Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Veenbad Tuinderslaantje 2
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0736.BPP011Veenbad-va01

Regels

 
1 Inleidende regels
 
Artikel 1 Begrippen
1.1 bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0736.BPP011Veenbad-va01 met de bijbehorende regels.
  
1.2 aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waarvoor ingevolge dit bestemmingsplan regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
  
1.3 aan- en uitbouw
een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw.
  
1.4 aan-huis-gebonden beroepen
een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en voor zover deze beroepen een ruimtelijke uitstraling hebben die met de woonfunctie in overeenstemming is.
  
1.5 antennedrager
een antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne.
  
1.6 antenne-installaties
een installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.
  
1.7 archeologisch onderzoek
onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt.
  
1.8 archeologische waarde
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden.
  
1.9 bebouwing
een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
  
1.10 bedrijfsvloeroppervlakte
de totale vloeroppervlakte van een kantoor, winkel of bedrijf met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten.
  
1.11 bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen
afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet of de Wabo.
  
1.12 bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak.
  
1.13 bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
  
1.14 Bevi-inrichtingen
bedrijven zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
  
1.15 bevoegd gezag
bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
  
1.16 bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk bouwen, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
  
1.17 bouwgrens
de grens van een bouwvlak.
  
1.18 bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit gedeelte zonder ingrijpende voorzieningen voor woonfuncties geschikt of geschikt te maken is.
  
1.19 bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
  
1.20 bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
  
1.21 bouwwijze
de wijze van bouwen van een hoofdgebouw, waarbij:
  1. onder aaneengebouwd wordt verstaan een hoofdgebouw, die deel uitmaakt van een blok van meer dan twee hoofdgebouwen en/of andere functies, waarvan het hoofdgebouw aan het op het aangrenzende bouwperceel gelegen hoofdgebouw is gebouwd;
  2. onder vrijstaand wordt verstaan een hoofdgebouw, waarvan het hoofdgebouw niet aan een op een aangrenzend bouwperceel gelegen gebouw is aangebouwd;
1.22 bijgebouw
een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
  
1.23 cultuurhistorische waarde
de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde in verband met ouderdom en/of historische gaafheid.
  
1.24 dakkapel
een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst.
  
1.25 detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
  
1.26 gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
  
1.27 hoofdgebouw
een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.
  
1.28 kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten
het in een woning door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, waarbij de woning in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt met een ruimtelijke uitstraling die daarbij past.
  
1.29 nutsvoorzieningen
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.
  
1.30 overkapping
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak.
  
1.31 peil
  1. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg;
  2. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.
 
1.32 platte afdekking
een horizontaal vlak, ter afdekking van een gebouw, dat meer dan tweederde van de grondoppervlakte van het gebouw beslaat.
  
1.33 voorgevel
de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.
   
Artikel 2 Wijze van meten
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
  
2.1 afstand
de afstand tussen bouwwerken onderling en de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.
  
2.2 bouwhoogte van een antenne-installatie
  1. ingeval van een vrijstaande (schotel)antenne-installatie: tussen het peil en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie;
  2. ingeval van een op of aan een bouwwerk gebouwde (schotel)antenne-installatie: tussen de voet van de (schotel)antenne-installatie en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie.
 
2.3 bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
  
2.4 breedte, lengte en diepte van een bouwwerk
tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.
  
2.5 dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
  
2.6 goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
  
2.7 inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
  
2.8 oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
  
2.9 vloeroppervlakte
de gebruiksoppervlakte volgens NEN2580.
    
2 Bestemmingsregels
Artikel 3 Groen
3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. groenvoorzieningen;
met daarbij behorende:
  1. toegangswegen en -paden;
  2. parkeervoorzieningen;
  3. fiets- en wandelpaden;
  4. speelvoorzieningen;
  5. nutsvoorzieningen;
  6. geluidwerende voorzieningen;
  7. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  8. ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – voorwaardelijke verplichting’: de voorwaardelijke verplichting tot de inrichting van gronden die is opgenomen in artikel 5 lid 2.1 sub f 
     
3.2 Bouwregels

Op of in de in artikel 3 lid 1 bedoelde gronden mogen slechts in de bestemming passende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan:
  1. 7 meter voor palen en masten;
  2. 6 meter voor geluidwerende voorzieningen;
  3. 5 meter voor speelvoorzieningen;
  4. 2 meter voor terreinafscheidingen;
  5. 3 meter voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  6. 1,5 meter voor steigers en vlonders, waarvoor aanvullend geldt:
    1. het oppervlak mag niet meer bedragen dan 40 m2;
    2. gemeten vanuit de bestaande oeverlijn de oversteek boven het water niet meer mag bedragen dan 1,5 meter;
    3. de hoogte gemeten vanaf het gemiddelde waterpeil niet minder mag bedragen dan 0,5 meter.
Artikel 4 Verkeer
4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Verkeer aangewezen gronden zijn bestemd voor: 
  1. erftoegangswegen;
  2. fiets- en voetpaden;
  3. overig verblijfsgebied;

    met daarbij behorende:
  4. parkeervoorzieningen; 
  5. groenvoorzieningen, bermen en taluds;
  6. nutsvoorzieningen;
  7. straatmeubilair;
  8. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
4.2 Bouwregels

Op of in de in artikel 4 lid 1 bedoelde gronden mogen slechts in de bestemming passende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan:
  1. 10 meter voor palen en masten;
  2. 1 meter voor terreinafscheidingen;
  3. 3 meter voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
 
Artikel 5 Woongebied
5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Woongebied aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. het wonen in de vorm van (half-)vrijstaande en aaneengebouwde woningen inclusief bijgebouwen;
  2. een erfontsluitingsweg met een minimale breedte van 5,50 meter ter plaatse van de aanduiding ontsluiting;
  3. ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – voorwaardelijke verplichting’: de voorwaardelijke verplichting tot de inrichting van gronden die is opgenomen in artikel 5 lid 2.1 sub f
  4. ter plaatse van de aanduiding ‘groen’: groen (met toegelaten gebruiksfuncties overeenkomstig artikel 3.1). 
met daarbij behorende: 
  1. erven en tuinen;
  2. dakterrassen en balkons;
  3. toegangswegen- en -paden;
  4. parkeervoorzieningen;
  5. nutsvoorzieningen;
  6. water en waterhuishoudukndige voorzieningen.
5.2 Bouwregels

Op of in de in Woongebied bedoelde gronden mogen slechts in de bestemming passende bouwwerken worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:
 
5.2.1 Algemeen
  1. hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouw- en goothoogte (m)' mag de bouw- en goothoogte van hoofdgebouwen niet meer bedragen dan is aangeduid;
  3. het maximaal aantal wooneenheden zoals aangegeven op de plankaart mag niet worden overschreden;
  4. de bouw- en goothoogte van een bouwwerk voor een nutsvoorziening mag ten hoogste 5 meter bedragen;
  5. ondergrondse bouwwerken dienen waterdicht aangelegd te worden.
  6. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – voorwaardelijke verplichting' is het bouwen en gebruik van de gronden en aanwezige bebouwing voor de functie wonen, zoals bedoeld in artikel 5 lid 1 sub a , uitsluitend toegestaan als de gronden ter plaatse van de aanduiding 'voorwaardelijke verplichting’ die niet voor de functie wonen zullen worden benut (en wel voor gebruiksfuncties overeenkomstig artikel 3.1 onder a tot en met h en artikel 5 lid 1 sub d ), worden ingericht overeenkomstig de “Inrichtingsschets” in bijlage 1, of volgens een inrichtingsschets die vanuit stedenbouwkundig oogpunt een gelijk niveau van ruimtelijke kwaliteit garandeert;
  7. de inrichting van gronden die als verplichting onder f is opgenomen, moet zijn voltooid binnen uiterlijk één jaar na het eerste moment van ingebruikneming van de gronden en aanwezige bebouwing voor de functie wonen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – voorwaardelijke verplichting'.
5.2.2 Bijgebouwenregeling
  1. de omvang van het gezamenlijk oppervlak aan bijgebouwen als bedoeld in artikel 5 lid 2.2 sub b artikel 5 lid 2.2 sub c artikel 5 lid 2.2 sub d wordt bepaald door de perceelsoppervlakte vanaf 3 meter achter de voorgevellijn (zone zijtuin en achtertuin), met dien verstande dat bij deze berekening het oppervlak van het (bestaande) hoofdgebouw niet wordt meegerekend;
  2. voor bouwpercelen waarvan de perceelsoppervlakte zoals beschreven in artikel 5 lid 2.2 sub a minder dan 200 m² bedraagt, geldt dat het bebouwde oppervlak aan bijgebouwen op deze gronden, ten hoogste 40% mag bedragen;
  3. voor bouwpercelen waarvan de perceelsoppervlakte zoals beschreven in artikel 5 lid 2.2 sub a minder dan 200 m² bedraagt, geldt dat het bebouwde oppervlak aan bijgebouwen, voor zover het bepaalde percentage in artikel 5 lid 2.2 sub b dit toelaat, ten hoogste 5 m² bedragen voor elke meter dat het bouwperceel gemiddeld breed is tot een absoluut maximum van 50 m²;
  4. voor bouwpercelen waarvan de perceelsoppervlakte zoals beschreven in artikel 5 lid 2.2 sub a 200 m² of meer bedraagt, geldt dat het bebouwde oppervlak aan bijgebouwen ten hoogste 50 m² mag bedragen, vermeerderd met 5% van het aantal vierkante meters dat deze gronden groter zijn dan 200 m², tot een absoluut maximum van 90 m²;
  5. het is niet toegestaan bijgebouwen voor de voorgevelrooilijn op te richten;
  6. in afwijking van het bepaalde onder artikel 5 lid 2.2 sub e is het toegestaan een bijgebouw voor de voorgevel op te richten ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen';
  7. bijgebouwen mogen vrijstaand en aangebouwd aan het hoofdgebouw worden gebouwd;
  8. voor vrijstaande bijgebouwen geldt dat:
    1. de goothoogte van een vrijstaand bijgebouw maximaal 3 meter mag bedragen;
    2. de bouwhoogte ten hoogste 4 meter mag bedragen;
    3. de afstand tot de voorgevelrooilijn ten minste 3 meter moet bedragen;
  9. voor aangebouwde bijgebouwen geldt dat:
    1. de afstand tot de voorgevelrooilijn ten minste 3 meter moet bedragen;
    2. bij de vrijstaande woningen slechts aan één zijgevel bijgebouwen mogen worden aangebouwd;
    3. de goothoogte maximaal 3 meter mag bedragen;
    4. de bouwhoogte maximaal 4 meter mag bedragen;
5.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  1. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan:  
    1. 7 meter voor palen en masten; 
    2. 1 meter voor erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel;
    3. 2 meter voor overige erf- en terreinafscheidingen;
    4. 3 meter voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
5.3 Nadere eisen
5.3.1 Bevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd na afweging van de in het geding zijnde belangen, waaronder begrepen planologisch-stedenbouwkundige belangen en verkeersbelangen, nadere eisen te stellen, met betrekking tot:
  1. de situering van bouwwerken;
  2. de situering van en het aantal parkeervoorzieningen.
5.3.2 Voorwaarden

De bevoegdheid onder artikel 5 lid 3.1 wordt toegepast met het oog op:
  1. de gebruiksmogelijkheden ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de zich daarop bevindende bouwwerken;
  2. de gebruiksmogelijkheden in verband met gewenste parkeerruimte van voldoende omvang op eigen terrein.
5.4 Afwijken van de bouwregels
5.4.1 Erkers en entreeportalen

Het bevoegd gezag kan in afwijking van het bepaalde in artikel 5 lid 2.1 sub a  een omgevingsvergunning verlenen voor een erker of entreeportaal met inachtneming van de volgende regels:
  1. de goothoogte van het bijgebouw mag niet meer bedragen dan de goothoogte van het hoofdgebouw, doch nooit meer dan 3 meter;
  2. de diepte gemeten uit de voorgevel van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 0,60 meter;
  3. de breedte mag niet meer bedragen dan 3/5e deel van de breedte van de voorgevel.
 
5.4.2 Dakopbouwen op schuine daken

Het bevoegd gezag kan in afwijking van het bepaalde in artikel 5 lid 2.1 sub b een omgevingsvergunning verlenen voor een dakopbouw op een schuin dak met inachtneming van de volgende regels:
  1. het hoofdgebouw betreft een aaneengebouwde woning;
  2. de dakhelling van het hoofdgebouw bedraagt niet meer dan 42,50°;
  3. de dakhelling van de dakopbouw is gelijk aan de dakhelling van het hoofdgebouw;
  4. het verschil tussen de nieuwe goothoogte en de maximaal toegestane goothoogte mag niet meer bedragen dan 2,10 meter;
  5. het verschil tussen de onderkant van de dakopbouw en de oorspronkelijke goothoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 1,50 meter;
  6. de dakopbouw moet passen in het straat- en bebouwingsbeeld.
5.5 Specifieke gebruiksregels

Het uitoefenen van aan huis gebonden bedrijfsactiviteiten of webshop is toegestaan met inachtneming van de volgende regels:
  1. de uitoefening van een aan huis gebonden bedrijfsactiviteit mag uitsluitend plaatsvinden door de eigenaar van de woning;
  2. de voor de bedrijfsactiviteiten te gebruiken vloeroppervlakte is maximaal 30% van de oppervlakte van de bebouwing op het perceel, maar niet meer dan 50 m²;
  3. er mag geen onevenredige afbreuk aan de woonfunctie worden gedaan;
  4. detailhandel en horeca zijn niet toegestaan;
  5. er mag geen onevenredige milieu- of verkeershinder ontstaan;
  6. de activiteiten moeten worden uitgeoefend door de bewoner van het betreffende perceel;
  7. de activiteiten mogen niet vergunning- of meldingplichtig zijn op grond van de Wet milieubeheer.
5.6 Afwijken van de gebruiksregels
5.6.1 Mantelzorgwoningen

Het bevoegd gezag kan in afwijking van het bepaalde onder artikel 5 lid 1 een omgevingsvergunning verlenen voor het creëren van huisvestingsmogelijkheden voor mantelzorg in de vorm van inwoning of een afhankelijke woonruimte, met in acht name van de volgende regels: 
  1. mantelzorg mag, behalve in de vorm van inwoning, alleen plaatsvinden binnen een onzelfstandige woonruimte zijnde een vrijstaand of aangebouwd bijgebouw;
  2. de afstand tussen het hoofdgebouw en een vrijstaand bijgebouw mag maximaal 6 meter bedragen;
  3. de gebouwen waarin mantelzorg plaatsvindt dienen te voldoen aan de bouwtechnische eisen voor woningen tenzij sprake is van plaatsing van een zogenaamde "portakabin" of stacaravan;
  4. de oppervlakte voor mantelzorg mag maximaal 80 m2 en de inhoud maximaal 200 m3 bedragen;
  5. indien er behoefte is aan parkeervoorzieningen dient dit op eigenterrein opgelost te worden;
  6. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen percelen mogen niet in onevenredige mate worden beperkt;
  7. aan de ontheffing kan een termijn worden verbonden; een ontheffing inzake huisvesting ten behoeve van mantelzorg vervalt in ieder geval indien de mantelzorgsituatie ter plaatse eindigt;
  8. extra mantelzorgruimte zal niet worden toegestaan indien er op een perceel reeds een tweede woning of tweede zelfstandige woonruimte aanwezig is.
Artikel 6 Waarde - Cultuurhistorie
6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming – mede bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische waarde.
  
6.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
6.2.1 Verbod
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen.
6.2.2 Uitzonderingen

Het in artikel 6 lid 2.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden, die:
  1. het normale onderhoud en beheer betreffen;
  2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt;
  3. mogen worden uitgevoerd op grond van een reeds verleende vergunning.
6.2.3 Toelaatbaarheid

De in artikel 6 lid 2.1 bedoelde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport overlegt, waarin de cultuurhistorische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en op basis van dat rapport kan aantonen dat:
  1. op het betrokken terrein geen cultuurhistorische waarden aanwezig (meer) zijn;
  2. de cultuurhistorische waarden niet worden geschaad;
  3. mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, voorschriften te verbinden.
Artikel 7 Waterstaat - Waterkering
7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de
waterkering, waterhuishouding en waterstaat, waarbij de bestemming Waterstaat - Waterkering voorrang heeft op de andere daar voorkomende bestemming(en).

7.2 Bouwregels

Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd.

7.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het in artikel 7 lid 2 bepaalde, indien de beheerder van de waterkering een positief advies heeft uitgebracht, met dien verstande dat in dat geval de bouwregels van de overige daar voorkomende bestemmingen in acht worden genomen.

7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden op de in artikel 7 lid 1 bedoelde gronden uit te voeren:
    1. het verlagen dan wel afgraven van de gronden;
    2. het planten of verwijderen van diepgewortelde beplanting of bomen;
    3. het in de grond indrijven van voorwerpen/objecten.
  2. Het in artikel 7 lid 4 sub a vervatte verbod geldt niet voor:
    1. werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden in verband met de realisatie van de bestemming als bedoeld in artikel 7 lid 1;
    2. werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis binnen het op de bestemming gerichte normale onderhoud en beheer;
    3. werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, die op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt in uitvoering zijn.
  3. De omgevingsvergunning voor de werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden als bedoeld in
    artikel 7 lid 4 sub a is slechts toelaatbaar, indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de belangen van de waterkering ontstaat of kan ontstaan.
  4. Alvorens omgevingsvergunning te verlenen als artikel 7 lid 4 sub a bedoeld, wordt bij de beheerder van de betreffende waterkering advies ingewonnen.
3 Algemene regels
Artikel 8 Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
   
Artikel 9 Algemene bouwregels
 
9.1 Ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons, overstekende daken en kelders buiten beschouwing gelaten, mits de bouw- c.q. bestemmingsgrens met niet meer dan 2 meter wordt overschreden.

9.2 Aanvullende werking bouwverordening

De voorschriften van de Bouwverordening ten aanzien van onderwerpen van stedenbouwkundige aard (Hoofdstuk 2, paragraaf 5), blijven buiten toepassing, behoudens ten aanzien van de volgende onderwerpen:
  1. de richtlijnen voor het verlenen van vrijstelling van de stedenbouwkundige bepaling (artikel 2.5.1);
  2. de bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer (artikel 2.5.3);
  3. de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (artikel 2.5.4);
  4. ruimte tussen bouwwerken (artikel 2.5.17);
  5. de parkeergelegenheid (artikel 2.5.30).
Artikel 10 Algemene gebruiksregels
10.1 Vormen van verboden gebruik (onbebouwd)

Als een verboden gebruik wordt in ieder geval beschouwd een gebruik van gronden en/of water:
 
  1. als opslag-, stort-, lozings- of bergplaats van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen of producten, behoudens voor zover dat noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  2. als terrein voor het al dan niet voor de verkoop opslaan of opstellen van ongebruikte en/of gebruikte, dan wel geheel of gedeeltelijk uit gebruikte onderdelen samengestelde machines, voer-, vaar- of vliegtuigen c.q. onderdelen daarvan, die bruikbaar en niet aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken zijn, behoudens voor zover het betreft parkeren en overigens voor zover dat noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  3. als opslagplaats van hout en/of aannemersmaterialen, behoudens voor zover dat noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond, of ten behoeve van bouw of andere tijdelijke werkzaamheden;
  4. voor het (doen) uitoefenen van straatprostitutie;
  5. als ligplaats voor woonschepen of recreatiewoonschepen, tenzij de gronden de bestemming 'Water - Woonschepenligplaats' hebben.
 
10.2 Vormen van verboden gebruik (gebouwen)

Als een verboden gebruik wordt in ieder geval beschouwd het gebruik:
  1. van gebouwen voor het verkopen of ten verkoop aanbieden van goederen als detailhandel, met uitzondering van het verkopen of ten verkoop aanbieden van:
    1. goederen, waarvan de verkoop deel uitmaakt van de normale dienstverlening behorende bij het op hetzelfde perceel uitgeoefende bedrijf;
    2. agrarische producten afkomstig van en geteeld op het ter plaatse aanwezige agrarisch bedrijf;
  2. van niet voor bewoning bestemde gebouwen of ruimten, daaronder begrepen kampeermiddelen, of van bijgebouwen, voor permanente bewoning;
  3. van recreatieverblijven voor permanente bewoning;
  4. van gebouwen ten behoeve van het (doen) exploiteren van een seksinrichting, een escortbedrijf of (het laten uitoefenen van) raamprostitutie.
10.3 Vormen van verboden gebruik (voorwaardelijke verplichting)

Als een verboden gebruik wordt in ieder geval beschouwd:
  1. het gebruik van gronden en bouwwerken voor de woonfunctie ter plaatse van de aanduiding 'voorwaardelijke verplichting’, overeenkomstig artikel 5 lid 2.1 sub f indien de inrichting van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'voorwaardelijke verplichting’ die niet voor de functie wonen zullen worden benut (en wel voor gebruiksfuncties overeenkomstig artikel 3.1 onder a tot en met h en artikel 5 lid 1 sub d )niet is gerealiseerd binnen de termijn genoemd in artikel artikel 5 lid 2.1 sub g.
Artikel 11 Algemene afwijkingsregels
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan, voor: 
  1. het afwijken van de in het plan voorgeschreven bouwvlak-, bouwhoogte-, goothoogte-, breedte-, diepte-, afstands- en bebouwde oppervlaktematen met ten hoogste 10%, indien dit in verband met de realisering van een bouwplan noodzakelijk is;
  2. geringe afwijkingen, die in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken, of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, mits de afwijking in de situering niet meer dan 3 meter bedraagt;
  3. het oprichten van voorzieningen ten dienste van het ontvangen en zenden van radio- en televisiesignalen, voor zover deze voorzieningen van geringe horizontale afmetingen zijn en mits de bouwhoogte niet meer bedraagt dan maximaal 15 meter voor antennes voor privégebruik en maximaal 55 meter voor antennes ten behoeve van telecommunicatieverkeer;
  4. het oprichten van bouwwerken ten algemeen nutte, zoals transformatorhuisjes, bemalingsinrichtingen, gasdrukregel- en meetstations, telefooncellen, wachthuisjes voor verkeersdiensten, schuilgelegenheden en schaftlokalen, mits de oppervlakte van elk van deze gebouwtjes niet meer zal bedragen dan 20 m² en de bouwhoogte ervan niet meer zal bedragen dan 3 meter.
  5. het op de plankaart aangegeven aantal wooneenheden mag  worden overschreden, mits het totaal aantal te realiseren woningen in het plangebied niet groter wordt dan 12 en het parkeren binnen het plangebied wordt opgelost.
  6. de op de plankaart aangegeven bebouwingsvorm, vrijstaande of aaneengebouwd, naar de vorm van half vrijstaande woningen
 
Artikel 12 Algemene wijzigingsregels
12.1 Flexibiliteit

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het wijzigen van bestemmings- en aanduidingsvlakken, met inachtneming van de volgende regels:
  1. de oppervlakte van een bestemmings-, bouw- of aanduidingsvlak wordt met niet meer dan 10% verkleind of vergroot;
  2. een bestemmings-, bouw- of aanduidingsgrens wordt met niet meer dan 3 meter verschoven;
  3. er wordt toepassing gegeven aan artikel 76 en artikel 77 van de Wet geluidhinder;
  4. de bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende bouwpercelen worden niet in onevenredige mate worden geschaad;
Artikel 13 Overige regels
Werking wettelijke regelingen
 
De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.
    
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 14 Overgangsrecht
14.1 Overgangsrecht bouwwerken

Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt:
  1. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan;
  2. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%;
  3. dit lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
 
14.2 Overgangsrecht gebruik

Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt:
  1. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  2. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  3. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  4. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
 
Artikel 15 Slotregel
Deze regels worden aangehaald onder de naam regels van het bestemmingsplan Veenbad Tuinderslaantje 2.