direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Maasbommel, Velddijksestraat 14
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0668.MAAvelddijksestr14-TOOH

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De eigenaren (hierna: initiatiefnemers) van het perceel Velddijksestraat 14 in Maasbommel, zijn voornemens om twee nieuwe vrijstaande woningen op het perceel te realiseren.

Ten behoeve van dit initiatief is een principeverzoek ingediend. Uit het principebesluit van 26 maart 2024 is gebleken dat het planvoornemen past binnen het gemeentelijk beleid.

Het beoogde initiatief is niet mogelijk op grond van het bestemmingsplan 'Gouden Ham/De Schans' dat onderdeel vormt van het tijdelijk omgevingsplan van de gemeente West Maas en Waal. Om de gewenste ontwikkelingen juridisch-planologisch mogelijk te maken dient een TAM-omgevingsplan te worden opgesteld. Onderhavig plan voorziet hierin.

1.2 Ligging en begrenzing besluitgebied

Het plangebied is gelegen langs de Velddijksestraat ten noorden van de kern Maasbommel en omvat de percelen kadastraal bekend als gemeente Appeltern, sectie R en M, nummers 401 en 840. Het plangebied heeft een omvang van circa 4.900 m2 en wordt begrensd door:

  • Noordzijde: agrarische gronden;
  • Oostzijde: agrarische gronden en de Bovendijk;
  • Zuidzijde: de zijdelingse woonperceelsgrens van de woning aan de Velddijksestraat 12;
  • Westzijde: de Velddijksestraat.

Navolgende afbeeldingen tonen globaal de ligging en begrenzing van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAAvelddijksestr14-TOOH_0001.jpg"
Globale ligging plangebied (rode stip)

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAAvelddijksestr14-TOOH_0002.jpg"
Globale begrenzing plangebied (rode omkadering)

1.3 Huidige juridisch-planologische situatie

Het plangebied valt binnen het (tijdelijke) omgevingsplan 'Gouden Ham/De Schans, randzone', zoals door de gemeenteraad op 3 december 2015. De gronden in het plangebied hebben ter plaatse van de bestaande woning de bestemming 'Wonen' en ter plaatse van de beoogde woonpercelen de bestemming 'Agrarisch - Oeverwal'. Ook geldt ter plaatse van het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' met de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - waarde archeologie 2'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAAvelddijksestr14-TOOH_0003.jpg"
Uitsnede verbeelding geldend (tijdelijk) omgevingsplan met globale aanduiding plangebied (rode omkadering)

Op grond van de agrarische bestemming is zowel de bouw als het gebruik van de beoogde nieuwe burgerwoningen niet toegestaan. De ontwikkeling past zodoende niet binnen het geldende (tijdelijke) omgevingsplan. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken is het noodzakelijk een TAM-omgevingsplan vast te stellen.

1.4 Leeswijzer

Het TAM-omgevingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de functies in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde functies zijn opgenomen. Het omgevingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het plan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het omgevingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het omgevingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in vier delen.

Inleiding en beschrijving plangebied
In hoofdstuk 1 zijn de aanleidingen en het kader voor de planherziening beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied.

Verantwoording
Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet.

Juridische planbeschrijving
In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd.

Uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 6 gaat in op de financieel-economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Het laatste deel (hoofdstuk 7) concludeert of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

De Velddijksestraat wordt gekenmerkt door de historische lintbebouwing, waaronder de bestaande woning aan de Velddijksestraat 14. Daarnaast is de Velddijksestraat ook een toegangsroute richting het centrum van het dorp Maasbommel.

In de huidige situatie is het plangebied bebouwd met één woning en diverse bijgebouwen. De gronden rond het bestaande woonperceel bestaan voornamelijk uit grasland, wat de functie heeft als paardenweide. Ten noorden van het bestaande woonperceel staat een schuur. Navolgend is een impressie van de paardenweide opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAAvelddijksestr14-TOOH_0004.png"
Impressie bestaande situatie

In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk burgerwoningen en agrarische gronden gelegen. Afwijkend is de recreatieve jachthaven ten oosten van het plangebied. Op navolgende afbeelding is een impressie van de omliggende bebouwing weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAAvelddijksestr14-TOOH_0005.jpg"
Impressie bestaande bebouwing met globale begrenzing plangebied (rode omkadering)

2.2 Toekomstige situatie

Het planvoornemen betreft het realiseren van twee nieuwe vrijstaande woningen. Het plangebied wordt hiervoor opgesplitst in drie woonpercelen. Eén ter plaatse van de bestande woning, één aan de noordzijde van het plangebied en één aan de zuidzijde. Tussen de noordelijke woning en de bestaande woning komt een groene onbebouwde ruimte, ten behoeve waarvan de bestaande schuur wordt gesloopt.

De positionering van beide woningen aan de uiteindes van het perceel is bewust gedaan om de zichtlijnen vanaf de Velddijksestraat richting het achterliggende gebied te behouden. Aan de noordzijde is het zicht reeds belemmerd door het bestaand opgaande groen te noorden van het plangebied en aan de zuidzijde door de bestaande bebouwing en de bomenrij langs de A-watergang parallel aan de dijk. Op de navolgende afbeelding is de ruimtelijke en landschappelijke inpassing van het planvoornemen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAAvelddijksestr14-TOOH_0006.png"
Impressie inpassing beoogde situatie, zie ook bijlage 1 bij de regels

De noordelijke woning is aan de noordzijde van het woonperceel beoogd, om de zichtlijnen zo minimaal mogelijk te beperken. De garage/schuur bij de woning is omwille van de zichtlijn in de noordoosthoek, danwel deels achter de woning voorzien.

De beoogde woning ter plaatse het zuidelijk perceel ligt minder prominent aan de straat dan de noordelijke woning. De rooilijn van de zuidelijke woning is afgestemd op de rooilijn van de bestaande omliggende woningen. Om de bestaande zichtlijn te behouden is de woning zo ver mogelijk aan de zuidzijde gepositioneerd.

Beide nieuwe kavels krijgen een eigen oprit, aangesloten op de Velddijksestraat. De oprit van de bestaande woning zal in omvang worden verkleind, zodat het verhard oppervlak minder wordt en de voorruimte groener ingevuld kan worden. Tussen de woningen komen groene, onbebouwde ruimtes voor landschappelijke geleding, waterberging en doorzichten. De beoogde woningen worden landschappelijk ingepast. Voor de erfafscheidingen wordt gebruik gemaakt van gebiedseigen soorten, zoals meidoorn, haagbeuk of liguster. Tevens wordt gebruik gemaakt van gebiedseigen elementen, waaronder een fruitboomgaardje met streekeigen soorten, zoals appel, peer, pruim, walnoot of kers. Het gebruik van hoog opgaande beplanting wordt beperkt om zichtlijnen te behouden. De haag aan de achterzijde bij het noordelijke woonperceel is vanwege het beheer en onderhoud van de watergang op meer dan 1,0 m van de watergang beoogd. Zodat deze ook bij uitgroei niet binnen 1,0 m van de watergang komt.

De vrijstaande woningen worden individueel, maar in een landelijke stijl, vormgegeven. Hierbij zal de nokrichting en kapvorm variëren. De bouwhoogte bedraagt anderhalve laag met kap en sluit daarmee aan op de hoogte van de bestaande woningen in het lint.

2.3 Strijdigheden met het (tijdelijke) omgevingsplan

Op grond van de agrarische bestemming is zowel de bouw als het gebruik van de beoogde nieuwe burgerwoningen niet toegestaan. De ontwikkeling past zodoende niet binnen het geldende (tijdelijke) omgevingsplan. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken is het noodzakelijk een TAM-omgevingsplan vast te stellen.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), waarin het Rijk een lange termijn visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt keuzes te maken. Bij de afweging van keuzes wordt bij voorkeur gekozen voor slimme combinaties van functies, wordt uitgegaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en worden beslissingen niet uitgesteld of doorgeschoven.

De nationale belangen en opgaven waarop het Rijk wil sturen en richting wil geven, komen samen in de volgende vier prioriteiten:

  • Ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden;
  • Steden en regio's sterker en leefbaarder maken;
  • Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.


Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de prioriteiten uit de NOVI. De NOVI vormt geen belemmering voor dit plan.

3.1.2 Conclusie

De NOVI vormt geen belemmering voor het planvoornemen, mits de ontwikkeling geen belemmering vormt voor rivierverruimende maatregelen.

3.2 Provinciaal en regionaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten van Gelderland de 'Omgevingsvisie Gaaf Gelderland' vastgesteld. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid.

De wereld verandert ingrijpend en er komt veel op de inwoners van Gelderland af. Het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, digitalisering, internationalisering. Er zal in onderling overleg gezocht moeten worden naar synergie, samenhang en uitruilmogelijkheden voor deze vraagstukken. Daarom zet de provincie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal.

Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang, zoals goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen en een mooie natuur. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende stedelijke en landelijke woonkwaliteiten. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en het concentreren van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan er aan de randen van steden of dorpen worden uitgebreid.

De dynamiek op de woningmarkt is groot. Mensen worden ouder, wonen steeds langer alleen en zelfstandig, worden steeds meer energiebewust en zijn mobieler dan vroeger, waardoor ze ook meer en makkelijker verhuizen. Voor de provincie staat een goede balans tussen de vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën voorop, ook voor specifieke doelgroepen. De meeste woningen zijn verre van energieneutraal en klimaatbestendig. De provincie stimuleert innovaties op dit terrein, zoals het aardgasloos maken van bestaande woningen en het verduurzamen van woonwijken.

Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling sluit aan bij het vertrekpunt dat zoveel mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied gebouwd wordt. Het planvoornemen betreft een kleinschalige ontwikkeling langs een bebouwingscluster aan een landelijk lint.

De nieuwe woningen worden duurzaam- en bijna energieneutraal (BENG) gebouwd, waarbij er aandacht is voor onder andere klimaatadaptief bouwen. De daken van de woningen worden afgekoppeld en al het hemelwater kan op eigen terrein infiltreren.

Uiteraard worden de woningen gasloos uitgevoerd en zal er daarnaast sprake zijn van goede isolatie, lage temperatuur verwarming, een warmtepomp en worden zonnepanelen op het dak om de nodige energie op te wekken.

De Omgevingsvisie doet verder geen specifieke uitspraken die van belang zijn voor de voorliggende ontwikkeling. De Omgevingsvisie vormt geen belemmering voor de nieuw te bouwen woning.

3.2.2 Omgevingsverordening

De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening.

Planspecifiek
In artikel 5.64 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat alleen nieuwe woningen mogelijk mogen worden gemaakt als de ontwikkeling past binnen de, door de gemeentenbesturen en Gedeputeerde Staten, vastgestelde regionale woonagenda. Aangezien het toevoegen van maximaal 2 woningen passend is binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma (dat op zijn beurt past binnen de subregionale woonagenda) is de voorgenomen ontwikkeling op dit onderdeel passend binnen de Omgevingsverordening.

Op basis van de omgevingsverordening is het plangebied gelegen binnen de 'Gelderse streek Land van Maas en Waal'. Op grond van artikel 5.39 van de omgevingsverordening dient bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening te worden gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. Onderhavig planvoornemen betreft een herontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied. Aansluitend bij de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen worden de woonpercelen landschappelijk ingepast doormiddel van het aanplanten van groene landschapselementen, waaronder fruitbomen en hagen.

Verder dient op grond van artikel 5,85, ingeval van een nieuwe activiteit of ontwikkeling, te worden toegelicht welke maatregelen of voorzieningen worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Binnen de nieuwe woonpercelen zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet worden gekoppeld aan het rioolsysteem, waardoor overbelasting van het riool wordt voorkomen. Daarnaast worden diverse landschapselementen aangeplant, waardoor hittestress wordt beperkt. Ook zal door het beperken van terreinverharding en het toepassen van halfverharding het grondwater aangevuld blijven worden met regenwater, zodat droogteschade wordt voorkomen.

Voor het onderhavige plangebied zijn geen andere specifieke doelstellingen geformuleerd in de Omgevingsverordening. Vandaar dat de Omgevingsverordening geen belemmering vormt.

3.2.3 Regionale Woonagenda Rivierenland 2020-2030

De colleges van de acht gemeenten binnen de regio Rivierenland hebben ingestemd met de Regionale Woonagenda Rivierenland 2020-2030. De regionale woonagenda vormt een belangrijk kader voor de ontwikkelingen van nieuwe woningen in de regio. In de woonagenda is het regionaal woningbouwprogramma opgenomen. In het woningbouwprogramma wordt gewerkt met een bandbreedte. In totaal bevat het woningbouwprogramma voor 2020-2030 van de Regio Rivierenland 7.900 - 12.550 woningen. Het deel van de gemeente West Maas en Waal bedraagt 450 - 850 woningen.

Nieuwbouw van woningen moet bijdragen aan de visie en ambities van de gemeenten en aansluiten bij de lokale behoeften. De visie en ambitie van de gemeente West Maas en Waal is als volgt beschreven:

"Wonen in West Maas en Waal gaat primair over de bestaande woningvoorraad en de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving; nieuwbouw is hieraan ondergeschikt. Om onze kernen vitaal en leefbaar te houden is een goede kwaliteit van de leefomgeving en de bestaande woningvoorraad van groot belang. Ook wil de gemeente slim gebruik maken van wat er al is. Nieuwe functies voor leegstaande gebouwen en vervanging van oudere woningen dragen bij aan verbetering van de kwaliteit van onze kernen.

De woningen die we toevoegen dienen dan ook primair bij te dragen aan de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van onze kernen. Onze structuurvisie Dorpen en de daarbij horende Dorpskwaliteitsplannen vormen daarvoor de basis. In de gemeentelijke woonvisie is verder opgenomen dat we blijven uitgaan van het principe “de juiste woning, op de juiste plaats, op het juiste moment”. Hiermee willen we vooral, maar niet uitsluitend, de lokale kwalitatieve vraag invullen. Dit principe is verder uitgewerkt in een toetsingskader woningbouw."

Planspecifiek
Voorliggend plan voorziet in de bouw van twee nieuwe woningen. Ten behoeve van dit initiatief is een principeverzoek ingediend. Op basis van de toetsing is gebleken dat het voornemen past binnen het gemeentelijk beleid en zodoende is het opgenomen in de plancapaciteit.

3.2.4 Conclusie

In het plangebied zijn geen provinciale en regionale belangen in het geding.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie West Maas en Waal

Op 30 mei 2024 heeft de gemeenteraad de 'Omgevingsvisie West Maas en Waal' vastgesteld. In de Omgevingsvisie wordt op hoofdlijnen al het ruimtelijke beleid gebundeld in één overkoepelende visie. Door een gezamenlijke ‘stip op de horizon’ te zetten kan richting worden gegeven aan alle keuzes op het gebied van ruimtegebruik en de inrichting van de (openbare) ruimte. De Omgevingsvisie, als overkoepelend toekomstbeeld, functioneert als een afwegingskader.

De Omgevingsvisie West Maas en Waal berust op vier pijlers:

  • Herkenbare, unieke gebieden
    De gemeente zet in op het versterken van de unieke kwaliteiten van de verschillende gebieden. Dit betekent weidse, natuurlijke uiterwaarden, een dynamische, afwisselende oeverwal en rust en ruimte in de open komgrond. Ook wordt ingezet op het verbinden van de gebieden via groene, recreatieve verbindingen, waarmee wordt bijgedragen aan biodiversiteit en wateropvang. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de plekken waar de grenzen tussen oeverwal en kom zijn vervaagd en wordt ingezet op goede overgangszones.
  • Rustig en groen wonen in kleine dorpen
    De gemeente kiest voor rustig, ruim en groen wonen in kleine, klimaatadaptieve dorpen in een landelijke omgeving die op een passende manier kunnen groeien met een focus op wonen voor lokale jongeren en ouderen. Er wordt ingezet op levendige, sociale dorpen en buurtschappen die zoveel mogelijk hun eigen basisvoorzieningen behouden. Hiertoe ondersteunen we de sociale netwerken en daarmee de leefbaarheid in de dorpen.
  • Agrarische sector als ruimtelijke drager
    De gemeente kiest voor een vitale lokale economie en behoud van de agrarische sector als ruimtelijke drager van de gemeente. Er wordt ruimte geboden aan de juiste agrariër op de juiste plek. Dit betekent in principe fruitteelt en akkerbouw op de hogere, drogere oeverwal en veeteelt in de lagere komgrond. Hierbij wil de gemeente agrariërs ondersteunen om natuurinclusiever te werken en nevenactiviteiten te ontplooien als aanvullend verdienmodel.
  • Evenwichtige recreatie
    De gemeente kiest voor een balans in recreatie, wat het versterken en ondersteunen van grote recreatieve hotspots betekent, maar ook zorgen voor betere spreiding over de gemeente. Zo profiteren de Waalzijde en het buitengebied meer van het toerisme en wordt de druk op de Maaszijde verlaagd. De gemeente wil verschillende recreatieve ‘poorten’ ontwikkelen met ieder hun eigen karakter, kwaliteiten en aantrekkingskracht voor landelijk toerisme, maar besteden ook aandacht aan de uitloopgebieden van de dorpen: de recreatie dicht bij huis.

Planspecifiek
In de Omgevingsvisie wordt gekozen voor het bieden van de ruimte voor ‘maatwerk’ per dorp wat betreft de ontwikkeling en groei, passend bij het karakter van het betreffende dorp. Daarbij gaat inbreiding boven uitbreiding en mag inbreiding niet ten koste gaan van kwalitatieve, groene buitenruimte. Het voorliggende initiatief betreft een kwalitatieve verdichting, met aandacht voor behoud van bestaande zichtlijnen. Daarmee wordt woningbouw op deze locatie op basis van de visie voorstelbaar geacht.

3.3.2 Structuurvisie dorpen 2025

Op 30 april 2015 heeft de gemeenteraad de 'Structuurvisie Dorpen 2025' vastgesteld. Hierin wordt voor de komende jaren uiteengezet waarin moet worden geïnvesteerd. Per kern is aangegeven welke waarden belangrijk zijn en waar ruimtelijke opgaven liggen voor de toekomst. De 15 speerpunten uit de Visie Leefbaarheid Kernen 2030 vormden daarvoor het uitgangspunt. In de visie worden afwegingen en keuzes gemaakt met betrekking tot concrete ruimtelijke initiatieven.

De structuurvisie is er op gericht de ruimtelijke leefbaarheid in de dorpen te behouden en te verbeteren. Uitgangspunt is dat ontwikkelingen in en om de kernen worden geconcentreerd. Waarbij inbreiding de voorkeur heeft boven uitbreiding van de dorpen, op voorwaarde dat dit niet ten koste gaat van de ruimtelijke kwaliteit. Ook vind de gemeente het belangrijk dat er de komende jaren in iedere kern gebouwd wordt, passend bij de ontwikkeling van de kern. Het algemene uitgangspunt is dat er, zowel in kwantitatief als in kwalitatief opzicht, wordt gebouwd naar behoefte.

Planspecifiek
De structuurvisie biedt ruimte aan initiatieven die de identiteit en kwaliteit van dorpen versterkt, waarbij de openheid in acht moet worden genomen. Specifiek voor Maasbommel beschrijft de visie de ontwikkeling van erven aan de Velddijksestraat als een ruimtelijke opgave. De bestaande ruimtelijke opbouw mag worden versterkt, door herontwikkeling of toevoeging van erven. Het voorliggende initiatief betreft een kwalitatieve verdichting, met aandacht voor behoud van bestaande zichtlijnen. Zodoende is de realisatie van de beoogde woningen passend binnen de gemeentelijke structuurvisie.

3.3.3 Dorpskwaliteitsplan & dorpspaspoort

De gemeente West Maas en Waal heeft acht dorpskernen met ieder een eigen identiteit. In het dorpskwaliteitsplan geeft de gemeente aan wat die identiteit bepaalt en nog belangrijker: hoe die unieke kenmerken kunnen worden behouden en versterkt. De gemeente nodigt uit tot initiatieven die daaraan bijdragen. Zo werkt iedereen samen aan de ruimtelijke kwaliteit van de dorpen. De gemeenteraad heeft het dorpskwaliteitsplan en de bijbehorende dorpspaspoorten op 24 januari 2019 vastgesteld.

Dorpspaspoort Maasbommel
De Velddijksestraat wordt in het dorpspaspoort omschreven als een typisch landelijk lint, met verspreid erlangs woningen en oude boerderijen. De knotwilgen geven de straat een landelijke en idyllische uitstraling, evenals de vele zichtlijnen op het achterliggende landschap. In het dorpspaspoort zijn de volgende, voor dit plan relevante, spelregels opgesteld voor de ontwikkeling van erven langs de Velddijksestraat:

  • Cluster nieuwe panden op erven, waarbij de hoofdwoning aan de weg staat;
  • Stem de rooilijn af op de omliggende bebouwing;
  • Sluit qua bouwhoogtes en kapvorm aan bij de omliggende bebouwing;
  • Moderne erfwoningen zijn goed denkbaar, mits ze een landelijke uitstraling hebben.

Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling voldoet aan de opgestelde spelregels in het dorpspaspoort. Bestaande zichtlijnen blijven door de positionering van de woningen behouden. De rooilijn van de woning is aansluitend op de rooilijn van de bestaande omliggende woningen, op enige afstand van de weg gelegen. De vrijstaande woningen worden individueel, maar in een landelijke stijl, vormgegeven. De bouwhoogte bedraagt anderhalve laag met kap en sluit daarmee aan op de hoogte van de bestaande woningen in het lint.

3.3.4 Woonvisie

De Woonvisie 2022-2026 beschrijft de visie van het wonen in de kernen. Op basis van dit toekomstbeeld stelt de gemeente vier thema’s centraal:

  • Aandacht voor kwaliteit;
  • Onbezorgd wonen;
  • Goed wonen voor alle doelgroepen;
  • Toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad.

Het is belangrijk de juiste woningen op de juiste plekken worden gebouwd. In West Maas en Waal zijn hiervoor de omgevingsvisies en de uitgangspunten van de woonvisie leidend. Met de uitgangspunten wil de gemeente vooral uitdagen tot het maken van kwalitatief goede plannen. De uitgangspunten zijn:

  • Een ‘Build to order’-principe, waarbij we in alle kernen ruimte blijven bieden voor (kleinschalige) ontwikkelingen en lokale initiatieven, mits er een concrete vraag/behoefte uit het betreffende dorp kan worden aangetoond;
  • Een constante bouwstroom om in de huidige en toekomstige behoefte van mensen in de kernen te kunnen voorzien en een optimaal draagvlak voor maatschappelijke voorzieningen te hebben;
  • Voldoende differentiatie, zowel qua woningtype (huur/koop, woningtypologieën en prijssegmenten) als qua doelgroep (kleinere woningen voor starters en senioren);
  • Tenminste 20% van de nieuwe woningen zijn levensloopbestendig;
  • Tenminste 30% van de nieuwe woningen zijn sociale huurwoningen;
  • 20-25% van de nieuwe woningen zijn goedkope koopwoningen;
  • 10-15% van de nieuwe woningen zijn middeldure huur of –koop tot de NHG-grens;
  • Mogelijkheden voor vernieuwende woonvormen (bijvoorbeeld erfpacht-constructies, tinyhouses, COP) of combinaties van wonen en zorg/begeleiding (zoals mantelzorgwoningen of meergeneratiewoning).


Planspecifiek
Gezien de kleinschaligheid van het beoogde woonprogramma is het niet haalbaar om beide woningen als goedkope/betaalbare woningen te realiseren. Geambieerd wordt om de kleinere, zuidelijke woning voor senioren te realiseren. De noordelijke woning wordt een koopwoning in het dure segment, geschikt voor gezinnen en mede vanwege de levensloopbestendigheid eveneens voor senioren. De woningen worden op de juiste plek gerealiseerd, omdat het een kleinschalige en kwalitatieve invulling van het bebouwingslint betreft, waarmee ook de landschappelijke kwaliteiten worden versterkt.

3.3.5 Landschapsontwikkelingsplan West Maas en Waal

De gemeente West Maas en Waal heeft in augustus 2011 een Landschapsontwikkelingsplan vastgesteld (hierna het LOP). In algemene zin zet het LOP in op het behouden, versterken en ontwikkelen van de landschappelijke verscheidenheid tussen de drie karakteristieke eenheden van het buitengebied te weten: de uiterwaarden, de kom en de oeverwallen. Het LOP is opgebouwd uit de volgende twee delen:

  • basisvisie waarin de kenmerken van de diverse landschappen wordt getypeerd;
  • handreikingen waarin adviezen voor wijze van inpassing/landschappelijke versterking van de diverse landschapstypen wordt gegeven.

Planspecifiek
Het plangebied is gelegen binnen het landschapstype Oeverwal Maas. Het uitgangspunt voor dit type landschap is perceels(grens)beplanting en beplantingspatronen versterken. De landschappelijke inpassing van het planvoornemen sluit hierop aan en voorziet in groene erfafscheidingen en landschapselementen van gebiedseigensoorten.

3.3.6 Beeldkwaliteitsplan Klimaatadaptatie

Het 'Beeldkwalliteitplan Klimaatadaptatie' bevat voorbeelden en inspireert tot het toepassen van klimaatmaatregelen. Zodat klimaatadaptatie primair onderdeel wordt van de ruimtelijke inpassingsprocedures.

Klimaatadaptatie is een verzameling van ingrepen met als doel de leefomgeving klimaatbestendig te maken, waarbij de negatieve gevolgen door hevige neerslag, droogte en hitte minimaal niet verder mogen verslechteren. Dat betekent voor West Maas en Waal dat (ruimtelijke) ontwikkelingen zo worden uitgevoerd dat deze het veranderende klimaat het hoofd kunnen bieden én een energieopwekking realiseren waarbij uitstoot tot een minimum wordt teruggebracht. Het gaat om het vergroten van het aanpassingsvermogen (adaptatiecapaciteit) van de ruimtelijke omgeving bij een veranderend klimaat.

Planspecifiek
De in het 'Beeldkwalliteitplan Klimaatadaptatie' opgenomen klimaatadaptieve maatregelen die binnen het onderhavige plan worden toegepast zijn de volgende:

  • Afkoppelen: het hemelwater wordt niet gekoppeld aan het rioolsysteem;
  • Groene erfafscheidingen en vegetatie: de landschappelijke inpassing van het plan voorziet onder andere in het aanplanten van groene erfafscheidingen en het toevoegen van beplanting;
  • Halfverharding: de erfverharding wordt (deels) uitgevoerd in halfverharding;
  • Bloem- en kruidenrijke vegetatie: de open groene ruimtes binnen het plangebied lenen zich goed voor de toepassing van bloem- en kruidenrijke vegetatie;

3.3.7 Conclusie

De voorliggende ontwikkeling is passend binnen het gemeentelijke beleid.

Hoofdstuk 4 Gevolgen fysieke leefomgeving

4.1 Milieueffectrapportage

4.1.1 Regelgeving

De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de strategische milieubeoordeling (SMB-richtlijn), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing.

Voor het bepalen of een plan eventueel mer-plichtig is, is artikel 16.36, lid 3 en 4 van de Omgevingswet van toepassing. Er zijn bij de zogenaamde plan-mer-beoordeling twee mogelijke resultaten:

  • 1. Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffect-rapport (MER) worden gemaakt.
  • 2. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt.

Er zijn twee situaties waarin een plan-mer-beoordeling aan de orde kan komen:

  • 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het betreft geen project dat in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staat. Het plan is derhalve niet direct plan-mer-plichtig. In dit geval dient een plan-mer-beoordeling te worden uitgevoerd.
  • 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V Omgevingsbesluit, maar komt niet boven de drempelwaarden van kolom 2 uit bijlage V van het Omgevingsbesluit. Een plan-mer-beoordeling is aan orde indien:
  • a. Het plan een kleine wijziging van een plan of programma betreft.
  • b. Het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is.

4.1.2 Doorvertaling omgevingsplan

Het onderhavige planvoornemen is kaderstellend voor een project uit bijlage V Omgevingsbesluit, te weten J11: een stedelijk ontwikkelingsproject, waaronder onder andere een woningbouwontwikkeling valt. In de derde kolom staat dat voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een dergelijk stedelijk ontwikkelingsproject een mer-beoordelingsplicht geldt op basis van artikel 16.43, lid 1, aanhef en onder b van de Ow. Het onderhavige plan betreft een kleine afwijking van het omgevingsplan gemeente West Maas en Waal en gaat over een klein gebied op gemeentelijk niveau. De gemeenteraad is voor onderhavig TAM-omgevingsplan het bevoegd gezag.

Op grond van het gestelde in Hoofdstuk 4 van deze motivering kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling, gelet op de aard, omvang en ligging, geen aanzienlijke milieueffecten kent. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De uitgevoerde onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit initiatief te kunnen nemen.

Het aspect 'milieueffectrapportage' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.2 Bodem

4.2.1 Regelgeving

Uit artikel 1.2 lid 2 Ow volgt expliciet dat bodem onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van de bodem (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow). Daarnaast gelden er instructieregels vanuit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) die gemeenten in het omgevingsplan moeten verwerken. Het Bkl bepaalt voor bodem dat in het omgevingsplan:

  • regels en waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem worden opgenomen voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (artikel 5.89i t/m 5.89m Bkl);
  • moet worden gewaarborgd dat sanerende en beschermende maatregelen in stand worden gehouden, worden onderhouden of worden vervangen (artikel 5.89n Bkl);
  • bodembeheergebieden kunnen worden aangewezen voor het met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift afwijken van kwaliteitseisen (artikel 5.89o Bkl); en
  • de landbodem van het gemeentelijk grondgebied wordt ingedeeld in bodemfunctieklassen (landbouw en natuur/wonen/industrie) (artikel 5.89p Bkl).

Bodemgevoelige gebouwen
Een bodemgevoelig gebouw wordt in het Bkl omschreven als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een gebouw wordt verstaan een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m2 valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.

Bodemgevoelige locaties
Een bodemgevoelige locatie is op basis van het Bkl in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.

Omgevingsplan
Een omgevingsplan bevat dus waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, die per gebied of per gebruiksfunctie kunnen verschillen. Het uitgangspunt voor deze waardes zijn de interventiewaardes bodemkwaliteit, uit bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Deze waardes zijn wetenschappelijk onderbouwd en behoeven geen verdere motivering. Het omgevingsplan kan ook een hogere waarde bevatten dan de interventiewaardes, mits gemotiveerd en de waarden niet hoger zijn dan het humane Maximaal Toelaatbare Risiconiveau (MTR humaan, bijlage Vb Bkl). Ook mag niet leiden tot overschrijding van de toelaatbare concentraties in lucht (TCL) en geurdrempels (bijlage XIIIb Bkl).

Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. Om te kunnen beoordelen of de toelaatbare kwaliteit van de bodem uit het omgevingsplan is overschreden, is voorafgaand onderzoek naar de gesteldheid van de bodem nodig. Ingeval van een overschrijding van de waarden, is in het omgevingsplan opgenomen welke sanerende of beschermende maatregelen nodig zijn.

4.2.2 Doorvertaling omgevingsplan

Vanwege de beoogde realisatie van twee bodemgevoelige gebouwen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 1 bij de motivering gevoegd.

Algemene bodemkwaliteit
Voor de algemene bodemkwaliteit werd de hypothese gesteld van een onverdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging. Op basis van de resultaten zijn in de grond en in het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten voor de geanalyseerde parameters aangetoond, ten opzichte van de betreffende voormalige achtergrond- en streefwaarden. Verhoogde gehalten voor OCB zijn niet aangetoond, ten opzichte van de voormalige achtergrondwaarden. Ook is ter plaatse van de voormalige druppelzone geen verhoogd gehalte voor PCB aangetoond, ten opzichte van de voormalige achtergrondwaarde.

Onderzoek naar asbest
Voor wat betreft asbest in de bodem/puin werd voor de locatie de hypothese gesteld van verdachte locatie(s) met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten dient de verdachte hypothese te worden verworpen, aangezien analytisch in het puin maximaal 1,3 mg/kg d.s. aan hechtgeboden chrysotiel asbest aangetoond. Zintuiglijk (> 20 mm) is geen asbest aangetroffen. In de druppelzone is zowel zintuiglijk (> 20 mm) als analytisch (< 20 mm) geen asbest aangetroffen.

Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan geen bezwaren tegen de voorgenomen nieuwbouw. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.3 Geluid

4.3.1 Regelgeving

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels in afdeling 3.5 (o.a. normen) voor:

  • het geluid van geluidveroorzakende activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en
  • het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in het geluidaandachtsgebied (van wegen, spoorwegen en industrieterreinen, artikel 3.18 lid 1 Bkl).

Geluidgevoelige gebouwen
Het Bkl bevat in artikel 3.21 een definitie van geluidgevoelige gebouwen. Hier vallen gebouwen onder met een woonfunctie, een onderwijsfunctie, een gezondheidszorgfunctie (met bedgebied) en kinderopvang (met bedgebied). Het Bkl bevat niet de mogelijkheid voor een gemeente om de definitie van geluidgevoelige gebouwen uit te breiden. Bij nieuwe ontwikkelingen moeten gemeenten in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wel rekening houden met geluid op niet door het Bkl aangewezen gebouwen en locaties.

Geluidaandachtsgebieden
In het Bkl is bepaald dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een (spoor)weg of industrieterrein op een voor geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen binnen een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een geluidgevoelig gebouw voor de geluidbronsoorten met een geluidproductieplafond (gpp) als omgevingswaarde gelden, staan in navolgende tabel:

Geluidbronsoort   Standaardwaarde (dB)
(tabel 3.34 Bkl)  
Grenswaarde (dB)
(tabel 3.35 Bkl)  
Provinciale wegen
Rijkswegen  
50 Lden   65 Lden  
Gemeentewegen
Waterschapswegen  
53 Lden   70 Lden  
Hoofdspoorwegen   55 Lden   70 Lden  
Industrieterreinen   50 Lden   60 Lden  
  40 Lnight   50 Lnight  


De geluidaandachtgebieden zijn - indien gepubliceerd - opgenomen op de kaart van de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). Dit geluidsregister is op dit moment nog vrijwel leeg. Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 3.34 Bkl). Als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 3.35 tot en met 3.40 Bkl). In het omgevingsplan kunnen dan flexibiliteitsbepalingen worden opgenomen om voor het toelaten van een geluidgevoelig gebouw af te wijken van de standaardwaarden (vergelijkbaar met het hogere grenswaardenbesluit zoals we dat voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet kenden). Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats en gelden een aantal eisen. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als voldaan wordt aan een van de voorwaarden onder artikel 5.78z lid 1 onder a of b, 5.78z lid 2, 5.78ab lid 2, 5.78ac en 5.78ad Bkl.

Op grond van artikel 5.78i Omgevingswet hebben alle verharde wegen met een jaargemiddelde verkeersintensiteit van 1.000 motorvoertuigen of meer - los van de snelheid - ook een geluidaandachtsgebied, met uitzondering van woonerven.

Zolang er geen basisgeluidsemissies met bijbehorende aandachtsgebieden vast zijn gelegd geldt op grond van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling een geluidaandachtgebied waarbij bij een gemeentelijke weg of waterschapsweg de breedte van het geluidaandachtsgebied wordt bepaald door vaste afstanden tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip:

Aantal rijstroken   Maximum snelheid weg (km/u)   Breedte zone (m)  
1 of 2   30 of minder   100  
1 of 2   meer dan 30   200  
3 of meer     350  


Geluid door activiteiten
Onder 'geluid door activiteiten' vallen nagenoeg alle activiteiten (zoals activiteiten van bedrijven). Het Bkl wijst in artikel 5.55 de activiteiten aan die er niet onder vallen. Zo bepaalt het Bkl dat de activiteit wonen geen geluidveroorzakende activiteit is. Het Bkl bevat zelf geen definitie van het begrip wonen, maar de toelichting bij het Bkl geeft aan dat een beroep of bedrijf aan huis en een 'uit de hand gelopen hobby' geen verband houden met de activiteit wonen. Dit is vergelijkbaar met de wetgeving voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet waar de milieuregels ook van toepassing zijn op activiteiten die worden verricht in een omvang alsof zij bedrijfsmatig zijn.

Het Bkl bepaalt in artikel 5.59 dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een geluidveroorzakende activiteit (zoals activiteiten bij bedrijven) op een geluidgevoelig gebouw aanvaardbaar is. Er wordt voldaan aan dit aanvaardbaarheidsvereiste als het omgevingsplan de standaardwaarden van het Bkl overneemt.

Het Bkl bevat standaardwaarden voor toelaatbaar geluid  op de gevel  van een geluidgevoelig gebouw. Deze standaardwaarden zijn overgenomen in navolgende tabel:

Standaardwaarde toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw   07.00 - 19.00 uur   19.00 - 23.00 uur   23.00 - 7.00 uur  
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten   50 dB(A)   45 dB(A)   40 dB(A)  
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen   -   70 dB(A)   70 dB(A)  
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden   -   65 dB(A)   65 dB(A)  


Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 5.64 Bkl). Als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein.

Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.65 en 5.66 Bkl). Indien de gemeente een soepelere norm wil opnemen in het omgevingsplan, moet door middel van onderzoek vaststaan dat de binnenwaarde (het geluid binnen de geluidgevoelige gebouwen) niet hoger is dan de normen die het Bkl daarvoor stelt. Indien de gemeente een strengere norm wil opnemen, moet aangetoond worden dat de bestaande geluidveroorzakende activiteiten nie tworden beperkt ten opzichte van het huidige recht. In het omgevingsplan kunnen dan flexibiliteitsbepalingen worden opgenomen om voor één of meerdere geluidgevoelige ruimte(n) binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen af te wijken van de standaardwaarden. Deze mogen de grenswaarden niet overschrijden. De grenswaarden worden niet bepaald op de gevel, maar in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. De grenswaarden zijn overgenomen in navolgende tabel:

Grenswaarde toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen   07.00 - 19.00 uur   19.00 - 23.00 uur   23.00 - 7.00 uur  
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten   35 dB(A)   30 dB(A)   25 dB(A)  
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen   -   55 dB(A)   55 dB(A)  
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden   -   45 dB(A)   45 dB(A)  

4.3.2 Doorvertaling omgevingsplan

Wegverkeerslawaai
In het kader van het planvoornemen is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 2 bij de motivering gevoegd.

De wegen Bovendijk en Velddijksestraat liggen op korte afstand van het plangebied. Op basis van verkeersgegevens is vastgesteld dat deze wegen een verkeersintensiteit van minder dan 1.000 mvt/etmaal hebben. Voor deze wegen geldt daarom vanuit het Bkl geen onderzoeksplicht.

In het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is het geluid vanwege de wegverkeerslawaai op de beoogde woningen berekend. Het berekende geluid van gemeentelijke wegen bedraagt maximaal 42 dB. Hiermee worden de standaardwaarde van 53 dB en de grenswaarde van 70 dB niet overschreden. Zodoende is sprake van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat.

Railverkeerslawaai
Het plangebied is niet gelegen nabij een spoorlijn. Akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai is derhalve niet benodigd.

Industrielawaai (geluid door activiteiten)
Het plangebied is niet gelegen binnen de zone van een geluidgezoneerd industrieterrein. Akoestisch onderzoek naar industrielawaai is derhalve niet benodigd.

Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

 

4.4 Luchtkwaliteit

4.4.1 Regelgeving

Uit artikel 1.2 lid 2 Ow volgt expliciet dat lucht onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van lucht (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow).

De rijksoverheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden.

In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied.

Er wordt getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties.

De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 Bkl. Deze gaan over:

  • beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden;
  • ammoniakemissies van veehouderijen;
  • geologische opslag van CO2.

4.4.2 Doorvertaling omgevingsplan

Het plangebied is niet gelegen in of nabij één van de aandachtsgebieden uit artikel 5.51, lid 2 Bkl. Bovendien geldt dat de ontwikkeling van een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voorliggend initiatief maakt de realisatie van maximaal 2 extra woningen mogelijk en draagt zodoende niet in betekenende mate bij aan de verhoging van de luchtverontreiniging.

Bestaande luchtkwaliteit
Op basis van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK), zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het monitoringsjaar 2022 (monitoringsronde 2023) bepaald. Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden (40 µg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5) ter plaatse van het dichtstbijzijnde toetspunt 51468751_15554472, op de meest nabij gelegen gemonitorde weg, de Noord Zuid (N329), niet worden overschreden.

De waardes bedragen 11,4 µg/m3 voor NO2, 17,0 µg/m3 voor PM10 en 9,5 µg/m3 voor PM2,5. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.

Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.5 Geur

4.5.1 Regelgeving

Het Bkl bevat een instructieregel dat zorg gedragen dient te worden dat geur veroorzaakt door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.

Geurgevoelige gebouwen
De volgende gebouwen worden als 'geurgevoelige gebouwen' aangemerkt:

  • gebouwen met een woonfunctie;
  • gebouwen met een onderwijsfunctie;
  • gebouwen met een gezondheidszorgfunctie (met bedgebied);
  • gebouwen met een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang (met bedgebied).

Geurveroorzakende activiteiten
Voor 'geurveroorzakende activiteiten' wordt onderscheid gemaakt in:

  • het houden van landbouwhuisdieren;
  • andere agrarische activiteiten;
  • zuiveringstechnische werken;
  • overige bronnen van geurhinder (vaak betiteld als industriële geurhinder).

4.5.2 Doorvertaling omgevingsplan

Er is geen sprake van agrarische bedrijven in de directe omgeving van het plangebied, met een geurcontour die (deels) over het plangebied ligt. Wel is ten noorden van het plangebied een agrarisch bouwvlak aanwezig. Ter plaatse is momenteel geen agrarisch bedrijf gevestigd. De planologische mogelijkheden van dit agrarische bouwvlak zijn in paragraaf 4.15 behandeld.

Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

 

4.6 Kabels en leidingen

4.6.1 Regelgeving

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen moeten worden gewaarborgd. Tevens moet rond dergelijke leidingen rekening worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgastransportleiding met een diameter groter of gelijk aan 18";
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18".

4.6.2 Doorvertaling omgevingsplan

In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, aardgas, brandstof en/of hoogspanningsverbindingen gelegen, die in het kader van het bestemmingsplan op de verbeelding met bijbehorende bebouwingsvrije zones moeten worden opgenomen.

Het aspect 'kabels en leidingen' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

 

4.7 Omgevingsveiligheid

4.7.1 Regelgeving

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gevoelige objecten zijn opgesplitst in:

  • zeer kwetsbare gebouwen
  • kwetsbare gebouwen en locaties
  • beperkt kwetsbare gebouwen en locaties.

De categorieën kwetsbare gebouwen en locaties zijn aangewezen in bijlage VI Bkl.

Plaatsgebonden risico
Bij het toelaten van milieubelastende activiteiten en bij het toedelen van locaties moet voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties het plaatsgebonden risico (PR-10-6-contour) in acht worden genomen. Bij beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet er rekening worden gehouden met het plaatsgebonden risico. Dit betekent dat binnen een plaatsgebonden risicocontour van een risicobron geen zeer kwetsbare gebouwen of kwetsbare gebouwen en locaties mogen worden toegestaan en dat beperkt kwetsbare gebouwen of locaties pas na een beoordeling (dus vergunning) mogen worden toegestaan. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico: aandachtsgebieden
Het Bkl introduceert zogenaamde 'aandachtsgebieden' rond risicobronnen. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Deze aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk en zijn zichtbaar in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Uitgangspunt is dat personen in gebouwen buiten een aandachtsgebied (brand, explosie of gifwolk) voldoende zijn beschermd. Binnen de aandachtsgebieden, of voor personen die verblijven op een locatie in de buitenlucht, zal bij nieuwe initiatieven moeten worden gekeken of en welke aanvullende beschermende maatregelen nodig en te treffen zijn. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor aandachtsgebieden in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl).

Een (deel van een) aandachtsgebied kan in het omgevingsplan worden aangewezen als voorschriftengebied. Binnen een dergelijk gebied gelden op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) aanvullende bouwvoorschriften (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl voor het verbeteren van de veiligheid) voor de nieuwbouw of vervangende nieuwbouw (en dus niet voor bestaande bouw) van zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare gebouwen. Er geldt een plicht (artikel 5.14 Bkl) tot het aanwijzen van een voorschriftengebied als in een aandachtsgebied een zeer kwetsbaar gebouw wordt toegelaten.

4.7.2 Doorvertaling omgevingsplan

Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de risicokaart. Hierop zijn de PR contouren en de aandachtsgebieden weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes over weg, water en spoor en buisleidingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAAvelddijksestr14-TOOH_0007.jpg"
Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (rood vlak

Kwetsbaarheid
De beoogde woningen betreffen kwetsbare gebouwen.

Plaatsgebonden risico
Het plangebied is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour.

Groepsrisico: aandachtsgebieden
Het plangebied is niet gelegen binen een brand, explosie of gifwolk aandachtgebied.

Het aspect 'omgevingsveiligheid' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.8 Gezondheid

4.8.1 Regelgeving

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid.

4.8.2 Doorvertaling omgevingsplan

De noordelijke woning wordt uitgevoerd als levensloopbestendige woning. Dit bevordert het vitaal ouder worden, omdat de woning de geschikte woonomgeving biedt om langer zelfstandig te wonen.

Het aspect 'gezondheid' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.9 Duurzaamheid en klimaatadaptatie

4.9.1 Regelgeving

Het klimaat verandert, de neerslaghoeveelheid (en intensiteit) neemt toe, waardoor er meer kans is op wateroverlast. Daarnaast stijgt de gemiddelde temperatuur en neemt de kans op hittegolven toe, wat in de zomer kan leiden tot hittestress. In Nederland zijn de gevolgen van klimaatverandering waarschijnlijk te beheersen. Hoe groot de problemen straks worden, hangt af van de maatregelen die worden genomen. Aan de ene kant moet de uitstoot van broeikasgassen worden verminderd zodat de opwarming beperkt blijft (deze aanpak wordt ‘mitigatie’ genoemd, dat betekent ‘vermindering’). Aan de andere kant is het verstandig dat we ons aanpassen aan een ander klimaat (dit type maatregelen wordt ‘adaptatie’ genoemd). Beide type maatregelen zijn nodig.

4.9.2 Doorvertaling omgevingsplan

De woningen worden duurzaam- en bijna energieneutraal (BENG) gebouwd, waarbij er aandacht is voor onder andere klimaatadaptief bouwen. Uiteraard worden de woningen gasloos uitgevoerd en zal er daarnaast sprake zijn van goede isolatie, lage temperatuur verwarming, een warmtepomp en worden zonnepanelen op de daken geplaatst om de nodige energie op te wekken.

Het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak wordt niet gekoppeld aan het rioolsysteem, waardoor overbelasting van het riool wordt voorkomen. Daarnaast worden diverse landschapselementen aangevuld, waardoor hittestress wordt beperkt. Ook zal door het beperken van terreinverharding en het toepassen van halfverharding het grondwater aangevuld blijven worden met regenwater, zodat droogteschade wordt voorkomen.

Het aspect 'duurzaamheid en klimaatadaptatie' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.10 Water

4.10.1 Regelgeving

Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing:

  • Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2016 - 2021, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water;
  • Provinciaal beleid: Omgevingsvisie Gelderland;
  • Waterschapsbeleid: Watervisie 2050, Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden,vergroenen', Nota riolering 'Samen door één buis' (2019) en de Keur voor waterkeringen en wateren;
  • Gemeente: Beleidsplan Water en Riolering 2023-2027.

Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water: Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen:

Nieuwe plannen moeten voldoen aan het principe van het 'hydrologisch neutraal' bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden.

In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht moet worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden.

Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is.

Bij de inrichting, het bouwen en het beheer moeten zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen moeten worden vermeden om watervervuiling te voorkomen.

Uitgangspunten Waterschap Rivierenland
Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen' beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema's: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit.

De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als:

  • a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren.
  • b. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater moeten worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100 % afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding).
  • c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk.

Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit:

  • De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 0,2 of 0,3 m stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm.
  • De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt vooral voor droogvallende voorzieningen.

Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem moet 48 tot 96 uur bedragen.

Uitgangspunten gemeente
In het Beleidsplan Water en Riolering 2023-2027 is het beleid voor de zorgplicht voor het afvalwater, het afvloeiend hemelwater en het grondwater vastgelegd. Gemeenten moeten verankerd hebben hoe ze omgaan met waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hittestress. Rioolsystemen (ondergronds) hebben bij hevige buien niet altijd voldoende capaciteit voor de afvoer en berging van het hemelwater. Voor het borgen van een adequate afvoer en berging van het hemelwater moet ook gebruik worden gemaakt van de inrichting van de openbare ruimte (bovengronds). Daarmee wordt de gemeentelijke zorgplicht meer bovengronds zichtbaar in wegen en groen en is de relatie met ruimtelijke ordening, openbare ruimte en vergunningverlening cruciaal.

Het klimaatbestendig maken van stedelijk gebied vergt bewuste keuzes bij stedelijke inrichting en stedelijke activiteiten. Bij nieuwe ruimtelijke plannen is een klimaatbestendige en water robuuste inrichting van groot belang. Ruimtelijke functies moeten onderling op elkaar afgestemd zijn en de ruimtelijke effecten op waterhuishouding (en vice versa) moeten vastgelegd worden in een bestemmingsplan of omgevingsplan.

Het uitgangspunt is dat de perceeleigenaar zelf het regenwater moet verwerken. Hierdoor komt er minder regenwater in het riool terecht, wat ten goede komt aan de werking van de zuiveringsinstallatie. Als verwerking op eigen terrein in redelijkheid niet mogelijk is, dan kan het overtollige regenwater afgevoerd worden naar het openbare terrein, al waar het afvoeren de verantwoordelijkheid van de gemeente is.

4.10.2 Doorvertaling omgevingsplan

In het kader van het planvoornemen is een waterhuishoudkundig onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 3 bij de motivering gevoegd.

Bodemopbouw
Tot ongeveer 6,5 m -mv bestaat de bodem ter plaatse van het plangebied uit holocene afzettingen, met tot ongeveer 4,0 m -mv een slecht doorlatende bodemlaag van overwegend klei.

Maaiveldhoogte
Het maaiveld binnen het plangebied bevindt zich op ongeveer +5,5 m NAP ter plaatse van de weide, wat oploopt tot ongeveer +6,0 m NAP ter plaatse van de bestaande woning. Ook ter plaatse van omliggende woningen loopt het maaiveld omhoog naar +6,0 m NAP. Ter hoogte van het plangebied ligt de Velddijksestraat op ongeveer +5,8 m NAP.

Waterkering
Het plangebied ligt niet binnen dijkzoneringen

Grondwater
Binnen het plangebied bevindt de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) zich rond de 0,8 m -mv, de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) bevindt zich rond 1,2 m -mv (model MORIA).

Oppervlaktewater
Het plangebied bevindt zich westelijk van een voormalige meander van de Maas, waar ook zandwinning heeft plaatsgevonden, en ligt vlak buiten de beschermingszones.

Aan de oostelijke en noordelijke zijde wordt het plangebied begrensd door een secundaire watergang. Aan de noordzijde heeft deze watergang een bodembreedte van 2,27 meter en een bodemhoogte van +4,1 m NAP. De watergang heeft een bovenbreedte van 5,3 meter. Oostelijk van het plangebied is geen dwarsdoorsnede beschikbaar in de legger.

Het plangebied bevindt zich in het peilgebied QVU133. Hier is een zomerpeil van +4,55 m NAP en een winterpeil van +4,15 m NAP vastgesteld.

Hemelwaterafvoer
Op basis van de normen van het waterschap voor woonwijken, die ook door de gemeente worden aangehouden, wordt uitgegaan van 70% verharding voor vrijstaande woningen. Voor de bepaling van de oppervlaktes wordt rekening gehouden met de aanwezige sloten en onderhoudsstroken. Deze zijn niet meegerekend als potentieel te verharden oppervlakte. In de navolgende tabel is de benodigde compensatie bepaald:

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAAvelddijksestr14-TOOH_0008.png"

Het waterschap gaat uit van een maximaal toelaatbare peilstijging van 0,3 m voor open water. Er moet 164 m2 aan watergangen worden aangelegd voor hemelwaterberging. Dit wordt gerealiseerd door de aanleg van een nieuwe sloot, vijver of door het verbreden van de bestaande sloot in het plangebied. De realisatie en instandhouding van voldoende hemelwaterberging is geborgd in de regels van dit plan.

In het kader van het onderhavige planvoornemen is nog geen definitief uitgewerkt ontwerp voor de waterberging. Gezien de breedte van de bestaande watergang langs het terrein kan deze waterberging het beste worden toegepast als oppervlaktewater binnen het plangebied, met een open verbinding op de secundaire watergang. Een voorbeeld van het ontwerp kan bijvoorbeeld een sloot haaks op de bestaande watergang zijn. De bestaande sloot kan ook verbreed worden, echter moet dan aandacht worden besteed aan de maximale breedte van de watergang (8,0 m). Ook moet afgewaterd worden richting de bergingsvoorziening. Het meest zuidelijk gelegen perceel heeft hiervoor een greppel of hemelwaterafvoerbuis nodig die door het andere perceel loopt.

De toekomstige bewoners zijn verantwoordelijk voor het onderhoud van de waterberging.

Wateroverlast
De bestaande bebouwing rondom de locatie is overwegend aangelegd op een hoogte van ongeveer +6,0 m NAP. Door de nieuwe woningen ook op deze hoogte aan te leggen, wordt voldoende ontwatering bereikt. Door de aanleg van voldoende watercompensatie wordt geen (hemel)wateroverlast verwacht.

Verder wordt geen extra kwel aangetrokken ter plaatse van de bebouwing; door het realiseren van ophoging vanaf het huidige maaiveld (+5,5 m NAP) wordt voorkomen dat significante graafwerkzaamheden plaats dienen te vinden.

Kwel
De aanleg van de waterberging trekt enige extra kwel aan. Op basis van de kwelberekening dient 3 m3 aanvullende waterberging aangelegd te worden om deze kwel op te vangen.

Wateradvies
Er is een digitale watertoets uitgevoerd via www.hetwateradvies.nl. Deze toets is als bijlage 4 bij de motivering gevoegd. Op basis van de ingevoerde gegevens blijkt dat ten behoeve van het noordelijke woonperceel er sprake is van een ruimtelijk plan waarvoor de gangbare watertoetsprocedure gevolgd moet worden. Het plan moet in het kader van vooroverleg voorgelegd worden aan het waterschap

Conclusie
Door de aanleg van 174 m2 waterberging in open water (164 m2 voor hemelwaterberging en 10 m2 voor de opvang van aanvullend kwelwater) wordt voldaan aan de eisen van het Waterschap met betrekking tot het opvangen van afstromend hemelwater. Deze aanvullende sloot of vijver wordt bij de omgevingsvergunningaanvraag definitief ontworpen.

Gezien de waargenomen bodemopbouw bij het hydrologisch onderzoek op de locatie, waarbij tot 4 m -mv slecht doorlatende bodemlagen zijn waargenomen, wordt geen risico op opbarsten verwacht bij het graven van de watergang.

Door de aanleg van de nieuwe bebouwing op dezelfde hoogte als de op de in de omgeving aanwezige bebouwing wordt voorkomen dat wateroverlast plaatsvindt of wordt afgewenteld op de omgeving. Omdat opgehoogd wordt, wordt geen extra kwel aangetrokken, mits geen kruipruimtes of kelders worden gerealiseerd.

Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.11 Natuur

4.11.1 Regelgeving

Zorgplicht
De zorgplicht is in de omgevingswet opgedeeld in de algemene zorgplicht (afdeling 1.3 Ow) en de specifieke zorgplicht, waarbij de specifieke zorgplicht is opgedeeld in de Specifieke zorgplicht natura2000 (art.11.6 Bal), Specifieke zorgplicht soorten (artikel 11.27 Bal) en de Specifieke zorgplicht houtopstanden (artikel 11.116 Bal).

Soortenbescherming
Op grond van artikel 5.1 lid 2 Ow is het verboden een flora-en-fauna-activiteit te verrichten, voor zover het gaat om een geval dat is aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Uit bijlage 1 Omgevingswet volgt dat een flora-en-fauna-activiteit een activiteit is met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (artikel 11.37 Bal), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 11.46 Bal) en Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd.

De regels over wanneer het bevoegd gezag een omgevingsvergunning of een vrijstelling mag verlenen voor flora- en fauna-activiteiten, staan in afdeling 8.6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Gebiedsbescherming
Artikel 11.6, lid 1 van het Bal bepaalt dat degene die een activiteit verricht die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kan hebben, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van de natuurbescherming, verplicht is om:

  • alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  • voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
  • als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Stikstofdepositie
Een activiteit die voor stikstofdepositie zorgt, wordt aangemerkt als een vergunningplichtige Natura 2000-activiteit als significante effecten op een Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten. De beoordelingsregels kunnen er in dat geval toe strekken dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als geregistreerde stikstofdepositieruimte aan de Natura 2000-activiteit wordt toegedeeld (artikel 5.29, lid 3 Ow).

4.11.2 Doorvertaling omgevingsplan

Er is een quickscan natuur uitgevoerd in het plangebied. Dit onderzoek is als bijlage 5 bij de motivering gevoegd.

Soortenbescherming
Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied geen essentiële betekenis heeft voor beschermde soorten. Er wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur.

Gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Rijntakken, op circa 6,6 km ten noorden van het plangebied. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid door de voorgenomen plannen zijn gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn op voorhand niet uit te sluiten. Vandaar dat ten aanzien van de stikstofdepositie naar stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden een onderzoek stikstofdepositie is uitgevoerd. De resultaten zijn opgenomen in bijlage 6 bij de motivering.

Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden dus geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Het project is daarmee in het kader van stikstofdepositie niet aan te merken als een Natura 2000-activiteit.

Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.12 Archeologie en cultuurhistorie

4.12.1 Regelgeving

De essentie van het beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische en cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het doel van deze wetgeving is om archeologische resten in de bodem zoveel mogelijk te behouden en cultureel erfgoed en landschap zoveel mogelijk te beschermen.

Daarnaast zijn er ten aanzien van de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd: archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten

4.12.2 Doorvertaling omgevingsplan

Archeologie
In het kader van het planvoornemen is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 7 bij de motivering gevoegd.

Op basis van het onderzoek geldt voor een gedeelte van het zuidelijke deel van het plangebied een hoge archeologische verwachting op het aantreffen van resten en sporen uit de periode Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Ter plaatse zijn baksteenfragmenten en mortelbrokken aangetroffen die mogelijk verband houden met de voormalige historische bebouwing. Vanwege deze verwachting wordt geadviseerd om ter plaatse een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Het doel van dit onderzoek is de historische woning in kaart te brengen en eventuele bijbehorende erf-gerelateerde resten en sporen op te zoeken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAAvelddijksestr14-TOOH_0009.png"
Resultatenkaart inventariseren veldonderzoek

Voor het overige deel van het zuidelijke deel en het gehele noordelijke deel geldt een lage archeologische verwachting en betreft het advies om geen vervolgonderzoek uit te voeren. Mochten tijdens bodemingrepen onverhoopt toch archeologische zaken aangetroffen worden, dan geldt er een wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11 geldt, om deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente West Maas en Waal).

De gemeente heeft in haar selectiebesluit van 20 januari 2025 aangegeven akkoord te zijn met het uitgevoerde onderzoek, de interpretatie en het advies.

Cultuurhistorie
Het initiatief heeft geen negatieve invloed op deze gewaardeerde erfgoedbelangen in de directe omgeving en borduurt voort op de karakteristiek van het landschappelijke bebouwingslint op basis van de spelregels uit het Dorpspaspoort. Ook wordt het planvoornemen landschappelijk ingepast en blijven de bestaande zichtlijnen in het landschap geborgd.

De aspecten 'archeologie en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.13 Verkeer en parkeren

4.13.1 Verkeer

Om inzicht te bieden in de mate van verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling, die met dit bestemmingsplan wordt gefaciliteerd, moet de verkeersaantrekkende werking worden bepaald. Daarvoor is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van een gemiddelde weekdag.

Om de verkeersgeneratie van de nieuwe woningen te bepalen is gekeken naar de ligging van het plangebied. De gemeente West Maas en Waal is qua stedelijkheidsgraad aan te merken als een 'niet stedelijk' gebied en het plangebied maakt onderdeel uit van de 'rest bebouwde kom', waardoor de verkeersgeneratie (uitgaande van het gemiddelde van de aangegeven bandbreedtes) uitkomt op:

  • 8,2 voertuigbewegingen per woning (koop, vrijstaand).

De verkeersgeneratie voor beide woningen bedraagt (8,2 x 2 =) 16,4 voertuigbewegingen. De beoogde nieuwe woonpercelen worden ontsloten op de Velddijksestraat. De capaciteit van de Velddijksestraat is voldoende om de voertuigbewegingen als gevolg van de nieuwe woningen op te vangen.

Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.13.2 Parkeren

Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is gebruik gemaakt van de normen zoals opgenomen in de 'Nota Parkeren 2019', die gebaseerd zijn op de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' . De gemeente West Maas en Waal is qua stedelijkheidsgraad aan te merken als een 'niet stedelijk' gebied. De parkeerkencijfers uit de publicaties van CROW worden weergegeven in de vorm van een bandbreedte. De gemeente West Maas en Waal gaat bij het bepalen van de parkeerbehoefte uit van de waarde tussen de gemiddelde en maximale bandbreedte. Binnen de functie wonen wordt geen onderscheid gemaakt tussen koop- of huurwoningen. Ook wordt geen rekening gehouden met woninggrootte of de hoogte van de koop- of huursom. De parkeernorm bedraagt:

  • 2,3 parkeerplaatsen per woning.

Bij beide woningen wordt in minimaal 3 parkeerplaatsen voorzien. Ook bij de bestaande woning blijven minimaal 3 parkeerplaatsen beschikbaar. Dit is voldoende om te voldoen aan de gemeentelijke parkeernorm. De minimale afmetingen van een parkeerplaats op eigen terrein bedragen 5 m x 2,5 m (lxb). Aanvullend is tenminste aan één lange zijde van elke parkeerplaats een vrije uitstapstrook met een minimale afmeting van 5 m x 0,5 m (lxb).

Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.14 Ladder voor duurzame verstedelijking

4.14.1 Regelgeving

Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen en leegstand van vastgoed te voorkomen is de Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: Ladder) onder de Omgevingswet gecontinueerd en als instructieregel opgenomen in artikel 5.129g Bkl. Deze regel bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. De behoefte aan die nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarmee worden aangetoond. Alleen wanneer het gaat om een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling moet de Laddertoets worden uitgevoerd.

Voor ontwikkelingen buiten het bestaand stedelijk gebied moet ook worden gemotiveerd waarom deze niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan komen. In artikel 5.129g Bkl staat dat het stedelijk gebied ook het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied bevat. Door deze formulering is dat stedelijk gebied hetzelfde gebied als onder het Besluit ruimtelijke ordening.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is.

4.14.2 Doorvertaling omgevingsplan

Met dit plan wordt de realisatie van twee woningen mogelijk gemaakt. Dit betekent dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Bovendien past de voorgenomen ontwikkeling binnen de regionale woonagenda.

Het aspect 'ladder voor duurzame verstedelijking' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.15 Bedrijven en milieuzonering

4.15.1 Regelgeving

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Bij milieuzonering gaat het specifiek om de milieuthema's die afstandsgerelateerd zijn. Afstandsgerelateerd wil zeggen dat de milieubelasting afneemt bij grotere afstand, zoals bij geluid en geur.

Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van bedrijfsmatige activiteiten worden gerealiseerd, moet worden gemotiveerd in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige bedrijfsmatige activiteiten. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige bedrijfsmatige activiteiten. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering beperken. Datzelfde geldt ook voor de situatie dat bedrijfsmatige activiteiten zich vestigen/wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies.

In de loop van 2024 wordt de VNG-uitgave 'Activiteiten en milieuzonering' verwacht. Er wordt in deze handreiking geen gebruik gemaakt van milieucategorieën, maar van gebruiksruimte. Onder gebruiksruimte wordt verstaan de ruimte die een bedrijf mag benutten.

4.15.2 Doorvertaling omgevingsplan

Totdat de nieuwe VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' is verschenen, wordt nog uitgegaan van de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Voor het vaststellen van de minimum richtafstanden tussen bedrijven en milieugevoelige functies worden de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd als sprake is van omgevingstype gemengd gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAAvelddijksestr14-TOOH_0010.jpg"

Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'

Voorgaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Als de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk.

Relevante (planologische) bedrijfsmogelijkheden in de nabijheid van het plangebied zijn de bedrijven gelegen op het bedrijventerrein aan de noordzijde van het dorp Maasbommel. Dit betreft bedrijven in maximaal milieucategorie 3.2 met een richtafstand van 100m in rustig buitengebied. De minimale afstand tot het plangebied bedraagt circa 170 m. Aan de richtafstand wordt dus ruimschoots voldaan.

Ten noorden van het plangebied ligt een agrarisch bouwvlak. Ter plaatse van dit bouwvlak is momenteel geen agrarisch bedrijf gevestigd. Planologisch mag binnen het bouwvlak een grondgebonden agrarisch bedrijf worden opgericht. Grondgebonden bedrijven zijn akkerbouw, fruitteelt- en vollegrondstuinbouwbedrijfen, boomteeltbedrijven en melkveebedrijven. De maatgevende afstand is de afstand tot een melkveebedrijf. Voor dieren zonder geuremissiefactor, zoals melkkoeien, geldt een minimumafstand van 50 m. Op basis van onderstaande kaart blijken de bestaande woningen rond het agrarisch bouwvlak maatgevend voor de mogelijkheden ter plaatse van het bouwvlak. De 50 m zone rond de beoogde noordelijke woning vormt geen extra inperking van de bedrijfsmogelijkheden voor de oprichting van een agrarisch bedrijf, ten opzichte van de reeds te handteren 50 m zones rond de bestaande woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAAvelddijksestr14-TOOH_0011.jpg"
Kaart met de te handteren afstanden ten opzichte van de bestaande woningen (de paarse 50 m zones) en de beoogde noordelijke woning (de oranje 50 m zone) bij de vestiging van een agrarisch bedrijf binnen het bouwvlak

Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Inleiding

Het TAM-omgevingsplan reguleert het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het plan biedt het gemeentebestuur een basis voor handhaving, indien op een bepaalde locatie activiteiten plaatsvinden die strijdig zijn met het omgevingsplan en zodoende uit ruimtelijk oogpunt onwenselijk worden geacht.

Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan gemeente West Maas en Waal. Verblijfsrecreatie op deze locatie past niet in het van het tijdelijk omgevingsplan onderdeel uitmakende bestemmingsplan, waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden.

Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het Omgevingsplan gemeente West Maas en Waal wordt het als hoofdstuk 22h toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als onderdeel van het omgevingsplan gemeente West Maas en Waal gelezen te worden.

In dit hoofdstuk volgt een toelichting op de juridische regeling. Het juridisch bindende gedeelte van dit omgevingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De verbeelding en de regels dienen in samenhang met elkaar te worden begrepen.

5.2 Juridische systematiek

In deze paragraaf wordt uiteengezet welke gedachten aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen en hoe deze uiteindelijk zijn vormgegeven. De regels zijn onderverdeeld in 5 hoofdstukken.

Hoofdstuk 1: Inleidende bepalingen
Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het Omgevingsplan gemeente West Maas en Waal. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling. Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling.

Hoofdstuk 2: Specifieke regels over functies
Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op www.ruimtelijkeplannen.nl.

Voor onderhavig TAM-omgevingsplan is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het bestemmingsplan 'Gouden Ham/De Schans', randzone. Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet.

Hoofdstuk 3: Algemene regels over functies
Voor dit hoofdstuk zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels in die gelden voor het gehele grondgebied van de ontwikkellocatie. Ook zijn in dit plan algemene afwijkregels en overige regels die zien op parkeren opgenomen.

Hoofdstuk 4: Overgangsregels
In dit hoofdstuk is onder meer aangegeven dat de bestaande bouwwerken dan wel vergunde rechten tot het oprichten van een bouwwerk worden gerespecteerd, ook al wijken deze af van het onderhavige TAM-omgevingsplan. Deze bouwwerken mogen gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd. Het is dus niet toegestaan om een bouwwerk af te breken en geheel te vernieuwen. Evenmin is het toegestaan om het bouwwerk geleidelijk aan helemaal te vernieuwen. In geval het bouwwerk door een calamiteit verloren is gegaan, mag wel tot gehele nieuwbouw worden overgegaan, mits de omgevingsvergunning voor het bouwen binnen een termijn van twee jaren na de calamiteit is aangevraagd. Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels en bepalen dat bestaande afwijkingen mogen worden vergroot voor een uitbreiding van de bebouwing met maximaal 10%. Illegale bouwwerken zijn expliciet uitgesloten van het overgangsrecht.

Voor gebruik van gronden en opstallen is eveneens bepaald dat het gebruik dat strijdig is met het onderhavige plan, mag worden gecontinueerd. Verandering van het gebruik is niet toegestaan, tenzij de afwijking naar haar aard en omvang wordt verkleind. Indien gebruik voor een periode van langer dan 1 jaar wordt onderbroken, mag dit gebruik niet meer worden hervat. Een uitzondering wordt gemaakt voor het gebruik dat reeds strijdig was met het voor het onderhavige omgevingsplan ter plekke van kracht zijnde plan. Het overgangsrecht is op deze situaties niet van toepassing.

Verbeelding
De verbeelding die is opgesteld voor het TAM-omgevingsplan dient te worden opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat er op de verbeelding wel 'bestemmingen' zijn te zien, en dat specifieke functies als zijnde 'functieaanduidingen' worden benoemd. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijke plannen komt. Voor meer info, zie: https://docs.geostandaarden.nl/ro/HRTAMomplan/.

5.3 Werkingsbereik/toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan

Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een hoofdstuk 22h wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22h van het omgevingsplan West Maas en Waal.

Dit plan is onderdeel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het omgevingsplan (zie artikel 1.2 en 1.3).

5.4 Functies

Agrarisch - Oeverwal
De voor ‘Agrarisch - Oeverwal’ aangewezen gronden zijn aangewezen voor agrarische doeleinden, met het behoud, beheer en/of herstel van de landschappelijke en ecologische waarden. Toegestaan zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde en water, waterberging en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Wonen
De gronden die aangewezen zijn als ‘Wonen’ zijn bedoeld voor wonen in vrijstaande woningen. De woningen zijn uitsluitend ter plaatse van de bouwvlakken toegestaan. Voor de bebouwingsmogelijkheden binnen deze bestemming wordt een onderscheid gemaakt in het hoofdgebouw van de woning, bijgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Alle kosten die gemaakt moeten worden met het opstellen van een ruimtelijk plan zijn voor rekening van de initiatiefnemers. Hiervoor is een overeenkomst afgesloten, waarin ook de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in nadeelcompensatie is geregeld. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente afdoende geregeld.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Participatie

Met participatie wordt in de Omgevingswet bedoeld 'het in vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van besluitvorming of een project of activiteit om tijdig belangen, meningen en creativiteit op tafel te krijgen'. Het gaat nadrukkelijk om het betrekken van partijen bij het besluitvormingsproces voordat formele besluitvorming van start gaat. Vroegtijdige participatie moet mensen in staat stellen mee te denken aan een nog te maken keuze voor de toekomst van een gebied of locatie. Participatie hoeft niet te leiden tot overeenstemming. Participatie is maatwerk en de vorm is afhankelijk van het initiatief. In het kader van de beoogde ontwikkeling is door de initiatiefnemers met de omwonenden gesproken, waaronder de buren van de aangrenzende percelen en de overburen. Alle omwonenden is verteld wat het planvoornemen is, naar aanleiding waarvan zij vragen hebben kunnen stellen. Geen van de omwonenden heeft bezwaren tegen het plan.

6.2.2 Overlegpartners

In de Omgevingswet (Ow) staat dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

In het kader van het vooroverleg is het plan voorgelegd aan de volgende partijen:

  • Provincie Gelderland;
  • Waterschap Rivierenland.

6.2.3 Zienswijzen

Het ontwerp TAM-omgevingsplan is gedurende zes weken, te weten van 24 april tot en met 4 juni 2025, ter inzage gelegd. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.

Hoofdstuk 7 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Op grond van het gestelde in voorgaande hoofdstukken van deze motivering kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling, gelet op de aard, omvang en ligging, geen aanzienlijke effecten kent. Het planvoornemen vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.