direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Beheersverordening Dow, Mosselbanken, Logistiek Park, 2e wijziging, stikstof- en waterstofleiding
Status: vastgesteld
Plantype: beheersverordening
IMRO-idn: NL.IMRO.0715.BVIDM03-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Doel wijziging beheersverordening

Voor het industrieel complex van Dow Benelux B.V. (verder: Dow) heeft de gemeenteraad van Terneuzen in 2013 de 'Beheersverordening Dow, Mosselbanken, Logistiek Park' vastgesteld. Deze beheersverordening is het planologisch toetsingskader voor het gebruik van gronden en bouwwerken. In deze beheersverordening zijn ook alle bestaande ondergrondse buisleidingen planologisch-juridisch geregeld. Enige jaren later, in 2018, is de Beheersverordening Dow, Mosselbanken, Logistiek Park, 1ste wijziging, waterstofgasleiding' vastgesteld in combinatie met de partiële herziening van een groot aantal bestemmingsplannen. Hiermee werd het mogelijk om waterstof van de fabriek van Dow te transporteren naar Yara Sluiskil B.V. Voor het grootste deel wordt hiervoor gebruik gemaakt van bestaande aardgasleidingen van Gasunie Transport Services (verder: GTS).

Air Liquide Benelux Industries - Large Industries (verder: Air Liquide) heeft nu het plan om een bestaande leiding waar jaren geleden voor het laatst ethyleen in werd getransporteerd, geschikt te maken voor het transport van stikstof en op termijn van waterstof. Een deel van de leiding ligt in het oostelijk deel van het industrieel complex en in het plangebied van de beheersverordening. Daarnaast is het noodzakelijk om in openbaar gebied een nieuw leidingtracé met een lengte van circa 226 meter aan te leggen. Deze leiding zal in eerste instantie worden gebruikt voor het transport van stikstof. In een latere fase zal door de leiding waterstof worden vervoerd dat afkomstig is van de fabriek van DOW.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BVIDM03-VG01_0001.png"

Figuur 1.1. Tracé stikstofleiding geprojecteerd over geldende beheersverordeningen (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) , in oranje het bestaande leidingtracé en in lichtblauw het nieuwe leidingtracé

Het gebruik van de leidingen voor het transport van stikstof en waterstof is op grond van de beheersverordening (na 1ste wijziging) niet mogelijk. Air Liquide heeft daarom gevraagd om de planologisch-juridisch regeling aan te passen. Het gemeentebestuur wenst hieraan medewerking te verlenen omdat er sprake is van belangrijke milieuwinst met een minimale ruimtelijke impact.

Gekozen is voor een wijziging van de beheersverordening:

1. waarmee aanleg van nieuwe stuk leiding mogelijk is;

2. waarmee bestaande leiding gebruikt kan worden voor stikstof en waterstof.

1.2 Andere planologische besluiten

De leiding loopt verder buiten het beheersgebied van de verordening. Om de leiding in gebruik te kunnen nemen voor stikstof en waterstof zullen ook nieuwe ruimtelijke besluiten nodig zijn. Afhankelijk van wanneer dit geschiedt, zal dit de vaststelling van een of meer herzieningen van bestemmingsplannen kunnen zijn, het verlenen van een omgevingsvergunning met een uitgebreide Wabo-procedure of een besluit tot vaststelling van een of meer omgevingsplannen.

Dat geldt ook voor het mogelijk maken van het transport van waterstof door de leidingen. Wanneer deze planologische procedures worden doorlopen, is nu nog niet duidelijk.

1.3 Leeswijzer

Deze toelichting op de beheersverordening is als volgt opgebouwd.

  • In Hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de context waarbinnen het hergebruik en de aanleg van de leiding moet worden gezien. Vervolgens wordt het project concreet beschreven en wordt een toelichting gegeven op de wijze waarop de nieuwe leiding en wijziging van gebruik van bestaande leiding planologisch-juridisch is geregeld.
  • In Hoofdstuk 3 wordt de wetgeving rondom leidingen toegelicht. Verder gaat dit hoofdstuk in op de uitvoerbaarheid van het plan; een wettelijke eis op grond van het Besluit ruimtelijke ordening.
  • In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het wettelijke verplichte vooroverleg met instanties die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De bedrijven die betrokken zijn bij de aanleg en beheer van leidingen zijn daarin meegenomen.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Toelichting op het project

Het project bestaat uit het in gebruik nemen van de bestaande propyleen/ethyleenleiding die ligt tussen DOW in Terneuzen en de Anna Mariapolder in de gemeente Reimerswaal voor stikstof en op termijn voor waterstof. Deze leiding is weergegeven op figuur 2.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BVIDM03-VG01_0002.png"

Figuur 2.1. Ligging propyleen/ethyleenleiding die zal worden gebruikt voor het transport van stikstof en waterstof (bron: Bilfinger/Tebodin, zie bijlage 1)

Het meest noordelijkwestelijk stuk van dit tracé dat loopt over het terrein van Dow wordt buiten gebruik gesteld en in plaats daarvan wordt aan de zuidzijde van het terrein van Dow een nieuwe leiding aangelegd met een bijbehorende skid. De skid is in dit geval een installatie die bestaat uit een aantal bovengrondse leidingdelen, afsluiters, filtercomponenten, meetapparatuur en mogelijkheden om leidingdelen drukloos te maken. Het perceel waarop de skid zal worden gerealiseerd bevindt zich nu nog op het terrein van Dow (zie figuur 2.2), maar wordt eigendom van Air Liquide.

Het beoogde tracé (in figuur 2.2 weergegeven in blauw) loopt vanaf het nieuw te bouwen skid richting het zuiden naar de al bestaande ZVL ethyleenleiding (in figuur 2.2 weergegeven in geel) waarop de nieuwe leiding wordt aangesloten. Dit tracé heeft de voorkeur gekregen om de volgende redenen:

  • Ter hoogte van de N62 loopt een primaire waterkering. Wanneer het tracé naar het westen had gelopen, zou de nieuwe leiding moeten worden aangesloten op de bestaande leiding binnen de beschermingszone van de waterkering.
  • Dit tracé heeft de voorkeur boven andere tracés aangezien zo de minste andere kabels en leidingen worden gekruist.
  • Dit tracé ligt parallel aan al bestaande leidingen waardoor het ruimtebeslag minimaal is.

Het gaat om een stalen DN150 aansluitleiding van ca. 226 m lang. De leiding wordt aangelegd op circa 1,2 meter diepte. De precieze diepte wordt afgestemd met de beheerders van diverse nabijgelegen leidingen, onder meer vanwege het kruisen van leidingen en watergangen. Na aanleg komt boven de leiding een waarschuwingslint en langs het tracé komen markeringspaaltjes te staan. De transportleiding wordt volledig met een open ontgraving aangelegd. De afmeting van de sleuf is afhankelijk van de diepteligging van de transportleiding en van de grondsoort. De breedte zal variëren van circa 4 tot 7 meter. De grond uit de sleuf zal tijdelijk worden opgeslagen naast de sleuf alvorens deze weer wordt opgevuld. Hierbij wordt de bovenste 50 cm van de grondlaag apart bewaard en weer als bovenste laag teruggeplaatst bij het opvullen van de sleuf. Hierdoor zal het effect van de ontgraving op de vruchtbare landbouwgrond aan de zuidkant van het tracé minimaal zijn.

De leiding en de skid worden eigendom wordt van Air Liquide.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BVIDM03-VG01_0003.png"

Figuur 2.2 Het beoogde tracé (blauw) voor de aanleg van een nieuwe stikstof- en waterstofleiding (Bron: Google Maps, bewerking SGS Roos+Bijl)

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BVIDM03-VG01_0004.png"

Figuur 2.3: Locatie aan te leggen skid Air Liquide (Bron: QRA Skid Dow)

2.2 Toelichting op de juridische regelingen

2.2.1 Wettelijke basis wijziging verordening

Voor het planologisch-juridisch mogelijk maken van de ombouw van de bestaande ethyleenleiding en de aanleg van een nieuw leidingdeel bestaan de volgende mogelijkheden:

  • a. een nieuw bestemmingsplan voor het gehele tracé;
  • b. een omgevingsvergunning waarvoor de uitgebreide procedure van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geldt: afwijken van het bestemmingsplan ex artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 Wabo
  • c. een partiële wijziging van de geldende beheersverordening (en).

De optie onder a brengt met zich mee dat alle onderliggende enkel- en dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen opnieuw moeten worden opgenomen in het bestemmingsplan. Niet alleen is dat tijdrovend (kostbaar) en foutgevoelig, maar het heeft ook als belangrijke nadeel dat er geen relatie meer is met de Beheersverordening Dow, Mosselbanken, Logistiek Park' en latere wijzigingen daarvan.

De optie onder b heeft niet de voorkeur omdat daarmee niet wordt voorzien in een ruimtelijk plan.

Gekozen is daarom voor de optie onder c. Het gaat om een wijziging waarbij de beheersverordening slechts voor het gebied of onderdeel (facet) van de planologische regeling wordt aangepast. Voor het overige blijven de eerder vastgestelde beheersverordening en latere wijzigingen daarvan van kracht.

De Wet ruimtelijke ordening (verder: Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) kennen geen bijzondere regels ten aanzien van een facetwijziging van een beheersverordening. Het plan moet net als een (integraal) bestemmingsplan voldoen aan goede ruimtelijke ordening. Daarnaast moet het voldoen aan de eisen die de Wro stelt aan de digitale vervaardiging en raadpleging (toepassing ruimtelijke ordeningsstandaarden 2012).

2.2.2 De beheersverordeningen: huidige regeling en nieuwe regeling

Huidige regelingen

In tabel 2.1 zijn de beheersverordeningen vermeld waardoor het tracé loopt. In de meest rechtse kolom is aangegeven welk onderdeel van de beheersverordening wordt gewijzigd.

beheersverordening   identificatie   vastgesteld door de gemeenteraad op   onderwerp aanpassing: verbeelding en regels  
Beheersverordening Dow, Mosselbanken en Logistiek Park   NL.IMRO.0715.BVIDM-VG99   25 juni 2013   nieuw leidingtracé:
artikel 4, 'bedrijventerrein - A bedrijf van categorie 5.1', sublid 4.2.1

artikel 4, 'Bedrijventerrein - A', sublid 4.1

artikel 6, 'Groen', sublid 6.1

artikel 7 'Leiding', sublid 7.2.1 Besluitvlak 'Leiding' in combinatie met bijlage 4 'Leidingen' van de regels

artikel 19, 'Geluidzone Industrieterrein Terneuzen - West/Logistiek Park', sublid 19.1.3

bestaand leidingtracé:

artikel 3, 'Agrarisch', sublid 3.1

artikel 6, 'Groen', sublid 6.1

artikel 7 'Leiding', sublid 7.2.1 Besluitvlak 'Leiding' in combinatie met bijlage 4 'Leidingen' van de regels

artikel 8 'Verkeer', sublid 8.1

artikel 13, 'Waarde - Archeologie - 1', sublid 13.1

artikel 15, 'Waarde - Beschermde Dijken', sublid 15.1

artikel 14, 'Waterstaat - Waterkering', sublid 14.1

artikel 19, 'Geluidzone Industrieterrein Terneuzen - West/Logistiek Park', sublid 19.1.3  
Beheersverordening Dow, Mosselbanken en Logistiek Park, 1ste wijziging, waterstofgasleiding   NL.IMRO.0715.BVIDM02-VG01   15 maart 2018   nieuw leidingtracé:
'bedrijventerrein - A bedrijf van categorie 5.1' (verwijzend naar Beheersverordening Dow, Mosselbanken en Logistiek Park, artikel 4, sublid 4.2.1)

'Bedrijventerrein - A' (verwijzend naar Beheersverordening Dow, Mosselbanken en Logistiek Park, artikel 4, sublid 4.1)

'Groen', (verwijzend naar Beheersverordening Dow, Mosselbanken en Logistiek Park, artikel 6, sublid 6.1)

'Leiding', (verwijzend naar Beheersverordening Dow, Mosselbanken en Logistiek Park, artikel 7, sublid 7.2.1 Besluitvlak 'Leiding' in combinatie met bijlage 4 'Leidingen' van de regels)

'Geluidzone Industrieterrein Terneuzen - West/Logistiek Park', (verwijzend naar Beheersverordening Dow, Mosselbanken en Logistiek Park, artikel 19, sublid 19.1.3)

bestaand leidingtracé:
'Waarde - Beschermde Dijken', (verwijzend naar Beheersverordening Dow, Mosselbanken en Logistiek Park, artikel 15, sublid 15.1)

'Geluidzone Industrieterrein Terneuzen - West/Logistiek Park' (verwijzend naar Beheersverordening Dow, Mosselbanken en Logistiek Park, artikel 19, sublid 19.1.3)

artikel 4, toevoeging 'Waarde - Archeologie - 2', sublid 14.1

'Waterstaat - Waterkering', (verwijzend naar Beheersverordening Dow, Mosselbanken en Logistiek Park, artikel 14, sublid 14.1)

Leiding', (verwijzend naar Beheersverordening Dow, Mosselbanken en Logistiek Park, artikel 7, sublid 7.2.1 Besluitvlak 'Leiding' in combinatie met bijlage 4 'Leidingen' van de regels)

'Groen', (verwijzend naar Beheersverordening Dow, Mosselbanken en Logistiek Park, artikel 6, sublid 6.1)

'Verkeer', (verwijzend naar Beheersverordening Dow, Mosselbanken en Logistiek Park, artikel 8, sublid 8.1)  

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BVIDM03-VG01_0005.png"

Figuur 2.4 Fragment Beheersverordening Dow, Mosselbanken en Logistiek Park (Bron: Ruimtelijke Plannen)

Nieuwe regeling:

De wijziging van de beheersverordening kan beperkt blijven tot aanpassing van de leidingenkaart die is opgenomen in de bijlage 1 van de regels. De besluitvlak(ken) Leiding(en) op de verbeelding verwijzen namelijk niet naar het soort gas of vloeistof, dat wordt getransporteerd en de druk waaronder dat geschiedt. Dat gebeurt op de leidingenkaart. De (meet)skid is een onderdeel van de leiding van Air Liquide en behoeft daarom op de leidingenkaart niet apart te worden aangegeven.

Hoofdstuk 3 Toetsing en uitvoerbaarheid

3.1 Inleiding

In opdracht van Air Liquide is een bureaustudie uitgevoerd ten behoeve van de nieuwe stikstof - en waterstofleiding (zie bijlage 2. Daarin zijn de volgende omgevingsaspecten beschouwd:

  • Milieukundig bodemonderzoek;
  • Ecologie;
  • Archeologie;
  • Niet-gesprongen explosieven;
  • Geotechnisch bodemonderzoek.

De bureaustudie is te beschouwen als een eerste verkenning. De daaraan ten grondslag liggende onderzoeken zijn deels nader aangevuld en verwerkt in voorliggend hoofdstuk. In de bureaustudie is geen aandacht besteed aan de aspecten Wet- en regelgeving leidingen, Besluit milieueffectrapportage, Water, cultuurhistorie en financiele aspecten. In dit hoofdstuk komen deze aspecten wel aan bod.

3.2 Toetsing aan wet- en regelgeving leidingen

3.2.1 Toetsingskader planologisch relevante leidingen

Het volgende toetsingskader ten aanzien van planologisch relevante leidingen is relevant:

  • Besluit en Regeling externe veiligheid buisleidingen;
  • de Wet ruimtelijke ordening (criterium 'goede ruimtelijke ordening');
  • Omgevingsplan Zeeland 2018;
  • Provinciale Omgevingsverordening Provincie Zeeland 2018;
  • Advies van het Ministerie van Infrastructuur en milieu met betrekking tot hoogspanningslijnen;
  • het 'Handboek Risicozonering Windturbines (2014)' (zie ook paragraaf 3.4).

Planologische relevantie

Planologisch relevante leidingen dienen in een bestemmingsplan of beheersverordening te worden geregeld (lees: te worden beschermd). Deze zijn namelijk van groot maatschappelijk of bedrijfseconomisch belang. Deze leidingen hebben een relatief grote invloed op het gebruik van gronden in de directe omgeving of dienen te worden beschermd tegen invloeden van buitenaf. In ieder geval zijn buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen die vallen onder het Besluit en de Regeling externe veiligheid buisleidingen planologisch relevant. Deze leidingen hebben externe veiligheidscontouren.

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb)

De volgende buisleidingen vallen onder de reikwijdte van het Bevb/Revb:

  • a. buisleidingen voor aardgas met een uitwendige diameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPA of meer;
  • b. buisleidingen voor aardolieproducten met een uitwendige diameter van 70 mm of meer en een druk van 1.600 kPA of meer;
  • c. buisleidingen voor brandbare stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer;
  • d. buisleidingen voor vergiftige stoffen, en;
  • e. buisleidingen voor specifieke stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer.

Het Bevb is niet van toepassing op:

  • Leidingen op het continentaal plat of in de territoriale zee. Voor buisleidingen in de mijnbouw geldt een aparte regeling (zie artikel 3 van de Revb);
  • Leidingen voor vervoer van gevaarlijke stoffen die deel uitmaken van een inrichting.

Op grond van het Bevb (artikel 5) geeft een bestemmingsplan (of beheersverordening) de ligging weer van de in het plangebied aanwezige buisleidingen alsmede de daarbij behorende belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding. De belemmeringenstrook bedraagt ten minste 5 meter aan weerszijden van een buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding. Alleen voor buisleidingen voor aardgas met een druk van 1.600 tot en met 4.000 kPa (16 tot en met 40 Bar) geldt een belemmeringenstrook van ten minste 4 meter, maar dat is in dit project niet aan de orde.

Naast buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, zijn er nog andere buisleidingen die planologisch relevant worden geacht. Het gaat om leidingen met een (boven)regionale transportfunctie of leidingen die op een andere manier risico's met zich meebrengen voor mens of de leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Er is voor deze leidingen geen sprake van externe veiligheidscontouren. De leidingen vallen niet onder het Bevb. Wel krijgt een dergelijke leiding ter bescherming van de leiding en om beheer en onderhoud niet onmogelijk te maken, een dubbelstemming ter grootte van de belemmeringenstrook of zakelijk rechtstrook (aan weerszijden van de leiding). In vrijwel alle gevallen wordt hiervoor ook 5 meter aan weerszijden van een buisleiding aangehouden, gemeten vanuit het hart van de buisleiding.

Omgevingsplan Zeeland 2018

Welke leidingen planologisch relevant zijn en worden opgenomen in het bestemmingsplan (beheersverordening) is aan het bevoegd gezag, in de meeste gevallen de gemeenteraad. De provincie Zeeland heeft in het Omgevingsplan Zeeland beleid opgenomen ten aanzien van hoofdtransportleidingen. Daarmee worden deze leidingen en verbindingen aangemerkt als planologisch relevant. Het betreft buisleidingen onder meer hoofdtransportleidingen voor vervoer van aardgas, olieproducten en chemische producten.

3.2.2 Conclusie

Uit paragraaf 2.1 blijkt dat de bestaande leiding aangesloten op de bestaande ZVL leiding en het nieuw stuk leiding planologisch relevant zijn gelet op de diameter en aard van de leiding. Bovendien valt deze leiding onder het Bevb en Revb en is het volgens het provinciaal beleid een hoofdtransportleiding. De leiding is daarom geregeld in de geldende bestemmingsplannen en beheersverordeningen en ook het nieuwe leidinggedeelte wordt planologisch geregeld.

Op grond van het Bevb moet bij voorgenomen wijziging van de leidinggegevens een onderzoek naar de invloed van die wijziging op het plaatsgebonden risico en het groepsrisico worden uitgevoerd. Dit onderzoek is uitgevoerd. Verwezen wordt naar paragraaf 3.4 en bijlage1.

Het tracé van de buisleiding kruist een aantal andere boven en ondergrondse buisleidingen. Met de beheerders van deze leidingen zal voor aanvang van de werkzaamheden contact worden opgenomen om risico's te voorkomen.

Voor de ondergrondse leidingen in het gebied die vallen onder de werking van het Bevb en het Revb gelden in principe belemmeringenstroken van 5 meter aan weerszijden. De leidingen en hun belemmeringenstroken zijn opgenomen op de verbeeldingen en in de planregels.

3.3 Toetsing aan Besluit milieueffectrapportage

3.3.1 Toetsingskader

Toetsingskader

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunningplanmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig (bijlage C en D), projectmer-plichtig (bijlage C) of mer-beoordelingsplichtig (bijlage D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Onder deze drempelwaarden is een ontwikkeling niet rechtstreeks planmer-, projectmer of mer-beoordelingsplichtig. Als de activiteit benoemt staat, maar er onder de drempelwaarden wordt gebleven geldt een verplichting om vormvrij aan te tonen dat het project niet leid tot belangrijke nadelige milieugevolgen.

In het Besluit milieueffectrapportage zijn in de bijlagen C en D twee activiteiten benoemd met betrekking tot het aanleggen van buisleidingen (C 8.1 en D 8.1). De beoogde activiteit betreft het aanleggen of uitbreiden van een buisleiding om stikstof en op termijn waterstof te kunnen vervoeren vanaf punt A naar punt B. Het gaat om een verbinding tussen een bedrijf en een bestaande buisleiding. Gelet op het beperkte traject (circa 200 meter) (kenmerken en plaats van het project) en het bestaande gebruik in het plangebied en haar directe omgeving en de uitkomsten van uitgevoerde onderzoeken (potentiële effecten) zal geen sprake zijn van belangrijke negatieve milieueffecten. De beoogde activiteit leidt niet tot de noodzaak van een milieueffectrapport, maar wel tot een vormvrije m.e.r.

3.4 Externe veiligheid

3.4.1 Toetsingskader

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

De begrippen Plaatsgebonden Risico (PR) en Groepsrisico (GR)

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

In het Besluit milieueffectrapportage zijn in de bijlagen C en D twee activiteiten benoemd met betrekking tot het aanleggen van buisleidingen (C 8.1 en D 8.1). De beoogde activiteit betreft het aanleggen of uitbreiden van een buisleiding om stikstof en op termijn waterstof te kunnen vervoeren vanaf punt A naar punt B. Het gaat om een verbinding tussen een bedrijf en een bestaande buisleiding. Gelet op het beperkte traject (circa 200 meter) (kenmerken en plaats van het project) en het bestaande gebruik in het plangebied en haar directe omgeving en de uitkomsten van uitgevoerde onderzoeken (potentiële effecten) zal geen sprake zijn van belangrijke negatieve milieueffecten. De beoogde activiteit leidt niet tot de noodzaak van een milieueffectrapport.

Risicovolle inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.

Buisleidingen

In artikel 8, lid 1 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is bepaald dat bij een voorgenomen wijziging van de leidinggegevens een onderzoek naar de invloed van die wijziging op het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) moet worden uitgevoerd. In artikel 6 is geregeld dat de exploitant de aanleg of vervanging van een buisleiding zodanig uitvoert dat het PR van de buisleiding op een afstand van 5 meter (de belemmeringenstrook, zie paragraaf 3.2.1) gemeten vanuit het hart van de buisleiding niet hoger is dan 10-6 per jaar. De 5 meter grens is geen toetsingscriterium voor bestaande leidingen. Voor de bestaande leiding geldt dat binnen de 10-6 contour geen kwetsbare objecten aanwezig of geprojecteerd mogen zijn.

Een afsluitersectie wordt aangemerkt als onderdeel van een buisleiding (voor zover die niet tot een inrichting behoort). Dat betekent dat de 10-6 contour voor de skid van Air Liquide (geen onderdeel van de inrichting van Dow) ook binnen de belemmeringenstrook moet liggen.

Ondergrondse buisleidingen en hoogspanningsmasten

Zowel de nieuwe als bestaande leiding ligt binnen het invloedsgebied van hoogspanningsmasten. Volgens artikel 11 lid 3 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen moet bij vaststelling van het plan dat de bouw van de masten mogelijk maakt, aangetoond worden dat het mogelijk omvallen van de masten en daardoor mogelijk optredende gevolgschade aan naastgelegen leidingen niet leidt tot een te hoge kans op letale gevolgen voor mensen.

Verantwoordingsplicht

In het Bevi en het Bevb is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het groepsrisico (GR). Wel geldt op basis van het Bevb een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de buisleiding.

De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties.

Handboek risicozonering windturbines

Voor eigenaren van buisleidingen voor transport van brandbare of gevaarlijke stoffen en hoogspanningsverbindingen zijn de veiligheid en leveringszekerheid van belang. Windturbines kunnen deze veiligheid en leveringszekerheid in gevaar brengen doordat er een kans bestaat dat een falende windturbine (of onderdelen daarvan) de buisleiding of hoogspanningsverbinding (deels) beschadigt. Wanneer er gevaarlijke stoffen door de leiding worden getransporteerd, kunnen er bij beschadiging ook slachtoffers vallen. In het 'Handboek Risicozonering Windturbines (2014)' wordt de volgende onderverdeling gemaakt:

  • leidingen waardoor minder risicovolle tot ongevaarlijke stoffen worden getransporteerd, zoals lage druk aardgasleidingen, drinkwaterleidingen, rioleringen en stadsverwarming;
  • leidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd, zoals hogedruk aardgasleidingen en hogedruk brandstofleidingen of petrochemische leidingen.

Hoe de berekening van een eventueel verhoogde faalkans uitgevoerd dient te worden, staat beschreven in de Handleiding Omgevingsveiligheid, module IV.

Voor leidingen waardoor minder risicovolle tot ongevaarlijke stoffen worden getransporteerd, bestaan geen risicocriteria. Deze hoeven in een risicoanalyse dan ook niet te worden beschouwd.

Voor zowel bovengrondse als ondergrondse buisleidingen wordt geadviseerd een afstand aan te houden waarbuiten geen significant additioneel risico van een windturbine is te verwachten. Deze afstand hangt samen met de gevolgen voor de omgeving wanneer de windturbine omvalt of een blad afbreekt.

Externe veiligheidssituatie buiten het beheersverordeningsgebied

In paragraaf 1.2 is aangegeven dat de leiding doorloopt buiten het beheersgebied van de verordening en dat ruimtelijke besluiten nodig zijn om ook dat deel van de leiding (bestaande ZVL-leiding die nu is bestemd voor het transport van etheen) in gebruik te kunnen nemen voor het transport van stikstof (en op termijn van waterstof). Voor de uitvoerbaarheid van het project is het noodzakelijk om ook te kijken naar de externe veiligheidssituatie buiten het beheersverordeningsgebied.

3.4.2 Onderzoek en conclusie

Bedrijven in de omgeving

In de omgeving van de nieuwe en bestaande leiding en de skid zijn verschillende bedrijven gevestigd met risicovolle bedrijfsprocessen en activiteiten. Voor deze bedrijven (DOW, Katoen Natie Westerschelde Containerterminal , Maschem , Bertschi, Oiltanking Terneuzen). In verband hiermee is voor een specifiek gebied een (gezamenlijke) veiligheidscontour, als bedoeld in artikel 14 van het Bevi, vastgesteld. Deze contour geeft de grens aan tot waar de plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) van de risicovolle bedrijven mag uitbreiden. Binnen de veiligheidscontour wordt niet meer getoetst aan de individuele grenswaarden voor het plaatsgebonden risico. Daarmee wordt ruimte gereserveerd voor de groei van risicovolle bedrijven. Binnen de veiligheidscontour zijn (beperkt) kwetsbare objecten niet toegestaan als die geen functionele binding met het terrein hebben.

Door de veiligheidscontour zijn de artikelen 11 en 17 van het Bevb niet van toepassing. In deze artikelen is geregeld dat:

  • bij de vaststelling van een ruimtelijke besluit (sic) , op grond waarvan de aanleg van een buisleiding of de aanleg, bouw of vestiging van een beperkt kwetsbaar of kwetsbaar object bij een buisleiding wordt toegelaten, respectievelijk een richtwaarde dan wel een grenswaarde in acht wordt genomen van 10-6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor beperkt kwetsbare objecten.
  • eventuele overschrijdingen van het risico van 10-6 per jaar binnen 3 jaar ongedaan worden gemaakt.

In gebruikname bestaande ethyleen voor stikstof en waterstof en nieuwe, verbindende leiding voor stikstof en waterstof

In opdracht van Air Liquide) is een Kwantitatieve Risico Analyse uitgevoerd voor het gehele traject dat in figuur 2.1 is aangeduid. Daarbij is gerekend met het gebruik van de propyleen/ethyleenleiding voor het transport van waterstof en van stikstof. De QRA is opgenomen in bijlage 1. In de bijlagen (1 en 2 ) van die QRA zijn ook QRA's opgenomen voor de nieuwe aansluitleiding zijn risicoberekeningen uitgevoerd voor de situatie met mitigerende maatregelen. Deze maatregelen zijn vermeld in (paragraaf 3.4 en bijlage 1 en 2 van) bijlage 1 en zullen ook worden uitgevoerd of toegepast.

Plaatsgebonden risico

Uit de rapportage die is opgenomen in bijlage 1 blijkt dat de bestaande leiding voor wat betreft het transport van stikstof kleine plaatsgebonden risicocontouren heeft van het niveau van 10-8/jaar. Het aan te leggen leidingstuk blijkt geen PR-contouren te hebben van het niveau 10-6/jaar, 10-7/jaar of 10-8/jaar (zie figuur 3.1).

Vanwege de zeer kleine effectafstanden kan voor het transporteren van stikstof direct worden gesteld dat de leiding aan de genoemde eisen in het Bevb voldoet.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BVIDM03-VG01_0006.png"

Figuur 3.1 Plaatsgebonden risico van de nieuw aan te leggen leiding (inclusief afvoerende leiding). (Bron: Anthea, zie ook bijlage 2 van bijlage 1.)

Voor wat betreft het transport van waterstof blijkt de leiding alleen ter plaatse van de windturbines een PR contour te hebben van 10-6 per jaar. Voor het overgrote deel heeft de leiding, inclusief het aan te leggen leidingstuk, geen PR contour van het niveau 10-6/jaar, maar wel van 10-7/jaar of 10-8/jaar (zie figuur 3.2).

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BVIDM03-VG01_0007.png"

Figuur 3.2 Plaatsgebonden risico van de nieuw aan te leggen leiding (inclusief afvoerende leiding) voor wat betreft waterstof (Bron: Anthea, zie bijlage 1 van bijlage 1.

Groepsrisico

In dit geval is het groepsrisico berekend van het nieuwe stuk leiding aangevuld met een stuk van de afvoerende leiding. De totale lengte van de leiding betrokken in de groepsrisicoberekening bedraagt ruim 1.000 m. Uit de berekening blijkt dat de grafiek met het groepsrisico geheel leeg blijft: er is geen groepsrisico.

Voor wat betreft het transport van waterstof blijkt de de leiding alleen ter plaatse van de windturbines een PR contour te hebben van 10-6 per jaar. Voor het overgrote deel heeft de leiding, inclusief het aan te leggen leidingstuk, geen PR contour van het niveau 10-6/jaar, maar wel van 10-7/jaar of 10-8/jaar (zie figuur 3.2).

Er is wel een beknopte verantwoording van het groepsrisico nodig. De verantwoordingsplicht groepsrisico is in principe een taak van de gemeente. Aangezien het groepsrisico beperkt is (formeel zelfs afwezig) kan de verantwoordingsplicht beperkt in omvang blijven. BevB: Artikel 12 a, b, f, en g zijn van toepassing.

  • Artikel 12a: overzicht van aanwezige personen in de omgeving van de buisleiding: Dit is onder andere uitgewerkt in tabel 5.2 van bijlage 1.
  • Artikel 12b: de hoogte van het groepsrisico Dit is uitgewerkt in paragraaf 5.2. van bijlage 1.
  • Artikel 12f: de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval. Dit is in dit rapport niet uitgewerkt.
  • Artikel 12g: de mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de buisleiding of buisleidingen die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken, om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet. Dit is in dit rapport niet uitgewerkt.

Risico hoogspanningsmasten

De buisleiding wordt op 5 locaties gekruist, waarbij de buisleiding mogelijk binnen het invloedsgebied van een hoogspanningsmast ligt. In figuur 3.3 zijn deze 5 locaties aangegeven op kaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BVIDM03-VG01_0008.png"

Figuur 3.3 Kruisingen leidingtracé met hoogspanningskabels (bron: Bilfinger/Tebodin, zie bijlage 1)

De hoogspanningsmasten zijn alle 34 meter hoog. Het invloedsgebied rondom de masten is gelijk aan de hoogte, analoog aan het omvallen van een windturbine. Alleen de mast bij “kruising 1” ligt op een afstand kleiner dan het invloedsgebied (op 24 meter afstand) en is daarom verder beschouwd. In bijlage 1 is geconcludeerd dat ter hoogte van de hoogspanningsmast, net als voor het overige deel van de leiding, geen PR 10-5 of 10-6 contour aanwezig is.

In de QRA voor de stikstofleiding (zie bijlage 2 van bijlage 1) is ingegaan op de hoogspanningsmast (nummer TNZ-WDO-150-6) en het nieuw aan te leggen leidingstuk. De kleinste afstand van deze mast (een vakwerkmast, tevens eindmast) tot het nieuwe tracé bedraagt 115 meter. Dat betekent dat wanneer deze hoogspanningsmast zou omvallen, deze de leiding niet kan raken.

Risico windturbines

Een van de eerder genoemde 2 windparken ligt binnen de gemeente Terneuzen in de Koegorspolder. De ethyleenleiding waarvan gebruik zal worden gemaakt, loopt daar parallel aan de ZVL-leiding. Deze ZVL was al aanwezig toen het windpark is aangelegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BVIDM03-VG01_0009.png"

Figuur 3.4 Aanwezige windturbines Windpark Koegorspolder, 2 MW (Bron: WindStats/Blifinger/Tebodin)

Voor een windturbine kunnen een 4 faalscenario's maatgevend zijn met betrekking tot de impact op ondergrondse leidingen:

  • Gondelafworp - het naar beneden vallen van de gondel;
  • mastbreuk - het omvallen van de toren inclusief gondel;
  • bladafworp bij nominaal toerental - het afvallen/wegschieten van een rotorblad;
  • bladafworp bij overtoeren - het afvallen/wegschieten van een rotorblad.

Elk faalscenario heeft zijn eigen invloedsgebied afhankelijk van het type windturbine.

Voor de twee omcirkelde windturbines in figuur 3.4 valt de leiding binnen het invloedsgebied, waarbij zowel de scenario’s mastbreuk als bladafworp bij nominaal toerental de leiding kunnen beschadigen. Ter hoogte van de windturbine blauw en windturbine groen is zijn PR 10-6 contouren zichtbaar. De PR 10-6 contouren liggen op circa 42 meter afstand van de leiding. Binnen deze contouren zijn geen kwetsbare objecten aanwezig of geprojecteerd. Daarmee wordt voldaan aan het Bevb.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BVIDM03-VG01_0010.png"

Figuur 3.5 PR waterstof bij windturbine blauw (Bron: Blifinger/Tebodin)

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BVIDM03-VG01_0011.png"

Figuur 3.6 PR waterstof bij windturbine blauw (Bron: Blifinger/Tebodin)

3.5 Watertoets

Het projectgebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Scheldestromen, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is het aanmeldformulier van het waterschap voor de watertoets ingevuld (zie bijlage 3). Dit aanmeldformulier wordt voorgelegd aan het waterschap.

Toetsing en conclusie

Er bevinden zich geen oppervlaktewateren en waterkeringen in het plangebied. Daarmee zijn effecten op oppervlaktewateren of waterkeringen niet te verwachten. Daarnaast worden ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van het oppervlakte- en grondwater duurzame, niet-uitloogbare materialen gebruikt, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling op het watersysteem ter plaatse kunnen daarmee worden uitgesloten.

3.6 Bodemkwaliteit

Toetsingskader

In het kader van de voorgenomen wijziging van de beheersverordening dient te worden onderbouwd of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem een belemmering kan vormen voor de realisatie van het voorgenomen plan. Daarvoor is de Bodemkwaliteitskaart Gemeente Terneuzen Actualisatie 2015 geraadpleegd. Deze kaart is op basis van het zogenoemde generieke (= landelijke) beleid vastgesteld.

Toetsingskader

Het grondgebied van de gemeente Terneuzen is (op basis van statistische bewerkingen en interpretatie van het ruimtelijke patroon van waarnemingen) ingedeeld in de verschillende zones waarin onderscheid wordt gemaakt in Kwaliteitsklasse Bovengrond en Kwaliteitsklasse Ondergrond. Voor ruim 3% van het gemeentelijk oppervlak is geen gemiddelde kwaliteitsklasse vastgesteld. Dit betreft met name enkele grote provinciale inrichtingen (Dow Benelux, Heros, Yara), kleine bedrijfsterreinen met (vrijwel) geen gegevens en stortplaatsen.

Bodemonderzoek is noodzakelijk wanneer onvoldoende (historische) informatie beschikbaar is aangaande de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater. Dit is onder meer van belang bij graafwerkzaamheden in de grond, afvoer van grond of wanneer door een eventuele verontreiniging kans op beschadiging van kabels en leidingen bestaat. Aangezien er voor de planlocatie onvoldoende informatie beschikbaar is aangaande de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd.

Toetsing en conclusie

In opdracht van SGS Roos+Bijl is op 29 oktober 2021 een verkennend bodem- en asbestonderzoek door SGS Search Ingenieursbureau B.V. Het onderzoek is toegevoegd in bijlage 4. Het volgende is geconcludeerd:

Milieuhygiënische situatie grond en grondwater

De bovengrond is sterk verontreinigd met zink en licht verontreinigd met PCB, koper, molybdeen, kwik, lood en minerale olie (boring 107, MM3). Daarnaast is bovengrond sterk verontreinigd is met koper, matig verontreinigd met zink en lood en licht verontreinigd met PCB, nikkel en molybdeen(boring 108, MM2). De zintuiglijk schone bovengrond is licht verontreinigd met minerale olie. De ondergrond is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters. In het grondwater zijn licht verhoogde gehaltes aan barium, cis + trans-1,2-dichlooretheen en vinylchloride gemeten.

Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese 'verdachte locatie' juist is. De resultaten van de analyses wijzen op de mogelijke aanwezigheid van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Om inzicht te krijgen in de omvang van de verontreiniging met zink en koper dient een nader onderzoek conform de NTA 5755 uitgevoerd te worden. Met het nader onderzoek wordt inzicht verkregen in de omvang van de verontreiniging; indien de omvang > 25 m3 is ontstaat een saneringsplicht. Voor de aantroffen gehalte is de veiligheidsklasse bepaald conform de CROW400, waarbij en geen sprake is van een veiligheidsklasse. Graafwerkzaamheden in de verontreinigde grond kunnen worden uitgevoerd onder basishygiëne.

Omdat het leidingtracé deels een geval van ernstige bodemverontreiniging doorsnijdt, is hier een BUS-melding gedaan bij het bevoegd gezag, zijnde de provincie Zeeland.

Asbest

Asbesthoudende materialen op het maaiveld

Uit de visuele inspectie blijkt dat op het maaiveld zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen.

Asbesthoudende materialen in de bodem

Uit de visuele inspectie van het vrijgekomen bodemmateriaal blijkt dat zintuiglijk wel asbestverdacht materiaal in de bodem is aangetroffen. Uit toetsing van de analyseresultaten wordt geconcludeerd dat het gehalte aan asbest in de bodem kleiner is dan 50 mg/kg d.s. Hierdoor is er geen nader onderzoek noodzakelijk.

Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese 'onverdachte locatie' juist is. Op de locatie is geen asbest aangetroffen waardoor de locatie onverdacht is op het voorkomen van een bodemverontreiniging met asbest. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het huidig en toekomstig gebruik van de locatie.

Nader bodemonderzoek

In november 2021 is een nader bodemonderzoek door SGS search uitgevoerd. Het rapport is toegevoegd in bijlage 5. Het volgende is geconcludeerd.

Milieuhygiënische kwaliteit van de bodem

Tijdens de veldwerkzaamheden is plaatselijk een antropogene bijmenging met bakstenen, plastic en repac in de bovengrond aangetroffen. Dit kan duiden op de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem. Uit de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek blijkt dat in de laag van 0,4 – 0,6 m-mv van

boring A01 (voormalig boring 107) geen verontreinigingen met koper en zink worden waargenomen. De verontreiniging is hiermee verticaal ingekaderd in de laag van 0,0 – 0,4 m-mv.

Bij boring A04, A05, A09 en A12 zijn in de bovengrond nog sterke verontreinigingen met zink aangetroffen. De overige geanalyseerde monsters zijn niet tot hooguit licht verontreinigd met koper en zink. De exacte omvang van de verontreiniging zijn middels het nader bodemonderzoek nog niet volledig in kaart

gebracht.

Er wordt uitgegaan van een historisch geval van bodemverontreiniging. Het terrein is al van voor 1987 onderdeel van een bedrijfsterrein bij de DOW, waarbij op het nu braakliggend terrein bebouwing op de industrielocatie heeft gestaan.

In het verkennend bodemonderzoek is bij boring 108 een sterke verontreiniging met koper waargenomen. In verband met het definitief bekend worden van het tracé zijn hier geen boringen meer geplaatst. Bij de boringen met de sterke zink verontreinigingen worden wel lichte tot matige verontreinigingen met koper aangetroffen.

Met behulp van de resultaten van het nader bodemonderzoek kan gesteld dat worden dat de omvang nog niet volledig in kaart is gebracht, maar een geraamd oppervlakte van minimaal 200 m2 bedraagt. Het geschat volume op basis van de huidige gegevens bedraagt hiermee 80 m3. Er is hiermee sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming.

Van het gepland tracé loopt circa 25 meter door het geval van ernstige bodemverontreinigingen. Uitgaande van een ontgraving met een sleufbreedte van 0,5 m, dient hiermee 5 m3 grond sterk verontreinigde grond tijdelijk uitgeplaatst te worden.

Onderbouwing gevalsafbaking

Bij het verkennend bodemonderzoek is een sterke verontreiniging met koper en zink waargenomen. Voor het nader bodemonderzoek is gefocust op de sterke zink verontreiniging, doordat met het definitieve tracé niet meer in het gebied bij voormalig boring 108 werd gegraven. Bij de boringen uit nader bodemonderzoek is geen sterke verontreiniging met koper meer aangetroffen, maar deze bevindt zich nog wel ter plaatse van voormalig boring 108.

Ernst en spoedeisendheid

Sinds 1 juli 2013 is de gewijzigde circulaire bodemsanering van kracht. Deze stelt dat indien er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging er sprake is van een potentieel risico dat aanleiding geeft tot een vorm van saneren of beheren. In de circulaire bodemsanering wordt uitwerking gegeven aan het milieuhygiënische saneringscriterium. Op basis daarvan wordt bekeken of er sprake is van onaanvaardbare risico’s. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen mens, ecosysteem en verspreiding via het grondwater. Op grond van de resultaten is een risicobepaling uitgevoerd conform de systematiek in de circulaire Bodemsanering, waarbij de ernst en spoedeisend is vastgesteld. Hiervoor is gebruik gemaakt van de geautomatiseerde versie van de systematiek genaamd Sanscrit. Dit programma is geautoriseerd door

het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en het RIVM.

Uitgangspunten

Bij het opstellen van de risicobeoordeling is uitgaan van de volgende punten:

  • Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het betreft een verontreinig van de bovengrond met zink.
  • De verontreiniging bevindt zich op een diepte van circa 0,0 – 0,4 m-mv.
  • Er is geen sprake van uitloging en verspreiding naar het grondwater.
  • Bij het bepalen van de actuele risico's is uitgegaan van het huidige en toekomstige bodemgebruik, namelijk braakliggend.
  • Er is één type bodemgebruik te onderscheiden op de locatie:
    * industrie
  • Bij het bepalen van de actuele risico's is uitgegaan van een worst case-scenario. Hierbij zijn maximaal gemeten concentraties ingevoerd, waarbij ook de resultaten van het voorgaand onderzoek meegenomen zijn (uitsluitend interventiewaarde-overschrijdingen).
  • De maximaal gemeten concentraties zijn:
    * M9: 2.290 mg/kg d.s.
  • Er is uitgegaan van een onbedekt gedeelte van 200 m2.
  • Er is uitgegaan van een humusgehalte van 2% en een lutumgehalte van 2%. Dit is gebaseerd op de gemiddelde gemeten waarden, waarbij een minimum van 2% voor de invoer geldt.

Resultaten

Op basis van de uitgevoerde risicobeoordeling kan met betrekking tot de spoedeisendheid het volgende geconcludeerd worden:

  • Er is geen sprake van humane risico’s;
  • Er is geen sprake van ecologische risico’s;
  • Er is geen sprake van een verspreidingsrisico.

Bij een wijziging van het huidige gebruik of functie kunnen de conclusies veranderen. Aanbevolen wordt de risicobeoordeling bij een wijziging in gebruik of functie opnieuw uit te voeren.

3.7 Niet gesprongen explosieven

Toetsingskader

In een bestemmingsplan dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt, dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven (CE) uit de Tweede Wereldoorlog (WO II).

Toetsing en conclusie

REASeuro is benaderd met de vraag of er informatie bij ze beschikbaar was betreffende NGE's. Uit de door REASeuro opgestelde NGE-risicokaart wordt het beoogde projectgebied niet verdacht op het aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten (voorheen NGE). De NGE-risicokaart is weergegeven in figuur 3.7 en geeft in rood verdachte gebieden weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BVIDM03-VG01_0012.png"

Figuur 3.7 NGE-risicokaart, Verdachte gebieden zijn weergegeven in rood, het gele vierkant geeft het plangebied weer (Bron: REASeuro)

Uit data van REASeuro over historisch vooronderzoek, wordt het plangebied niet verdacht op het aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten. Wanneer er tijdens werkzaamheden toch NGE worden aangetroffen, dienen de genoemde acties in Sectie 6.2 uit bijlage 2 te worden ondernomen.

3.8 Ecologie

Toetsingskader

Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht tot één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden: Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura 2000-gebieden.

Natura 2000-gebieden

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • Gebiedsbescherming
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en
  • de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. In de provincie Zeeland heten deze gebieden dan ook NNZ (Natuurnetwerk Zeeland). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in het beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogen plaatsvinden.

alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;

Soortenbescherming

In het Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;
  • overige soorten.

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van de ruimtelijke onderbouwing moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.

Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zeeland

In de provincie Zeeland worden in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage IV bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos , wezel en woelrat.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

Natura 2000/Natuurbeschermingswet

Het plangebied is geen Natura 2000-gebied. De afstand tot een Natura 2000-gebied bedraagt circa 1.200 meter. Dit betreft de 'Westerschelde & Saeftinghe'. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot deze natuurgebieden kunnen verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Een onderzoek ten aanzien van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door middel van een AERIUS-berekening is niet noodzakelijk voor de aanlegfase. In de gebruiksfase is geen sprake van stikstofemissies vanwege de buisleidingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BVIDM03-VG01_0013.png"

Figuur 3.8 Ligging van het nieuwe tracé (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (Bron: Provincie Zeeland)

Natuurnetwerk Zeeland

Het plangebied ligt niet in een gebied dat is begrensd in het kader van het NNZ. Het dichtstbijzijnde gebied dat deel uitmaakt van het NNZ ligt op ongeveer 100 meter. Dit is het gebied 'dijken binnendijk nieuw'. De geplande activiteit ligt op geruime afstand van het gebied. De aanleg en het gebruik van buisleidingen kan vanwege de afstand en de ligging geen negatief effect hebben op het NNZ.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BVIDM03-VG01_0014.png"

Figuur 3.9 Ligging nieuwe leiding (rode cirkel) ten opzichte van Natuurnetwerk Zeeland (Bron: Provincie Zeeland)

Voor de ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (bijlage 6). De conclusies van deze quickscan worden hierna kort weergegeven:

De onderzoekslocatie kan door kleine marterachtigen en steenmarter worden gebruikt als vaste migratieroute. Een nader onderzoek naar deze soorten, door middel van veldwaarnemingen en wild-camera's, is nodig om vast te stellen dan wel uit te sluiten of de soorten gebruik maken van de onderzoekslocatie, indien binnen kwetsbare periodes wordt gewerkt (kwetsbare periode: februari t/m oktober). Indien buiten kwetsbare periodes wordt gewerkt volstaat het om de werkzaamheden gefaseerd uit te voeren en te werken volgens een ecologisch werkprotocol. Gefaseerd werken houdt in dat de ingrepen niet tegelijkertijd over het gehele tracé uitgevoerd worden. Met andere woorden, dat de ingrepen pas uitgevoerd worden als andere delen van het tracé al gereed zijn. Indien dit niet mogelijk of wenselijk is dient duidelijk te zijn welke functie het gebied heeft voor de betrokken soorten door middel van een nader onderzoek.

De onderzoekslocatie kan door haas en konijn worden gebruikt als vaste rust- en voortplantingsplaatsen. Om te bepalen of er konijnenholen en/of hazenlegers aanwezig zijn op het privéterrein dient er een nadere inspectie plaats te vinden op de aanwezigheid van konijnenholen en hazenlegers. Indien blijkt dat op het privéterrein konijnenholen en/of hazenlegers aanwezig zijn dient een nader onderzoek verricht te worden, om zo vast te stellen dan wel uit te sluiten of de soorten gebruik maken van de konijnenholen en/of hazenlegers. Wanneer uit nadere inspectie blijkt dat er geen konijnenholen en/of hazenlegers zijn aangetroffen op het privéterrein dient er gewerkt te worden buiten de kwetsbare periode (november t/m januari), net zoals bij de kleine marterachtigen en steenmarter.

Voor vleermuizen wordt geadviseerd om vleermuisvriendelijk licht te gebruiken, zo worden foerageergebieden, vliegroutes en verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie niet in hun functie beperkt. Vleermuisvriendelijke verlichting is amberkleurig, de armaturen zijn weggericht van de bomen en de verlichting is zo min mogelijk diffuus.

Met betrekking tot algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht waarbij al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het beschadigen van individuen te voorkomen. Extra aandacht is vereist bij het vergraven van holen en het verwijderen van opgeslagen materialen. Aantoonbaar werken conform de zorgplicht kan gebeuren door te handelen middels een op maat gemaakt ecologisch werkprotocol.

Nadere inspectie konijnenholen en hazenlegers

In november 2021 is een nadere inspectie naar konijnenholen en hazenlegers uitgevoerd. De memo is toegevoegd in bijlage 7. Het volgende is geconcludeerd.

Tijdens de inspectie heeft een ecoloog de vegetatie en de bodem gecontroleerd op konijnenholen en hazenlegers. Hazenlegers waren op het moment van de inspectie niet aan te tonen, in verband met het gemaaide terrein. Tijdens deze inspectie zijn geen konijnenholen en/of hazenlegers waargenomen, ook zijn geen beschermde soorten en sporen van beschermde soorten aangetroffen. Tijdens de inspectie zijn enkel een aantal eksters, vinken en een houtsnip aangetroffen.

De zuidelijke en noordelijke helft van de onderzoekslocatie kan nog wel door kleine marterachtigen en steenmarter worden gebruikt als vaste migratieroute. Een nader onderzoek naar deze soorten, door middel van een wildcamera, is nodig om vast te stellen dan wel uit te sluiten of de soorten gebruik maken van de onderzoekslocatie, indien binnen kwetsbare periodes (februari t/m oktober) wordt gewerkt. Indien buiten kwetsbare periodes (november t/m januari) wordt gewerkt volstaat het om de werkzaamheden gefaseerd uit te voeren en te werken volgens een ecologisch werkprotocol.

Conclusie

Gebiedsbescherming

De locatie ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. De aanpassing van de beheersverordening leidt niet tot negatieve effecten op beschermde gebieden. De Wnb en het beleid van de Provincie Zeeland (NNZ) staan de vaststelling van deze herziening van de beheersverordening niet in de weg.

Soortenbescherming

De voorgenomen ontwikkeling is met inachtneming van de maatregelen niet in strijd met het onderdeel soortenbescherming uit de Wet natuurbescherming. De initiatiefnemer dient zich te houden aan de zorgplicht uit artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming die geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde). De Wnb en het beleid van de Provincie Zeeland staan de ontwikkeling niet in de weg.

3.9 Cultuurhistorie en archeologie

3.9.1 Cultuurhistorie

Beleids-/toetsingskader

In het Bro (artikel 3.6.1. lid 2) is bepaald dat in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving dient te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. In het gemeentelijk beleid wordt ingezet op het behoud van cultuurhistorisch erfgoed.

Toetsing/onderzoek

Voor de toetsing aan het gemeentelijk cultuurhistorisch beleid is de Cultuurhistorische Waardenkaart (februari 2013) van belang. Een fragment van deze kaart is opgenomen in figuur 3.10. Daaruit blijkt dat in het oostelijk deel van het plangebied van de beheersverordening, namelijk aan de Herbert H. Dowweg, een cultuurhistorisch waardevolle boerderij aanwezig is. Deze boerderij, die in gebruik is als communicatiecentrum van chemiebedrijf DOW Benelux, is aangemerkt als Rijksmonument.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BVIDM03-VG01_0015.png"

Figuur 3.10 Fragment Cultuurhistorische Waardenkaart Terneuzen

Volgens de provinciale Kaart Cultuurhistorie Zeeland bevinden zich in het plangebied verder geen monumenten. Wel bevindt zich aan de Nieuw Neuzenweg 1, achter de Westerscheldedijk een boerderij. Het geheel is door de provincie gewaardeerd als 'vergane glorie' en nog weinig waardevol. Verder zijn relicten van dijken aanwezig. Deze zijn in figuur 3.11 met een groene en paasrode lijn aangeduid. De gele lijnen geven tracés aan van dijken en dammen die zijn geslecht of afgegraven. De bestaande Ethyleenleiding kruist een dergelijk tracé.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BVIDM03-VG01_0016.png"

Figuur 3.11 Fragment Kaart Cultuurhistorie Zeeland - Dijken, dammen en wallen (bron: Provincie Zeeland)

Aan de Willemskerkeweg bevindt zich een RijksgrensPaal Steen. Voor het overige zijn in het plangebied van de beheersverordening en in bijzonder op het tracé van de nieuwe leiding geen cultuurhistorische elementen aanwezig.

3.9.2 Archeologie

In de toelichting van de beheersverordening Dow, Mosselbanken, Logistiek Park, 1e wijziging, waterstofgasleiding is het gemeentelijk archeologiebeleid vermeld zoals dat gold in 2018. Als wordt getoetst aan de regeling in de 1ste wijziging , dan blijkt dat de nieuwe leiding niet wordt aangelegd (lees: gegraven op circa 1,2 meter diepte)) in een gebied met een beschermende archeologische regeling. In figuur 3.12 is dit gevisualiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BVIDM03-VG01_0017.png"

Figuur 3.12 Het nieuwe leidingtracé ligt niet in een gebied met archeologische waarden (afbeelding links: verbeelding 1ste wijziging, afbeelding rechts: analoge verbeelding 2de wijziging)

Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat voor de aanleg van de nieuwe leiding uit archeologisch oogpunt geen belemmeringen bestaan. Nader onderzoek is niet vereist.

In het kader van deze 2de wijziging is bezien of in het meest zuidoostelijke deel van de beheersverordening (zie geel omrand gebied in figuur 3.13) de verbeelding aanpassing behoeft in verband met de aanwezigheid van een dijk en de daarmee verband houdende archeologische waarden. Dat blijkt niet het geval te zijn. Als de vrijstellingenkaart 2017 wordt geprojecteerd onder de verbeelding van de verordening dan blijkt dat de archeologische waarden vallen buiten het gebied van de beheersverordening. Dit is weergegeven in figuur 3.13.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BVIDM03-VG01_0018.png" Figuur 3.13 Het gebied dat nader is getoetst aan de vrijstellingenkaart archeologie 2017


afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BVIDM03-VG01_0019.jpg"

Figuur 3.14 De vrijstellingenkaart met hoge archeologische verwachting (rood) geprojecteerd over de analoge verbeelding van de 2de wijziging van de beheersverordening

3.10 Financiële aspecten

3.10.1 Economische uitvoerbaarheid

De aanleg van de leiding wordt aanbesteed door initiatiefnemer. Initiatiefnemer kan de kosten voor de aanleg uit eigen middelen financieren. De economische uitvoerbaarheid is daarmee afdoende geborgd. Voor wat betreft eventuele planschade die derden kunnen ondervinden als gevolg van de aanleg en aanwezigheid van de nieuwe leiding zal initiatiefnemer een standaardovereenkomst met de gemeente afsluiten. Daarnaast zal initiatiefnemer met de zakelijk gerechtigden zo nodig een schadevergoedingsregeling treffen.

3.10.2 Grondexploitatie

In het besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn regels opgenomen over de grondexploitatie. Deze regels verplichten tot kostenverhaal door de gemeente als een bouwplan zoals aangegeven in artikel 6.2.1 Bro wordt mogelijk gemaakt. De ombouw en aanleg van een leiding worden echter niet als dergelijke bouwplan aangemerkt. Op grond van het Bro behoeft daarom geen anterieure overeenkomst of exploitatieplan te worden opgesteld.

Hoofdstuk 4 Resultaten overleg

PM Later toevoegen