 6,00 m, 6,60 m en 7,20m. Het concept
gaat uit van een standaard garage van 3,00 x 8,00 m (uitwendige maten).
De totale breedte van de woningen inclusief de garage wordt dan 9,52 m,
10,12 m en 10,72 m. Daarnaast geldt vanuit het Burgelijk wetboek
de eis dat een woning minimaal 2,00 m uit de erfgrens moet staan om in
die betreffende gevel ook ramen te mogen maken. Om de
optimale keuzevrijheid voor alle 3 de kavels te realiseren is het
wenselijk om het bestemmingsplanvlak een totale breedte te geven van 3
x 12,72 m is 38,16 m wat dus 2,16 m breder is dan wat is
aangehouden in het ontwerp bestemmingsplan. Voorgaande is
aanleiding geweest om het bestemmingsplan op dit onderdeel gewijzigd
vast te stellen. De gemeente is akkoord gegaan met het uitbreiden van
het woonbestemmingsvlak onder toevoeging van de voorwaardelijke
verplichting.
Functieaanduiding Groen
Omdat het exacte
woningtype, en daarmee de beukmaat, nog niet bekend is is middels een
aanduiding Groen nader geregeld dat deze gronden, met de
bestemming Woongebied, aangewend kunnen worden t.b.v. de groenfunctie
indien een smallere beukmaat wordt toegepast. Binnen deze groenfunctie
kan een ruimer opgezet groenplan worden gerealiseerd.
Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bij
de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond
van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld
in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt
overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en
Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of
belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het
geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden
van dit overleg.
Een
ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken
ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder
om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad
wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan
ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er
de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak
Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop
van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is
er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking,
tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige
voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt
indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt
met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State.
7.1 Overleg
Het voorontwerpbestemmingsplan is voor vooroverleg verstuurd aan onderstaande diensten en instanties:
- Provincie Utrecht
- Waternet
- VRU
- Woonadviescommissie
In de bijlage zij de resultaten van het vooroverleg te vinden.
In november 2012
heeft tevens een informatieavond voor de omgeving van het Veenbad
plaatsgevonden. Hier is het woningbouwplan gepresenteerd. Deze avond
heeft verschillende aandachtspunten opgeleverd, waarvan met name de
vraag om zorgvuldig om te gaan met de parkeerbehoefte in de buurt ook
in dit bestemmingsplan wordt verankerd.
In aanloop naar
de tervisielegging van het ontwerp bestemmingsplan is (bij wijze van
gerichte inspraak) overleg gevoerd met vertegenwoordigers van De Boei,
De Jozefschool, de Klimboom en de bewoners van de naastliggende
woningen. Aandachtspunten vanuit deze overleggen zijn onder meer:
- Parkeren
blijft een zorgpunt. Het plan bevat daarom een onderbouwing van de
parkeerbehoefte (zowel op basis van de CROW normen als op basis van
parkeertelling) en de conclusie is dat het plan voldoende parkeerruimte
biedt. In pieksituaties (enkele keren per jaar) zal er wel sprake zijn
van overloop op de omgeving, maar is geen aanleiding het plan hierop
aan te passen.
- Het
beheer van de insteekhaven wordt door verschillende partijen genoemd.
De zorg bestaat dat zich hier vuil gaat ophopen. In de laatste
planaanpassing is de insteekhaven komen te vervallen. Hiermee is
tegemoet gekomen aan de geuite zorgen.
- Vanuit
de Boei bestaan er zorgen over mogelijke toekomstige geluidsklachten
van de nieuwe bewoners. Deze zouden ertoe kunnen leiden dat De Boei
aanpassingen moet doen om te kunnen blijven functioneren. In verband me
deze zorgen is in het bestemmingsplan de situatie zoals die nu is
vastgelegd en verantwoord. Er wordt aan de geldende wetgeving voldaan.
Voor toekomstige bewoners is daarmee bekend dat ze te maken hebben met
een sporthal in de nabije omgeving.
- Met
name voor de Jozefschool en De Klimboom is de situatie tijdens de
realisatie een zorgpunt. Hierover worden partijen voorafgaand aan de
uitvoering in contact gebracht, zodat hierover afspraken kunnen worden
gemaakt.
- Vanuit
de bewoners van de omgeving worden vragen gesteld over hoe de
hoogteverschillen worden overbrugt en op welk peil de nieuwe woningen
worden gerealiseerd. Ook dit wordt meegenomen naar de uitvoering, zodat
hier geen problemen ontstaan.
- Naar
aanleiding van het overleg is de bouwgrens ten opzichte van de eerste
woning aan het Achterveld naar 1,5 meter (vanaf de erfgrens)
opgeschoven.
In aanloop naar
de uitvoering wordt opnieuw overlegd met deze betrokkenen, zodat met de
genoemde en andere uitvoeringsaspecten rekening kan worden gehouden bij
de bouw.
Gelet op het
uitgebreide voorbereidende overleg dat reeds over dit plan is gevoerd,
is afgezien van een terinzagelegging van het voorontwerp van dit
bestemmingsplan, maar wordt meteen een ontwerp plan ter visie gelegd.
7.2 Zienswijzen
Gedurende de
periode van ter inzage legging zijn 2 zienswijzen ingediend. Deze
zienswijzen zijn samengevat en voorzien van een inhoudelijke
beantwoording in de Nota Beantwoording zienswijzen n.a.v.
ontwerpbestemmingsplan Veenbad Tuinderslaantje 2.