| Plan: | Noordhoeksewegeling 3 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ004-VAST |
Op de Noordhoeksewegeling 3 te Kapelle beoogt de initiatiefnemer het bestaande glastuinbouwbedrijf over te nemen en uit te breiden. Voor een goede bedrijfsvoering is het nodig de bestaande kassen uitbreiden tot een oppervlakte van 1,38 hectare en een waterbassin van 3.000 m² aan te leggen. Daarnaast zullen in de bestaande loods huisvestingsplaatsen voor de 13 arbeidsmigranten die op de locatie gaan werken worden gerealiseerd. Als aanvulling op de energievoorziening is ook een veld met zonnepanelen gepland. Om deze ontwikkelingen mogelijk te maken zullen het bestaande waterbassin, de schuur en kassen verwijderd worden. Voor de uitbreiding van het bedrijf is een positief advies verleend door de Agrarische Adviescommissie Zeeland.
In het huidige bestemmingsplan is de bouw van de kassen toegestaan, echter niet op de beoogde locatie. Ook de aanleg het waterbassin en het zonneveld is eveneens op de beoogde locaties en het de huisvesting van de arbeidsmigranten is in het geldende bestemmingsplan niet toegestaan.
Om de ontwikkelingen planologisch mogelijk te maken is besloten om een nieuw bestemmingsplan voor de locatie te maken.
Figuur 1.1. Locatie plangebied blauw omrand (Bron: luchtfoto 2017 kadaster Nederland)
Het geldende bestemmingsplan op de gronden behorende bij het adres Noordhoeksewegeling 3 te Kapelle is het bestemmingsplan 'Buitengebied 3e herziening' (dient samen met Buitengebied 2e herziening en Buitengebied 1e herziening te worden gelezen). In dit bestemmingsplan is het perceel bestemd met een agrarische bestemming, waarop een bouwvlak met een functieaanduiding glastuinbouw en functieaanduiding bedrijfswoning uitgesloten. Dit bouwvlak is gekoppeld aan het bouwvlak aan de overzijde van de weg aan de Noordhoeksewegeling 2B.
Daarnaast kent het perceel de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie -4’ en de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding'.
De beoogde bouw van de kas en het waterbassin met zonnepanelen is deels buiten het bouwvlak geprojecteerd, hier zijn deze niet toegestaan. Voor het waterbassin is een tijdelijke omgevingsvergunning aangevraagd (zonder zonnepanelen) en deze is inmiddels ook verleend. De bouw van de kassen op de beoogde locatie is in het geldende bestemmingsplan niet toegestaan.
Voor het gebruik van de bestaande bebouwing is in artikel 3.3.9 een afwijkingsmogelijkheid voor het huisvesten van arbeidsmigranten opgenomen. Deze afwijkingsmogelijkheid biedt echter niet voldoende ruimte om 13 arbeidsmigranten te huisvesten. Gebruik van de loods als huisvesting voor 13 arbeidsmigranten is in het geldende bestemmingsplan niet toegestaan.
Binnen de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' mogen geen nieuwe bouwwerken worden gebouwd. Van dit verbod kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken. Als voorwaarde voor het verlenen van een dergelijke vergunning is gesteld dat instemming van de leidingbeheerder noodzakelijk is. De initiatiefnemer heeft deze instemming gevraagd voor de uitbreiding van het glastuinbouwbedrijf en heeft deze toestemming inmiddels gekregen.
Figuur 1.2 Geldend bestemmingsplan locatie (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Het plangebied ligt in het buitengebied tussen Biezelinge en 's Gravenpolder in de gemeente Kapelle. Ten noorden van het plangebied ligt de A58 en ten zuiden ligt een glastuinbouwgebied.
De oostgrens van het plangebied wordt gevormd door de Noordhoeksewegeling die over gaat in de Kerkhofweg. Aan deze wegen staat, naast het bedrijf zelf, een aantal boerderijen en woningen. Aan de noordzijde van het perceel ligt een glastuinbouwbedrijf. In onderstaand figuur is de globale ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1.3 Ligging plangebied blauw omrand(bron: luchtfoto 2017 kadaster Nederland, bewerkt Rho 2018)
In hoofdstuk 2wordt de huidige en beoogde situatie beschreven. In hoofdstuk 3 wordt getoetst aan
het geldende beleid en vervolgens in hoofdstuk 4 aan de milieutechnische en overige aspecten. In hoofdstuk 5 wordt de juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot wordt er in hoofdstuk 6 ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.
In de huidige situatie is op het perceel een agrarisch bedrijf aanwezig. Op de gronden zijn een loods, een oude schuur, kassen en tunnelkassen aanwezig. Daarnaast staat op het perceel een mast voor de hoogspanningsleiding. Verder zijn er zogenoemde containervelden aanwezig voor plantenteelt in de openlucht. De bedrijfswoning op Noordhoeksewegeling 2B die in het geldende bestemmingsplan gekoppeld is aan het bouwvlak op Noordhoeksewegeling 3, is in 2016 verkocht en heeft dan ook geen functionele relatie meer met het bedrijfsperceel.
Figuur 2.1 Plangebied (bron: Luchtfoto Kadaster Nederland)
In de beoogde situatie worden het waterbassin, de kassen en het schuurtje gesloopt. Ook de retentievoorziening langs de erfgrens komt te vervallen. Langs de noordelijke erfgrens wordt de nieuwe kas gebouwd, evenwijdig aan de bestaande kassen op het adres Noordhoekswegeling 5. In totaal zal een oppervlakte van 1,38 hectare aan kassen worden ontwikkeld op dit adres.
Figuur 2.2 Beoogde plattegrond (bron: Ruimte & Groen Tuin- en landschapsarchitectuur)
Voor de nieuwbouwkas zal gebruik worden gemaakt van dezelfde warmtetechnische en watertechnische voorzieningen zoals die nu al aanwezig zijn. Op termijn zal gekeken worden naar duurzamere vormen van energie zoals warmtebronnen in de grond. De nieuwbouw kas zal 6 meter hoog worden.
In de kassen zullen biologisch geteelde groenten gekweekt worden. Voor bepaalde soorten is het wenselijk om grotere volumes en aan een zekere constantheid af te kunnen zetten. De teelt zal daarom aangesloten worden bij de teelt zoals die in de kassen op het naastgelegen perceel gedaan wordt en ook de aan en afvoer van de producten zal gecombineerd gebeuren.
Aan de zuidgrens van het perceel zal een waterbassin gemaakt worden dat gebruikt wordt voor de opslag van regenwater voor bewatering van de groenten. Het waterbassin zal wateropslag verzorgen voor dit bedrijf, maar ook het bedrijf aan Noordhoeksewegeling 5. Door deze voorziening te delen wordt zuinig met de beschikbare ruimte omgegaan. De waterberging zal een dijkhoogte hebben van 3 meter. Een deel van de waterberging, met een oppervlakte van 3.000 m², zal beneden het maaiveld aangelegd worden, met een diepte van 1,05 meter tot maximaal 1,25 meter onder maaiveld. Op dit bassin zullen zonnepanelen geplaatst worden die in de energiebehoefte van het bedrijf zullen voorzien. De zonnepanelen liggen op het water en steken niet boven de rand van het bassin uit, waardoor ze vanaf de openbare weg niet zichtbaar zijn. Ten westen van het waterbassin zal een zonneveld worden aangelegd.
De bestaande loods zal worden gebruikt als opslagruimte en voor de huisvesting van seizoenarbeiders die op het eigen bedrijf werken. Omdat voor de bioteelt geen kengetallen beschikbaar zijn is het aantal benodigde arbeidsplaatsen bepaald aan de hand van het aantal werknemers die op het naastgelegen bedrijf werken, hier worden ook biologisch geteelde groenten gekweekt. Op dit bedrijf werken 19 werknemers op 2 hectare. Op basis hiervan is bepaald dat voor 1,38 hectare kassen 13 werknemers nodig zullen zijn. De huisvesting van de arbeidsmigranten zal worden uitgevoerd volgens de normen van het SNF (Stichting Normering Flexwonen).
De woning op het perceel Noordhoeksewegeling 2B wordt niet opgenomen in de verbeelding van het nieuwe bestemmingsplan en het koppelteken zal worden verwijderd, omdat er niet langer een functionele binding is tussen de woning en het bedrijf.
Structuurvisie Infrastructuur & ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bevat het ruimtelijk beleid van het Rijk. In de SVIR is geen specifiek ruimtelijk beleid voor de omgeving van het plangebied geformuleerd. Wel zijn in de SVIR de dertien onderwerpen aangegeven die het rijk als 'nationaal belang' beschermingswaardig acht. Voor een aantal van deze onderwerpen is reeds een (beschermende) regeling opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, zie hierna).
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Voor de ruimtelijke onderwerpen die de rijksoverheid van 'nationaal belang' acht, heeft de Minister van Infrastructuur & Milieu een beschermende regeling opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient een gemeentebestuur bij het vaststellen van een ruimtelijk plan de algemene regels van het Barro in acht te nemen.
Toetsing en conclusie
Er zijn geen nationale belangen in het geding. De ontwikkeling past binnen de Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte Voor het voorliggende bestemmingsplan zijn geen specifieke elementen uit het het Barro die moeten worden geregeld.
Het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 geeft de provinciale visie op de toekomstige ontwikkeling van de fysieke leefomgeving in Zeeland. Voor een krachtig Zeeland zijn economische groei, ontwikkeling en innovatie nodig. De Provincie Zeeland draagt daar als regionaal bestuur met haar eigen taken en verantwoordelijkheden actief aan bij. De Provincie zet sterk in op een sterke economie, een goed woon- en werkklimaat en kwaliteit van water en landelijk gebied. De Provincie zet in op 'van meer naar beter' en op de verschuiving van 'het ontwikkelen met kwaliteit naar het ontwikkelen van kwaliteit'.
De provincie wil de kernkwaliteiten van Zeeland verder benutten, (h)erkennen en versterken. Het karakter van verschillende delen van Zeeland, met sterke, beeldbepalende economische sectoren en eigenheid van de omgeving, is daarvoor de basis. De provincie onderscheid drie deelgebieden: Produceren op Land aan Zee; Beleven van Land en Zee; Bloeien op Land en in Zee. Per deelgebied zijn uitwerkingen gemaakt met daarbij de kansen voor de toekomst.
Figuur 4.1 Visiekaart Land in Zee
Het plangebied ligt in het deelgebied Bloeien, op land en in zee. Dit deelgebied kenmerkt zich in de vorm van landbouw, aquacultuur, visserij en kleinere woonkernen en de daarbij passende rust en ruimte. Ook zijn bedrijvigheid en ondernemerschap kernwaarden van de streek.
Glastuinbouw
De doelstelling van de provincie voor glastuinbouw is verduurzaming van de glastuinbouwsector, met
geconcentreerde uitbreiding. Zeeland kent van oudsher een aantal bestaande concentratielocaties voor glastuinbouw. De locaties Sint Annaland, Kapelle en Rilland wordt geen extra ruimte geboden bovenop de omvang die in vigerende bestemmingsplannen is vastgelegd. Bestaande solitaire glastuinbouwbedrijven mogen, wanneer dit voor het behoud van een reëel perspectief op continuïteit van de bedrijfsvoering noodzakelijk is, ontwikkelen tot maximaal 2 ha.
Licht en duisternis
De Provincie wil delen van Zeeland waar de donkerte een echte meerwaarde heeft beschermen tegen
onnodige lichthinder zonder belemmerend te werken. Duisternis is een kwaliteit die in Zeeland nog aanwezig is en door de recreant en bewoner heel erg wordt gewaardeerd vooral in het buitengebied en de natuur. De Provincie gaat wel bij grootschalige lichttoepassingen zoals een grootschalig verlicht kassengebied toezien of de beste technieken om lichthinder te voorkomen worden toegepast.
Toetsing
De ontwikkeling betreft het uitbreiden van een bestaand glastuinbouwbedrijf tot 1,38 hectare, noodzakelijk voor het voortbestaan van het bedrijf. Het gaat om de biologisch bedrijf dat komkommers en tomaten teelt. Hiervoor wordt geen kunstmatig licht gebruikt. Lichthinder zal daarom ook beperkt zijn. Onderliggend bestemmingsplan biedt daarnaast geen andere mogelijkheden ten aanzien van verlichting dan het huidige bestemmingsplan.
Verordening Ruimte
In de verordening is ten aanzien van glastuinbouw aangegeven dat een solitair volwaardig glastuinbouwbedrijf kan worden toegelaten tot ten hoogste 2 hectare indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat de uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf en omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten.
Een verdere uitbreiding van een bestaand solitair volwaardig glastuinbouwbedrijf tot ten hoogste 4 hectare kan worden toegelaten indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten en de sanering van kassen elders in de provincie Zeeland, met een gelijke oppervlakte als de uitbreiding, voor zover deze meer bedraagt dan 2 hectare, is gewaarborgd.
Toetsing
De ontwikkeling betreft een uitbreiding van een bestaand glastuinbouwbedrijf tot 1,38 hectare. Deze uitbreiding valt binnen de grenzen die in de verordening zijn gesteld aan het maximale oppervlakte voor de uitbreiding van een bestaand glastuinbedrijf.
Omgevingsplan Zeeland 2018 (ontwerp) en Omgevingsverordening 2018 (ontwerp
Wat betreft glastuinbouw is het beleid uit het nieuwe omgevingsplan in lijn met beleid uit het Omgevingsplan 2012-2018. In de Omgevingsverordening is opgenomen dat uitbreiding van een bestaand solitair volwaardig glastuinbouwbedrijf kan worden toegelaten tot ten hoogste 2 hectare indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat de uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf en omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten.
Het nieuwe omgevingsplan onderschrijft de behoefte aan arbeidsmigranten in de provincie. Daarbij wordt onderscheidt gemaakt tussen arbeidsmigranten die voor een langere periode in Zeeland werkzaam zijn en arbeidsmigranten die voor een kortere periode in Zeeland verblijven. Voor de laatste groep geeft de provincie aan dat aanvullend beleid nodig is.
Wat betreft duurzame energie benadrukt het Omgevingsplan 2018 het belang van een goede landschappelijke inpassing bij de aanleg van zonneparken. In de verordening zijn regels opgesteld voor de aanleg van een opstelling voor zonne-energie. Deze mogen binnen bestaand stedelijk gebied worden gebouwd, of bijvoorbeeld aangrenzend aan een bouwvlak of glastuinbouwgebied als de opstelling ondergeschikt is.
Toetsing
De uitbreiding van het glastuinbouwbedrijf naar 1,38 hectare is noodzakelijk voor de continuïteit van het bedrijf, zo heeft ook het AAZ (Agrarische Adviescommisie Zeeland) onderschreven (zie ook Bijlage 1 Advies agrarische commissie). De omgevingskwaliteiten verzetten zich niet tegen deze uitbreiding zo blijkt uit toetsing in hoofdstuk 4.
De regio De Bevelanden heeft afzonderlijk beleid opgesteld voor de huisvesting van arbeidsmigranten die korte tijd in Zeeland verblijven. Hieraan wordt in de volgende paragraaf getoetst.
Voor de realisatie van zowel de opstelling van zonnepanelen als het waterbassin en de kas is een landschappelijk inpassingsplan gemaakt.
Conclusie
Het provinciaal beleid staat de ontwikkeling niet in de weg.
Structuurvisie Kapelle 2012-2030
De gemeente Kapelle heeft de Structuurvisie 2012-2030 opgesteld. Met de Structuurvisie geeft de gemeente richting aan de gewenste toekomst van de gemeente. Behoud en versterking van de kernkwaliteiten staat voorop:
Figuur 4.2 Structuurvisie gemeente Kapelle (bron: Structuurvisie Kapelle 2012-2030)
De landbouw is een economisch en ruimtelijk belangrijke factor in de gemeente. Voor een goede economische ontwikkeling van de landbouw zijn schaalvergroting, intensivering en specialisatie, maar ook verbreding belangrijke strategieën. Cruciale voorwaarden daarvoor zijn voldoende bouwmogelijkheden op de erven en ruimte voor teelt ondersteunende voorzieningen. De bestaande mogelijkheden voor uitbreiding van het glastuinbouwcomplex (zoals opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied) worden overgenomen in de Structuurvisie.
De gemeente wil haar huidige en toekomstige inwoners een gezond, veilig en prettig woon-, werk- en leefmilieu bieden. Om dit te realiseren wordt in de eerste plaats de kwaliteit van de leefomgeving beschermd en waar mogelijk verbeterd. In de tweede plaats wil de gemeente een bijdrage leveren aan een duurzame ontwikkeling. Duurzaamheid moet als een vanzelfsprekendheid gaan gelden. Duurzaamheidsaspecten vormen een integraal onderdeel van de ruimtelijke planontwikkeling. Bij ruimtelijke plannen wordt onderzocht op welke wijze duurzaamheid kan worden versterkt.
Toetsing
Voor de uitbreiding van het glastuinbouwbedrijf wordt gebruik gemaakt van de in het geldende bestemmingsplan aanwezige mogelijkheid om het glastuinbouwbedrijf uit te breiden. Daarnaast wordt met deze uitbreiding biologische glastuinbouw mogelijk gemaakt voor een bedrijf dat duurzaamheid belangrijk vindt. Doel is doormiddel van zonnepanelen de eigen energie op te wekken. Afval vanuit de kassen wordt zoveel mogelijk hergebruikt als compost. Op deze manier voldoet het bedrijf aan de duurzaamheidsambities van de gemeente Kapelle.
Een handreiking voor het huisvesten van arbeidsmigranten op de Bevelanden
In regio de Bevelanden, bestaande uit de gemeenten Borsele, Goes, Noord-Beveland, Kapelle en Reimerswaal, worden in toenemende mate buitenlandse werknemers te werk gesteld. Zij spelen een belangrijke rol in de economie van de regio. Landelijke is de verwachting dat de instroom van deze arbeidsmigranten de komende jaren nog zal toenemen. De verwachting voor de regio wijkt hier niet van af.
De gemeenten in regio de Bevelanden onderkennen het belang van een goede huisvesting voor arbeidsmigranten en daarom is de Handreiking voor het huisvesten van arbeidsmigranten op de Bevelanden opgesteld. Hierin is het beleid voor de huisvesting van seizoensgebonden, tijdelijke en structurele arbeidsmigranten beschreven.
Voor tijdelijke arbeidsmigranten geldt voor huisvesting in inpandige voorzieningen op een agrarisch bouwvlak:
Hierbij gaat het om een huisvestingsvoorziening in een bestaand of nieuw te bouwen bedrijfsgebouw;
Geldend bestemmingsplan
In het bestemmingsplan Buitengebied 2e herziening van de gemeente Kapelle is gesteld dat is gebleken dat voor een aantal bedrijven de maximale oppervlakte van 250 m² ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten te beperkt is. Het maximale oppervlakte is daarom ook verhoogd naar 500 m². Deze maat wordt in het geldende bestemmingsplan eveneens gehanteerd. Deze bestemmingsplan zijn na de vaststelling van de handreiking gemaakt en vastgesteld en geldt daarmee als geldend beleid.
Toetsing
De beoogde logies voor arbeidsmigranten zal zijn voor 13 migranten die op het eigen bedrijf werken. Dit aantal is vastgelegd in de regels van onderliggend bestemmingsplan. De initiatiefnemer wil zijn werknemers graag in goede omstandigheden laten wonen en ze meer ruimte bieden dan de 10 m² die in de Normering van de SNF (Stichting normering flexwonen) wordt gehanteerd als minimum. Binnen de bestaande loods wordt daarom maximaal 500 m² verbouwd tot huisvestingslocatie voor de arbeidsmigranten, conform de maximale afmetingen opgenomen in de afwijkingsbevoegdheid opgenomen in het geldende bestemmingsplan. De bestaande bebouwing wordt hiervoor niet uitgebreid, de huisvesting zal in de bestaande loods worden gemaakt.
Geldend bestemmingsplan
In paragraaf 1.2 is de beoogde ontwikkeling aan het geldende bestemmingsplan getoetst. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling op verschillende punten niet voldoet aan de regels gesteld in het bestemmingsplan. Onderhavig bestemmingsplan is een aanpassing van het geldende bestemmingsplan waarin de verschillende ontwikkelingen getoetst zijn aan de verschillende beleids- en milieuaspecten. Omdat de ontwikkeling naast uitbreiding van het glastuinbouwbedrijf ook het mogelijk maken van de huisvesting van arbeidsmigranten en het realiseren van een waterbassin bevat is er gekozen om een nieuw bestemmingsplan te maken. Er wordt echter wel aangesloten bij het beleid uit het geldende bestemmingsplan.
Conclusie
Het regionaal en gemeentelijk beleid staat de ontwikkeling niet in de weg.
Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. Vóór 2016 waren er verschillende wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. Sinds juli 2016 zijn die allemaal samengegaan in 1 wet.
In het Omgevingsplan 2012-2018 stelt de provincie als doel om waardevolle landschappen en cultuurhistorisch erfgoed in Zeeland te beschermen en ontwikkelen en (in)directe economische baten die daaruit voortvloeien te vergroten. De provincie zet hierbij in op restauratie en herbestemming van monumenten.
De mogelijk archeologische waarden binnen het plangebied worden in het geldende bestemmingsplan planologisch beschermd door een dubbelbestemming Waarde archeologie - 4. Op gronden met deze dubbelbestemming geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 250 m² én dieper reiken dan 40 centimeter beneden maaiveld. Zulke werkzaamheden zijn wel vergunbaar als er een archeologisch onderzoeksrapport wordt voorgelegd waarin wordt aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dat deze niet behoudenswaardig zijn of dat deze door de voorgenomen werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad. Voor de beoogde ontwikkeling van de kas en de huisvesting van arbeidsmigranten zullen de hiervoor genoemde waarden niet worden overschreden. Voor de ontwikkeling van het waterbassin is in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning een Archeologisch Bureauonderzoek en een Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen verricht. De resultaten van deze onderzoeken wordt hierna kort weergegeven.
Onderzoek
Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed heeft in maart en april 2018 een Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd op de locatie van het beoogde waterbassin.
Op basis van de resultaten van het booronderzoek geldt voor het plangebied de volgende archeologische verwachting: een lage archeologische verwachting op het niveau van het Laagpakket van Wormer voor vindplaatsen uit het Neolithicum en de Bronstijd in het Hollandveen voor het zuidwesten van het plangebied en geen verwachting voor de betreffende perioden en niveaus in de overige delen van het plangebied. Verder geen verwachting voor de Late IJzertijd en Romeinse Tijd voor het volledige plangebied omdat het veen er of volledig is weg geërodeerd of (in het zuidwesten) niet intact bewaard is gebleven. Voor wat betreft de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd (Laagpakket van Walcheren) geldt dan weer een lage verwachting voor het volledige plangebied.
Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt de kans dan ook laag ingeschat dat zich binnen het plangebied archeologische vindplaatsen uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd aanwezig zijn die bedreigd worden door de geplande ingrepen. Ook voor resten uit het Neolithicum en de Bronstijd is er een lage kans in het zuidwesten van het plangebied, dit vondstniveau is echter gelegen beneden de maximale verstoringsdiepte. Er wordt, gelet op de verwachting en verstoringsdiepe, dan ook binnen het plangebied geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht.
Conclusie
Het aspect archeologie staat de ontwikkeling niet in de weg.
Cultuurhistorie kent verschillende aspecten: historische (steden)bouwkunde (het gebouwde erfgoed), archeologie en het cultuurlandschap en historische geografie. Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van Kapelle. Dit gebied is aangeduid als voormalig krekenlandschap. Met de landschappelijke inpassing wordt rekening gehouden met de waardevolle kenmerken in het gebied. De ontwikkeling tast de aanwezige kenmerken dan ook niet aan, maar verbetert juist de kwaliteit van het landschap ten opzichte van de huidige situatie.
Figuur 4.1 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart (bron: provincie Zeeland)
Uit de kaart van het Geoloket Zeeland (zie figuur 4.1) blijkt dat zich in het plangebied geen monumenten of andere objecten van cultuurhistorische waarde bevinden. Het aspect cultuurhistorie staat de ontwikkeling niet in de weg.
Toetsingskader
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
Conclusie
Het voorliggende bestemmingsplan voorziet niet in functiewijzigingen. Het plangebied wordt in de huidige situatie gebruikt als agrarisch gebied. Aangenomen mag worden dat de bodemkwaliteit afdoende is voor de beoogde uitbreiding. De huisvesting van arbeidsmigranten zal plaatsvinden in de bestaande loods. Hiervoor zijn geen bodemingrepen nodig. Bodemonderzoek is in het kader van het bestemmingsplan niet noodzakelijk.
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie de uitvoering van het plan niet in de weg staan.
Toetsingskader
Wet natuurbescherming
Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Gebiedsbescherming
De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:
Natura-2000 gebieden
De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).
Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.
Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming provincie Zeeland
In provincie Zeeland wordt in het kader van ruimtelijk inrichting of ontwikkeling vrijstelling verleend ten aanzien van soorten uit bijlage IV bij deze ordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.
Onderzoek en conclusie
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied of Natuurnetwerk Nederland. Op circa 1,5 kilometer afstand bevindt zich het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe en op circa 700 meter ten zuiden zijn dijken Zuid Beveland aanwezig die deel uit maken van het Natuurnetwerk Zeeland. Gelet op de aard en omvang van de werkzaamheden (de herinrichting van het agrarische bedrijf in agrarisch gebied en de afstand tot natuurgebieden, zijn verstorende effecten op natuurgebieden uit te sluiten.
Het verwarmen van kassen emitteert wel stikstofoxiden waardoor effecten op grotere afstand kunnen ontstaan. Om een inzicht te geven in de gevolgen van het gasverbruik voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 en te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Wet natuurbescherming is een stikstofberekening uitgevoerd (bijlage 3). Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot meetbare toenamen (>0,05 mol/ha/jr.) van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De ontwikkeling leidt dan ook niet tot negatieve effecten op natuurgebieden.
Figuur 4.2 Natuurnetwerk Zeeland en de leefgebieden agrarisch natuur- en landschapsbeheer (bron: provincie Zeeland, kaart natuur en landschap 2018)
Soortenbescherming
Om de mogelijk aanwezige natuurwaarden in het plangebied te onderzoeken is door adviesbureau Melk en Honingh een Quickscan Natuurwetgeving uitgevoerd (bijlage 4). De conclusies van dit onderzoek worden hierna kort weergegeven.
Het te slopen complex bestaat uit een schuur, afdak en kas. In het plangebied zijn tijdens veldbezoek geen sporen, nesten of verblijfplaatsen van welke soort dan ook aangetroffen. De aanwezige en te slopen bebouwing zijn volstrekt ongeschikt als verblijf voor gierzwaluwen (te laag, te flauwe dakhellingen en geen nestelgelegenheid); ongeschikt voor huismus (geen nestelgelegenheid) en ongeschikt als vleermuisverblijf voor bijvoorbeeld gewone dwergvleermuis en/of laatvlieger (ongeschikt zomerverblijf; ongeschikt winterverblijf; ongeschikt kraamverblijf en ongeschikt paringsverblijf). Ook de directe omgeving van de te slopen gebouwen is vrijwel ongeschikt als biotoop voor deze en andere soorten vanwege erfverharding en het ontbreken van (opgaande) vegetatie of natuurlijk oppervlaktewater.
De aanwezigheid van één soort amfibie is tijdens het veldbezoek vastgesteld: de gewone pad. Voor deze soort geldt in de provincie Zeeland een vrijstelling. Dat wil zeggen dat deze soort geen belemmering betekent voor de sloopactiviteiten. Hooguit kunnen tijdens de werkzaamheden gevonden dieren worden verzameld en elders worden vrijgelaten (zorgplicht). De gewone pad foerageert mogelijk in de warme en vochtige omgeving van de kassen.
In het studiegebied komen verschillende beschermde soorten voor: kerkuil, steenuil en groene specht. Deze soorten komen in het studiegebied rond het gehuchtje Eversdijk voor. Het is zeer onwaarschijnlijk dat de sloopactiviteiten verstorend zouden werken op de aanwezigheid van deze broedvogels. De afstand is ruim (min. 250 m.) voldoende en externe effecten (geluid, versnippering of belichting) zullen beperkt zijn, omdat de te slopen bebouwing grotendeels gedemonteerd kan worden. In het studiegebied komen volgens de effectenindicator mogelijk beschermde soorten zoogdieren voor: de gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Volgens waarnemingen.nl zijn hiervan geen waarnemingen bekend (2013-2018). Het is mogelijk dat deze vleermuissoorten gebruik maken van het gebied om te foerageren. Zij zullen echter geen schadelijk effect van de sloopactiviteiten ondervinden. Beschermde amfibiesoorten zoals de rugstreeppad komen volgens waarneming.nl niet in het studiegebied voor.
Omdat er geen (verblijfplaatsen van) beschermde soorten zijn aangetroffen is geen ontheffing nodig.
Conclusie
Het aspect ecologie staat de ontwikkeling niet in de weg.
Ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling dient een watertoets uitgevoerd te worden. Bij de watertoets gaat het om allerlei waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Bij het tot stand komen van deze paragraaf is overleg gevoerd met de waterbeheerder. De opmerkingen van de waterbeheerder zijn vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.
Bij het Waterschap Scheldestromen wordt hiervoor een watertoetstabel gebruikt. In deze tabel zijn de hiervoor genoemde aspecten verwerkt. De tabel in bijlage 5 is ingevuld voor het plan Noordhoekse wegeling. De tabel wordt voorgelegd aan het Waterschap. Eventuele op- of aanmerkingen van het waterschap zullen in deze paragraaf worden verwerkt. Voor de aanleg van het waterbassin is op 24 mei 2018 al een vergunning verleend (bijlage 6).
Toetsingskader
De verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte van de ontwikkeling wordt bepaald op basis van kencijfers van het CROW (publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie', 2012). De gemeente heeft een niet-stedelijk karakter op basis van adressendichtheid. Het voornemen is gelegen buiten de bebouwde kom en binnen de bandbreedte van het kencijfer wordt uitgegaan van het gemiddelde kencijfer op basis van het gemiddelde autobezit in de gemeente, ten opzichte van het landelijk gemiddelde conform het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek).
Onderzoek
Ontsluiting
Het plangebied wordt ontsloten via de Noordhoeksewegling, hier is al een ontsluiting van het plangebied aanwezig. De Noordhoeksewegeling is een erftoegangsweg (type II) buiten de bebouwde kom met een maximum snelheid van 60 km/u. In noordwestelijke richting wordt aangesloten op de N666 en de A58.
Het fietsverkeer maakt op de erftoegangswegen gebruik van dezelfde rijbaan als het gemotoriseerd verkeer. De dichtstbijzijnde openbaarvervoerhalte ligt aan N289 in Kapelle, op circa 30 minuten loopafstand van het plangebied. Van hieruit wordt verbonden met Goes en Middelburg. Voor voetgangers is geen apart trottoir aanwezig, voor de overige modaliteiten is de ontsluiting goed.
Parkeerbehoefte
Op basis van de voorgenomen ontwikkeling is de parkeerbehoefte bepaald. De planopzet bestaat uit het huisvesten van 13 arbeidsmigranten. Uit ervaringscijfers van het naastgelegen bedrijf (met 13 arbeidsmigranten) blijkt dat de parkeerbehoefte zeer beperkt is. Van de 13 arbeidsmigranten heeft 1 persoon een auto. Aan de hand van dit gegeven wordt er van uitgegaan dat de parkeerbehoefte bestaat uit 1 tot maximaal enkele parkeerplaatsen, waarvoor genoeg ruimte is op het eigen terrein om dit op te vangen.
Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling
Op basis van ervaringscijfers van de initiatiefnemer is ook de verkeersgeneratie bepaald. Doordat hooguit enkele arbeidsmigranten over een auto beschikken, zal de verkeersgeneratie van personenauto's niet hoger zijn dan 10 verkeersbewegingen per etmaal. Voor het ophalen van producten die verbouwd worden in de kas komen 2 vrachtwagens per week. Per etmaal zullen op een maatgevende dag 2 vrachtwagenbewegingen plaatsvinden.
De verkeersafwikkeling vindt in zowel noordelijke richting als in zuidelijke richting plaats op de Noordhoeksewegeling. Naar verwachting wikkelt het verkeer grotendeels in noordelijke richting af op de N666, alwaar het zal opgaan in het heersende verkeersbeeld.
Conclusie
De ontsluiting van het plangebied is goed voor het gemotoriseerd verkeer en fietsverkeer. De parkeerbehoefte wordt op het eigen terrein opgevangen. De ontwikkeling zorgt voor een beperkte verkeerstoename wat op gaat in het huidige verkeersbeeld. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling zodoende niet in de weg.
Beleid en toetsingskader
Algemeen
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat:
Om voor deze ontwikkeling de belangenafweging tussen een goed woon- en leefklimaat en de bedrijfsvoering goed mee te nemen wordt voor dit plan gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze uitgave is een lijst opgenomen met allerhande activiteiten en bijbehorende richtafstanden die gehanteerd worden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Naarmate de milieubelasting van de activiteiten groter is, wordt uitgegaan van een grotere richtafstand. In geval van een omgevingstype 'gemengd gebied' mag worden uitgegaan van een kleinere richtafstand. De richtafstanden vormen een eerste indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende activiteiten worden gesitueerd. Bouwen binnen de richtafstanden is eveneens aanvaardbaar, indien uit onderzoek blijkt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening waarbij milieuhinder voorkomen wordt
Akkerbouw, fruitteelt en glastuinbouw
Emissie van bestrijdingsmiddelen zoals toegepast in de akkerbouw, fruitteelt en de glastuinbouw kan milieuproblemen veroorzaken (diffuse verspreiding via lucht, bodem en water). Ook speelt de aanwezigheid van gevoelige functies een rol. Op grond van het Omgevingsplan dient daarom rekening te worden gehouden met een aan te houden afstand van minimaal 50 m van glastuinbouwbedrijven en fruitteeltpercelen tot woon- en verblijfsrecreatiegebieden. Ook dient minimaal 100 m afstand te worden gehouden van gronden waar agrarische gebouwen zijn toegestaan.
Onderzoek
Het plangebied en agrarisch gebied in omgeving bestaat uit milieugevoelige functies (burgerwoningen) en milieubelastende functies (agrarische bedrijvigheid et cetera). Met de ontwikkeling wordt een milieubelastende en een milieugevoelige functie mogelijk gemaakt. Er is onderzocht of de nieuwe functie het woon- en leefklimaat van bestaande gevoelige objecten in de omgeving nadelig beïnvloedt. Ook wordt onderzocht of ter plaatse van de logiesfunctie sprake is van een goed woon- en leefklimaat en of de logiesfunctie op deze locatie de bedrijven in de omgeving in hun bedrijfsvoering beperkt.
Het plangebied maakt de realisatie van een uitbreiding van het glastuinbouwcomplex mogelijk. Deze functie wordt gerekend tot maximaal categorie 2 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Gezien de aanwezigheid van burgerwoningen en agrarische bedrijvigheid in de directe omgeving kan het gebied getypeerd worden als gemengd gebied waardoor de richtafstand 10 meter bedraagt. De dichtstbijzijnde woning ligt op een afstand van circa 25 meter van de bestemmingsgrens.
Ten noorden van het perceel ligt een glastuinbouwbedrijf op Noordhoeksewegeling 5, dit bedrijf ligt op ruim 70 meter van het logiesgebouw. Ruim boven de richtafstand van 10 meter zoals die is opgenomen in de VNG brochure van glastuinbouwbedrijven in gemengd gebied. Ten oosten van het plangebied liggen akkerbouwgronden die mogelijk bespoten worden. Er zijn geen wettelijke bepalingen inzake minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen. Veelal wordt een afstand van 50 meter als vuistregel gehanteerd, de veilige afstand voor bespuiting van akkerbouwgewassen is echter kleiner vanwege gebruik van neerwaartse spuittechnieken en de bespuiting op lage afstand van de grond. De logiesfunctie wordt gerealiseerd op een afstand van minimaal 35 meter van de agrarische gronden, bovendien is aan zowel de zijde van de logies als de agrarische gronden een haag en een sloot aanwezig waardoor drift beperkt wordt. Hierdoor sprake van een aanvaardbare situatie en wordt de agrariër niet in zijn bedrijfsvoering beperkt.
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de ontwikkeling niet in de weg.
Toetsingskader
Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/u-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.
Toetsing en conclusie.
Huisvesting van arbeidsmigranten is op basis van de Wet geluidhinder niet geluidgevoelig, omdat de arbeidsmigranten hun hoofdverblijf elders hebben. Ook een glastuinbouwbedrijf is niet geluidgevoelig. Nader onderzoek is niet noodzakelijk en het aspect geluid staat de ontwikkeling dan ook niet in de weg.
Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk:
In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Risicorelevante inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.
Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water.
Het BEVT, en het bijbehorende Basisnet, maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.
Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.
Buisleidingen
Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Toetsing
Risicorelevante inrichtingen
In de omgeving van het plangebied liggen meerdere relevante risicobronnen. Het gaat om:
Het plangebied ligt in het invloedsgebied van de Zebra leiding A515 en het transport van gevaarlijke stoffen over de A58.
De risicobronnen A58 en hogedruk aardgastransportleiding A515 leiden niet tot een PR10-6 contour binnen het plangebied. Vanwege de ligging in deze invloedsgebieden dient het groepsrisico te worden verantwoord. Omdat het bestemmingsplan een ontwikkeling mogelijk maakt waarbij sprake is van een zeer geringe toename van het aantal aanwezige personen (maximaal 13 arbeidsmigranten), kan gesteld worden dat het groepsrisico voor de risicobronnen niet of slechts zeer gering zal toenemen. Wel dient het gebied goed bereikbaar te zijn voor hulpverleningsdiensten vanuit verschillende windrichtingen. De ontwikkeling heeft geen invloed op de externe veiligheidssituatie ter plaatse.
Het plangebied ligt op 175 meter van een ondergrondse buisleiding van Zeeland Refinery voor transport van ruwe aardolie ZR702. De afstand vanaf de buisleiding tot de beoogde huisvesting van arnbeidsmigranten bedraagt ruim 300 meter. Bij een dergelijke leiding wordt een effectgebied van maximaal circa 100 meter verwacht. De buisleiding van Zeeland Refinery is daarom niet relevant voor dit plangebied.
In de leidingenstrook ligt een 3e buisleiding, namelijk voor aardgastransport A513. Vanwege de beperkte diameter van deze leiding, is deze niet relevant voor dit plangebied.
Figuur 4.7 Globale ligging plangebied ten opzichte van risicobronnen in de omgeving (bron: professionele risicokaart)
Op het terrein zal een CO2 tank worden gerealiseerd. Rond deze tank zal een veiligheidsaftand van 3 meter tot gevoelige objecten moeten gehanteerd worden. Hieraan kan voldaan worden.
Conclusie
Externe veiligheid staat de ontwikkelingen niet in de weg. Wel moet rekening worden gehouden met de veiligheidsafstand van 3 meter voor de plaatsing van de CO2 tank.
Beleid, normstelling en toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang.
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden, die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan), uitoefenen indien:
NIBM
In het Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
Onderzoek
Gelet op de omvang van de ontwikkeling valt het plan binnen één van de aangewezen vrijstellingscategorieën uit het Besluit nibm. Omdat het Besluit nibm van toepassing is kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Voor de onderbouwing van dit bestemmingsplan is daarom geen luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt wel inzicht gegeven in de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) hoort.
Hieruit blijkt dat in 2016 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct langs de A58 ter hoogte van het plangebied (dit is het dichtstbijzijnde meetpunt) ruimschoots beneden de grenswaarden uit de Wet milieubeheer waren gelegen. Dit is ook het geval in de prognosejaren 2020 en 2030.
Figuur 4.8. Luchtkwaliteitkaart (bron: nsl-monitoring.nl 2018)
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Ter plaatse van de ontwikkeling is er tevens sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.
Toetsingskader
In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen. Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.
Toetsing
In het projectgebied bevinden zich een hoogspanningsverbinding. Voor de aanleg van het waterbassin en de kassen is overleg gepleegd met de beheerder van deze verbinding Teslan. Er is afgesproken om 5 meter uit de voet van hoogspanningsmast te blijven. Voor de aanleg is een vergunning van Teslan verkregen (bijlage 7).
Mogelijk zijn ook diverse niet-planologisch relevante leidingen (rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) aanwezig. Deze kabels en leidingen zijn veelal aangelegd langs / in combinatie met aanwezige weginfrastructuur. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient hiermee rekening te worden gehouden.
Conclusie
Er zijn afspraken gemaakt over het gebruik en de bouwmogelijkheden rondom de planologische relevante leiding in het plangebied. Er zijn derhalve geen belemmeringen te verwachten. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen.
Toetsingskader
Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied dienen volgens provinciaal beleid (Omgevingsplan 2012-2018) aan te sluiten bij het bestaande karakter van het landschap. Als algemeen uitgangspunt geldt daarom dat een nieuwe ontwikkeling zodanig in het landschap moet worden ingebed dat het als een logisch onderdeel uitmaakt van het landschap. Hiervoor wordt uitgegaan van een 10 meter brede afschermende groengordel.
Toetsing en conclusie
Voor de nieuwe ontwikkelingen op het terrein is een landschappelijk inpassingsplan gemaakt. Het plan hiervoor is opgenomen in bijlage 8. Hiermee wordt voldaan aan de 10 meter afschermende groengordel rondom de nieuwe ontwikkelingen.
Beleid en Normstelling
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten.
Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.
• Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
• Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden.
Onderzoek
In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een landinrichtingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op vestiging van een glastuinbouwgebied van 50 hectare of meer (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D9). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de uitbreiding van een bedrijf met een oppervlakte van 14.000 m2. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is.
Op 29 mei 2018 is bij besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kapelle vastgesteld dat geen MER nodig is. De aanmeldingsnotitie voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen in bijlage 9. Daaruit blijkt dat, gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Mitigerende maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk.
Algemeen
Het juridische kader voor dit bestemmingsplan vormt de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Sinds 1 januari 2010 moeten conform de Wro alle nieuwe ruimtelijke plannen digitaal, uitwisselbaar en vergelijkbaar worden gemaakt. Het gaat dan onder andere om bestemmingsplannen, provinciale verordeningen en structuurvisies. Deze plannen worden digitaal beschikbaar gesteld voor burgers, bedrijven en andere overheidsinstanties.
Dit bestemmingsplan is opgebouwd volgens de bindende afspraken uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012), zoals die zijn verankerd in het Bro. Daarnaast voldoet dit bestemmingsplan aan de eisen die het Bro stelt aan de regels van het bestemmingsplan. Het gaat dan bijvoorbeeld om een aantal standaardbegrippen, de wijze van meten, regels ten aanzien van overgangsrecht en de anti-dubbeltelbepaling.
Uitgangspunt is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en bouwregels. De verbeelding is gekoppeld aan de regels van het bestemmingsplan, waarin regels worden gesteld ten aanzien van de bouw- en gebruiksmogelijkheden. De verbeelding bestaat uit de bestemming Agrarisch, de dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie 4 en Leiding - Hoogspanningsleiding. Verder staan ook de functieaanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - waterbassin', 'specifieke vorm van agrarisch - logies', 'specifieke vorm van agrarisch - glastuinbouw' en 'specifieke vorm van agrarisch - zonnepanelen' op de verbeelding. Doormiddel van deze aanduidingen worden het gebruik en de bouwmogelijkheden op deze specifieke locaties geregeld.
De hoogtebeperkingen voor het bouwen worden opgenomen in de verbeelding en regels.
Opzet verbeelding
Bestemmingsvlak
Op de verbeelding wordt per perceel aangegeven welke bestemming geldt en waar bebouwing is toegestaan. Bij de bestemming, wordt in de planregels de toegestane mate van bebouwing weergegeven.
De bestemming wordt op de verbeelding weergegeven middels hoofdletters, zoals A voor "Agrarisch" . Op het renvooi wordt de betekenis van de bestemmingen en aanduidingen op de verbeelding weergegeven. De volgorde van de bestemmingen in het renvooi komt overeen met de volgorde in de planregels.
Aanduidingen
Met functieaanduidingen wordt op de verbeelding specifiek gebruik weergegeven. Deze aanduidingen staan weergegeven door kleine letters tussen haakjes direct achter de bestemming. Zo geeft de functieaanduiding (gt) aan dat glastuinbouw hier is toegestaan.
Ten slotte worden op de verbeelding ook maatvoeringsaanduidingen gebruikt, zoals de maximaal toegestane goothoogte.
Bij het toekennen van aanduidingen is zo veel mogelijk aangesloten bij de standaard (en verplichte) aanduidingen uit SVBP2012. In het renvooi zijn alle gebruikte aanduidingen opgenomen.
Opzet planregels
De regels zijn opgedeeld in hoofdstukken, volgens de bepalingen uit SBVP2012:
De artikelen in hoofdstuk 2 Bestemmingsregels zijn als volgt opgebouwd:
Niet ieder bestemmingsartikel hoeft al deze elementen te bevatten. Dat is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingsartikelen bevatten in ieder geval een bestemmingsomschrijving en bouwregels
In deze paragraaf wordt een toelichting gegeven op de gehanteerde bestemmingen en wat binnen deze bestemmingen is toegestaan met betrekking tot bouwen en gebruik.
Functieaanduidingen
Binnen deze bestemming zijn in beginsel alleen grondgebonden agrarische bedrijven toegestaan. Glastuinbouw, een waterbassin en zonneveld en huisvesting voor arbeidsmigranten zijn voorzien van een specifieke functieaanduiding. De aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - logies' is opgenomen ter plaatse van de loods, hiermee wordt de huisvesting van 13 arbeidsmigranten toegestaan op deze locatie. De kassen zijn toegestaan binnen de locaties die op de verbeelding zijn aangeduid met de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - glastuinbouw'. Binnen de gronden waar een functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - waterbassin' geldt, zijn naast het waterbassin ook zonepanelen toegestaan, bedoeld om de beoogde zonnepanelen op het waterbassin te kunnen ontwikkelen. Ook op gronden met de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - zonnepanelen' mogen zonnepanelen gebouwd worden. De zonnepanelen hebben als doel het eigen bedrijf van energie en/of warm water te voorzien en zijn dus niet limitatief tot zonnecollectoren, mogelijk zijn bijvoorbeeld ook zonneboilers. Ter plaatse van de aanduiding 'landschappelijke inpassing' is tevens een landschappelijke inpassing mogelijk.
Bouwvlakken
In beginsel moet alle bebouwing voor agrarische bedrijven binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken worden opgericht. Binnen de bouwvlakken mogen gebouwen worden opgericht ten behoeve van het agrarisch (glastuinbouw) bedrijf. Daarbij geldt dat er maximaal 15.000 m² bebouwd mag worden, waarvan maximaal 14.000 m² aan kassen.
Bepaalde bebouwing is ook buiten een bouwvlak toegestaan. Dit is in de tabel in de bouwregels, zoals opgenomen in het bestemmingsartikel, specifiek aangegeven. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om sleufsilo's en kuilvoerplaten, maar ook de zonnepanelen.
In verband met verkeersveiligheid en algemene ruimtelijke / stedenbouwkundige uitgangspunten mag niet gebouwd worden binnen 20 meter van wegen.
Voorwaardelijke verplichting
Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waardoor bouwen alleen is toegestaan mits de aanleg en instandhouding van een landschappelijke inpassing conform het ontwerp zoals opgenomen in bijlage 1 van de regels is verzekerd.
Flexibiliteitsregels
Binnen de bestemming Agrarisch is een aantal flexibiliteitsregels opgenomen, door middel waarvan specifieke bouw- en gebruiksmogelijkheden kunnen worden geboden. Daarbij wordt onderscheid worden gemaakt in ontheffingen voor bouwen en voor gebruik en in wijzigingsbevoegdheden.
Het plan bevat de volgende ontheffingsmogelijkheden voor het bouwen:
Met betrekking tot het gebruik zijn de volgende ontheffingsmogelijkheden opgenomen:
Voortvloeiend uit andere aspecten van de ruimtelijke ordening worden aan een aantal ontheffingsmogelijkheden eisen gesteld ten aanzien van de noodzakelijkheid voor het agrarisch bedrijf, landschappelijke inpassing, ruimtelijke kwaliteitswinst en / of voorwaarden met betrekking tot het waterschap.
Het vestigen van een NED is in afwijking van de bestemmingsomschrijving door een ontheffing mogelijk gemaakt, hiervoor is zowel in de bouwregels als in de gebruiksregels een regeling opgenomen. Ontheffing voor het bouwen en gebruik zijn aan elkaar gekoppeld, zodat voor het bouwen van dezelfde regels gelden als voor het gebruik van gebouwen voor NED.
Advisering Agrarische Adviescommissie
Bij de agrarische bestemmingen is in de meeste bouwregels toegevoegd dat uitbreiding van bedrijfsgebouwen wordt toegestaan wanneer dit voor een doelmatige bedrijfsvoering gelet op de aard, inrichting, omvang en continuïteit van het bedrijf, nodig is. Hiermee wordt voorkomen dat het landelijk gebied van de gemeente Kapelle wordt volgebouwd en versteend.
Artikel 4 Leiding - Hoogspanningsleiding
De dubbelbestemmingen Leiding - Hoogspanningsleiding geven aan waar in het buitengebied hoogspanningsleidingen aanwezig zijn. Voor het bouwen gelden in deze gebieden aanlegvergunningen voor graven en (aan)planten. Overleg met de beheerder(s) van leidingen is geregeld in de regels.
Artikel 5 Waarde - Archeologie 4
De bestemming Waarde - Archeologie 4 betreft een zogenoemde dubbelbestemming. De dubbelbestemming is overeenkomstig de aanbeveling in SVBP2012 met een arcering op de verbeelding weergegeven. De bestemming valt samen met een groot aantal andere bestemmingen. De regeling heeft tot doel de bescherming en veiligstelling van het archeologisch erfgoed in de bodem. Deze dubbelbestemming is conform de Beleidsnota Archeologie van de gemeente Kapelle opgenomen.
Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient inzicht te worden gegeven in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het gaat daarbij zowel om de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de planvoorbereiding zijn betrokken alsook om de resultaten van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro.
Er is op 7 mei 2018 door de initiatiefnemer een informatieavond gehouden voor buurtbewoners waarin het plan is gepresenteerd. Het plan is hier positief ontvangen.
Voor de procedure van het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning wordt gebruik gemaakt van de coördinatieregeling. De ontwerp besluiten van het bestemmingsplan Noordhoeksewegeling 3 met planidentificatie NL.IMRO.0678.buitengebiedHZ004-VAST en de omgevingsvergunning bouwen hebben met bijbehorende onderliggende stukken gedurende 6 weken voor iedereen ter inzage gelegen. Tijdens de termijn van terinzagelegging heeft een ieder de mogelijkheid gehad een zienswijze in te dienen op het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning.
Overleg ex artikel 3.1.1. Bro
Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg gepleegd te worden met besturen van gemeenten, met rijks- en provinciale diensten, etc. Dit plan is toegestuurd aan:
Provincie Zeeland heeft laten weten geen zienswijze in te dienen op het plan. Waterschap Scheldestromen heeft een wateradvies gegeven op het plan (Bijlage 10). Hierin stelt het Waterschap aanvullende eisen aan de hoeveelheid waterberging die aanwezig moet zijn bij de realisatie extra dakoppervlak op de locatie. Om hier aan te voldoen is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen die de aanwezigheid van voldoende waterberging verplicht in artikel 3.2.4 onder b.
Veiligheidsregio Zeeland heeft een reactie gegeven op het ontwerpbestemmingsplan (Bijlage 11). Hierin geven zij aan dat zij geen relevante maatregelen om in het ruimtelijk plan te realiseren, teneinde de risico's te beperken en de mogelijkheden tot zelfredzaamheid en hulpverlening te vergroten voorzien. Wel geven zij een aantal adviezen die niet direct in het ruimtelijk besluit kunnen worden ingepast.
In de Wro is de Grondexploitatiewet opgenomen. In deze wet is het verplichte kostenverhaal van plankosten door de gemeente geregeld. De gemeente legt dit kostenverhaal vast in een exploitatieplan. Kostenverhaal is aan de orde en dient te worden verzekerd indien op grond van een wijzigingsplan rechtstreeks nieuwe bouwplannen (als genoemd in artikel 6.2.1 Bro) mogelijk worden gemaakt (artikel
6.2.3 t/m 6.2.5 Bro). Voor een wijzigingsbevoegdheid wordt kostenverhaal pas verplicht bij het vaststellen van het wijzigingsplan. Een exploitatieplan hoeft niet te worden vastgesteld indien het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Bijvoorbeeld doordat met alle grondeigenaren hiertoe een overeenkomst is gesloten of als de gemeente volledig zelf het grondeigendom heeft.
De initiatiefnemer heeft de gronden in eigendom. Tussen gemeente en initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst afgesloten waarin het verhaal van kosten geregeld is. Het vaststellen van een exploitatieplan is dan ook niet noodzakelijk.