direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Kom Philippine, herziening Meerpaalstraat 3
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0715.BPPHP05-VG99

Toelichting

Hoofdstuk 1 Aanleiding en doel bestemmingsplan

1.1 Aanleiding en doel bestemmingsplan

Aan de Meerpaalstraat 3 in Philippine bevindt zich een voormalig schoolgebouw/jeugdhonk. Dit gebouw staat op dit moment leeg. De gemeente is voornemens het gebouw te verkopen zodat er kan worden gewoond. Het gebouw heeft in het bestemmingsplan Kom Philippine (vastgesteld 11 september 2008) de bestemming Maatschappelijke doeleinden. Om het gebruik als woning mogelijk te maken, heeft het gemeentebestuur besloten om het bestemmingsplan te herzien.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPPHP05-VG99_0001.jpg"

Figuur 1.1. Globale ligging plangebied

1.2 Opzet plantoelichting

De opbouw van de toelichting op dit bestemmingsplan is als volgt.

  • In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en de ontwikkeling toegelicht.
  • In hoofdstuk 3 wordt de beoogde functiewijziging getoetst aan het relevante beleidskader, de ruimtelijke, planologische en milieuaspecten en wordt aangegeven op welke wijze de functiewijziging planologisch-juridisch in dit bestemmingsplan is geregeld.
  • In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de financiële uitvoerbaarheid van de ontwikkeling en op de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Het schoolgebouw ligt in de zuidelijke kernrand van Philippine. Het langgerekte gebouw is dicht op de Meerpaalstraat gebouwd. Deze straat heeft een smal profiel en loopt aan de westzijde van het gebouw dood. Tegenover het gebouw, aan de noordzijde van de straat, bevinden zich achtererven bij de woningen aan de Rozemarijnstraat. De entree van het gebouw is aan de oostelijke kops kant van het gebouw. Hier is ook een klein parkeerterrein aanwezig met 7 parkeerplaatsen. Dit parkeerterrein hoort bij het schoolgebouw maar wordt niet mee verkocht.

Het voormalige speelterrein is een smalle strook aan de zuidkant van het gebouw, tegen het agrarisch buitengebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPPHP05-VG99_0002.png"

Figuur 2.1. Het voormalig schoolgebouw (foto: google)

Direct ten westen van het parkeerterrein is een constructiebedrijf gevestigd. Het bedrijf beschikt over een bedrijfsloods eveneens aan de Meerpaalstraat. De loods is van twee zijden toegankelijk voor bedrijfsverkeer, zowel vanaf de Meerpaalstraat als de zuidzijde, via de hoofdentree van het bedrijf aan de Posthoornstraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPPHP05-VG99_0003.jpg"

Figuur 2.2. Zicht op het aangrenzende parkeerterrein en het staalconstructiebedrijf (foto: google)

2.2 Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie wordt het voormalige schoolgebouw in gebruik genomen als 1 woning. Een klein deel van het gebouw (aan de oostzijde) wordt aangewend als kantoor of bedrijf aan huis of als praktijk. De nieuwe functies zullen plaats vinden binnen de bestaande bebouwing. Hierdoor zal er geen bebouwing worden gesloopt of toegevoegd.

De voormalige speelplaats gaat ook bij de nieuwe woonfunctie behoren en zal hoofdzakelijk als tuin worden gebruikt.

Hiermee verandert aan het uiterlijk en de uitstraling van het pand nagenoeg niets. De delen van het plangebied die als tuin worden gebruikt krijgen wellicht een andere verschijningsvorm naar gelang de wens van de nieuwe bewoners.

Het toevoegen van een woonfunctie op deze locatie ligt planologisch voor de hand gezien de aanwezigheid van de woonfuncties in de directe omgeving. Het aan huis verbonden bedrijf annex kantoor annex praktijkruimte is een functie die goed past binnen de woonomgeving en levert geen hinder op voor de omwonenden.

Het parkeerterrein wordt onttrokken aan de maatschappelijke bestemming, blijft openbaar en krijgt daarom een verkeersbestemming.

2.3 Planologische verantwoording

De beoogde functiewijziging van de school in een woning is planologisch gewenst. Het geeft invulling aan het streven van de overheid naar een duurzame verstedelijking (zuinig ruimte gebruik), dat is vastgelegd in artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

De functiewijziging heeft geen ruimtelijke of stedenbouwkundige gevolgen. Het schoolgebouw wordt niet uitgebreid of ingrijpend verbouwd. Het bijbehorende parkeerterrein krijgt een openbare functie.

De functiewijziging past binnen het ruimtelijk beleidskader van de provincie en de gemeente (zie hoofdstuk 3) en er zijn geen onoverkomelijke milieubelemmeringen voor de beoogde ontwikkeling (zie hoofdstuk 4). De ontwikkeling is financieel uitvoerbaar.

Hoofdstuk 3 Toetsing aan beleid

3.1 Inleiding

Een nagenoeg volledig overzicht van de beleidsplannen en regelgeving dat voor het plangebied van toepassing is, is te vinden op de website www.ruimtelijkeplannen.nl. Op basis van een 1e verkenning blijkt dat veel van deze plannen of regelingen toch geen betrekking hebben op het plangebied of ze zijn op voorhand niet relevant of niet gedetailleerd genoeg voor het beoordelen van het voorgenomen initiatief.

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het beleid dat vooral ruimtelijk en planologisch relevant is. Op verschillende beleidsterreinen, vooral met betrekking tot milieu, is daarnaast sectorale wet- en regelgeving van toepassing. De vermelding van dat toetsingskader en de toetsing daaraan is opgenomen in hoofdstuk 4 van deze plantoelichting.

3.2 Rijks- en provinciaal beleid

De ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt is dusdanig beperkt van omvang, dat er geen specifiek rijks- of provinciaal beleid voor is.

Het relevante ruimtelijk provinciaal beleid is vastgelegd in het Omgevingsplan Zeeland 2012 – 2018 en de Provinciale Ruimtelijke verordening Zeeland (PRVZ). Daarin is aangegeven dat een duidelijke scheiding van woonkernen (dorpen en steden) en landelijk gebied wordt nagestreefd. Hoofddoelstellingen van provinciaal beleid zijn: zorgvuldig ruimtegebruik, herstructurering van bebouwde terreinen / gebieden en bundeling van functies.

Het plangebied van dit bestemmingsplan ligt binnen de bebouwde kom van Philippine, waarbinnen stedelijke ontwikkelingen worden toegestaan. In verband hiermee is in artikel 2.0 van de PRVZ een afwegingskader vastgelegd. Het gaat hier om de zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Essentie van deze bepaling is dat bij een voorgenomen stedelijke ontwikkeling steeds sprake moet zijn van een aantoonbare regionale behoefte en dat er een voorkeursvolgorde geldt: eerst ruimte binnen bestaand bebouwd gebied en bestaande infrastructuur benutten en pas als dat niet mogelijk is, voorzien in de behoefte op locaties die met verschillende middelen van vervoer zijn of worden ontsloten.

De beoogde ontwikkeling betreft functiewijziging van een leegstand pand. Hiermee wordt verdere verpaupering voorkomen en wordt voorzien in een actuele behoefte. Geconcludeerd wordt dat sprake is van duurzame verstedelijking.

In de brief van 17 december 2013 heeft het college van Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland opgemerkt dat het toevoegen van woningen in beeldbepalende panden in centra van steden en dorpen erg belangrijk is voor de ruimtelijke kwaliteit en de leefbaarheid. Om die reden is het mogelijk om nieuwe initiatieven waarbij dergelijke panden herontwikkeld worden door toevoeging van woningbouw los te zien van de regionale woningmarktafspraken. Hierdoor worden dergelijke initiatieven niet belemmerd in hun voortgang.

De voormalige school betreft bovendien een cultuurhistorisch waardevol pand: het is aangemerkt als zogenoemd MIP-object (nr. 4779). De voormalige school is als MIP-object aangemerkt in verband met de functie, het architectonische beeld en de waardevolle, karakteristieke elementen. De overheid wenst MIP-objecten zoveel mogelijk te behouden. Een herontwikkeling van het voorliggende MIP-object in de vorm van één woning, waarmee het MIP-object behouden kan worden is zodoende passend binnen het beleid. In Philippine is in het kader van kwaliteitsverbetering verder sloop van een aantal woningen voorzien. Het omzetten van de huidige maatschappelijke bestemming in een woonbestemming past zodoende ook goed in de kwantitatieve opgave, zoals vastgelegd in de regionale Woningmarktafspraken. De woning als zodanig is nog niet kwantitatief opgenomen binnen de Woningmarktafspraken. Echter. De functieverandering van de school voorziet wel in de uitvoering van zowel het provinciaal als het gemeentelijk beleidskader: voorkomen van leegstand. Beide partijen dragen ervoor zorg dat bij de volgende actualisatie van de Woningmarktafspraken de woning wordt meegenomen in de woningbouwplanning.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie gemeente Terneuzen 2025

Analyse

De structuurvisie Terneuzen 2025 (februari 2010) is een visiedocument voor de ontwikkeling van de gemeente Terneuzen voor de lange termijn. De structuurvisie fungeert voor het gemeentebestuur als (ruimtelijk) afwegingskader bij de beoordeling van nieuwe initiatieven. De structuurvisie vormt daarmee een belangrijk kader voor bestemmingsplannen.

Toetsing en conclusie

De Structuurvisie schetst een te verwachten toekomstbeeld anno 2025, rekening houdende met de ontwikkelingen in de economie en in de leefomgevingskwaliteit (wonen, maatschappelijke voorzieningen, recreatie, natuur en water).

De gemeente Terneuzen wenst een veelzijdigheid aan woonmilieus te hebben binnen de gemeentegrenzen. Als gevolg van de afname van de huishoudensgroei in Zeeuws Vlaanderen is het toevoegen van nieuwe woningen geen prioriteit, maar ligt de focus met name op het herstructureren van bestaande woongebieden. Met name vroeg-naoorlogse wijken. Er is in de voorliggende situatie sprake van een bestaand woongebied en een vrijgekomen schoollocatie. Herstructurering / herontwikkeling van deze locatie is passend binnen het beleid.

Op het gebied van kunst en cultuur wenst de gemeente de lokale activiteiten in stand te houden.

Door een nieuwe functie, in dit geval wonen met aan huis verbonden bedrijf of kantoorruimte of een praktijk, in een leegstaand gebouw toe te laten wordt voorkomen dat het pand voor langere tijd leeg komt te staan en daarmee de woonkwaliteit van de omgeving negatief beïnvloedt. De aanwezigheid van de aan huis verbonden functie in een woonbuurt levert een functie op die bijdraagt aan een gevarieerde woonomgeving en voor wat betreft de schaal passend in binnen de kern Philippine.

3.3.2 Bestemmingsplan Kom Philippine

Het gebouw heeft in het bestemmingsplan Kom Philippine (vastgesteld 11 september 2008) de bestemming Maatschappelijke doeleinden. In dit plan is het plangebied bestemd als 'Maatschappelijk'. Hiermee is alleen het uitoefenen van activiteiten gericht op de educatieve, sociale, medische, maatschappelijke, levensbeschouwelijke en openbare dienstverlening toegestaan. Wonen, atelier en expositieruimte zijn functies die niet binnen deze bestemming mogen.

In onderstaand figuur 3.1 is een uitsnede van de geldende plankaart weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPPHP05-VG99_0004.png"

Figuur 3.1. Uitsnede geldende plankaart

3.4 Conclusie

Het veranderen van de maatschappelijke functie van het voormalige schoolgebouw in een woning met een aan huis verbonden bedrijf, kantoor of praktijkruimte voorkomt dat het pand leeg blijft staan en verloederd. Het initiatief past daarmee in het beleid van het rijk, provincie en gemeente. De strijdigheid van met het bestemmingsplan wordt opgeheven door middel van de voorliggende herziening van het bestemmingsplan.

 

Hoofdstuk 4 Toetsing aan omgevingsaspecten

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk worden de relevante sectorale aspecten behandeld. De aspecten water, bodem, bedrijven en milieuzonering, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, luchtkwaliteit, verkeer en parkeren, kabels en leidingen, externe veiligheid en geluid zijn bekeken. Hiermee zal worden aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

4.2 Water

Beleid

Ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling dient samen met de waterbeheerder een watertoets te worden uitgevoerd. Bij de watertoets gaat het om allerlei waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces waarin de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar overleggen. De waterbeheerder in Zeeland is het Waterschap Scheldestromen. Bij het tot stand komen van deze paragraaf wordt overleg gevoerd met het waterschap. De opmerkingen van het waterschap zijn vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.

Toetsing

Voor de watertoets wordt door het Waterschap Scheldestromen een watertoetstabel gehanteerd, waarin de hiervoor genoemde aspecten zijn verwerkt. De tabel is hierna opgenomen en ingevuld voor de beoogde ontwikkeling.

Thema en water(beheer)doelstelling   Uitwerking  
Waterveiligheid
Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte.  
In de nabije omgeving van het projectgebied zijn geen kern- of beschermingszones van een waterkering aanwezig. De dichtstbijzijnde waterkering bevindt zich aan de andere zijde van Philippine.  
Wateroverlast (vanuit oppervlaktewater)
Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende hoog bouwpeil om inundatie vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Waterberging voldoet aan de capaciteit om 75 liter per m2 verhard oppervlak te kunnen bergen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties.  
De ontwikkeling bestaat uit de functiewijziging van een bestaand gebouw. Ten gevolge van de ontwikkeling zal er geen sprake zijn van de toename van verharding. Ten gevolge van de ontwikkeling is het dan ook niet noodzakelijk om watercompenserende maatregelen te treffen.  
Grondwaterkwantiteit en verdroging
Tegengaan / verhelpen van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en benutten van infiltratie-mogelijkheden.  
De ontwikkeling voorziet niet in het onttrekken van grondwater, en heeft eveneens geen invloed op de infiltratiemogelijkheden.  
Hemel- en afvalwater (inclusief water op straat / overlast)
Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen.
Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten.  
De ontwikkeling kan ten opzichte van de vorige gebruiksfunctie een lichte toename van het afvalwater veroorzaken. Als dit het geval is, dan is de verwachting dat dit niet substantieel zal zijn. Evenals in de huidige situatie wordt het water afgevoerd op de gemeentelijke riolering. Indien mogelijk zal het hemelwater op termijn afgekoppeld worden op het hemelwaterriool.  
Volksgezondheid (water gerelateerd)
Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.  
Dit aspect is niet van toepassing voor deze ontwikkeling.  
Bodemdaling
Voorkomen van maatregelen die (extra) maaivelddalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken.  
De ontwikkeling voorziet niet in nieuwbouw, het aspect bodemdaling is dan ook niet relevant.  
Oppervlaktewaterkwaliteit
Behoud / realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden en zuiveren.  
De ontwikkeling heeft geen effect op de oppervlaktewaterkwaliteit, daar er enkel sprake is van een functiewijziging.  
Grondwaterkwaliteit
Behoud / realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden.  
De ontwikkeling heeft geen effect op de grondwaterkwaliteit, aangezien er enkel sprake is van een functiewijziging.  
Natte natuur
Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur.  
In de directe omgeving is geen natte natuur aanwezig. Bovendien heeft de ontwikkeling geen effect op natuurwaarden, aangezien er enkel sprake is van een functiewijziging.  
Onderhoud oppervlaktewater
Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting.  
In de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig, de ontwikkeling heeft dan ook geen invloed op eventuele werkzaamheden nabij oppervlaktewater.  
Andere belangen waterbeheerder(s)    
Relatie met eigendom waterbeheerder
Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren.  
Dit aspect is niet van toepassing.  
Scheepvaart en/of wegbeheer
Goede bereikbaarheid en in stand houden van veilige vaarwegen en wegen in beheer en onderhoud bij Rijkswaterstaat, de provincie en/of het waterschap.  
Dit aspect wordt behandeld in de verkeersparagraaf.  

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.3 Bodem

Toetsingskader

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient de bodemkwaliteit ter plaatse te worden onderzocht. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Onderzoek

In verband met de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek en nader onderzoek uitgevoerd op de locatie. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 3. De aanwezige geconstateerde verontreiniging is gesaneerd en vormt geen belemmering voor de beoogde functie wonen.

Conclusie

De bodem is geschikt voor de beoogde functie.

4.4 Milieuafstemming bedrijven

4.4.1 Milieuzonering en akoestisch onderzoek

Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de realisatie van woningen nabij bedrijven of visa versa:

  • een acceptabel woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd ter plaatse van de woningen;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de eventueel in de omgeving aanwezige bedrijven/inrichtingen. De bedrijfsvoering van de omliggende bedrijven mag niet onevenredig worden belemmerd.

Voor de toetsing hiervan wordt voor dit plan gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze uitgave is een lijst opgenomen met allerhande activiteiten en bijbehorende richtafstanden die gehanteerd worden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Naarmate de milieubelasting van de activiteiten groter is, wordt uitgegaan van een grotere richtafstand. In geval van een omgevingstype 'gemengd gebied' mag worden uitgegaan van een kleinere richtafstand. De richtafstanden vormen een eerste indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende activiteiten worden gesitueerd. Bouwen binnen de richtafstanden is eveneens aanvaardbaar, indien uit onderzoek blijkt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening waarbij milieuhinder voorkomen wordt.

Onderzoek

Ten oosten van de toekomstige woning is het constructiebedrijf Pieters-Barbé aanwezig. Deze inrichting wordt aangemerkt als een bedrijf uit milieucategorie 3.2 van de VNG publicatie (SBI-nr 251,331.1 op basis van codering 2008). Voor bedrijven uit deze milieucategorie geldt een richtafstand van 100 meter ten opzichte van woningen. Gezien de locatie van de beoogde woning in de kernrand van Philippine, direct naast een staalconstructiebedrijf, kan gesteld worden dat er sprake is van een gemengd gebied. Ten opzichte van een gemengd gebied mag de richtafstand van 100 meter gereduceerd worden tot 50 meter. Het constructiebedrijf ligt op circa 10 meter afstand van de beoogde woning. Aan de richtafstand wordt dan ook niet voldaan. Daarom dient met behulp van een akoestisch onderzoek te worden aangetoond dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.

Door Kraaij Akoestisch Adviesbureau is akoestisch onderzoek verricht naar de geluiduitstraling van het constructiebedrijf (zie bijlage BP.1406.R01). Uit dit onderzoek blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege het staalconstructiebedrijf ten hoogste 43 dB(A) op de noordgevel en 41 dB(A) op de zuidgevel van het voormalig schoolgebouw bedraagt. In het akoestisch onderzoek is ervan uitgegaan dat in het oostelijk deel van het gebouw een werkeenheid, dus een niet geluidgevoelige functie, wordt gerealiseerd. Dat zal planologisch moeten worden vastgelegd. Dat kan door een woonfunctie expliciet uit te sluiten en/of expliciet aan te geven dat het alleen mag worden gebruikt voor een niet geluid-/milieugevoelige functie, zoals een eigen bedrijfje. Op dit moment is de oostgevel geluiddoof.

Aangezien de geluidbelasting lager is dan de richtwaarde uit de VNG-brochure en de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit(Wet milieubeheer), vormt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau geen belemmering voor de functiewijziging.

Uit de geluidmetingen is gebleken dat bij zware hamerwerkzaamheden het maximaal geluidniveau ten hoogste 78 dB(A) op de noordgevel en 76 dB(A) op de zuidgevel van het voormalig schoolgebouw bedraagt. De richtwaarde van 70 dB(A) wordt met 8 dB(A) overschreden. Het woon- en leefklimaat wordt in negatieve zin beïnvloed door deze maximale geluidniveaus.

Deze piekniveaus komen echter alleen voor tussen 07:30 en 16:30 uur (dagperiode) tijdens werkdagen. Om een acceptabel woon- en leefklimaat te waarborgen, worden in overleg met het bedrijf maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit aan de bedrijfsvoering gesteld. In deze voorschriften worden deze piekniveaus voor de dagperiode vastgelegd. Buiten deze periode (in de avond- en nachtperiode) moet aan de grenswaarden worden voldaan. Omdat de pieken uitsluitend in de dagperiode voorkomen en incidenteel van aard zijn, acht de gemeente een acceptabel woon- leefklimaat geborgd. Van een onevenredige beperking van de bedrijfsvoering van het staalconstructiebedrijf is evenmin sprake.

4.4.2 Afstemming op agrarische bedrijfsactiviteiten

Inleiding

De woning grenst aan de zuidzijde aan agrarisch gebied. Dat betekent dat ook een milieubeoordeling moet worden uitgevoerd naar agrarische bedrijfsactiviteiten. Omdat het gaat om onbebouwde gronden die worden gebruikt voor akkerbouw, is het gebruik van bestrijdingsmiddelen van belang.

Driften van bestrijdingsmiddelen

Door de Universiteit van Wageningen is onderzoek uitgevoerd naar de veiligheidszones en verantwoorde afstanden rondom onder andere akkerbouwpercelen als gevolg van bespuitingen met toxische stoffen en de blootstelling hiervan op omstanders en (nieuwe) woningen. Hiervan is het rapport "Beperking driftblootstelling binnen 50 m van perceelgrens bij bespuitingen in de lage boomteelt" opgesteld. De resultaten van het onderzoek zijn vooral van belang bij de beoordeling van nieuwe woningbouwinitiatieven.

In het onderzoek is gekeken naar het effect van driftbeperkende toedieningstechnieken om overschrijding van de AEL-dermaal (opname van schadelijke stoffen in de menselijke huid). Berekeningen zijn uitgevoerd op 5, 10, 20, 30, 40 en 50 meter afstand van de perceelrand en voor een hoogte van 0-3 meter en 3-6 meter.

Indien gebruik wordt gemaakt van de minimaal vereiste driftarme spuittechniek volgens het Lozingenbesluit Open Teelt en Veehouderij (LOTV) (DRT50) dan blijkt uit het onderzoek het volgende.

  • 1. Als er geen sloot aanwezig is langs het landbouwperceel dan is bij neerwaartse bespuitingen van veldgewassen een afstand van minimaal 50 meter tussen bebouwing en perceelrand nodig.
  • 2. Als er op de perceelgrens een windhaag aanwezig is, dan kan voor deze spuittechniek de afstand tot 40 meter worden verkleind voor omstanders (0-3 meter hoogte) maar blijft voor bebouwing minimaal 50 meter (3-6 meter hoogte).
  • 3. De benodigde afstand kan verder worden verkleind of zeker worden gesteld door het gebruik van een dubbele windhaag of een constructie met een vergelijkbare filterende werking op de perceelgrens.
  • 4. Als er een sloot aanwezig is langs het landbouwperceel, dan is de benodigde veiligheidszone 10 meter vanaf de perceelgrens zowel voor omstanders (0-3 meter hoogte) als voor bebouwing (3-6 meter hoogte).

Indien in plaats van een minimaal vereiste driftarme spuittechniek een standaard spuittechniek wordt toegepast en er geen sloot langs het landbouwperceel ligt, dan bedraagt de benodigde veiligheidszone geen 50 meter maar 30 meter vanaf de perceelsgrens.

Onderzoek

De voorgenomen functiewijziging zorgt niet voor een belemmering van het agrarisch gebruik en een acceptabel woon- en leefklimaat is ter plaatse gewaarborgd. Er is weliswaar sprake van een nieuwe woning, maar ook de voormalige school is een milieugevoelige functie. Het voormalige schoolplein grenst direct aan het agrarisch gebied. Dat betekent dat er al beperkingen gelden voor bespuitingen met toxische stoffen. Tussen het voormalige schoolgebouw en het aangrenzend agrarisch perceel is geen open water aanwezig en ook geen windhaag. Een windhaag is ook niet voorzien. Op grond hiervan dienen bij het spuiten een afstand van 30 tot 50 meter afstand te worden aangehouden tot het toekomstig woonperceel.

4.4.3 Conclusie

Door een combinatie van een bouwkundige maatregel (geluiddove gevel), een gebruiksbeperking (geen geluidgevoelig functie in het oostelijk deel van het gebouw) en door maatwerkvoorschriften bij het staalconstructiebedrijf wordt een acceptabel woon- en leefklimaat gewaarborgd en kan de beoogde functiewijziging van het schoolgebouw worden gerealiseerd.

De voorgenomen functiewijziging zorgt niet voor een belemmering van het agrarisch gebruik, aangezien ook de school een milieugevoelige functie. Ter plaatse is een acceptabel woon- en leefklimaat gewaarborgd.

4.5 Ecologie

Regelgeving

In deze paragraaf wordt de ontwikkeling – wat ecologie betreft – getoetst aan de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming) en de Flora- en faunawet (soortbescherming).

Gebiedsbescherming

Toetsing Natuurbeschermingswet 1998 en Ecologische Hoofdstructuur

Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Philippine en vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura-2000. De planlocatie maakt ook geen deel uit van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur. Gebiedsbescherming is daarom niet aan de orde.

Soortenbescherming

Regelgeving

De Flora- en faunawet bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De Flora- en faunawet is in zoverre voor het initiatief van belang, dat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van het initiatief niet in de weg staat.

Onderzoek

Het plangebied bevindt zich niet binnen of in de nabijheid van een beschermd natuurgebied. De ontwikkeling betreft het wijzigen van een maatschappelijke functie naar een woonfunctie. Er vinden dan ook geen fysieke ingrepen plaats. De flora- en faunawet vormt daardoor evenmin een belemmering.

Conclusie

Wat de gebiedsbescherming betreft wordt geconcludeerd dat zowel de Natuurbeschermingswet 1998 als de Ecologische hoofdstructuur geen beletsel vormen voor de ontwikkeling.

Er is geen ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet vereist.

4.6 Archeologie en cultuurhistorie

Regelgeving

Vanuit verschillende overheden is er beleid opgesteld omtrent de bescherming van archeologische waarden en cultuurhistorie. In het Verdrag van Valletta is op Europees niveau de integrale bescherming van archeologisch erfgoed vastgelegd.

Dit vindt zijn vertaling in de Nederlandse wetgeving in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). Deze wet verplicht gemeentes om in het kader van bestemmingsplannen rekening te houden met aanwezige, dan wel te verwachten archeologische waarden.

De Monumentenwet 1988 regelt de wettelijke bescherming van onroerende (rijks)monumenten en door het Rijk aangewezen stads- en dorpsgezichten.

Op provinciaal niveau is het beschermen van archeologische waarden en cultuurhistorische elementen meegenomen in het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018. De gemeente Terneuzen heeft interim archeologie beleid vastgesteld in de nota 'De onderste steen boven?'.

Het vorenstaande beleid is verwoord en vertaald in het bestemmingsplan voor de kern Philippine.

Onderzoek

Archeologie

Omdat het initiatief alleen een functiewijziging met zich mee brengt en verder geen bouwwerkzaamheden of grondverstoringen is archeologisch onderzoek verder niet noodzakelijk.

In het geldende bestemmingsplan is het plangebied aangewezen als archeologisch waardevol gebied. Omdat vooralsnog geen ingrepen in de bodem zijn voorzien, is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Cultuurhistorie

In het bestemmingsplan Kom Philippine is reeds uitvoerig uiteengezet welke waarden in de kern aanwezig zijn; verwezen wordt naar die toelichting. Het plangebied is niet gelegen in, aan of in de zeer directe omgeving van:

  • dijken;
  • rijksgrenspalen/stenen;
  • Staats-Spaanse linies.

Verder geldt het volgende. Het voormalige schoolgebouw is aangeduid als MIP-object (nummer 4779). Het gebouw is aangewezen in verband met de architectuur en karakteristieke details in combinatie met de functie. Herontwikkeling is gericht op het behoud van het pand. De cultuurhistorische waarden zijn daarmee voor de langere termijn veiliggesteld.

Conclusie

Het aspect archeologie en cultuurhistorie staat vaststelling van dit bestemmingsplan niet in de weg.

4.7 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen. De Wm bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name grenswaarde voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang, zie kader.

Maatgevende stoffen langs wegen
Voor luchtkwaliteit als gevolg van wegverkeer is stikstofdioxide (NO2, jaargemiddelde) het meest maatgevend, aangezien deze stof door de invloed van het wegverkeer het snelst een overschrijding van de grenswaarde uit de Wlk veroorzaakt1. Daarnaast zijn ook de concentraties van fijn stof (PM10) van belang. Andere stoffen uit de Wlk hebben een beperkte invloed op de luchtkwaliteit bij wegen en worden daarom bij deze toetsing buiten beschouwing gelaten.  

De grenswaarden van stikstofdioxide en fijn stof zijn in de volgende tabel weergegeven2. De grenswaarden gelden – met enkele uitzonderingen – voor de buitenlucht.

Tabel 4.1. Relevante luchtkwaliteitsnormen

stof   toetsing van   grenswaarde   geldig  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   60 µg/m³   2010 tot en met 2014  
  jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³   vanaf 2015  
fijn stof (PM10)3    jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³   vanaf 11 juni 2011  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³   vanaf 11 juni 2011  

Besluit niet in betekenende mate

In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit is bijvoorbeeld het geval indien een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m3), of indien een project in een specifieke categorie valt (zoals woningbouw met 1 ontsluitingsweg en minder dan 1.500 woningen, of 2 ontsluitingswegen en minder dan 3.000 woningen).

Onderzoek

De beoogde ontwikkeling valt binnen de categorie 'woningbouw minder dan 1.500 woningen'. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen en dat toetsing aan de grenswaarden vanuit de wetgeving niet nodig is.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is op basis van de Monitoringstool luchtkwaliteit in de omgeving van het plangebied in beeld gebracht. Uit de monitoringstool blijkt dat langs de maatgevende wegen in de omgeving van het plangebied aan de normen uit de Wet milieubeheer wordt voldaan. De concentraties stikstofdioxide en fijn stof bedragen maximaal: 21,0 µg/m3 voor stikstofdioxide en 20,0 µg/m3 voor fijn stof. Het 24-uurgemiddelde voor fijnstof wordt maximaal 8 dagen per jaar overschreden. Hiermee wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer, zoals opgenomen in tabel 3.6. Ook wordt opgemerkt dat de luchtkwaliteit in Nederland in de loop der jaren zal verbeteren (onder andere door het gebruik van schonere auto's en geavanceerde technieken).

Conclusie

Er wordt ruimschoots voldaan aan de normen die gelden voor luchtkwaliteit. De Wet milieubeheer staat de uitvoering van de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg. Tevens is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.8 Verkeersaspecten

Verkeer

Philippine is goed ontsloten door de Dijckmeesterweg, de Posthoornweg, de Braakmanweg en de Zandstraat.

Via de Meerpaalstraat is het plangebied direct ontsloten op de Posthoornweg. Hoewel de Meerpaalstraat doodlopend is, is toch sprake van een goede auto- en langzaamverkeersontsluiting: het betreft maar een kort stukje, waardoor dit niet hinderlijk is.

In de nieuwe situatie zal het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied eerder afnemen ten opzichte van het aantal verkeersbewegingen, dat de school genereerde. Zodoende zal ook in de toekomstige situatie sprake zijn van een goede ontsluiting. Het wonen in slechts 1 woning met aan huis verbonden bedrijf of kantoor of praktijkruimte, genereert slechts een beperkte verkeersstroom.

Parkeren

Parkeren ten behoeve van de woonfunctie met het aan huis verbonden bedrijf, kantoor en / of praktijkruimte vindt plaats op het openbare parkeerterrein aan de oostzijde van de school, dat wordt voorzien van een bestemming Verkeersdoeleinden. Het parkeerterrein heeft een capaciteit van 7 parkeerplaatsen. Dit is ruim voldoende: de woonfunctie met aan huis verbonden bedrijf, kantoor of praktijkruimte heeft een parkeervraag van 3 parkeerplaatsen.

Conclusie

Verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde planherziening

4.9 Planologisch relevante leidingen

Binnen het plangebied en in de directe omgeving daarvan zijn geen planologisch relevante leidingen, hoogspanningslijnen, straalpaden of telecomverbindingen aanwezig.

4.10 Externe veiligheid

Toetsingskader

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, spoor of water en door buisleidingen.

In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Onderzoek

Risicovolle inrichtingen

In de omgeving ligt één risicobron, met zijn invloedsgebied over het plangebied. Het betreft de Katoennatie Westerschelde Containerterminal. Daarnaast is er één bedrijf aanwezig die met zijn invloedsgebied (1% letaliteit) reikt tot het plangebied. Dit betreft het pompstation Braakman.

1.Katoennatie Westerschelde Containerterminal

Ten noordoosten van het plangebied op een afstand van ruim 6 km ligt de Westerschelde Containerterminal van Katoennatie. Binnen dit bedrijf vindt op- en overslag plaats van containers, waaronder ook containers met gevaarlijke stoffen.

Plaatsgebonden risico

De plaatsgebonden risicocontouren vallen buiten het plangebied.

Op de risicokaart voor deze inrichting is een invloedsgebied opgenomen. Dit invloedsgebied heeft een afstand van 7.715 m en valt daarmee over het plangebied.

Groepsrisico

De hoogte van het groepsrisico is opgenomen op de risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPPHP05-VG99_0005.jpg"

Gelet op de grote afstand ten opzichte van het plangebied zal het realiseren de woning aan de Meerpaalstraat 3 in de voormalige school, geen onaanvaardbare veranderingen teweegbrengen in het groepsrisico.

2. Pompstation Braakman

Op een afstand van 1.700 m ten noordwesten van het plangebied bevindt zich het Pompstation Braakman. Dit dient ter winning en distributie van water. Voor deze activiteiten zijn twee chloorbleektanks aanwezig binnen de inrichting. Hier worden vloeistoffen opgeslagen die zeer giftige gassen kunnen veroorzaken. Voor de tanks geeft de risicokaart een invloedsgebied (100% letaliteit) van 355 meter. Het plangebied valt hier buiten.

Het invloedsgebied (1% letaliteit) voor een toxische wolk waarbij gewonden vallen is 3.500 meter. Het plangebied is gelegen binnen deze effectafstand.

De ontwikkeling heeft geen (significant) effect op de hoogte van het groepsrisico. Conform het beleid van de gemeente Terneuzen is een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk indien het groepsrisico met minder dan 10% toeneemt. Aangezien dit in deze situatie niet het geval is, is het niet noodzakelijk een verantwoording van het groepsrisico op te stellen.

Vervoer gevaarlijke stoffen

Er is geen sprake is van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor, het water of door buisleidingen.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van de herziening van het bestemmingsplan.

4.11 Wegverkeerslawaai

Toetsingskader

Normstelling

Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg moet worden getoetst indien daarbinnen nieuwe geluidgevoelige functies worden gerealiseerd. De toetsing geschiedt door akoestisch onderzoek.

De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen of buiten stedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting te worden onderbouwd.

De geluidhinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidniveau over een etmaal.

Nieuwe situaties en gemeentelijk beleid

Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidbelasting aan de gevel van geluidgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de uiterste grenswaarde niet te boven gaan. Voor de beoogde binnenstedelijke ontwikkeling geldt een maximaal toelaatbare hogere waarde van 63 dB voor wegverkeerslawaai. De geluidwaarde binnen de geluidgevoelige bestemming (binnenwaarde) dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 33 dB.

Aftrek ex artikel 110g Wgh

Krachtens artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het berekende geluidniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Voor wegen met een maximum snelheid tot 70 km/h geldt een aftrek van 5 dB. Voor wegen met een hogere maximum snelheid geldt een aftrek van 2 dB.

Onderzoek

In de kern Philippine geldt een maximum snelheid van 30 km/uur. De nabijgelegen wegen hebben alle een maximum snelheid van 30 km/uur. De Dijckmeesterweg heeft buiten de bebouwde kom een toegelaten maximum snelheid van 60 km uur.

De wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur hebben geen geluidzone. De Dijckmeesterweg heeft ten aanzien van het wegvak gelegen buiten de bebouwde kom, een geluidzone van 250 m uit de as van de weg; het plangebied valt hier juist binnen. Middels een berekening is voor deze weg de 48 dB contour bepaald. Basis hiervoor is een verkeersintensiteit op deze weg van circa 1.160 mvt/etmaal (bron: Verkeersstromenkaart 2012). Deze intensiteit is opgehoogd naar het prognosejaar 2025 op basis van een autonome verkeersgroei van 1% per jaar. De berekende verkeersintensiteit in het prognosejaar bedraagt circa 1.320 mvt/etmaal. Voor de voertuig- en etmaalverdeling is aangesloten bij de standaardverdeling voor landelijke ontsluitingswegen. Deze invoergegevens zijn terug te vinden in de rekenbladen. Zie hiervoor bijlage 2 .

Op basis van bovenstaande gegevens is voor de Dijckmeesterweg de 48 dB contour bepaald. In de huidige situatie is het gebouw aan de Meerpaalstraat uitgevoerd als één bouwlaag met kap. Daarom is gerekend op de waarneemhoogten 1,5 m en 4,5 m. Uit de berekeningen blijkt dat de 48 dB contour op maximaal 23,20 m uit de as van de Dijckmeesterweg ligt, bij een waarneemhoogte van 4,5 m. De ontwikkeling ligt op veel grotere afstand uit de as van de weg. Zodoende kan gesteld worden dat, ten aanzien van de gezoneerde Dijckmeesterweg, wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde.

Ten aanzien van de niet gezoneerde 30 km/uur-wegen geldt dat de ontwikkeling direct aan de Meerpaalstraat ligt. Deze weg heeft geen doorgaande functie en loopt aan de westzijde dood. De verkeersintensiteit op deze weg zal daardoor zo laag zijn dat deze akoestisch niet relevant is. Ten opzichte van overige 30 km/uur-wegen geldt dat het gebouw te midden van bestaande bebouwing ligt. Voor deze woningen geldt een gunstig woon- en leefklimaat. Logischerwijs kan worden gesteld dat dit tevens geldt voor de nieuw te realiseren woning die binnen onderhavig plan juridisch-planologisch mogelijk worden gemaakt.

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Uitgangspunten

Het bestemmingsplan omvat het wijzigen van een maatschappelijke functie naar een woonfunctie met aan huis verbonden bedrijf, kantoor of atelier en expositieruimte. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • de bestemming 'Maatschappelijk' wordt gewijzigd in 'Wonen'.
  • het bouwvlak wordt strak om de bestaande bebouwing geprojecteerd om verdere uitbreiding van het hoofdgebouw te beperken.
  • de bouwhoogte wordt bepaald aan de hand van de huidige situatie van het gebouw. Hiermee wordt voorkomen dat er een extra bouwlaag gerealiseerd kan worden.
  • de nevenactiviteiten aan huis verbonden bedrijf of kantoor of atelier met expositieruimte worden alleen toegestaan binnen de bestaande bebouwing.
  • de reeds aanwezig bijgebouwen en bouwwerken zullen onder het overgangsrecht worden gehandhaafd.
  • nieuwe bijgebouwen en bouwwerken zijn alleen toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'erf'.
  • er is zoveel mogelijk aangesloten bij de juridische regeling van het geldende bestemmingsplan 'Kom Philippine'.

Gekozen is voor een planherziening. Dat houdt in dat in dit bestemmingsplan alleen die onderdelen worden gewijzigd van het basisplan, die noodzakelijk zijn om de functiewijziging mogelijk te maken. De overige delen van de planregeling van het onderliggende basisplan blijven ongewijzigd.

Leeswijzer juridische regeling

Omdat sprake is van een herziening, is de inhoud van de planregeling in dit bestemmingsplan beknopt.

  • Op de verbeelding en in de toelichting zijn slechts die onderdelen opgenomen, die deel uitmaken van deze herziening.
  • In de regels zijn uitsluitend de bepalingen uit het basisplan die wijzigen dan wel worden aangevuld door onderhavige herziening in de planregels opgenomen.

Voor het inzichtelijk krijgen van de geldende situatie binnen het plangebied is het daarom noodzakelijk om naast deze herziening ook het geldende bestemmingsplan (basisplan) te raadplegen. Alleen dan ontstaat een compleet overzicht van de nieuwe geldende situatie. Nadat deze planherziening in werking is getreden, zal een geconsolideerde versie worden gemaakt van het basisplan en deze herziening zodat de volledige regeling integraal geraadpleegd kan worden.

5.2 Verbeelding

Plangrens

De plangrens is afgestemd op het voornemen en het onderliggende bestemmingsplan. De begrenzing van het plangebied komt overeen met de bestemming 'Maatschappelijk' uit het nu geldende bestemmingsplan.

Bestemmingen en aanduidingen

Op de verbeelding is in de ondergrond de bestaande situatie (bebouwing en kadastrale eigendomsgrenzen) weergegeven. Daarbij is gebruik gemaakt van een zo actueel mogelijk digitaal bestand. Op deze ondergrond zijn vlakken getekend waarin is aangegeven welke bestemming ter plaatse zal gaan gelden. Middels een bouwvlak is de situering van het bestaande gebouw vastgelegd. Door middel van een functieaanduiding is aangegeven welk deel van het plangebied als 'erf' is aangeduid.

5.3 Artikelsgewijze toelichting

5.3.1 Hoofdstuk 1 Regels behorende bij de 4e herziening Kom Philippine

In artikel 1 zijn in verband met de herziening een aantal nieuwe begrippen noodzakelijk. De bestaande begrippen zijn vernummerd. De volgende begrippen zijn toegevoegd:

4. aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waar gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

5. aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

30. dove gevel: een bouwkundige constructie die een ruimte in een gebouw scheidt van de buitenlucht, waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een karakteristieke geluidswering - conform NEN5077 - die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB (ingeval van wegverkeerslawaai) en 35 dB(A) (ingeval van industrielawaai), alsmede een bouwkundige constructie waarin alleen bij wijze van uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits die delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte, zoals omschreven in artikel 1 van de Wet geluidhinder."

34. geluidsgevoelige ruimten:

woningen en andere geluidgevoelige gebouwen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder.

49 praktijkruimte:

een gebouw of een gedeelte daarvan, dat dient voor het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch, medisch, paramedisch, therapeutisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied.

58 vliesgevel: een bouwkundige constructie aangebracht aan de buitenzijde van een gevel van een gebouw met een geluidswerende functie ten behoeve van de betrokken gevel van het gebouw, waarbij de afstand tussen de vliesgevel en de gevel van het gebouw ten minste 0,5 m bedraagt.

Artikel 2 Wijze van meten

In dit artikel is verwezen naar het geldende basisplan 'Kom Philippine'.

5.3.2 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Woondoeleinden

In dit artikel zijn aanvullend op het bestaande artikel woondoeleinden een aantal zaken aanvullend geregeld. Het gaat om de aanduiding 'gemengd', waarmee wordt voorgestaan dat voldaan kan worden aan een goed woon en leefklimaat. Ter plaatse is namelijk alleen een aan huis verbonden bedrijf, kantoor of praktijkruimte toegestaan.

In de bouwregels is aanvullend opgenomen dat voor geluidgevoelige ruimten aan een oostgevel een dove gevel of vliesgevel is voorgeschreven. In de specifieke gebruiksregels is vastgelegd dat ter plaatse van de aanduiding 'gemengd' geen geluidsgevoelige ruimten zijn toegestaan.

Door deze regels mogen in het gedeelte dat wordt aangeduid met 'gemengd' ramen en deuren worden gemaakt die geopend kunnen worden. Dat mag omdat hierin geen geluidsgevoelige ruimten zijn toegestaan. Pas wanneer in het gedeelte 'gemengd' wordt afgebroken, zouden er geluidgevoelige ruimten kunnen grenzen aan een oostgevel. Dan geldt dat in die ruimten het niet is toegestaan om ramen en deuren in de oostgevel te hebben die geopend kunnen worden.

Artikel 4 Overige bestemmingen

De overige artikelen zijn in dit artikel onverkort van toepassing verklaard.

Artikel 5 Waarde - Archeologisch waardevol gebied

De huidige archeologische dubbelbestemming voldoet niet aan de voorwaarden van de digitale standaarden, zoals vastgelegd in de Standaard Vergelijkebare BestemmingsPlannen (SVBP). De inhoud kan echter ongewijzigd blijven. Omwille van de verplichte digitale raadpleegbaarheid wordt daarom een nieuwe dubbelbestemming (artikel 21 Waarde - Archeologisch waardevol gebied) aan de regels toegevoegd, die wel voldoet aan de digitale standaarden. Inhoudelijk is er geen verschil met het bestaande artikel 18.

5.3.3 Hoofdstuk 3 Algemene regels

Als gevolg van het opnemen van een aanvullend artikel 21 Waarde - Archeologisch waardevol gebied worden de bestaande artikelen vernummerd. De regels uit het geldende plan zijn verder onverkort van toepassing verklaard.

5.3.4 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

In dit hoofdstuk is het wettelijk voorgeschreven overgangsrecht (artikel 7) opgenomen. In artikel 8, slotregel is de citeertitel van deze planherziening aangehaald.

Hoofdstuk 6 Financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1 Financiële uitvoerbaarheid

In de Wet ruimtelijke ordening zijn regels opgenomen over de grondexploitatie. Deze regels verplichten tot een kostenverhaal indien nieuwe bouwplannen rechtstreeks mogelijk worden gemaakt door middel van een bestemmingsplan en er voor de gemeente sprake is van verhaalbare kosten (kostensoortenlijst Besluit ruimtelijke ordening (Bro)). In geval van kostenverhaal is een exploitatieplan niet vereist wanneer het kostenverhaal anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld door het sluiten van overeenkomsten van grondexploitatie met alle eigenaren in het exploitatiegebied, waar bouwmogelijkheden gerealiseerd kunnen worden of volledig grondeigendom).

In een bestemmingsplan is sprake van kostenverhaal (6.2.3. tot en met 6.2.5. Bro) als een bouwplan (6.2.1 Bro) wordt mogelijk gemaakt. De wetgever heeft de volgende verschillende bouwplannen vastgelegd:

  • bouw een of meer andere hoofdgebouwen;
  • uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² of met één of meer woningen;
  • de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;
  • de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;
  • de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte.

In onderhavige situatie is dus geen sprake van een bouwplan. Voorliggend bestemmingsplan strekt tot doel de wijziging van de maatschappelijke functie in een woonfunctie, ten einde het gemeentelijk maatschappelijk vastgoed te kunnen verkopen. Het initiatief brengt voor de gemeente Terneuzen geen financieel-economische risico's met zich mee. Hierdoor is aangetoond dat het plan financieel uitvoerbaar is.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Overleg

In artikel 3.1.6. van het Bro is tevens bepaald dat in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving moet worden opgenomen van de wijze waarop maatschappelijke organisaties en burgers bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. De verplichting om tijdens de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met instanties die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn is vastgelegd in artikel 3.1.1 van het Bro.

Het conceptontwerp van de herziening is toegezonden aan de overlegpartners.

Provincie

De provincie heeft per e-mail aangegeven dat de brief van 17 december 2013 van de provincie in de toelichting vermeld dient te worden. De aanbevelingen van de provincie in deze brief en hoe daarnaar te handelen is verwerkt in paragraaf 3.2. Opgemerkt is verder dat het pand in zijn geheel is aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol pand. De gemeente is van mening dat het voorliggende plan voldoende rekening houdt met deze cultuurhistorische kwaliteiten. Nu in het geldende bestemmingsplan geen noodzaak is gebleken voor een regeling, ziet de gemeente geen noodzaak alsnog te voorzien in een regeling.

Waterschap

Het waterschap heeft ingestemd met de ontwikkeling.

6.2.2 Procedure

Het ontwerp van de herziening van het bestemmingsplan heeft zes weken ter inzage gelegen (van 14 augustus tot en met 24 september 2014). Er zijn geen zienswijzen ingediend. De provincie Zeeland heeft per e-mailbericht van 12 september als volgt gereageerd.

Het ontwerpbestemmingsplan geeft geen aanleiding voor het indienen van een zienswijze. Op twee punten is een verzoek ingediend om het bestemmingsplan aan te vullen.

In de toelichting wordt aanbevolen op te nemen dat de woning momenteel nog geen deel uitmaakt van de Woningmarktafspraken. Aangezien een gezamenlijk doel - voorkomen van leegstand - wordt nagestreefd - wordt verzocht de woning bij de eerstvolgende actualisatie van deze Woningmarktafspraken mee te nemen.

De aanbeveling is overgenomen in paragraaf 3.2.

Artikel 5 is een aanvulling van de regels uit het moederplan ten aanzien van de archeologische waarden, zodat deze aan eisen voor digitale plannen voldoen en wordt in het moederplan Kom Philippine opgenomen als Artikel 20. Op grond van Artikel 20.1.1b wordt een archeologisch rijksmonument planologisch beschermd. Dit is niet toegestaan. Archeologische rijksmonumenten zijn al beschermd op grond van de Monumentenwet 1988 en mogen daarnaast niet ook nog een planologische bescherming krijgen. De provincie constateert dat dit een overbodige regel lijkt te zijn, aangezien er (ook in het moederplan Kom Philippine) helemaal geen archeologische rijksmonumenten aanwezig zijn en geeft in overweging de toevoeging van de regel, die bovendien niet wordt toegelicht, buiten het plan te laten.

Het bestemmingsplan ziet niet toe op een actualisering van het archeologisch artikel. Enkel in verband met technische aspecten is het artikel opgenomen. Erkend wordt dat in het artikel overbodig de bescherming van een archeologisch monument is geregeld. Gemeente is echter van menig dat een gewijzigde vaststelling van dit voorliggende bestemmingsplan een te zwaar middel is, te meer daar er nu geen juridisch-planologische rechtsgevolgen aan verbonden zijn. Bij de eerstvolgende algehele actualisering van Kom Philippine zal het archeologisch artikel worden aangepast.