| Plan: | Hoek, Windlust II |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0715.BPHK02-VG01 |
Een aantal maatschappelijke voorzieningen in Hoek voldoet niet meer aan de huidige eisen. Het gaat om een verzorgingstehuis, de bibliotheek, een welzijnsaccommodatie, basisschool De Driesprong, kindercentrum Hoek, een gymzaal en het dorpshuis. Uit efficiëntie en duurzaamheidsoverwegingen is een multifunctionele accommodatie beoogd waarin de maatschappelijke voorzieningen gehuisvest worden. Ter vervanging van het verzorgingstehuis is een nieuwe zorgwijk met 64 eenheden en enkele zorgfuncties beoogd vanuit de gedachte dat ouderen zo lang mogelijk zelfstandig thuis kunnen blijven wonen.
Concentratie van zorgwoningen, zorgvoorzieningen, MFA (multifunctionele accommodatie) met een sporthal, een speelkooi en reguliere woningen is binnen de kern Hoek niet mogelijk. Om die reden is gezocht naar een passende locatie. Het gaat om de agrarische gronden aan de westzijde van Hoek direct grenzend aan woonwijk Windlust I, een volkstuincomplex en de begraafplaats. De volkstuinen worden opnieuw ingedeeld om plaats te maken voor de ontsluiting en enkele zorgwoningen. In de nieuwe buurt is tot slot plaats voor 12 grondgebonden woningen.
Deze totale ontwikkeling, genaamd Windlust II, past niet binnen het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied' (vastgesteld 15 juni 2013). Er is een nieuwe planologische regeling nodig. Dit (postzegel)bestemmingsplan voorziet hierin.
Het plangebied ligt aan de westkant van Hoek en bestaat uit de volgende kadastrale percelen:
Afbeelding 1 | Luchtfoto met plangrens (bron: PDOK. bewerking Juust)
Het doel van dit bestemmingsplan is de voorgenomen ontwikkeling planologisch mogelijk te maken. Het vaststellen van dit bestemmingsplan vormt de basis om met één of meer omgevingsvergunningen de uitvoering van het plan mogelijk te maken.
Dit bestemmingsplan bestaat uit deze toelichting, regels en een verbeelding. Deze toelichting bestaat naast dit inleidende hoofdstuk uit vier hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt het initiatief toegelicht en de daarbij horende juridische regeling. Hoofdstuk 3 beschrijft het geldende beleidskader. Vervolgens worden in hoofdstuk 4 de verschillende omgevingsaspecten beoordeeld. In hoofdstuk 5 wordt tot slot de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven.
Het plangebied bestaat uit grotendeels agrarische gronden ten westen van Hoek. In het zuiden van het plangebied liggen enkele volkstuinen (zie afbeelding 2). Aan de oostkant grenst het plangebied aan de woonwijk Windlust I. Dit zijn woningen uit de jaren 2000. Langs het plangebied loopt een route van Wandelnetwerk Zeeland. Rond het plangebied zijn tevens watergangen gelegen.
Afbeelding 2 | Huidige situatie plangebied vanaf Koudepolderstraat (bron: Google Maps)
In Hoek zijn de diverse maatschappelijke functies verspreid over de kern. Een aantal maatschappelijke voorzieningen in Hoek voldoet niet meer aan de huidige eisen. Het gaat om de volgende voorzieningen:
Uit efficiëntie en duurzaamheidsoverwegingen is een multifunctionele accommodatie (MFA) beoogd (zie afbeelding 3). De huidige gebouwen met een maatschappelijke functie in de kern die leeg komen te staan, worden gesloopt. De MFA bestaat uit een basisschool (1.006 m²), gymzaal/sporthal (512 m²), schoolterrein incl. schoolplein en speelkooi (1.200 m²), kinderopvang en bibliotheek (495 m²), welzijnsaccommodatie/dorpshuis (464 m²) en een zorgfunctie voor ZorgSaam (120 m²). De MFA krijgt een totale oppervlakte van afgerond 3.800 m². De MFA is gelegen in het noordwesten van het plangebied. Bij de MFA wordt een speelkooi gerealiseerd. Het betreft een verplaatsing van de speelkooi bij het dorpshuis. In de nieuwe situatie is ruimte voor een grotere speelkooi die voorziet in de behoefte aan een ontmoetingsplek voor jeugd en een plek die geschikt is voor oudere jeugd (12-18 jaar) om te spelen en bewegen.
Ter vervanging van het verzorgingstehuis is een nieuwe zorgwijk noodzakelijk. Het is gewenst om dit op basis van het concept dat ouderen zo lang mogelijk zelfstandig thuis kunnen blijven wonen te realiseren. In totaal worden 64 zorgwoningen gerealiseerd. ZorgSaam ontwikkelt deze zorgwoningen. Deze zijn voorzien in het midden van het plangebied door middel van 2 gebouwen van 2 bouwlagen. Elk gebouw heeft 26 appartementen. De hoven openen zich naar elkaar richting de centrale groene ruimte. De hoven hebben ieder een gezamenlijke ruimte voor bomen en ander groen.
Naast de zorgwoningen heeft ZorgSaam binnen de zorgwijk behoefte aan ongeveer 250 m² ten behoeve van (zorg-)ondersteunende functies, zoals fysiotherapie etc. Het meest westelijk gelegen gebouw in de zorgwijk krijgt een maximale bouwhoogte van 3 bouwlagen waarbinnen 26 woningen en de genoemde 250 m² aan ondersteunende functies gerealiseerd kunnen worden.
In het zuiden van het plangebied, ten noorden van de volkstuinen, is een appartementengebouw beoogd van 3 bouwlagen. Hier kunnen 12 appartementen worden gerealiseerd. Tussen de zorgwoningen en de MFA/regulier woningen is in het verlengde van de Windlustlaan een langzaamverkeerroute en een nieuwe watergang voorzien.
Afbeelding 3 | Indicatieve schets toekomstige situatie plangebied (bron: gemeente Terneuzen)
Binnen het plangebied is ruimte voor maximaal 12 reguliere grondgebonden woningen. Deze woningen zijn beoogd in het noordoosten van het plangebied, gelegen tegen Windlust I. Verder worden de volkstuinen opnieuw ingedeeld om plaats te maken voor de ontsluiting en enkele zorgwoningen.
Voor de ontsluiting van de wijk Windlust II is door de gemeente een verkeerskundige structuur opgesteld. Het plangebied wordt voor gemotoriseerd verkeer ontsloten via de Koudepolderstraat. Binnen het plangebied ligt de ontsluiting hiervan aan de westzijde. Het is een bewuste keuze om geen verbindingen met Windlust I te maken voor gemotoriseerd verkeer maar enkel voor langzaam verkeer en hulpdiensten.
Ter plaatse van het plangebied geldt grotendeels het bestemmingsplan 'Buitengebied' van de gemeente Terneuzen (zie afbeelding 4). Dit bestemmingsplan is op 25 juni 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. De gronden zijn in dit bestemmingsplan bestemd voor 'Agrarisch met waarden - Coulisselandschap en Microrelief'. Deze gronden zijn bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven en behoud, versterking en ontwikkeling van aanwezige natuur, landschaps- en cultuurhistorische waarden.
Afbeelding 4 | Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Buitengebied' (bron: ruimtelijkeplannen.nl, bewerking: Juust)
Voor een klein deel van het plangebied geldt de 'Beheersverordening Hoek' (zie afbeelding 5). Deze is vastgesteld op 3 juli 2018. Het bestaand gebruik, maar ook het toegestane gebruik conform het bestemmingsplan 'Kom Hoek' van 6 maart 2008 is op de locatie mogelijk. De gronden waarop de ontwikkeling is voorzien hebben in het genoemde bestemmingsplan uit 2008 de bestemming 'Groenvoorzieningen', 'Maatschappelijk doeleinden' met de nadere aanduiding 'begraafplaats' en 'Bedrijfsdoeleinden'.
Afbeelding 5 | Uitsnede geldende beheersverordening 'Hoek' (bron: ruimtelijkeplannen.nl, bewerking: Juust)
Verder geldt de facetbeheersverordening 'Wonen Terneuzen' (vastgesteld 12 oktober 2021), facetbestemmingsplan 'Wonen Terneuzen (vastgesteld 1 juli 2021), de facetbeheersverordening 'Parkeren Terneuzen' (vastgesteld 18 maart 2021) en facetbestemmingsplan 'Parkeren Terneuzen (vastgesteld 7 februari 2019).Met de bovengenoemde beheersverordeningen en facetbestemmingsplannen zijn onder andere de begrippen 'Wonen' en 'Huishouden' gestandaardiseerd en een uniforme overkoepelende regeling gemaakt voor het onderwerp parkeren. Deze beheersverordeningen/facetbestemmingsplannen zijn verwerkt in dit bestemmingsplan.
Er is gekozen voor een bestemmingsplan waarin de hoofdstructuur is vastgelegd. Het MFA heeft een ruim bouwvlak met een bebouwingspercentage en bouwhoogte. Voor de (zorg)woningen en appartementen zijn ruime bestemmingsvlakken en bouwvlakken opgenomen. Voor de grondgebonden woningen is een maximum aantal van 12 woningen en de bouwaanduiding 'aaneengebouwd' opgenomen. Door het opnemen van deze bouwaanduiding is het mogelijk om vrijstaand, twee-aaneen of aaneen te bouwen. Voor de zorgwoningen is de functieaanduiding 'zorgwoningen' toegekend. Hier zijn uitsluitend zorgwoningen toegestaan. Omdat er sprake is van extramurale zorg en daarmee 'nagenoeg zelfstandige bewoning' is op basis van jurisprudentie de bestemming 'Wonen' opgenomen. De bouwhoogte en bebouwingspercentage zijn begrensd.
De hoofdontsluitingsroute binnen het plangebied is bestemd als 'Verkeer'. De verbindingen voor langzaam verkeer passen binnen de opgenomen groenbestemming. Binnen deze bestemming is het uitsluitend mogelijk om te parkeren ter plaatse van de specifieke aanduiding voor parkeren. Het realiseren van water is mogelijk binnen de groenbestemming. De volkstuinen hebben de bestemming 'Recreatie' gekregen met de aanduiding 'volkstuin'.
De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' is gebaseerd op basis van het gemeentelijk (interim) archeologiebeleid 'De onderste steen boven?' (zie paragraaf 4.2 Archeologie en cultuurhistorie). De dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie 1' is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied'.
In de Wet ruimtelijke ordening met bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening heeft het bestemmingsplan een belangrijke rol als normstellend instrument voor het ruimtelijk beleid van de gemeente, provincies en het rijk,. In de ministeriële 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening' hierna (Rsro) is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (hierna SVBP 2012) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen, die tot doel heeft om te komen tot een geüniformeerde en gestandaardiseerde opzet van bestemmingsplannen in Nederland. Deze methodiek is onverkort gevolgd. Het bestemmingsplan is daarbij tevens digitaal vervaardigd en is daarom ook digitaal raadpleegbaar via internet.
Naast het feit dat de bestemmingen, aanduidingen en weergave van de verbeelding gestandaardiseerd zijn, vloeit de redactie van de regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti dubbeltelbepaling rechtstreeks voort uit het Besluit ruimtelijke ordening. De beleidsmatige inhoud van het bestemmingsplan is niet gestandaardiseerd. De gemeente behoudt haar vrijheid ten aanzien van de inhoud en vormgeving aangaande de toelichting.
Verbeelding
De verbeelding geeft de bestemmingen weer. Binnen de bestemmingsvlakken kunnen bouwvlakken, bouw-, gebieds-, functie-, en maatvoeringsaanduidingen aangegeven worden, waarbinnen een aantal specifieke bouwregels en functies kunnen worden aangegeven. Deze hebben juridische betekenis, omdat daar in de regels naar wordt verwezen. De topografische ondergrond die gebruikt is als basis voor de verbeelding heeft geen juridische status.
Regels
Algemeen
De regels bevatten bepalingen over het gebruik van de gronden, over de toegelaten bebouwing en bepalingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels zijn, conform de wettelijk verplicht gestelde SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken:
- Hoofdstuk 1 Inleidende regels
- Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
- Hoofdstuk 3 Algemene regels
- Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Inleidende regels
Begripsbepalingen en Wijze van meten
De inleidende regels omvatten de begripsbepalingen en de bepalingen omtrent de wijze van meten. De begripsbepalingen geven de definities over de in de regels gehanteerde begrippen met betrekking tot bouwen en functies. De wijze van meten geeft uitsluitsel over de wijze waarop afstanden, hoogtes, oppervlakte etc. moeten worden gemeten.
Bestemmingsregels
Groen
Een groot deel van het plangebied is bestemd als 'Groen'. Binnen de groenbestemming zijn naast groenvoorzieningen onder andere speelvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en afvalophaalvoorzieningen mogelijk. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - parkeren' zijn tevens parkeervoorzieningen mogelijk. Op de groenbestemming mogen alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd met een bouwhoogte van 3 meter.
Maatschappelijk
Binnen deze bestemming zijn verschillende maatschappelijke voorzieningen toegestaan met onder andere bijbehorende parkeervoorzieningen. Hoofdgebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak worden gebouwd. Het bouwvlak mag voor 35% worden bebouwd. De maximale bouwhoogte van het gebouw is 10 meter.
Recreatie
Ter plaatse van de volkstuinen is de bestemming 'Recreatie' met de aanduiding 'volkstuin' opgenomen. Deze gronden zijn uitsluitend bedoeld voor volkstuinen.
Verkeer
Binnen de verkeersbestemming zijn naast wegen, straten, parkeervoorzieningen, voet- en rijwielpaden ook groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, geluidswallen, markten en standplaatsen mogelijk, inclusief daaraan ondergeschikt voorzieningen van openbaar nut en luifels. Binnen deze bestemming zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan.
Wonen
Binnen deze bestemming is alleen wonen toegestaan met de daarbij behorende voorzieningen. Binnen het bouwvlak mogen uitsluitend woningen worden gerealiseerd. Ter plaatse van de beoogde grondgebonden woningen is de aanduiding 'aaneengebouwd' opgenomen. Hier mag vrijstaand, twee-aaneen of aaneen worden gebouwd. Ter plaatse van de aanduiding 'zorgwoning' zijn uitsluitend zorgwoningen toegestaan. In artikel 1 Begrippen is het begrip zorgwoning nader gedefinieerd. Het maximum aantal (zorg)woningen en de maximum bouwhoogte zijn aangegeven op de verbeelding.
Waarde - Archeologie - 2
Ter bescherming van archeologische waarden is het opnemen van een dubbelbestemming nodig. Hiervoor dient Waarde - Archeologie 2 te worden opgenomen conform het gemeentelijk archeologiebeleid. Dit betekent een onderzoeksverplichting zodra het te verstoren oppervlak meer dan 500 m² bedraagt en lager is dan de vrijstellingsdiepte van 0,5 meter.
Waarde - Cultuurhistorie - 1
Deze bestemming is mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de functionele, cultuurhistorische en landschapswaarde van een molen.
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen, dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijv. ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen.
Algemene bouwregels
Dit artikel bevat een aantal algemene bepalingen ten aanzien van het overschrijden van de bouwgrenzen van verschillende bij gebouwen horende elementen zoals galerijen, afdaken en erkers.
Algemene gebruiksregels
In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van het gebruik van gronden en bouwwerken.
Algemene afwijkingsregels
In deze regels wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij omgevingsvergunning af te wijken van de maximum toegestane bouwhoogte en voor het aanbrengen van wijzigingen in de plaats, richting en/of afmetingen van bouwgrenzen voor zover dit voor een praktische uitvoering van het plan noodzakelijk is.
Algemene wijzigingsregels
In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsregels opgenomen. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met een omgevingsvergunning voor afwijken geregeld kunnen worden, zoals het overschrijden van bestemmingsgrenzen.
Overige regels
In de overige regels is bepaald dat voorzien moet worden in voldoende parkeergelegenheid.
Overgangs- en slotregels
In deze regels is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste is de slotbepaling opgenomen, welke bepaling zowel de titel van het plan als de regels bevat.
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. In de NOVI wordt aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 de langetermijnvisie in beeld gebracht. Het Rijk wil sturen op de nationale belangen. De inzet van het Rijk is samengevat in vier prioriteiten:
Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dit houdt in dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes:
De beleidsdoorwerking van de NOVI vindt plaats door middel van wet- en regelgeving, NOVI-gebieden, Gebiedsagenda's Grote Wateren en de Omgevingsagenda's. Het beleid heeft derhalve geen directe doorwerking voor dit bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan sluit wel aan bij de prioriteit 'Sterke en gezonde steden en regio's.
Besluit ruimtelijke ordening (Bro)
Bij alle ruimtelijke plannen streeft het Rijk naar zorgvuldige afwegingen en heldere besluitvorming. Dit doet het Rijk via het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het Bro is de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen (artikel 3.1.6). De Ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. De Ladder luidt als volgt:
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
In welke gevallen er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is niet concreet vastgelegd. De jurisprudentie geeft op het gebied van woningbouw wel een constante lijn aan. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Voor andere stedelijke ontwikkelingen als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 onder i van het Bro, in de vorm van een terrein is 'in beginsel' geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als het ruimtebeslag minder dan 500 m² bedraagt.
In dit geval is sprake van de ontwikkeling van meer dan 12 woningen. Daarnaast worden diverse maatschappelijke functies verplaatst naar de MFA. De achterblijvende locaties worden niet in dit bestemmingsplan opgenomen. Daarmee is in dit geval sprake van het toevoegen van vierkante meters. Er is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Door Rho Adviseurs is een Laddertoets uitgevoerd (zie Bijlage 1).
Woningbehoefte
Uit de Laddertoets blijkt dat het inwoneraantal de afgelopen jaren nagenoeg stabiel is en het aantal huishoudens in de gemeente en in Hoek is gestegen als gevolg van de gezinsverdunning. De bevolking in Hoek vergrijst. Ondanks dat Hoek de vierde woonkern is van de gemeente, is er relatief weinig gebouwd. Per saldo zijn er iets meer mensen uit Hoek vertrokken naar andere kernen dan andersom. Dit heeft een relatie met het beschikbare woningaanbod (bestaande voorraad en nieuwbouw) en de mate waarin dit aansluit op de behoefte van de woningzoekenden.
Daarnaast is op 6 maart 2023 de Zeeuwse Woondeal gesloten. Het doel is om 16.500 nieuwe woningen in Zeeland te bouwen. De samenwerking van de partijen moet ervoor zorgen dat er sneller en meer betaalbare huur- en koopwoningen komen in Zeeland (zie paragraaf 3.2 Provinciaal beleid). De woondeal is verwerkt in de dashboard 'Ladderruimte' waarin is aangegeven dat er een positieve Ladderruimte is van 846 woningen in de regio Zeeuws-Vlaanderen (zie paragraaf 3.3 Regionaal beleid). De gewenste ontwikkeling past binnen deze Ladderuimte.
Behoefte zorgwonen en MFA
Het bestemmingsplan maakt een MFA en 64 extramurale zorgwoningen mogelijk. Het betreft grotendeels een verplaatsing van functies en eenheden uit de kern Hoek. In Hoek staat een verouderd verzorgingstehuis Vremdieke uit 1969 met 69 intramurale eenheden. Doelstelling is dat mensen zo lang mogelijk zo zelfstandig mogelijk kunnen blijven wonen, met zorg in de buurt. Het verzorgingstehuis voldoet niet aan deze doelstelling. Met het vervangen van 69 intramurale eenheden door 64 extramurale appartementen wordt invulling gegeven aan het beleid en de behoefte aan moderne, zo zelfstandig mogelijke voorzieningen.
Er is in Hoek behoefte aan een MFA ten behoeve van diverse maatschappelijke functies. Het is noodzakelijk om maatschappelijk vastgoed efficiënter te benutten en te beheren en de omschakeling te maken naar hernieuwbare energie. De diverse functies zitten nu verspreid in de kern in veelal verouderde gebouwen. Door diverse functies onder één dak is synergie en efficiënt ruimtegebruik mogelijk.
Buiten bestaand stedelijke gebied
Bij stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied moet worden gemotiveerd waarom niet binnenstedelijk in de behoefte kan worden voorzien. Binnen Hoek is onvoldoende ruimte om in de behoefte aan een zorgwijk en MFA te voorzien. Daarom kiest de gemeente voor beperkte uitbreiding in Hoek. De gebouwen op achterblijvende locaties in de kern worden gesloopt, zodat geen leegstand in maatschappelijk vastgoed ontstaat. De locaties zijn in beeld voor woningbouw. Er is voldoende woningbehoefte in de gemeente en in Hoek zodat het realistisch is dat deze locaties de komende periode ook ingevuld zullen worden. Hiermee is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.
Met het efficiënt benutten van de beoogde uitbreidingslocatie voor (zorg)wonen en maatschappelijke voorzieningen wordt voldaan aan de uitgangspunten van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het rijksbeleid vormt daarmee geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.
Omgevingsvisie Zeeland
In de Omgevingswet worden alle bestaande wetten die te maken hebben op de fysieke leefomgeving samengevoegd. De Provincie Zeeland heeft de Zeeuwse Omgevingsvisie op 21 november 2021 vastgesteld. Deze visie benoemd de vier Zeeuwse ambities voor 2050 voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in de provincie Zeeland. Deze sluiten aan bij de prioriteiten van de NOVI en geven daar een Zeeuwse invulling aan. De Zeeuwse ambities geven richting aan al het provinciale beleid en de uitvoering daarvan. Deze ambities zijn:
Deze vier Zeeuwse ambities vragen om een goede afweging van keuzes, zowel op regionaal als op lokaal niveau. De drie afwegingsprincipes die het Rijk daarvoor heeft bedacht -zoals aangegeven in de NOVI- zijn in de Omgevingsvisie vertaald naar vier afwegingsfactoren. Deze zijn nodig om een zorgvuldige afweging te kunnen maken bij concrete initiatieven en activiteiten in Zeeland. Deze afwegingsfactoren zijn:
De vier ambities zijn algemene strategische ambities met 2050 als horizon. Deze moeten ook richting geven aan beleidsdoelstellingen voor de kortere termijn (2030). In de Omgevingsvisie Zeeland is dan ook het beleid voor de periode tot 2030 vormgegeven. Dit beleid is onderverdeeld in doelen voor 2030, de huidige situatie, acties voor de periode tot 2030 én afwegingsfactoren voor de uitvoering. Er zijn 27 thema's (bouwstenen) uitgewerkt waarbij het beleid voor de komende 10 jaar is weergegeven en waarvoor instrumenten, waaronder de Zeeuwse Omgevingsverordening, kunnen worden ingezet. In de Zeeuwse Omgevingsverordening, welke nog vastgesteld moet worden, is het beleid uit de Zeeuwse Omgevingsvisie verankerd.
Ten aanzien van de ambitie 'Uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland' zijn de bouwstenen 'woningvoorraad' en 'woonomgeving' relevant. Voor de woningvoorraad is de doelstelling ''Een toekomstbestendige en CO2-neutrale woningvoorraad die in kwaliteit en kwantiteit aansluit op de vraag.''. Naast de uitbreidingsbehoefte van de Zeeuwse woningvoorraad moet de focus van het woonbeleid ook op de bestaande voorraad komen te liggen. Voor de bouwsteen 'woonomgeving' is de doelstelling: ''Onze woonomgeving is veilig en klimaatadaptief, lokt gezond gedrag uit en draagt bij aan biodiversiteit.''. Hierin speelt toekomstbestendige woongebieden op de goede plek een belangrijke rol. Verder is water in de nabijheid van de woonomgeving gunstig voor de waardeontwikkeling van woningen, en biedt dit ook kansen voor ontwikkeling van natuur en groen. Daartegenover staan een aantal consequenties zoals de waterveiligheid van oevers (bereikbare oevers voor spelende kinderen), ontwikkeling van plaagdieren (muggen, ratten, e.d.) bij zomerse temperaturen. De beste waterberging zit wat dit betreft in de ondergrond door gebruik te maken van infiltratie waar dat mogelijk is.
Kwalitatief Woningmarktonderzoek Zeeland 2019 (KWOZ)
Woningbouwprojecten hebben een gemeentegrensoverschrijdende impact. Ten aanzien van het thema 'Wonen' is het provinciaal belang dat de regionale woningmarkten goed functioneren. Gestreefd moet worden naar een woningvoorraad die qua omvang, locatie en type is afgestemd op de woonwensen van de Zeeuwse huishoudens. Om die reden is regionale afstemming nodig over woningbouwplannen. Dit is vormgegeven door vaststelling van de regionale woningmarktafspraken. Om de provinciale ambitie van een toekomstbestendige woningvoorraad in 2040 te kunnen halen heeft de provincie, in samenwerking met alle Zeeuwse gemeenten, een uitgebreide woningmarktanalyse laten uitvoeren door Stec-groep. Dit betreft het Kwalitatief Woningmarkt Onderzoek Zeeland 2019 (KWOZ). De belangrijkste conclusies uit het KWOZ die relevant zijn voor de voorliggende planontwikkeling luiden voor de regio Zeeuws-Vlaanderen als volgt:
Bij het toevoegen van woningen aan de woningmarkt moet rekening gehouden worden met deze conclusies. In het onderhavige plan zijn 64 appartementen (nultredenwoningen) voorzien. Het plangebied ligt in de nabijheid van voorzieningen zoals de beoogde MFA. Het plan voorziet in de kwalitatieve behoefte zoals die blijkt uit het KWOZ.
Woondeal Zeeland
Op 6 maart 2023 hebben betrokken partijen hun handtekening gezet onder de Zeeuwse Woondeal. Het doel is 16.500 nieuwe woningen in Zeeland te bouwen. De samenwerking van de partijen moet ervoor zorgen dat er sneller en meer betaalbare huur- en koopwoningen komen in Zeeland. Op de kwantitatieve behoefte wordt verder ingegaan onder paragraaf 3.3 Regionaal beleid. De gewenste ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van de Omgevingsvisie.
Omgevingsverordening Zeeland 2018
Provinciale Staten moeten op grond van de Omgevingswet één omgevingsverordening vaststellen, waarin alle provinciale regels over de fysieke leefomgeving zijn opgenomen. De invulling hiervan is de Omgevingsverordening Zeeland. Op 21 december 2021 hebben Gedeputeerde Staten een ontwerp Omgevingsverordening Zeeland vastgesteld voor inspraak. De ontwerp Omgevingsverordening Zeeland heeft vanaf 11 januari tot en met 21 februari 2022 ter inzage gelegen. Tot het moment van vaststelling van deze Omgevingsverordening is de Omgevingsverordening uit 2018 van kracht.
De Omgevingsverordening Zeeland 2018 gaat net als het Omgevingsplan ook over de fysieke leefomgeving van de provincie. Bij de beoordeling van ruimtelijke plannen is vooral hoofdstuk 2, welke gaat over het ruimtelijk domein, van belang. Hierin zijn onder andere regels voor uitbreiding van bedrijventerreinen en woonwijken, bescherming van natuurgebieden en regionale waterkeringen opgenomen. De Ladder voor duurzame verstedelijking komt in het provinciaal beleid, net als in het rijksbeleid, ook naar voren. Gestreefd wordt naar een woningvoorraad die qua omvang, locatie en type is afgestemd op de woonwensen van de Zeeuwse huishoudens. Zie hiervoor de paragrafen 3.1 Rijksbeleid en 3.3 Regionaal beleid.
Hoewel het plangebied op dit moment als buitengebied kan worden aangemerkt, zal het plangebied na realisatie onderdeel zijn van het stedelijk gebied. Daarnaast is de gewenste ontwikkeling geen kleinschalige woningbouwlocatie zoals bedoeld in de omgevingsverordening. Hierdoor kan gesteld worden dat er in de omgevingsverordening geen specifieke regels opgenomen zijn die het realiseren van de voorgenomen ontwikkeling onmogelijk maakt.
Het provinciaal beleid vormt geen belemmering voor het mogelijk maken van de gewenste ontwikkeling.
Woonvisie Regio Zeeuws Vlaanderen 2020
In juli 2014 is de woonvisie regio Zeeuws Vlaanderen 2020 vastgesteld. Deze woonvisie is vastgesteld om te anticiperen op de gevolgen van de bevolkingssamenstelling. De effecten hiervan zijn aanzienlijk. De gemeenten Sluis, Terneuzen en Hulst hebben daarom de krachten gebundeld door een regionale woonvisie te ontwikkelen. Deze visie heeft als uitgangspunten: kwaliteitsverbetering in de bestaande voorraad en concentratie van nieuwbouw binnen bestaand bebouwd gebied. De regionale woonvisie moet bijdragen aan een woningmarkt die voor bewoners en vestigers van buiten voorziet in aantrekkelijke woningen, leefbare wijken en kernen en een gezonde(re) balans tussen (veranderende) woningvraag en aanbod waarbij betrokken gemeenten vanuit hun kernopgaven denken en handelen.
De gemeenten willen hun doelen halen met de volgende 5 ambities:
De gewenste ontwikkeling past nagenoeg binnen elke ambitie. Ten aanzien van goed wonen voor alle doelgroepen is het creëren en behouden van passende woningen en leefbare kernen en wijken een belangrijke speerpunt. Uit de woonvisie blijkt dat voor een aantal doelgroepen extra aandacht nodig is om te zorgen dat ook zij prettig en passend een woning kunnen blijven vinden. Een aantal relevante opgaven ten aanzien van specifieke doelgroepen zijn:
Met de gewenste ontwikkeling wordt ingespeeld op het langer zelfstandig kunnen blijven wonen. Er worden 64 zorgwoningen gerealiseerd. Daarnaast wordt het met de 12 reguliere woningen mogelijk gemaakt om binnen Hoek wooncarrière te maken. Bestaande woningen binnen Hoek maken ruimte voor bijvoorbeeld starters. Ook de achtergebleven locaties van het maatschappelijk vastgoed worden (op een later moment) herontwikkeld naar woningbouw. De totale ontwikkeling van de (zorg)wijk Windlust II past binnen de uitgangspunten van de woonvisie.
Woningmarktafspraken Zeeuws-Vlaanderen 2016-2025 vs. Zeeuwse Woondeal
De Zeeuws-Vlaamse gemeenten hebben met elkaar spelregels vastgesteld waarbinnen woningbouw kan plaatsvinden. Belangrijk thema daarin is te komen tot een realistische woningbouwproductie. In de afspraken was het noodzakelijk om de plancapaciteit terug te dringen omdat de bestaande harde plancapaciteit en de plannen in de pijplijn leiden tot een overschot. Echter is met de nieuwe provinciale prognoses en de Zeeuwse Woondeal (zie paragraaf 3.2 Provinciaal beleid) geen sprake meer van een overcapaciteit aan woningbouwplannen. Het 'Plan van aanpak plancapaciteit gemeente Terneuzen 2020', voortkomend uit de beleidsnotitie 'Ruimte voor Woonkwaliteit' is daardoor achterhaald.
Om de actuele Ladderruimte voor Zeeuws Vlaanderen in beeld te kunnen brengen heeft de Provincie Zeeland het dashboard 'Ladderruimte' gemaakt. Volgens het dashboard is in maart 2023 in de regio sprake van een woningbehoefte van 2149 woningen en een positieve Ladderruimte van 846 woningen. De gewenste ontwikkeling, de 12 reguliere woningen, passen binnen deze ruimte. De gewenste woonwijk Windlust II is nog niet opgenomen in de dashboard Ladderuimte. Het is de bedoeling om deze woningen op te nemen om sturing te houden op vraag en aanbod.
De gewenste ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van het regionaal beleid en vormt daarmee geen belemmering voor vaststelling van dit bestemmingsplan.
Omgevingsvisie Hoek
Op 18 juni 2019 is de Omgevingsvisie Hoek vastgesteld. Deze visie is, voor de kern Hoek, de opvolger van de Structuurvisie Terneuzen 2025. De structuurvisie Terneuzen 2025 geeft de visie voor ontwikkeling van de gemeente Terneuzen op lange termijn en is in 2010 opgesteld.
De dorpsraad Hoek en de gemeente Terneuzen hebben in het kader van burgerparticipatie een Taskforce opgericht om de ingrijpende keuzes voor het dorp in te kaderen. Deze inkadering heeft plaatsgevonden door inhoudelijk de voors en tegens van locatiekeuzen tegen elkaar af te wegen en door maatschappelijk het debat met het dorp te organiseren. De uitkomst van deze inkadering is vastgelegd in de omgevingsvisie.
Het plangebied ligt in het deelgebied 'groene rand'. In het westen is de overgang van de historische structuur naar agrarisch land rafelig. Er liggen enkele agrarische erven, maar een moderne agrarische bedrijfsvoering verhoudt zich niet meer met de historische structuur. Aan deze zijde liggen kansen om de overgang opnieuw vorm te geven, waarbij het agrarische land helder wordt afgebakend. In het zuidwesten bevinden zich de begraafplaats, enkele volkstuinen en enkele grotere bedrijven. In het zuiden vormt de spie tussen Koudepolderstraat en N61 de groene afbakening, voorzien van geluidwering.
Het plangebied is een potentiële veranderlocatie (zie aanduiding 'H' in afbeelding 6). De locatie Windlust II is indertijd door de gemeente aangekocht in een packagedeal met de gronden waarop de woonwijk Windlust I is ontwikkeld. De locatie grenst aan de oostzijde aan Windlust I, aan de zuidzijde aan de begraafplaats en aan de overige zijden aan agrarisch gebied.
Afbeelding 6 | Uitsnede Omgevingsvisie Hoek (bron: gemeente Terneuzen, bewerking Juust)
Bij een combinatie van zorg en onderwijs is gelet op de omvang van het programma alleen ruimte te vinden op de locaties Vremdieke en Windlust II. Windlust II biedt mogelijkheden, onder de voorwaarde dat voor auto's de ontsluiting vanaf de Koudepolderstraat gerealiseerd wordt en de langzaam verkeersroute naar het centrum rond de Markt en het Molenplein wordt geoptimaliseerd.
Met de gewenste ontwikkeling wordt invulling gegeven aan de potentiële veranderlocatie Windlust II. Hierbij wordt bijgedragen aan de behoefte van zorgwoningen waarbij mensen zo lang mogelijk thuis kunnen blijven. Daarnaast kent het plan 12 reguliere woningen om te voorzien in de beperkte vraag naar woningen. In Hoek heeft sinds 2009 geen nieuwbouw meer plaatsgevonden en de ontwikkelingen bij Dow en andere industrie kunnen zorgen voor een extra instroom van mensen. Door de vergrijzing verschuift de vraag ook deels naar een ander type woningen (levensloopbestendig). Het plan voorziet in een gedifferentieerd aanbod en past op basis van het bovenstaande binnen de omgevingsvisie Hoek.
Op basis van de bovenstaande gemeentelijke beleidsdocumenten en de behoefte aan woningbouw (zie paragraaf 3.3 Regionaal beleid en 3.2 Provinciaal beleid) kan de gewenste ontwikkeling mogelijk worden gemaakt.
Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien deze beleidsvelden dan ook naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling wordt dan ook onderzocht welke omgevingsaspecten daarbij een rol (kunnen) spelen. Het is van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden.
Archeologie
In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit
verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het
bodemarchief met zorg ontsloten te worden. In juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet
vervangt diverse wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed in Nederland. In de
Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe Nederland omgaat met roerend cultureel erfgoed, wie
welke verantwoordelijkheden heeft en hoe Nederland daar toezicht op houdt.
Op basis van het gemeentelijk (interim) archeologiebeleid 'De onderste steen boven?' (vastgesteld op 27 januari 2011) dient er een toetsing in de vorm van 6 stappen plaats te vinden. Daarbij wordt het stroomschema gevolgd zoals vastgelegd in het interimbeleid. Op basis van de toets wordt bepaald of een dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' moet worden opgenomen.
Afbeelding 7 | Uitsnede AMK kaart (bron: archeologieinnederland.nl, bewerking: Juust)
Afbeelding 8 | Uitsnede IKAW kaart (bron: archeologieinnederland.nl, bewerking: Juust)
Afbeelding 9 | Vondstmeldingen Archis (bron: Artefact!)
Afbeelding 10 | Uitsnede Van Rummelen 1977 (bron: gemeente Terneuzen)
Afbeelding 11 | Uitsnede Vrijstellingenkaart 2017 (bron: gemeente Terneuzen)
Op basis van voorgaande toetsing is volgens de AMK, IKAW en Archis geen directe onderzoeksplicht. Op basis van het stroomschema van het gemeentelijk archeologiebeleid geldt voor afzettingen uit Duinkerke III geen onderzoeksplicht. Echter gaat het hier om gestapeld landschap. Onderaan het profiel komen pleistocene dekzandafzettingen voor. Deze worden afgedekt door Hollandveen. Het Hollandveen wordt op zijn beurt afgedekt door oudere afzettingen van Duinkerke II. Deze wordt op zijn beurt afgedekt door Duinkerke IIIb. Om die reden is volgens het stroomschema een onderzoeksplicht bij 500 m² of groter. Dit betekent dat de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' van toepassing is voor het gehele plangebied.
De onderzoeksplicht geldt in de fase van de aan te vragen omgevingsvergunning voor het bouwen van het gewenste plan. Na eventuele uitvoering van archeologisch onderzoek zullen de resultaten daarvan worden meegenomen bij het verlenen van de omgevingsvergunning. De geldende wetgeving en het huidige en toekomstige archeologiebeleid gaan uit van onderzoek en, waar nodig, het behoud van archeologische waarden. Dit behoud kan zowel in-situ (ter plaatse) als ex-situ (opgraven) zijn.
Op basis van het bovenstaande vorm het aspect archeologie geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.
Cultuurhistorie
Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. De Erfgoedwet heeft zes
wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed vervangen waaronder de Monumentenwet
1988. Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het wettelijk verplicht om in de toelichting van
een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met in het gebied aanwezige
cultuurhistorische waarden of monumenten rekening is gehouden.
Voor de beoordeling van het aspect cultuurhistorie is de cultuurhistorische waardenkaart, als onderdeel van de Structuurvisie 2025 van de gemeente Terneuzen beschikbaar. Daarin zijn ruimtelijke strategieën voor het grondgebied van Terneuzen aangegeven. In de cultuurhistorische waardenkaart wordt uitgegaan van 3 strategieën: Behoud (behoud en bescherming), Behoud door ontwikkeling (versterken, verbreden, verbinden) en Vernieuwing mogelijk (transformeren, ontwikkelen, herstructureren).
Afbeelding 12 | Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart - behoud (bron: gemeente Terneuzen)
Op de kaart 'Behoud' ligt het plangebied niet binnen een bepaalde strategie (zie afbeelding 12). Op de kaart 'Behoud door ontwikkeling' ligt het plangebied binnen de strategie 'verbreden'. Zie toetsing hieraan in paragraaf 3.4 Gemeentelijk beleid. Daarnaast ligt het binnen een molenbiotoop (zie afbeelding 13). Het gaat om de molen 'De Windlust'. Dit is een ronde, stenen stellingmolen, gebruikt als korenmolen. De molen ligt aan de rand van het dorp en domineert, samen met de naastgelegen kerk, de omgeving. Het is één van de veertien overgebleven korenmolens in Zeeuws-Vlaanderen.
In het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied' is hiervoor de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie - 1' opgenomen. De voor Waarde - Cultuurhistorie - 1 aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de functionele, cultuurhistorische en landschapswaarde van een molen.
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:
Het plangebied, waar de dichtstbijzijnde bebouwing is beoogd, is op 186 meter afstand gelegen van de molen (zie afbeelding 15). De afstand tussen de onderkant van de wiek en peil is volgens de inmeting 6,95 meter. De vluchthoogte is 22,15 meter, dus de lengte van 1 wiek is 11,07 meter. De askophoogte is dus 11,07 + 6,95 = 18,02 meter. Op basis van de formule uit het bestemmingsplan is de toegestane bouwhoogte op 355 meter afstand dus 10,7 meter (400/50+0,2x18,02). Echter moet er worden uitgegaan van hetzelfde peil. Volgens de inmeting is het peil van de molen 1,78 m+. Het peil van de nieuwe woonwijk is nog niet bekend, maar het is aannemelijk om het peil van Windlust 1 aan te houden. Dat ligt volgens de inmeting op 1,40 m +. Uitgaande van dit peil is de maximale bouwhoogte op 355 meter afstand van de molen, ter hoogte van het appartementengebouw in het westen, dus 10,7 + 0,38 = 11,08 m. De maximale hoogte in het oosten van het plangebied is daarmee 7,7 meter (186/50+0,2x18,02+0,38).
De molenbiotoop beperkt de bouwhoogte en beplantingshoogte in het plangebied (maximaal oplopend van 7,7 meter naar ruim 11 meter). Door deze beperking wordt net niet overal voldaan aan de regels die gelden voor de molenbiotoop.
Het plan Windlust II sluit aan de oostzijde aan op de woonwijk Windlust I. Met het bestemmingsplan Windlust II worden, het meest nabij de molen, geen hogere bouwhoogten toegestaan dan binnen de geldende beheersverordening Hoek al planologisch zijn toegestaan in Windlust I, namelijk 8 meter.
Door te bouwen in het verlengde van de bebouwing aan de Windlustlaan en de Molendreef wordt de windvang van de molen, afkomstig uit het buitengebied, niet belemmerd. Met de inrichting van het plangebied is hier nadrukkelijk rekening mee gehouden. Het zicht op de molen en de naastgelegen kerk zijn waardevol en daarom in het plan gefaciliteerd. Het is daarom niet te verwachten dat dit plan het toekomstig functioneren van de molen in de weg staat. De molenbeschermingszone (dubbelbestemming) is overgenomen uit en afgestemd op het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied' en opgenomen in dit bestemmingsplan. Alvorens het verlenen van een omgevingsvergunning vraagt het college schriftelijk advies bij een molendeskundige.
Afbeelding 13 | Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart - behoud door ontwikkeling (bron: gemeente Terneuzen)
Afbeelding 14 | Verbeelding en molenbiotoop in beeld
Op basis van de kaart 'Vernieuwing mogelijk' zijn binnen het plangebied geen cultuurhistorische elementen gelegen en kent geen expliciete strategie (zie afbeelding 15).
Afbeelding 15 | Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart - vernieuwing mogelijk (bron: gemeente Terneuzen)
Op basis van de cultuurhistorische kaart van de provincie Zeeland ligt het plangebied in de hiervoor besproken molenbiotoop (zie afbeelding 16). Andere cultuurhistorische elementen zoals MIP-objecten zijn op ruime afstand gelegen en achter de bestaande bebouwing. De gewenste ontwikkeling heeft hierdoor geen impact op deze cultuurhistorische waarden.
Afbeelding 16 | Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart (Bron: Geloket provincie Zeeland)
Het aspect 'archeologie en cultuurhistorie' vormt op basis van het bovenstaande geen belemmering voor het planologisch mogelijk maken van de voorgenomen ontwikkeling.
Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die planologisch mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere (gevoelige) functies moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving.
Binnen het plangebied worden (zorg)woningen gerealiseerd en daarmee gevoelige functies. Bij nieuwbouw van woningen dient onderbouwd te worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Kijkend naar de omgeving van het plangebied zijn verschillende milieubelastende functies aanwezig die een belemmering kunnen zijn voor het woon- en leefklimaat. In de omgeving van het plangebied zijn echter wel voornamelijk woonbestemmingen en agrarische gronden gelegen waardoor de omgeving getypeerd kan worden als een 'rustige woonwijk'.
Ten zuiden van het plangebied is een begraafplaats gelegen binnen de maatschappelijke bestemming. Hiervoor geldt op basis van de VNG-publicatie 'Bedrijven- en milieuzonering' een richtafstand van 10 meter met geluid als maatgevende aspect. De dichtstbijzijnde zorgwoningen zijn gelegen op een afstand van ongeveer 20 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand. Ten zuiden van de begraafplaats is een bouwmarkt gelegen op een bedrijfsbestemming. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter met geluid als maatgevende aspect. Echter is op deze locatie ook een bedrijf in de milieucategorie 3.1 mogelijk. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter. De dichtstbijzijnde zorgwoningen zijn gelegen op een afstand van 95 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand.
Binnen het plangebied zelf worden ook milieubelastende functies mogelijk gemaakt. Het voornemen is om nabij de (zorg)woningen een MFA te realiseren. Hierbinnen wordt een basisschool gerealiseerd met schoolplein en speelkooi, een kinderopvang en een gymzaal/sporthal. Voor een basisschool geldt een richtafstand van 30 meter tot woningen en andere gevoelige functies. Voor een gymzaal/sporthal geldt een richtafstand van 50 meter. Hier wordt niet aan voldaan. Het is wenselijk om inzicht te krijgen in de optredende geluidbelasting.
Op 27 maart 2023 is door Kraaij Akoestisch Adviesbureau een akoestisch onderzoek in het kader van een goede ruimtelijke ordening uitgevoerd (zie Bijlage 3). Onderzocht is of het stemgeluid van spelende kinderen op het speelplein en speelkooi van invloed is op het woon- en leefklimaat bij de (zorg)woningen. Uit de rekenresultaten blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege spelende kinderen op het schoolplein ten hoogste 42 dB(A) bedraagt op de westgevel van het bouwvlak van de grondgebonden woningen.
Het maximaal geluidniveau vanwege een roepend kind bedraagt ten hoogste 71 dB(A) op de westgevel van het bouwvlak van de grondgebonden woningen. De richtwaarde van 70 dB(A) wordt met 1 dB(A) overschreden. Op de andere bouwvlakken is het maximaal geluidniveau 70 dB(A) of lager en wordt er voldaan aan de richtwaarde van 70 dB(A). Vanwege de geringe overschrijding van de richtwaarde met 1 dB(A), wordt het woon- en leefklimaat toch aanvaardbaar geacht. De overschrijding wordt aanvaardbaar geacht omdat deze maar een klein gedeelte van de tijd in de dagperiode wordt overschreden (alleen tijdens pauzes van de school).
Hierbij wordt er van uitgegaan dat de speelplaats alleen in de dagperiode wordt gebruikt. Als het speelterrein ook in de avond- en nachtperiode kan worden gebruikt, wordt in ieder geval de geluidnorm voor het maximaal geluidniveau van 65 dB(A) in de avondperiode (19.00-23.00 uur) en 60 dB(A) in de nachtperiode (23.00-07.00 uur) overschreden. Of er sprake is van een overschrijding van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau is op voorhand niet te bepalen. Dit is namelijk afhankelijk van het aantal (spelende) personen en de tijdsduur. Geluidhinder vanwege het gebruik van het speelterrein is dan te verwachten. Om geluidhinder te voorkomen wordt geadviseerd om hiermee bij het ontwerp rekening te houden. Enkele opties zijn:
Met inachtneming van het bovenstaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor vaststelling van het bestemmingsplan. De voorgestelde maatregelen komen ten goede aan het woon- en leefklimaat.
Om het risico uit te sluiten, dat mensen gezondheidsproblemen krijgen als gevolg van een langdurig verblijf op verontreinigde grond, dient aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie.
Het plangebied heeft een agrarische bestemming. De milieuhygiënische bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de nieuwe bodemgebruiksfunctie: woonbestemming. Met andere woorden, de bodem mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van deze bodem. Op basis van beschikbare onderzoeken en historische kaarten is het terrein naar alle waarschijnlijkheid milieuhygiënisch onverdacht. Het terrein is als weide-/akkerland in gebruik (geweest). Volgens historische kaarten is er in het verleden geen boomgaard geweest.
Tijdens deze onderzoeken zijn slechts enkele stoffen in licht verhoogde mate aangetoond. Met betrekking tot het zuidelijk aanhangsel (kad. gemeente Terneuzen, sectie I, perceelnummer 3350), zijnde ongeveer 8.000 m², is was nog geen bodemonderzoek beschikbaar.
Op 24 februari 2023 is door Buro Antares een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor het gehele plangebied(zie Bijlage 2). Het bodemonderzoek is vooraf gegaan door een vooronderzoek volgens de NEN 5725 van oktober 2017. Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek wordt als volgt geconcludeerd:
De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek. Derhalve zijn geen factoren aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling van de locatie.
De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen (zoals het gebruik, de opslag, de productie als het transport). Het beleid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met risicobronnen in de omgeving.
In het plangebied worden kwetsbare objecten gerealiseerd. In het plangebied zelf en in de directe omgeving liggen geen risicovolle inrichtingen. Het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied van de inrichtingen Bertschi en Oiltanking Terneuzen. Voor deze inrichtingen betreft het maatgevende scenario het vrijkomen van giftige stoffen.
Op een afstand van ruim 175 meter vanaf de dichtstbijzijnde zorgwoningen is de N61 gelegen. Dit is een basisnetroute waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Daarmee reikt het invloedsgebied van ongevallen met giftige stoffen en brandbare gassen op deze weg tot het plangebied en de bebouwing. Dit wordt bepaald door stofcategorie GF3 en bedraagt 355 meter. Op basis hiervan is een beperkte verantwoording van het groepsrisico nodig.
Afbeelding 17 | Uitsnede Atlas Leefomgeving (bron: atlasleefomgeving.nl)
Uit de risico-inventarisatie blijkt dat de maatgevende scenario’s voor het plangebied bestaan uit ongevallen waarbij giftige stoffen vrijkomen en ongevallen met brandbare gassen (LPG). Ruimtelijke maatregelen zijn met name te nemen tegen de gevolgen van ongevallen met LPG op de N61.
Een ongeval met een LPG-tankwagen kan leiden tot een BLEVE. Dit is het explosief vrijkomen van LPG in een grote vuurbal. Voornaamste effecten hierbij zijn overdruk en hittestraling. Een BLEVE kan het gevolg zijn van een beschadiging van een tankwagen door een ongeval (koude BLEVE) of door een externe brand die de tankwagen aanstraalt (warme BLEVE). Een koude BLEVE gebeurt direct waardoor de vluchttijd nihil is. Bij een externe brand zit er enige tijd tussen het ontstaan van de brand en het zich voordoen van de explosie. Tankwagens in Nederland zijn voorzien van een hittewerende coating waardoor deze tijd 60 à 70 minuten bedraagt. In die tussentijd kan er gevlucht worden.
Beperkte verantwoording van het groepsrisico (GR)
De GR-contour is verschillend voor vervoer over water, weg en spoor. Bij transport over water is er geen GR-contour. Het groepsrisico (GR) is de kans per jaar per km transportroute dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van een transportroute in één keer dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval met het vervoer van gevaarlijke stoffen op die transportroute. Het GR is niet genormeerd. Hiervoor geldt enkel een oriëntatiewaarde waarbinnen een afweging gemaakt moet worden over de aanvaardbaarheid van de risico's. Het GR wordt enkel bepaald voor het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied is het gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het GR.
Het groepsrisico dient berekend te worden voor de realisatie van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een afstand van 200 meter van een route die is aangewezen in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Daarbij geldt dat het groepsrisico berekend en (uitgebreid) verantwoord moet worden indien:
Gelet op de afstand tussen de N61 en het plangebied zal met name de hittestraling voor effecten zorgen. De bebouwing ligt buiten de 100% letaliteitszone (het gebied waarin de meeste slachtoffers vallen en er sprake is van grote schade) van een BLEVE. Het meest zuidelijke appartementsgebouw (grenzend aan de volkstuintjes) ligt nog wel binnen de effectafstand waar bij een warme BLEVE gemiddelde schade kan ontstaan aan het gebouw. Een (beperkte) verantwoordingsplicht voor de hoogte van het groepsrisico is wel aan de orde indien een (plan)gebied zich bevindt binnen het invloedsgebied van een risicobron. Bij een 'beperkte verantwoording' wordt vooral ingegaan op de bestrijdbaarheid, zelfredzaamheid en beheersbaarheid.
Bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid
De omvang van mogelijke incidenten kan beter beheersbaar worden gemaakt voor hulpverleningsdiensten door maatregelen te treffen met betrekking tot bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten in hoeverre zij in staat zijn hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Ten aanzien van de aspecten bereikbaarheid en bluswatervoorziening hanteert de regionale brandweer de richtlijnen zoals beschreven in de NVBR publicatie "Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid". Uit deze handreiking volgt het advies dat het plangebied goed bereikbaar moet zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van werkzaamheden of calamiteiten het plangebied bereikbaar is.
De mate van zelfredzaamheid van een persoon hangt af van zijn eigen fysieke en psychische mogelijkheden en daarnaast van de omgeving. Een goede ontsluiting, beperking van hoogbouw, de ligging van kwetsbare objecten ten opzichte van de bron en aanvullende maatregelen aan gebouwen kan eraan bijdragen dat de effecten van de ramp beperkt blijven.
De toekomstige woon(zorg)wijk wordt voor gemotoriseerd verkeer ontsloten op de Koudepolderstraat. Voor hulpdiensten is echter de mogelijkheid om gebruik te maken van de verbinding voor langzaam verkeer. Deze is gelegen tussen de toekomstige woon(zorg)wijk en de bestaande woonwijk Windlust I. Het plangebied is op die manier langs verschillende kanten te bereiken en te ontvluchten. Hulpverleningsdiensten kunnen snel ter plaatse zijn om het potentiële schadegebied snel te ontruimen. Verder zijn er voldoende vluchtmogelijkheden om het gebied te verlaten. Er is ook geen hoogbouw voorzien. Het maximum aantal bouwlagen is 3. Dit komt de zelfredzaamheid bij een calamiteit ten goede.
Beheersbaarheid
De beheersbaarheid richt zich voor wat betreft externe veiligheid op de locatie waar de calamiteit plaatsvindt, dus bij de risicobronnen. De risicobronnen bevinden zich buiten het plangebied. De beheersbaarheid bij de bron is hiermee niet relevant.
Tegen ongevallen met brandbare gassen zijn redelijkerwijs geen (ruimtelijke) maatregelen te nemen. Voor ongevallen waarbij ammoniak vrijkomt gelden de adviezen voor het toxisch scenario (vrijkomen van giftige stoffen). Deze adviezen kunnen ook van toepassing zijn indien er sprake is van een brand in de nabijheid van het complex die leidt tot rookoverlast. Het gaat om het volgende advies: maak panden luchtdicht afsluitbaar (ramen, deuren en ventilatieroosters moeten gesloten kunnen worden). Essentieel hierbij is dat de mechanische ventilatie met een druk op de knop uitgeschakeld kan worden.
Advies Veiligheidsregio (d.d. 08-11-2022)
Gelet op de beschikbare vluchttijd bij een brandende tankwagen en het feit dat er sprake is van zorgwoningen met kwetsbare personen wordt het volgende geadviseerd:
Ten aanzien van bluswater, bereikbaarheid en brandveiligheid zijn de volgende adviezen belangrijk:
De beschouwde risicobronnen kunnen in de voorziene situatie leiden tot incidenten met effecten of slachtoffers binnen het plangebied. De genoemde maatregelen kunnen de omvang van mogelijke incidenten reduceren tot een omvang die beter beheersbaar wordt geacht voor de hulpverleningsdiensten.
In het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen' wordt nader beoordeeld op andere veiligheidsaspecten zoals brandcompartimentering, vluchtroutes, bluswater en bereikbaarheid op perceelsniveau en andere brandpreventieve voorzieningen.
Door deze maatregelen in acht te nemen vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.
Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidsniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidsniveaus zijn en wat niet (de geluidsnormen). Bij ruimtelijke plannen kan akoestisch onderzoek nodig zijn om geluidhinder bij geluidgevoelige objecten (scholen, woningen, etc.) te voorkomen. De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. Een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd als een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt.
Woningen en maatschappelijk voorzieningen zijn geluidsgevoelige functies in het kader van de Wet geluidhinder (Wgh). Het plangebied ligt niet binnen een zone industrielawaai.
Binnen het plangebied worden nieuwe wegen aangelegd die aansluiten op de Koudepolderstraat. Er wordt vanuit gegaan dat voor de nieuwe wegen een maximum rijsnelheid van 30 km/uur gaat gelden. De normen uit de Wet geluidhinder zijn in dat geval niet van toepassing. Desondanks moet er sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. De Koudepolderstraat is een doodlopende weg voor gemotoriseerd verkeer en ligt bovendien op een afstand van ruim 100 meter tot de dichtstbijzijnde zorgwoningen.
Het plangebied is wel gelegen binnen de geluidszone van de Hoofdweg/N61. De geluidszone is op basis van 4 rijstroken 400 meter. Op 27 maart 2023 is door Kraaij Akoestisch Adviesbureau een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd (zie Bijlage 3).
Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting op de zorgwoningen bij het meest zuidelijk bouwvlak het hoogste is en ten hoogste 51 dB bedraagt. Deze geluidbelasting wordt alleen op de derde woonlaag aan de zuid- en westgevel berekend. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt hier met 1 – 3 dB overschreden. De overschrijding vindt op de westgevel plaats op alle bouwlagen en op de zuidgevel alleen op de tweede en derde bouwlaag. Op de andere gevels wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
Op het westelijk bouwvlak voor zorgwoningen/ appartementen van het centrale deel binnen het plangebied bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 49 dB. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt hier met 1 dB overschreden. De overschrijding wordt alleen berekend op de westgevel, tweede bouwlaag. Op de andere gevels wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
De geluidbelasting op het oostelijk bouwvlak voor zorgwoningen/ appartementen van het centrale deel binnen het plangebied bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 46 dB. Op het bouwvlak voor de grondgebonden woningen bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 45 dB.
Uit de rekenresultaten blijkt de Lday op het MFA ten hoogste 48 dB bedraagt. Voor de school geldt dus dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Op het schoolplein (begane grond niveau) zal de geluidbelasting ten hoogste 47 dB bedragen, waarmee een goed leefklimaat is verzekerd. De ontheffingswaarde van 53 dB wordt niet overschreden.
Maatregelenonderzoek wegverkeerslawaai
Omdat de geluidbelasting vanwege de rijksweg N61 niet overal voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB dient nader onderzoek te worden uitgevoerd naar geluidreducerende maatregelen voor deze weg. Omdat maatregelen om de geluidbelasting te beperken stuiten op overwegende bezwaren van financiële of stedenbouwkundige aard, dient een hogere waarde te worden vastgesteld van 51 dB voor het zuidelijke bouwblok van 12 appartementen en 49 dB voor het bouwblok met 26 appartementen.
Voor de karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie de minimumeis van 20 dB uit het Bouwbesluit voldoende om een goed woon- en leefklimaat in de (zorg)woningen. Voor de klaslokalen van het MFA dient de geluidwering 23 dB te zijn. Indien voor het MFA gebruik wordt gemaakt van een gebalanceerd ventilatiesysteem met mechanische toe- en afvoer, is het niet de verwachting dat aanvullende gevelmaatregelen moeten worden getroffen.
Geluidbelasting vanwege verkeersaantrekkende werking plan
De planontwikkeling zelf leidt tot een hogere verkeersintensiteit op de Koudepolderstraat en daarmee een hogere geluidbelasting voor de woningen aan de Koudepolderstraat. De geluidbelasting in de toekomstige situatie bedraagt ten hoogste 50 dB. Dit is een toename van ongeveer 4 dB ten opzichte van de huidige situatie. Bij de overige woningen bedraagt de geluidbelasting in de toekomstige situatie 44 dB en is sprake van een toename van ongeveer 3 dB. De toename in geluid bedraagt vanwege de extra verkeersgeneratie dus omstreeks 3 tot 4 dB. Daarmee is sprake van een wezenlijke toename in geluid vanwege het plan.
Alleen bij de woningen aan de Koudepolderstraat 1 – 16 is na de planontwikkeling sprake van een overschrijding van de richtwaarde van 48 dB in lijn met de Wgh. Het woon- en leefklimaat wordt vanuit akoestisch oogpunt wel overal nog acceptabel geacht. De richtwaarde van 48 dB wordt met ten hoogste 2 dB overschreden tot 50 dB, wat ver verwijderd blijft van de maximale waarde van 63 dB voor een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Daarnaast bedraagt de geluidbelasting vanwege de N61 op de bestaande woningen 50 – 55 dB en is daarmee maatgevend voor de ervaren geluidbelasting voor alle bestaande woningen langs de Koudepolderstraat. Ten slotte bedraagt de de gecumuleerde geluidbelasting bij de woningen aan de Koudepolderstraat 1 tot en met 16 voor planvorming 55 – 56 dB en na planvorming 57 dB. De gecumuleerde geluidbelasting vanwege alle wegen neemt dus met ten hoogste 2 dB toe, waardoor het woon- en leefklimaat niet wezenlijk verslechterd.
Verder voldoet de geluidbelasting vanwege de interne wegen binnen het plangebied aan de richtwaarde van 48 dB in lijn met de Wet geluidhinder, waarmee een goed woon- en leefklimaat wordt gegarandeerd. Op basis van het bovenstaande vormt het aspect 'geluid' geen belemmering voor de uitvoering van de gewenste ontwikkeling.
In het bestemmingsplan worden uitsluitend kabels en leidingen (gas en elektra) opgenomen die ruimtelijke relevantie hebben, of van belang zijn in het kader van externe veiligheid, beheer of gezondheidsrisico. Voor deze kabels en leidingen geldt een waarborgzone omdat deze wellicht een risico met zich meebrengen. Het gaat hier met name om een verhoogd risico als ze bij werkzaamheden worden geraakt.
Planologische relevante leidingen zijn:
In of in de nabijheid van het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en/of leidingen.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Als het een ruimtelijk project of (te vergunnen) activiteit betreft, waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is, is geen toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit nodig. Beoordeeld moet worden of de ontwikkeling 'Niet In Betekende Mate' (NIBM) bijdraagt aan de concentraties van diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in de buitenlucht.
Als een project tot een toename voor NO2 en PM10 leidt die lager is dan de NIBM grens van 1,2 µg/m3 hoeft het project niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Vanzelfsprekend moet er wel sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. In de regeling NIBM is aangegeven, dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen en één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
De voorgenomen ontwikkeling draagt niet in betekende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, zie onderstaande afbeelding. Dit is gebaseerd op 715 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal, zie 4.11 Verkeer en parkeren.
Afbeelding 18 | NIBM (bron: Infomil)
In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt aan de hand van NSL-monitoringstool. In de onderstaande afbeelding zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2020 weergegeven.
Afbeelding 19 | Uitsnede NSL-monitoringstool (bron: nsl-monitoring.nl)
Hieruit blijkt dat in de omgeving van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 14,3 µg/m3, 14,4 µg/m3 en 7,6 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3 ) en PM2,5 (25 µg/m3) wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie is maximaal 6, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. De luchtkwaliteitssituatie vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van de gewenste ontwikkeling.
De Wet natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. De beschermde flora en fauna mag niet worden verstoord, verjaagd of worden gedood. Voorafgaand aan een ontwikkeling moet worden onderzocht of er beschermde dieren- of plantensoorten in het plangebied leven.
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een natuurgebied, natuurnetwerk en Natura-2000 gebieden (zie afbeelding 20). Het dichtstbijzijnde beschermde Natura 2000-gebied is 'Westerschelde & Saeftinghe'. Dit natuurgebied ligt op circa 4,5 kilometer van het plangebied. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling op enige afstand van beschermde Natura 2000-gebieden plaatsvindt worden geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) verwacht.
Afbeelding 20 | Uitsnede Atlas Leefomgeving (bron: atlasleefomgeving.nl)
In het kader van de bescherming van Natura 2000-gebieden moet voor dergelijke ontwikkelingen een stikstofberekening worden gemaakt. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 over de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) en de AERIUS Calculator is voor dit plan de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden berekend voor de realisatiefase en de gebruiksfase (zie Bijlage 4). De uitkomst is dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/j. Het project heeft daarmee geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Er is geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig, er geldt ook geen 'aanhaakplicht' in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning.
Soortenbescherming
Het plangebied bestaat enkel uit agrarische gronden en watergangen. Het plangebied is op dit moment intensief agrarisch in gebruik. Het is niet aannemelijk dat hier beschermde soorten aanwezig zijn.
In de Tweede Wereldoorlog is in Zeeland veel gevochten. Doordat tijdens de gevechten niet alle munitie is ontploft zijn er tot op de dag van vandaag blindgangers en andere munitie in de bodem te vinden.
Gemeente Terneuzen hanteert voor de paragraaf Niet-gesprongen explosieven (NGE) het Historisch Vooronderzoek en NGE-Risicokaart van REASeuro, kenmerk RO180093 van 24 oktober 2018. Het terrein in Hoek valt, in relatie tot niet-gesprongen explosieven door oorlogshandelingen in de Tweede Wereldoorlog, volgens de NGE-risicokaart niet in een aanwijsbaar risicogebied. De trefkans van munitie is daardoor klein. Bij aantreffen van munitie wordt ingezet op het handelen op basis van het protocol 'Toevalstreffer conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog'.
Het aspect niet-gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er is geen vervolgonderzoek naar conventionele explosieven vereist.
Een goede ontsluiting en voldoende parkeerfaciliteiten zijn belangrijk voor een goed functionerende ontwikkeling. In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de gevolgen van het plan op de verkeerssituatie in de omgeving, de verkeersgeneratie, de ontsluiting en de wijze waarop voldoende parkeergelegenheid in het plan is gewaarborgd.
Parkeren
De parkeernorm wordt bepaald aan de hand van de door de gemeenteraad van Terneuzen vastgestelde geactualiseerde parkeernormen (september 2019), zoals opgenomen in de parkeernota 2015-2020, en de facetbestemmingsplan 'Parkeren Terneuzen'.
De locatie Windlust II valt op dit moment binnen het gebiedstype 'buitengebied'. Echter, de gewenste ontwikkeling ligt tegen de komgrens van Hoek aan. Bovendien is het aannemelijk dat de gewenste ontwikkeling na realisatie onderdeel is van de bebouwde kom. Om die reden is uitgegaan van het gebiedstype 'rest bebouwde kom'. De gemeente Terneuzen heeft als stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk'.
In onderstaande tabel is de parkeerbehoefte inzichtelijk gemaakt aan de hand van het programma. Voor de parkeernormen is uitgegaan van de gemiddelde parkeernorm. De reguliere woningen zijn onderverdeeld in koopwoningen, twee-onder-een-kapwoningen en koopwoningen vrijstaand. De parkeerbehoefte voor de zorgwoningen is uitgerekend aan de hand van de cijfers voor een huurappartement, eenpersoonshuishoudens.
De multifunctionele accommodatie is onderverdeeld in de functies school, sporthal/gym, kinderdagverblijf (incl. bibliotheek), welzijnsaccommodatie (dorpshuis) en diverse zorgfuncties van ZorgSaam. Voor de school is uitgegaan van basisonderwijs en 160 leerlingen waarvan gemiddeld 20 leerlingen per klas en 10/12 personen aan personeel. De parkeerbehoefte van de sporthal/gymzaal zal in de praktijk onbenut blijven, omdat deze hoofdzakelijk wordt gebruikt door de basisschool en het kinderdagverblijf. De parkeerbehoefte van de sporthal/gymzaal hoeft daarom niet meegenomen te worden in de totale parkeerbehoefte.
Voor een welzijnsaccommodatie (dorpshuis) met een sociaal-culturele functie bestaan geen standaard kencijfers. Hiervoor is aansluiting gevonden bij een 'buurt- en dorpscentrum'. Echter wordt hieronder verstaan een (ondersteunend) winkelgebied. Daar is hier geen sprake van. Om die reden is het kencijfer gehalveerd. Dit komt in de buurt van kencijfers voor een 'cultureel centrum/wijkgebouw' uit andere vergelijkbare gemeentelijke parkeerbeleidsplannen. Dat sluit meer aan bij de werkelijke situatie aangezien het dorpshuis bedoeld is voor de inwoners van Hoek waarbij het gebruik van de auto niet voor de hand liggend is. Voor de diverse zorgfuncties is uitgegaan van twee kantoorruimtes en een vergaderruimte. Het gaat om een kantoor zonder baliefunctie. Voor de volkstuinen is uitgegaan van 50 m² per volkstuin.
| Classificatie | Omvang/aantal | Parkeernorm | Parkeerbehoefte | |
| Koop, huis, twee-onder-een-kap | 8 | 2,2 | 17,6 | |
| Koop, huis, vrijstaand | 4 | 2,3 | 9,2 | |
| Huur, appartement, eenpersoonshuishoudens | 64 | 1,2 | 76,8 | |
| School (basisonderwijs) | 1.006 m² bvo/ 160 leerlingen (20 per klas) | 0,75 per leslokaal | 6 | |
| Kinderdagverblijf | 247,5 m² | 1,4 per 100 m² | 3,5 | |
| Bibliotheek | 247,5 m² | 1,15 per 1oo m² | 2,9 | |
| Welzijnsaccommodatie (dorpshuis) | 464 m² bvo | 4 per 100 m² / 2 | 9,3 | |
| Diverse zorgfuncties | 120 m² bvo | 2,55 per 100 m² | 3 | |
| Volkstuinen | 1.500 m² | 1,35 per 10 tuinen | 4,1 | |
| Totaal | 132,4 (133) | |||
In totaal zijn er afgerond 133 parkeerplaatsen voor lang parkeren nodig. Hiervan zijn afgerond 17 parkeerplaatsen bestemd voor bezoekers van bewoners.
De parkeerbehoefte bij basisscholen en kinderdagverblijven bestaat naast het parkeren voor het personeel (zie bovenstaande tabel) vooral uit parkeerplaatsen voor het halen en brengen van de kinderen. Voor het halen en brengen van de kinderen wordt afzonderlijke parkeercapaciteit (kort parkeren) gerealiseerd. Hiervoor zijn in totaal 23 parkeerplaatsen benodigd (zie onderstaande tabel).
| Classificatie | % halen en brengen met de auto | Reductiefactor parkeerduur |
Reductiefactor aantal kinderen per auto |
Aantal parkeerplaatsen per kind |
Aantal kinderen |
Parkeer behoefte kort parkeren |
| Groep 1-4 | 40% | 0,50 | 0,75 | 0,15 | 80 | 12 |
| Groep 5-8 | 20% | 0,25 | 0,85 | 0,042 | 80 | 3,4 |
| Kinderdagverblijf | 65% | 0,25 | 0,75 | 0,121 | 65 | 7,9 |
| Totaal | 23,3 |
Voor het MFA (basisschool, kinderdagverblijf, sporthal, bibliotheek, welzijnsaccommodatie en diverse zorgfuncties) is een parkeerbehoefte van in totaal afgerond 48 parkeerplaatsen. In het plan is aan de westzijde van de MFA een parkeerterrein voorzien van maximaal 74 parkeerplaatsen.
Bij de reguliere koopwoningen kan (grotendeels) geparkeerd worden op eigen terrein. Voor de zuidelijk gelegen appartementen is een parkeerterrein beoogd van 25 parkeerplaatsen. Voor de meest centraal gelegen zorgappartementen is een parkeerterrein voorzien van 52 parkeerplaatsen. Indien op dit terrein een tekort ontstaat aan parkeergelegenheid dan is theoretisch nog parkeerruimte op het zuidelijke gelegen parkeerterrein. Voor de volkstuinen is geen apart parkeerterrein voorzien.
In totaal wordt voorzien in 179 parkeerplaatsen en voldoet het aan de totale behoefte van 156 parkeerplaatsen. Hierbij is uitgegaan dat alle functies 100% bezet zijn op dezelfde momenten (worstcase). Bovendien kan dubbelgebruik plaatsvinden waardoor het aantal benodigde parkeerplaatsen lager uitvalt. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen kan hier rekening mee worden gehouden om onnodige overschot te voorkomen.
Verkeersgeneratie
De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de CROW-publicatie 381 'toekomstbestendig parkeren'. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is eveneens uitgegaan van het gebiedstype 'rest bebouwde kom' en stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk'.
| Classificatie | Gemiddelde verkeersgeneratie | Totale verkeersgeneratie | ||
| Koop, huis, twee-onder-een-kap | 7,8 per woning | 62,4 | ||
| Koop, huis, vrijstaand | 8,2 per woning | 32,8 | ||
| Huur, appartement, eenpersoonshuishoudens | 2,6 per woning | 166,4 | ||
| School (basisonderwijs) | - | 216 | ||
| Kinderdagverblijf | 35,5 per 100 m² bvo | 87,9 | ||
| Bibliotheek | 10,6 per 100 m² | 26,3 | ||
| Welzijnsaccommodatie (dorpshuis) | 23,4 per 100 m² bvo | 108,4 | ||
| Diverse zorgfuncties | 19,05 per behandelkamer | 10,5 | ||
| Volkstuinen | 1,2 per 10 tuinen | 3,6 | ||
| Totaal | 714,3 (715) | |||
Voor het berekenen van de verkeersgeneratie van de basisschool zijn aannames gedaan, omdat er in de CROW-publicatie 381 'toekomstbestendig parkeren' geen gegevens bekend zijn over de verkeersgeneratie van een basisschool. Om inzicht te krijgen in de verkeersgeneratie is aangenomen dat de helft van het totaal aantal leerlingen van 160 in de onderbouw zitten. Hiervan is de schatting dat 40% met de auto wordt gebracht. Van de leerlingen van de bovenbouw wordt verwacht dat 20% met de auto wordt gebracht.
Uitgaande van twee momenten per dag (brengen en halen) bedraagt de verkeersgeneratie voor de onderbouw 128 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Voor de bovenbouw is 64 motorvoertuigbewegingen per etmaal te verwachten. Op basis van 12 personen aan personeel is uitgegaan van 24 verkeersbewegingen. Uitgaande van heen en terug en tussentijdse verkeersbewegingen niet plaatsvinden. In totaal is voor de school een verkeersgeneratie van 216 motorvoertuigbewegingen per etmaal te verwachten. De andere leerlingen komen op de fiets of te voet. Dat betreft 112 leerlingen die heen en terug 224 verkeersbewegingen veroorzaken.
Voor het berekenen van de verkeersgeneratie van het dorpshuis is gerekend met de minimale verkeersgeneratie vanwege de verschillende verbindingen, bedoeld voor langzaam verkeer (voet- en fietspad) met de naastgelegen woonwijk. Het is meer vanzelfsprekend dat de gebruikers van het dorpshuis, bewoners uit voornamelijk Hoek, te voet of met de fiets gaan. Ook vanwege de ontsluitingsweg voor gemotoriseerd verkeer die gelegen is aan de zuidkant van het plangebied. Het kencijfer is daarnaast gehalveerd zoals eerder geredeneerd. De totale verkeersgeneratie van de MFA is afgerond 354 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De totale verkeersgeneratie van de totale ontwikkeling is afgerond 715 motorvoertuigbewegingen per etmaal.
Ontsluiting
Fietsers en voetgangers worden door middel van langzame verbindingen, via Omloop, Windlustlaan en de Molendreef, gestuurd. Het gemotoriseerd verkeer wordt afgewikkeld via de Koudepolderstraat. Zodoende worden de verkeersstromen zoveel mogelijk gespreid.
De totale verkeersgeneratie van motorvoertuigen beweegt via de Koudepolderstraat in oostelijke richting naar de Hoekseweg (N682). In westelijke richting is niet mogelijk voor motorvoertuigen, omdat deze weg dood loopt. Het is daarmee geen doorgaande weg en enkel bedoeld voor bestemmingsverkeer. Op dit moment is het als een erftoegangsweg ingericht met een huidige gemiddelde intensiteit van 500/600 motorvoertuigen per etmaal. Volgens de landelijke richtlijnen van de CROW heeft een dergelijke weg een maximale intensiteit van 5.000 motorvoertuigen per etmaal vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid en leefbaarheid. Bovendien op het drukste uur van de dag rijdt er naar verwachting 10% van de totale verkeersgeneratie over deze weg. Dit extra verkeer heeft daarom naar verwachting geen nadelige gevolgen voor de infrastructuur.
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. Beschreven moet worden op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. Voorkomen moet worden dat ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc., te voorkomen.
| Thema en water(beheer)doelstelling | Uitwerking |
|
Veiligheid waterkeringen
Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte. |
Het plangebied is niet gelegen in of in de nabijheid van een waterkering. Wel bevindt het plangebied zich in de beschermingszone van secundaire watergangen. |
|
Voorkomen overlast door oppervlaktewater
Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende bouwpeil om overstroming vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties. |
In de huidige situatie bestaat het plangebied volledig uit agrarische gronden en daarmee geheel onverhard. In de toekomstige situatie is naar schatting 5.570 m² aan dakoppervlak te verwachting. Aan dichte bodemverharding (wegen, paden, speelkooi, schoolplein) is 11.175 m² te verwachten. Aan doorlatende bodemverharding (parkeren in het groen) is 1.350 m² geschat. Gezamenlijk komt dit neer op een totaal van 18.095 m². Dat betekent een waterbergingsopgave van afgerond 1.358 m³ (18.095 x 0,075). Dit geeft met een maatgevende regenbui (T= 100, een waterstand tot NAP -1.18m) een wateroppervlakte van 5.000 m². Binnen het plangebied zijn meerdere mogelijkheden om de waterbergingsopgave te realiseren. In het verlengde van de Windlustlaan wordt in ieder geval een nieuwe waterberging/watergang gerealiseerd (zie paragraaf 2.1.2 Toekomstige situatie). |
|
Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater
Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten. |
Het huishoudelijk afvalwater (DWA) wordt gescheiden van het hemelwater (HWA) en afgevoerd naar het rioolstelsel. Het hemelwater (HWA) kan eventueel ook oppervlakkig afstromen naar de secundaire watergangen aan de zuid- en westzijde van het plangebied. Deze watergangen blijven behouden. Wel dient dan te worden nagegaan of de vijver voldoende bergings- en infiltratiemogelijkheden heeft, anders dient een overstortmogelijkheid te worden onderzocht. |
|
Grondwaterkwantiteit en verdroging
Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en –mogelijkheden. |
De ontwikkeling voorziet niet in het onttrekken van grondwater. Er wordt eventuele grondwateroverlast voorkomen door het realiseren van de waterberging(en) en bijvoorbeeld zoveel mogelijk groen toe te passen (doorlatende bodemverharding t.b.v. parkeren). |
|
Grondwaterkwaliteit
Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden. |
De grondwaterkwaliteit zal als gevolg van de ontwikkeling niet verslechteren. Er worden duurzame materialen toegepast. |
|
Oppervlaktewaterkwaliteit
Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren. |
Het regenwater wordt gescheiden getransporteerd naar het oppervlaktewater (oppervlakkig of via een regenwaterriool). Er zal geen gebruik worden gemaakt van uitloogbare materialen. Er zijn (daardoor) geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit te verwachten.
|
|
Volksgezondheid
Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via o.a. de daarvoor benodigde ruimte. |
Waar redelijkerwijs mogelijk, worden langs waterlopen flauwe (en natuurvriendelijke) oevers aangelegd. |
|
Bodemdaling
Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken. |
Er wordt geen grondwater onttrokken en hemelwater wordt zoveel als mogelijk op het terrein teruggevoerd. Bodemdaling wordt dan ook niet verwacht. |
|
Natte natuur
Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. |
Met de gewenste ontwikkeling worden waardevolle wateren en natte natuur niet aangetast, maar kan zicht juist ontwikkelen. |
|
Onderhoud oppervlaktewater
Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting. |
Bij de inrichting van oppervlaktewater en oevers word rekening gehouden met het onderhoud ervan. Onderhoud van de oppervlaktewateren is een gedeelde verantwoordelijkheid van het waterschap en de gemeente. Binnen de onderhoudsstrook van 5 meter langs de secundaire watergangen worden geen gebouwen/bouwwerken, beplanting en/of andere obstakels geprojecteerd. Het onderhoud wordt hierdoor niet belemmerd. |
| Andere belangen waterbeheer | |
|
Relatie met eigendom waterbeheerder
Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren. |
In het plangebied zijn geen gronden en objecten van het waterschap gelegen. |
|
Wegen in beheer bij het waterschap
(alleen invullen voor zover van toepassing) |
Niet van toepassing. |
In onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Hierbij moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden geldt een m.e.r.-plicht.
In onderdeel D is per activiteit de drempelwaarde benoemd. Als een activiteit voorkomt in onderdeel D en boven de drempelwaarde komt, geldt voor het te nemen besluit een m.e.r.-beoordelingsplicht. Indien er activiteiten plaatsvinden die in onderdeel D zijn opgenomen, maar onder de drempelwaarde blijven, dient er nagegaan te worden of het project grote milieugevolgen heeft. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r..
De hoofdcriteria waaraan getoetst moet worden zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. Het bevoegd gezag dient vervolgens voor de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een besluit te nemen of er een MER moet worden opgesteld. De grondslag hiervoor is een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Het bestemmingsplan betreft de activiteit genoemd in onderdeel D11.2: ''De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen''. Een 'formele' besluit-m.e.r.-beoordeling is dan vereist, indien sprake is van een van de aangewezen besluiten in kolom 4 van de bijlage bij het Besluit m.e.r en indien sprake is van een geval zoals opgenomen in kolom 2. Voor betreffende activiteit is sprake van een dergelijk geval indien de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen.
De gewenste ontwikkeling ligt ruim onder de drempelwaarde(n). Een vormvrije m.e.r-beoordeling is dan noodzakelijk. Hiervoor is aanmeldnotitie opgesteld (zie Bijlage 5). Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling (en voorgaande paragrafen) blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
Omgevingsaspecten zijn onderzocht en vormen geen belemmering voor de ontwikkeling. Planologische medewerking aan het initiatief ligt dan ook in de rede.
Voor bouwplannen zoals die zijn aangewezen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het uitgangspunt dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt. Van de verplichting een exploitatieplan vast te stellen kan onder andere worden afgeweken als het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door een anterieure overeenkomst of doordat de verplicht te verhalen kosten zijn verdisconteerd in de grondprijs.
Met het realiseren van de kleine woonwijk is er sprake van een bouwplan zoals hierboven bedoeld. Voor de gehele ontwikkeling is een globale grondexploitatie opgesteld. De kosten hiervoor zijn opgenomen in de gemeentelijke begroting.
Vooroverleg
Vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is voor dit plan van toepassing. In het kader van dit bestuurlijke vooroverleg is het plan in ieder geval toegezonden aan de provincie, het waterschap en de veiligheidsregio.
Ter inzage legging ontwerpbestemmingsplan
Gelet op het bepaalde in artikel 3.8 Wro in combinatie met afdeling 3.4 Awb wordt een ontwerpbestemmingsplan, na voorafgaande bekendmaking, gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Een ieder is dan in de gelegenheid zijn of haar zienswijze mondeling of schriftelijk kenbaar te maken bij de gemeenteraad. Vaststelling van het bestemmingsplan, al dan niet in gewijzigde vorm, gebeurt met inachtneming van de ingediende zienswijzen.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft ter inzage gelegen van 13 april tot en met 24 mei 2023. Gedurende deze termijn zijn 7 zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn tijdig (binnen de termijn) kenbaar gemaakt. De zienswijzen zijn dan ook ontvankelijk. Voor de beantwoording van de zienswijzen wordt verwezen naar Bijlage 6. Verder is een aantal ambtshalve wijzigingen aangebracht.