Type plan: wijzigingsplan
Naam van het plan: Vissersverkorting, Westdorpe
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0715.WPWTD03-VG99

Regels

1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 Plan

Het wijzigingsplan Vissersverkorting, Westdorpe met identificatienummmer NL.IMRO.0715.WPWTD03-VG99 van de Gemeente Terneuzen.

1.2 Wijzigingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.3 aan- of uitbouw

een gebouw dat als afzonderlijke ruimte of als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

1.4 aan-huis-verbonden beroep

een beroep, dat in of bij een woonhuis wordt uitgeoefend, waarbij het woonhuis in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;

1.5 bebouwingspercentage

een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;

1.6 beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte

de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep c.q. een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke;

1.7 bestemmingsgrens

een op de verbeelding aangegeven lijn, die de grens vormt van een bestemmingsvlak;

1.8 bestemmingsvlak

een op de verbeelding aangeven vlak met eenzelfde bestemming;

1.9 bijgebouw

een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

1.10 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

1.11 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;

1.12 bouwgrens

een op de verbeelding aangegeven lijn, die de grens vormt van een bouwvlak;

1.13 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.14 bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel;

1.15 bouwvlak

een op de plankaart aangegeven vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid waarop gebouwen en bouwwerken, geen bebouwen zijnde, zijn toegelaten;

1.16 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.17 dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

1.18 dakkapel

een constructie ter vergroting van een gebouw, welke zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst;

1.19 dakopbouw

een constructie ter vergroting van een gebouw, welke zich boven de dakgoot bevindt, waarbij deze constructie deels boven de oorspronkelijke nok uitkomt en de onderzijden van de constructie in beide dakvlakken van het dak zijn geplaatst;

1.20 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.21 dienstverlening

het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden;

1.22 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.23 hoofdgebouw

een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel of woonwagenstandplaats kan worden aangemerkt;

1.24 horizontale diepte van een gebouw

de lengte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de naar de weg gekeerde gevel;

1.25 kleinschalige bedrijfsmatige activiteit

het op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, waarvoor geen melding- of vergunningplicht op grond van het Inrichtingen- of Vergunningenbesluit milieubeheer geldt en die door de beperkte omvang in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;

1.26 peil:

  1. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: - de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; 
  2. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: - de hoogte van het afgewerkte maaiveld ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; 
  3. indien in of op het water wordt gebouwd: - het Nieuw Amsterdams Peil (of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil);

1.27 terrein

een stuk grond van enige omvang.

1.28 seksinrichting

de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.29 verdieping

de bouwlaag of bouwlagen boven de bouwlaag op de begane grond;

1.30 voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel;

1.31 woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

1.32 woonwagen

een onderkomen dat bedoeld is voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

1.33 woonwagenstandplaats

een woongebied waar naast het bouwen van woningen ook woonwagens gestald mogen worden.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 
  1. afstanden: afstanden tussen bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot de perceelsgrens worden gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn; 
  2. de goothoogte van een bouwwerk: 
    1. bij zadel- en schilddaken en platte daken: vanaf het peil tot aan de snijlijn van de gevel(s) met het dakvlak ter plaatse van de goot of het boeibord, goothoogten met een ondergeschikte lengte ten opzichte van de gevel niet meegerekend; 
    2. bij lessenaarsdaken: vanaf het peil tot aan de snijlijn van de gevel(s) met het dakvlak ter plaatse van de goot, goothoogten met een ondergeschikte lengte ten opzichte van de gevel niet meegerekend en voorzover niet gelijk aan de (bouw)hoogte van het bouwwerk. 
  3. de inhoud van een bouwwerk: tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 
  4. de (bouw)hoogte van een gebouw: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw, met uitzondering van kleine bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, kleine liftkokers en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 
  5. de (bouw)hoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van het bouwwerk; 
  6. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, nederwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 
  7. de hoogte van een windmolen: vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windmolen; 
  8. de hoogte van een kleine windturbine: vanaf het peil tot aan het hoogst mogelijke punt van de rotor.

    Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1.00 meter bedraagt.

2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Groen

3.1 Bestemmingsomschrijving

De op de verbeelding voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor: 
  1. groenvoorzieningen; 
  2. bermen en beplanting; 
  3. paden; 
  4. speelvoorzieningen; 
  5. waterlopen en waterpartijen;

    met daaraan ondergeschikt: 
  6. verhardingen; 
  7. parkeervoorzieningen; 
  8. voorzieningen van openbaar nut, waaronder afvalophaalvoorzieningen;

    met de daarbijbehorende: 
  9. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

3.2 Bouwregels

3.2.1 Voor het bouwen van gebouwen geldt de volgende bepaling:
  1. op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
3.2.2 Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen
  1. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 meter bedragen; 

Artikel 4 Tuin (T)

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Tuin (T) aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. tuinen en erven;

    met de daarbij behorende:
  2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  3. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  4. groenvoorzieningen.

4.2 Bouwregels

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende regel:
  1. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 1 meter bedragen.

Artikel 5 Verkeer

5.1 Bestemmingsomschrijving

De op de verbeelding voor Verkeer aangewezen gronden zijn bestemd voor: 
  1. wegen, straten en paden; 
  2. voet- en rijwielpaden; 
  3. groenvoorzieningen; 

    met daaraan ondergeschikt: 
  4. parkeervoorzieningen; 
  5. waterlopen en waterpartijen; 
  6. voorzieningen van openbaar nut, waaronder afvalophaalvoorzieningen;

    met de daarbijbehorende: 
  7. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

5.2 Bouwregels

5.2.1 Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:
  1. de hoogte van gebouwen ten behoeve van de in lid 1 bedoelde gronden, zoals bijvoorbeeld wachthuisjes voor busdiensten, speelvoorzieningen, urinoirs en gebouwtjes ten behoeve van nutsvoorzieningen mag ten hoogste 3 meter bedragen; 
  2. de oppervlakte van een gebouw mag ten hoogste 15 m2 bedragen.
5.2.2 Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende bepaling
  1. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer mag niet meer dan 3 meter bedragen.

5.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen omtrent de situering en afmetingen van de in lid 2 bedoelde gebouwen teneinde te waarborgen dat de op te richten bebouwing geen onnodige beperkingen of belemmeringen teweegbrengt in de verkeerssituatie danwel ten behoeve van de verbetering van de ruimtelijk-functionele situatie ter plaatse.

Artikel 6 Wonen

6.1 Bestemmingsomschrijving

De op de verbeelding voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor :
  1. woningen;
  2. woonwagens; 

    alsmede: 
  3. aan- en uitbouwen en bijgebouwen; 

    met de daarbijbehorende: 
  4. tuinen en erven; 
  5. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
 

6.2 Bouwregels

6.2.1 Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen
  1. op de gronden met de nadere aanduiding [vrij] mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd;
  2. op de gronden met de nadere aanduiding [wp] mogen woonwagens of vrijstaande woningen worden gebouwd;
  3. een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak, niet zijnde een erf, worden gebouwd;
  4. een hoofdgebouw mag uitsluitend worden gebouwd met de voorgevel in één van de naar de weg gekeerde bouwgrenzen, danwel op een afstand van ten hoogste 3 meter evenwijdig hieraan;
  5. de afstand van vrijstaande woningen tot de perceelsgrens dient temminste 2,5 meter te bedragen;
  6. de onderlinge afstand tussen woonwagens dient ten minste 5 meter te bedragen;
  7. de goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer dan 6 meter bedragen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding [wp] de goothoogte van een hoofdgebouw niet meer dan 4 meter mag bedragen;
  8. de bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer zijn dan 4 meter hoger dan de toegestane goothoogte, met dient verstande dat de bouwhoogte van woonwagens niet meer dan 5 meter mag bedragen;
  9. de oppervlakte van een hoofdgebouw woning op gronden met de nadere aanduiding [vrij] mag niet meer bedragen dan 30% van de oppervlakte van het perceel.
     
6.2.2 Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende bepalingen:
  1. aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend op de gronden binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken, op de gronden met de nadere aanduiding (e); 
  2. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw mag op de gronden met de nadere aanwijzing (e) en op de gronden met de nadere aanwijzing (wp): 
    1. voor zover deze gronden deel uitmaken van een perceel (of standplaats) kleiner dan 500 m², de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen ten hoogste 50% van dit perceel (of standplaats) bedragen, met een maximum van 60 m²; 
    2. voor zover deze gronden deel uitmaken van een perceel (of standplaats) groter dan 500 m², de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen ten hoogste 50% van dit perceel (of standplaats) bedragen, met een maximum van 90 m²;

      met dien verstande dat een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 15 m² onbebouwd en onoverdekt dient te blijven en er per bouwperceel ten hoogste twee vrijstaande bijgebouwen zijn toegestaan; 
  3. aan- en uitbouwen en bijgebouwen dienen op een afstand van tenminste 3 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden gebouwd;
  4. de goothoogte van een aan- en uitbouw en een bijgebouw mag niet meer dan 3 meter bedragen;
  5. de bouwhoogte van een aan- en uitbouw en een bijgebouw mag niet meer dan 6 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van een aan- en uitbouw en een bijgebouw behorende bij een woonwagen niet meer dan 4 meter mag bedragen.
6.2.3 Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
  1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen uitsluitend op de gronden binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken en op de gronden met de nadere aanwijzingen (e) en (z) worden gebouwd; 
  2. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3.00 meter bedragen, met dien verstande dat: 
    1. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer dan 2.00 meter mag bedragen; 
    2. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daar van niet meer dan 1.00 meter mag bedragen; 
  3. voor bouwwerken gelden voorts de volgende maximale hoogtematen:
   Goothoogte  Bouwhoogte
 1. van hoofdgebouwen woningen op [vrij] 6 meter 10 meter
 2. van hoofdgebouwen woningen op [wp] 4 meter 8 meter
 3. van hoofdgebouwen woonwagens op [wp] 4 meter 5 meter
 4. van aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen bij hoofdgebouwen   woningen 3 meter 6 meter
 5.
 van aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen bij hoofdgebouwen woonwagens
 3 meter 4 meter
 6. van erfafscheidingen achter de voorgevel   2 meter
 7. van andere bouwwerken achter de voorgevel  3 meter
 8. van bouwwerken vóór de voorgevel   1 meter

                

6.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen omtrent de situering en de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, indien over een lengte van meer dan 2.50 meter in de zijerfscheiding wordt gebouwd, teneinde te waarborgen dat de op te richten bebouwing geen onnodig nadelige veranderingen teweegbrengt in de bezonningsituatie op de aangrenzende erven of tuinen en in de lichttoetreding van het naastgelegen hoofdgebouw, met dien verstande dat: 
  1. daardoor de gebruikswaarde van het te bebouwen erf niet onevenredig wordt geschaad; 
  2. de goothoogte van (delen van) gebouwen niet wordt teruggebracht tot minder dan 2.50 meter; 
  3. geen inbreuk wordt gemaakt op het bepaalde in artikel 6 lid 2.2 sub b ten aanzien van het maximaal te bebouwen gedeelte van de gronden.

6.4 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders zijn met een omgevingsvergunning af te wijken van: 
  1. het bepaalde in artikel 6 lid 1 voor de uitoefening van kleinschalige beroepsmatige en bedrijfsmatige activiteiten in de woning met in achtneming van de volgende bepalingen: 
    1. de woonfunctie dient in overwegende mate behouden en herkenbaar te blijven, waarbij het vloeroppervlak in gebruik voor de beroepsmatige activiteiten ten hoogste 25% van het binnenwerks vloeroppervlak van hoofdgebouwen en de daarbij behorende aan- en uitbouwen mag bedragen, met een maximum van 50 m² en voor bedrijfsmatige activiteiten ten hoogste 20% respectievelijk 20 m²; 
    2. het beroep of de activiteit dient door de bewoner te worden uitgeoefend; ten behoeve van een bedrijfsmatige activiteit mogen ten hoogste twee personeelsleden, waaronder de bewoner van het pand, werkzaam zijn; 
    3. het gebruik mag geen zodanige verkeersaantrekkende werking hebben dat deze kan leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte; 
    4. er mag geen detailhandel plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop die verband houdt met de beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten; 
    5. geen vrijstelling mag worden verleend voor het uitoefenen van bedrijvigheid die onder de werking van de Wet milieu beheer valt; 
    6. vrijstelling wordt niet verleend indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; 

3 Algemene regels

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

Grond welke eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 8 Algemene bouwregels

8.1 Bestaande maten

8.1.1
Daar waar afstanden op de dag van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer of minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk II is voorgeschreven, mogen de bestaande afstanden als maximaal respectievelijk minimaal toelaatbaar worden aangehouden.
8.1.2
In die gevallen dat hoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bouwwerken, die gebouwd zijn of kunnen worden gebouwd met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, op de dag van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer of minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk II is voorgeschreven, mogen de bestaande maten en hoeveelheden als maximaal respectievelijk minimaal toelaatbaar worden aangehouden.

Artikel 9 Algemene gebruiksregels

9.1 Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan onbebouwde gronden te gebruiken of te laten gebruiken

  1. als opslagplaats voor bagger en grondspecie; 
  2. als opslagplaats voor vaten, kisten, al dan niet voor gebruik geschikte werktuigen en machines of onderdelen daarvan, oude en nieuwe (bouw)materialen, afval, puin, grind of brandstoffen; 
  3. als uitstallings-, opslag-, stand- of ligplaats voor kampeer- en verblijfsmiddelen; 
  4. voor het houden van wedstrijden met motorvoertuigen of bromfietsen; 
  5. voor groeps- en natuurkamperen; 
  6. voor de volgende leidingen: 
    1. Hoogspanningsleidingen van 50 kV en hoger; 
    2. Buisleidingen voor transport van brandbare gassen met een druk van 20 bar of hoger; 
    3. Buisleidingen voor transport van brandbare vloeistoffen met een diameter van 4" en hoger; 
    4. Buisleidingen voor transport van giftige stoffen; 
    5. Buisleidingen met een diameter van 400 mm en hoger buiten de bebouwde kom. 
    6. Buisleidingen voor transport van afvalwater met een diameter van 400 mm en hoger van het Waterschap Zeeuwsch-Vlaanderen (hoofdleidingen van en naar de afvalwaterzuiveringsinrichting).

9.2 Voorts wordt onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan:

  1. gronden of gebouwen te (laten) gebruiken als seksinrichting of daarmee vergelijkbare gebruiksvormen; 
  2. kampeermiddelen te (laten) gebruiken voor permanente bewoning; 
  3. gebruik van woningen als recreatiewoningen; 
  4. gronden of gebouwen te (laten) gebruiken ten behoeve van de opslag van vuurwerk.

9.3 Onder strijdig gebruik wordt niet verstaan:

  1. het opslaan van bouwmaterialen, puin en specie in verband met normaal onderhoud, dan wel ter verwezenlijking van de bestemming(en); 
  2. de stalling van ten hoogste één toercaravan en/of boot op het bij een woning behorende erf; 
  3. gebruik dat plaatsvindt krachtens een verleende afwijking of vastgesteld wijzigingsplan. 

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, van: 
  1. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages; 
  2. de bestemmingsbepalingen en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of –intensiteit daartoe aanleiding geven; 
  3. de bestemmingsbepalingen en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; 
  4. de bestemmingsbepalingen ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals bijvoorbeeld lichtmasten, wordt vergroot tot niet meer dan 15 meter; 
  5. de bestemmingsbepalingen ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot niet meer dan 40 meter.

4 Overgangs- en slotregels

Artikel 11 Overgangsrecht

11.1 Overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken

Bouwwerken, welke op het tijdstip van de eerste terinzagelegging van dit plan bestaan dan wel worden gebouwd of kunnen worden gebouwd met inachtneming van het bepaalde in of krachtens de Woningwet, en in enigerlei opzicht van het plan afwijken, mogen, mits de bestaande afwijkingen naar de aard en omvang niet worden vergroot: 
  1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 
  2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel of gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning geschiedt binnen twee jaar na het tenietgaan.

11.2 Afwijking

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 11 lid 1, en toestaan dat een eenmalige vergroting plaatsvindt van de inhoud van de in artikel 11 lid 1 toegelaten bouwwerken met niet meer dan 10%.

11.3 Overgangsbepaling ten aanzien van het gebruik

Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan, mag worden voortgezet of gewijzigd, zolang en voor zover de strijdigheid van dat gebruik ten opzichte van het gebruik overeenkomstig de bestemmingen in dit plan, naar de aard en omvang niet wordt vergroot.

11.4 Uitzonderingen op het overgangsrecht

  1. artikel 11 lid 1 is niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan, doch zijn gebouwd in strijd met het toen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 
  2. artikel 11 lid 3 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

Artikel 12 Slotregel

Deze regels kunnen worden aangehaald onder de titel: Regels deel uitmakende van het  wijzigingsplan Vissersverkorting, Westdorpe van de Gemeente Terneuzen.