| Plan: | Kampeerterreinen |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0717.0026BPKptAP-VG01 |
Milieuafstemming kampeerterreinen op omgeving
De brochure “Bedrijven en milieuzonering” (VNG, 2009) geeft voor kampeerterreinen (met keuken) (SBI-code 552/553) een richtafstand van 50 meter ten opzichte van woningen, vanwege het milieuaspect geluid. Voor de milieuaspecten geur en gevaar geldt een richtafstand van 30 meter. Naast deze milieuaspecten kan ook de verkeeraantrekkende werking van belang zijn voor de toelaatbaarheid van milieubelastende activiteiten op een bepaalde locatie. Dit aspect kan niet worden vertaald naar afstanden maar wordt kwalitatief beoordeeld. Voor kampeerterreinen heeft parkeren een potentieel aanzienlijke verkeersaantrekkende werking. Bij eventuele uitbreidingen op de kampeerterreinen dient hiermee rekening te worden gehouden
Ten aanzien van mogelijke milieuhinder van de kampeerterrein op de omgeving is het (Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (ook wel het Activiteitenbesluit) van belang.
In het Activiteitenbesluit zijn milieuvoorschriften opgenomen ter voorkoming of zo veel mogelijk beperken van gevaar, schade of hinder voor de directe omgeving. Zo dienen de inrichtingen ervoor te zorgen dat de geluidsoverlast van het bedrijf of de accommodatie bepaalde grenzen niet overschrijdt. Daarnaast zijn onder andere eisen opgenomen ten aanzien van brandveiligheid. Tevens zijn meer op preventie gerichte voorschriften opgenomen betreffende verwijdering, preventie en hergebruik van afvalstoffen en zuinig gebruik van energie en water.
In het Activiteitenbesluit worden ook eisen gesteld aan verlichting en het beperken van de (directe) lichtuitstraling naar de omgeving. De gemeente vindt het echter belangrijk dat de (directe) lichtuitstraling van functies naar de omgeving tot een minimum wordt beperkt. Met het oog hierop verdienen relatief lage lichtmasten (maximum hoogte tot 6 meter) en een type verlichtingsarmatuur met weinig lichtuitstraling naar de omgeving (opzij en / of omhoog en eventueel LED-verlichting) de voorkeur. In voorkomend geval zullen ondernemers worden gewezen op de mogelijkheden om de lichtuitstraling te beperken.
Bodem
Beleid
Het beleid van de provincie Zeeland gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit.
Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek (historisch bodemonderzoek) te worden verricht. Indien op grond van historische informatie blijkt dat in het verleden activiteiten hebben plaatsgevonden met een verhoogd risico op bodemverontreiniging, dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van geconstateerde belemmeringen uit dit onderzoek, kan vervolgens worden nagegaan welke maatregelen moeten worden genomen om die belemmeringen weg te nemen (functiegericht saneren).
Toetsing
Gelet op het doel van voorliggend bestemmingsplan, actualisering van de bestemmingsregeling voor de kampeerterreinen is geen bodemonderzoek verricht. Van belang daarbij is dat het bestemmingsplan vrijwel geen functiewijziging mogelijk maakt en dat in geval van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen aangetoond dient te worden dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Voor zover nieuwe functies wel gewenst zijn, zal hiervoor een aparte planologische procedure worden gevoerd. Alleen voor uitbreiding voorzieningen ten behoeve van ontspanning en vermaak is in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid zal pas plaatsvinden nadat bodemonderzoek en eventueel daaruit voortkomende (uitgevoerde) saneringsmaatregelen hebben uitgewezen dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie. Voor deze locaties wordt het bodemonderzoek aldus uitgesteld tot het moment van concrete planontwikkeling (in casu de start van de planologische procedure).
Luchtkwaliteit
Normstelling en beleid
Besluit luchtkwaliteit
In de nabijheid van wegen en parkeerterreinen kan sprake zijn van lokale luchtverontreiniging die negatieve effecten voor de gezondheid kan hebben. De belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Omdat titel 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit' (hierna Wlk). Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in amvb's en ministeriële regelingen. De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof van belang.
Onderscheid in gevoelige functies wordt niet gemaakt, hetgeen inhoudt dat de wettelijke grenswaarden overal in de buitenlucht gelden. Alleen werkplekken (arbeidsplaats als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet) worden in de Wlk uitgesloten en kunnen daarmee als niet-gevoelige functie worden beschouwd.
Bedrijven zelf kunnen beschouwd worden als functies waar mensen niet gedurende lange tijd in de buitenlucht verblijven. In het kader van Arbo-wet moeten reeds maatregelen worden genomen in verband met luchtkwaliteit en geur.
Toetsing
Binnen het plangebied wordt slechts beperkt een toename van het aantal standplaatsen toegestaan aangezien het maximum aantal standplaatsen is vastgelegd (door middel van het aantal vergunde standplaatsen). De hoeveelheid verkeersbewegingen als gevolg van de theoretische uitbreiding van het aantal standplaatsen is dan ook beperkt. Ook de ruimere bouwmogelijkheden zullen eerder leiden tot afname dan tot een toename aan verkeer. Daarnaast zijn geen werkzaamheden aan straten en / of wegen voorzien, die als een herinrichting moeten worden gezien. Mede omdat de luchtkwaliteit in de gemeente Veere goed is, hoeft in het kader van onderhavig bestemmingsplan geen onderzoek naar luchtkwaliteit te worden uitgevoerd.
Met betrekking tot de kwaliteitsverbeteringsplannen kan worden opgemerkt dat de toetsing van het aspect luchtkwaliteit in het kader van de vrijstellingsprocedures ex artikel 19 WRO zal worden uitgevoerd. Ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt door middel van een wijzigingsbevoegdheid kunnen in het kader van de wijzigingsprocedure worden getoetst.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit legt geen belemmeringen op voor voorliggend bestemmingsplan.
Externe veiligheid
Algemeen
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid aan verschillende aspecten aandacht te worden besteed, namelijk:
De voor het voorliggende bestemmingsplan Kampeerterreinen relevante regelgeving is de volgende:
Normstelling en beleid
In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebondenrisico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken4 en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
De normstelling is voorts afhankelijk van de aard van het te beschermen object. Kampeerterreinen zijn in dit kader aan te merken als een kwetsbaar object.
Voor het groepsrisico bestaan geen wettelijke normen, bij nieuwe ontwikkelingen bestaat echter wel een verantwoordingsplicht. Gemotiveerd moet worden waarom voor de bewuste ontwikkeling op deze locatie een toename (of een overschrijding) van het GR aanvaardbaar wordt geacht.
Beleidsvisie provincie Zeeland
Op grond van de provinciale beleidsvisie Externe Veiligheid (mei 2005) en het gemeentelijke milieubeleid is bij ruimtelijke plannen geen uitgebreide verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk wanneer:
Als de risicosituatie niet voldoet aan de hiervoor genoemde voorwaarden a, b of c, is een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico vereist. Hierbij moet aandacht worden besteed aan de aspecten zelfredzaamheid van personen, beheersbaarheid van het ongeval en de resteffecten die overblijven zelfs als alle redelijkerwijs te treffen maatregelen zijn getroffen.
Besluit Externe veiligheid Inrichtingen (Bevi)
Het besluit geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken.
Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten7. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de voeren van een planologische procedure moet aan deze normen worden voldaan. Campings die beschikken over een propaantank van meer dan 13 m³ vallen onder de werkingssfeer van het Bevi.
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit)
Campings en verblijfsrecreatieterreinen waar ten hoogste 13 m³ propaan in ten hoogste twee bovengrondse opslagtanks wordt opgeslagen, vallen binnen de werkingsfeer van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit). Dit besluit geeft aan te houden afstanden tussen de propaantank(s), het vulpunt van de tank(s) en de opstelplaats van de tankwagen en (beperkt) kwetsbare objecten die zijn gelegen buiten de inrichting. Voor de opslag van propaan de volgende veiligheidsafstanden:
Uit de nota van toelichting bij het Activiteitenbesluit kan worden afgeleid dat de afstanden ook gelden voor gebouwen binnen de inrichting. Het Activiteitenbesluit regelt niet de afstanden tot andere beperkt kwetsbare objecten, zoals op een camping de tenten en caravans die binnen de inrichting zijn gelegen. Dit aspect kan worden geregeld in een bestemmingsplan, indien opslag van propaan in bovengrondse opslagtanks plaatsvindt.
Bij de plaatsing van propaantanks moet worden gestreefd naar een veilige afstand tussen de tank en derden. De technische eisen waaraan een propaantank moet voldoen, zijn opgenomen in de bij het Activiteitenbesluit behorende regeling. Hierin wordt verwezen naar de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen nummer 19. Ook tot kwetsbare objecten dient te worden gezorgd voor een zo groot mogelijke afstand. Propaantanks moeten zodanig worden geplaatst dat ze voor het vullen bereikbaar zijn, zonder dat daarvoor gebieden met kwetsbare objecten (kampeerterreinen) moeten worden doorkruist (dus aan de rand van het terrein bij de weg).
Wet vervoer gevaarlijke stoffen en Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (2004)
Deze wet is van belang voor de routering van gevaarlijke stoffen (aanwijzing routeplichtige stoffen gemeentelijke wegen). Het aanwijzen van een route is een facultatieve bevoegdheid van de gemeenteraad. In de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (2004) is het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water en (spoor)wegen opgenomen. Op basis van de circulaire geldt voor nieuwe situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten in nieuwe situaties geldt een richtwaarde van 10-6 per jaar. De circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 meter van binnenwateren en (spoor)wegen vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.
De circulaire geeft geen afstanden voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Westerschelde. Om de risico's van deze vervoersas inzichtelijk te maken is in 2003-2004 door middel van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) een herberekening van de potentiële risico's van het scheepstransport van gevaarlijke scheepsladingen op de Westerschelde uitgevoerd8. Uit de risicoberekeningen is gebleken dat de contour van het plaatsgebonden risico van 10-6 zich langs de vaargeul bevindt en het land niet raakt. Het PR vormt derhalve geen belemmering voor de in voorliggend bestemmingsplan opgenomen kampeerterreinen.
In 2007 is een analyse uitgevoerd met betrekking tot de het groepsrisico als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Westerschelde. 9 Uit deze risicoanalyse is gebleken dat het invloedsgebied van het groepsrisico van de Westerschelde zich uitstrekt tot enkele honderden meters uit over het land. Het invloedsgebied wordt globaal weergegeven op de onderstaande figuur. Er geldt een groot invloedsgebied voor ongevallen met toxische stoffen (rode lijn) en brandbare stoffen (blauwe lijn). '
Figuur 4.1. Globale ligging invloedsgebied voor ongevallen met toxische stoffen (rode lijn) en brandbare stoffen (blauwe lijn) (bron: TNO)
Enkele (delen van) kampeerterreinen liggen binnen dit invloedsgebied, vooral campings in het gebied tussen Zoutelande en Vlissingen. Dit betekent dat in bepaalde gevallen een afweging moet plaatsvinden over het GR. Deze motivering is vereist indien het GR de oriënterende waarde (bijna) overschrijdt of wanneer sprake is van een aanzienlijke toename (>10%) van het aantal slachtoffers. In de analyse uit 2007 is hiervoor een stappenplan opgenomen. Allereerst moet worden nagegaan of de bevolkingsdichtheid boven de 2.500 personen per km² komt. Hierbij moeten toeristen worden geteld. Indien het aantal aanwezigen hoger is dan 2.500 personen per km² dan moet worden nagegaan of als gevolg van een voorgenomen ontwikkeling op een camping de bevolkingsdichtheid in het gebied met meer dan 10% toeneemt. Is dit het geval dan moet een (uitgebreide) beoordeling en verantwoording van het groepsrisico plaatsvinden.
In het voorliggend bestemmingsplan zijn enkele afwijkingsbevoegdheden opgenomen die mogelijk zullen leiden tot een toename van het aantal personen op de camping (10% uitbreiding standplaatsen, uitbreiding centrumvoorzieningen). Overeenkomstig de artikelen 5 en 13 van het Bevi zal bij de vaststelling van een besluit tot afwijking rekening worden gehouden met het GR.
Vanwege de status van de Westerschelde als internationale vaarroute, geldt dat de verantwoordelijkheid voor het monitoren en borgen van de veiligheidssituatie rondom de vaarroute over de Westerschelde bij de internationale Scheldecommissie ligt. Momenteel vindt in opdracht van deze commissie een herijking plaats van de risico's die samenhangen rondom het transport van gevaarlijke stoffen op de Westerschelde. Gebleken is namelijk dat ten aanzien van het groepsrisico in 2004/2007 mogelijk een te lage aanname is gedaan voor wat betreft de aanwezigheid van dagjesmensen op het strand in de zomermaanden en het aantal gasten op verblijfsrecreatieve terreinen. De hoogte van het groepsrisico is daarom mogelijk onderschat. De correctie voor het groepsrisico ziet daarom vooral toe op grote verblijfsrecreatieve terreinen in de gemeente Veere.
Voor de goede orde wordt opgemerkt dat de aard van de maatgevende ongevalscenario's (een ongeval met een zeeschip of een aanvaring tussen een zeeschip en een binnenvaartschip) niet ter discussie staat. Uit de het onderzoek zullen dan ook geen andersoortige relevante ongevalscenario's naar voren komen dan in 2004/2007 reeds zijn onderzocht. Enkel de hoogte van het groepsrisico wordt nader beschouwd.
De resultaten van de aangepaste groepsrisicoberekening zijn naar verwachting medio 2011 bekend.
Toetsing
Conclusie
Het aspect externe veiligheid legt geen belemmeringen op voor voorliggend bestemmingsplan.
Wegverkeerslawaai
In dit bestemmingsplan worden mogelijkheden geboden voor het realiseren van bedrijfswoningen en recreatie-eenheden. Een bedrijfswoning is volgens de Wet geluidhinder een geluidgevoelige functie. Recreatie-eenheden dienen volgens provinciaal beleid en op basis van jurisprudentie ook te voldoen aan de wettelijke normen. Ingevolge de Wet geluidhinder is akoestisch onderzoek verplicht als geluidgevoelige functies liggen binnen de wettelijke geluidszone van een weg. In buitenstedelijk gebied met maximaal 2 rijstroken bedraagt deze geluidszone 250 meter aan weerszijden van de weg. Binnen de wettelijke geluidszone bedraagt de voorkeursgrenswaarde aan de buitengevel van geluidgevoelige functies 48 dB. Voor voorliggend bestemmingsplan wordt vastgehouden aan deze voorkeursgrenswaarde. Een beperkt aantal kampeerterreinen ligt binnen de geluidszone van een weg. Voor deze kampeerterreinen zijn berekeningen uitgevoerd naar de ligging van de 48 dB-contouren van de relevante wegen. Uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is voor de overige wegen een berekening uitgevoerd, waarbij is uitgegaan van een standaardbenadering. Voor de verkeersintensiteiten is uitgegaan van de situatie 10 jaar na de terinzagelegging van het plan (2021). De in- en uitvoergegevens van het akoestisch onderzoek zijn opgenomen in bijlage 5. De verkeersgegevens zijn bepaald door de gegevens uit het bestemmingsplan Kampeerterreinen (2008) op te hogen met een autonome groei van 1,5%.