direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Buitenzorg IV Tholen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0716.TAMBuitenzorgIVTLN-VG01

Regels

Preambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Buitenzorg Tholen. Dit TAM-omgevingsplan vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22e) van het omgevingsplan van de gemeente Tholen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening https://www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22e van het omgevingsplan van de gemeente Tholen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22e' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22e' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen

Voor toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen:

2.1 TAM-omgevingsplan

Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Buitenzorg, Tholen.

2.2 Omgevingsplan

Het omgevingsplan van de gemeente Tholen.

2.3 Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge dit hoofdstuk regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

2.4 Aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

2.5 Aan- en uitbouw

Een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw.

2.6 Aan-huis-gebonden-beroep

Een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en voor zover deze beroepen een ruimtelijke uitstraling hebben die met de woonfunctie in overeenstemming is.

2.7 Achtererf

De gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn achter de achtergevel van het hoofdgebouw of achter een denkbeeldige lijn in het verlengde daarvan.

2.8 Antenne-installatie

Een installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.

2.9 Bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

2.10 Beneden-bovenwoning

een bijzondere woonvorm waarbij boven dan wel beneden en of naast elkaar gesitueerde woningen in maximaal twee bouwlagen al dan niet met kap zijn gebouwd waarbij per woning een zelfstandige toegankelijkheid al dan niet direct vanaf het voetgangersniveau gewaarborgd is niet zijnde een appartementencomplex.

2.11 Bijgebouw

Een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

2.12 Bouwen

Plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk.

2.13 Bouwgrens

De grens van een bouwvlak.

2.14 Bouwlaag

Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit gedeelte zonder ingrijpende voorzieningen voor functies uit de bestemmingsomschrijving geschikt of geschikt te maken is.

2.15 Bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge deze regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

2.16 Bouwperceelsgrens

De grens van een bouwperceel.

2.17 Bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

2.18 Bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

2.19 Bouwwerk, geen gebouw zijnde

Een bouwwerk als bedoeld in lid 2.17, niet zijnde een gebouw.

2.20 Detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

2.21 Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

2.22 Geluidgevoelig gebouw

Een gebouw of een gedeelte van een gebouw, zoals bedoeld in artikel 3.21 Bkl.

2.23 Geluidgevoelige ruimte

Een verblijfsruimte of verblijfsgebied, zoals bedoeld in artikel 3.22 Bkl.

2.24 Geschakelde woning

Een grondgebonden woning waarbij de muren van het niet-woongedeelte gedeeltelijk grenzen aan een niet-woongedeelte van andere grondgebonden woningen.

2.25 Gestapelde woning

Boven dan wel beneden en/of naast elkaar gesitueerde woningen waarbij per woning een zelfstandige toegankelijkheid, al dan niet direct vanaf het voetgangersniveau, gewaarborgd is, bestaande uit meer dan twee bouwlagen.

2.26 Grondgebonden woning

Een woning die rechtstreeks contact heeft met het aangrenzende terrein.

2.27 Hoofdgebouw

Een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

2.28 Huishouden

Een alleenstaande of twee of meer personen die een duurzaam gemeenschappelijke huishouding (willen) voeren.

2.29 Kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten

Activiteiten die in een woning door een bewoner op bedrijfsmatige wijze worden uitgeoefend waarbij de woning in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt en met een ruimtelijke uitstraling die daarbij past.

2.30 Lessenaarsdak

Een asymmetrische dakvorm met één hellend dakvlak over (nagenoeg) de volledige breedte of diepte van een gebouw.

2.31 Levensloopbestendige woning

Een woning die geschikt is voor bewoning in alle levensfasen, dus die ook rolstoeltoegankelijk is voor mensen met een lichamelijke beperking, waarbij alle primaire leefruimten (woonkamer, keuken, slaapkamer en badkamer met toilet zich op de begane grond moeten bevinden en waarbij deze leefruimten zowel inpandig als vanuit het aansluitende terrein drempelvrij toegankelijk zijn.

2.32 Logies met ontbijt

Een kleinschalige, aan de woonfunctie ondergeschikte, recreatieve voorziening voor kortdurend verblijf, voor uitsluitend logies en ontbijt en niet voor permanente bewoning.

2.33 Nutsvoorzieningen

Voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.

2.34 Onzelfstandige woonruimte (kamerverhuur)

Een wooneenheid die geen eigen afsluitbare toegang heeft en welke niet door een huishouden kan worden bewoond, zonder afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte.

2.35 Overkapping

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een dak.

2.36 Peil
  • Voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg;
  • Bij ligging in overig water: de gemiddelde hoogte van de aangrenzende oevers;
  • In andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.
2.37 Rug-aan-rug-woning

Een grondgebonden woning waarbij de achtergevel gedeeld wordt met een andere grondgebonden woning.

2.38 Seksinrichting

Het bedrijfsmatig - of in een omvang of frequentie die daarmee overeenkomt - gelegenheid bieden tot het ter plaatse, in een gebouw of in een vaartuig, verrichten van seksuele handelingen.

2.39 2-onder-1-kapwoning

Een woning die via het woongedeelte verbonden is met het woongedeelte van één andere woning. De woningen kunnen een eigen dak hebben.

2.40 Voorgevel

De gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.

2.41 Woning

Een complex van ruimten, bestemd voor de huisvesting van één huishouden.

2.42 Wonen

Het gehuisvest zijn in een woning, conform het begrip 'woning' zoals bedoeld in lid 2.35.

2.43 Zijerf

De gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn aan de zijkant(en) van dat hoofdgebouw tussen de denkbeeldige lijnen in het verlengde van de voor- en achtergevel.

Artikel 3 Toepassingsbereik

  • 1. Het besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie als bedoeld in het derde lid, zijn niet van toepassing.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Buitenzorg Tholen, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het gml-bestand NL.IMRO.TAMBuitenzorgIVTLN-OW01.

.

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt als volgt gemeten:

4.1 Afstand

De afstand tussen bouwwerken onderling en de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.

4.2 Bouwhoogte van een antenne-installatie
  • a. in geval van een vrijstaande installatie: tussen het peil en het hoogste punt van de installatie;
  • b. in geval van een op of aan een bouwwerk gebouwde installatie: tussen de voet van de installatie en het hoogste punt van de installatie.
4.3 Bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

4.4 Breedte, lengte en diepte van een gebouw

Tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidingsmuren.

4.5 Dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

4.6 Goothoogte van een bouwwerk
  • a. Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
  • b. Bij meerdere/ verschillende (hellende) dakvlakken met verschillende goot- en/of boeiboordhoogten wordt de goot- en/of boeiboordhoogte gemeten bij het dakvlak, waarvan de verticale projectie meer bedraagt dan 50% van het grondoppervlak van een gebouw;
  • c. Bij toepassing van een lessenaarsdak wordt goothoogte gemeten op het hoogste snijpunt van het dakvlak met de daaronder gelegen gevel: onder de gevel wordt tevens verstaan het hart van de scheidsmuren met een gebouw op een aangrenzend bouwperceel.
4.7 Inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

4.8 Oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

4.9 Vloeroppervlakte

De gebruiksoppervlakte volgens NEN2580.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locaties toegedeelde functies en activiteiten.

Artikel 7 Agrarisch

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Agrarisch'.

7.2 Functieomschrijving

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de uitoefening van volwaardige en reële grondgebonden agrarische bedrijfsactiviteiten;

en tevens voor:

  • b. aan de functie genoemd onder a. ondergeschikte extensieve dagrecreatie;

een en ander met de hierbij behorende voorzieningen, zoals groenelementen, (natuurvriendelijke) oevers, water en voet- en fietspaden.

7.3 Beoordelingsregels voor het bouwen

Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen en overkappingen zijn niet toegestaan;
  • b. stapmolens, paardenbakken, schokgolfgeneratoren, bassins, en bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van opslag zijn niet toegestaan;
  • c. toegestaan zijn
    • 1. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, waarbij de bouwhoogte niet meer dan 3,5 meter mag bedragen;
    • 2. wateropslag waarbij de bouwhoogte en de inhoud per wateropslag ten hoogste 6 m respectievelijk 200 m3 mag bedragen;
  • d. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt maximaal 2 meter;
  • e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 3 meter.
7.4 Specifieke functieregels
7.4.1 Strijdig gebruik

Als een gebruik strijdig met de functieomschrijving wordt bedoeld:

  • a. de opslag van mest, al dan niet in voorzieningen voor mestopslag, afgedekt of verpakt;
  • b. opslag van goederen;
  • c. teeltondersteunende voorzieningen, niet zijnde bouwwerken, zoals bijvoorbeeld containervelden;
  • d. boomteeltgaarden of fruitteeltboomgaarden;
  • e. het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen.

Artikel 8 Bedrijventerrein

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Bedrijventerrein'.

8.2 Functieomschrijving

De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 1' voor bedrijven tot en met categorie 1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, bedrijventerrein', zoals opgenomen in Bijlage 1;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2' voor bedrijven tot en met categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, bedrijventerrein', zoals opgenomen in Bijlage 1;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' voor bedrijven tot en met categorie 3.1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, bedrijventerrein', zoals opgenomen in Bijlage 1;
  • d. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 4: tevens een bedrijfsactiviteit met de SBI-code 494, zoals opgenomen in Bijlage 1;
  • e. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - distibutiebedrijf: tevens distributiecentra tot en met milieucategorie 3.1;

een en ander met de hierbij behorende voorzieningen, zoals laad- en losvoorzieningen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, toegangswegen, nutsvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen, reclame-uitingen, voorzieningen ten behoeve van afvalinzameling, groen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals water-infiltratie en -transportvoorzieningen en ondergrondse bergbezinkbassins.

8.3 Beoordelingsregels voor het bouwen

Op de voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden mogen uitsluitend bedrijfsgebouwen met bijbehorende overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten dienste van deze functie.

8.3.1 Beoordelingsregels voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. bedrijfswoningen zijn niet toegestaan;
  • b. bedrijfsgebouwen en overkappingen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht;
  • c. de goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan de op de verbeelding aangeduide omgevingsnorm 'maximum goothoogte (m) en maximum bouwhoogte (m)';
  • d. het bebouwingspercentage van gebouwen en overkappingen tezamen bedraagt maximaal 75% van het bouwperceel.
8.3.2 Beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan;
  • b. de bouwhoogte van licht- of vlaggenmasten bedraagt maximaal 9 meter;
  • c. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 meter;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 3 meter.
8.4 Vergunningvoorschriften en maatwerkvoorschriften

Het bevoegd gezag kan in het belang van een betere inrichting van de onbebouwde gronden ten behoeve van aan- en afvoerroutes, laad- en losruimtes en parkeerruimten, middels een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift beperkingen stellen aan de situering van bouwwerken mits:

  • a. daardoor de gebruikswaarde van het bedrijventerrein niet onevenredig wordt geschaad;
  • b. er geen inbreuk wordt gemaakt op het maximaal te bebouwen oppervlak.
8.5 Specifieke functieregels
8.5.1 Strijdig gebruik

Als een gebruik strijdig met de functieomschrijving wordt bedoeld:

  • a. bedrijfsactiviteiten met een externe veiligheidsrisico zoals bedoeld in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
  • b. bedrijfsactiviteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken, zoals aangewezen in artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
  • c. bedrijfsactiviteiten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebbenen waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt zoals bedoeld in afdeling 16.4 van de Omgevingswet;
  • d. opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk;
  • e. zelfstandige kantoren;
  • f. buitenopslag van goederen met een totale (stapel)hoogte van meer dan 4 meter;
  • g. seksinrichtingen of straatprostitutie;
  • h. transport- en distributiebedrijven anders dan in lid 8.1 zijn niet toegestaan.
8.5.2 Ondergeschikte detailhandel
a Vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning ondergeschikte detailhandelsactiviteiten te verrichten.

b Beoordelingsregels ondergeschikte detailhandel

De omgevingsvergunning voor ondergeschikte detailhandelsactiviteiten wordt slechts verleend als voldaan wordt aan de volgende regels:

  • a. uitsluitend detailhandel ondergeschikt en gerelateerd aan het gevestigde bedrijf is toegestaan:
  • a. de oppervlakte voor ondergschikte detailhandel bedraagt maximaal 250 m2;
  • b. het parkeren ten behoeve van de detailhandel vindt plaats op de bij het bedrijf behorende gronden;
  • c. er mag geen sprake zijn van een onevenredige vergroting van de verkeersdruk in de omgeving;
  • d. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
c Aanvraagvereisten omgevingsvergunning ondergeschikte detailhandel

Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een opgave van de oppervlakte voor de ondergeschikte detailhandelsactiviteiten en de locatie binnen de bedrijfsgebouwen;
  • b. een beschrijving van de ondergeschikte detailhandelsactiviteiten en de relatie tot het bedrijf;
  • c. een beschrijving van de wijze waarop het parkeren op de bij het bedrijf behorende gronden wordt opgelost en dat er in voldoende mate in parkeerplaatsen wordt voorzien;
  • d. een beschrijving van de gevolgen voor de verkeersdruk in de omgeving en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

Artikel 9 Groen

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Groen'.

9.2 Functieomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen locaties hebben de volgende functies:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. water, waterhuishoudkundige voorzieningen, infiltratie;
  • c. duikers en bruggen;
  • d. paden, verhardingen, muren en grondkeringen;
  • e. speelvoorzieningen en straatmeubilair;
  • f. openbare nutsvoorzieningen;
  • g. objecten van beeldende kunst;
  • h. uitsluitend ter plaats van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - calamiteitenontsluiting': een afsluitbare ontsluiting die bij calamiteiten kan worden gebruikt door hulpdiensten en voor het ontvluchten van het gebied;

een en ander met de hierbij bijbehorende voorzieningen, zoals nutsvoorzieningen, ontmoetingsplaatsen, geluidwerende voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van afvalinzameling, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals water-infiltratie en -transportvoorzieningen en ondergrondse bergbezinkbassins.

9.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
9.3.1 Beoordelingsregels voor het bouwen van gebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. uitsluitend gebouwen en overkappingen voor ontmoetingsplaatsen en nutsvoorzieningen zijn toegestaan;
  • b. de bouwhoogten en oppervlakten, bedragen
    • 1. per gebouw of overkapping ten behoeve van ontmoetingsplaatsen maximaal 3 m en 15 m2:
    • 2. per gebouw of overkapping voor nutsvoorzieningen: 3 m en 25 m2
9.3.2 Beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte bedraagt maximaal:
    • 1. antennemasten: 15 meter
    • 2. overige masten: 9 meter
    • 3. ballenvangers: 4 meter
    • 4. gemalen, (aanleg)steigers, bruggen en duikers: 2 meter
    • 5. overge bouwwerke,geen gebouwen zijnde: 2 meter.
  • b. de breedte van een (aanleg)steiger bedraagt maximaal 1 meter;
  • c. de lengte van een (aanleg)steiger bedraagt maximaal 6 meter.
9.4 Vergunningvoorschriften en maatwerkvoorschriften

het bevoegd gezag kan in het belang van het behoud van groenvoorzieningen middels een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift:

  • a. afwijken van het bepaalde in de beoordelingsregels in lid 3; of
  • b. beperkingen stellen aan de situering van bouwwerken.

 

Artikel 10 Tuin

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Tuin'.

10.2 Functieomschrijving

De voor 'Tuin' aangewezen locaties hebben de volgende functies:

  • a. tuinen;
  • b. paden en verhardingen;
  • c. ontsluitingen.
10.3 Beoordelingsregels voor het bouwen

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag niet worden gebouwd.

Artikel 11 Verkeer

11.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Verkeer'.

11.2 Functieomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen locaties hebben de volgende functies:

  • a. verkeersdoeleinden en parkeergelegenheid;
  • b. groenvoorziening en beplanting;
  • c. paden, verhardingen, muren en grondkeringen;
  • d. water, waterhuishoudkundige voorzieningen, infiltratie;
  • e. duikers en bruggen;
  • f. speelvoorzieningen en straatmeubilair;
  • g. openbare nutsvoorzieningen;
  • h. voorwerpen van beeldende kunst;

een en ander met de daarbij behorende voorzieningen, zoals parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, kleinschalige speelvoorzieningen, ontmoetingsplaatsen, geluidwerende voorzieningen, niet-permanente vent- en standplaatsen voor ambulante handel, reclame-uitingen, voorzieningen ten behoeve van afvalinzameling, groen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals water-infiltratie en -transportvoorzieningen en ondergrondse bergbezinkbassins.

11.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
11.3.1 Beoordelingsregels voor het bouwen van gebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogten en oppervlakten, bedragen per gebouw of overkapping maximaal 3 meter en 15 m2
11.3.2 Beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte bedraagt maximaal:
    • 1. antennemasten: 15 meter;
    • 2. overige masten: 9 meter;
    • 3. gemalen, (aanleg)steigers, bruggen en duikers: 2 meter;
    • 4. overgie bouwwerke,geen gebouwen zijnde: 2 meter.
11.4 Vergunningvoorschriften en maatwerkvoorschriften

Het bevoegd gezag kan in het belang van verkeer(sveiligheid) of het openbaar nut middels een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift:

  • a. afwijken van het bepaalde in de beoordelingsregels in lid 10.3; of
  • b. beperkingen stellen aan de situering van bouwwerken.

Artikel 12 Water

12.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Water'.

12.2 Functieomschrijving

De voor 'Water' aangewezen locaties hebben de volgende functies:

  • a. watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • b. waterberging en infiltratie;
  • c. waterbeheersing en oeververbindingen;
  • d. ontsluitingswegen, verkeersruimte, duikers en bruggen;
  • e. ontwikkeling van natuurwaarden en aanleg van (natuurvriendelijke) oevers;
  • f. extensieve dagrecreatie met bijbehorende voorzieningen;
  • g. voorwerpen van beeldende kunst;

een en ander met de hierbij bijbehorende voorzieningen.

12.3 Beoordelingsregels voor het bouwen

Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen zijn niet toegestaan;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal:
    • 1. gemalen, (aanleg)steigers, bruggen en duikers: 2 meter
    • 2. overge bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 2 meter.
  • c. de breedte van een (aanleg)steiger bedraagt maximaal 1 meter;
  • d. de lengte van een (aanleg)steiger bedraagt maximaal 6 meter.
12.4 Vergunningvoorschriften en maatwerkvoorschriften

Het bevoegd gezag kan in het belang van de waterhuishouding en het waterbeheer middels een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift:

  • a. afwijken van het bepaalde in de beoordelingsregels in 12.3; of
  • b. beperkingen stellen aan de situering van een (aanleg)steiger.

Artikel 13 Woongebied

13.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Woongebied'.

13.2 Functieomschrijving

De als 'Woongebied' aangewezen locaties hebben de volgende functies:

  • a. grondgebonden woningen en beneden-bovenwoningen met bijbehorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • b. gestapelde woningen uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding 'gestapeld';
  • c. aan-huis-gebonden-beroepen;
  • d. aan het wonen ondergeschikte logies met ontbijt en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;
  • e. parkeren, parkeervoorzieningen, verkeersruimte, paden en verblijfsgebieden;
  • f. ontsluitingswegen;
  • g. tuinen en erven;
  • h. groenvoorzieningen;
  • i. water en waterhuishoudkundige voorzieningen waaronder in elk geval infiltratievoorzieningen, duikers en bruggen;
  • j. openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van afvalinzameling;
  • k. speelvoorzieningen en straatmeubilair;
  • l. voorwerpen van beeldende kunst;

een en ander met bijbehorende voorzieningen.

13.3 Algemene beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken

Op de voor 'Woongebied' aangewezen gronden mogen uitsluitend woningen met bijbehorende aanbouwen, uitbouwen en bijgbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd alsmede bouwwerken ten dienste van de openbare ruimte en de technische uitrusting van wegen, water en groen.

13.3.1 Woningaantal

Het totaal aantal woningen op alle voor 'Woongebied' aangewezen de gronden tezamen mag niet meer bedragen dan 295.

13.3.2 Algemene maatvoering bouwperceel

De oppervlakte van gebouwen en overkappingen tezamen bedraagt per bouwperceel van een grondgebonden woning ten hoogste:

  • a. 65% bij aaneengebouwde woningen
  • b. 75% bij levensloopbestendige woningen
  • c. 75% bij rug-aan-rugwoningen
  • d. 70% bij overige grondgebonden woningen
13.4 Specifieke beoordelingsregels voor het bouwen van hoofdgebouwen

In aanvulling op het bepaalde in lid 13.3 gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen de volgende regels:

  • a. de hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de goot- en/of bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan de op de verbeelding aangeduide maximum goothoogte (m) en maximum bouwhoogte (m);
  • c. gestapelde woningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld';
  • d. de hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden afgedekt met een kap met een dakhelling van tenminste 30° en ten hoogste 80°;
  • e. de hoofdgebouwen mogen worden afgdekt met een plat dak;
  • f. de breedte van de gezamenlijke dakkapellen op het dakvlak van de voorgevel van een gebouw bedraagt ten hoogste 50% van de breedte van dat dakvlak.
  • g. bij vrijstaande woningen bedraagt de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelgrens:
    • 1. aan 1 zijde minimaal 1,5 meter;
    • 2. aan 1 zijde minimaal 3,5 m;
  • h. bij 2-1-kapwoningen bedraagt de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelinge perceelsgrens aan de niet aaneengebouwde zijde ten minste 3,5 meter;
  • i. bij aaneengebouwde woningen bedraagt de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens aan de niet aaneengebouwde zijde van een eindwoning:
    • 1. als de zijdelingse perceelsgrens grenst aan openbaar gebied ten minste 1,5 meter;
    • 2. als de zijdelingse perceelsgrens niet grenst aan openbaar gebied, ten minste 1 meter, indien niet in de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd.
13.5 Specifieke boordelingsregels voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen

In aanvulling op het bepaalde in lid 13.3 gelden voor het bouwen van bijgebouwen, aanbouwen, uitbouwen en overkappingen de volgende regels:

Algemeen

  • a. bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd.

Bouwen ten opzichte van de voorgevel

  • b. bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen mogen niet voor de voorgevel van de woning of het verlengde daarvan worden gebouwd met uitzondering van een aan- en uitbouw bij een levensloopbestendige woning die tot in de voorste perceelsgrens mag worden gebouw met een diepte van maximaal 3,5 meter en een oppervlakte van maximaal 10 m2.

Bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen

  • c. bij gestapelde woningen mogen geen bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen worden gebouwd;
  • d. bij beneden-bovenwoningen en rug-aan-rugwoningen mogen geen bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd;
  • e. bij beneden-bovenwoningen en rug-aan-rugwoningen zijn aan- en uitbouwen toegestaan:
    • 1. in de vorm van een berging;
    • 2. indien de oppervlakte van de berging niet meer bedraagt dan 6 m2;
    • 3. de aan- en uitbouwen mogen per bouwblok geclusterd worden gebouwd;
  • f. bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen bij vrijstaande woningen woningen, geschakelde woningen en twee-onder-een-kapwoningen mogen niet minder dan 6 meter achter de voorgevel of het verlengde daarvan worden gebouwd.
  • g. bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen bij rijenwoningen mogen: niet minder dan 2 meter achter de voorgevel of het verlengde daarvan, worden gebouwd.

Bouwen ten opzichte van de zijdelingse perceelsgrens

  • h. aan- en uitbouwen bij vrijstaande woningen mogen niet minder dan 1 meter uit de zijdelingse erfgrens worden gebouwd;
  • i. aan- en uitbouwen bij geschakelde woningen, 2-1-kapwoningen en rijenwoningen mogen in de zijdelings perceelsgrens worden gebouwd of niet minder dan 1 meter uit de zijdelingse erfgrens worden gebouwd;
  • j. aanbouwen en uitbouwen bij rijenwoningen mogen niet minder dan 1 meter uit de zijdelingse erfgrens of het verlengde daarvan worden gebouwd indien niet in de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd.

Goot- en bouwhoogte van bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen

  • k. de goothoogte respectievelijk bouwhoogte van bijgebouwen aan- en uitbouwen en overkapppingen bedraagt maximaal 3 meter, respectievelijk 6 meter;
  • l. de bouwhoogte van overkappingen bedraagt maximaal 3 meter;
  • m. op een aan- of uitbouw is het bouwen van een balustrade toegestaan mits:
    • 1. de bouwhoogte van de balustrade niet meer dan 1,25 meter boven de bouwhoogte van de eerste bouwlaag reikt;
    • 2. de bouw geen afbreuk doet aan de gebruiksmogelijkheden en bezonning van aangrenzende percelen;

Oppervlakte van bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkapppingen

  • n. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkapppingen bij woningen bedraagt ten hoogste:
    • 1. 60 m² voor bouwpercelen kleiner of gelijk aan 200 m²;
    • 2. 80 m² voor bouwpercelen groter dan 200 m² en kleiner of gelijk aan 500 m²;
    • 3. 100 m2 voor bouwpercelen groter dan 500 m² en kleiner of gelijk aan 1.000 m²;
    • 4. 125 m² voor bouwpercelen groter dan 1.000 m².
13.6 Specifieke beoordelingsregels voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. ondergrondse bouwwerken in de vorm van zwembaden zijn toegestaan;
  • b. de bouwhoogte van ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan 0,50 meter;
  • c. andere ondergrondse bouwwerken dan zwembaden zijn mogen alleen worden gebouwd waar bovengronds gebouwen aanwezig zijn, met dien verstande dat:
    • 1. ondergronds bouwen niet is toegestaan onder vrijstaande bijgebouwen, met uitzondering van inpandige zwembaden;
    • 2. de verticale diepte niet meer mag bedragen dan 5 meter.
13.7 Specifieke beoordelingsregels voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde bij woningen gelden de volgende regels:

  • a. erfafscheidingen die niet voldoen aan het bepaalde in artikel 2.29 van het Bkl en artikel 22.36 van het omgevingsplan, zijn niet toegestaan;
  • b. de bouwhoogte van masten bedraagt maximaal 9 meter;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 3 meter.
13.8 Specifieke beoordelingsregels voor het bouwen van gebouwen voor nutsvoorzieningen in het openbaar gebied

Voor het bouwen van gebouwen voor nutsvoorzieningen gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 meter;
  • b. de oppervlakte bedraagt maximaal 25 m2.
13.9 Specifieke beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde in het openbaar gebied
  • a. de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde in het openbaar gebied bedraagt maximaal:
    • 1. antennemasten: 15 meter
    • 2. overige masten: 9 meter
    • 3. ballenvangers: 4 meter
    • 4. gemalen, (aanleg)steiders), bruggen en duikers: 2 meter
    • 5. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 3 meter.
  • b. de breedte van een (aanleg)steiger bedraagt maximaal 1 meter;
  • c. de lengte van een (aanleg)steiger bedraagt maximaal 6 meter.
13.10 Afwijkende beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk wordt, onder de voorwaarde dat de afwijking stedenbouwkundig aanvaardbaar is en geen onevenredige consequenties heeft voor de verkeersveiligheid, ook verleend voor het afwijken van:

  • a. het bepaalde in 13.4 sub a. en/of c. voor het plat afdekken van woningen danwel voor een kleinere of grotere dakhelling;
  • b. het bepaalde in 13.5 sub a. voor de bouw van een aan- of uitbouw voor de voorgevel of het verlengde daarvan op een hoekperceel;
  • c. het bepaalde in 13.5 sub b. voor het situeren van bijgebouwen bij vrijstaande en geschakelde woningen op een afstand van minder dan 6 meter achter de voorgevel of het verlengde daarvan;
  • d. het bepaalde in lid 13.5 sub c. voor het bouwen van bijgebouwen bij rijwoningen op een afstand van minder dan 4 meter achter de voorgevellijn.
13.11 Vergunningvoorschriten en maatwerkvoorschriften

Het bevoegd gezag kan middels een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift afwijken van het bepaalde in de beoordelingsregels in 13.5 ten behoeve van de situering en de goot- en bouwhoogte van bijgebouwen, indien over een lengte van meer dan 2,5 meter in de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd, teneinde te waarborgen dat de op te richten bebouwing geen onnodig nadelige veranderingen teweegbrengt in de bezonningssituatie op de aangrenzende erven of tuinen, met dien verstande dat:

  • a. de gebruikswaarde van het te bebouwen erf niet onevenredig wordt geschaad;
  • b. de goot- of bouwhoogte van (delen van) bijgebouwen niet wordt teruggebracht tot minder dan 2,5 meter;
  • c. geen inbreuk wordt gemaakt op het bepaalde in 13.3.2 en 13.5 ten aanzien van het maximaal te bebouwen gedeelte van de gronden;

en indien dit naar hun oordeel noodzakelijk is in verband met:

  • 1. de bebouwingskarakteristiek van de omgeving en de stedenbouwkundige kwaliteit van het plangebied;
  • 2. de parkeerbalans; of
  • 3. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
13.12 Specifieke functieregels - voowaardelijke verplichting waterberging

Woningen binnen de locatie 'Woongebied' mogen alleen in gebruik genomen worden als sprake is van voldoende waterberging, waarbij geldt dat:

  • a. indien er bestaand oppervlaktewater binnen het plangebied wordt gedempt moet dit één op één worden gecompenseerd;
  • b. er een waterberging met een capaciteit van minimaal een inhoud van 75 mm per vierkante meter nieuw verhard en bebouwd oppervlak moet worden gerealiseerd.
13.13 Specifieke functieregels - strijdig gebruik

Als een gebruik strijdig met de functieomschrijving wordt bedoeld:

  • a. het gebruik van aan- of uitbouwen of bijgebouwen als zelfstandige woning;
  • b. het bewonen van de woning door meer dan één huishouden;
  • c. het gebruik van een logiesfunctie als onzelfstandige woonruimte;
  • d. het gebruik van gebouwen en gronden als seksinrichtingen;
  • e. de verkoop en opslag van vuurwerk.
13.14 Specifieke functieregels - verkeersdoeleinden
  • 1. Binnen de locatie 'Woongebied' is het toegestaan om de hoofdontsluiting van het woongebied te realiseren.
  • 2. Voor het overige geldt dat binnen locatie 'Woongebied' de aanleg en realisatie van voorzieningen voor parkeren, verkeersruimte, paden en verblijfsgebieden is toegestaan.
13.15 Specifieke functieregels - uitoefening andere activiteiten in woningen

Voor de uitoefening van aan-huis-gebonden-beroepen, logies met ontbijt en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten in een woning en in aan- of uitbouwen of bijgebouwen, gelden de volgende regels:

  • a. de activiteit is in zijn uiterlijke verschijningsvorm ondergeschikt aan de woning en de woonomgeving;
  • b. de vloeroppervlakte voor deze activiteiten bedraagt in totaal ten hoogste 50 m2;
  • c. het beroep of de activiteit dient door de bewoner te worden uitgeoefend;
  • d. de activiteit is milieuhygiënisch inpasbaar in de woonomgeving;
  • e. het gebruik mag geen zodanige verkeersaantrekkende werking hebben dat deze kan leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • f. er vindt geen detailhandel plaats, uitgezonderd een beperkte verkoop die verband houdt met de beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten.
13.16 Vaststellen gezamenlijk geluid

De waarde van het gezamenlijk geluid, zoals bedoeld in artikel 4.103, eerste lid Besluit bouwwerken leefomgeving is 59 dB.

Artikel 14 Waarde - Archeologie 2

14.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 2'.

14.2 Functieomschijving

Een als 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen locatie heeft, naast de andere daar voorkomende functies, mede de volgende functie:

  • a. het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en aanwezige vindplaatsen, niet zijnde beschermd van rijkswege.
14.3 Regels voor het bouwen
14.3.1 Algemene regels voor het bouwen

Voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de in artikel 14.2 genoemde functie gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen zijn niet toegestaan;
  • b. de bouwhoogte bedraagt maximaal 2 meter.
14.3.2 Aanvullende beoordelingsregels voor het bouwen

In aanvulling op de beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van andere toegestane functies elders opgenomen in dit hoofdstuk gelden de volgende regels:

  • a. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologische deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet noodzakelijk is;
  • b. uit een rapport blijkt dat de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld en veilig gesteld;
  • c. uit een rapport blijkt dat de betrokken archeologische waarden niet door de bouwactiviteit worden geschaad of dat mogelijke schade kan worden voorkomen.
14.3.3 Uitzonderingen op de aanvullende beoordelingsregels voor het bouwen

De aanvullende beoordelingsregels zoals bedoeld in 14.3.2 zijn niet van toepassing bij:

  • a. een bouwactiviteit ten behoeve van vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik gemaakt wordt van de bestaande fundering;
  • b. een bouwactiviteit ten behoeve van een bouwwerk waarvan de oppervlakte van de verstoring niet meer dan 250 m2 bedraagt;
  • c. een bouwactiviteit ten behoeve van een bouwwerk dat niet dieper dan 40 cm wordt geplaatst.
14.3.4 Aanvullende aanvraagvereiste

Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit dient ter aanvulling van het bepaalde in Artikel 5 de volgende gegevens en bescheiden te worden verstrekt:

  • a. een archeologisch onderzoek waarin de archeologische waarde van het terrein, dat door de uitvoering van de bouwactiviteit wordt verstoord, in voldoende mate is vastgesteld.
14.3.5 Vergunningvoorschriften

Het bevoegd gezag kan in het belang van de bescherming van archeologische waarden een vergunningvoorschrift aan de omgevingsvergunning verbinden die gericht is op:

  • a. het behoud van de archeologische resten in de bodem;
  • b. het doen van opgravingen;
  • c. het (laten) begeleiden van bouwactiviteiten door een deskundige.
14.4 Regels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
14.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden om zonder, of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte of hoogte dan 40 cm, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage;
  • b. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  • c. het planten of rooien van bomen waarbij stobben worden verwijderd;
  • d. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
14.4.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

het verbod in 14.4.1 is niet van toepassing indien de werken en werkzaamheden:

  • a. normaal onderhoud en beheer betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  • c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning;
  • d. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend;
  • e. niet dieper reiken dan 40 cm onder het maaiveld;
  • f. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 250 m²;
  • g. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
14.4.3 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden

Voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden gelden de volgende regels:

  • a. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologische deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet noodzakelijk is;
  • b. uit een rapport blijkt dat de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld en veilig gesteld;
  • c. uit een rapport blijkt dat de betrokken archeologische waarden niet door het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of door werkzaamheden worden geschaad of dat mogelijke schade kan worden voorkomen.
14.4.4 Aanvullende aanvraagvereiste

Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzamheden dient ter aanvulling van het bepaalde in Artikel 5 de volgende gegevens en bescheiden te worden verstrekt:

  • a. een archeologisch onderzoek waarin de archeologische waarde van het terrein dat door de uitvoering van deze activiteit wordt verstoord in voldoende mate is vastgesteld.
14.4.5 Vergunningvoorschriften

Het bevoegd gezag kan in het belang van de bescherming van archeologische waarden een vergunningvoorschrift aan de omgevingsvergunning verbinden die gericht is op:

  • a. het behoud van de archeologische resten in de bodem;
  • b. het doen van opgravingen;
  • c. het (laten) begeleiden van bouwactiviteiten door een deskundige.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 15 Algemene regels voor het bouwen

15.1 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

15.2 Overschrijding bouwgrenzen

In afwijking van de in dit hoofdstuk bepaalde bouwgrenzen/bouwmaten mogen deze worden overschreden door:

  • a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt;
  • b. tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding ten hoogste 1 m bedraagt;
  • c. andere ondergeschikte bouwdelen, zoals dakoverstekken, risalieten, gevelversieringen, funderingen en andere daaraan gelijk te stellen bouwdelen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt.
15.3 Parkeren

Een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en/of wijzigen van gebouwen wordt slechts verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de functie van het gebouw en/of gronden in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Hierbij gelden de parkeernormen, zoals vastgelegd in het vastgestelde 'Mobiliteitsplan Tholen 2022-2030'. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, dient getoetst te worden aan diens rechtsopvolger.

Artikel 16 Algemene regels voor duurzame ontwikkeling

16.1 Afwijkende beoordelingsregels voor het bouwen ten behoeve van innovaties duurzaamheid of klimaatadaptatie

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van innovatieve duurzaamheid en klimaatadaptatie wordt in afwijking van de bouwregels elders in dit hoofdstuk ook verleend, met dien verstande dat:

  • a. de bouwwerken geen beperkingen opleveren voor natuur en milieu;
  • b. de bouwwerken geen negatieve effecten opleveren voor de waterhuishouding en bodemkwaliteit;
  • c. de bouwwerken geen beperkingen opleveren voor nabij gelegen woningen en voorzieningen.
16.2 Openbare laadpalen

De realisatie en gebruik van laadpalen en het gebruik van laadkabels in de openbare ruimte is toegestaan, met dien verstande dat:

  • a. ter plaatse een parkeerplaats aanwezig is;
  • b. de elektrische kabel om het elektrische voertuig van stroom te voorzien moet in goede staat zijn;
  • c. er mag geen elektrische kabel over de openbare weg (rijbaan/fietspad) gelegd worden;
  • d. de elektrische kabel mag maximaal 3 meter over het trottoir liggen, waarbij de afstand wordt gerekend vanaf de laadpaal tot aan het elektrische voertuig;
  • e. de elektrische kabel moet, voor zover en zoveel mogelijk, langs het trottoir liggen;
  • f. de elektrische kabel moet, als deze op het trottoir wordt gelegd, op een deugdelijke wijze afgedekt zijn met een kabelmat ter voorkoming van hinder en/ of mogelijke ongevallen voor andere gebruikers van het trottoir.
16.3 Laadpalen op eigen terrein

De realisatie en het gebruik van laadpalen op eigen terrein en het gebruik van laadkabels (in de openbare ruimte) is toegestaan, met dien verstande dat:

  • a. de openbare parkeerplaats moet direct grenzen aan het trottoir of eigen perceel;
  • b. de openbare parkeerplaats kan niet geclaimd worden en blijft te allen tijde beschikbaar als openbare parkeerplaats;
  • c. de elektrische kabel om het elektrische voertuig van stroom te voorzien moet in goede staat zijn;
  • d. er mag geen elektrische kabel over de openbare weg (rijbaan/fietspad) gelegd worden;
  • e. de elektrische kabel mag maximaal 10 meter over het trottoir liggen, waarbij de afstand wordt gerekend vanaf de grens van het eigen terrein tot aan het elektrische voertuig;
  • f. de elektrische kabel moet, voor zover en zoveel mogelijk, langs het trottoir liggen;
  • g. de elektrische kabel moet op een deugdelijke wijze afgedekt zijn met een kabelmat ter voorkoming van hinder en/ of mogelijke ongevallen voor andere gebruikers van het trottoir;
  • h. de realisatie van laadpalen en het gebruik van laadkabels is toegestaan, mits ter plaatse een parkeerplaats aanwezig is.

Hoofdstuk 4 Overgangsrecht

Artikel 17 Overgangsrecht

17.1 Overgangsrecht bouwwerken
17.1.1 Algemeen

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
17.1.2 Uitzondering

Het bepaalde in 17.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

17.2 Overgangrecht gebruik

Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt:

  • a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  • b. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  • c. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  • d. het genoemde in dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregeling van dat plan.