| Plan: | Buitengebied, Kleine Huissenspolderweg (ong.) Zaamslag |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0715.BPBG15-VG01 |
Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op een locatie in het buitengebied van de kern Zaamslag in de gemeente Terneuzen. Het plan heeft tot doel de bouw van een burgerwoning in het buitengebied van Terneuzen, op een locatie aan de overzijde van de Kleine Huissenspolderweg 2, planologisch mogelijk te maken. De gemeente Terneuzen is in principe bereid om medewerking te verlenen aan de bouw van een woning op deze locatie.
De bouw van de woning volgt rechtstreeks uit de sanering van de voormalige agrarische bedrijfslocatie Binnendijk 22/22a in Hoek in 2014. Omdat op dit adres een aanzienlijke oppervlakte (ruim 4.000 m²) aan voormalig detonerende bedrijfsbebouwing is gesloopt, is met de eigenaar van het perceel overeengekomen dat in verband met de sloop/saneringskosten hij recht heeft op de bouw van drie compensatiewoningen. Deze regeling staat bekend als de ruimte-voor-ruimteregeling.
In het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Terneuzen' is voor deze ruimte-voor-ruimteregeling een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Deze bevoegdheid kan worden toegepast indien vervangende nieuwbouw op dezelfde locatie plaatsvindt. In de gevallen waar sprake is van een specifieke situatie die niet binnen de wijzigingsregels past – bijvoorbeeld als de sloop op een andere locatie plaatsvindt, dan waar de vervangende nieuwbouw wordt gerealiseerd - maar wel voldoet aan de hierboven genoemde uitgangspunten, zal een zelfstandige planologische procedure worden gevolgd.
De eigenaar van het perceel Kleine Huissenspolderweg (hierna de initiatiefnemer) heeft een van deze drie planologische titels overgenomen. De nieuwbouw vindt plaats op een andere locatie binnen het plangebied van het bestemmingsplan 'Buitengebied Terneuzen' dan waar de agrarische bedrijvigheid is gesaneerd. Er kan geen gebruik worden gemaakt van de ruimte-voor-ruimteregeling dus de ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Terneuzen'.
Doel van het voorliggende bestemmingsplan is om de beoogde ontwikkeling planologisch mogelijk te maken.
De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1. Het plangebied grenst aan de oostzijde aan de weg 'Kleine Huissenspolderweg'.
Figuur 1.1 Ligging plangebied (bronnen: Google en Geoloket Zeeland)
De toelichting op het bestemmingsplan heeft de volgende opzet:
In dit hoofdstuk worden de huidige situatie, waaronder de huidige bestemmingsregeling, en de beoogde ontwikkeling beschreven. Vervolgens wordt toegelicht op welke wijze de ontwikkeling juridisch-planologisch is vertaald in het nieuwe bestemmingsplan.
In de huidige situatie is het plangebied een akkerveld. Langs de noord-west zijde van het plangebied ligt een sloot. Aan de oostzijde van het plangebied ligt de 'Kleine Huissenspolderweg' met aan de overzijde van deze weg een grondgebonden stierenfokkerij (Kleine Huissenspolderweg 2). Langs de oever van de sloot is enige beplanting aanwezig. Ten westen van het plangebied, op ongeveer 150 meter afstand, staat een historische boerderij.
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Terneuzen' dat op 25 juni 2013 door de gemeenteraad van Terneuzen is vastgesteld. Naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State (van 11 maart 2015) is het plan op 7 juli 2015 door de gemeenteraad Terneuzen gewijzigd vastgesteld. In het bestemmingsplan heeft de locatie de bestemming 'Agrarisch'. Voor de locatie is geen bouwvlak opgenomen. Figuur 2.1 bevat een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.
Figuur 2.1 Uitsnede Bestemmingsplan 'Buitengebied Terneuzen' (Ruimtelijkeplannen.nl)
Voor de bouw van compensatiewoningen is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Deze bevoegdheid kan in de meeste situaties worden toegepast, waarbij vervangende nieuwbouw op dezelfde locatie plaatsvindt. In de gevallen waar sprake is van een specifieke situatie die niet binnen de wijzigingsregels past – bijvoorbeeld als de sloop op een andere locatie plaatsvindt, dan waar de vervangende nieuwbouw wordt gerealiseerd – maar wel voldoet aan de hierboven genoemde uitgangspunten, zal een zelfstandige planologische procedure worden gevolgd. Dat is hier aan de orde.
In het geldende bestemmingsplan geldt een goothoogte van ten hoogste 6 meter en een nokhoogte van ten hoogste 10 meter. De inhoud voor een burgerwoning is ten hoogste 750 m³. Via een afwijkingsbevoegdheid mag de woning vergroot worden tot 1.250 m³. Voor de vergroting van de inhoud van een woning, niet gelegen in een bebouwingslint, gelden de volgende voorwaarden:
de omgevingsvergunning wordt slechts verleend als zorg wordt gedragen voor een goede landschappelijke inpassing; medewerking wordt slechts verleend indien een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing.
De ontwikkeling voorziet in de bouw van een vrijstaande woning. De woning wordt geprojecteerd op 20 meter van de Kleine Huissenspolderweg. In het bouwplan heeft de nieuwbouw woning een maximale inhoud van 1.250 m³.
Langs de gehele zuidzijde van het plangebied komt een beplantingsstrook van circa zeven meter breed. Aan de noordzijde komt een vijf meter brede beplantingsstrook. Deze stroken worden aangelegd om geen hinder te ondervinden van het gebruik van toxische middelen op de aangrenzende agrarische percelen. Deze stroken krijgen de bestemming 'Groen'.
Aangezien de woning wordt gebouwd in het buitengebied is (landschappelijke) inpassing van de woning vereist. Hierin wordt voorzien door een beplantingsplan, dat is opgesteld door Stichting Landschapsbeheer Zeeland. Het beplantingsplan is in figuur 2.2 weergegeven. In Bijlage 1 is het beplantingsplan in zijn geheel terug te vinden.
De bouw van de woning is planologisch aanvaardbaar omdat de woning is geprojecteerd te midden van vier andere (bedrijf)woningen. Er zijn geen belemmeringen voor de bouw van de woning en worden omliggende functies evenmin in belangrijke mate belemmerd.
Figuur 2.2 Beplantingsplan perceel Kleine Huissenspolderweg Zaamslag (Bron, Stichting Landschapsbeheer Zeeland)
In dit bestemmingsplan is de agrarische bestemming omgezet in een woon- en groenbestemming. Binnen het plangebied wordt één woning mogelijk gemaakt. Het bouwvlak wordt geprojecteerd op 20 meter uit de kant van de weg, krijgt een diepte van 45 meter en ligt nagenoeg over de gehele breedte van het plangebied, met uitzondering van de groenstroken. Voor de bouwregeling van de woning wordt niet aangesloten op de bouwregels van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Terneuzen'. De maximale inhoud voor een burgerwoning van 750 m³ wordt overschreden.
Voor de volledigheid is de analoge verbeelding opgenomen in Bijlage 2.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)
Analyse
Met de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) kiest het Rijk voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Uitwerking vindt veelal plaats in wetgeving zoals Waterwet, Deltawet en de toekomstige Omgevingswet.
Toetsing en conclusie
Een van de nationale belangen die relevant is voor het voorliggende bestemmingsplan is een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming. Hier wordt aan voldaan.
Daarnaast is aangegeven dat het bij de programmering van onder andere woningen van belang is dat wordt uitgegaan van de daadwerkelijke regionale behoefte.
Voor het overige is in de SVIR geen concreet beleid op nationaal niveau geformuleerd dat van belang is voor het voorliggend bestemmingsplan. De SVIR genoemde nationale belangen worden door de voorgenomen ontwikkelingen niet geschaad.
Besluit ruimtelijke ordening (Bro, 2012)
In het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) is geregeld dat voor stedelijke ontwikkelingen - waaronder het bouwen van woningen - een onderbouwing in het bestemmingsplan noodzakelijk is (artikel 3.1.6. van het Bro). In de toelichting van een bestemmingsplan dat woningbouw mogelijk maakt, moet een onderbouwing worden opgenomen volgens de 'Ladder voor duurzame verstedelijking', die ook wel 'duurzaamheidsladder' wordt genoemd.
Via de duurzaamheidsladder stimuleert het Rijk de herstructurering van bestaand stedelijk gebied om de ontwikkeling van nieuwe terreinen te verminderen. Dit draagt bij aan economische dynamiek, zorgvuldig gebruik van ruimte en infrastructuur en behoud van de leefbaarheid van het stedelijk en landelijk gebied.
De 3 stappen in de ladder
In het Bro staan de drie stappen van de ladder beschreven:
Uit jurisprudentie blijkt dat de grens van een nieuwe stedelijke ontwikkeling tussen de acht en veertien woningen ligt. Omdat er hier sprake is van één nieuw te bouwen woning hoeft de duurzaamheidsladder niet te worden toegepast. Op grond van (nieuw) provinciaal beleid dient voor kleinschalige woningbouwontwikkelingen de vraag te worden aangetoond (zie paragraaf 3.2).
In het buitengebied is het uitsluitend mogelijk om een woning te realiseren wanneer de ruimte-voor-ruimteregeling wordt toegepast. Door het verbeteren van de kwaliteit in het buitengebied door sloop van voormalige (agrarische) bedrijfsbebouwingen, wordt ter compensatie een of meerdere woningen toegestaan.
Conclusie
Voor dergelijke kleine plannen behoeft de ladder niet te worden toegepast. Van belang is dat de bouw wel past binnen de kaders die de provincie hiervoor heeft aangegeven (zie paragraaf 3.2).
Er kan worden meegewerkt aan de bouw van de nieuwbouwwoning vanwege het wegbestemmen van Binnendijk 22/22a in Hoek, geregeld in herziening Buitengebied, Van Wuyckhuiseweg 1/1a en Binnendijk 22/22a Hoek.
Inzet van beleid
In het omgevingsplan geeft de provincie haar beleidsvisie op de toekomst van Zeeland. Een sterke economie, een goed woon- en werkklimaat en kwaliteit van water en landelijk gebied zijn sleutelbegrippen. De verantwoordelijkheid voor het ruimtelijk beleid wordt primair bij de samenwerkende gemeenten gelegd. De provincie beperkt zich tot het bevorderen van de regionale samenwerking en het bewaken van een aantal eigen belangen.
Kort samengevat wordt ingezet op:
Ruimte-voor-ruimteregeling
Het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 biedt ruimte om maatwerk te realiseren bij concrete initiatieven. De ruimte-voor-ruimteregeling is een regeling binnen het beleid om dit te bewerkstelligen. Een eenvoudige vorm van ruimte-voor-ruimte is het uitruilen van ontwikkelingsmogelijkheden. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om ongewenste of in onbruik geraakte objecten in het buitengebied te saneren in ruil voor planologische ontwikkelingsruimte. Wanneer ongewenste of in onbruik geraakte objecten worden gesaneerd, kunnen hiertegenover maximaal 3 compensatiewoningen worden gerealiseerd.
De voor de provincie relevante beleidskaders uit het Omgevingsplan zijn verwerkt in de Verordening Ruimte Provincie Zeeland (zie hierna).
Analyse
Een aantal onderdelen uit het Omgevingsplan is geregeld in de Verordening Ruimte Provincie Zeeland (hierna VRPZ). Van gemeenten wordt een bijdrage verwacht aan de uitvoering van de beleidsdoelen. Verder streeft de provincie naar realisering van beleidsdoelen met de inzet van andere instrumenten. Daartoe wordt verwezen naar de inhoud van het Omgevingsplan.
Toetsing en conclusie
Voor wat betreft dit plan zijn de regels uit de VRPZ aangaande de volgende aspecten van belang.
Wonen (Artikel 2.3 van de verordening)
Nieuwe burgerwoningen in het landelijk gebied kunnen alleen worden toegestaan indien in de toelichting bij het noodzakelijke bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat wordt voldaan aan de in bijlage 3 bij de verordening bedoelde voorwaarden. In die bijlage zijn de volgende mogelijkheden opgenomen voor kleinschalige woningbouwlocaties in het landelijk gebied:
Bufferzones (artikel 2.7 van de verordening)
In een bestemmingsplan waarin voor de eerste maal woon- of verblijfsrecreatieve bestemmingen worden aangewezen worden nieuwe woon- of verblijfsrecreatieve functies niet toegelaten binnen een afstand van:
Hiervan kan worden afgeweken indien aannemelijk is dat geen of nagenoeg geen hinder optreedt bij woon- of verblijfsrecreatieve functie en daarbij de kleinere afstand niet leidt tot onevenredige beperking in de bedrijfsvoering van het betrokken agrarisch bedrijf.
Binnen een afstand van 100 meter van de perceelsgrens is de rundveefokkerij Kleine Huissenspolderweg 2 aanwezig.
In paragraaf 4.5 zijn de milieueffecten getoetst. Geconcludeerd is dat ter plaatse van de (nog te realiseren) woning sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat er in de omgeving geen bedrijven aanwezig zijn die door de woningbouwontwikkeling in hun bedrijfsvoering worden beperkt.
Van belang daarbij is onder andere dat intensieve veehouderij op het agrarisch perceel niet is toegestaan. Fruitteelt is daarintegen in de huidige situatie wel mogelijk, maar in de toekomstige situatie niet. Gezien de situatie ter plaatse (akkerbouwgebied en aanwezigheid bedrijfswoning met bijbehorende tuin) ligt dat ook niet voor de hand. Het bedrijf wordt dan ook niet onevenrdig in zijn bedrijfsvoering belemmerd.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling past binnen het provinciaal beleid.
Structuurvisie Terneuzen 2025
De structuurvisie Terneuzen 2025 (februari 2010) is een visiedocument voor de ontwikkeling van de gemeente Terneuzen voor de lange termijn. De structuurvisie fungeert voor het gemeentebestuur als (ruimtelijk) afwegingskader bij de beoordeling van nieuwe initiatieven. De structuurvisie vormt daarmee een belangrijk kader voor bestemmingsplannen.
De structuurvisie schetst een te verwachten toekomstbeeld anno 2025, rekening houdende met de ontwikkelingen in de economie en in de leefomgevingskwaliteit (wonen, maatschappelijke voorzieningen, recreatie, natuur en water).
Het buitengebied van de gemeente bestaat voor een groot deel uit agrarisch gebied. De agrarische sector draagt voor een groot deel bij aan de zorg voor het onderhoud en het beeld van het landschap. Het agrarische gebied functioneert goed en ook de uitstraling volstaat. Grote ruimtelijke ingrepen worden de komende jaren niet verwacht. Voor zover ontwikkelingen plaatsvinden binnen het buitengebied, die niet zijn gericht op de agrarische functie (bijvoorbeeld door de toevoeging van Nieuwe Economische Dragers), geldt dat deze ontwikkelingen de agrarische bedrijfsvoering niet in de weg mogen staan. In hoofdstuk 4 is gemotiveerd dat dit inderdaad niet het geval is.
Beleidsnotitie voor het agrarisch gebied.
In het bestemmingsplan 'Buitengebied' is een beleidsnotitie voor het agrarisch gebied opgenomen. Daarin is het uitgangspunt dat voor ontwikkelingen in het buitengebied de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse van de ontwikkeling wordt verbeterd. Dit dient te blijken uit een (ruimtelijke) onderbouwing waarin nadrukkelijk aandacht aan het aspect beeldkwaliteit (streekeigen en landelijk karakter, erfinrichtings- of beplantingsplan) wordt besteed.
Verder geldt dat karakteristieke en cultuurhistorisch waardevolle bebouwing niet mag worden gesloopt en dat er geen belemmeringen mogen optreden voor de agrarische bedrijven in de omgeving.
De structuurvisie dient als afwegingskader voor de gemeente Terneuzen bij nieuwe initiatieven.
Toetsing
Weliswaar wordt de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse van de ontwikkeling niet verbeterd, maar elders is dat wel het geval. De nieuwbouw komt voort uit een verkregen bouwtitel, vanwege de sanering van de voormalige agrarische bedrijfslocatie Binnendijk 22/22a in Hoek in 2014. Hiervoor is de 'ruimte voor ruimte'-regeling van toepassing (zie paragraaf 3.2.2). Op de nieuwe locatie wordt door het goede landschappelijke inpassingsplan met streekeigen beplanting eveneens de kwaliteit in het buitengebied gewaarborgd.
Conclusie
De voorgenomen bouw van een nieuwe woning aan de Kleine Huissenspolderweg past in de gedachte van de ruimte voor-ruimte-regeling, ook al wordt de nieuwbouw niet gerealiseerd op de locatie waar sanering van bedrijfsbebouwing heeft plaatsgevonden.
De te realiseren woning staat de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven in de nabije omgeving niet onevenredig in de weg.
Beleids-/toetsingskader
Voor ruimtelijke plannen dient met de watertoets aangetoond te worden dat dit geen negatieve gevolgen heeft voor de waterkwaliteit. De initiatiefnemer dient in dat kader in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het waterschap Scheldestromen, waar het plangebied binnen valt maakt gebruik van een watertoetstabel. Hieruit moet blijken of de beoogde functiewijziging strijdig is met waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen.
Toetsing/onderzoek
Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Scheldestromen, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met het waterschap. De vereiste waterparagraaf is in deze paragraaf opgenomen. Het waterschap heeft op 9 augustus 2016 aangegeven in te stemmen met het plan en de waterparagraaf.
Tabel 4.1 Watertoetstabel
| thema en water(beheer)doelstelling | uitwerking |
| Waterveiligheid Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte. |
Het plan ligt niet binnen een beschermingszone van een waterkering. De ontwikkeling heeft dan ook geen gevolgen voor de waterveiligheid. |
| Wateroverlast (vanuit oppervlaktewater) Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende hoog bouwpeil om inundatie vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties. |
Ten gevolge van het bestemmingsplan wordt er circa 700 m² verharding mogelijk gemaakt., wat in deze situatie neerkomt op circa 52,5 m³ compenserende waterberging. Het waterpeil bij een situatie van T=100 is NAP +0,44 m. Het zomerpeil bedraagt NAP -0,20 m, dus er is 0,64 m bergende waterschijf. Om de benodigde waterberging te realiseren is dus 82 m² nieuw oppervlakte nodig. De waterberging kan worden gevonden in verbreding van de watergang langs de noordzijde van het perceel. Het bouwpeil dient bij voorkeur 30 á 50 cm boven het T=100 peil te liggen. |
| Grondwaterkwantiteit en verdroging Tegengaan / verhelpen van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en benutten van infiltratiemogelijkheden. |
De ontwikkeling voorziet niet in het onttrekken van grondwater. De ontwikkeling veroorzaakt evenmin mogelijke grondwateroverlast. |
| Hemel- en afvalwater (inclusief water op straat / overlast) Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten. |
Er ligt geen gemeentelijke riolering in de buurt, daarom zal het afvalwater worden geloosd op een IBA. Onderzocht wordt of hemelwater kan worden hergebruikt. Overtollig hemelwater kan worden geloosd op (bij voorkeur) de bodem of nabijgelegen watergang. |
| Volksgezondheid (water gerelateerd) Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via o.a. de daarvoor benodigde ruimte. |
De ontwikkeling heeft geen invloed op de water gerelateerde volksgezondheid. Bij inrichting van het toekomstige woonperceel wordt rekening gehouden met (kind)veiligheid in verband met de nabij gelegen sloot. |
| Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra) maaivelddalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken. |
Het plangebied is weinig zettingsgevoelig. Hier hoeft dan ook geen rekening mee gehouden te worden bij de bouwwerkzaamheden. |
| Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud / realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden en zuiveren. |
Zowel tijdens de bouwfase als de gebruiksfase worden geen uitlogende materialen gebruikt. Daarom heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de oppervlaktewaterkwaliteit. |
| Grondwaterkwaliteit Behoud / realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden. |
Evenals bij het voorgaande aspect geldt voor de grondwaterkwaliteit dat tijdens zowel de bouwfase als de gebruiksfase geen uitlogende materialen wordt gebruikt. Negatieve effecten op het grondwater worden daarom niet verwacht. |
| Natte natuur Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. |
In de nabije omgeving van de ontwikkeling is geen natte natuur aanwezig. Daarom vormt de ontwikkeling hier geen belemmering voor. |
| Onderhoud oppervlaktewater Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting. |
Langs de noordrand van het perceel ligt een primaire watergang. De onderhoudsstrook daarlangs moet toegankelijk blijven. Dit geldt ook bij de verbreding van de watergang tbv. waterberging. In overleg met het Waterschap is het wellicht mogelijk om de kavelsloot langs het perceel vanaf 1 zijde te onderhouden. Dit wordt bij de watervergunning/omgevingsvergunning nader bepaald. Een 'verklaring van geen bezwaar' moet daarbij worden ingevuld en meegestuurd worden met de aanvraag voor de omgevingsvergunning/watervergunning. |
| Andere belangen waterbeheerder(s) | |
| Relatie met eigendom waterbeheerder Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren. |
De ontwikkeling vormt geen belemmering voor eigendommen van het waterschap. |
| Scheepvaart en/of wegbeheer Goede bereikbaarheid en in stand houden van veilige vaarwegen en wegen in beheer en onderhoud bij Rijkswaterstaat, de provincie en/of het waterschap. |
De ontwikkeling van één woning heeft nagenoeg geen effect op de verkeersdoorstroming. Daarom vormt dit aspect geen belemmering. |
Conclusie
De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
Toetsingskader
Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.
Toetsing/onderzoek
Uit de historische bodemtoets blijkt dat het perceel volgens de bodemkwaliteitskaart gekwalificeerd is als bodemkwaliteitsklasse 'achtergrondwaarde'. Verder blijkt dat ter plaatse van de locatie in 1989 een historisch bodemonderzoek is uitgevoerd. Het perceel ligt namelijk direct ten zuiden van de voormalige stortplaats 'Kleine Huissenspolder'. Een uitloper van liep richting de bouwlocatie. Die is destijds gesaneerd door de provincie voor gebruik als landbouwgrond
Uit de historische kaarten komen geen bijzonderheden naar voren. Gekeken naar de bodemkwaliteitskaart, aanwezige bodemkaarten en historische kaarten blijkt het plangebied onverdacht te zijn. Om die reden is op grond van artikel 2.1.5. lid 3 van de Bouwverordening afgeweken van de plicht dat een bodemonderzoeksrapport moet worden ingediend als bedoeld in artikel 2.4 onder d van de regeling omgevingsrecht.
Conclusie
Het aspect bodemkwaliteit staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.
Archeologie
Toetsingskader
Op grond van de Wro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn behoud en beheer van het bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten. Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan moet met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten rekening worden gehouden. In het belang van de archeologische monumentenzorg kan bij een ruimtelijk plan worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld.
Beleid
Op 27 januari 2011 is door de gemeenteraad van Terneuzen het interim beleid archeologie vastgesteld (zie http://www.terneuzen.nl/Onze_Organisatie/Beleid_Verordeningen/Beleid). De insteek van dit beleid is het regelen van archeologie in ruimtelijke plannen. In een cyclus van 10 jaar zullen alle ruimtelijke plannen aangepast worden, waarbij archeologie in de plannen zal worden ingebracht of geactualiseerd aan de hand van het dan geldende beleid. Als vangnet fungeert de Erfgoedverordening Terneuzen 2011. Deze verordening is geactualiseerd en is in samenhang met het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. In lijn met de intentie van de wetgever wordt een algemene vrijstelling voor archeologie verleend tot 100 m2 voor de zogenaamde kruimelgevallen. De achterliggende gedachte van het archeologiebeleid is het in beeld brengen van de gebieden in de gemeente Terneuzen met een archeologische verwachtingswaarde. Deze verwachtingswaarde kan per gebied en per geologische laag verschillen. De insteek is daarbij soepel waar het kan en streng waar nodig. Voor een aantal gebieden is de huidige kennis ontoereikend. Deze leemten worden in de toekomst ingevuld. Aan de hand van de archeologische verwachtingswaarde wordt per deelgebied een grens gesteld waarboven archeologisch onderzoek verplicht is en waaronder vrijstelling wordt verleend. Een en ander is uitgewerkt in een stroomschema in bijlage 1 van 'De onderste steen boven? Interim-beleid archeologie gemeente Terneuzen'. Wanneer archeologisch onderzoek verplicht is, dient de archeologische monumentenzorg cyclus (AMZ-cyclus) te worden doorlopen. Deze cyclus is er op gericht om te beoordelen of verdergaand onderzoek of behoud noodzakelijk is. Voor de uitvoering en de beoordeling van de onderzoeken wordt aangesloten bij de landelijke en provinciale regelgeving. Door deze cyclus op een goede manier te doorlopen kan een gedegen afweging gemaakt worden waar behoud ter plaatse (in situ) of een opgraving (ex situ) noodzakelijk is of achterwege kan blijven.
Toetsing
In Bijlage 3 bij de toelichting van dit bestemmingsplan is een basistoets en advies archeologie toegevoegd. Deze is uitgevoerd door Edufact. Uit de toetsing aan het gemeentelijk beleidskader volgt dat voor het plangebied een zeer lage kans bestaat op het aantreffen van archeologische vondsten. In het bestemmingsplan worden dan ook geen archeologische waarden veilig gesteld.
Cultuurhistorie
Toetsingskader
In het Bro (artikel 3.6.1. lid 2) is bepaald dat in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging.
Toetsing
Het plangebied ligt in de Margarethapolder. De polder is in 1551 verdronken en in in de 18e eeuw opnieuw op de zee teruggewonnen. Door herinrichting is de historisch-ruimtelijke structuur grotendeels verdwenen.
In de gemeentelijke structuurvisie is de Margarethapolder gekarakteriseerd als landschapstype 'open polderlandschap'. Dit veel voorkomend landschapstype in het buitengebied wordt gekenmerkt door grootschalige en rechthoekige verkavelingen. Het beleid is erop gericht versnippering van het landschap tegen te gaan. De kwaliteiten van vergezichten over de openheid worden namelijk snel teniet gedaan door kleine ingrepen.
Direct langs de westzijde van de Kleine Huissenspolderweg is momenteel geen bebouwing aanwezig.
De boerderij op het adres Valweg 6, een rijksmonument, ligt op circa 200 meter van de weg.
Figuur 4.1 Zicht vanaf Kleine Huissenspolderweg op rijksmonument Valweg 6 met op voorgrond het plangebied (foto: google)
Door de voorgenomen ontwikkeling wordt de schaal van het landschap verkleind. Omdat schuin tegenover de beoogde locatie ook een boerderij aanwezig is, en binnen een afstand van 300 meter nog eens 3 bouwpercelen, is het effect op de openheid van de polder beperkt.
De boerderij op het adres Valweg 6 is rondom afgeschermd door (hoge) opgaande beplanting. Aan de zuidoostzijde is de beplanting wat minder dicht en ook lager. De bebouwing is hierdoor uit de richting van het plangebied beter waarneembaar, vooral in de winter. Door het realiseren van het nieuwe woonperceel wordt het zicht op de boerderij vanaf de Kleine Huissenspolderweg over een lengte van circa 180 meter afgeschermd (zie figuur 4.2). Er blijft niettemin voldoende zicht op de boerderij.
Figuur 4.2 Invloed ontwikkeling op het zicht op de boerderij Valweg 6 vanaf de Kleine Huissenspolderweg (foto, Google)
Het plangebied is momenteel onbebouwd. Er zijn dan ook geen cultuurhistorisch waardevolle monumenten aanwezig. Naast het hiervoor genoemde rijksmonument zijn in de omgeving nog enkele historische boerderijen aanwezig (zie figuur 4.3)
Figuur 4.3 Cultuurhistorische waarden omgeving Kleine Huissenspolderweg (bron, Provincie Zeeland)
De invloed van de voorgenomen ontwikkeling op het zicht opo deze boerderijen is nul of verwaarloosbaar.
Conclusie
De aspecten archeologie en cultuurhistorie staan de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg. Voor het plangebied bestaat namelijk een zeer lage kans op het aantreffen van archeologische vondsten. Door de voorgenomen ontwikkeling ontstaat enige verdichting in de grotendeels open polder en wordt het zicht op de cultuur-historisch waardevolle boerderij Valweg 6 beperkt. Het effect is niet zodanig groot dat de ontwikkeling daarmee onaanvaardbaar is.
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.2 weergegeven.
Tabel 4.2 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
| stof | toetsing van | grenswaarde |
| stikstofdioxide (NO2) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| fijn stof (PM10) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ | |
| fijn stof (PM2,5) | jaargemiddelde concentratie | 25 µg /m³ |
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate
In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
Toetsing
Er wordt in onderhavig bestemmingsplan slechts één woning mogelijk gemaakt. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Daarmee kan gesteld worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2015 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Guido Gezellestraat. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2015 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen 21,4 µg/m³ voor NO2, 21,4 µg/m³ voor PM10 en 13,3 µg/m³ voor PM2,5. Het maximaal aantal overschrijdingsdagen van het 24-uurs gemiddelde voor fijnstof bedraagt 9 dagen.
Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de bouw van de woning. Ter plaatse is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.
Beleid en normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de realisatie van woningen nabij bedrijven of vise versa;
Omdat in de omgeving alleen agrarische bedrijven aanwezig zijn, wordt hierna volstaan met een toetsing de wetgeving die voor deze bedrijven van toepassing is.
Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:
Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, deze zijn weergegeven in de onderstaande tabel.
Tabel 4.3 Overzicht geurnormen Wgv
| concentratiegebied | niet-concentratiegebied | ||
| binnen bebouwde kom | diercategorieën Rgv | max. 3 ouE/m³ |
max. 2 ouE/m³ |
| andere diercategorieën | min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object | min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object | |
| buiten bebouwde kom |
diercategorieën Rgv | max. 14 ouE/m³ | max. 8 ouE/m³ |
| andere diercategorieën | min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object | min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object |
Regeling geurhinder en veehouderij
In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop:
Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij gelden niet de maximale geurbelastingen, maar de minimale afstanden van 100 m binnen de bebouwde kom en 50 m buiten de bebouwde kom.
Activiteitenbesluit
Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee).
Onderzoek
In de nabije omgeving van het plangebied komen met name woningen en enkele agrarische gronden voor, waardoor het gebied getypeerd kan worden als 'rustig buitengebied'. Aan de overzijde van de weg ligt op circa 70 meter een rundveefokkerij (adres Kleine Huissenspolderweg 2). Voor rundvee geldt conform het Activiteitenbesluit en Wgv een afstand van 50 meter. Aan deze afstand wordt voldaan.
Het plangebied wordt aan de noordwest- en zuidzijde begrensd door agrarische akkerlanden. Op deze gronden worden mogelijk gewasbeschermingsmiddelen gebruikt die zich in de omgeving kunnen verspreiden. In de directe omgeving van het plangebied is sprake van lage teelt, waardoor drift van gewasbeschermingsmiddelen over het algemeen beperkt blijft. Langs de noordwest- en oostzijde van het plangebied is een sloot aanwezig. In het Activiteitenbesluit zijn voorwaarden opgenomen die moeten voorkomen dat de watergangen worden verontreinigd door bestrijdingsmiddelen. Zo dient er rekening te worden gehouden met een spuitvrije zone langs deze watergangen. Langs de noordwestzijde wordt daarnaast een Zeeuwse haag geplant met een gewenste hoogte van 3 tot 4 meter. In de haag komt ook een bomenrij te staan. Langs de zuidoosthoek wordt ook een Zeeuwse haag geplaatst. Langs de zuidzijde wordt een beplantingsstrook van 7 meter breed aangelegd. Op basis van het voorgaande wordt enerzijds een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd en wordt de realisatie van de woning aanvaardbaar geacht.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de nog (nog te realiseren) woning sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat er in de omgeving geen bedrijven aanwezig zijn die door de woningbouwontwikkeling in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
Beleid en normstelling
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
Relevant beleidskader
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi): dit besluit geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken.
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water.
Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.
Besluit externe veiligheid buisleidingen
Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Onderzoek
Volgens de professionele risicokaart (http://www.risicokaart.nl/) zijn er in de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Daarnaast vindt er in de directe omgeving geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het spoor of door buisleidingen. Wel ligt op circa 1,1 km ten noorden van het plangebied de Westerschelde waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen bedraagt het maatgevende invloedsgebied (LT2) voor het groepsrisico 880 m. Het plangebied ligt ruim buiten het invloedsgebied.
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Omliggende bronnen hebben geen invloed op het plan.
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Flora- en faunawet (Ffw), de Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie ten aanzien van het Natuurnetwerk Zeeland de uitvoering van het plan niet in de weg staan.
Huidige situatie
In de huidige situatie is het plangebied een akkerveld. Langs de noordwest- en oostzijde van het plangebied ligt een sloot met een aangrenzende groenstrook.
Beoogde ontwikkelingen
Het plan betreft de bouw van een woning, met bijbehorende weg en beplanting. Hiervoor moeten de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd:
Onderzoek
Gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natuurnetwerk Zeeland (NNZ, figuur 4.3). Het dichtstbijzijnde NNZ -gebied is de Margarethapolder, gelegen op circa 630 m ten westen van het plangebied. Het plangebied maakt ook geen deel uit van Natura 2000 (figuur 4.4). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Westerschelde & Saeftinghe, gelegen op circa 900 m ten noorden van het plangebied.
Figuur 4.3 Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. NNZ (Bron: Geo-loket provincie Zeeland)
Figuur 4.4 Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. Natura 2000 gebieden (Bron: Geo-loket provincie Zeeland)
Gezien de ruime afstand tot zowel Margarethapolder als Westerschelde en Saeftinghe en de geringe omvang van de beoogde ontwikkeling (één woning) en de buitendijkse ligging van Westerschelde en Saeftinghe zal de ontwikkeling geen negatieve effecten hebben op deze gebieden. De Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.
Soortenbescherming
De sloot biedt mogelijk leefgebied aan de matig beschermde kleine modderkruiper. Andere beschermde vissoorten zijn hier niet te verwachten. De sloot wordt echter niet aangepast dus aantasting van deze soort is niet te verwachten. Mogelijk komen in het plangebied licht beschermde soorten voor, zoals konijn of haas waarvoor vrijstellingsregelingen van de verbodsbepalingen Ffw gelden. Vanwege het ontbreken van beplanting worden andere soorten uitgesloten.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Bij de uitvoering van het plan zal de algemene zorgplicht van de Ffw in acht worden genomen.
Het aspect geluid kan betrekking hebben op:
De locatie valt niet binnen de geluidzone van een gezoneerd bedrijventerrein. Het aspect industrielawaai is daarom niet relevant. Het aspect inrichtingslawaai is evenmin relevant omdat er geen activiteiten worden uitgeoefend die volgens de Wet milieubeheer (Wm) zijn aan te merken als een inrichting. Op het aspect wegverkeerslawaai wordt hierna ingegaan.
Beleid/toetsingskader
Wanneer akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai verplicht?
Woningen worden door de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) als geluidgevoelige functie aangemerkt. Indien in een bestemmingsplan nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dan is volgens de Wgh akoestisch onderzoek verplicht indien deze worden geprojecteerd binnen de geluidzone van een weg. Daarnaast dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau.
Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg moet worden getoetst. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidhinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.
Nieuwe situaties
Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidbelasting aan de gevel van geluidgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de uiterste grenswaarde niet te boven gaan. De uiterste grenswaarde is op grond van artikel 83 Wgh afhankelijk van de ligging van de woningen (binnen- of buitenstedelijk). Voor de beoogde binnenstedelijke ontwikkeling geldt een maximaal toelaatbare hogere waarde van 63 dB voor wegverkeerslawaai.
Aftrek ex artikel 3.4 RMG 2012
Krachtens artikel 3.4 van het Reken- en Meetvoorschrift Geluidhinder (RMG) 2012 mag het berekende geluidniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Voor wegen met een representatief te achten snelheid lager dan 70 km/h geldt een aftrek van 5 dB. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/h of hoger geldt, afhankelijk van de geluidbelasting zonder correctie, een aftrek van 2 dB, 3 dB of 4 dB. Op de voor de ontwikkeling relevante wegen (Kleine Huissenspolderweg en Schenkeldijk), geldt een maximumsnelheid van 60 km/u. Hiervoor vindt dus een aftrek plaats van 5 dB.
Uitgangspunten
Het nieuwe woonpercel ligt binnen de wettelijke geluidzone van de Kleine Huissenspolderweg en Schenkeldijk. Deze wegen hebben een geluidzone van 250 m uitgaande van een enkele rijstrook en een buitenstedelijke ligging. De toekomstige woning aan de Kleine Huissenspolderweg mag worden gebouwd in drie bouwlagen. Zodoende is een berekening uitgevoerd voor de waarneemhoogten 1,5 meter, 4,5 meter en 7,5 meter.
Intensiteiten
Voor het akoestisch onderzoek dienen de verkeersintensiteiten voor het jaar 2026 te worden gehanteerd (10 jaar na vaststelling van onderhavig bestemmingsplan). Voor de beide wegen zijn geen verkeersintensiteiten bekend. Om een inschatting te maken van de verkeersintensiteiten is gebruik gemaakt van beschikbare verkeersintensiteiten in de omgeving zoals opgenomen op de Verkeersstromenkaart van de Provincie Zeeland. Voor beide wegen heeft een doorrekening plaats gevonden naar 2026 op basis van een autonome groei van 1,0% per jaar. In onderstaande tabel zijn voor beide wegen de verkeersintensiteiten voor 2026 opgenomen.
Voor de voertuig- en etmaalverdelingen voor de Kleine Huissenspolderweg als de Schenkeldijk is gebruik gemaakt van de verdelingen voor respectievelijk plattelandswegen en landelijke ontsluitingswegen.
Tabel 4.4 Verkeersintensiteiten
| weg | intensiteiten (basisjaar) | intensiteiten 2026 |
| Schenkeldijk | 400 (2014) | 450 |
| Kleine Huissenspolderweg | 130 (2014) | 150 |
Tabel 4.5 Voertuig- en etmaalverdeling
| weg |
voertuigverdeling (%) (Licht/Middelzwaar/Zwaar)––– |
dag-, avond-, nachtpercentages |
| Kleine Huissenspolderweg | Dagperiode: 91,44/6,74/1,82 Avondperiode: 91,44/6,74/1,82 Nachtperiode: 91,44/6,74/1,82 |
7,00/2,60/0,70 |
| Schenkeldijk | Dagperiode: 91,08/6,42/2,50 Avondperiode: 91,08/6,42/2,50 Nachtperiode: 91,08/6,42/2,50 |
6,70/2,70/1,10 |
Maximumsnelheid en wegverharding
Op beide wegen geldt een snelheidslimiet van 60 km/uur. Bij het uitgevoerde akoestisch onderzoek is als verhardingstype dicht asfaltbeton (referentiewegdek) aangehouden.
Onderzoek en resultaten
Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd volgens Standaard Rekenmethode I (SRM I) conform het Reken- en Meetvoorschrift Geluidhinder 2012. Voor beide wegen is een berekening gemaakt van de geluidbelasting op de gevel van het pand, waarbij de kortste afstand tot de bron is aangehouden (worstcase benadering). In de volgende tabel is per bron en per waarneemhoogte de berekende geluidbelasting weergegeven. In alle gevallen is de wettelijk toegestane aftrek conform artikel 110g Wgh toegepast. De rekenbladen zijn opgenomen in bijlage 4.
Tabel 4.6 Overzicht geluidbelasting gevel
| weg | afstand tot de wegas | maatgevende waarneemhoogte | geluidsbelasting |
| Kleine Huissenspolderweg | 30 meter | 1,5 meter | 34 dB |
| 4,5 meter | 35 dB | ||
| 7,5 meter | 36 dB | ||
| Schenkeldijk | 220 meter | 1,5 meter | 27 dB |
| 4,5 meter | 28 dB | ||
| 7,5 meter | 29 dB |
Uit tabel 4.6 blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden.
Conclusie
Uit het onderzoek naar wegverkeerslawaai ten gevolge van verkeer op beide wegen blijkt dat de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder van 48 dB niet wordt overschreden. Dit betekent dat er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat.
Het aspect wegverkeerslawaai staat de ontwikkeling dan ook niet in de weg.
Ontsluiting gemotoriseerd verkeer, langzaam verkeer en openbaar vervoer
Het plangebied wordt ontsloten via de Kleine Huissenspolderweg. Deze weg sluit in het noorden aan op de Eendragtweg/Huissenspolderweg, een landelijke ontsluitingsweg die in oostelijke richting naar Terneuzen loopt. In het zuiden sluit de Kleine Huissenspolderweg aan op de Schenkeldijk. Ook deze weg leidt in westelijke richting via de Valweg en de Verkorting naar Terneuzen. Ook kan via de Schenkeldijk worden aangesloten op de Grote Huissenspolderweg, welke via de Zaamslagsedijk en Veer aansluit op de N290.
De Kleine Huissenspolderweg is een erftoegangsweg met een maximum snelheid van 60 km/u die is uitgevoerd met een enkele rijloper. Gemotoriseerd verkeer en langzaam verkeer maken gebruik van dezelfde verkeersruimte. Gezien de ligging van de weg binnen de regionale wegenstructuur en het daarmee samenhangende beperkte gebruik, past deze inrichting bij de inrichtingseisen conform Duurzaam Veilig.
Parkeren
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt aangesloten bij de parkeernomen van de gemeente Terneuzen ('Parkeernota 2015-2020', gemeente Terneuzen). Uit het structuurontwerp blijkt dat de woning in de categorie 'woningen duur' behoort. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente. Voor dit gebiedstype zijn in de parkeernota geen parkeernormen opgenomen. Zodoende is aansluiting gezocht met de kencijfers van het CROW zoals opgenomen in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Op basis daarvan geldt voor een dergelijke woning een parkeerkencijfer van 2,4 parkeerplaatsen per woning. De parkeerbehoefte voor de nieuwe woning bedraagt in beide gevallen 3 parkeerplaatsen. Deze parkeerbehoefte wordt opgevangen binnen het plangebied. Hiervoor is voldoende ruimte aanwezig.
Verkeersgeneratie en afwikkeling
Binnen het plangebied wordt één vrijstaande woning mogelijk gemaakt. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Terneuzen. Voor deze gemeente geldt een weinig stedelijk gebiedstype (bron: CBS). Op basis van het autobezit in deze gemeente, worden hiervoor gemiddelde kencijfers gehanteerd uit publicatie 317 van het CROW ('Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, 2012). Op basis van de gegevens van het CROW geldt voor een “losstaande woning” een verkeersgeneratie van 8,2 mvt/etmaal per woning. Zodoende geldt een verkeersgeneratie van 9 mvt/etmaal. Een dergelijke verkeersgeneratie is dermate beperkt dat deze geen invloed heeft op de verkeersafwikkeling.
Conclusie
De planlocatie is goed bereikbaar. Door de ontwikkeling neemt de verkeersgeneratie slechts in geringe mate toe en de capaciteit van de weg is dermate groot waardoor er geen problemen zullen ontstaan in de verkeersafwikkeling. De parkeerbehoefte kan opgevangen worden binnen het plangebied. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling dan ook niet in de weg.
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken voor het bestemmingsplan. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de regels en het renvooi.
De regeling in dit bestemmingsplan sluit aan op de regeling in het bestemmingsplan Buitengebied.
Op de verbeelding is aangegeven welke bestemming geldt voor de betreffende gronden en waar bebouwing is toegestaan. De bestemmingen zijn herkenbaar aan een eigen kleur: geel voor de bestemming Wonen en groen voor de bestemming Groen. Het gedeelte van het woonperceel waarop de woning mag worden gebouwd en dat mag worden gebruikt als tuin en erf is bestemd tot Wonen. De woning mag (moet) worden gebouwd binnen het op de verbeelding aangeduide bouwvlak.
De bestemming Groen is opgenomen voor het vastleggen van de windsingels die moeten zorgen voor beperking van de neerslag van bestrijdingsmiddelen op het woonperceel.
De verbeelding is getekend op een ondergrond waarin de bestaande situatie (bebouwing en kadastrale eigendomsgrenzen) is weergegeven. Voor elke bestemming is een artikel in de regels opgenomen. Verder zijn op de verbeelding geen aanduidingen opgenomen. Alle zaken zijn direct in de regels vastgelegd. In paragraaf 5.3 wordt daar nader op ingegaan. Voor een beoordeling van alle bouw- en gebruiksmogelijkheden ter plaatse van een perceel dient eerst de op de verbeelding aangebrachte aanduiding te worden gelezen. Vervolgens worden de daarbij behorende regels opgezocht. Deze volgorde is de meest doelmatige om inzicht te krijgen in de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt voor het gebruik van en bebouwing op een perceel.
De regels bevatten bepalingen over het gebruik van gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of nog op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in de volgende hoofdstukken.
In het hoofdstuk bestemmingsregels zijn regels opgenomen betreffende de bestemmingen en de aanduidingen. Bij de opzet van deze regels is een alfabetische volgorde gehanteerd alsmede een standaardvolgorde zoals opgenomen in SVBP2012.
Een bestemmingsartikel wordt als volgt opgebouwd:
Een bestemmingsartikel behoeft niet alle elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels.
Het belangrijkste doel van deze bestemming is het aanbrengen van een buffer tussen het gedeelte waar wordt gewoond en waar de agrarische activiteiten met gebruik van bestrijdingsmiddelen plaatsvinden. Daarom is in dit bestemmingsplan een hele specifieke regeling opgenomen voor deze bestemming, die normaal gesproken vooral tot doel heeft om groen of landschappelijke inpassing vast te leggen. De hoogte van de buffer is niet vastgelegd. Belangrijk is dat er een effectieve afscherming plaatsvindt.
Met het oog op de volksgezondheid mag op het perceel alleen worden gewoond als de groene afscherming is aangelegd en duurzaam in stand wordt gehouden. Dit is geregeld met een voorwaardelijke regeling die is opgenomen in de bestemming Wonen (zie hierna).
Binnen de bestemming Wonen mag een woning voor permanente bewoning worden gebouwd. Bij de woning zijn verschillende nevenactiviteiten toegestaan. De woning mag uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak. Ook andere gebouwen (bijgebouwen en overkappingen) moeten volgens het bestemmingsplan daarbinnen worden gebouwd.
Er mag ten hoogste 1 woning worden gebouwd, waarbij maximale hoogte en oppervlakte- en inhoudsmaten gelden. Er is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om een grotere woning mogelijk te maken, maar dan moet wel worden voldaan aan verschillende voorwaarden, in het bijzonder een goede landschappelijke inpassing.
Omdat het bouwperceel groter is dan 500 m2, maar kleiner dan 5.000 m2 bedraagt het maximum oppervlak aan bijgebouwen en overkappingen bij de woning 90 m2. Omdat de oppervlakte van het bouwperceel kleiner is dan 2,5 hectare, is de afwijkingsbevoegdheid voor grotere bijgebouwen uit het bestemmingsplan Buitengebied niet overgenomen in onderhavig bestemmingsplan.
Naast de planologische haalbaarheid van de ontwikkeling zoals getoetst in voorgaande paragrafen, moet ook de financiële uitvoerbaarheid van de ontwikkeling aangetoond worden. In de Wet ruimtelijke ordening is de grondexploitatiewet opgenomen. Hierin is geregeld dat gemeenten de mogelijkheid krijgen om kosten van de planontwikkeling te verhalen op grondeigenaren. Het kostenverhaal dient verplicht door de gemeente opgesteld te worden. De gemeente legt dit kostenverhaal vast in een exploitatieplan. Van een exploitatieplan kan worden afgeweken door in het kostenverhaal anderszins te voorzien (overeenkomst met alle grondeigenaren in het plangebied of volledig grondeigendom). In een bestemmingsplan is sprake van kostenverhaal (6.2.3. tot en met 6.2.5. Bro) als een bouwplan (6.2.1 Bro) wordt mogelijk gemaakt.
De gemeente is van mening dat er geen belemmeringen zijn aangaande de financiële uitvoerbaarheid. Deze ontwikkeling wordt geheel bekostigd door de initiatiefnemer. De door de initiatiefnemer aan de gemeente overgelegde gegevens tonen afdoende aan dat deze de benodigde investeringen financieel kan dragen. Een exploitatieplan is niet noodzakelijk aangezien met een anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en gemeente in het kostenverhaal is voorzien.
Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient inzicht te worden gegeven in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het gaat daarbij zowel om de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de planvoorbereiding zijn betrokken alsook om de resultaten van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro. De gemeente Terneuzen betrekt specifieke doelgroepen bij de planvorming. Op deze manier ontstaan er geen onaangename verassingen door bestemmingswijzigingen. Per bestemmingsplan wordt hierin maatwerk geleverd.
Vanwege de geringe impact van de bestemmingswijziging op de nabije omgeving, door onder andere weinig omwonenden, en daarbij geen negatieve omgevingseffecten met zicht mee brengt, wordt bij dit bestemmingsplan geen uitgebreide burgerparticipatie voorgesteld.