| Plan: | Buitengebied, Middenweg 13a Biervliet |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0715.WPBG23-VG01 |
Aan de Middenweg 13a te Biervliet is het bedrijf Goud Biervliet B.V. gevestigd. Het betreft een agrarisch bedrijf in de teelt en handel in uien. In het bestemmingsplan Buitengebied is aan het bedrijf een bouwvlak toegekend van ongeveer 2 hectare. Nieuwe inzichten met betrekking tot de bedrijfsvoering waarbij onder andere 3 nieuwe loodsen zijn voorzien, vragen om een vormverandering van het huidige bouwvlak. Uitbreiding van het bouwvlak is voorzien aan de noordzijde van het bedrijf. Aangezien het bouwvlak niet groter mag worden, zal het bouwvlak aan de zuidwestzijde worden verkleind.
De gemeente is bereid planologische medewerking te verlenen aan het verzoek en hiervoor de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid toe te passen. Onderhavig wijzigingsplan voorziet in het wijzigen van de vorm van het agrarisch bouwvlak en maakt zodoende de bouw van de loodsen mogelijk.
In figuur 1.1. zijn de ligging van het plangebied globaal aangeduid en de huidige situatie (2016) weergegeven.
Figuur 1.1. Ligging en situatie plangebied (kaart en luchtfoto: provincie Zeeland, 2016).
De bedrijfsbebouwing aan de Middenweg 13a te Biervliet bestaat uit:
De totale oppervlakte aan bijgebouwen binnen het plangebied bedraagt momenteel circa 5.793 m².
Het bedrijf heeft op dit moment een totale opslagcapaciteit van 5.000 ton netto af te leveren product. De activiteiten van het bedrijf bestaan uit twee sporen; enerzijds de handel in uien waarbij uien worden ingekocht en worden doorverkocht aan exporteurs, schil- en sorteerbedrijven. Behoudens één vrachtwagencombinatie wordt het transport verder uitbesteed.
Anderzijds bestaan de activiteiten uit de teelt van uien in eigen beheer. In de bestaande situatie wordt jaarlijks zo'n 153 hectare aan uien geteeld.
In figuur 1.2 is een impressie opgenomen van één van de loodsen met het kantoorgebouw.
Figuur 1.2. impressie bestaande bedrijfsbebouwing
De ontsluiting van het bedrijf vindt plaats via de Middenweg, een parallelweg van Rijksweg N61, en via de Groenewoudsedijk. De ontsluiting aan de Middenweg is bedoeld voor personenverkeer en kleine busjes, vrachtverkeer is hier niet toegestaan. Vrachtverkeer bereikt de locatie via de Groenewoudsedijk aan de westzijde van het plangebied. Hier vindt ook de opslag van lege kisten en dergelijke plaats.
De beoogde vormverandering is noodzakelijk om 3 nieuwe bedrijfsloodsen te kunnen realiseren. Een van de nieuwe loodsen is gesitueerd in het verlengde van de in 2012 gerealiseerde loods in de richting noordzuid. Dit wordt een loods van 90 x 35 m met daar aan vastgebouwd een loods van 50 x 35 m. De andere nieuwe loods is voorzien parallel aan de in 2009 gerealiseerde loods in oostwestelijke richting. Deze loods krijgt een footprint van 70 x 20 m. Het totaal oppervlak aan nieuwe bebouwing bedraagt daarmee 6.300 m². In figuur 1.3 is een afbeelding van de bestaande en de op te richten bebouwing opgenomen.
Figuur 1.3. Overzicht bestaande en nieuwe loodsen
De bedrijfsvoering van het aan de Middenweg 13a gevestigde bedrijf is zodanig gespecialiseerd in de teelt van uien dat de teeltrisico's zoveel mogelijk moeten worden beperkt. Immers, zaken die misgaan bij de teelt of de bewaring kunnen bij deze schaalgrootte en specialisatie grote financiële consequenties hebben. Om die reden wordt waarde gehecht aan flexibele bedrijfsvoering en een ruime overcapaciteit. De doelstelling is dat, ook onder slechte rooiomstandigheden, er voldoende capaciteit dient te zijn om de uien droog te blazen.
Door realisatie van de 3 extra loodsen wordt de gewenste overcapaciteit mogelijk gemaakt en worden de financiële risico's verder beperkt. Het belang van de extra capaciteit aan kistenopslag is daarnaast gelegen in het feit dat op die manier een substantieel gedeelte van de kisten niet in de bewaarplaats hoeft te worden opgeslagen. Hierdoor ontstaat in de bewaarplaats manoeuvreer- en werkruimte, en hoeven de kisten minder te worden verplaatst.
In het geldende bestemmingsplan (zie paragraaf 2.1) is een bouwvlak opgenomen waarbinnen alle gebouwen en overkappingen moeten worden gebouwd. Het bouwvlak is weliswaar voldoende groot, maar de vorm van dit bouwvlak is voor een juiste opstelling van de verschillende bedrijfsgebouwen, niet optimaal gebleken. Voor een efficiënte bedrijfsvoering dient de bedrijfsbebouwing op een andere manier te worden geclusterd. Het heeft uit dat oogpunt de voorkeur om de nieuwe gebouwen te bouwen aan de noordzijde van de bestaande gebouwen en niet in de oksel van de Groenewoudsedijk en de Middenweg. Hier voorziet het bestemmingsplan niet in. Om deze reden dient het bouwvlak te worden aangepast.
De vormverandering van het bouwvlak is geheel ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering. Benadrukt wordt dan ook dat het wijzigingsplan uitsluitend is gericht op een vormverandering van het bouwvlak en niet op een uitbreiding ervan.
Figuur 1.4. Gewenste draaiing van het bouwvlak
Een wijzigingsvoorwaarde bij vormverandering van bouwvlakken groter dan 1 hectare is dat het geheel landschappelijk ingepast moet worden. De verplichting om het bouwplan landschappelijk in te passen maakt onderdeel uit van de reeds ondertekende overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer. Daarin is opgenomen dat de initiatiefnemer verplicht is om uiterlijk binnen 1 jaar na realisering van het bouwplan, met betrekking tot de landschappelijke inpassing van het plangebied, voor eigen rekening en risico maatregelen te treffen. Deze maatregelen zullen bestaan uit het aanbrengen van een opgaande randbeplanting, van een gebiedseigen assortiment met een breedte van 5 meter. Verder dient de initiatiefnemer de gerealiseerde randbeplanting zowel kwantitatief als kwalitatief in stand te houden. Figuur 1.5 geeft een schetsmatige weergave van de landschappelijke inpassing die gedeeltelijk ook op figuur 1.3 zichtbaar is.
Figuur 1.5. Landschappelijke inpassingschets Middenweg 13a
Vooruitlopend op de vaststelling van onderhavig wijzigingsplan is initiatiefnemer al gestart met de realisatie van het landschappelijke inpassingsplan.
De planontwikkeling is in Hoofdstuk 2 getoetst aan het geldende bestemmingsplan en de daarin opgenomen wijzigingsvoorwaarden. Geconcludeerd is dat aan de wijzigingsvoorwaarden wordt voldaan.
Voorliggende ontwikkeling is ook (in Hoofdstuk 3) beoordeeld aan het beleid en sectorale aspecten, waaronder archeologie en cultuurhistorie. Er gelden geen beleidsmatige, milieuhygiënische en andere belemmeringen voor de locatie.
De uitgevoerde toetsen (zie hoofdstukken 2 en 3) tonen aan dat er geen planologische belemmeringen zijn voor het voorgenomen project. Geconcludeerd wordt dat de wijzigingsbevoegdheid kan worden toegepast.
In figuur 2.1 is ingezoomd op de verbeelding van het bestemmingsplan 'Buitengebied Terneuzen'. Het perceel Middenweg 13a heeft daarin de bestemming 'Agrarisch'. In lid 3.1 van het betreffende bestemmingsartikel is het gebruik vastgelegd: grondgebonden agrarische bedrijven.
Daarnaast is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3' van toepassing. Aan de westzijde van het plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2'. In paragraaf 3.2.4 wordt nader op het aspect archeologie ingegaan.
Er is een gebiedsaanduiding 'wro-zone - ontheffingsgebied' opgenomen die aangeeft dat een omgevingsvergunning kan worden verleend voor afwijken van het gebruik ten behoeve van bassins voor aquacultuur.
Op het deel van het perceel, waar de ontwikkeling van de nieuwe loodsen is voorzien, ligt geen bouwvlak. Hier zijn zodoende uitsluitend toegestaan:
De beoogde loodsen zijn hier op basis van deze regeling niet toegestaan.
In artikel 3 lid 3.7.1 van het bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de vergroting of de vormverandering van het bouwvlak van een grondgebonden agrarisch bedrijf.
Om de bevoegdheid voor de vormverandering te kunnen toepassen, zal ten minste aan de wijzigingsvoorwaarden uit het bestemmingsplan moeten worden voldaan (zie paragraaf 2.2). Daarnaast kunnen ook andere eisen of voorwaarden van belang zijn, bijvoorbeeld als er nieuw planologisch beleid of nieuwe wet- of regelgeving is vastgesteld. Dit zal per geval moeten worden beoordeeld. In Hoofdstuk 3 wordt hier nader op ingegaan.
Figuur 2.1 Fragment bestemmingsplan Buitengebied Terneuzen (uitsnede www.ruimtelijkeplannen.nl)
De wijzigingsvoorwaarden zijn vastgelegd in artikel 3 lid 3.7.1 van de regels. Daarin is bepaald dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn een bouwvlak ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf te vergroting en/of de vorm daarvan te veranderen. Voor de toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid gelden voorwaarden. In tabel 2.1. zijn deze voorwaarden vermeld en is het initiatief aan de betreffende bepalingen getoetst.
Tabel 2.1 Toetsing aan wijzigingsvoorwaarden geldend bestemmingsplan
| Wijzigingsvoorwaarde | toetsing | |
| a. |
het bouwvlak mag worden vergroot: 1. tot een oppervlakte van ten hoogste 1,5 ha; 2. of tot een oppervlakte van ten hoogste 2 ha waarbij het bouwvlak met ten hoogste 75% mag worden bebouwd; |
1. n.v.t. Vergroting van het bouwvlak is niet aan de orde; wel wordt de vorm van het bouwvlak aangepast. 2. n.v.t. |
| b. |
indien wijziging wordt toegepast voor de grondgebonden activiteiten op een bouwvlak met de aanduiding 'intensieve veehouderij' leidt de wijziging niet tot een toename van de maximaal toelaatbare bedrijfsvloeroppervlakte intensieve veehouderij zoals genoemd in bijlage 1; | n.v.t. Er is sprake van een grondgebonden agrarisch (akkerbouw) bedrijf. |
| c. |
wijziging wordt slechts toegepast voor een reëel of volwaardig agrarisch bedrijf en indien dit voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk is; alvorens wijziging toe te passen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige; |
De agrarisch deskundige is de Agrarische Adviescommissie Zeeland (AAZ). Deze instantie heeft op 13 mei 2013 en op 24 augustus 2017 een positief advies uitgebracht (zie Bijlage 1). Daarin is het volgende geconcludeerd. Aan de Middenweg 13a wordt een agrarische bedrijfsvoering geëxploiteerd. Ondergeschikt hieraan vindt enige dienstverlening aan derden plaats. De Adviescommissie is van oordeel dat de gevraagde bedrijfsruimte noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering en - ontwikkeling van het agrarische bedrijf. Dit advies is bij AAZ ingewonnen om de vergroting van het bouwvlak naar 2 hectare mogelijk te maken. Onderhavige ontwikkeling voorziet uitsluitend in de vormverandering van het agrarische bouwvlak. De volwaardigheid van het agrarische bedrijf staat daarom niet ter discussie. De uitbreiding van het bedrijf naar 2 hectare bouwvlak is op basis van dit advies wel doelmatig gebleken. Het planvoornemen sluit hier op aan. |
| d. |
de ontwikkeling is milieuhygiënisch inpasbaar; | Verwezen wordt naar Hoofdstuk 3. Daarin is geconcludeerd dat aan deze voorwaarde wordt voldaan. |
| e. |
wijziging leidt niet tot significante negatieve effecten binnen Natura-2000-gebieden; | Verwezen wordt naar paragraaf 3.2.5. Daarin is geconcludeerd dat er geen sprake is van significant negatieve effecten binnen Natura-2000-gebieden. |
| f. |
ter plaatse wordt voorzien in een voldoende afschermende landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een gemiddelde breedte van ten minste 5 m, met dien verstande dat deze landschappelijke inpassing niet is vereist indien de oppervlakte van het bouwvlak met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid kleiner of gelijk aan 1 ha wordt; | Het planvoornemen voorziet in de vormverandering van een bouwvlak van 2 ha groot. Conform de wijzigingsvoorwaarden is landschappelijke inpassing dan een vereiste. In paragraaf 1.2.2 is al aangegeven op welke wijze de landschappelijke inpassing vorm wordt gegeven en zeker wordt gesteld. |
| g. |
medewerking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst wordt gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing; | Zie hiervoor. |
| h. |
wijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen; binnen een zone van 100 m van woonkernen en verblijfsrecreatieve terreinen leidt verlening van de omgevingsvergunning niet tot hinder of nagenoeg geen hinder voor de naastgelegen woonkernen of verblijfsrecreatieve terreinen; | Binnen 100 m van de uitbreiding van het agrarisch bouwvlak zijn geen woonkernen of verblijfsrecreatieve terreinen gesitueerd. Vergroting van het bouwvlak leidt niet tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende gronden. Verwezen wordt ook naar hoofdstuk 3, waarin dat wordt gemotiveerd. |
| i. |
indien de afstand tot gronden met de bestemming Natuur minder dan 100 m bedraagt, wordt medewerking uitsluitend verleend indien geen onevenredige aantasting van de landschaps- of natuurwaarden van het natuurgebied plaatsvindt; | In de directe nabijheid van de ontwikkeling (binnen 100 m) is geen bestemming Natuur aanwezig. De dichtstbijzijnde natuurbestemming ligt op ten minste 500 m. Er is zodoende geen noodzaak tot verder onderzoek waaruit blijkt dat sprake is van een onevenredige aantasting van de landschaps- en natuurwaarden van natuurgebieden binnen 100 m van de ontwikkeling. |
| j. |
er mogen geen onevenredige gevolgen voor het waterbeheer optreden; burgemeester en wethouders vragen hierover, ingeval het bouwvlak een oppervlakte krijgt van meer dan 1 ha, schriftelijk advies van de waterbeheerder alvorens de wijziging toe te passen. | In het wijzigingsplan is een waterparagraaf opgenomen (zie paragraaf 3.2.1). Het wateradvies wordt te zijner tijd opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. Zodoende wordt voldaan aan de wijzigingsregels. |
Een nagenoeg volledig overzicht van de beleidsplannen en regelgeving dat voor het plangebied van toepassing is, is te vinden op de website www.ruimtelijkeplannen.nl. Op basis van een 1e verkenning blijkt dat veel van deze plannen of regelingen toch geen betrekking hebben op het plangebied of ze zijn op voorhand niet relevant of niet gedetailleerd genoeg voor het beoordelen van het voorgenomen initiatief.
Na de vaststelling van het bestemmingsplan Buitengebied Terneuzen is geen beleid of hogere wetgeving vastgesteld die een belemmering vormt voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid.
Voor zover sectorale wetgeving relevant is voor het nemen van het ruimtelijk besluit (de wijzigingsbevoegdheid), is hieraan getoetst in paragraaf 3.2. Het betreft vooral toetsing aan milieuwetgeving.
De initiatiefnemer dient in dat kader in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het ruimtelijke planvoornemen. De waterbeheerder is het Waterschap Scheldestromen. Met dit overleg wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer.
Het waterschap hanteert voor de beoordeling van en het overleg over nieuwe ruimtelijke plannen een watertoetstabel die door de initiatiefnemer moet worden ingevuld. In bijlage 2 is deze ingevulde watertoetstabel opgenomen. Uit de toets blijkt dat er circa 475 m³ aan waterberging moeten worden gerealiseerd. Dit is omdat er extra verhard oppervlak wordt gerealiseerd. Verder geldt als aandachtspunt dat en geen gebruik kan worden gemaakt van uitlogende materialen zoals zink en lood. Voor het overige zijn er uit het oogpunt van waterhuishouding aandachtspunten of belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient de bodemkwaliteit ter plaatse te worden onderzocht. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
De gemeente beschikt over een bodemkwaliteitskaart, waaruit blijkt dat de bodem geschikt is voor het beoogd gebruik. Een historisch onderzoek is zodoende niet noodzakelijk. Bovendien wijzigt de bestemming naar aanleiding van het planvoornemen niet. Er is uitsluitend sprake van een vormverandering. Het gebruik blijft agrarisch.
Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het nemen van ruimtelijke besluiten rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
Voor de beoordeling van het aspect cultuurhistorie is de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Zeeland beschikbaar. Hieruit blijkt dat in het plangebied en de directe omgeving daarvan geen cultuurhistorische waarden van betekenis aanwezig zijn waarmee rekening moet worden gehouden.
Toetsingskaders voor het aspect archeologie zijn het bestemmingsplan Buitengebied, de gemeentelijke Erfgoedverordening Terneuzen, de Beleidsnota De onderste steen boven'' (2011) , de Vrijstellingenkaart gemeente Terneuzen.
In het bestemmingsplan Buitengebied Terneuzen is het recente archeologiebeleid van de gemeente vertaald in dubbelbestemmingen. Ter plaatse van het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3'. Hier geldt dat, indien de gronden worden geroerd met een oppervlakte van 1.000 m² of groter en dieper dan 50 cm, een archeologisch onderzoek plaats moet vinden. De dubbelbestemming zal door middel van dit wijzigingsplan onverminderd van toepassing zijn. De bouwaanvragen zullen getoetst worden aan genoemde oppervlakten c.q. diepte conform de dubbelbestemming.
Figuur 3.1 Fragment vrijstellingenkaart gemeente Terneuzen (rood = vrijstellingsdiepte 50 cm)
Overigens geldt een wettelijke meldingsplicht (ex artikel 53 Monumentenwet) voor het onverwijld melden van eventuele vondsten in bij graafwerkzaamheden.
Toetsingskader
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit wijzigingsplan mogelijk worden gemaakt.
Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Gebiedsbescherming
De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden: Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura 2000-gebieden. De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Het NNN is in Zeeland uitgewerkt in het Natuur Netwerk Zeeland (NNZ). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten.
In de provincie Zeeland geldt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud een vrijstelling voor een groot deel van de “overig” beschermde soorten. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Dit betreft de meest algemene soorten amfibieën en zoogdieren. Voor de Europees beschermde soorten (Vogel- en Habitatrichtlijn) is er geen beleidsruimte en is de bescherming onveranderd.
Onderzoek
Het wijzigingsplan voorziet in de realisatie van bedrijfsgebouwen. Ten behoeve daarvan zal het terrein bouwrijp worden gemaakt en zullen bouwwerkzaamheden plaatsvinden. Aan de noordzijde van het huidige bedrijfsperceel wordt beplanting gerooid.
Figuur 3.2 Zicht op noordzijde perceel en de te rooien beplanting (foto: Google)
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet in of in de nabijheid van een Natura 2000-gebied. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied (Westerschelde & Saeftinghe) bedraagt ruim 4 km en is niet van betekenis voor de kwalificerende soorten. Directe effecten als areaalverlies en versnippering zijn niet aan de orde. Gezien de afstand en de aard van de ontwikkeling kunnen ook effecten als verstoring, vermesting/verzuring en effecten op de waterhuishouding worden uitgesloten. De ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op het Natuurnetwerk of de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden.
Het plangebied maakt evenmin deel uit van het Natuurnetwerk Zeeland. Aan de noordzijde, op een afstand van meer dan 100 meter, bevindt zich een agrarisch beheergebied ('Nooit Rust') van ecologische waarde. De beoogde nieuwbouw echter geen negatieve invloed op dit gebied.
Soortenbescherming
De huidige ecologische waarden zijn vastgesteld aan de hand van algemene ecologische kennis, verspreidingsatlassen/gegevens (onder andere waarneming.nl: gebied Biervliet-Geertruidapolder).
Het groen in het projectgebied bestaat uit agrarische gronden en een rij jonge bomen langs de bestaande loods. De agrarische gronden maken mogelijk onderdeel uit van jachtgebied van de buizerd en torenvalk, van beide soorten zijn waarnemingen bekend in de omgeving van het plangebied. In de omgeving van het projectgebied is nog vergelijkbaar foerageergebied aanwezig. Roofvogels geven echter de voorkeur aan wegbermen aangezien hier het aanbod muizen hoger is dan op agrarische gronden. De ontwikkeling leidt daarom niet tot negatieve effecten op deze soorten. In de bomen zijn geen nesten aanwezig van vogels met jaarrond beschermde nesten als de buizerd.
Er zijn geen waarnemingen bekend van vleermuizen in dit gebied. De bomen in het projectgebied zijn niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen en de rij staat niet in verbinding met andere lijnvormige landschapselementen zodat een eventueel aanwezige vliegroute kan worden uitgesloten. Gezien de openheid van het gebied kan worden gesteld dat het geen essentieel leefgebied vormt voor de vleermuis.
Overige soorten die mogelijk gebruik maken van het project gebied zijn soorten als veldmuis, konijn, gewone pad en bruine kikker. Voor deze soorten geldt in provincie Zeeland een vrijstelling. Op basis van verspreidingsgegevens en/of het ontbreken aan geschikte biotopen in of in de omgeving van het projectgebied, kunnen overige beschermde soorten waaronder vissen, reptielen en ongewervelden worden uitgesloten.
Conclusie
De ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde gebieden of soorten.
De Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie Zeeland staan de ontwikkeling niet in de weg.
Toetsingskader
Voor de toetsing aan het aspect milieuhinder dient rekening te worden gehouden met de bepalingen uit de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 2.25). Daarnaast geldt op basis van jurisprudentie dat te allen tijde sprake moet zijn van een "goede ruimtelijke ordening". Voldaan moet worden aan wettelijke milieueisen indien sprake is van een milieuhinderlijk en/of milieugevoelige functie.
Toetsing
Ten aanzien van een agrarische opslagloods geldt op basis van de brochure Bedrijven en milieuzonering van de VNG een richtafstand van 30 m voor bedrijfsgebouwen van akkerbouwbedrijven in rustig buitengebied. De dichtstbijzijnde woningen zijn gesitueerd op circa 540 m van de planlocatie. Er wordt daarmee ruimschoots voldaan aan de richtafstand.
Conclusie
Het aspect milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg. Bij de omliggende woningen is blijvend sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.
Toetsingskader
De gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld op basis van de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk), de AMvB 'Niet in betekenende mate' (het besluit nibm) en de ministeriële regeling nibm.
Er dient, ook na realisatie van het planvoornemen, sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet voldaan worden aan de geldende grenswaarden en luchtkwaliteitseisen.
Toetsing
De beoogde ontwikkeling houdt een uitbreiding van het bestaande akkerbouwbedrijf in. Het project is wat aard en omvang en ruimtelijke effecten betreft, vergelijkbaar met een project dat "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De omvang van het agrarisch bouwvlak blijft verder gelijk.
Uitgaande van de achtergrondconcentraties binnen de gemeente Terneuzen voldoet de luchtkwaliteit ook na realisatie van het planvoornemen aan de normen van de Wlk.
Conclusie
De Wlk staat de realisering van het project niet in de weg.
Toetsingskader
Ook ten aanzien van wegverkeerslawaai dient te worden getoetst aan de Wet milieubeheer maar daarnaast ook aan de Wet geluidhinder en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 2.25). Op basis van jurisprudentie dient daarnaast ook aangetoond te worden dat sprake is van goede ruimtelijke ordening.
Indien er sprake is van een geluidproducerend of geluidgevoelige functies moet aangetoond worden dat voldaan wordt aan wettelijke geluidseisen. Eventueel dient dit aangetoond te worden door middel van akoestisch onderzoek en geluidwerende maatregelen.
Toetsing
De beoogde loodsen zijn volgens de Wet geluidhinder geen geluidgevoelige bestemming. Akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting aan de gevels ten gevolge van wegverkeerslawaai is daarom niet noodzakelijk.
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Toetsingskader
Voor risicovolle functies en/of activiteiten gelden veiligheidsnormen. Indien in de nabijheid van het plangebied sprake is van het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of via leidingen moet beoordeeld worden of dit van invloed is op het planvoornemen. Ook bedrijven in de directe omgeving waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid (waaronder Bevi-inrichtingen) kunnen van invloed zijn op het planvoornemen.
De veiligheid van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten dient altijd gewaarborgd te worden. Daarbij moet voldaan worden aan de veiligheidsnormen indien sprake is van risicovolle functies/activiteiten.
Toetsing
Allereerst dient beoordeeld te worden of de ontwikkeling voorziet in de realisatie (of uitbreiding) van een kwetsbaar object. Het planvoornemen voorziet in de uitbreiding van bebouwing van een bestaand bedrijf. Door realisatie van de 3 extra loodsen wordt een overcapaciteit gecreëerd waarmee de financiële risico's van het uienteelt bedrijf verder worden beperkt. De ontwikkeling heeft niet tot gevolg dat het personeelsbestand en daarmee het groepsrisico zal toenemen. Aangezien er uitsluitend sprake is van de uitbreiding van de bebouwing, wordt het planvoornemen niet beïnvloed door eventuele risicobronnen in de omgeving.
De bedrijfsactiviteiten bestaan uit de teelt en opslag van uien. Ter plaatse van het bedrijf vindt geen opslag van brandstoffen of gassen plaats. Het bedrijf wordt dan ook niet aangemerkt als een risicovol bedrijf. De uitbreiding met 3 loodsen heeft dan ook geen gevolgen voor eventueel in de omgeving gesitueerde (beperkt) kwetsbare objecten.
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
Toetsingskader
Ten aanzien van kabels en leidingen moeten de belangen van (planologisch relevante) leidingen, hoogspanningslijnen, of telecomverbindingen gewaarborgd blijven.
Toetsing
Op basis van de provinciale website en risicokaart zijn er in en rondom het plangebied geen planologisch relevante leidingen, hoogspanningslijnen, of telecomverbindingen aanwezig waarmee bij de planontwikkeling rekening moet worden gehouden.
Conclusie
Dit aspect levert geen belemmering op voor de beoogde ontwikkeling.
Onderhavig wijzigingsplan betreft de wijziging van het geldende bestemmingsplan Buitengebied Terneuzen zoals dat d.d. 25 juni 2013 door de gemeenteraad van Terneuzen is vastgesteld. De wijziging vindt plaats op basis van de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in Artikel 3.7.1 van dat bestemmingsplan buitengebied.
In onderhavig wijzigingsplan is toepassing gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid om de vorm van het agrarisch bouwvlak te wijzigen. De vorm van het bouwvlak is afgestemd op de beoogde ontwikkeling (realisatie 2 nieuwe loodsen).
Omdat er sprake is van een wijzigingsbevoegdheid is het opstellen van een complete set regels niet noodzakelijk en volstaat een verwijzing naar de regels van het geldende bestemmingsplan. In de regels bij dit wijzigingsplan worden de regels ten aanzien van de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Waarde - Archeologie 3' alsmede de gebiedsaanduiding 'wro-zone - ontheffingsgebied' van toepassing verklaard. De gronden mogen worden gebruikt en bebouwd in overeenstemming met die regels. Ook de flexibiliteitsregels zijn onverkort van toepassing.
Op de verbeelding zijn de bestemmingen en aanduidingen overgenomen.
Op grond van artikel 3.1.6 lid 1 onder f van het Bro dient de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen te worden aangetoond. De Wet ruimtelijke ordening bepaalt dat de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen voor gronden waarop een aangewezen bouwplan is voorgenomen, tenzij het kostenverhaal anderszins verzekerd is. In artikel 6.2.1. Bro staat aangegeven wat onder een aangewezen bouwplan wordt verstaan.
Het wijzigingsplan betreft een particulier initiatief op particulier terrein. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is ten behoeve van de kosten een overeenkomst gesloten. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd en hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van voorliggend plan voldoende aangetoond.
In het kader van artikel 3.1.1. Bro is het concept ontwerpwijzigingsplan toegezonden naar bestuurlijke instanties, waarbij de gelegenheid is geboden om een reactie te geven op het plan. De provincie Zeeland had vragen over de uitbreiding van het bedrijf. Met name of de gewenste uitbreiding wel ten behoeve van de eigen agrarische bedrijfsvoering was en niet ten behoeve van dienstverlening aan derden. Om deze vragen te beantwoorden is aanvullend advies ingewonnen bij de AAZ. De AAZ concludeert dat de uitbreiding ten behoeve van de eigen (efficiënte) agrarische bedrijfsvoering is. Het aanvullend advies van de AAZ is toegevoegd aan bijlage 1.
Het ontwerpwijzigingsplan heeft vanaf 15 juni 2017 tot en met 27 juli 2017 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ontvangen.