direct naar inhoud van Toelichting
Plan: MFA Deestraat Poortvliet
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0716.wpMFADeestraatPVI-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Planbeschrijving

1.1 Aanleiding en doel wijzigingsplan

In Poortvliet zijn twee basisscholen aanwezig: Jenaplan School met de Bijbel aan de Schoolstraat 6 en OBS Eevliet aan de Julianastraat 1. De gemeente heeft in overleg met beide scholen gekozen voor een verplaatsing naar de locatie aan de Gaaswijck. De twee scholen blijven zelfstandig, maar worden verenigd onder één kap waardoor er sprake is van een brede school. Naast de twee scholen biedt de nieuwbouw ook ruimte aan andere gebruikers zoals het dorpshuis, de bibliotheek, de kinderopvang en/of verenigingen. Hiermee is er sprake van een multifunctionele accommodatie (MFA).

In de regels van het geldende bestemmingsplan 'Deestraat, Poortvliet' is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee de beoogde ontwikkeling planologisch mogelijk gemaakt kan worden. Om toepassing te geven aan de wijzigingsbevoegdheid, is het noodzakelijk dat een wijzigingsplan wordt opgesteld. Dit document betreft dit wijzigingsplan.

1.2 Ligging plangebied en beschrijving huidige situatie

Het plangebied aan de Gaaswijck is gelegen ten noorden van de kern Poortvliet. In de huidige situatie betreft het een onbebouwd terrein. Het plangebied is bereikbaar via het zuiden en het oosten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.wpMFADeestraatPVI-VG01_0001.png"

Figuur 1.1 Globale ligging plangebied (Bron: Google Maps, bewerking Rho adviseurs)

1.2.1 Huidige basisschool Jenaplan School met de Bijbel

De huidige basisschool bestaat uit één bouwlaag plus een kap. Het gebouw is gebouwd in 1960. De ingang van de school bevindt zich aan de Schoolstraat. Het schoolplein bevindt zich aan de westkant van de school. Rondom het terrein van de school ligt een groenstrook. Deze groenstrook zorgt voor een afgesloten beeld aan de straatzijde. Aan de zuidzijde grenst de school aan de zij- en achterkanten van de woningen aan het Zuidplantsoen en de Parallelweg. Op de basisschool zitten 99 kinderen. Parkeren vindt plaats de Schoolstraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.wpMFADeestraatPVI-VG01_0002.png"

Figuur 1.2 Basisschool Jenaplan School met de Bijbel gezien vanaf de Schoolstraat (Bron: Google Maps)

1.2.2 Huidige basisschool OBS de Eevliet

De huidige basisschool bestaat uit één bouwlaag en is in 1967 gebouwd. De ingang van de school bevindt zich aan de Julianastraat. Aan de west- en zuidzijde grenst de school aan de zij- en achterkanten van de woningen aan de Philips de Goedstraat en de Bernhardstraat. Op de basisschool zitten 47 kinderen. Voor de basisschool geldt langsparkeren aan de Julianastraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.wpMFADeestraatPVI-VG01_0003.png"

Figuur 1.3 Basisschool OBS de Eevliet gezien vanaf de Julianastraat (Bron: Google Maps)

1.2.3 Overig

Het pand 't Ouwe Raed'uus werd gebruikt als dorpshuis, als bibliotheek en door verenigingen. Inmiddels is dat niet meer het geval. De bibliotheek is nu gevestigd in de Attent Supermarkt - Jansen. De kinderopvang Zo op Klein Duimpje is net als OBS de Eevliet gevestigd aan de Julianastraat 1,

1.3 Beoogde situatie

1.3.1 Gebouw en programma

Het nieuwe schoolgebouw voor de twee basisscholen zal bestaan uit één gebouw, dat zodanig wordt ingedeeld dat de twee basisscholen ieder zelfstandig kunnen blijven functioneren. Dit betekent dat ze eigen entrees zullen hebben en eigen lokalen. Mogelijk dat de aula, de speelzaal of het leerplein net als het schoolplein samen gedeeld worden. De ontvangst entree van het gebouw is aan de voorzijde. Naast de scholen zal de multifunctionele accommodatie (MFA) ook ruimte bieden aan andere gebruikers zoals het dorpshuis, bibliotheek, kinderopvang en/of verenigingen. Het gebouw zal een oppervlak hebben van circa 2.300 m2.

Het nieuwe gebouw zal aan de Gaaswijck ten noorden van de kern Poortvliet worden gerealiseerd. Het gebouw zal grotendeels bestaan uit één bouwlaag. Er is een extra hoogte voor de aula, de speelzaal en het dorpshuis. De technische ruimtes worden buiten opgesteld boven de hoofdentree. Om zowel de entree te accentueren als de technische installaties af te schermen wordt ook hier extra hoogte in het gebouw toegestaan.

Het gebouw (zowel de indeling, als de omvang als de exacte locatie) is nog in ontwerp. Samen met de twee basisscholen zal de verdere uitwerking hiervan nog plaatsvinden.

1.3.2 Buitenruimte en parkeren

Net als het gebouw is de buitenruimte nog niet ontworpen. Mogelijk dat beide basisscholen een eigen schoolplein krijgen, mogelijk wordt het schoolplein gedeeld. Waarschijnlijk zal het schoolplein aan de achterzijde worden gerealiseerd. Over de afscherming van de pleinen wordt ook nog met de scholen gesproken.

Naar verwachting wordt er aan de zuidzijde (aan de Gaaswijck) van het plangebied ruimte voor parkeren gerealiseerd. Deze parkeerplaatsen dienen voor het parkeren van personeel van de scholen en bezoekers van de andere functies. Mogelijk komt er ook een 'kiss & ride' voorziening voor het afzetten en ophalen van kinderen.

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt de geldende planologische regeling omschreven en wordt de ontwikkeling getoetst aan de wijzigingsvoorwaarden. In hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4 wordt de wijziging nader getoetst aan beleid en de sectorale omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling en in hoofdstuk 6 wordt de maatschappelijke haalbaarheid onderbouwd.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsplan en wijzigingsvoorwaarden

2.1 Geldend bestemmingsplan

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Deestraat, Poortvliet', vastgesteld op 21 juni 2018. Binnen het plangebied liggen verschillende bestemmingen: 'Woongebied', 'Verkeer' en 'Groen'. Ook heeft het plangebied de gebiedsaanduiding 'wetgvingszone - wijzigingsgebied' en de functieaanduiding 'specifieke vorm van groen - windhaag'. In figuur 2.1 is een fragment van het bestemmingsplan met daarin het plangebied weergegeven.

Binnen de bestemming 'Woongebied' zijn de aangewezen gronden bestemd voor wonen met de daarbij behorende voorzieningen. Binnen het bouwvlak mag gebouwd worden en betreft de maximale goot- en bouwhoogte respectievelijk 6 en 10 meter. De voor 'Verkeer' bestemde gronden zijn aangewezen voor verkeersdoeleinden zoals wegen, voet- en fietspaden. Binnen de bestemming 'Groen' zijn o.a. groenvoorzieningen toegestaan. De aanduiding voor de windhaag is opgenomen om te borgen dat er een dubbele wintergroene/bladhoudende windhaag aangelegd en in stand gehouden wordt met een minimale hoogte van 2,5 meter. Dit ter afscherming van het gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen op de omliggende agrarische percelen.

Ten slotte heeft het plangebied de gebiedsaanduiding 'wetgvingszone - wijzigingsgebied'. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemmingen binnen deze gebiedsaanduiding te wijzigen ten behoeve van de realisatie van een maatschappelijke voorziening. Binnen het bouwvlak is niet meer dan 2.500 m2 aan voorzieningen toegestaan verdeeld over maximaal twee bouwlagen. De parkeerbehoefte moet op eigen terrein opgelost worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.wpMFADeestraatPVI-VG01_0004.png"

Figuur 2.1 Fragment bestemmingsplan 'Deestraat, Poortvliet' vastgesteld op 21 juni 2018 (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)

2.2 Toets aan de wijzigingsvoorwaarden

Om de wijzigingsbevoegdheid te kunnen toepassen zal ten minste aan de wijzigingsvoorwaarden uit het artikel 12.1 van het geldende bestemmingsplan voldaan moeten worden. In tabel 2.1 zijn de wijzigingsvoorwaarden vermeld en is het initiatief aan de betreffende bepalingen getoetst.

Tabel 2.1 Wijzigingsregels en toetsing

  Criterium   Toetsing  
a   De bestemmingen wijzigen in de bestemming ‘Maatschappelijke doeleinden’ met bijbehorend bouwvlak.   Aan deze voorwaarde wordt voldaan. De bestemmingen 'Woongebied' en 'Verkeer' worden gewijzigd in de bestemming ‘Maatschappelijk' (SVBP2012) met bijbehorend bouwvlak. Zie hiervoor ook de verbeelding. De bestemming 'Groen' en de aanduiding voor de windhaag zijn in stand gelaten.  
b   Binnen het bouwvlak niet meer dan 2.500 m2 b.v.o. toestaan verdeeld over maximaal twee bouwlagen.   Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Zie hiervoor ook paragraaf 1.3.  
c   De parkeerbehoefte op eigen terrein oplossen.   Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Zie hiervoor ook paragrafen 1.3 en 4.6.  

Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het beoogde plan past binnen de gestelde wijzigingsvoorwaarden.

Hoofdstuk 3 Toetsing aan beleid

3.1 Inleiding

Behalve dat moet worden voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden, kunnen ook andere eisen of voorwaarden van belang zijn, bijvoorbeeld als er na vaststelling van het bestemmingsplan nieuw planologisch beleid of nieuwe wet- of regelgeving is gepubliceerd. Dit zal per geval moeten worden beoordeeld. In dit hoofdstuk en hoofdstuk 4 wordt hier nader op ingegaan.

Het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid waarmee bij de vaststelling van het bestemmingsplan rekening is gehouden, zijn voor het grootste deel nog actueel. In onderstaande paragrafen is de ontwikkeling getoetst aan de beleidskaders die na vaststelling van het bestemmingsplan van toepassing zijn.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan ingespeeld worden op de grote uitdagingen die voorliggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want de ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal en lokaal worden gemaakt. Met de NOVI wordt een proces in gang gezet waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen worden gemaakt.

Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Toetsing

De NOVI vindt haar doorwerking in het regionale en lokale beleid waaraan uiteindelijk plannen zullen worden getoetst. De beoogde ontwikkeling heeft geen directe raakvlakken met het beleid zoals benoemd in de NOVI. Wel geeft het invulling aan het afwegingsprincipe 'combinatie van functies'.

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid zoals dat in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (voorloper NOVI) is vastgelegd. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken.

Toetsing

Uit het Barro blijkt dat voor het planvoornemen en het plangebied geen sprake is van specifieke aspecten van nationaal belang.

3.2.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de ladder voor duurzame verstedelijking

Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet, volgens artikel 3.1.6 lid 2 Bro, vooraf worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. De reden hiervoor is om een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte in Nederland te bevorderen. De ladder bestaat uit twee stappen: de eerste stap bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. De tweede stap omvat, indien de ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Toetsing

Er is sprake van verplaatsing van bestaande functies zoals de basisscholen Jenaplan School met de Bijbel en OBS de Eevliet. De verwachting is dat het aantal leerlingen voor beide scholen nagenoeg gelijk blijft komende jaren (bron: Leerlingenprognose basisonderwijs 2020 gemeente Tholen, Pronexus telt, mei 2020). Daarmee is er geen sprake van een uitbreiding in programma (aantal klassen etc.) en is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro. Een toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarmee niet noodzakelijk.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Zeeuwse Omgevingsvisie

De Zeeuwse Omgevingsvisie is een strategische langetermijnvisie voor Zeeland en beschrijft de uitdagingen voor de periode tot 2050, de Zeeuwse ambities voor 2050 en tussendoelen voor 2030.

De Zeeuwse Omgevingsvisie beschrijft vier ambities:

  • 1. Uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland;
  • 2. Balans in de grote wateren en het landelijk gebied;
  • 3. Een duurzame en innovatieve economie;
  • 4. Klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland;

Leefbaarheid is volgens de provincie een belangrijke voorwaarde voor een goed woon-, werk- en vestigingsklimaat. De bevolkingssamenstelling van Zeeland verandert door vergrijzing, ontgroening en krimp. Met het aanhouden van deze demografische ontwikkelingen komt op enig moment een ondergrens in zicht voor cruciale voorzieningen zoals scholen, (zorg)voorzieningen en culturele voorzieningen. Een betaalbaar, bereikbaar en divers voorzieningenniveau en toekomstbestendig voorzieningenstelsel voor alle bewoners, toeristen en bedrijven is essentieel.

Toetsing

De beoogde ontwikkeling draagt bij aan het toekomstbestendig houden van het voorzieningenniveau voor de kern Poortvliet en heeft daarmee invulling aan de doelen van de Zeeuwse Omgevingsvisie.

3.3.2 Provinciale Omgevingsverordening 2018 (inclusief wijzigingen)

De juridische vertaling van het provinciaal beleid is opgenomen in de Provinciale Omgevingsverordening 2018. Van gemeenten wordt een bijdrage verwacht aan de uitvoering van de beleidsdoelen. Verder streeft de provincie naar realisering van beleidsdoelen met de inzet van andere instrumenten.

Toetsing

De beoogde ontwikkeling is een lokale voorziening, die onder de verantwoordelijkheid van de gemeente valt. De ontwikkeling zal dus getoetst moeten worden aan het gemeentelijk beleid. De Provinciale Omgevingsverordening heeft geen regelgeving inzake de voorgenomen ontwikkeling. Het beoogde initiatief past binnen het relevante provinciale ruimtelijke beleid. Wel ligt ten westen van het plangebied een door de provincie als 'bestaande natuur' aangewezen gebied. De ontwikkeling heeft hier geen invloed op.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Toekomstvisie Tholen 2025

In de toekomstvisie voor de gemeente Tholen is in hoofdlijnen het lange termijn beleid van de gemeente vastgelegd. Deze visie vormt het 'casco' waarbinnen ontwikkelingen de komende decennia kunnen plaatsvinden. Daarnaast wordt een uitwerking op de visie gegeven. Hierbij zijn verschillende thema's die betrekking hebben op wonen, werken en leven op Tholen uitgewerkt.

Het thema dat relevant is voor de voorgenomen ontwikkeling is 'onderwijs'. De toekomstvisie speelt bij onderwijs in op het coördineren en in goede banen leiden van beslissingen die op hoger beleidsniveau worden gemaakt, zoals de scholendichtheid, minimum aantal leerlingen per school en schoollocaties. Daarnaast zet de toekomstvisie bij (her)ontwikkeling van scholen in op een koppeling van onderwijsvoorzieningen aan andere niet-commerciële voorzieningen. Een koppeling van diverse functies kan namelijk leiden tot een toename van de sociale contacten tussen de verschillende groepen inwoners die van het voorzieningencluster gebruik maken en daarmee tot meer gemeenschapszin.

Toetsing

De beoogde ontwikkeling past binnen de visie van de gemeente Tholen tot het clusteren van voorzieningen en daarmee het koppelen van verschillende doelgroepen. Door de nieuwbouw wordt tevens een toekomstbestendig voorzieningenniveau voor basisonderwijs in Poortvliet gegarandeerd.

3.4.2 Groenplan gemeente Tholen 2019-2023

In dit plan heeft de gemeente Tholen haar groenbeleid vastgelegd. Speerpunten van het beleid zijn het vergroten van de biodiversiteit, het realiseren van robuuste groenstructuren die verschillende waarden in zich hebben. In dit groenplan wordt verder richting gegeven aan een toekomstbestendige inrichting en beheer van het openbaar groen. Het is de visie van de gemeente om een robuuste groenstructuur te bereiken die de waarden van groen versterkt.

Toetsing

Het plangebied bestaat uit een braakliggend terrein. Rondom de toekomstige MFA wordt de openbare ruimte opnieuw ingericht. Groenstructuren zullen daar onderdeel van uitmaken.

3.4.3 Parapluherziening Parkeren Tholen

Om een gemeentedekkende regeling te hebben voor parkeren en laden en lossen is de Parapluherziening Parkeren Tholen opgesteld. Dit plan wijzigt alle ruimtelijke plannen in de gemeente op dit onderdeel, met uitzondering van de plannen waar een specifieke regeling is opgenomen voor parkeren.

Toetsing

In dit wijzigingsplan is een eigen parkeerregeling opgenomen, in overeenstemming met de regeling zoals onderdeel van deze parapluherziening.

Hoofdstuk 4 Toetsing aan omgevingsaspecten

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt aanvullend op de wijzigingsregels getoetst aan de aspecten van een goede ruimtelijke ordening.

4.2 Watertoets

Toetsingskader

Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Scheldestromen, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Ten behoeve de toetsing van beoogde ontwikkelingen werkt het waterschap met de zogenaamde watertoets.

Toetsing en conclusie

Ten behoeve van het bestemmingsplan 'Deestraat, Poortvliet' is in het verleden een watertoets opgesteld. Deze watertoets is destijds door het waterschap goedgekeurd. De beoogde ontwikkeling valt binnen de grenzen van dit bestemmingsplan en de daarbij behorende goedgekeurde watertoets. De gemeente Tholen heeft aangegeven dat vanwege onderhoud en de doorvoer van regenwater tijdens extreme neerslag in overleg getreden wordt met het waterschap voor een verbreding van de waterloop aan de randen van het plangebied.

4.3 Ecologie

Toetsingskader

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit wijzigingsplan mogelijk worden gemaakt.

Toetsing

Gebiedsbescherming

Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. De afstand tot een Natura 2000-gebied bedraagt circa 1.700 meter. Dit betreft het Natura 2000-gebied 'Oosterschelde' (zie figuur 4.1). Gelet op deze afstand zal nieuwbouw van een multifunctionele accommodatie geen effect hebben op dit gebied. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. De gevolgen voor verzuring en vermesting zijn niet op voorhand uit te sluiten daarom is onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie. Het gebouw zal een oppervlak hebben van circa 2.300 m2. Om de stikstofberekening te berekenen zijn we uitgegaan van de volgende uitgangspunten. De ontwikkeling bestaat uit circa 2.000 m2 voor de basisscholen. Daarnaast wordt er een gemixte ruimte ontwikkeld van circa 300 m2 voor een dorpshuis, bibliotheek, kinderopvang en/of verenigingen De memo met uitgangspunten en de berekening zijn opgenomen in bijlage 1. Uit de berekening voor de gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van stikstofdeposities die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr op Natura 2000-gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.wpMFADeestraatPVI-VG01_0005.png"

Figuur 4.1 Ligging van het plangebied (blauw omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (Bron: Provincie Zeeland)

Het plangebied ligt niet in een gebied dat begrensd is in het kader van het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Het meest dichtstbijzijnde gebied wat deel uitmaakt van het NNZ grenst aan de westzijde tegen het plangebied aan. Dit is het gebied 'Dorpsbos Poortvliet'. De bouw en het gebruik van de ontwikkeling heeft vanwege de afstand en de ligging geen negatief effect op de natuurwaarden van de gebieden die zijn begrensd in het kader van Natuurnetwerk Zeeland.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.wpMFADeestraatPVI-VG01_0006.png"

Figuur 4.2 Ligging plangebied (blauwe omkaderd) ten opzicht van Natuurnetwerk Zeeland (Bron: Provincie Zeeland)

Soortenbescherming

De grond is recentelijk nog bewerkt (figuur 4.3). Voorafgaand aan deze grondbewerking werd het gebied elke paar weken gemaaid. Er is geen bebouwing in het plangebied aanwezig. Er is geen sprake van hoog opgaande begroeiing of watergangen die aangetast worden als gevolg van de ontwikkeling. Het voorkomen van beschermde soorten of functies van beschermde soorten kan zodoende op voorhand worden uitgesloten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.wpMFADeestraatPVI-VG01_0007.png"

Figuur 4.3 Foto van het plangebied (Bron: Rho adviseurs)

Conclusie

De Wnb en het beleid van de Provincie Zeeland staan de ontwikkeling niet in de weg.

4.4 Cultuurhistorie en archeologie

4.4.1 Cultuurhistorie

Toetsingskader

In het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk is opgenomen dat gemeenten bij het nemen van ruimtelijke besluiten rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.

Toetsing en conclusie

De cultuurhistorische waardevolle objecten zijn door de provincie aangegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. Op de uitsnede in figuur 4.4 is te zien dat er binnen het plangebied geen bouwhistorische objecten aanwezig zijn. Binnen het plangebied is ook geen andere bebouwing aanwezig.

Ten zuiden van het plangebied, op zo'n 200 meter bevinden zich een aantal Rijksmonumenten. Alle cultuurhistorische waardevolle objecten zijn gelegen op andere percelen. De ontwikkeling heeft geen invloed op deze cultuurhistorische objecten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.wpMFADeestraatPVI-VG01_0008.png"

Figuur 4.4 Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart, in blauw globaal het plangebied (Bron: provincie Zeeland)

Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.4.2 Archeologie

Toetsingskader

Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan moet met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten rekening worden gehouden. In het belang van de archeologische monumentenzorg kan bij een ruimtelijk plan door het bevoegd gezag (in dit geval de gemeente) worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld.

In bestemmingsplannen worden dubbelbestemmingen opgenomen ter bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden. Deze dubbelbestemmingen worden aan de gebieden toegekend in overeenstemming met de Nota Archeologiebeleid (2012) van de gemeente Tholen.

Toetsing en conclusie

In het kader van het bestemmingsplan 'Deestraat, Poortvliet' is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het plangebied waarop de wijzigingsbevoegdheid van toepassing is, is vrijgegeven. Nader onderzoek is daarmee niet noodzakelijk.

4.5 Bodem

Toetsingskader

Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.

Toetsing en conclusie

In het kader van het bestemmingsplan 'Deestraat, Poortvliet' is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt geconcludeerd, dat het plangebied vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt is voor toekomstige woonbestemming. De MFA is net als een woonbestemming een 'gevoelige functie'. Nader onderzoek is daarmee niet noodzakelijk.

4.6 Verkeer en parkeren

Toetsingskader

Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling.

De parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie wordt berekend op basis van de regelgeving opgenomen in de Parapluherziening Parkeren Tholen en de kencijfers uit CROW-publicatie 381. Hierbij wordt uitgegaan van de gemiddelde van de bandbreedte. Op basis van het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan van gemeente Tholen is de stedelijkheidsgraad vastgesteld als 'Niet stedelijk'. Het plangebied ligt in rest bebouwde kom.

Ontsluiting bestaande situatie

Gemotoriseerd verkeer

Het plangebied is gelegen aan de Gaaswijck. Dit is in de huidige situatie een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 30 km/uur en een wegbreedte van circa 6,5 meter.

Andere wegen in het gebied zijn de Gaaswijck, de Deestraat, de Burgemeet en de Tolweg. Dit zijn allen erftoegangswegen met een 30 km/uur regime. De Stoofstraat en de Paasdijkweg zijn gebiedsontsluitingswegen binnen de bebouwde kom met een 50 km/uur regime.

Langzaam verkeer

Op de wegen in en rond het plangebied deelt het fietsverkeer de rijbaan met het gemotoriseerd verkeer. Langs de Paasdijkweg en de Stoofstraat ligt een eenzijdig tweerichtingen fietspad.

Openbaar vervoer

Op circa 750 meter loopafstand ligt Bushalte Zuidplantsoen Poortvliet. Bij dit busstation halteren verschillende buslijnen:

  • Buslijn 107 en 108 tussen Station Bergen op Zoom en Stavenisse;
  • Buslijn 602 tussen Scherpenisse en Sommelsdijk;
  • Buslijn 603 tussen Bergen op Zoom en St. Maartensdijk;
  • Buslijn 618 tussen Halsteren en St. Maartensdijk;
  • Buslijn 644 tussen Stavenisse en Goes Station.

De bussen vertrekken 2x per uur. De ontsluiting van het plangebied per openbaar vervoer is voldoende gewaarborgd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.wpMFADeestraatPVI-VG01_0009.png"

Figuur 4.5 Ligging projectgebied ten opzichte van omliggende wegen (Bron: Rho Basisviewer)

Planontwikkeling

De beoogde ontwikkeling bestaat uit een verplaatsing van twee basisscholen (Jenaplan School met de Bijbel en OBS de Eevliet) en het samenvoegen daarvan in één brede school. Ook zullen andere functies zoals de bibliotheek en kinderopvang een plek vinden in de MFA. Het gebouw zal een oppervlak hebben van circa 2.300 m2. Om de verkeersparagraaf te onderbouwen en motiveren zijn we uitgegaan van de volgende uitgangspunten. De ontwikkeling bestaat uit circa 2.000 m2 voor de basisscholen. Daarnaast wordt er een gemixte ruimte ontwikkeld van circa 300 m2 voor een dorpshuis, bibliotheek, kinderopvang en/of verenigingen.

Verkeersgeneratie

Toekomstige situatie

De ontwikkeling betreft twee basisscholen en een gemixte ruimte, voor een dorpshuis, bibliotheek, kinderopvang en/of verenigingen. De verkeersproductie van basisscholen varieert sterk en blijkt in de praktijk samen te hangen met aspecten zoals verstedelijkingsgraad, signatuur van de school en het type onderwijs. Verder is het van belang of de school een zogenaamd continurooster heeft, waarbij alle kinderen tussen de middag overblijven.

In de praktijk kan voor een basisschool worden uitgegaan van een maximum verkeersgeneratie die gebaseerd is op de volgende uitgangspunten:

  • circa 40% van het aantal kinderen wordt met de auto gebracht en gehaald;
  • 1,2 kinderen per auto;
  • 60% van de kinderen wordt zowel 's ochtends, tijdens lunch en 's middags gebracht en gehaald (per motorvoertuig acht ritten per dag);
  • 40% van de kinderen wordt alleen 's ochtends gebracht en 's middags gehaald (per motorvoertuig vier ritten per dag).

Bovenstaande uitgangspunten zijn gebaseerd op vergelijkbaar onderzoek (Rho adviseurs) naar de verkeersgeneratie van basisscholen. In onderstaande tabel zijn de huidige leerlingaantallen te zien met daarbij de prognose voor de komende jaren1:

Tabel 4.1 Leerlingenprognose Jenaplan en De Eevliet

Naam   2021   2022   2025   2030   2035   2040  
Jenaplan School met de Bijbel   99   105   106   107   107   106  
OBS De Eevliet   47   45   46   46   46   46  

Dit betekent dat van het totaal aantal leerlingen van 153 (107+46 in 2030/2025 en daarmee 10 jaar na vaststelling wijzigingsplan) 40% met de auto wordt gebracht en gehaald. Dit gaat om afgerond (153 * 0,4 =) 62 leerlingen. Er wordt uitgegaan dat van deze groep 60% (62 * 0,6 =) 37 leerlingen zowel 's ochtends, tijdens lunch als 's middags gebracht en gehaald worden. De overige 40% (62 * 0,4 =) 25 leerlingen worden alleen 's ochtends gebracht en 's middags gehaald.

Verder wordt uitgegaan van een bezetting per auto van 1,2. Dit geeft een verkeersgeneratie van (37/1.2=) 31 auto's die zowel 's ochtends, tijdens lunch en 's middags gebracht en gehaald (per motorvoertuig acht ritten per dag). De overige (25/1.2=) 21 auto's komen alleen 's ochtends gebracht en 's middags (per motorvoertuig vier ritten per dag).

Tabel 4.2 Berekening verkeersgeneratie leerlingen basisscholen

  Aantal auto's   Motorvoertuig ritten per dag   Verkeersgeneratie (werkdag)  
's ochtends, tijdens lunch en 's middags gebracht en gehaald   31   8   248  
's ochtends gebracht en 's middags gehaald   21   4   84  
Totaal       322  

Het halen en brengen van de kinderen levert 332 mvt/etmaal op. Verder wordt ervan uitgegaan dat er 10 personeelsleden werken, waarvan 75% met de auto komt. Elk personeelslid zorgt voor twee ritten per dag. Dit levert dus 15 mvt/etmaal op. In totaal bedraagt de verkeersgeneratie van de basisschool 347 mvt/etmaal.

De verkeersgeneratie van de gemixte functies is bepaald door uit te gaan van het kengetal voor de functie met de hoogste verkeersgeneratie. Dat is de functie: buurt- en dorpscentrum.

Tabel 4.3 Toename verkeersgeneratie

Toekomstige situatie          
Functie   Aantal   Functie volgens CROW-381   Kerngetal CROW   Werkdag intensiteit (mvt/etmaal)  
Basisscholen   2   n.v.t.   n.v..t.   347  
Gemixte functies   300 m2   Buurt- en dorpscentrum   63,75 per 100 m2 bvo   191,3  
Totale toename         538,3 (mvt/etmaal)  

De beoogde ontwikkeling zal leiden tot een maximale verkeersgeneratie van 539 mvt/etmaal. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling dient gekeken te worden naar het maatgevende uur, waarin doorgaans 10% van de etmaalintensiteit wordt afgewikkeld. Gedurende het drukste spitsuur zorgt de ontwikkeling van het plangebied voor een verkeersgeneratie van 54 mvt/uur.

Verkeertoedeling

De ontwikkeling wordt zowel in zuidelijke als oostelijke richting ontsloten. In oostelijke richting zal circa 80% worden ontsloten via de Gaaswijck, Burgemeet en Deestraat en daarna in noordelijke richting via de Paasdijkweg. In westelijke richting zal circa 20% worden ontsloten via de Gaaswijck, Deestraat, Tolweg en Stoofstraat in de richting van de N286. De verkeerstoedeling is te zien op figuur 4.6.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.wpMFADeestraatPVI-VG01_0010.png"

Figuur 4.6 Verkeerstoedeling projectgebied (Bron: Rho Basisviewer)

Verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid

De omvang van de verkeersgeneratie en het feit dat het verkeer zich daarnaast over verschillende routes verdeeld leidt tot een dusdanig beperkte toename van de verkeersintensiteit dat dit na realisatie van de ontwikkeling niet zal leiden tot een verslechtering van de verkeersveiligheid en/of de verkeersafwikkeling. Wel verdient het aanbeveling om in het kader van een goede verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid op de Gaaswijck de wegbreedte te versmallen. De huidige breedte ligt op circa 6,5 meter, de optimale breedte voor een erftoegangsweg volgens de richtlijnen van het ASVV 2021 is 5,8 meter. Omdat het een schoolzone is, kan om de kwetsbare verkeersdeelnemers tegemoet te komen, overwogen worden om toch enkele verkeersmaatregelen te nemen. Daarbij kan gedacht worden aan het versmallen van de rijbaan naar 4,80 meter eventueel in combinatie met verkeersdrempels en een duidelijke aanduiding dat het een schoolzone betreft.

Parkeren

De ontwikkeling bestaat uit 2 basisscholen met een totaal van 10 leslokalen en een dorpshuis. De ontwikkeling wordt getoetst aan de parkeernormen van de gemeente Tholen. In onderstaande tabel is de parkeerbehoefte van de ontwikkeling weergegeven.

Tabel 4.4 Parkeerbehoefte beoogde ontwikkeling

  Aantal   Parkeerkencijfer   Parkeerbehoefte  
Basisschool   10 leslokalen   0,75 pp per lokaal   7,5 pp  
Dorpshuis   300 m2   0,041 per m2 bvo   12,3 pp  
Totaal       19,8 pp  

De parkeerbehoefte komt op afgerond 20 parkeerplaatsen. Op eigen terrein is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in de parkeerbehoefte.

Conclusie

De beoogde ontwikkeling is bereikbaar voor zowel gemotoriseerd verkeer, fietsverkeer en per openbaar vervoer. De verkeerstoename van de beoogde ontwikkeling is gering en zal niet leiden tot knelpunten op de aansluitingen en het omliggend wegennet. Gezien de gunstige ligging op loop- en fietsafstand van het centrum en OV-halten (bus) zijn er voldoende alternatieven voor de auto. Het is dan ook aannemelijk dat deze alternatieven aantrekkelijk zijn voor de beoogde doelgroep waardoor dit een positief verlagend effect kan hebben op de berekende verkeerstoename van de beoogde ontwikkeling.

De parkeerbehoefte dient te worden voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen. Op basis van de parkeernormen dienen er op de maatgevende periode 20 parkeerplaatsen aanwezig te zijn. Op het eigen terrein is voldoende ruimte aanwezig waardoor er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden om de parkeerbehoefte op te vangen. De aspecten verkeer en parkeren staan de ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.7 Bedrijven en milieuhinder

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.

Toetsing

In de beoogde situatie worden twee scholen en ruimte voor een mix aan functies zoals dorpshuis en bibliotheek gerealiseerd. Hiermee wordt een milieugevoelige functie, maar ook een milieuhinderlijke functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. In de directe omgeving van het gebied zijn diverse andere functies aanwezig, zoals sport, bedrijventerreinen, maatschappelijke voorzieningen en landbouw, waardoor de omgeving getypeerd kan worden als 'gemengd gebied'.

Milieugevoelige functie

Een school is naast een milieuhinderlijke functie ook milieugevoelige. Ten noorden bevindt zich een bedrijventerrein waar bedrijven uit maximaal milieucategorie 3.1 mogelijk zijn. Hierbij hoort een richtafstand van 30 meter in gemengd gebied. Hier wordt met een afstand van 30 meter aan voldaan.

Milieuhinderlijke functie

Een school en een dorpshuis vallen volgens de VNG-brochure in milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter. De dichtstbijzijnde milieugevoelige functies betreffen woningen aan de zuidzijde van het plangebied op een afstand van 10 meter. Er wordt aan de richtafstand voldaan. Tevens zal de grootste geluidshinder vanuit de schoolpleinen komen, deze zullen waarschijnlijk aan de zuidzijde gerealiseerd worden.

Windhaag

Ten noordwesten van het plangebied zijn enkele akkerbouwgronden aanwezig. In het door de Wageningen Universiteit opgestelde 'Onderzoek naar driftblootstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente Tholen' is onderzoek gedaan naar de veiligheidszones en verantwoorde afstanden rondom dergelijke percelen als gevolg van bespuitingen met toxische stoffen en de blootstelling hiervan op (nieuwe) woningen. Deze veiligheidsafstand varieert van 5 tot >50 meter, afhankelijk van de spuittechniek, de hoogte, het gebruikte gewasbeschermingsmiddel en de aanwezigheid van sloten en/of beplanting (windhaag). Tussen deze akkerbouwgronden en de MFA ligt een watergang. Daarnaast wordt ten oosten/zuiden van deze watergang een dubbele, groenblijvende haag aangebracht. Deze haag dient als een dubbele windhaag, waardoor de veiligheidsafstand in dit geval maximaal 5 meter bedraagt (onafhankelijk van spuittechniek en gewasbeschermingsmiddel). Deze veiligheidsafstand reikt daarmee niet tot aan de voorziene MFA.

Conclusie

Er wordt aan de richtafstanden voldaan. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en er worden geen bedrijven beperkt in hun bedrijfsvoering.

4.8 Geluid

Toetsingskader

Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. In de Wet geluidhinder zijn geluidsnormen opgenomen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Deze normen geven de hoogst acceptabele geluidsbelasting bij geluidsgevoelige functies.

Het wijzigingsplan maakt de bouw van geluidsgevoelige objecten mogelijk (basisscholen). Deze basisscholen zijn niet gelegen binnen de invloedssfeer van zoneplichtige (spoor)wegen. Toetsing aan de betreffende grenswaarden uit de Wet geluidhinder is dan ook niet aan de orde. In de directe omgeving van het plangebied is wel bedrijvigheid aanwezig . Uit paragraaf 4.7 blijkt dat aan de richtafstanden voldaan wordt en daarmee geen geluidshinder te verwachten is.

Toetsing en conclusie

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een akoestisch onderzoek noodzakelijk, om te bepalen wat de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer op de Deestraat op de voorziene basisscholen is. In het kader van het bestemmingsplan 'Deestraat, Poortvliet' is reeds een akoestisch onderzoek uitgevoerd om te bepalen wat de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer op de Deestraat op een geluidgevoelige functie (toen woningen) is. In dit akoestisch onderzoek is geconcludeerd dat het thema geluid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Nader onderzoek is in het kader van dit wijzigingsplan niet noodzakelijk.

4.9 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

De gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld op basis van de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk), de AMvB 'Niet in betekenende mate' (het besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM.

Er dient, ook na realisatie van het planvoornemen, sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet voldaan worden aan de geldende grenswaarden en luchtkwaliteitseisen.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.5 weergegeven.

Tabel 4.5 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

stof   toetsing van   grenswaarde  
stikstofdioxide (NO2))   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³  
Fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg/m³  

NIBM

In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 bvo bij één ontsluitingsweg.

Toetsing en conclusie

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient het aspect luchtkwaliteit te worden onderzocht.

De beoogde ontwikkeling multifunctionele accommodatie behoort tot een vaste categorie waarvan vooraf bekend is dat deze ontwikkeling 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Uitgaande van een 'worst-case scenario' is sprake van een toename van 538,3 mvt/etmaal (zie paragraaf 4.6).

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.wpMFADeestraatPVI-VG01_0011.png"

Figuur 4.7 Berekening bijdrage van het extra verkeer op de luchtkwaliteit

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is nagegaan hoe het met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is gesteld. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde voor luchtkwaliteit relevante weg is de Nieuwe Postweg (zie figuur 4.8). Hieruit blijkt dat zowel in 2020 als in 2030 voldaan wordt aan de voor dit jaar geldende normen uit de Wet Milieubeheer zoals weergegeven in tabel 4.2.

Tabel 4.6 Toetsing aan grenswaarden maatgevende stoffen Wm

stof   grenswaarde   maximale waarden in jaar 2020   maximale waarden in jaar 2030  
stikstofdioxide (NO2)   40 µg/m³   16,3 µg/m³   13,2 µg/m³  
fijn stof (PM10)   40 µg/m³   14,7 µg/m³   13,0 µg/m³  
  max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³   6,0 µg/m³   6,0 µg/m³  
Fijn stof (PM2,5)   25 µg/m³   7,7 µg/m³   6,3 µg/m³  

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.wpMFADeestraatPVI-VG01_0012.png"

Figuur 4.8 Luchtkwaliteit ten opzichte van het projectgebied (bron: NSL-monitoringstool)

4.10 Externe veiligheid

Toetsingskader

In de huidige wetgeving zijn de begrippen risicobron, (beperkt) kwetsbaar object, plaatsgebonden risico (PR)  en groepsrisico van belang. Het plaatsgebonden risico (PR) is een maat voor de kans per jaar dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Het groepsrisico GR is de kans per jaar dat een groep personen van een bepaalde grootte tegelijk slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Risicovolle inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) is van toepassing op het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar, bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het groepsrisico, maar wel geldt hiervoor een verantwoordingsplicht in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Op het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet van toepassing; het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.

Besluit externe veiligheid buisleidingen

In het Besluit externe veiligheid buisleidingen wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden.

Toetsing

Volgens de openbare risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn er geen risicovolle inrichtingen met een externe werking in de nabijheid van het plangebied. Ook vindt er in de omgeving geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via de weg, het water of het spoor.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.wpMFADeestraatPVI-VG01_0013.png"Figuur 4.9 Uitsnede risicokaart met het plangebied blauw gemarkeerd

Ten noorden bevindt zich de aardgasleiding Z-525-04 met een grootte van 6 inch en een werkdruk van 40 bar. Het bijbehorende invloedsgebied is 70 meter. De afstand van het plangebied tot de buisleiding is minimaal 415 meter. Het plangebied bevindt zich hiermee niet in het invloedsgebied. Het groepsrisico hoeft niet berekend of verantwoord te worden.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.11 Duurzaamheid

Toetsingskader

Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe gebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Hierbij kan op verschillende manieren omgegaan worden met energiezuinigheid. De gemeente Tholen heeft nog geen specifiek beleid op het gebied van duurzaamheid en klimaatadaptatie. Wel heeft Tholen de ambitie om het gebruik van fossiele brandstoffen een halt toe roepen en om te schakelen naar het gebruik van schone warmtebronnen. Daarvoor moet de gemeente deze schone warmtebronnen eerst ontwikkelen

Toetsing en conclusie

Voor alle nieuwbouw geldt dat aanvragen van de omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Naar verwachting wordt het gebouw zelf ENG gebouwd. Dat is dus nog energie-efficiënter. Per 1 juli 2018 is het daarnaast verplicht gasloos te bouwen. Voor de beoogde MFA wordt hier invulling aan gegeven.

4.12 Kabels en leidingen

Volgens het geldende bestemmingsplan (zie paragraaf 2.1) zijn in en nabij het projectgebied geen planologisch relevante leidingen of hoogspanningslijnen aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het projectgebied hoeft in het bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden. Voor deze leidingen zal nog wel een melding bij het Kadaster worden gedaan.

4.13 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Toetsingskader

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Hierin is geregeld dat ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een milieueffectrapportage nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan, ondanks dat het ruim onder de drempelwaarde blijft, mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een 'vormvrije' mer-beoordeling.

Toetsing en conclusie

Er is sprake van verplaatsing van bestaande functies zoals de basisscholen Jenaplan School met de Bijbel en OBS de Eevliet. De verwachting is dat het aantal leerlingen voor beide scholen nagenoeg gelijk blijft komende jaren. Daarmee is er geen sprake van een uitbreiding in programma (aantal klassen etc.). Wel is er sprake van nieuwbouw. Deze nieuwbouw is echter gelegen in een stedelijke omgeving (tussen woningen en bedrijven). Er is daarmee geen sprake van een toevoeging van een functie met een bebouwd volume wat niet passend is in dit gebied. Uit de aard van de ontwikkeling en de beschrijving in voorgaande milieuparagrafen blijkt daarnaast dat er geen grote milieueffecten te verwachten zijn door de voorgenomen ontwikkeling. Om deze redenen is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Er wordt dan ook geen m.e.r.-beoordelingsbeslissing genomen door het bevoegd gezag.

Hoofdstuk 5 Toelichting op de juridische regeling

5.1 Inleiding

Het wijzigingsplan bestaat uit juridisch bindende regels en een verbeelding met

daarbij een toelichting. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het gebruik

van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van de op te richten en/of

aanwezige bebouwing. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in beeld gebracht. De toelichting heeft geen bindende werking, maar vervult een belangrijke rol voor de onderbouwing van het plan en de

uitleg van de planregels.

5.2 Opzet van de planregels

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • Inleidende regels;
  • Bestemmingsregels;
  • Algemene regels;
  • Overgangs- en slotregels.
5.2.1 Inleidende regels

In de inleidende regels staan de algemene bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed

te kunnen hanteren. De begripsbepalingen (artikel 1) bevatten uitleg van de in het plan gebruikte

begrippen die niet tot de algemeen bekend veronderstelde begrippen gerekend worden. De

wijze van meten (artikel 2) bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van

hoogtes, oppervlaktes etc.

5.2.2 Bestemmingsregels

De bestemmingen beginnen telkens met een bestemmingsomschrijving, waarin in algemene

bewoordingen wordt aangegeven waarvoor de gronden, waaraan de desbetreffende

bestemming is toegekend, mogen worden gebruikt. Deze bestemmingsomschrijving wordt

gevolgd door een bepaling waarin staat aangegeven onder welke voorwaarden bebouwing van

deze gronden is toegestaan (bouwregels). Alle regels die op een bepaalde bestemming van

toepassing zijn, worden zoveel mogelijk in de bestemmingsregels zelf geregeld. Op deze wijze

wordt bij de digitale versie van het plan bij het aanklikken op adres of bestemmingsvlak zo veel

mogelijk informatie gegeven zonder dat er verder doorgeklikt behoeft te worden. Dit

bestemmingsplan kent de volgende bestemmingen:

Onderstaand wordt per bestemming een toelichting gegeven.

Artikel 3 Groen

Deze bestemming heeft betrekking op de binnen het plangebied aan te leggen en reeds

aanwezige groenvoorzieningen. De betreffende gronden zijn hierbij bestemd voor groen en die

bestemming maakt ook fiets- en voetpaden en ontsluitingen mogelijk. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – windhaag’ dient een dubbele windhaag gerealiseerd en in stand gehouden te worden met een hoogte van minimaal 2,5 meter. De in deze bestemming opgenomen bouwmogelijkheden zijn beperkt. De maximale maten staan in de bouwregels.

Artikel 4 Maatschappelijk

Deze bestemming heeft betrekking op de binnen het plangebied aangewezen overige gronden. De betreffende gronden zijn hierbij bestemd voor bibliotheken, openbare dienstverlening, gezondheidszorg, kinderopvang, onderwijs, peuterspeelzalen, sociale en welzijnsvoorzieningen, verenigingsleven en voorzieningen ten behoeve van levensbeschouwelijke en religieuze doeleinden en met voorgaande functies en vergelijkbare voorzieningen. Ook zijn de betreffende gronden bestemd voor de bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals groen, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen en toegangswegen. Gebouwen zijn toegestaan in het bouwvlak. Daarbij geldt een maximale bouwhoogte van 7 meter.

5.2.3 Algemene regels

Artikel 5 Anti-dubbeltelregel

De anti-dubbeltelregel moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening worden

opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan

bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel

mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een

ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Artikel 6 Algemene afwijkingsregels

In deze regels wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om middels

een omgevingsvergunning af te wijken van de maximum toegestane maten. De criteria voor de

toepassing van deze afwijkingsregels zijn hierin eveneens opgenomen.

Artikel 7 Algemene wijzigingsregels

In deze regels wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om het plan

op onderdelen te kunnen wijzigen. Naast het wijzigen van bestemmingsgrenzen voor een

betere realisering van bestemmingen en/of bouwwerken, wordt hier tevens de mogelijkheid

geboden om een deel van de gronden te wijzigen naar een maatschappelijke bestemming ten

behoeve van de realisatie van een brede school.

Artikel 8 Overige regels

In dit artikel is bepaald, dat de wettelijke regelingen waarnaar in de planregels wordt

verwezen, de regelingen betreffen zoals deze luiden op het moment van vaststelling van dit

bestemmingsplan. Ook is hier een parkeerregeling opgenomen.

5.2.4 Overgangs- en slotregels

In Artikel 9 is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke

ordening is voorgeschreven. Als laatste is de slotbepaling opgenomen, welke bepaling zowel

de titel van het plan als de regels bevat.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Financiële uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor

gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is

voorgenomen. In het tweede lid van artikel 6.12 Wro is aangegeven dat onder andere van het

opstellen van een exploitatieplan kan worden afgezien wanneer het verhaal van kosten van de

grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd.

De gemeente Tholen is eigenaar van de gronden en staat aan de lat voor de ontwikkeling van

het gebied. De gemeenteraad heeft hiervoor financiële middelen ter beschikking gesteld, waarmee de

kosten voor de ontwikkeling zijn geregeld. Gelet hierop is het plan financieel uitvoerbaar

6.2 Vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro

Op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) dient bij de voorbereiding van een wijzigingsplan overleg plaats te vinden met de waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Op 21 juni 2018 is in het kader van het opstellen van het bestemmingsplan 'Deestraat, Poortvliet' door de Provincie Zeeland aangegeven dat er geen provinciale belangen in het geding zijn. De mogelijkheid om te komen tot voorliggend wijzigingsplan zijn opgenomen in dit bestemmingsplan en daarmee toen beoordeeld. Ten aanzien van de watertoets wijzigt niets ten opzichte van het genoemde bestemmingsplan. Het waterschap is om deze reden niet nogmaals geconsulteerd.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het ontwerp van het wijzigingsplan is met ingang van 27 mei 2022 voor een periode van zes weken, dus tot en met 7 juli 2022, ter inzage gelegd. Een ieder had de mogelijkheid om gedurende de periode van terinzagelegging van het ontwerpplan zienswijzen kenbaar te maken. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt.