direct naar inhoud van Regels
Plan: Leidingen DOW en Evides
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ009-VAST

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan

het bestemmingsplan Leidingen DOW en Evides als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ009-VAST van de gemeente Kapelle.

1.2 bestemmingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.3 aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4 aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5 bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouw zijnde.

1.6 bestemmingsgrens

De grens van een bestemmingsvlak.

1.7 bestemmingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.8 bevoegd gezag

Het bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.9 bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

1.10 bouwwerk

Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

1.11 gasleiding

Een ondergrondse leiding met een diameter van 20 inch en een maximale druk van 80 bar, voor het transport van aardgas met de daarbij behorende voorzieningen, zoals afsluiters en vloeistofvangers, en de daarbij behorende belemmeringenstroken.

1.12 gebouw

Een bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.13 leidingbeheerder
  • 1. In geval van de waterleiding Evides Waterbedrijf of diens rechtsopvolger.
  • 2. In geval van de propeenleiding DOW Chemicals of diens rechtsopvolger.
  • 3. In geval van de gasleiding N.V. Nederlandse Gasunie of diens rechtsopvolger.

1.14 normaal beheer en onderhoud

Werkzaamheden die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden en bouwwerken, waaronder begrepen de handhaving van wel de realiseren van de bestemming.

1.15 Ondergeschikte bouwdelen

Ondergeschikte delen van een gebouw zoals trappen, bordessen, funderingen, kelderingangen, overstekende daken, goten, luifels, balkons, balkonhekken, schoorstenen, liftopbouwen en andere ondergeschikte (dak)opbouwen).

1.16 overig bouwwerk

Een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

1.17 pand

De kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is.

1.18 Peil
  • 1. Voor bouwwerken die onmiddellijk aan de weg grenzen; de hoogte van die weg;
  • 2. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouw zijnde: de hoogte van de weg (ter plaatse van de hoofdtoegang) + 15 cm;
  • 3. wanneer onduidelijkheid bestaat over het peil kunnen burgemeester en wethouder een peil aanwijzen.

1.19 propeenleiding

Een ondergrondse leiding met een diameter van 6 inch en een maximale druk van 60 bar, voor het transport van propyleen met de daarbij behorende voorzieningen, zoals afsluiters en vloeistofvangers, en de daarbij behorende belemmeringenstroken.

1.20 waterleiding

Een ondergrondse leiding met een diameter van 6 inch en een maximale druk van 60 bar, voor het transport van propeen met de daarbij behorende voorzieningen, zoals afsluiters en vloeistofvangers, en de daarbij behorende belemmeringenstroken.

Artikel 2 Wijze van meten

2.1 Oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/.of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.2 de inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikt bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Leiding - Gas

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor de aanleg, het gebruik en de instandhouding van een aardgastransportleiding van:

  • a. 20 inch en maximaal 80 bar (vastgestelde bedrijfsdruk: 66,2 bar);
  • b. 4 inch en maximaal 50 bar (vastgestelde bedrijfsdruk:40 bar);

alsmede voor:

  • c. een propeenleiding van 6 inch en maximaal 60 bar, met een veiligheidsgebied van 80 m aan weerszijden.
3.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming, zoals in lid 3.1 bedoeld, slechts bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3,5 m;
  • b. ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemmingen mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels – slechts worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
3.3 Afwijken van de bouwregels
  • a. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in lid 3.2 onder b, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken leidingexploitant. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen kwetsbare objecten worden toegelaten.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de beheerder(s) van de leiding(en), tevens wordt indien van toepassing advies ingewonnen bij de beheerder van de waterkering.
3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden op de in lid 3.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van paden, wegen en parkeergelegenheden alsmede het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen van andere boven- en ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur dan de genoemde leidingen in lid 3.1;
  • c. het ontginnen, verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem;
  • d. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, greppels, vijvers en andere wateren;
  • e. het vellen of rooien van struiken of bomen;
  • f. het beplanten van gronden met struiken of bomen;
  • g. het afbranden van de vegetatie;
  • h. het opslaan van goederen.
3.4.2 Uitzonderingen

Het verbod van lid 4.4.1 geldt niet voor het uitvoeren van werken, of werkzaamheden die:

  • a. behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.
3.4.3 Beoordelingscriteria

Werken of werkzaamheden als bedoeld in 3.4.1 zijn slechts toelaatbaar indien daardoor de in lid 3.1 genoemde leidingen niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in 3.4.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van de leidingbeheerder(s).

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 4 Algemene aanduidingsregels

4.1 Overige zone - leiding water te vervallen
  • a. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding Overige zone - leiding water te vervallen vervalt, uiterlijk 2 jaar na het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan of zoveel eerder als de leidingbeheerder heeft verklaard dat de leiding buiten werking is gesteld, de regels:
    • 1. van de in het bestemmingsplan Buitengebied 2e herziening opgenomen dubbelbestemming 'Leiding - Water';
  • b. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding Overige zone - leiding water te vervallen, voor zover niet gelegen binnen het ruimtelijk plan in lid a, gelden gedurende twee jaar na het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan of tot het moment dat de leidingbeheerder heeft verklaard dat de buisleiding buiten werking is gesteld de regels uit artikel 4.1.2.
4.1.1 Specifieke gebruiksregels
  • a. het is verboden om op of in de gronden met de gebiedsaanduiding Overige zone - leiding water te vervallen een waterleiding in gebruik te hebben, nadat de nieuwe waterleiding in gebruik is genomen.
  • b. Binnen maximaal één jaar na het vervallen van de dubbelbestemmingen, zoals bepaald in artikel 6.1 onder a, moet de leiding ter plaatse van de gebiedsaanduiding Overige zone - leiding water te vervallen zijn verwijderd, wat betekent dat alle leidingen en bijbehorende bouwwerken en werken, geen bouwwerkzaamheden zijnde en werkzaamheden, moeten zijn verwijderd en de grond uitsluitend gebruikt wordt en in gebruik blijft volgens de onderliggende bestemmingen.
4.1.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde
  • a. Het is verboden op of in de gronden met de gebiedsaanduiding Overige zone - leiding water te vervallen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
    • 1. het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplantingen en bomen die dieper wortelen of kunnen wortelen dan 30 cm;
    • 2. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere gesloten oppervlakteverhardingen;
    • 3. het indrijven van voorwerpen in de bodem, zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair dieper dan 30 cm;
    • 4. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage dieper dan 30 cm;
    • 5. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren dieper dan 30 cm;
    • 6. het permanent opslaan van goederen.
  • b. Het verbod in artikel 4.1.2 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:
    • 1. het normale onderhoud, beheer of herstel betreffen van de gerealiseerde bestemming;
    • 2. van geringe omvang of ondergeschikte betekenis zijn.
  • c. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.1.2 wordt slechts verleend, als het behoud van een veilige ligging van de leiding en de continuïteit van de functie van de leiding zijn gewaarborgd.
  • d. Voordat wordt beslist op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 4.1.2 ingediend door een ander dan de leidingbeheerder, wint het bevoegd gezag advies in bij de betrokken leidingbeheerder.
4.2 Overige zone - leiding gas te vervallen
  • a. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding Overige zone - leiding gas te vervallen vervalt, uiterlijk 2 jaar na het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan of zoveel eerder als de leidingbeheerder heeft verklaard dat de leiding buiten werking is gesteld,de regels:
    • 1. in de het bestemmingsplan Buitengebied 2e herziening opgenomen dubbelbestemming 'Leiding - Gas';
  • b. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding Overige zone - leiding gas te vervallen, voor zover niet gelegen binnen de ruimtelijke plannen in lid a, gelden gedurende twee jaar na het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan of tot het moment dat de leidingbeheerder heeft verklaard dat de buisleiding buiten werking is gesteld de regels uit artikel 4.2.2.
4.2.1 Specifieke gebruiksregels
  • a. het is verboden om op of in de gronden met de gebiedsaanduiding Overige zone - leiding gas te vervallen een gasleiding en/of propeenleiding in gebruik te hebben, nadat de nieuwe propeenleiding als bedoeld in de artikelen 1.19 in gebruik is genomen.
  • b. Binnen maximaal één jaar na het vervallen van de dubbelbestemmingen, zoals bepaald in artikel 5.2 onder a, moet de leiding ter plaatse van de gebiedsaanduiding Overige zone - leiding gas te vervallen zijn verwijderd, wat betekent dat alle leidingen en bijbehorende bouwwerken en werken, geen bouwwerkzaamheden zijnde en werkzaamheden, moeten zijn verwijderd en de grond uitsluitend gebruikt wordt en in gebruik blijft volgens de onderliggende bestemmingen.
4.2.2 Omgevingsvergunning voor een werk, geen bouwwerk zijnde
  • a. Het is verboden op of in de gronden met de gebiedsaanduiding Overige zone - leiding gas te vervallen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
    • 1. het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplantingen en bomen die dieper wortelen of kunnen wortelen dan 30 cm;
    • 2. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere gesloten oppervlakteverhardingen;
    • 3. het indrijven van voorwerpen in de bodem, zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair dieper dan 30 cm;
    • 4. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen,mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage dieper dan 30 cm;
    • 5. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren dieper dan 30 cm;
    • 6. het permanent opslaan van goederen.
  • b. Het verbod in artikel 4.2.2 onder a is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:
    • 1. het normale onderhoud, beheer of herstel betreffen van de gerealiseerde bestemming;
    • 2. van geringe omvang of ondergeschikte betekenis zijn.
  • c. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.2.2 onder a wordt slechts verleend, als het behoud van een veilige ligging van de leiding en de continuïteit van de functie van de leiding zijn gewaarborgd.
  • d. Voordat wordt beslist op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 4.2.2 onder a ingediend door een ander dan de leidingbeheerder, wint het bevoegd gezag advies in bij de betrokken leidingbeheerder.

Artikel 5 Van toepassing verklaring ruimtelijke plannen

Op de gronden met de dubbelbestemming Leiding - Gas en voor zo ver gelegen binnen de vigerende de ruimtelijke plannen:

  • a. Bestemmingsplan Buitengebied 2e herziening, met identificatienummer NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ002-VA02;
  • b. Bestemmingsplan Buitengebied 3e herziening, met identificatienummer NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ003-Vast;
  • c. Bestemmingsplan Dijkversterking, met identificatienummer NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ007;
  • d. Rijksinpassingsplan Zuid-West 380 kV West, met identificatienummer NL.IMRO.0000.Ezip15ZW380west-3002;

zijn de regels van deze plannen, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 3 Leiding - Gas onverkort van toepassing.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 6 Overgangsrecht

6.1 Overgangsrecht bouwwerken

Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt:

  • a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits dezeafwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan;
  • c. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%;
  • d. dit lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
6.2 Overgangsrecht gebruik

Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt:

  • a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  • b. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  • c. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  • d. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 7 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: 'Regels van het bestemmingsplan leidingen DOW en Evides'.