direct naar inhoud van 3.3 Vertaling beleidsuitgangspunten Kadernota en Notitie bestemmingsmethodiek
Plan: Kampeerterreinen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0717.0026BPKptAP-VG01

3.3 Vertaling beleidsuitgangspunten Kadernota en Notitie bestemmingsmethodiek

Inleiding

De gemeente Veere kiest – in het verlengde van rijks- en provinciaal beleid – met betrekking tot het bestemmingsplan Kampeerterreinen voor een grote flexibiliteit en globaliteit. Naast een grotere vrijheid voor ondernemers worden beperkte randvoorwaarden gesteld die ruimtelijk relevant zijn. Deze randvoorwaarden zijn vastgelegd in de Kadernota Kampeerterreinen Veere en verder uitgewerkt in de notitie bestemmingsmethodiek die op 29 juni 2006 door de gemeenteraad is vastgesteld. In deze paragraaf worden enkele beleidsuitgangspunten die in het bestemmingsplan Kampeerterreinen zijn verwerkt, nader toegelicht.

Aantal standplaatsen

Het aantal standplaatsen op een kampeerterrein heeft directe ruimtelijke gevolgen voor de omgeving (onder andere verkeersbewegingen, landschappelijke uitstraling en hinder). Deze ruimtelijke effecten moeten in het bestemmingsplan worden getoetst. Indien het aantal standplaatsen niet in het bestemmingsplan wordt geregeld, zijn de ruimtelijke effecten niet begrensd. Op basis van jurisprudentie is dat – met het oog op de rechtszekerheid van omwonenden en de overige ruimtelijke effecten – in beginsel niet gewenst.

De Beleidsregels Brandveiligheid Kampeerterreinen bieden te weinig waarborgen voor een adequate planologische regeling. Binnen de Beleidsregels is het in beginsel namelijk mogelijk te komen tot verdichting, waardoor het aantal standplaatsen kan toenemen, tenzij er strijd is met wettelijke brandveiligheidseisen. Bovendien vormen de brandveiligheidsregels een afzonderlijk instrument, dat naast het bestemmingsplan functioneert, maar dat daardoor ook afzonderlijk kan worden aangepast. Daardoor zou in beginsel verdergaande uitbreiding van het aantal eenheden kunnen optreden, los van toetsing van de ruimtelijke effecten in het bestemmingsplanspoor.

Hoewel er in de kadernota in beginsel voor is gekozen om het aantal eenheden niet langer te regelen, heeft het gemeentebestuur al bij de vaststelling van het bestemmingsplan kampeerterreinen in 2008 op basis van het voorgaande toch besloten het maximaal vergunde aantal eenheden per kampeerterrein vast te leggen in het bestemmingsplan. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is wel dat de gewenste flexibiliteit zo weinig mogelijk wordt aangetast. Gekozen is daarom voor het vastleggen van het aantal standplaatsen dat voorheen op basis van de Wor was vergund omdat de meeste kampeerterreinen over minder standplaatsen beschikken dan er zijn vergund. De meeste bedrijven beschikken dan toch nog over mogelijkheden het aantal standplaatsen uit te breiden zonder een procedure te voeren. Om meer flexibiliteit te bieden en enige uitbreiding ten behoeve van de bedrijfsvoering niet uit te sluiten, wordt daarnaast de mogelijkheid geboden het aantal standplaatsen met maximaal 10% te vergroten. Dan dient echter wel aan de voorwaarden van landschappelijke inpassing en brandveiligheidseisen te worden voldaan.

Onderscheid permanent-toeristisch

In het bestemmingsplan Kampeerterreinen uit 2008 is geen onderscheid meer gemaakt tussen permanente en toeristische standplaatsen. Dit betekent echter dat op elke standplaats één kampeerhuisje en bijgebouwen (in de vorm van bergingen, individuele sanitairgebouwen en dergelijke) worden toegestaan met inachtneming van de Beleidsregels Brandveiligheid Kampeerterreinen Veere.

De gemeente verwacht niet dat hierdoor overlast voor woningen in de omgeving zal toenemen. In het zomerseizoen zal de geluidshinder van een toeristische standplaats vergelijkbaar zijn met de geluidshinder van een permanente standplaats. In de winter kan worden verwacht dat permanente standplaatsen vaker worden gebruikt (stacaravan / kampeerhuisje). Dit zal echter nauwelijks tot meer hinder leiden aangezien activiteiten in de winter met name in het kampeermiddel zullen plaatsvinden en minder daarbuiten.

Kampeerhuisjes

Met het concept van kampeerhuisjes wordt door ondernemers ingespeeld op de vraag van de consument naar meer luxe en comfort. Een kampeerhuisje is een eenvoudig gebouw waarin personen recreatief kunnen overnachten. Inmiddels bestaan er verschillende vormen van kampeerhuisjes zoals kampeerchalets, trekkershutten en campinglodges. Overeenkomstig de Kadernota Kampeerterreinen Veere zal aan het aantal kampeerhuisjes per kampeerterrein geen maximum worden verbonden. Echter gezien het karakter van een kampeerterrein, is de gemeente Veere wel van mening dat de muren / wanden van een kampeerhuisje niet van steen mogen zijn en dat de oppervlakte van een kampeerhuisje maximaal 55 m² mag bedragen.

Teneinde een goede landschappelijke inpassing van de kampeerhuisjes te kunnen waarborgen, worden alleen de reeds aanwezige kampeerhuisjes rechtstreeks in het bestemmingsplan mogelijk gemaakt. Bij het plaatsen van nieuwe kampeerhuisjes dient aan de voorwaarden van een goede landschappelijke inpassing te worden voldaan.

Aantal kampeermiddelen per standplaats

De Kadernota Kampeerterreinen Veere gaat ervan uit dat per standplaats een hoofdkampeermiddel en twee kleine (slaap)tentjes mogen worden geplaatst. Met het oog op de brandveiligheidseisen is echter de noodzaak vervallen aantallen kampeermiddelen per standplaats te regelen. Gelet op de afstandsmaten die worden genoemd in de Beleidsregels Brandveiligheid Kampeerterreinen Veere kan slechts een beperkte oppervlakte per standplaats worden benut ten behoeve van kampeermiddelen.

Goede landschappelijke inpassing

In ruil voor de ruime mogelijkheden om keuzes te maken met betrekking tot aard en omvang van standplaatsen, voorzieningen en gebouwen is, meer nog dan in het verleden, een goede landschappelijke inpassing van de kampeerterreinen van belang. Uitgangspunt is dat kampeerterreinen gedurende het hele jaar vanaf openbare wegen of paden of van andere erven aan het zicht wordt onttrokken door middel van een adequate randbeplanting met opgaande en streekeigen beplanting. Dit geldt vooral voor (delen van) kampeerterreinen waar gedurende het hele jaar bebouwing en kampeermiddelen zijn. Voor een goede landschappelijke inpassing van kampeerterreinen wordt een ten minste 10 meter brede beplantingsstrook met streekeigen opgaande beplanting rondom de terreinen aangehouden. Hierbij moet een beplantingsvrije strook van ten minste 2 meter (op grond van het burenrecht) aan worden toegevoegd.

Een goede landschappelijke inpassing van een terrein kan echter situatiespecifiek op verschillende manieren worden ingevuld. Niet op alle plaatsen is immers ruimte voor een strook van 10 meter. Daarnaast grenzen sommige kampeerterreinen aan andere verblijfsrecreatieve terreinen of aan reeds bestaande bossen of natuurgebieden.

Onder voorwaarden kan daarom worden ingestemd met een groenstrook voor landschappelijke inpassing van minder dan 10 meter. De volgende situaties zijn daarbij denkbaar:

  • een beplantingsstrook met streekeigen opgaande beplanting met een breedte van ten minste 5 meter, in de situatie waar de kampeerterreinen grenzen aan reeds bestaande bossen, natuurgebieden of andere verblijfsrecreatieve terreinen met een beplantingsstrook;
  • een strook met een breedte van ten minste 5 meter met daarop een met bomen en struiken beplante grondwal, die een hoogte heeft van ten minste 2 meter;
  • een situatiespecifieke beplantingsstrook van minder dan 5 meter, mits een goede en hoogwaardige inpassing in de omgeving is en blijft gewaarborgd (maatwerk). Daarbij kan worden gedacht aan een dichte, jaarrond groenblijvende haag waarvan de instandhouding ook privaatrechtelijk is gewaarborgd.

In de huidige situatie voldoen niet alle campings aan de hiervoor genoemde doelstelling van een goede landschappelijke inpassing. In de Kadernota Kampeerterreinen Veere is daarom als belangrijke doelstelling aangegeven dat de landschappelijke inpassing de komende jaren moet worden verbeterd.

Om de benodigde ruimte voor een goede landschappelijke inpassing veilig te stellen, zal bovendien rond kampeerterreinen een strook worden opgenomen, waarbinnen geen gebouwen zijn toegestaan. Door het opnemen van deze waarborgzone wordt voorkomen dat door de realisatie van gebouwen een goede landschappelijke inpassing

Nu de WOR is ingetrokken, is het bestemmingsplan het enige instrument waarin een regeling kan worden opgenomen met betrekking tot de landschappelijke inpassing. Voor campings waar nog geen kwaliteitsverbeteringsplan is goedgekeurd of gerealiseerd geldt als vertrekpunt de landschappelijke zoals deze aanwezig was op het moment van vaststelling het bestemmingsplan Kampeerterreinen (26 juni 2008). Nadere afwegingsmomenten voor ontwikkelingsmogelijkheden bieden in het bestemmingsplan de mogelijkheid om voorwaarden te stellen aan verbetering van de reeds aanwezige landschappelijke inpassing. Zoals reeds aangegeven onder het kopje kampeerhuisjes dient bij het plaatsen van nieuwe kampeerhuisjes aan de voorwaarden van een goede landschappelijke inpassing te worden voldaan.

Om de benodigde ruimte voor een goede landschappelijke inpassing veilig te stellen, zal bovendien rond kampeerterreinen waarvoor nog geen kwaliteitsverbeteringsplan is goedgekeurd of gerealiseerd een strook worden opgenomen, waarbinnen geen gebouwen zijn toegestaan. Door het opnemen van deze waarborgzone wordt voorkomen dat door de realisatie van gebouwen een goede landschappelijke inpassing onmogelijk wordt2.

De totale breedte langs de randen van de kampeerterreinen waarbinnen ten behoeve van een adequate landschappelijke inpassing niet mag worden gebouwd bedraagt daarmee ten minste in principe 10 meter, vermeerderd met een beplantingsvrije strook van ten minste 2 meter (op grond van het burenrecht langs een kavelgrens zonder watergang) tot ten hoogste 5 of 7 meter (op grond van de Keur van het waterschap, langs een watergang) bij worden opgeteld3.

Regeling parkeerplaatsen

In de kadernota is bepaald dat ieder kampeerterrein op eigen terrein dient te beschikken over voldoende parkeerplaatsen voor de eigen gasten en bezoekers. Hier zijn echter geen aantallen of normen aan gekoppeld. In de praktijk wordt per kampeerterrein uitgegaan van 110% parkeerplaatsen ten opzichte van het aantal standplaatsen (één parkeerplaats per standplaats plus 10% bij de ingang van het terrein ten behoeve van bezoekers). In het bestemmingsplan zijn voor bestaande situaties geen directe eisen gesteld aan het waarborgen van voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein. Aan nieuwe situaties worden wel eisen gesteld (zie voor nadere toelichting paragraaf 5.2).

Oppervlakte bebouwing

Het bestemmingsplan is de basis voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen. In het bestemmingsplan wordt daarom een regeling opgenomen voor de oppervlakte op te richten bebouwing. Gelet op de beleidsintenties uit de kadernota wordt op dat punt zo veel mogelijk flexibiliteit geboden. De locatie van bebouwing is niet vastgelegd. Wel is de oppervlakte bebouwing voor centrale voorzieningen gereguleerd. Daarbij wordt één algemeen bebouwingspercentage per kampeerterrein gehanteerd voor alle gebouwen die niet aan afzonderlijke standplaatsen zijn gekoppeld: receptie, overige centrale voorzieningen (waaronder centraal sanitair) en beheersgebouwen. In het bestemmingsplan Kampeerterreinen uit 2008 is uitgegaan van 150% van de gezamenlijke oppervlakte van bestaande gebouwen voor centrale voorzieningen. In voorliggend bestemmingsplan zijn deze oppervlakten overgenomen.

Door het opnemen van een bebouwingspercentage dat van toepassing is op het gehele terrein met uitzondering van de waarborgzone landschappelijke inpassing, is de ondernemer vrij bebouwing te plaatsen waar hij of zij wil. In bepaalde gevallen kan dit tot problemen leiden met betrekking tot de uitstraling op de omgeving en overlast voor omwonenden. Om met name de overlast voor omwonenden te beperken (zowel visueel als wat betreft geluidshinder) zal een zonering worden toegepast (situatiespecifiek). Binnen een afstand van 50 meter van omliggende woningen is geen bebouwing voor centrale voorzieningen toegestaan.

Daarnaast wordt ook op standplaatsen bebouwing toegestaan: kampeerhuisjes en bijgebouwen. Kampeerhuisjes mogen maximaal 55 m² groot zijn (zie kopje kampeerhuisjes). De hoeveelheid bijgebouwen is niet gekoppeld aan een maximum. De oppervlakte bijgebouwen per standplaats bedraagt echter maximaal 10 m². De Beleidsregels Brandveiligheid Kampeerterreinen bevat voorwaarden voor het plaatsen van bijgebouwen (in het kampeervak). Tevens geldt de beperking dat bebouwing op standplaatsen niet in de waarborgzone is toegestaan (zie kopje Goede landschappelijke inpassing).

Bedrijfswoningen

In beginsel is per kampeerterrein één bedrijfswoning toegestaan. Indien echter meer bedrijfswoningen aanwezig zijn of indien op grond van een goede ruimtelijke onderbouwing eerder is ingestemd met een of meer extra bedrijfswoningen, wordt het grotere aantal vastgelegd.

Kwaliteitsverbeteringsplannen

Op basis van de Kadernota Kampeerterreinen Veere is een aantal initiatieven voor kwaliteitsverbetering actueel. Het betreft de volgende kampeerterreinen:

  • Schoolzicht.
  • Westhove.