| Plan: | Woningbouw Achterweg-Vervoornlaan Herwijnen |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0733.BpHwnAchterwVervoo-VA01 |
Dit perceel is in het bestemmingsplan 'Kern Herwijnen' onderdeel geweest van de planontwikkeling voor Herwijnen Oost, en ligt in de uit te werken maatschappelijke bestemming. Deze bestemming is reeds in voldoende mate ingevuld door de woon-/ zorglocatie Avondlicht.
Daarom is nu voor de vervolgfase van het plan Herwijnen-Oost een stedenbouwkundig plan opgesteld. Onderdeel van dit stedenbouwkundig plan is het perceel aan de zuidzijde, gelegen op de hoek van de Vervoornlaan en de Achterweg. De locatie grenst met de noordzijde aan een kleine insteekweg en het perceel van het te realiseren complex van Avondlicht. Aan de oostzijde ligt het woonperceel van Achterweg 55. De zuid- en westzijde grenzen aan respectievelijk de Achterweg en de Vervoornlaan.
Op deze locatie zijn twee vrijstaande woningen aan de Achterweg voorzien, en vier patiowoningen aan de insteekweg nabij Avondlicht. De patiowoningen liggen op een gustige locatie bij Avondlicht, om hierin eventueel een uitwisseling te laten plaatsvinden, bijvoorbeeld in de vorm van dagbesteding.
Afbeelding: luchtfoto met globale ligging plangebied (rood omkaderd) (bron: Bing)
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen ten oosten van de Vervoornlaan op de hoek met de Achterweg en ten zuiden van de nieuwbouwwijk Herwijnen-Oost. De locatie grenst met de noordzijde aan een kleine (toekomstige) insteekweg en het perceel van het te realiseren complex van Avondlicht. Aan de oostzijde ligt het woonperceel van Achterweg 55. De zuid- en westzijde grenzen aan respectievelijk de Achterweg en de Vervoornlaan.
Afbeelding: luchtfoto ingezoomd met globale ligging plangebied (rood omkaderd) (bron: Kadviewer)
Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan "Kern Herwijnen" dat is vastgesteld door de gemeenteraad van Lingewaal op 30 juni 2011. In dit bestemmingsplan hebben de gronden in het plangebied de bestemming 'Maatschappelijk - Uit te werken' en een kleine strook is bestemd met 'Wonen - 1'. Deze strook met 'Wonen - 1' behoort tot het eigendom van de gemeente.
Ook een deel van de Vervoornlaan en een deel van de Achterweg behoren tot deze bestemming 'Maatschappelijk - Uit te werken'. Aangezien dat geen wenselijke eindsituatie is, wordt ook een deel van de Vervoornlaan opgenomen binnen voorliggend plangebied, om hier de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' op te kunnen nemen.
Uitsnede vigerend bestemmingsplan, met indicatieve plangrens in rood (bron: Kadviewer)
Binnen de bestemming 'Maatschappelijk - Uit te werken' is de realisatie van woningen niet toegestaan. Derhalve wordt voorliggend bestemmingsplan opgesteld.
De voorliggende toelichting is als volgt opgebouwd:
De kernen in de gemeente Lingewaal bevinden zich in het gebied tussen de Linge in
het noorden en de Waal in het zuiden. Voor de historische ontwikkeling van Herwijnen
is met name de wijze waarop de Waal in dit gebied gronden heeft afgezet, bepalend
geweest. Door de afzetting van deeltjes vanuit de rivier ontstonden op korte afstand
van de rivier zandige oevergronden en verder van de rivier kleiachtige komgronden. De
oeverwallen in de nabijheid van de rivier waren geschikt voor vestiging aangezien deze
door hun hogere ligging gevrijwaard bleven van overstromingen. De achtergelegen
komgebieden waren, gezien hun lagere ligging, minder geschikt voor bebouwing.
De eerste bewoning in het plangebied vond al plaats vóór de bedijking van het gebied
in de 10e eeuw. Na de aanleg van de Waaldijk is het gebied blijvend bewoond geweest.
De bebouwing in het gebied concentreerde zich lange tijd op de stroomrug van de Waal
en langs de hoger gelegen Waaldijk. De komgronden ten noorden van de rivierdijk zijn
lange tijd onbewoond gebleven als gevolg van de hoge grondwaterstand en de slechte
bodemgrondslag.
De lintbebouwing, die zich concentreerde langs de Waaldijk, is in de loop der jaren verdicht.In een aantal gevallen leidde dit tot het ontstaan van een buurtschap of dijkdorp.
De buurtschappen Benedeneind, Kerkeneind en Boveneind zijn hier voorbeelden van.
De bebouwing concentreerde zich in eerste instantie op en direct aan de dijk. Binnendijks was veelal sprake van tweedelijns bebouwing onderaan de voet van de dijk, die van de dijkbebouwing werd gescheiden door een extra ontsluitingsweg. De bebouwing in de buurtschappen is afwisselend en bestaat van oudsher uit grotere, monumentale boerderijen afgewisseld met kleinere panden.
In de loop van de 20e eeuw werd de beheersing van de grondwaterstand in het binnendijkse gebied geleidelijk beter. Daarmee namen ook de bebouwingsmogelijkheden
toe. De noodzaak om de rivierdijken te versterken heeft ertoe geleid dat Herwijnen zich
op enige afstand van de Waal heeft ontwikkeld. Rond 1900 is in het gebied waar de
kern Herwijnen zich bevindt nog nauwelijks bebouwing aanwezig. De Achterweg, Nieuwe
Steeg, de Graaf Reinaldweg en de Schoutensteeg (destijds Houtsteeg) zijn op de
topografische kaart van 1905 duidelijk zichtbaar. In de eerste helft van de 20e eeuw is
het dorp Herwijnen tot ontwikkeling gekomen. In eerste instantie werd bebouwing gerealiseerd langs de Achterweg. Na 1950 is het beeld van de dorpskern Herwijnen sterk
veranderd. De sterke bevolkingsgroei en de dijkverzwaringsplannen gaven de eerste
aanzet tot het ontstaan van nieuwe dorpen en planmatige dorpsuitbreidingen op de
komgronden.
De ruimtelijke structuur van de gemeente Herwijnen, die zich tot dan toe had ontwikkeld
als een typische dijkgemeente, transformeerde hierdoor tot de huidige situatie:
één grotere dorpskern in het komgebied achter de dijk, en lintbebouwing langs de dijk
die is verdicht tot drie buurtschappen.
De planlocatie bevindt zich ten zuidoosten van de kern Herwijnen, op de hoek van de Achterweg en de Vervoornlaan. De Achterweg verbindt de Waaldijkbuurtschappen met de kern Herwijnen.
De Achterweg vormt de route vanuit de kern naar het buitengebied. Voorliggende locatie is binnen de bebouwde kom gelegen. De Vervoornlaan vormt de toegangsweg tot de woonbuurt Herwijnen-Oost.
Situering plangebied, met globale locatie in rode cirkel (bron: Kadviewer)
Het plangebied zelf betreft een gedeelte van een bestaande (laagstam-)boomgaard. De locatie is afgelopen decennia in gebruik geweest als boomgaard voor het telen van appels en peren.
Het plangebied wordt aan de westkant begrensd door de Vervoornlaan met een nog te realiseren groenstrook. Verder in westelijke richting, richting het centrum, zijn vrijstaande woningen gelegen.
Aan de noordzijde grenst het plangebied aan het woon- en zorgcentrum Avondlicht. Daarachter is de uitbreidingswijk Herwijnen Oost geprojecteerd. Verder weg bevindt zich de provinciale weg N-830, die Geldermalsen met Gorinchem verbindt.
Het plangebied wordt aan de oostkant begrensd door een bestaande burgerwoning. Verder in oostelijke richting, naar het buitengebied toe, is een menging van functies. Hier zijn onder andere een agrarisch technisch hulpbedrijf met groente- en fruittransport en een bloemenwinkel gevestigd. Wat verder weg bevinden zich ten noorden van de Achterweg nog enkele burgerwoningen en niet-agrarische bedrijven.
Het plangebied wordt aan de zuidkant begrensd door de Achterweg, met hieraan een afwateringssloot. Aan deze sloot is een beukenhaag aangeplant van ongeveer twee meter hoog. Aan de overzijde van de Achterweg, ten zuiden van de planlocatie, staat een woning met daaromheen agrarische gronden. Richting het buitengebied zijn ook aan deze zijde burgerwoningen en niet-agrarische bedrijven gelegen, zijnde een grondverzet- en aannemingsbedrijf ten behoeve van de agrarische, bouw en infrastructurele sector. Wat verder weg is de Waaldijk met de Waaluiterwaarden gelegen.
Aan de Achterweg staan de woningen met de rooilijn van de voorgevel schuin ten opzichte van de weg. Dit komt doordat woningen eenzelfde richting hebben als de verkaveling in het gebied, waar de weg schuin doorheen snijdt. Deze schuine doorsnijding en schuine positionering van woningen aan de weg is daardoor wel kenmerkend geworden voor de lintbebouwing en dient herhaald te worden in de planlocatie voor de nieuwe woningen.
Afbeelding: luchtfoto ingezoomd met globale ligging plangebied (rood omkaderd) (bron: Kadviewer)
In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke beleidskaders voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied aangegeven.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 vastgesteld en in werking getreden. In deze visie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. Anders dan in de Nota Ruimte gaat de structuurvisie uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Onderhavig rijksbeleid kent geen doorwerking voor dit uitwerkingsplan.
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 13 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen met het oog op een goede ruimtelijke ordening.
Het Barro is op 30 december 2011 deels in werking getreden en met enkele onderwerpen aangevuld per 1 oktober 2012. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Dit betreft onder meer het Nationaal Natuur Netwerk (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) en Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, waaronder de Nieuw Hollandse Waterlinie.
In het Barro zijn voor ieder erfgoed van uitzonderlijke universele waarde de kernkwaliteiten in hoofdlijnen beschreven. Voor het Nieuwe Hollandse Waterlinie zijn dat de volgende:
Uitsnede Kaart erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, bijlage 7 Barro
Vervolgens stelt het Barro dat de provinciale verordeningen regels moeten bevatten voor bestemmingsplannen waarmee de kernkwaliteiten van de NHW worden behouden of versterkt. Het is aan de desbetreffende provincies in hun verordening de begrenzing van de NHW nauwkeurig vast te stellen, waarbij de indicatieve begrenzing uit de AMvB leidend is. Een nadere begrenzing moet bewerkstelligen dat op gemeentelijk niveau, alle onderdelen van het gebied van cultuurhistorisch belang, onder het erfgoed vallen. Daarnaast is het aan de provincies om de kernkwaliteiten uit te werken en te concretiseren op regionale en lokale schaal.
De nadere begrenzing van de Nieuw Hollandse Waterlinie is relevant voor voorliggend planvoornemen en is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie en -verordening. Een motivering op dit beleid is opgenomen in 3.2.1 en 3.2.2.
Het plangebied van het bestemmingsplan “Woningbouw Achterweg-Vervoornlaan Herwijnen” is gelegen in het radarverstoringsgebied van de radar van het Radarstation Herwijnen, zoals dit is aangewezen in het Barro. Dit betreft een militaire radar. Het betreffende bestemmingsplan is ten tijde van het voorontwerp nog niet vastgesteld, maar vanuit het Barro vloeit de verplichting voort om dit in het Barro als radarverstoringsgebied aangewezen gebied niet te hinderen. In verband hiermee zijn er ter voorkoming van radarverstoring beperkingen van toepassing voor de bouw van hoge gebouwen en overige bouwwerken.
Uitsnede kaart radarstations
De bouwbeperkingen binnen het radar-verstoringsgebied zijn vastgelegd in het Besluit (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). In artikel 2.4 van de Rarro zijn de radarverstoringsgebieden beschreven, waarvoor op basis van artikel 2.6.9 van het Barro bouwhoogte-beperkingen gelden in verband met radarverstoring. Tezamen met de artikelen 2.5 en 2.6 geeft dit artikel het regime om te beoordelen of er sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor de werking van de radar. Het doel van dit regime is om zeker te stellen dat de defensieradars een goed beeld van het luchtruim –en van wat daar vliegt- behouden en dat dit beeld niet in onaanvaardbare mate wordt verstoord door hoge objecten. Met het oog hierop kunnen op grond van artikel 2.6.9 van het Barro hoge objecten in een radarverstoringsgebied slechts worden toegestaan nadat is aangetoond dat deze objecten het radarbeeld niet ontoelaatbaar verstoren.
Binnen een afstand van 15 km van het radarstation Herwijnen geldt dat de maximale hoogte van bouwwerken in een radarverstoringsgebied wordt bepaald door elke denkbeeldige rechte lijn die wordt getrokken vanaf de top van de radarantenne op 25 m NAP, oplopend met 0,25 graden tot een punt gelegen 15 kilometer vanaf de radarantenne. De toetsingshoogte ter plaatse van dit bestemmingsplan bevindt zich rond circa 32 meter boven NAP, zie navolgende afbeelding.
Uitsnede bouwhoogtes radarverstoringsgebied, planlocatie bij gele cirkel
De gestelde hoogtes zijn geralateerd aan NAP. Ter plaatse bedraagt de hoogte circa 3,6 m +NAP. Dat betekent dat een hoogte groter dan 28 m het radarverstoringsgebied kan verstoren. Het bestemmingsplan maakt geen bouwerken met een dergelijke bouwhoogte mogelijk. Daarmee voldoet het bestemmingsplan aan de gestelde regels van het radarverstoringsgebied, zie ook 8.1.2.
Om de natuur in Europa als geheel te beschermen en te ontwikkelen, werken de lidstaten van de Europese Unie (EU) samen aan Natura 2000. Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief.
Doel van Natura 2000 is om deze flora en fauna duurzaam te beschermen. In juridische zin komt Natura 2000 voort uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen; in Nederland vertaald in de Wet natuurbescherming. Binnen een Natura 2000-gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat private en publieke ontwikkelaars willen.
Het plangebied is niet direct gelegen in, of grenst niet direct aan een natura 2000 gebied. In de ruime omgeving van het plangebied zijn drie Natura 2000-gebieden gelegen. Dit betreft de gebieden:
Uitsnede overzichtskaart met plangebied rood omcirkeld en Natura 2000 gebieden in geel (bron: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx)
Effectbeoordeling
Het planvoornemen betreft de realisatie van 6 woningen, in de bebouwde kom van Herwijnen. De locatie ligt op ruime afstand van Natura 2000-gebieden, te weten op circa 4 km, 5 km en 7,5 km. Een dergelijk gering project op deze afstand, heeft geen negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden.
Conclusie
De voorgenomen plannen zullen geen negatieve effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden tot gevolg hebben.
In artikel 3.1.6 van het Bro is de 'toets voor duurzame verstedelijking' opgenomen. Deze toets stelt eisen aan de onderbouwing in bestemmingsplannen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken. In het geval een bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt dient de toelichting te voldoen aan de volgende voorwaarden:
De eerste vraag is echter: is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Het begrip stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”.
Het begrip woningbouwlocatie dat wordt gebruikt in de omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling is niet gedefinieerd in het Bro. Uit jurisprudentie blijkt dat 11 woningen niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Het planvoornemen omvat 6 woningen, dus ook dit is geen stedelijke ontwikkeling. Een toets aan deze voorwaarden is derhalve niet aan de orde.
Met onderhavige ontwikkeling worden nieuwe woningen gerealiseerd in de in het Barro aangeduide Nieuw Hollandse Waterlinie. De Nieuw Hollandse Waterlinie wordt beschouwd als een Erfgoed van universele waarden. Deze gebieden worden door het Rijk ruimtelijk beschermd, waarbij ontwikkelingen in deze gebieden niet mogelijk zijn, tenzij deze de aan de uitzonderlijke universele waarden verbonden kernkwaliteiten behouden of versterken.
De bescherming hiervan vindt plaats in de provinciale Omgevingsverordening, waarbij in paragraaf 3.2 blijkt dat de planlocatie buiten de gedetailleerde begrenzing valt.
Onderhavige ontwikkeling is niet gelegen in of nabij een gebied waarin het rijk een ander nationaal belang heeft aangewezen, derhalve hebben de SVIR en Barro geen consequenties voor voorliggend plan.
Op grond van vaste rechtspraak geldt dat de toevoeging van 6 woningen niet als een stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt. Nadere toetsing aan de duurzame verstedelijkingsvereisten is derhalve niet aan de orde.
Op 9 juli 2014 is de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld, dat op 18 oktober 2014 in werking is getreden, maar middels diverse vastgestelde actualisatieplannen (dd. 8 juli 2015, 11 november 2015 en 1 maart 2017) is aangepast.
De omgevingsvisie is een structuurplan van de provincie Gelderland. De provincie kiest er in deze Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:
Ruimte in kernen en vrijgekomen bebouwing kan worden benut voor wonen en nieuwe economische dragers en als versterking van de vitaliteit van het (landelijk) gebied. Bij de nadere invulling van de uitgangspunten wordt ruimte gelaten voor lokale of regionale initiatieven door gemeenten of regionale samenwerkingsverbanden.
Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik
De provincie zet zich in voor vitale steden en dorpen en voor een duurzame verstedelijking, waarbij wel sprake dient te zijn van zorgvuldige locatie-afwegingen die voortbouwen op de kwaliteit en de kracht van het bestaande en anticiperen op veranderingen in de toekomst. De provincie verwacht van gemeenten dat zij bij grotere initiatieven nagaan of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling die afgewogen moet worden. Als de nieuwe situatie qua omvang (aantallen woningen of oppervlaktes) of qua effecten (milieuhinder, verkeersaantrekkende werking e.d.) dusdanig is dat de aard van het betreffende buitengebied qua karakter verandert, is er sprake van een grootschalige ontwikkeling. In die gevallen is een afweging op grond van de Gelderse Ladder voor duurzaam ruimtegebruik aan de orde en zal de behoefte aangetoond dienen te worden.
Nationaal landschap / Nieuw Hollandse Waterlinie
De planlocatie maakt geen onderdeel uit van het Gelders Natuurnetwerk, de Groene Ontwikkelingszone, of een aangewezen 'waardevol open gebied'. Ook valt de planlocatie buiten de gedetailleerde begrenzing van de door het Rijk aangewezen Nieuwe Hollandse Waterlinie', maar de planlocatie is wel gelegen binnen het Nationaal Landschap 'Nieuw Hollandse Waterlinie'.
Uitsnede Omgevingsvisie Gelderland, deelkaart Landschap
Nationale landschappen zijn gebieden met internationaal zeldzame of unieke en nationaal kenmerkende landschapskwaliteiten en, in samenhang daarmee, bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. Het doel van de Nationale Landschappen is om landschappelijke,
cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten te behouden, duurzaam te beheren en waar mogelijk te versterken. Binnen een dergelijk gebied geldt voor nieuwe ontwikkelingen een ‘ja-mits’ benadering. Ontwikkelingen kunnen worden toegestaan, mits de kernkwaliteiten niet aangetast worden. Hiertoe is een beschermingsregime opgenomen in
de Omgevingsverordening.
De Omgevingsverordening Gelderland is door Provinciale Staten op 24 september 2014 vastgesteld ter vervanging van de Ruimtelijke Verordening Gelderland, maar via diverse actualisatieplannen (d.d. 8 juli 2015, 11 november 2015, 25 januari 2017 en 1 maart 2017) aangepast. Voorliggende ontwikkeling zal moeten voldoen aan de regels in de Omgevingsverordening.
De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.
De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem.
Wonen
Nieuwe woonlocaties kunnen uitsluitend worden toegestaan wanneer dit past in het vigerende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma danwel de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio.
Gelders Natuurnetwerk / Groene Ontwikkelingszone
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Gelders Natuurnetwerk / Groene ontwikkelingszone.
Nationaal landschap/ Nieuwe Hollandse Waterlinie
De planlocatie is niet gelegen in een waardevol open gebied en maakt geen onderdeel uit van de door het Rijk aangewezen 'Nieuw Hollandse Waterlinie', waarvoor specifiek ruimtelijk beleid geldt. De planlocatie is wel gelegen binnen het (provinciaal) Nationaal landschap 'Nieuw Hollandse Waterlinie'. Binnen dit gebied zijn alleen bestemmingen mogelijk die de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap niet aantasten of versterken.
Uitsnede Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Nieuw Hollandse Waterlinie
Het nationaal landschap is nader onderverdeeld in deelgebieden. De planlocatie maakt evenals de ruime omgeving, onderdeel uit van het deelgebied ' Tielerwaard, Land van Maas en Waal Water bergen'. De voor dit deelgebieden onderscheiden kenmerken betreffen:
De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling heeft betrekking op realisering van 6 woningen.
Dit betreft een kleinschalige ontwikkeling, waarvoor een expliciete toetsing aan de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik niet noodzakelijk wordt geacht.
De toevoeging van 6 woningen past binnen het regionale woningprogramma.
De planlocatie maakt geen onderdeel uit van het Gelders Natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone, een aangeduid waardevol open gebied, weidevogelgebied, beschermingsgebied natte landnatuur, grondwaterbeschermingsgebied of de door het Rijk aangewezen Nieuwe Hollandse Waterlinie. De planlocatie is wel gelegen in het provinciaal aangeduide Nationaal landschap 'Nieuwe Hollandse Waterlinie'.
De planlocatie is gelegen in de oostelijke kernrand van de kern Herwijnen. Aan de noordzijde van de planlocatie wordt een nieuw zorgcomplex gerealiseerd alsmede uitbreiding van de kern Herwijnen. Hiermee is ter plaatse geen sprake meer van een (zicht op) achtergelegen open agrarisch gebied, maar van kernbebouwing. Ten oosten van de planlocatie bevindt zich een bestaande vrijstaande burgerwoning ter plaatse van een voormalige agrarische bedrijfslocatie.
Bij de stedenbouwkundige planopzet wordt aan de zuidzijde aangesloten bij de lintbebouwingstructuur aan de Achterweg (onder andere qua orientering van de woningen haaks op de weg als qua maatvoering). Aan de noordzijde wordt aangesloten bij het kleinschalige en dorpse karakter van de nieuwbouw ter plaatse van het te realiseren zorgcomplex.
De voorgenomen ontwikkeling leidt, mede gelet op situering, aard en omvang
niet tot aantasting van de kernkwaliteiten van het Nationaal landschap.
Gelet op bovenstaande leidt het ruimtelijk voornemen op onderhavige planlocatie niet tot strijdigheid met de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening.
De gemeente Lingewaal maakt deel uit van de regio Rivierenland. Het 'Ambitiedocument 2016-2020 - Regio Rivierenland' geeft de speerpunten van de regio weer, te weten Agribusiness, Economie en Logistiek en Recreatie en Toerisme. Daarvoor zijn de volgende ambities gesteld:
Doel daarbij is:
De planlocatie is als uitleglocatie gelegen binnen stedelijk gebied. Het planvoornemen wordt op stedenbouwkundig passende wijze opgenomen in de omgeving, waardoor dit bijdraagt aan de beleving van het dorp.
Het afwegingskader voor het toekomstige beleid ten aanzien van de kernen en het buitengebied in Lingewaal is vastgelegd in 'Het Manifest van Lingewaal: Structuurvisie Plus 2030', dat op 28 januari 2010 is vastgesteld. De Structuurvisie is meer dan een visie op ruimtelijke en economische ontwikkelingen. Het is een visie op de leefbaarheid van de kernen en gemeente als geheel, waarbij gestreefd wordt naar een samenhang tussen ruimte, economie en gemeenschap. Het hart van de Structuurvisie wordt gevormd door het Manifest van Lingewaal.
Hierin staan de basiskeuzen, de hoofdlijnen die de koers voor de gemeente Lingewaal naar 2030 uitzetten:
De hoofdlijnen van het Manifest zijn nader uitgewerkt en vertaald naar de belangrijkste beleidsvelden binnen de gemeente. De gemeentelijke inzet in Herwijnen is met name gericht op:
De planlocatie is gelegen in het gebied 'uitbreiding wonen'. Om Herwijnen leefbaar te houden is er zowel ruimte nodig voor jong als oud. Dit naast de twee- en eenoudergezinnen waarop het huidige woningaanbod is toegesneden. Juist de binnen Lingewaal meer geïsoleerde positie van Herwijnen, op enige afstand van grotere steden, maakt dat er voldoende (woon)ruimte aanwezig moet zijn voor deze 2 doelgroepen. Het plangebied voorziet in deze woonruimte; de woningen zijn gericht op de doelgroep ouderen.
Voor het woningbouwprogramma in de gemeente Lingewaal is het 'Woningbouwprogramma Lingewaal 2017 - 2018' opgesteld. Voor Herwijnen-Oost zijn 15 woningen opgenomen. De woningen in het plangebied zijn hierin opgenomen. Het bouwprogramma is verder uitgewerkt in het KWP3 van de provincie.
De gemeente Lingewaal heeft sinds 2004 een welstandsnota zoals aangegeven in de wet. Met de herziening van 2015 in de vorm van een Nota ruimtelijke kwaliteit (d.d. 5 maart 2015) wil de gemeente het ruimtelijke kwaliteitsbeleid actualiseren, waar mogelijk vereenvoudigen en meer afstemmen op de beleving van de burger.
Het kwaliteitsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden een rol te geven bij de ontwikkeling en beoordeling van bouwplannen.
Lingewaal zoekt naar een evenwicht tussen de bouwmogelijkheden voor
burgers en bedrijven enerzijds en het aanzien van de gemeente anderzijds. Langs beeldbepalende linten en in de historische kernen is een hoge beeldkwaliteit uitgangspunt en moet toetsing van bouwplannen bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit. Voor de meeste woongebieden en bedrijventerreinen wil de gemeente zich wat betreft de ruimtelijke kwaliteit terughoudend opstellen en waar mogelijk ruimte laten voor particulier initiatief. Voor het vergunningvrij bouwen wordt aangesloten op de mogelijkheden die het Rijk biedt.
De nota maakt onderscheid in gebieden en objecten. Met de nieuwe nota is het aantal gebieden en objecten sterk gereduceerd. De gebieden vormen de kern van het beleid. De gemeente is verdeeld in gebieden met een eigen identiteit zoals linten, woonwijken en bedrijventerreinen. Van deze gebieden is het ruimtelijk en architectonisch beeld beschreven gevolgd door een waardering en een verwachting over eventuele veranderingen. Deze bepalen de uitgangspunten voor de kwaliteitstoets. De gebiedscriteria zijn te zien als een uitwerking van de algemene criteria, die de voor een bouwplan gewenste eigenschappen beschrijven.
Net als te onderscheiden gebieden zijn er bescheiden objecten, die zich lenen voor vereenvoudigde toetsing. Voorbeelden daarvan zijn bijgebouwen bij en dakkapellen op een woning. Voor dit soort plannen zijn zo eenduidig en meetbaar mogelijke criteria opgenomen, die de planindiener vooraf een grote mate van duidelijkheid geven over de uitkomst van de toetsing.
Onderhavig plangebied maakt onderdeel uit van het gebied 'woongebied', met ter plaatse een soepele welstandstoets. Een en ander is omschreven op pagina 42 en verder van de "Nota ruimtelijke kwaliteit" van de gemeente Lingewaal. Dit betekent concreet dat enkel voor dakkapellen en dakopbouwen een welstandstoets geldt.
Uitsnede verbeelding welstandsnota met indicatie plangebied
Voor de vervolgfase van het plan Herwijnen-Oost is een stedenbouwkundig plan opgesteld. Onderdeel van dit stedenbouwkundig plan is het perceel aan de zuidzijde, gelegen op de hoek van de Vervoornlaan en de Achterweg. De locatie grenst met de noordzijde aan een kleine insteekweg en het perceel van het te realiseren complex van Avondlicht. Aan de oostzijde ligt het woonperceel van Achterweg 55. De zuid- en westzijde grenzen aan respectievelijk de Achterweg en de Vervoornlaan. Navolgende luchtfoto illustreert de ligging.
Ligging planlocatie (rode contour)
Op deze locatie zijn twee vrijstaande grondgebonden aan de Achterweg voorzien, en vier patiowoningen aan de in de toekomst aan te leggen insteekweg nabij Avondlicht. Vanwege de ligging aan het begin van de woonbuurt van Herwijnen-Oost, is het van belang om tot een passende inrichting te komen die bijdraagt aan een representatieve entree van de buurt. In voorliggend document worden derhalve de beeldkwaliteitcriteria besproken die de beoogde inrichting tot uitdrukking brengt.
Twee vrijstaande woningen
Aan de Achterweg zijn twee vrijstaande woningen voorzien. De woningen dienen aansluiting te vinden bij de lintbebouwing langs deze weg. De maat, schaal, oriëntatie en de positie van de woning op de kavel dienen derhalve te passen bij de karakteristieken van de aanwezige lintbebouwing waaronder de (voormalige) agrarische woonbebouwing. In het bijzonder moet aansluiting worden gezocht bij de bestaande woning van Achterweg 55, op het naastgelegen perceel. Deze woning bestaat uit één bouwlaag met ruime kap, waarbij de rooilijn van de voorgevel ten opzichte van de weg een schuin verloop kent. Zoals ook elders aan de straat, komt dit doordat woningen eenzelfde richting hebben als de verkaveling in het gebied, waar de weg schuin doorheen snijdt. Deze schuine doorsnijding en schuine positionering van woningen aan de weg is daardoor wel kenmerkend geworden voor de lintbebouwing en dient herhaald te worden in de planlocatie voor de nieuwe woningen. De nieuw te bouwen woningen zijn derhalve op een vergelijkbare afstand tot de weg voorzien, evenwijdig aan de voorgevel van nummer 55. Daarnaast krijgen de woningen eveneens één bouwlaag met ruime kap, waarbij de maximale nokhoogte overeenkomstig de bestaande woning (Achterweg 55) 8 meter bedraagt.
Schetsontwerp van de planlocatie (in Bijlage 1 Schetsontwerp is een groter exemplaar opgenomen) (bron: Pouderoyen Compagnons)
Vier patio's
Ten noorden van de twee vrijstaande woningen zijn vier patiowoningen gepland. Deze patio's zijn gericht op de insteekweg van de Vervoornlaan, en daarmee op de zuidzijde van het complex van Avondlicht. Avondlicht is een zorgcomplex dat reeds gepland is als een besloten enclave met een aaneengesloten grondgebonden kamers rondom een binnentuin. Ook aan de buitenzijde zijn kamers voorzien zodat het complex ook op de omliggende straten gericht is. De vormgeving van het complex is kleinschalig en dorps. Het bestaat uit één bouwlaag met een gevarieerd kappenspel met lessenaarsdaken.
De patiowoningen sluiten aan op de vormentaal van Avondlicht en de vrijstaande woningen. De woningen bestaan uit maximaal één bouwlaag met een beperkte opbouw middels een zadeldak. Van belang is dat de woning op de hoek van de kruising met de Vervoornlaan een tweezijdige oriëntatie krijgt, zodat ook aan de Vervoornlaan een straatgerichte gevel krijgt. Navolgende criteria beschrijven de beoogde beeldkwaliteit van de twee vrijstaande en de vier patiowoningen.
Situering
Straatgerichte gevels (bron: Pouderoyen Compagnons)
Massa en vorm
Gevelopbouw
Materiaal en kleurgebruik
Gevelindeling
Detaillering
Aan- en bijgebouwen
Tuinen
Hoogten erfafscheidingen (groen = max. 1 m, blauw = max. 2 m) (bron: Pouderoyen Compagnons)
Parkeren
In dit hoofdstuk worden alle relevante milieu- en omgevingsaspecten voor het plangebied behandeld. Indien er beperkingen uit het plan voortvloeien naar aanleiding van één van de aspecten, dan is hier in dit plan als randvoorwaarde rekening mee gehouden. Een en ander betekent dat het bestemmingsplan in overeenstemming met het criterium van 'een goede ruimtelijke ordening' dient te zijn.
In het kader van de goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er een voldoende mate van scheiding aanwezig is tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies als wonen. De milieuzonering heeft twee doelen:
Voor de toetsing kan onder meer gebruik worden gemaakt van de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' waarin voor de onderscheiden bedrijfsactiviteiten generieke afstandsnormen zijn opgenomen. Dit betreffen conform jurisprudentie richtafstanden, die indicatief zijn voor een goede ruimtelijke ordening. Bij de toetsing van concrete situaties dient echter maatwerk te worden geleverd. Afwijking van de generieke richtafstanden
uit de VNG publicatie is hierbij mogelijk, mits dit goed kan worden gemotiveerd.
In dit bestemmingsplan wordt de bouw van enkele woningen mogelijk gemaakt.
Woningen
In de omgeving van het plangebied is sprake van een aantal burgerwoningen. Deze kennen geen milieubelastend effect op de omgeving en zijn derhalve niet gezoneerd.
Zorgcomplex
Daarnaast is aan de noordzijde van het plangebied een woon-/zorgcomplex gesitueerd. De woningen in de planlocatie worden de meest nabije woningen aan deze zijde van het woon-/zorgcomplex. Vergelijkbaar hiermee is een verpleeghuis. Dit is in de VNG-publicatie aangemerkt als milieucategorie 2, met een bijbehorende richtafstand van 30 m, waarbij geluid het maatgevende aspect is. Voor geur geldt een richtafstand van 10 m.
De omgeving van het plangebied kan op basis van de VNG-brochure worden aangemerkt als omgevingstype 'gemengd gebied'. Dit betreft gebieden met een matige tot sterke functiemenging. Naast burgerwoningen komen in de omgeving van het plangebied ook een zorgcomplex en diverse bedrijven voor en is de locatie aan de toegangsweg van de woonwijk gesitueerd. Voor locaties gelegen in gemengd gebied kan de hierboven opgenomen richtafstand daarom met een stap worden teruggebracht naar 10 m. De voorgevels van de patiowoningen zullen op 7 / 7,5 meter van de bestemmingsgrens 'Maatschappelijk' komen te liggen. Er is dus feitelijk een tekort van 2,5 / 3 meter. De weg voor de woningen zal niet als ontsluitingsweg gaan dienen voor het zorgcentrum, maar alleen voor de patiowoningen. Hierdoor zal al het verkeer dat aangetrokken wordt door Avondlicht niet (voor)langs de woningen rijden. Daarnaast is er een vergunning verleend voor de bouw van het zorgcentrum. Uit de verleende vergunning blijkt dat de achterzijde van het zorgcentrum gericht zal zijn op de patiowoningen. Gelet hierop zal in dit geval de korte afstand ten opzichte van Avondlicht geen onevenredige gevolgen hebben voor het woon- en leefklimaat voor de nieuw te bouwen woningen.
Overige bedrijven
Aan Achterweg 56 en 57 zijn bedrijven gesitueerd. Aan Achterweg 56 is overeenkomstig het bestemmingsplan een grondverzet- en aannemingsbedrijf voor de agrarische, bouw en infrastructuursector gevestigd. Dit betreft een bedrijf in milieucategorie 3.1, met een bijbehorende richtafstand van 50 m. Met een feitelijke afstand van 85 m wordt hieraan voldaan.
Op de locatie Achterweg 57 is voorts, overeenkomstig de geldende bestemming uit het bestemmingsplan 'Reparatieplan bestemmingsplan buitengebied 2014', sprake van een 'Agrarisch hulp- en nevenbedrijf, groente- en fruittransport en bloemenwinkel'. Op grond van de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering is betreffend bedrijf vergelijkbaar met de categorie 'Groothandel in ruwe tabak, groenten, fruit en consumptie-aardappelen' met een milieucategorie 3.1 danwel een goederenwegvervoerbedrijf met een milieucategorie 3.2. De grootste richtafstand voor hinder betreft hiervoor 100 meter in verband met het aspect geluid. Met een feitelijke afstand van 112 m wordt hieraan voldaan.
Ook hier kunnen vanwege het gemengde gebied de richtafstanden met één stap worden teruggebracht naar 50 m respectievelijk 30 m. Bovendien zijn er woningen dichterbij gesitueerd, die voor de betreffende bedrijven daarmee de maatgevende woningen zijn.
Fruitboomgaarden
Nieuwe woningen dienen in de regel op minimaal 50 meter afstand van fruitboomgaarden gebouwd te worden. Er was een boomgaard op het gehele kadastrale perceel achter de (geprojecteerde) woning ten oosten van nr. 55 aanwezig, maar deze is inmiddels verwijderd. Er resteert op het perceel U1423 nog een kleine boomgaard, zie navolgende afbeelding, met in rood gearceerd het resterende deel. De eigenaar heeft aangegeven dat de bomen op het perceel staan ter afscheiding van zijn perceel ten opzichte van het woningbouwproject. Hij heeft aangegeven dat deze (peren)bomen momenteel worden bespoten. Ook heeft hij aangegeven dat hij mee wil werken aan het stoppen van het bespuiten van de bomen op zijn perceel. Daarmee levert deze boomgaard geen beperking meer op.
De meest nabij gelegen boomgaard en eventueel bijbehorende spuitzone bevindt zich dan op circa 180 meter. Hiermee is geen sprake van eventuele aantasting van het woon- en leefklimaat en/of belemmering van omliggende agrarische bedrijven. Er zijn wel agrarische gronden binnen een straal van 50 m gelegen; dit betreffen de gronden ten zuiden van de Achterweg. Het daar geldende bestemmingsplan 'Reparatieplan Bestemmingsplan Buitengebied 2014' bevat een specifieke gebruiksbepaling, waarin is geregeld dat nieuwe boomgaarden niet zijn toegestaan binnen een afstand van 50 m tot woningen en andere gevoelige bestemmingen. Aangezien hier geen bestaande boomgaard aanwezig is, zijn de woningen ook voor de toekomst beschermd.
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering leidt niet tot belemmeringen voor het plan.
Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet inzichtelijk worden gemaakt welke geluidsbronnen in of de nabije omgeving van het plangebied aanwezig zijn en wat de geluidbelasting is voor woningen en andere geluidgevoelige gebouwen. Op basis van de Wet geluidhinder zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening mee moet worden gehouden:
Onderhavige planlocatie bevindt zich niet in de onderzoekszone van een spoorlijn. Het aspect spoorweglawaai hoeft derhalve voor onderhavig plangebied niet nader onderzocht te worden en vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
In opdracht van Pouderoyen is door Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het wegverkeerslawaai in het kader van de voorgenomen ontwikkeling (Akoestisch onderzoek Contourberekening Patiowoningen Herwijnen-Oost, rapportnummer M165844.001.001/JGO, 30 oktober 2017). Dit onderzoek is als Bijlage 2 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai bij deze toelichting gevoegd.
De geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de gezoneerde weg Achterweg overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele positie in het plangebied.
In het kader van de Wet geluidhinder hoeft voor onderhavige situatie de cumulatieve geluidbelasting niet bepaald te worden, omdat de enige (zoneplichtige) weg niet resulteert in een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde.
In het kader van een goed woon- en leefklimaat (geluidwering gevel) is in onderhavig onderzoek de gecumuleerde geluidsbelasting wel beschouwd incl. de 30 km/uur-wegen. Uit de rekenresultaten blijkt dat het plangebied geheel gelegen is binnen de 48 dB en 53 dB contour. Een normale gevel van een woning heeft een minimale geluidwering van 20 dB. Geconcludeerd kan worden dat het binnenniveau van 33 dB in het hele plangebied gewaarborgd is.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid van het wegverkeerslawaai geen belemmering vormt voor de oprichting van de nieuwe woning.
De planlocatie is niet gelegen binnen een zone voor industrielawaai. Het aspect industrielawaai hoeft derhalve voor onderhavig plangebied niet nader onderzocht te worden en vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
Op 15 november 2007 is de Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Hierbij zijn tevens op 15 november 2007 het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: het Besluit) en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: de Regeling) in werking getreden. Uit artikel 2, eerste lid van het Besluit volgt dat een project na de vaststelling van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijn stof of stikstofdioxide, indien deze maximaal 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes of stikstofdioxide bedraagt. Als aangetoond wordt dat een project niet meer bedraagt dan 3% aan de jaargemiddelde concentratie, behoeft het project niet te worden getoetst aan de grenswaarden en is het inpasbaar vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit. De grens van de bouw van woningen ligt bij 1500 woningen.
Conclusie
Omdat het bestemmingsplan slechts de bouw van 6 woningen mogelijk maakt, wordt op grond van het voornoemde geconcludeerd dat het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven. Het bestemmingsplan is voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking
getreden. Met de Wet geurhinder en veehouderij geldt één toetsingskader voor vergunningplichtige veehouderijen in de hele gemeente. Voor niet vergunningplichtige veehouderijen en overige agrarische niet vergunningplichtige bedrijven is het Activiteitenbesluit het toetsingskader.
De Wet geurhinder en veehouderij bevat normen en afstanden die bedrijven moeten aanhouden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarnaast geeft de Wet geurhinder en veehouderij gemeenten de beleidsvrijheid om maatwerk te leveren dat is afgestemd op de ruimtelijke en milieuhygiënische feiten en omstandigheden in een concreet
gebied en de gewenste (toekomstige) ruimtelijke inrichting.
Ten aanzien van de beoordeling of sprake is van een goed woon- en leefklimaat wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgrondbelasting en achtergrondbelasting. De voorgrondbelasting betreft de geurbelasting van individuele veehouderij op een geurgevoelig object. De achtergrondbelasting betreft de gebiedsbelasting: cumulatieve geurbelasting in een gebied als gevolg van de aanwezige veehouderijen.
Op korte afstand (binnen 500 meter) van het plangebied zijn geen veehouderijbedrijven
gesitueerd. Er is dan ook geen sprake van geurbelasting op de woning als
gevolg van een nabijgelegen veehouderij.
Aan "Rapport Actualiseren Geurgebiedsvisie Onderbouwing verordening ogv Wet geurhinder en veehouderij - Gemeente Lingewaal" uit 2016 zijn kaarten toegevoegd, met daarin de achtergrondsituatie op basis van de vergunningen en op basis van een toekomstig maximaal scenario opgenomen. Op basis van deze geurverordening is voor Herwijnen-Oost een (afwijkende) voorgrondbelasting van 3 ou/m3 vastgesteld.
Deze rapportage vermeldt dat in de vergunde situatie door toedoen van de achtergrondbelasting in noordoostzijde van de kern van Herwijnen sprake is van een ‘goed’ leefklimaat.
Uitsnede uit bijlage I Achtergrondbelasting vergund (bron: Geurverordening Gemeente Lingewaal)
Daarnaast is in deze rapportage de achtergrondbelasting in beeld gebracht voor de maximale situatie.
Uitsnede uit bijlage II Achtergrondbelasting toekomst (maximaal) (bron: Geurverordening Gemeente Lingewaal)
In de maximale situatie is geen sprake van een verslechtering van het leefklimaat door toedoen van de berekende uitbreidingsmogelijkheden van alle veehouderijen: Een gedeelte van de kern van Herwijnen (noord) is gelegen buiten de contour van 19,0 ou E /m3 gelegen, waardoor het leefklimaat als ‘slecht’ te definiëren is;
In de vergunde situatie is het leefklimaat door toedoen van de achtergrondbelasting in het grootste gedeelte van de bebouwingsconcentraties binnen de gemeente ‘redelijk goed’ tot ‘goed’. Ondanks de berekende groeimogelijkheden op uitsluitend geur van alle veehouderijen is het leefklimaat ter plaatse van alle dorpskernen in deze fictieve maximale situatie bijna overal ‘redelijk goed’ tot ‘matig’ en incidenteel in de directe omgeving van een veehouderij ‘tamelijk slecht’, tot ‘slecht’. Omdat de vergunde geursituatie geen knelpunt vormt en omdat de berekende maximale situatie zich niet voor kan doen op basis van het huidige bestemmingsplan of andere wetgeving dan de Wgv of het Activiteitenbesluit vormt de achtergrondbelasting geen aanleiding voor het aanpassen van de wettelijke geurnormen.
Aangezien in de nabijheid van het veehouderijbedrijf aan Peersteeg 1 te Herwijnen een ontwikkelingsgebied voor wonen gelegen is, waaronder voorliggende planlocatie, is het wenselijk voor dit bedrijf de voorgrondbelasting in kaart te brengen. De individuele geurbelasting van deze veehouderijen is nader beschouwd.
Uit de geurberekeningen is gebleken dat vergunde geurcontouren van de veehouderij aan Peersteeg 1 te Herwijnen geen belemmering vormen voor eventuele ruimtelijke ontwikkelingen in het plangebied Herwijnen-Oost, zolang buiten de contour behorende bij de geldende geurnorm gebouwd wordt.
Indien de geurnorm verhoogd wordt 3,0 ou E /m3 naar 4,0 ou E /m3, kan het woon- en verblijfsklimaat binnen het woonontwikkelingsgebied Herwijnen-oost als ‘matig’ tot ‘goed’ aangemerkt worden. Het ‘matige’ leefklimaat betreft alleen het meest noordoostelijke deel van het plangebied, wanneer de veehouderij aan de Peersteeg 1 maximaal gebruik maakt van de groeimogelijkheden. Meer dan de helft van het (bruikbare) plangebied heeft in die situatie een geurbelasting van maximaal 3,0 ou E /m3, waarbij het woon- en verblijfsklimaat als ‘goed’ beschouwd kan worden. Ook wat betreft de achtergrondbelasting is sprake van een acceptabel leefklimaat (zie hoofdstuk 4).
Conclusie
Eén en ander leidt tot de conclusie dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van geur.
Bij het toekennen van een bestemming wonen aan de grond is het van belang om te weten wat de kwaliteit van de bodem is. Het is bijvoorbeeld in strijd met een goede ruimtelijke ordening om gevoelige bestemmingen zoals woondoeleinden te plannen op gronden die verontreinigd zijn. In dit verband zijn voor het onderhavig plangebied, waarin woningen zijn voorzien, een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd door Aelmans Eco b.v. (Verkennend bodem- en asbestonderzoek Perceel landbouwgrond aan de Achterweg ong. te Herwijnen (Gemeente Lingewaal), rapportnummer E166020.001/HWO). Het rapport is als Bijlage 3 Bodemonderzoek bij deze toelichting gevoegd en bevat samengevat de volgende bevindingen.
Conclusie
Uit de analyseresultaten van de bovengrond blijkt, dat enkele concentraties zware metalen en bestrijdingsmiddelen de achtergrondwaarden overschrijden. Naar aanleiding van onderhavige bevindingen kunnen we concluderen dat de toplaag licht verontreinigd is met bestrijdingsmiddelen. Voornoemde overschrijdingen worden vaker aangetroffen ter plaatse van voormalige boomgaarden. Voor het beoogde gebruik als zijnde woondoeleinden vormen dergelijke (marginale) overschrijdingen geen directe belemmeringen.
Uit de analyseresultaten van de ondergrond blijkt, dat geen van de onderzochte parameters de achtergrondwaarden (AW 2000) overschrijden.
Uit de analyseresultaten van het grondwater blijkt, dat de concentratie barium en xylenen, de betreffende streefwaarden overschrijden. Voornoemde concentraties zijn dermate marginaal dat deze vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen directe belemmeringen opleveren. Voornoemde verontreinigingen kunnen veelal als gebiedseigen bestempeld worden en vormen vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen voor de beoogde bouwplannen en het hiermee gepaard gaande toekomstig gebruik.
Tijdens het verrichten van het bodemonderzoek zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetoond. Op basis van de bevindingen van voornoemd zintuiglijk bodemonderzoek en het historisch bodemonderzoek is geen verder onderzoek naar asbest verricht.
Resumerend kan gesteld worden dat ondanks de verhoogde concentraties in zowel de bovengrond en het grondwater deze vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen vormen voor het voorgenomen gebruik ten aanzien van woondoeleinden.
Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling zijn de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk gemaakt.
Verkeer
Het planvoornemen leidt niet tot een wezenlijke wijziging van de bestaande verkeerskundige structuur en situatie.
De omvang van de toename in verkeersbewegingen als gevolg van het voornemen is dusdanig gering dat er geen knelpunten zullen ontstaan ten aanzien van de doorstroming van het verkeer en de verkeersveiligheid. Gelet op het feit dat voorliggende locatie behoorde tot het uit te werken maatschappelijke gebied in het bestemmingsplan 'Kern Herwijnen', kan voorts worden gesteld dat reeds rekening was gehouden met een verkeersintensieve functie.
De vrijstaande woningen worden ontsloten via een inrit die direct aansluit op de Achterweg. Voor de patiowoningen wordt vanuit de Vervoornlaan voorzien in een eigen toegangsweg.
Parkeren
Voor de vrijstaande woningen wordt voorzien in voldoende ruimte voor parkeren op eigen terrein. Op de betreffende percelen is het mogelijk om per woning in ruim 2 parkeerplaatsen te voorzien.
Voor de patiowoningen geldt op basis van het gemeentelijke parkeerbeleid een parkeernorm van 2,1 parkeerplaats per woning (woning duur, rest bebouwde kom). Dit betekent dat er 8,4 parkeerplaatsen zijn benodigd.
Per patiowoning zal er worden voorzien in één parkeerplaats op eigen terrein. Daarnaast wordt voorzien in 5 parkeerplaatsen in het openbaar gebied. Het parkeren op eigen terrein bij de patiowoningen vindt plaats aan de zijkant van de patiowoningen. Tevens is er ruimte voor parkeren langs de weg ter plaatse van de vrijstaande woning aan de Achterweg. Daarmee wordt er voor de patiowoningen voorzien in 9 parkeerplaatsen.
Conclusie
Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Bij de vrijstaande woningen worden twee parkeerplaatsen per woning op eigen terrein gerealiseerd. Voor de patiowoningen wordt voorzien in één parkeerplaats op eigen terrein en 5 parkeerplaatsen in het openbaar gebied.
Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumenten-zorg (Wamz) in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta uit 1992. De Wamz is in zijn geheel opgenomen in de Erfgoedwet. In de Wamz is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak 'in situ' te beschermen. Gemeenten zijn met de inwerkingtreding van de Wamz in grote mate verantwoordelijk voor hun eigen bodemarchief.
De locatie heeft geen dubbelbestemming omdat er in 2005 onderzoek is geweest in kader van nieuwbouw Herwijnen Oost. Door uitvoerder Bilan is gesteld dat er geen in situ archeologische resten aanwezig zullen zijn. Ook specifiek in de zone op de hoek van Achterweg-Vervoorlaan. Derhalve is geadviseerd het gebied vrij te stellen van nader onderzoek. In 2008 is nieuwbouw Herwijnen Oost uitgespaard op de archeologische
beleidskaart. Dit is in 2012 op de herziene kaart zo gebleven waardoor er geen dubbelbestemming voor de kavel met vier woningen geldt. Er geldt wel een archeologische dubbelbestemming op de smalle strook aan de zijde van de Achterweg. Deze strook is verder niet van invloed op de eigenlijke bouwplannen.
Conclusie
Voorliggende locatie heeft geen archeologische dubbelbestemming, gezien de resultaten uit eerder verricht archeologisch onderzoek. Derhalve is er geen indicatie dat archeologische verwachtingswaarden worden geschaad.
Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg in werking getreden. Als gevolg van de MoKo is het Bro (artikel 3.6.1, lid 2) gewijzigd. In een bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, rekening is gehouden. Ook de facetten historische bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
De planlocatie is niet gelegen binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
De Achterweg is op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart aangemerkt als een historisch geografische lijn. Hierin vindt met het planvoornemen geen verandering plaats. De percelen aan de Achterweg worden schuin door de weg doorsneden. De woningen staan paralel aan de kavelrichting. Door de schuine doorsnijding van de weg, kent de rooilijn van de voorgevel ten opzichte van de weg een schuin verloop. Deze schuine doorsnijding en schuine positionering van woningen aan de weg is daardoor wel kenmerkend geworden voor de lintbebouwing en wordt in de planlocatie herhaald voor de nieuwe woningen.
Conclusie
Het plan houdt rekening met de historische verkaveling. Als gevolg van het plan worden geen cultuurhistorische waarden aangetast of geschaad. Het aspect cultuurhistorie vormen derhalve geen beletsel voor de planontwikkeling.
Voorliggende planlocatie maakt onderdeel uit van de uit te werken bestemmingen, zoals deze in het kader van de ontwikkelnig van Herwijnen-Oost zijn opgenomen. In de uiteindelijke uitwerking voor Herwijnen-Oost is voorliggende locatie er buiten gehouden, vanwege het feit dat de ter plaatse geldende uit te werken maatschappelijke bestemming niet voorziet in woningbouw.
In het kader van de ontwikkeling van Herwijnen-Oost is het waterhuishoudingsplan “Herwijnen-oost waterhuishouding en riolering d.d. 30 mei 2006” opgesteld, waar voorliggende locatie onderdeel van is. Dit plan heeft de instemming van het gemeentebestuur en het Waterschap Rivierenland. In dat plan is berekend dat er twee retentievijvers moeten worden gerealiseerd, één met een oppervlakte van 1.670 m² en één met een oppervlakte van 870 m². Beide vijvers zijn reeds gerealiseerd en als water bestemd op de verbeelding van het (moeder)bestemmingsplan ‘Kern Herwijnen’. Naast deze permanente retentievijvers is waterbergingscapaciteit opgenomen in de groene middenas van Herwijnen-Oost. In deze groenzone kan in totaal voor 701 m³ water worden geborgen.
Op de gronden van de (toenmalig) uit te werken bestemmingen hoeft daarom geen aanvullende waterberging te worden gerealiseerd.
Conclusie
Voorliggende planlocatie maakte onderdeel uit van het plangebied Herwijnen-Oost, en was opgenomen binnen de genoemde bestemming 'Maatschapelijk - Uit te werken'. Voorliggend planvoornemen maakt geen intensievere bebouwing mogelijk dan met de bestemming 'Maatschappelijk - Uit te werken' was voorgestaan. Op de gronden van de uit te werken bestemmingen hoeft daarom geen aanvullende waterberging te worden gerealiseerd, aangezien dit reeds in het moederplan voor het gehele plangebied is gerealiseerd.
In 2016 heeft Staro Natuur en Buitengebied een quickscan flora en fauna en voortoets met veldonderzoek uitgevoerd voor de bouw van circa 50 grondgebonden woningen en een zorgcentrum aan de oostzijde van de Vervoornlaan in de uitbreidingswijk Herwijnen-Oost (Quickscan flora en fauna en voortoets Natuurbeschermingswet 1998 - Herwijnen Oost, rapportnummer 16-0057, februari 2016, zie Bijlage 4 Quickscan flora en fauna en voortoets). Het plangebied van onderhavige quickscan, onderdeel van deze uitbreidingswijk, ligt op de hoek van de Vervoornlaan en de Achterweg is momenteel in gebruik als akker. Bij het veldbezoek in 2016 voor de uitbreidingswijk is deze locatie reeds onderzocht. Door veranderde natuurwetgeving (inwerking treden Wet natuurbescherming per 1 januari 2017) is de noodzaak ontstaan de plannen aan deze nieuwe wet te toetsen. Daarom is de quickscan uit 2016 geactualiseerd, zie bijlage Bijlage 5 Update quickscan. Deze notitie beschrijft de update van de quickscan natuurwaarden. Onderstaand zijn de conclusies uit beide rapportages in samenhang met elkaar opgenomen.
Wet natuurbescherming
Het plangebied ligt in de omgeving van drie Natura 2000-gebieden. Dit betreft de gebieden:
Uit de voortoets kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen plannen geen negatieve effecten tot gevolg zullen hebben ten aanzien van deze Natura 2000-gebieden.
Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied maakt geen deel uit van het GNN of de GO. Het dichtstbijzijnde gebied dat tot de GO behoort ligt ongeveer 500 meter ten noorden van het plangebied. Het dichtstbijzijnde gebied dat onderdeel is van het GNN ligt ongeveer 650 meter ten zuiden van het plangebied.
De voorgenomen ontwikkeling ligt buiten het GNN en GO en heeft zodoende geen invloed op de oppervlakte van GNN/GO. Het is vanwege de aard van de voorgenomen plannen en de relatief grote afstand tot het GNN/GO redelijkerwijs uit te sluiten dat de kernkwaliteiten van het GNN/GO door de voorgenomen plannen zullen worden aangetast.
In het plangebied komen mogelijk soorten voor die beschermd zijn volgens de Wet natuurbescherming. Tabel 2 geeft een samenvatting van de conclusies.
Soorten van §3.1 van de Wet natuurbescherming
Mogelijk behoort het plangebied tot het leefgebied van de huismus. Indien de haag verwijderd wordt, dient nader onderzoek in de periode april - juni uit te wijzen of huismussen nestelen in de haag, zo ja, dan dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.
Door de haag buiten het broedseizoen van vogels te verwijderen/snoeien wordt voorkomen dat negatieve effecten zullen optreden ten aanzien van algemeen voorkomende vogelsoorten. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt echter geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode.
Indien het plangebied deel uit maakt van het grotere foerageergebied van steenuil en/of kerkuil zal dit leefgebied als gevolg van de voorgenomen plannen kleiner worden. Gezien het ontbreken van vaste rust- en verblijfplaatsen van steenuil en kerkuil in de directe omgeving van het plangebied en de geringe oppervlakte van het plangebied is het redelijkerwijs uit te sluiten dat een verkleining van het foerageergebied negatieve effecten tot gevolg heeft voor steenuil en/of kerkuil.
Soorten van §3.2 van de Wet natuurbescherming
Uit gegevens van het Compendium voor de Leefomgeving en de NDFF blijkt dat het plangebied binnen het bekende verspreidingsgebied ligt van de beschermde aquatische slakkensoort platte schijfhoren (§3.2 wn). De voorgenomen plannen hebben geen betrekking op de sloten in de omgeving van het plangebied, waardoor de plannen ook geen negatief effect hebben op de platte schijfhoren. Mogelijk komen in de sloten rond het plangebied grote modderkruipers voor. Aangezien de voorgenomen plannen geen betrekking hebben op sloten zijn negatieve effecten op de mogelijk aanwezige beschermde grote modderkruipers uit te sluiten.
Bevindingen van het veldbezoek in 2016 tonen aan dat gezien de afwezigheid van bebouwing en bomen met voor vleermuizen geschikte ruimten, de aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kan worden uitgesloten in het plangebied. Eveneens ontbreken doorgaande lijnvormige groenstructuren die een vliegroute voor vleermuizen kunnen vormen. Het plangebied dient mogelijk wel als foerageergebied voor in de omgeving verblijvende vleermuizen. Aangezien er in de omgeving foerageergebied blijft bestaan en het plangebied in de nieuwe situatie geschikt blijft als foerageergebied, heeft de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect op deze functie van het gebied voor vleermuizen.
Soorten van §3.3 van de Wet natuurbescherming
De voorgenomen plannen hebben tot gevolg dat landhabitat verminderd van algemene soorten amfibieën van §3.3 wn. Voor algemene soorten amfibieën van §3.3 wn geldt een algehele vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het is niet nodig mitigerende maatregelen te nemen voor deze soorten.
Van egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, veldmuis, wezel, bunzing en vos verdwijnt mogelijk (een onderdeel van het) leefgebied. Onder de Wet natuurbescherming geldt voor de soorten egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, veldmuis, wezel, bunzing en vos een vrijstelling van de verbodsbepalingen in de provincie Gelderland. Het is niet noodzakelijk om voor deze soorten mitigerende maatregelen te nemen.
Samenvatting conclusies (bron: Staro BV)
Gezien het voorgaande vormt het aspect flora en fauna geen belemmering voor het voorliggende plan.
Het rijksbeleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichting), het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen) en het gebruik van luchthavens.
Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid van degenen die niet bij de risicovolle activiteit zelf zijn betrokken, maar als gevolg van die activiteit wel risico's kunnen lopen, zoals omwonenden.
De gemeente Lingewaal wil haar burgers een veilige leefomgeving bieden. Om die verantwoordelijkheid in te vullen is de beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld (2008). In de visie is het externe veiligheidsbeleid van de gemeente opgenomen. Het gaat in de beleidsvisie om risico's in samenhang met het produceren, verwerken, opslaan en vervoeren van gevaarlijke stoffen. Ten behoeve van de beleidsvisie is een inventarisatie van huidige risicobronnen verricht, die is verwerkt op een signaleringskaart.
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken en lpg-tankstations. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij huizen, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het bes luit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden.
Uit de inventarisatie blijkt dat in de gemeente Lingewaal momenteel 3 Bevi inrichtingen zijn gevestigd. Allemaal op ruime afstand van het plangebied. Ook zijn er geen aardgastransportleidingen in de directe nabijheid van het plangebied gelegen. Er is geen sprake van situaties die knelpunten opleveren voor wat betreft het plaatsgebonden risico. De oriëntatiewaarde van het groepsrisico wordt niet overschreden.
Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt plaats over de A15 en over de provinciale wegen N848 en N830 (Graaf Reinaldweg). Van deze wegen wordt alleen de A15 opgenomen in het landelijk Basisnet Weg. Voor de provinciale wegen, zoals de Graaf Reinaldweg ten noorden van het plangebied, zullen vanwege het Basisnet dan ook geen ruimtelijke beperkingen gelden. Daarnaast vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de Betuweroute en over de Waal. Het plangebied is gelegen buiten het van toepassing zijnde Plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter, alsmede buiten het toepasselijke GR-risicoplafond (PR 10-7). Voor de Waal geldt dat er geen PR 10-6-contour op de oever ligt. Evenmin wordt de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overschreden.
Het beleid is onder meer verankerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In het Bevi zijn richtlijnen opgenomen voor het bouwen en handhaven van gevoelige bestemmingen zoals woningen in de buurt van inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of geproduceerd. Ingevolge artikel 5, eerste en tweede lid van het Bevi neemt het bevoegd gezag bij de vaststelling van een bestemmingsplan, de hierin genoemde grenswaarden in acht en wordt rekening gehouden met de richtwaarde, zoals genoemd in artikel 8, tweede lid. Het dient te gaan om plannen die de bouw of vestiging van kwetsbare objecten toelaten.
In onderhavig geval is sprake van het oprichten van een kwetsbaar object. Het beleid is derhalve van toepassing. Het plan voorziet zelf niet in de oprichting van een Bevi-inrichting of een andere stationaire risicobron.
Uit nvaolgende afbeelding van de risicokaart van de provincie Gelderland blijkt dat op korte afstand van het plangebied (binnen 1.000 meter) geen Bevi inrichtingen aanwezig zijn. Het plangebied is niet gelegen binnen de risicocontour of invloedsgebied van een Bevi inrichting of andere stationaire risicobron.
Afbeelding risicokaart.nl (met globale ligging plangebied in rode cirkel)
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), de Regeling Basis-net, de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) en de gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid zijn de relevante toetsingskaders voor de beoordeling van de veiligheidsrisico's vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor en water.
Uit de gemeentelijke signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute (spoorlijn). Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van 4000 meter van deze transportroute. Wanneer de feitelijke afstand van het plangebied tot betreffende spoorlijn (meer dan 2500 meter) wordt bezien in het licht van de Regeling Basisnet en daarbij behorende bijlage 2, dan kan het volgende worden geconcludeerd. Het plangebied ligt buiten de meest relevante zones voor het groepsrisico. Zo is het plangebied gelegen buiten het van toepassing zijnde Plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter, alsmede buiten het toepasselijke GR-risicoplafond (PR 10-7) welke op 280 meter is gelegen. In dit verband hoeft alleen ingegaan te worden op de mogelijkheden voor:
De Veiligheidsregio moet in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Hieronder is ingegaan op de genoemde aspecten.
Het ruimtelijke besluit heeft geen betrekking op het mogelijk maken van (nog niet aanwezige) "bijzonder kwetsbare objecten", bestemd voor verminderd zelfredzame personen, binnen het invloedsgebied van de transportroute(s). Ook worden (beperkt) kwetsbare objecten niet toegelaten binnen het 1% letaliteitsgebied vanwege een calamiteit met brandbare gassen.
In dat geval is sprake van een standaardsituatie, waarvoor met onderstaande verantwoordingstekst kan worden volstaan.
Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval
Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.
Mogelijkheden tot zelfredzaamheid
Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De nieuw te realiseren woning voldoet aan deze voorwaarden.
Het aspect externe veiligheid is relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval op deze transportroutes. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid.
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
Binnen het plangebied zijn geen kabels of leidingen die vanuit planologisch opzicht van invloed kunnen zijn op de ontwikkeling.
Uit het voorgaande blijkt dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met de wet- en regelgeving en dat er met het planvoornemen sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden aan de in het plan begrepen grond bestemmingen toegewezen met bijbehorende doeleinden. Aan de bestemmingen zijn regels verbonden over het gebruik van de in het plan begrepen gronden en van hierop bevindende bouwwerken. In dit hoofdstuk wordt het juridische deel van het uitwerkingsplan nader toegelicht. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de Wet ruimtelijke ordening en de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP2012).
Onderhavig bestemmingsplan is hierop afgestemd en kent de volgende indeling in planregels:
Bij de invulling van dit bestemminsplan zijn overeenkomstig de systematiek in het moederplan alsmede het handboek bestemmingsplannen van de gemeente Lingewaal de bestemmingen opgenomen.
Wonen – 1 en Wonen - 5
Deze gronden zijn bestemd voor wonen in nieuw te bouwen vrijstaande woningen respectievelijk twee-aan-ééngebouwde of geschakelde woningen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis of bedrijf aan huis zoals opgenomen in milieucategorie 1 van de Lijst van bedrijven.
Op de verbeelding is een bouwvlak opgenomen dat volledig mag worden bebouwd. Het hoofdgebouw mag uitsluitend binnen dat bouwvlak worden gebouwd. Bijgebouwen zijn toegestaan binnen het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding 'erf'.
In de regels is de maximale gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen opgenomen, evenals de maximale goot- en bouwhoogte.
Verkeer
De bestemming 'Verkeer' is opgenomen voor een deel van de Achterweg, de ontsluitingsweg van woongebied Herwijnen Oost (Vervoornlaan) en de ontsluiting van de patiowoningen in het noordelijk deel van het plangebied. Deze gronden hadden in het vigerende bestemmingsplan de bestemming 'Maatschappelijk - Uit te werken'.
Waarde - Archeologie 2
In voorliggend plangebied heeft alleen de Achterweg een archeologische dubbelbestemming.
Gebruik
Deze gronden zijn mede bestemd voor bescherming van archeologische waarden.
Bouwen
Bouwen ten behoeve van de andere bestemming is toegestaan tot een diepte van 30 cm onder maaiveld, of een nieuw te bebouwen oppervlak van minder dan 100 m². Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de bouwregels, indien de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad. De aanvrager moet een archeologisch rapport overleggen, en er wordt advies ingewonnen bij de archeologisch deskundige.
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden.
Het is verboden zonder een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de genoemde werken of werkzaamheden uit te voeren. Werkzaamheden tot een diepte van 30 cm, of een oppervlakte tot 100 m², zijn niet omgevingsvergunningplichtig. Een omgevingsvergunning kan verleend worden, indien de archeologische waarden door de activiteiten niet onevenredig worden geschaad. De aanvrager moet een archeologisch rapport overleggen, en er wordt advies ingewonnen bij de archeologisch deskundige.
Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming geheel of gedeeltelijk te doen vervallen.
De gemeente heeft de gronden vooralsnog in eigendom en geeft deze gronden zelf uit. Na uitgifte zullen de betreffende ontwikkelaars de woningen voor eigen rekening en risico ontwikkelen. Dit betekent dat de beoogde ontwikkeling als uitvoerbaar kan worden aangemerkt.
Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg te plegen met andere betrokken overheden en overheidsdiensten. De bedoeling van dit vooroverleg is om het plan tijdig aan te kunnen passen op opmerkingen van andere overheden. Hiertoe is het voorontwerp plan aan de betreffende instanties toegezonden.
Hierop is één reactie ontvangen.
Waterschap Rivierenland
Het waterschap laat weten dat het bestemmingsplan conform hun eisen en wensen is.
In het kader van het voorontwerp bestemmingsplan is het bestemmingsplan ter inzage gelegd. Hierop is één inspraakreactie ontvangen.
Ministerie van Defensie
Het plangebied van het bestemmingsplan is gelegen in het radarverstoringsgebied van de radar van het Radarstation Herwijnen. In verband hiermee zijn er ter voorkoming van radarverstoring beperkingen van toepassing voor de bouw van hoge gebouwen en overige bouwwerken. Op grond van hieraan gestelde regels in Barro en Rarro gelden er beperkingen ten aanzien van hoogtes aan bouwwerken. Het doel van dit regime is om zeker te stellen dat de defensieradars een goed beeld van het luchtruim -en van wat daar vliegt- behouden en dat dit beeld niet in onaanvaardbare mate wordt verstoord door hoge objecten. Met het oog hierop kunnen op grond van artikel 2.6.9 van het Barro hoge objecten in een radarverstoringsgebied slechts worden toegestaan nadat is aangetoond dat deze objecten het radarbeeld niet ontoelaatbaar verstoren.
De toetsingshoogte ter plaatse van dit bestemmingsplan bevindt zich rond circa 32 meter boven NAP, zie bijlage Radarverstoringsgebied Herwijnen (zone 15 km). Het bestemmingsplan staat bouwwerken toe met een bouwhoogte van 40 m. Verzocht wordt om deze bepaling in overeenstemming met de regels voor het radarverstoringsgebied te brengen.
Reactie gemeente
De bepaling in 9.1 onder f bevat de mogelijkheid om zend- en ontvangstinstallaties en kunstwerken op te richten met een hoogte van maximaal 40 m. Deze bepaling is verwijderd uit de planregels. Daarmee is het bestemmingsplan in overeenstemming met de regels van het radarverstoringsgebied.
Dit ontwerp bestemmingsplan is op grond van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht gedurende zes weken ter inzage gelegd. Een ieder is in de gelegenheid gesteld hierop een zienswijze naar voren te brengen. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Het Waterschap heeft laten weten geen opmerkingen over het plan te hebben.
Binnen twaalf weken na afloop van de termijn van terinzagelegging neemt de gemeenteraad een besluit over de vaststelling van het bestemmingsplan met inachtneming van de ingebrachte zienswijzen. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan wordt gepubliceerd. Belanghebbenden kunnen eventueel beroep aantekenen bij de Raad van State.
Bijlagen bij toelichting
Bijlage 1 Schetsontwerp
Bijlage 2 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
Bijlage 3 Bodemonderzoek
Bijlage 4 Quickscan flora en fauna en voortoets
Bijlage 5 Update quickscan