direct naar inhoud van 3.2 Beleidskader
Plan: Kampeerterreinen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0717.0026BPKptAP-VG01

3.2 Beleidskader

Algemeen

Het rijksbeleid geeft een globale ontwikkelingsrichting voor Walcheren aan (Nota Ruimte). Op provinciaal niveau is vooral het Omgevingsplan Zeeland 2006-2012 van belang. De Kadernota Kampeerterreinen Veere geeft richting aan het kampeerbeleid op gemeentelijk niveau. De Beleidsregels Brandveiligheid Kampeerterreinen hoeven niet in het bestemmingsplan te worden vertaald aangezien deze beleidsregels een eigen uitvoerings- en handhavingstraject krijgen.

Ruimte voor de ondernemer

Actueel beleid van het rijk en beleidsvoornemens van de provincie laten een koerswijziging zien: van restrictief beleid naar meer voorwaardenscheppend beleid. Wat betreft de verblijfsrecreatie wordt ruimte geboden aan met name kwalitatieve ontwikkeling van de sector om aan de eisen van de consument te voldoen en de concurrentiepositie te behouden, in combinatie met behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteiten van de omgeving. Daarnaast is diversificatie en het vergroten van de keuzemogelijkheden voor de recreant gewenst. Dit beleid is op rijksniveau in de Nota Ruimte vastgelegd. Ook het provinciale beleid zoals vastgelegd in het Omgevingsplan Zeeland biedt recreatieondernemers verschillende mogelijkheden om in te spelen op de veranderende vraag van de consument. Sprake is van een ontwikkelingsgericht beleid waarbij ruimte wordt geboden aan kwaliteitsimpulsen en nieuwe innovatieve initiatieven in de verblijfsrecreatieve sector. Daarbij worden voorwaarden gesteld aan de landschappelijke inpassing om de (landschappelijke) kernkwaliteiten van de omgeving te behouden en zo mogelijk te versterken. Ook de Kadernota Kampeerterreinen Veere gaat uit van een ontwikkelingsgerichte benadering. Met inachtneming van een beperkt aantal randvoorwaarden, krijgen ondernemers zo veel mogelijk ruimte om in te kunnen spelen op de ontwikkelingen in de markt.

Intrekking Wet op de openluchtrecreatie en instrument bestemmingsplan

Met de intrekking van de Wet op de openluchtrecreatie (Wor) per 1 januari 2008 is het instrumentarium op basis van deze wet vervallen. Sterker dan in het verleden dienen alle ruimtelijk relevante aspecten vanaf dat moment in het bestemmingsplan te worden geregeld.

Als voorbeelden van onderwerpen die in een bestemmingsplan kunnen worden vastgelegd kan worden gedacht aan het maximum aantal standplaatsen en de minimale grootte ervan. Door de bestemmingslegging op de plankaart kan ook een bepaalde minimumafstand van de kampeermiddelen vanaf bijvoorbeeld de openbare weg worden vastgelegd. Ook kunnen uiteraard bouwregels worden opgenomen.

In een nieuwe integrale regeling in het bestemmingsplan is het mogelijk om het onderscheid tussen kampeerhuisjes (een kampeerchalet, een trekkershut of een campinglodge), zomerhuisjes en stacaravans voor een belangrijk deel los te laten. Op beide is immers dezelfde regeling in het bestemmingsplan van toepassing.

In het bestemmingsplan kunnen ook instrumenten worden ingebouwd om ruimte en sturing te bieden aan de ontwikkeling van terreinen van bijvoorbeeld toeristisch kamperen naar vaste standplaatsen. Hiervoor kunnen in het bestemmingsplan wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden worden opgenomen, die de mogelijkheid bieden om bijvoorbeeld de bouw van chalets toe te staan indien aan bepaalde in het bestemmingsplan op te nemen criteria wordt voldaan. Uiteraard gelden voor een dergelijke regeling de gebruikelijke eisen met betrekking tot de onderbouwing (goede ruimtelijke ordening).

Bouwvergunningplicht stacaravans / kampeerhuisjes

Met de intrekking van de Wor is ook de relatie tussen de Wor en de Woningwet (Ww) komen te vervallen. Caravans en andere kampeermiddelen die voldoen aan de algemene definitie van bouwwerk vallen vanaf 1 januari 2008 onder het systeem van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De uitzondering voor stacaravans op de bouwvergunningsplicht is daarmee komen te vervallen.

Net als onder de Ww is binnen de systematiek van de Wabo als hoofdregel blijven gelden dat voor het bouwen een (omgevings)vergunning nodig is en dat het verboden is de gronden in strijd met de geldende planologische regeling te gebruiken. In bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is op dit uitgangspunt een uitzondering gemaakt. In de artikelen 2 en 3 van deze bijlage worden bouwactiviteiten aangewezen die binnen dit zogeheten omgevingsvergunningvrije bouwen vallen. Het vergunningvrij bouwen is geknipt in twee categorieën:

  • Artikel 2 van de bijlage bepaalt welke activiteiten, ook indien deze strijdig zijn met de vigerende planologische regeling, zonder omgevingsvergunning kunnen worden verricht.
  • Artikel 3 van de bijlage bepaalt voor welke activiteiten geen omgevingsvergunningplicht geldt, voor zover deze activiteiten niet strijdig zijn met de vigerende planologische regeling.

De eerste categorie is vergelijkbaar met het bouwvergunningvrij bouwen van het oude Besluit bouwvergunningvrije en lichtbouwvergunningsplichtige bouwwerken (Bblb) De tweede categorie is in deze vorm nieuw.

Voor het voorliggende bestemmingsplan is het vergunningvrij bouwen als bedoeld in artikel 3 lid 2 van bijlage II van het Bor van belang. In dit artikel is bepaald dat geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op een op de grond staand bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf, mits wordt voldaan aan de volgende eisen

  • a. niet hoger dan 5 m, en;
  • b. de oppervlakte niet meer dan 70 m2.

Op grond van deze nieuwe wetgeving zijn stacaravans, chalets, campinglodges, kampeerhuisjes op kampeerterreinen onder voorwaarden (bijvoorbeeld maximumoppervlakte en passend binnen het bestemmingsplan) vrijgesteld van de bouwvergunningplicht. Voor hogere en in oppervlakte grotere chalets, campinglodges, kampeerhuisjes, is de bouwvergunningplicht blijven bestaan.