direct naar inhoud van Artikel 10 Waterkering
Plan: Beheersverordening Vlissingen-Oost
Status: vastgesteld
Plantype: beheersverordening
IMRO-idn: NL.IMRO.0718.BHVO01-VG01

Artikel 10 Waterkering

10.1 Bestaand gebruik en bestaande bouwwerken
  • a. de in het besluitvlak 'Waterkering' gelegen gronden en bestaande bouwwerken mogen worden gebruikt overeenkomstig het bestaande gebruik;
  • b. bestaande bouwwerken mogen worden vervangen door bouwwerken van dezelfde afmetingen op dezelfde locatie.

10.2 Aanvulling ten aanzien van het GEBRUIK
10.2.1 Besluitvlak 'Waterkering'

In aanvulling op het bepaalde in lid 10.1 is het toegestaan gronden te gebruiken voor:

  • a. waterstaatkundige voorzieningen, waaronder begrepen de waterkering en de waterbeheersing door dijken, kaden, dijksloten en andere voorzieningen voor de waterkering;
  • b. bestaande wegen;
  • c. behoud en bescherming van bestaande cultuurhistorische waarden;
  • d. opslag en bewerking van explosiegevaarlijk materiaal is niet toegestaan.

10.2.2 Besluitsubvlak 'Spoorweg'

In aanvulling op het bepaalde in lid 10.1 en 10.2.1 is het toegestaan gronden ter plaatse van het besluitsubvlak 'spoorweg' te gebruiken voor spoorwegen en de daarbij behorende bermen, taluds en spoorwegovergangen wegen, straten en paden, voet- en fietspaden, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, geluidwerende voorzieningen, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van het openbare nut.

10.3 Aanvulling ten aanzien van het BOUWEN
10.3.1 Toelaatbare bebouwing

In aanvulling op het bepaalde in lid 10.1 is het toegestaan om bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bouwen.

10.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 15 m.

10.4 Afwijken ten aanzien van het GEBRUIK
10.4.1 Afwijken middels omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 10.2.1 onder  d, indien voor opslag en het bewerken van explosiegevaarlijk materiaal een watervergunning is verleend en de aantasting van de waterkering niet onevenredig wordt geschaad. Het bevoegd gezag vraagt hiervoor advies van de beheerder van de waterkering.

10.5 Afwijken ten aanzien van het BOUWEN
10.5.1 Afwijkingsbevoegdheid windturbines

Het bevoegd gezag is bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 10.1 en 10.2.1 ten einde tevens windturbines toe te staan, met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. de bouwhoogte van een windturbine mag niet meer bedragen dan 100 m;
  • b. toepassing van de afwijkingsbevoegdheid is uitsluitend toegestaan indien aangetoond is dat de kans op een ernstig ongeval, waarbij brandbare, explosieve of toxische gassen vrijkomen vanwege een falende windturbine, verwaarloosbaar is; onder falen van de windturbine wordt verstaan het (om)vallen van de mast, de turbine of een (deel van een) wiek;
  • c. toepassing van de afwijkingsbevoegdheid is uitsluitend toegestaan indien aangetoond is dat natuurwaarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad;
  • d. toepassing van de afwijkingsbevoegdheid is niet toegestaan indien het behoud en de bescherming van de waterkering onevenredig wordt geschaad;
  • e. toepassing van de afwijkingsbevoegdheid is uitsluitend toegestaan indien aangetoond is dat geen onevenredige toename van geluidshinder optreedt;
  • f. toepassing van de afwijkingsbevoegdheid is uitsluitend toegestaan indien aangetoond is dat geen onevenredige schaduweffecten optreden;
  • g. alvorens omtrent het toepassen van de afwijkingsbevoegdheid te beslissen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de veiligheidsdeskundige, op basis van een door de initiatiefnemer aan te leveren kwantitatieve risicoanalyse, omtrent de vraag of aan de voorwaarden als bedoeld onder b wordt voldaan;
  • h. alvorens omtrent het toepassen van de afwijkingsbevoegdheid te beslissen , wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de natuur- en landschapsdeskundige, op basis van een door de initiatiefnemer aan te leveren beoordeling, omtrent de vraag of aan de voorwaarden als bedoeld onder c wordt voldaan;
  • i. alvorens omtrent het toepassen van de afwijkingsbevoegdheid te beslissen , wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de milieudeskundige, op basis van een door de initiatiefnemer aan te leveren beoordeling, omtrent de vraag of aan de voorwaarden als bedoeld onder e en f wordt voldaan.

10.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.6.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is ter plaatse van gronden met een besluitvlak 'Waterkering' verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. baggerwerken en werkzaamheden.

10.6.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 10.6.1 geldt niet voor het uitvoeren van werken, of werkzaamheden die:

  • a. behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van het besluitvlak
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.

10.6.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

Werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 10.6.1 zijn slechts toelaatbaar indien:

  • a. voldaan wordt aan de Wet Beheer Rijkswaterstaatwerken;
  • b. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden aan de hand van een advies van de beheerder van de dijk en / of de waterkering kan aantonen dat deze instemt met de voorgenomen werken en werkzaamheden.