direct naar inhoud van 4.3 Omgevingsaspecten
Plan: Oostelijke Kanaaloever
Status: vastgesteld
Plantype: beheersverordening
IMRO-idn: NL.IMRO.0715.BVOKO-VG99

4.3 Omgevingsaspecten

4.3.1 Algemeen

In het kader van de beheersverordening heeft voor het beheersverordeningsgebied een scan plaatsgevonden van relevante omgevingsaspecten. Dit onderzoek is beperkt van aard, omdat de beheersverordening gericht is op instandhouding van de bestaande situatie met de bestaande kwaliteit. Het onderzoek richt zich erop te bepalen of in het gebied vanuit het oogpunt van milieu, natuur, verkeer of water aanleiding bestaat tot het treffen van maatregelen. Hiervoor is een toets uitgevoerd op het voldoen aan wet- en regelgeving.

4.3.2 Archeologie en Cultuurhistorie

Archeologie

Toetsingskader

  • Verdrag van Valetta
  • Monumentenwet 1988
  • Interimbeleid archeologie gemeente Terneuzen 'De onderste steen boven?'

Europees beleid

Verdrag van Valetta

Het Verdrag van Valetta beoogt het cultureel erfgoed, dat zich in de bodem bevind beter te beschermen. Het gaat om archeologische resten als nederzettingen, graf- velden en gebruiksvoorwerpen. Uitgangspunt van het verdrag is dat het archeologische erfgoed integrale bescherming nodig heeft en krijgt. In Nederland heeft het Verdrag van Valetta doorwerking gekregen in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz).

Op internationaal en nationaal niveau is het belang van ondergrondse monumentenzorg en archeologie in de laatste decennia steeds meer onderkend. Niet alleen het wetenschappelijke belang maar ook het maatschappelijke belang van de archeologie is een onvervangbaar deel van ons cultureel erfgoed. Het accent in het overheidsbeleid verschuift van archeologische opgravingen en noodonderzoek naar behoud en beheer in de bodem. Dit streven naar behoud en beheer 'in situ' is het kernelement van het Europese Verdrag van Valletta (Malta, 1992).

Rijksbeleid

Monumentenwet 1988

De Monumentenwet 1988 regelt de wettelijke bescherming van onroerende (rijks)monumenten en door het Rijk aangewezen stads- en dorpsgezichten. De Monumentenwet heeft niet alleen betrekking op gebouwen en objecten, maar ook op stad- en dorpsgezichten en archeologische monumenten boven en onder water. In de Monumentenwet 1988 is geregeld hoe gebouwde of archeologische monumenten aangewezen kunnen worden als wettelijk beschermd monument.

Ook geeft de Monumentenwet voorschriften voor het wijzigen, verstoren, afbreken of verplaatsen van een beschermd monument. Die voorschriften houden in dat er niets aan het monument mag worden veranderd zonder een vergunning. Een vergunning- plicht is van toepassing op archeologisch monumenten, voor gemeentelijke en rijksmonumenten is het verbod opgenomen in artikel 2.1.1.f (voor rijksmonumenten) en in artikel 2.2.1.b (voor gemeentelijke monumenten) van de Wabo. Deze vergunning moet op voorhand worden aangevraagd bij het bevoegd gezag.

In vervolg op het Verdrag van Valetta is ook de Monumentenwet en enkele andere wetten herziening. Bodemverstoringen door uitvoering van het bestemmingsplan, ontheffing of het rechtstreeks toegelaten bouwen kunnen het bodemarchief aantasten. Het voorgestelde beleid bevat maatregelen die aandacht voor archeologische waarden bij plannen en projecten afdwingbaar maakt, zoals:

- de gemeenteraad dient bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten;

- in een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologie een aanlegvergunningstelsel worden opgenomen. Zowel de aanvrager van een aanlegvergunning als de aanvrager van een reguliere bouwvergunning kunnen langs de weg van het bestemmingsplan de verplichting krijgen tot het laten uitvoeren van een archeologisch vooronderzoek. Zonodig kunnen aan de aanlegvergunning en de bouwvergunning regels worden verbonden ter bescherming van de archeologische waarden.

Met de wetswijziging wordt archeologie dus voortaan een verplicht en onlosmakelijk onderdeel van het ruimtelijke besluitvormingsproces. In de planvormingfase bepalen rijk, provincies en gemeenten welke archeologische waarden in het geding zijn. Zij wegen deze waarden mee in de besluitvorming.

Gemeentelijk beleid

Algemeen

Op 27 januari 2011 is door de gemeenteraad van Terneuzen het interim beleid archeologie vastgesteld. De insteek van dit beleid is het regelen van archeologie in ruimtelijke plannen. In lijn met de intentie van de wetgever wordt een algemene vrijstelling voor archeologie verleend tot 100 m2 en een diepte van 0,5 m voor de zogenaamde kruimelgevallen. Aan de hand van de archeologische verwachtings- waarde wordt per deelgebied een grens gesteld waarboven archeologisch onderzoek verplicht is en waaronder vrijstelling wordt verleend. Een en ander is uitgewerkt in een stroomschema (figuur 4.1).

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BVOKO-VG99_0003.jpg"

Figuur 4.1. Stroomschema archeologie gemeente Terneuzen

De archeologische toets

Om inzicht te krijgen in de archeologische verwachtingswaarde van het gebied is het gebied aan vijf criteria getoetst.

  • 1. De Archeologische Monumentenkaart (AMK).
    Het plangebied maakt geen deel uit van een terrein met een vastgestelde archeologische waarde op de Archeologische Monumentenkaart Zeeland (AMK, zie figuur 4.2).
  • 2. De Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW).
    Op basis van de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW, zie figuur 4.2) kan worden gemeld dat het grootste deel van het plangebied is gelegen in een gebied dat wordt gekenmerkt door een lage en zeer lage archeologische verwachting (lage en zeer lage trefkans).
  • 3. Archis (Archeologische Informatie Systeem).
    In Archis 2, de nationale database voor vindplaatsen in Nederland, staan in totaal zes Archiswaarnemingen in of aan de rand van het plangebied weergegeven (zie figuur 4.2):
    • a. Nr. 45093 betreft de vondst van Romeins aardewerk;
    • b. Nr. 37789 betreft de resten van de schans Zevenaar uit de Tachtigjarige Oorlog;
    • c. Nr. 426937 betreft de vondst van kleine stukjes vuursteen in de top van het pleistocene dekzand;
    • d. Nr. 411031 betreft de vondst van stukken hout in het Hollandveen, die wijzen op de aanwezigheid ter plekke van een prehistorisch bos;
    • e. Nr. 21112 betreft archeologische grondsporen uit de Nieuwe Tijd (1500-1650);
    • f. Nr. 411689 betreft restanten van de 19de eeuwse verdedigingswerken van Terneuzen.
    • g. Verder bevindt zich direct ten oosten van het plangebied het Archiswaarnemings- nummer 52292 en iets erboven nummer 22063. Dit betreft de locatie van het in 1584 verdronken dorp Triniteit. Resten hiervan kunnen nog in het plangebied aanwezig zijn.
  • 4. Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA).
    In het Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA) is geen aanvullende archeologische informatie genoemd met betrekking tot het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BVOKO-VG99_0004.jpg"

Figuur 4.2. Uitsnede kaart Archis 2

  • 5. De bodemopbouw.
    Uit de geologische kaart van Van Rummelen (fuguur 4.3) blijkt dat het grootste deel van het plangebied zich bevindt in een gebied met afzettingen van Duinkerke-IIIb op oudere afzettingen van Duinkerke op Hollandveen op Pleistoceen (Fo.3b). Het oostelijke deel van het plangebied bestaat uit een zone met kreekafzettingen van Duinkerke-IIIb op oudere afzettingen van Duinkerke (Do.3b). Het uiterste noordwestelijke deel van het plangebied bevindt zich in een zone met kreekafzettingen van Duinkerke-IIIb.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BVOKO-VG99_0005.jpg"

Figuur 4.3. Uitsnede geologische kaart Van Rummelen

Uitkomsten archeologische toets

Volgens de archeologische toets uit het interim-beleid archeologie van de gemeente Terneuzen blijkt dat:

  • waar afzettingen van Duinkerke IIIb op oudere afzettingen van Duinkerke op Hollandveen op Pleistoceen van toepassing is (Fo.3b) een onderzoeksplicht geldt indien verstoringen groter dan 500 m² plaatsvinden en dieper dan 0,5 meter beneden maaiveld. Het gebied ten zuiden van de Duitslandweg en ten westen van de Mr. F.J. Haarmanweg is vanwege grondophoging van deze onderzoeksplicht uitgesloten;
  • waar afzettingen van Duinkerke-IIIb op oudere afzettingen van Duinkerke van toepassing is (Do.3b) een onderzoeksplicht geldt indien verstoringen groter dan 500 m² plaatsvinden en dieper dan 0,5 meter beneden maaiveld;
  • er voor het gebied met kreekafzettingen van Duinkerke IIIb geen archeologische onderzoek uitgevoerd hoeft te worden.

Voor de twee genoemde gebieden (Fo.3b) en (Do.3b) van het plangebied is één regeling gericht op bescherming van de archeologische waarden nodig. De functie 'Waarde – Archeologie' wordt daar toegekend. Bij een verstoring binnen het gebied met de aanduiding 'Waarde-Archeologie' is afhankelijk van de omvang en de diepte archeologisch onderzoek nodig voordat een Omgevingsvergunning verleend kan worden voor bouwen of werkzaamheden.

Conclusie

Met de voorgestelde regeling vormt archeologie geen belemmering voor de beheersverordening. Een en ander is uitgewerkt in de definities, regels en de verbeelding.

Cultuurhistorie

Toetsingskader

Monumentenwet 1988.

Wet modernisering monumentenzorg

Onderzoek en conclusie aanwezige cultuurhistorische waarden

In het verordeningsgebied zijn beperkt cultuurhistorische en landschappelijke waarden aanwezig. Rijksmonumenten ontbreken. Een specifieke regeling is in de beheersverordening niet nodig. Het bestaand gebruik wordt immers vastgelegd. De volgende cultuurhistorische waarden zijn aanwezig.

Object   Beschrijving  
Lange Blikstraat 2, Sluiskil   Het perceel ligt ingeklemd tussen grootschalige infrastructuur (huidige en
toekomstige kanaalkruising). Op het erf met toegangspalen, drinkput en fruitbomen zijn een woonhuis, een schuur, een stenen wagenschuur (eerste helft 19e eeuw) en een stenen bakhuisje (1940) in
halfsteensverband en met rode pannen
aanwezig.
De authenticiteitwaarde van de
wagenschuur is hoog. Ook het bakhuisje is nog authentiek.  

Er zijn geen monumentale bomen aanwezig.

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beheersverordening

4.3.3 Bodemkwaliteit

Toetsingskader

Wet bodembescherming

Onderzoek en conclusie

In de Wet bodembescherming is bepaald dat bij functiewijzigingen onderzocht dient te worden of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. Binnen de beheersverordening worden geen functiewijzigingen mogelijk gemaakt. Hierdoor is geen nader bodemonderzoek noodzakelijk. Het aspect bodem staat de vaststelling van de beheersverordening niet in de weg.

4.3.4 Ecologie

Toetsingskader

  • Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998;
  • het beleid van de provincie ten aanzien van de Ecologische Hoofdstructuur;
  • Kaart natuurwaarden gemeente Terneuzen (2012); beleidsregel.

Onderzoek en conclusie

Aan de westzijde van het verordeningsgebied liggen twee EHS-gebieden. Deze zijn weergegeven in figuur 4.4 Het betreffen:

  • Kreekrest Sluispolder;
  • Westelijke Rijkswaterleiding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BVOKO-VG99_0006.png"

Figuur 4.4. EHS-gebieden ten westen van het verordeningsgebied.

Dit betreffen reeds bestaande natuur en bosgebieden, in eigendom bij een terreinbeherende organisatie.

Aangezien het hier een beheersverordening betreft, zijn er geen ontwikkelingen voorzien die kunnen leiden tot aantasting of verstoring van beschermde dier- en plantensoorten of beschermde natuurgebieden. De Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie ten aanzien van de Ecologische Hoofdstructuur staan de uitvoering van dit plan dan ook niet in de weg.

In bijlage 6 zijn de natuurwaardenkaarten van de gemeente opgenomen.

4.3.5 Externe Veiligheid

Toetsingskader

  • Besluit externe veiligheid inrichtingen;
  • Besluit externe veiligheid buisleidingen;
  • Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen;
  • Basisnet Weg, Spoor en Water;
  • Besluit Transport Vervoer Gevaarlijke stoffen.

 

Onderzoek en conclusie

Risicobronnen

Bij de inventarisatie is uitgegaan van de navolgende indeling in risicobronnen:

  • inrichtingen;
  • transportroutes gevaarlijke stoffen;
  • buisleidingen.

In of nabij het plangebied zijn de volgende risicobronnen aanwezig:

Risicobron   type  
LPG tankstation Kennedylaan   Bevi-inrichting  
LPG tankstation Mr F.J. Haarmanweg   Bevi-inrichting  
LPG tankstation Guido Gezellestraat   Bevi-inrichting  
Emplacement Terneuzen   Bevi-inrichting  
ICL-IP   BRZO  
Ad Eggebeen   Risicovolle inrichting  
Philips Lightning   Risicovolle inrichting  
Rijkswaterstaat en Verhelst   Risicovolle inrichting  
Vlaeynatie Terneuzen   BRZO  
TPT Holding   BEVI  
Leisurecentre   BEVI  
Werkterreinen Sluiskiltunnel   Risicovolle inrichting  
Dow Benelux   BRZO  
Katoennatie Westerscheldeterminal   BRZO  
Kern centrale Borssele   BRZO  
WEsterschelde   Vaarweg  
Kanaal van Gent naar Terneuzen   Vaarweg  

Inrichtingen (categoriaal en niet-categoriaal)

Inrichtingen binnen het verordeningsgebied

Binnen het verordeningsgebied zijn meerdere risicovolle inrichtingen aanwezig die van invloed zijn op de veiligheidssituatie in het gebied. Deze inrichtingen zijn op de verbeelding weergegeven met besluitsubvlakken (bijvoorbeeld 'Bedrijventerrein - A - risicovolle inrichting'). Het betreffen de volgende inrichtingen:

  • één benzineservicestation waar LPG wordt verhandeld en verkocht: aan de Mr. F.J. Haarmanweg (Total/ Servauto);
  • ICL-IP aan de Frankrijkweg;
  • Ad Eggebeen Terneuzen aan de Energieweg 19;
  • Twee spoorwegemplacementen van Prorail aan de Stationsweg 66 en aan de Mr. F.J. Haarmanweg;
  • Philips Lightning aan de Mr. F.J. Haarmanweg 25;
  • opslagterrein van Rijkswaterstaat en Verhelst, beide aan de Zeevaartweg (schiereiland tegen sluizencomplex);
  • een agrarisch bedrijf aan de Lange Blikstraat 2.
  • Vlaeynatie Terneuzen aan de Finlandweg 19;
  • TPT Holding B.V. Finlandweg 21.

Hierna wordt op deze inrichtingen verder ingegaan.

Total/Servauto aan de Mr. F.J. Haarmanweg beschikt over een PR 10-6 risicocontour van 45 meter vanaf het lpg-vulpunt en een invloedsgebied van 150 meter. Binnen de PR 10-6 risicocontour zijn geen kwetsbare objecten aanwezig, deze worden ten gevolge van deze beheersverordening ook niet mogelijk gemaakt. Deze PR 10-6 risicocontour wordt bij de vaststelling van deze beheersverordening weergegeven op de verbeelding. Binnen het invloedsgebied van de inrichting worden eveneens geen kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Uit de gegevens van de risicokaart blijkt dat het groepsrisico in de huidige situatie de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Omdat de beheersverordening geen ontwikkelingen mogelijk maakt blijft het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde. Een verantwoording van het groepsrisico is opgenomen in bijlage 7.

ICL-IP betreft een broomchemisch bedrijf met een PR 10-6 risicocontour van circa 470 meter. Binnen deze PR 10-6 risicocontour zijn geen kwetsbare objecten aanwezig. Met deze beheersverordening worden ook geen kwetsbare objecten binnen deze contour mogelijk gemaakt. Conform de risicokaart blijkt dat het groepsrisico ruimschoots onder de oriëntatiewaarde blijft. Ten gevolge van de beheersverordening worden in het gehele verordeningsgebied geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Daarom zal het groepsrisico niet toenemen en blijft dit onder de oriëntatiewaarde. Een verantwoording van het groepsrisico is opgenomen in bijlage 7.

Ad Eggebeen Terneuzen betreft een groothandel voor ijzer en metaalwaren. Hier vindt tevens de opslag van een aantal gasflessen plaats. Ten gevolge hiervan beschikt de inrichting over een PR 10-6 risicocontour van 20 meter. Binnen deze contour zijn geen kwetsbare objecten aanwezig, de beheersverordening maakt deze ook niet mogelijk.

Het spoorwegemplacement van Prorail aan de Stationsweg 66 is het eindstation van de spoorwegen die door het verordeningsgebied aanwezig zijn. Door AGEL is op 17 september 2012 onderzoek gedaan naar de externe veiligheidsrisico's ten gevolge van deze inrichting. Uit dit onderzoek blijkt dat de inrichting over een PR 10-6 risicocontour beschikt van 0 meter. Het groepsrisico blijft in de huidige situatie onder de oriëntatiewaarde. Gezien het feit dat de beheersverordening geen ontwikkelingen mogelijk maakt zal het groepsrisico niet toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Een verantwoording van het groepsrisico is opgenomen in bijlage 7.

Binnen het plangebied is tevens een tweede spoorwegemplacement gelegen aan de Mr. F.J. Haarmanweg. Dit betreft tevens een spoorwegemplacement van Prorail. Conform de gegevens uit de risicokaart blijkt deze inrichting over een PR 10-6 risicocontour van 50 meter te beschikken. Binnen deze contour zijn geen kwetsbare objecten aanwezig, de beheersverordening maakt deze ook niet mogelijk. Het invloedsgebied ten gevolge van deze inrichting is niet bekend, het groepsrisico zal en kan daarom ten gevolge van de beheersverordening niet toenemen. Een verantwoording van het groepsrisico is opgenomen in bijlage 7.

Philips Lightning betreft een fabriek waar de starters van TL-verlichting geproduceerd worden. Ten gevolge van dit proces waarvoor gevaarlijke stoffen gebruikt worden geldt een PR 10-6 risicocontour van 0 meter. Het invloedsgebied is echter 90 meter. Binnen deze contour worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Het groepsrisico zal daarom ten gevolge van de beheersverordening niet toenemen. Een verantwoording van het groepsrisico is opgenomen in bijlage 7.

Het opslagterrein van Rijkswaterstaat biedt tevens de ruimte voor de opslag van gevaarlijke stoffen. Ten gevolge hiervan beschikt de inrichting over een PR 10-6 risicocontour van 45 meter. Binnen deze contour zijn geen kwetsbare objecten aanwezig, de beheersverordening maakt deze ook niet mogelijk.

Verhelst betreft een inrichting waar een bovengrondse propaantank aanwezig is, deze propaantank beschikt over een PR 10-6 risicocontour van 50 meter. Binnen deze contour zijn geen kwetsbare objecten aanwezig, de beheersverordening maakt deze ook niet mogelijk.

Aan de Lange Blikstraat is een inrichting aanwezig (agrarisch bedrijf Van der Have) met een propaantank van 3 m3.. Deze propaantank kent geen PR 10-6 risicocontour en het invloedsgebied reikt niet tot buiten het perceel. Daarom is een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk.

Vlaeynatie Terneuzen B.V. is een bedrijf dat maximaal 50.000 ton nitraathoudende en niet nitraathoudende kunstmeststoffen opslaat. Ten gevolge van deze activiteiten beschikt de inrichting over een risicocontour die niet buiten de eigen inrichtingsgrenzen komen. Daarom is een nadere verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk.

TPT Holding B.V. is een bedrijf wat chemische producten (vloeistoffen en poeders) opslaat en distribueert. Ten gevolge van deze activiteiten beschikt de inrichting over een PR 10-6 risicocontour tot 12 meter buiten de inrichtingsgrens. Er bevinden zich binnen deze risicocontour geen (geprojecteerde) kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten.Uit de voor deze inrichting opgestelde QRA blijkt dat het groepsrisico ruim onder de orientatiewaarde ligt. Binnen het invloedsgebied worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Het groepsrisico zal daarom ten gevolge van de beheersverordening ook niet toenemen. Een verantwoording van het groepsrisico is opgenomen in bijlage 7.

Inrichtingen buiten het verordeningsgebied

Ook buiten het verordeningsgebied zijn risicovolle inrichtingen aanwezig die van invloed zijn op de veiligheidssituatie in het gebied. Het betreffen de volgende inrichtingen:

  • Texaco tankstations aan de Guido Gezellestraat en Kennedylaan;
  • Leisure Centre aan de Koegorsstraat;
  • het werkterrein voor de Sluiskil Tunnel eveneens aan de Koegorsstraat;
  • Katoennatie Westerschelde Containerterminal aan de Savoyaardsweg (Logistiek Park Braakmanpolder);
  • Dow Benelux;
  • de kerncentrale EPZ in de gemeente Borsele.

De PR 10-6 risicocontour van de Texaco aan de Guido Gezellestraat ligt binnen het beheersverordeningsgebied. Het tankstation zelf is buiten het verordeningsgebied gesitueerd. Binnen dit gebied liggen echter geen kwetsbare objecten. De beheersverordening maakt hier ook geen nieuwe kwetsbare objecten mogelijk. Uit de risicokaart blijkt dat het groepsrisico in de huidige situatie de oriëntatiewaarde overschrijdt. Voor dit tankstatio geldt dat het LPG-convenant streeft naar een sanering van het groepsrisico tot onder de orientatiewaarde. Ten gevolge van de beheersverordening zal het groepsrisico echter niet verder stijgen. De huidige situatie wordt vastgelegd zonder dat daarbij enige vorm van ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is in bijlage 7 opgenomen.

Het Texaco tankstation ligt ten noorden van het verordeningsgebied. Dit tankstation verkoopt tevens LPG. De PR 10-6 risicocontour ligt deels binnen het beheersverordeningsgebied, binnen dit gebied liggen echter geen kwetsbare objecten. De beheersverordening maakt hier ook geen nieuwe kwetsbare objecten mogelijk. Het invloedsgebied voor het groepsrisico ten gevolge van het tankstation bedraagt 150 meter. Met behulp van het rekenprogramma SAFETY-NL is in de rapportage van Agel adviseurs het groepsrisico berekend voor de autonome situatie zonder nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Uit de rekenresultaten blijkt dat er in de bestaande situatie geen sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde. Het maximaal aantal slachtoffers bedraagt 100 bij een ongevalfrequentie van 4,4x10-8 per jaar. De oriëntatiewaarde wordt met een factor 0,44 onderschreden. Ten gevolge van de beheersverordening zal het groepsrisico echter niet verder stijgen. De huidige situatie wordt vastgelegd zonder dat daarbij enige vorm van ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is in bijlage 7 opgenomen.

Het Leisure Centre ligt ten zuiden van het verordeningsgebied. Het betreft een inrichting waarbinnen een skihal is gevestigd. Voor deze skihal is een ammoniakkoelinstallatie in gebruik met een sneeuwaanmaak-unit. Deze unit kent een PR 10-6 risicocontour van 45 meter vanaf deze installatie. Deze komt niet tot in het verordeningsgebied.

Op het werkterrein van de Sluiskil Tunnel is propaan opgeslagen. Ten gevolge hiervan beschikt de inrichting over een PR 10-6 risicocontour van 45 meter vanaf deze opslag.

Aan de noordoostzijde ligt op ruim 5 km afstand de Bevi-inrichting Katoennatie Westerschelde Containerterminal. Het verordeningsgebied valt binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico. Dit groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. De beheersverordening zorgt niet voor een toename van dit groepsrisico. In bijlage 7 is de verantwoording van het groepsrisico opgenomen.

In de gemeente Borsele is de kerncentrale EPZ gevestigd. Het verordeningsgebied valt binnen de schuilzone en de Jodiumprofylaxe-zone van deze kerncentrale. De Jodiumprofylaxe-zone houdt in het innemen van jodiumprofylaxe (van personen tot maximaal 45 jaar). De kerncentrale valt onder de Kernenergiewet en niet onder het Bevi. De zones van de kerncentrale die over het beheersverordeningsgebied vallen hebben geen ruimtelijke gevolgen voor de bestaande situatie die in deze beheersverordening wordt vastgelegd.

Beoordeling profesionele risicokaart. Uit de beoordeling van de risicokaart blijkt dat bij geen enkele inrichting sprake is van een ruime PR-contour en deze veelal gelegen is binnen de begrenzing van de inrichting.

  • Het bedrijf Katoennatie heeft een invloedsgebied van ruim 7 km in verband met de kans op een toxisch incidentscenario.
  • De DECO-plant van DOW heeft een invloedsgebied van 3.750 meter in verband met de kans op een toxisch incidentscenario.

Er is sprake van een consoliderende verordening en er wordt geen verandering van de bevolkingssamenstelling voorzien. Derhalve geldt dat in principe geen verantwoording van het groepsrisico hoeft plaats te vinden.

Transportmodaliteiten

In 2006 heeft de Provincie Zeeland een risico-inventarisatie laten uitvoeren naar alle transporten met gevaarlijke stoffen in de provincie Zeeland. Uit deze inventarisatie komen geen aandachtspunten naar voren die van belang zijn voor het verordeningsgebied.

Op basis van het toekomstige Btev wordt thans gewerkt aan het opstellen van een Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water. In het Basisnet wordt voor het hoofdwegennet, hoofdvaarwegen en    spoorwegen een risicoplafond vastgesteld voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarnaast wordt beschreven welke ruimtelijke ontwikkelingen wel en niet zijn toegestaan in het gebied tot 200 meter vanaf de infrastructuur.

Voor Zeeuws-Vlaanderen zijn als transportroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen aangewezen:

  • wegen: Rijksweg N61 en N62;
  • vaarwegen: Westerschelde en Kanaal Gent-Terneuzen;
  • spoorwegen: trajecten Aansluiting Axel, Aansluiting Sluiskil en Aansluiting Sluiskil naar Dow .

Wegen  

Aan de zuidzijde van het verordeningsgebied ligt de Rijksweg N61. Hierover vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Conform het basisnet weg beschikt de rijksweg N61 ter hoogte van het verordeningsgebied niet over een plasbrandaandachtsgebied en ook niet over een veiligheidszone. Het groepsrisico is niet groter dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde.

De beheersverordening maakt geen ontwikkelingen mogelijk die van invloed zijn op de hoogte van het groepsrisico. Het groepsrisico zal daarom niet toenemen ten gevolge van de beheersverordening. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk.

Vaarwegen

Het plaatsgebonden risico van 10-6 jaar vanwege het transport van gevaarlijke stoffen over de Westerschelde en het Kanaal Gent-Terneuzen is gelegen binnen de breedte van de vaarweg. Voor beide vaarwegen geldt dat vanwege dit transport het invloedsgebied waarbinnen het groepsrisico wordt bepaald wel over het verordeningsgebied ligt. Conform de Circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen is in principe een verantwoording van het groepsrisico nodig. Echter, omdat er in dit geval sprake is van een consoliderende verordening en er geen verandering van de bevolkingssamenstelling wordt voorzien, geldt dat er geen verantwoording van het groepsrisico hoeft plaats te vinden.

Spoorwegen

Door het verordeningsgebied is transport van gevaarlijke stoffen aanwezig over het spoor. Dit vindt plaats over het traject 310010 van de aansluiting van Axel naar de aansluiting met Sluiskil. Conform het basisnet kent dit traject een Plasbrandaandachtsgebied (PAG). Uit de kaart die is opgenomen in het Basisnet-spoor blijkt tevens dat ter hoogte van de beheersverordening het groepsrisico kleiner is dan 0,3 maal de oriëntatiewaarde. Omdat de beheersverordening geen ontwikkelingen mogelijk maakt zal het groepsrisico niet toenemen. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is daarom ook niet noodzakelijk.

Leidingen

Binnen het verordeningsgebied lopen diverse planologisch relevante leidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Dit betreffen onder andere hogedruk aardgasleidingen, ethyleenleidingen en een stikstofleiding. In figuur 4.5 zijn de exacte locaties van de leidingen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BVOKO-VG99_0007.jpg"

Figuur 4.5. Leidingen met gevaarlijke stoffen binnen verordeningsgebied

Hogedrukaardgasleidingen Gasunie

Binnen het verordeningsgebied zijn 4 leidingen aanwezig die onder beheer van de Gasunie zijn en waardoor onder hoge druk aardgas wordt getransporteerd.

Deze hogedruk aardgasleidingen beschikken over een 1% letaliteitsafstand variërend van 50 tot 220 meter. Binnen deze zone's zijn geen kwetsbare objecten aanwezig. De beheersverordening maakt deze ook niet mogelijk. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is opgenomen in bijlage 7.

Aardgasleiding Zebra

Binnen het verordeningsgebied is tevens een hogedrukaardgasleiding aanwezig die onder beheer is van Zebra en heeft het kenmerk A523. Deze hogedruk aardgasleiding beschikt over een effectafstand van 285 meter. In het gehele plangebied (dus ook binnen de effectafstand en de belemmeringenstrook van de aardgasleiding) worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt ten opzichte van de huidige planologische situatie (geldende bestemmingsplannen inclusief vrijstellingen/ontheffingen). De eventuele ontwikkeling van braakliggende terreinen is binnen deze planologische situatie al mogelijk. Deze beheersverordening heeft dan ook geen invloed op het GR. In bijlage 7 wordt nader ingegaan op het groepsrisico binnen het verordeningsgebied.

Air products

Aan de zuidzijde van het verordeningsgebied liggen twee transportleidingen van Airproducts. Conform de gegevens van de gemeente Terneuzen wordt hierdoor stikstof en stikstof/zuurstof getransporteerd. De PR 10-6 contour van deze leidingen betreft 0 meter. Het eventuele invloedsgebied van deze leidingen is niet bekend. Binnen het gehele verordeningsgebied worden geen nieuwe ontwikkelingen ten opzichte van de huidige planologische situatie mogelijk gemaakt. Een toename van het groepsrisico is daarmee uitgesloten. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is opgenomen in bijlage 7.

Etheenleidingen

Binnen het verordeningsgebied aan de zuidzijde liggen twee etheenleidingen, dit betreffen leidingen van DOW en Shell. Deze leidingen beschikken over een PR 10-6 risicocontour van 75 meter voor de leiding van DOW, en een PR 10-6 risicocontour van 105 meter voor de leiding van Shell. Het groepsrisico ten gevolge van deze leidingen is niet bekend. Echter gezien het karakter van de omgeving waarbinnen de leidingen liggen mag verwacht worden dat het groepsrisico de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. De beheersverordening zorgt echter niet voor een toename van het groepsrisico omdat alleen de huidige planologische situatie wordt vastgelegd. Een toename van het groepsrisico is daarmee uitgesloten. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is opgenomen in bijlage 7.

4.3.6 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen

Onderzoek en conclusie

De beheersverordening maakt geen ontwikkelingen mogelijk die van invloed zijn op de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Formele toetsing aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer kan daarom achterwege blijven.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat in 2011 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct langs de omliggende wegen; Rijksweg Terneuzen-Sas van Gent, Meester F.J. Haarmanweg en de Hoofdweg N61/62 ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. Voor stikstofdioxide betreft dit maximaal 25,3 µg/m3 en voor fijn stof maximaal 27,6 µg/m3 (grenswaarden voor beide stoffen: 40 µg/m3 als jaargemiddelde). Het aantal overschrijdingsdagen voor fijn stof betreft 23. Ook hierbij wordt ruimschoots aan de norm uit de Wet Milieubeheer voldaan. Binnen het gehele verordeningsgebied wordt daarmee voldaan aan de normen uit de Wet milieubeheer. De gehalten stikstofdioxide en fijn stof nemen af naarmate de afstand tot de weg toeneemt. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor deze beheersverordening.

4.3.7 Bedrijven en milieuhinder

Toetsingskader: Richtafstanden uit de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009)

Onderzoek en conclusie

Voor het haven- en industrieterrein is een inwaartse milieuzonering toegepast. Dit betekent dat vanuit de milieugevoelige functies in de omgeving is bepaald vanaf welke afstand bepaalde bedrijfsmatige activiteiten kunnen worden toegelaten. Dit om geen onevenredige beperkingen aan de bedrijvigheid op te leggen en hinder voor de omliggende gevoelige functies te voorkomen. Bij de milieuzonering is uitgegaan van 2 verschillende staten van bedrijfsactiviteiten, zowel de Staat voor gezoneerde industrieterreinen als voor de Staat voor bedrijventerreinen. Het verschil tussen deze twee staten zit hem in het feit dat bij de staat voor gezoneerde industrieterreinen geen rekening is gehouden met het aspect geluid, omdat deze reeds geregeld wordt met de zonering in het kader van de Wet geluidhinder. De kolom met de richtafstanden voor geluid ontbreekt dus in de Staat van Bedrijfsactiveiten gezoneerd industrieterrein. De milieuzonering geeft de algemene toelaatbaarheid van bedrijven op het haven- en industrieterrein weer. Hiermee wordt in het ruimtelijk spoor zo veel mogelijk voorkomen dat ter plaatse van de omliggende woningen en andere gevoelige functies in de omgeving van de bedrijven sprake zal zijn van onaanvaardbare milieuhinder. Hierbij wordt voor deze beheersverordening uitgegaan van de richtafstanden ten opzichte van omgevingstype 'rustige woonwijk'.

In het verordeningsgebied bevindt zich een veelheid aan verscheidene industriële bedrijvigheid. Aan het water komt met name (zee)haven gerelateerde industrie voor, aan de buitenrand betreft dit met name bouwnijverheid, groothandels- en autoservicebedrijven. Deze functies passen in beginsel binnen de algemene toelaatbaarheid. Bedrijven die niet binnen deze algemene toelaatbaarheid passen (overschrijding of onderschreiding van de ter plaatse toegelaten milieucategorieën), maar wel rechtmatig op de betreffende locaties aanwezig zijn, kunnen ook onder het regime van deze verordening hun activiteiten voort zetten. Deze bedrijven zijn als lijst opgenomen in bijlage 1. In het milieuspoor dienen deze bedrijven reeds rekening te houden met in de omgeving aanwezige gevoelige functies. In het verordeningsgebied worden verder geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Het aspect milieuzonering staat de vaststelling van de beheersverordening niet in de weg.

4.3.8 Water

Toetsingskader

Waterwet, watertoets en Besluit ruimtelijke ordening.

Onderzoek en conclusie

Het verordeningsgebied ligt deels binnen het beheersgebied van het waterschap Scheldestromen en deels binnen binnen het beheergebied van Rijkswaterstaat. Het waterschap Scheldestromen hanteert een watertabel bij ruimtelijke plannen. Ook voor deze beheersverordening is deze opgesteld. De belangen van Rijkswaterstaat worden hier tevens in meegenomen.

thema en water(schaps)doelstelling   uitwerking  
Veiligheid waterkering
Waarborgen van het veiligheidsniveau tegen water en de daarvoor benodigde ruimte.  
Er zijn geen consequenties voor waterkeringen. De verordening voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen.
Er is sprake van primaire en regionale waterkeringen. De primaire waterkering is gesitueerd langs die delen van het kanaal van Gent naar Terneuzen die in directe verbinding staan met de Westerschelde. De regionale waterkering is gelegen aan weerszijden van het Kanaal van Gent naar Terneuzen, aan de binnenzijde (landzijde) van het sluizencomplex.  
Wateroverlast
(vanuit oppervlaktewater)
Bij de bouw wordt voldoende hoog gebouwd om instroming van oppervlaktewater in maatgevende situatie(s) te voorkomen. Het plan biedt voldoende ruimte voor vasthouden / bergen / afvoeren van water.  
De verordening voorziet niet in nieuw te realiseren verhard oppervlak en/of ontwikkelingen. Er zal ten gevolge van de verordening dan ook geen (extra) wateroverlast ontstaan.  
Optimale werking van de zuiveringen/RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van
(schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van over-storten.  
De beheersverordening is gericht op het in standhouden van de bestaande situatie met de bestaande kwaliteit. Een optimalisering van het watersysteem is daarom niet aan de orde.
 
Waterschapsobjecten
Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van waterschapsobjecten niet belemmeren. Hierbij wordt gedacht aan milieucontouren rond RWZI's, rioolpersgemalen, poldergemalen, vrijverval- en/of persleidingen.  
Binnen de beheersverordening worden geen directe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Objecten van het watersschap en Rijkswaterstaat ondervinden geen belemmering ten gevolge van de beheersverordening.  
Watervoorziening / -aanvoer
Het voorzien van de bestaande functie van (grond- en/of oppervlakte)water van de juiste kwaliteit en de juiste hoeveelheid op het juiste moment. Het tegengaan van nadelige effecten van veranderingen in ruimtegebruik op de behoefte aan water.  
Niet van toepassing.
 
Volksgezondheid
(water gerelateerd)
Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.  
Geen verandering ten opzichte van de huidige situatie.
 
Bodemdaling
Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen met name in zettingsgevoelige gebieden kunnen veroorzaken.  
Niet van toepassing.  
Grondwateroverlast
Tegengaan / verhelpen van grondwateroverlast.  
Niet aanwezig in de huidige situatie, in de toekomstige situatie zal dit ook niet aangepast worden.  
Oppervlaktewaterkwaliteit
Behoud / realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het
watersysteem.  
Geen verandering (laatste is immers niet aan de orde)  
Grondwaterkwaliteit
Behoud / realisatie van een goede grondwaterkwaliteit.  
Geen verandering ten opzichte van de huidige situatie.
 
Verdroging
(Natuur)
Bescherming karakteristieke grondwater afhankelijke ecologische waarden; van belang in en rond natuurgebieden (hydrologische) beïnvloedingszone.  
Niet aan de orde.

 
Natte natuur
Ontwikkeling/Bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur.  
De natuur wordt niet beïnvloedt door de beheersverordening.  
Onderhoud waterlopen
Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden
kunnen worden.  
De onderhoud van waterlopen wordt niet beïnvloedt door de beheersverordening.  
Waterschapswegen
Goede bereikbaarheid en in stand houden van wegen in beheer en onderhoud bij het waterschap.  
De bereikbaarheid van de wegen wordt niet beïnvloedt door de beheersverordening.  

4.3.9 Geluid

Toetsingskader:

Wet geluidhinder (Wgh).

Onderzoek en conclusie

Binnen het verordeningsgebied c.q. de geluidzones industrielawaai, spoorweglawaai en wegverkeerslawaai worden geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt. Deze geluidaspecten vormen dan ook geen belemmering voor de beheersverordening.

4.3.10 Kabels & Leidingen

Toetsingskader

  • Besluit externe veiligheid buisleidingen
  • Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen;
  • Omgevingsplan Zeeland 2013 - 2018;
  • Structuurvisie Buisleidingen.

Normstelling en beleid

Voor hoofdtransportleidingen en hoogspanningsverbindingen geldt dat deze in het bestemmingsplan moeten worden geregeld. Deze leidingen hebben namelijk gevolgen voor het gebruik van gronden in de directe omgeving en zijn dus planologisch relevant. Ook niet-hoofdtransportleidingen met veiligheidscontour, kunnen planologisch relevant zijn. Als planologisch relevante (buis)leidingen worden aangemerkt zoals hierna genoemd, voor zover deze geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer :

  • Hoogspanningsverbindingen met een spanning van 50 kV en hoger.
  • Buisleidingen voor transport van aardgas vanaf 16 bar en een uitwendige diameter van 50 mm;
  • Buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een druk vanaf 16 bar en een uitwendige diameter van 70 mm.
  • Buisleidingen voor het transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken.
  • Buisleidingen met een diameter van 400 mm en groter buiten de bebouwde kom.
  • Buisleidingen voor transport van afvalwater tussen de afvalwaterzuiveringsinstallatie van het waterschap aan de Frankrijkweg en het lozingspunt in de Westerschelde.

Niet-planologisch relevante leidingen vervullen een functie voor de aanwezige functies en behoeven geen bescherming c.q. regeling in het bestemmingsplan. Deze leidingen kunnen dan ook zonder planologische regeling worden aangelegd.

Onderzoek en conclusie

Naast de in paragraaf 4.3.5 genoemde leidingen waardoor gevaarlijke stoffen vervoerd worden, zijn binnen het plangebied nog meer planologische relevante leidingen aanwezig. Het betreffen onder andere vier ondergrondse elektriciteitsleidingen en (afval)waterleidingen. Deze leidingen zijn weergegeven op een kaart die als bijlage 5 van de regels is opgenomen. Voor deze leidingen geldt een belemmeringenstrook van 5 meter waarbinnen niet gebouwd mag worden. Omdat er binnen het gehele verordeningsgebied geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt worden vormt dit aspect geen belemmering voor de beheersverordening.