direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Maasbommel, Bovendijk 65
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0668.MAABovendijk65-BOH1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De eigenaren van bed & breakfast 'Bij Tante Hanneke', gelegen aan de Bovendijk 65 in Maasbommel, willen hun goedlopende bed & breakfast uitbreiden met extra slaapplekken in de bed & breakfast en een klein aantal recreatieve verblijfsaccommodaties met bijbehorende voorzieningen. De bed & breakfast, met (in de huidige situatie) 10 slaapplekken, heeft een bijzondere ligging in het hart van 'De Gouden Ham'. Dat is een waterplas gelegen aan de Maas en een regionale hotspot op het gebied van verblijfs- water- en dagrecreatie.

Ten behoeve van dit initiatief is een principeverzoek ingediend. Uit het collegebesluit van april 2022 blijkt dat de gewenste uitbreiding van de recreatieve mogelijkheden op hoofdlijnen past binnen het beleid van de gemeente. Om het uitbreiden van de verblijfsrecreatieve voorzieningen mogelijk te maken, moet het geldende bestemmingsplan voor de gronden in het plangebied worden herzien. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen in het hart van de Gouden Ham aan de Bovendijk 65 even ten noordoosten van de kern Maasbommel en omvat de percelen die kadastraal bekend staan als gemeente Appeltern, sectie R, nr. 481. Het plangebied heeft een omvang van circa 6.453 m2 en wordt begrensd door:

  • Noordzijde: een A-watergang met een onderhoudsstrook met een breedte van 4,0 m;
  • Oostzijde: een B-watergang op de zijdelingse perceelsgrens met de woning aan de Bovendijk 67;
  • Zuidzijde: de Bovendijk (=Maasdijk);
  • Westzijde: een C-watergang op de zijdelingse perceelsgrens van de woning aan de Bovendijk 63.

Navolgende afbeeldingen tonen globaal de ligging en begrenzing van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAABovendijk65-BOH1_0001.png"

Globale ligging plangebied (rode druppel, bron: maps.google.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAABovendijk65-BOH1_0002.png"

Globale begrenzing plangebied (rode omkadering)

1.3 Geldende plannen

De gronden in het plangebied vallen binnen het bestemmingsplan 'Gouden Ham/De Schans, randzone' zoals de gemeenteraad dat heeft vastgesteld op 24 augustus 2016 en hebben de enkelbestemmingen 'Wonen' en 'Agrarisch - Oeverwal'. Om de gewenste uitbreiding van de bed & breakfast en de realisatie van 3 nieuwe verblijfsaccommodaties en 1 trekkershut mogelijk te maken, moeten de bestemmingen voor de gronden in het plangebied (deels) worden herzien.

Daarnaast is het zuidelijke deel van het plangebied voorzien van een dubbelbestemming 'Waterstaat – Waterkering' en het hele perceel voorzien van een dubbelbestemming 'Waarde Archeologie'. Ook valt het volledige plangebied binnen de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAABovendijk65-BOH1_0003.png"

Uitsnede geldend bestemmingsplan met globale begrenzing plangebied (rode omkadering)

Op grond van de bestemmingen 'Wonen' en 'Agrarisch - Oeverwal' is de gewenste verruiming van de recreatiemogelijkheden niet toegestaan en daarom zal het bestemmingsplan moeten worden herzien.

1.4 Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in vier delen.

Inleiding en beschrijving plangebied
In hoofdstuk 1 zijn de aanleidingen en het kader voor de planherziening beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied.

Verantwoording
Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet.

Juridische planbeschrijving
In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd.

Uitvoerbaarheid
Het laatste deel (hoofdstuk 6) gaat in op de financieel-economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

2.1 Bestaande situatie

Het plangebied heeft met circa 6.450 m2 een forse oppervlakte waarvan slechts 600 m2 bebouwd is met een woonboerderij, een schuur en een multifunctionele kas in gebruik als tuinkamer. Dit laatste bouwwerk staat ongeveer halverwege het perceel. Het woonhuis en de schuur vormen een erfensemble op de voorzijde van het perceel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAABovendijk65-BOH1_0004.png"

De achterzijde van het perceel is in gebruik als tuin van waaruit uitzicht geboden wordt op de achterliggende, groene weilanden. Op navolgende afbeeldingen is een impressie van het plangebied weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAABovendijk65-BOH1_0005.png"

Impressie multifunctionele tuinkamer (=kas), waar drankjes en maaltijden voor de bed & breakfast gasten worden geserveerd

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAABovendijk65-BOH1_0006.png"

Overkapping met terras en hottub achter de gerenoveerde schuur, die dient als bed & breakfast voor 4 personen

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAABovendijk65-BOH1_0007.png"

Impressie voorhuis dat dient als bed & breakfast voor 6 personen

De voorkant van het perceel grenst aan de Bovendijk met daar tegenover gelegen campingpark Molenstrand aan het water van de Gouden Ham. Aan weerszijden van het plangebied liggen de achtertuinen van naastgelegen woonpercelen. Daartussen ligt aan de westzijde een B-watergang en aan de oostzijde een C-watergang. De achterzijde van het perceel (=noordzijde) grenst aan een A- watergang en bestaat uit een gazon zonder hoge begroeiing waardoor er doorkijk is naar de achterliggende agrarische gronden.

Het parkeren voor zowel de woning als de bed & breakfast vindt plaats op eigen terrein. Op het bestaande erf zijn hiervoor 9 parkeerplekken beschikbaar. De toegang tot deze parkeerplaatsen vindt plaats via de bestaande inrit vanaf de Bovendijk.

Het bestaande woonhuis heeft een bruto vloeroppervlakte van 330 m2 en bestaat voor circa 150 m2 bruto vloeroppervlak uit een bed & breakfast voor 6 personen in het voorhuis. Voor de realisatie van deze recreatieve verblijfsaccommodatie heeft de gemeente in maart 2021 een vergunning verleend.

De gerenoveerde schuur met een bruto vloeroppervlak van 230 m2 dient voor een klein deel als een tweede bed & breakfast (circa 35 m²) waar slaapplek is voor 4 personen. Hiervoor heeft door de gemeente een vergunning verleend in mei 2020. In totaal zijn er daarmee in de bestaande situatie 10 overnachtingsplaatsen.

Ook is op het terrein een theetuin toegestaan. Hiervoor heeft de gemeente in mei 2020 een vergunning verleend. De zitplekken voor de theetuin bevinden zich in en om de tuinkamer (=kas). Gasten kunnen hier (non-alcoholische) drankjes krijgen en een maaltijd eten.

2.2 Toekomstige situatie

De door de initiatiefnemers beoogde verruiming van de verblijfsrecreatieve mogelijkheden aan de Bovendijk 65 betreffen de volgende onderdelen:

  • 1. Nieuwe (aanvullende) verblijfsaccommodaties
    Enkele bijzondere, zelfvoorzienende verblijfsaccommodaties (recreatiewoningen) met eigen sanitair (geldt niet voor de trekkershut!) op het achterliggende gazon. De bijzondere accommodaties worden (op de trekkershut na) circa 50 m2 groot en bestaan uit maximaal twee bouwlagen al dan niet opgenomen in een kap. Omdat de initiatiefnemer de huisjes zelf wil gaan bouwen is er ruimte voor creatieve, unieke bouwstijlen. In aansluiting op het principebesluit van de gemeente gaat het hierbij om slaapplekken voor 18 personen:
    • a. Verplaatsbaar Tiny house (47,5 m²): 4 personen;
    • b. Glazen huis (48 m²): 6 personen;
    • c. Boomhuis (48 m²): 6 personen;
    • d. Trekkershut (12 m²): 2 personen.
  • 2. Uitbreiding Bed & Breakfast
    Een extra bed & breakfast-kamer (gastenhuis) voor 10 personen in de bestaande schuur. Op dit moment is er in de schuur al een bed & breakfastkamer aanwezig voor 4 personen. In de toekomstige situatie is dan dus ruimte voor 14 slaapplekken in de bed & breakfast binnen de bestaande schuur. Het deel van de bed & breakfast dat zich nu in de woning bevindt (6 slaapplekken), komt in ruil daarvoor te vervallen. Op deze manier blijft de woonfunctie van het perceel gewaarborgd en is de Bed & Breakfast ondergeschikt aan de woonboerderij. De woning bestaat namelijk uit circa 330 m2 bruto vloeroppervlak en de schuur uit circa 230 m2 bruto vloeroppervlak. Per saldo is sprake van een toename van 10 slaapplekken in de bestaande situatie naar 14 slaapplekken in de toekomst.

Om te kunnen voldoen aan de parkeerbehoefte voor de uitbreiding van het aantal slaapplekken worden 8 nieuwe parkeerplekken gerealiseerd aan de westzijde van het perceel, in aansluiting op het bestaande erf. In subparagraaf 4.1.2 is het aspect parkeren nader onderbouwd. Ook zullen de nieuwe verblijfsaccommodaties worden omringd door diverse beplanting, wat ten goede komt aan de biodiversiteit van de tuin en de privacy van de gasten.

In samenhang met de bestaande tuinkamer (=kas) met terras centraal op het terrein, zwembad en hottub wordt ruimte geboden voor de uitbreiding van de bestaande verblijfsruimte voor de (nieuwe) gasten.

Ad 1.
Op navolgende afbeeldingen zijn de beoogde, deels bijzondere verblijfsaccommodaties te zien inclusief de bijbehorende afmetingen. De kleine trekkershut betreft een klein en relatief laag gebouw dat los op het maaiveld wordt gezet. De maatvoering van de verschillende recreatiewoningen past binnen de maatvoering voor recreatiewoningen zoals overgenomen uit het geldende bestemmingsplan 'Gouden Ham/De Schans, randzone'. Ook voor de trekkershut wordt aangesloten bij de maximale maatvoering uit het geldende bestemmingsplan. Aanvullend is wel de mogelijkheid geboden om de recreatiewoningen indien gewenst op palen (=onderbouw) te kunnen zetten. Hiervoor is een extra bepaling in de regels opgenomen. Zie navolgende impressies van de beoogde opzet.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAABovendijk65-BOH1_0008.png"

Landschappelijke inpassing
Er is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld voor het hele perceel, waarbij op het achterste deel (daar waar de bestemming wordt herzien van 'Agrarisch - Oeverwal' naar 'Recreatie') aanvullende beplanting is toegevoegd. Belangrijk uitgangspunt voor de inpassing is dat op de aangrenzende woonpercelen al sprake is van een robuuste landschappelijk inpassing (dus buiten de plangrens), zodat het aanvullen daarvan langs de westelijke en oostelijke perceelsgrens geen toegevoegde waarde heeft. Ook is er al veel bestaande beplanting op het perceel zelf aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAABovendijk65-BOH1_0009.png"

Op voorgaande afbeelding is de bestaande beplanting donker weergegeven. De nieuwe, toe te voegen beplanting is licht weergegeven en bevindt zich vooral aan de westzijde rondom de nieuwe recreatiewoningen:

Beplanting aanduiding:

  • a. Hazelaar
  • b. Naaldboom
  • c. Berk
  • d. Laurierkers
  • e. Iep
  • f. Appel
  • g. Knotwilgen – x4
  • h. Appel, laurierkers, meidoorn, beuk, liguster
  • i. Beuk, meidoorn, appel
  • j. Peer
  • k. Appel, laurierkers, taxus. peer
  • l. Appel, laurierkers, meidoorn
  • m. Knotwilg – x16
  • n. Kers
  • o. Notenboom
  • p. Knotwilg – x10
  • q. Meidoorn
  • r. Veldesdoorn + onderbegroeiing
  • s. Bestaande beplanting buren

Het aanleggen en instandhouden van de beplanting wordt via een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan vastgelegd.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Nationaal beleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), waarin het Rijk een lange termijn visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt keuzes te maken. Bij de afweging van keuzes wordt bij voorkeur gekozen voor slimme combinaties van functies, wordt uitgegaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en worden beslissingen niet uitgesteld of doorgeschoven.

De nationale belangen en opgaven waarop het Rijk wil sturen en richting wil geven, komen samen in de volgende vier prioriteiten:

  • Ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden;
  • Steden en regio's sterker en leefbaarder maken;
  • Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.

Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de prioriteiten uit de NOVI. De NOVI vormt geen belemmering voor dit plan.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het beleid, zoals beschreven in de voorganger van de NOVI, oftewel de SVIR. Op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt, vervalt het Barro. De regels van het Barro worden dan vervangen door het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Het BKL wordt de uitwerking, in regelgeving, van het beleid dat in de NOVI staat. Zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is, is het Barro nog van toepassing.

In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.

Planspecifiek
Voor onderhavig plangebied zijn geen specifieke doelstellingen geformuleerd. Het Barro is niet specifiek van toepassing op het plangebied.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven:

'De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.

In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: “bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.” Volgens de nota van toelichting bij artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen naar het oordeel van de Raad van State planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied. Conform actuele jurisprudentie wordt een ontwikkeling van 12 woningen of meer gezien als een stedelijke ontwikkeling.

Planspecifiek
Onderhavig initiatief betreft het realiseren van 3 recreatiewoningen en 1 trekkershut achter een bestaand woonperceel in het recreatieconcentratiegebied De Gouden Ham. Daarnaast worden er 4 extra slaapplekken in een bestaand bijgebouw gerealiseerd binnen de al bestaande (bedrijfsmatig geëxploiteerde) bed & breakfast met 10 slaapplekken. Dit betekent dat sprake is van een relatief kleinschalige ontwikkeling, kijkend ook naar het extra aantal voertuigbewegingen (zie subparagraaf 4.1.1) dat als gevolg van het verruimen van de verblijfsrecreatieve mogelijkheden wordt gegenereerd.

Naar analogie van de jurisprudentie voor woningen kan gesteld worden, dat alleen al gezien de beperkte aantallen, geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Het betreft immers slechts 4 nieuwe verblijfsrecreatieve objecten en een beperkte uitbreiding van een bestaande bed & breakfast. Dit nog los van het feit dat recreatiewoningen in Nederland naar aard (in bijna alle gevallen) niet binnen stedelijk gebied gerealiseerd worden.

Daarmee is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en hoeft niet getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Desondanks vindt de voorgenomen ontwikkeling plaats in een bebouwingslint aan de Bovendijk en heeft de gemeente het gebied 'De Gouden Ham', waarvan het plangebied onderdeel uitmaakt, aangewezen als recreatieconcentratiegebied. De beoogde ontwikkeling voldoet daarmee aan de uitgangspunten van de Ladder voor duurzame verstedelijking.

3.1.4 Conclusie

In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.

3.2 Provinciaal beleid

Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten van Gelderland de 'Omgevingsvisie Gaaf Gelderland' vastgesteld. De bijbehorende geactualiseerde 'Omgevingsverordening Gelderland (december 2021)' hebben Provinciale Staten op 15 december 2021 vastgesteld. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid en in de Omgevingsverordening de regels en afspraken om de opgaven uit de Omgevingsvisie te realiseren.

De Omgevingsvisie en -verordening zijn dynamische instrumenten. Doordat wetten veranderen of door de komst van nieuwe initiatieven, kijkt de provincie twee keer per jaar of de plannen moeten worden aangepast.

3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

De wereld verandert ingrijpend en er komt veel op de inwoners van Gelderland af. Het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, digitalisering, internationalisering. Deze zaken vragen stevige antwoorden en oplossingen als investering in de toekomst. Met de schaarse ruimte en de vele uiteenlopende belangen en inzichten gaat dit niet vanzelf. We moeten samen keuzes maken over de voorliggende vraagstukken en de betekenis daarvan voor de inrichting van Gelderland. In onderling overleg zoeken naar synergie, samenhang en uitruilmogelijkheden. Daarom zet de provincie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal.

Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang, zoals goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen en een mooie natuur.

Een goed vestigingsklimaat vereist een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. Ook op dit vlak heeft Gelderland een goede uitgangspositie. De fraaie natuur, de mooie landschappen, de vele mogelijkheden op het vlak van cultuur, recreatie en toerisme en sport. Gelderland heeft economische dynamiek én ruimte voor ontspanning in het groen en is daarmee aantrekkelijk voor burgers, bedrijven én bezoekers.

Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling draagt bij aan een aantrekkelijk leefklimaat en zorgt voor extra verblijfsrecreatieve voorzieningen in het recreatieconcentratiegebied 'De Gouden Ham'.

De Omgevingsvisie doet verder geen specifieke uitspraken die van belang zijn voor de voorliggende ontwikkeling. De Omgevingsvisie vormt daarom geen belemmering voor het verruimen van de verblijfsrecreatieve mogelijkheden in het plangebied.

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening.

Planspecifiek
Het plangebied valt op kaart 10 'Erfgoed' binnen de molenbiotoop van de naamloze molen van Maasbommel. In artikel 2.64 is opgenomen dat een bestemmingsplan voor gronden binnen een molenbiotoop geen nieuwe bebouwing of beplanting mogelijk mag maken, als daardoor de windvang van een molen wordt beperkt. Een molenbiotoop is daarbij gedefinieerd als 'gebied rondom een historische of monumentale molen met een straal van 400 m gerekend vanaf het middelpunt van de molen'. In paragraaf 4.11 wordt aangetoond dat de beoogde ontwikkeling geen afbreuk doet aan de molenbiotoop.

Ook over recreatiewoningen staan er bepalingen in de Omgevingsverordening. In artikel 2.3 is opgenomen dat een solitaire recreatiewoning alleen mogelijk is op een reguliere woningbouwlocatie. Daar is in dit geval echter geen sprake. Er worden 3 recreatiewoningen en 1 trekkershut gerealiseerd op een perceel dat onderdeel uitmaakt van het recreatieconcentratiegebied 'De Gouden Ham' en waar al sprake is van een bestaande, bedrijfsmatig geëxploiteerde en goedlopende bed & breakfast.

Aanvullend hierop staat in artikel 2.4 dat geen permanente bewoning van een recreatiewoning mogelijk mag worden gemaakt. In dit bestemmingsplan is daarom in sublid 3.5.1 van de regels opgenomen dat permanente bewoning valt onder strijdig gebruik.

Tenslotte staat in artikel 2.5 dat een bestemmingsplan maakt nieuwvestiging of uitbreiding van een recreatiewoning alleen mogelijk is als bedrijfsmatige exploitatie van de recreatiewoningen duurzaam is verzekerd. Onderhavig initiatief betreft een verruiming van de verblijfsrecreatieve mogelijkheden bij het bedrijfsmatig geëxploiteerde en goedlopende bed & breakfast 'Bij Tante Hanneke'.

De Omgevingsverordening vormt daarom geen belemmering voor het verruimen van de verblijfsrecreatieve mogelijkheden in het plangebied.

3.2.3 Conclusie

In het plangebied zijn geen provinciale belangen in het geding.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Recreatieconcentratiegebieden 2026

De gemeenteraad van West Maas en Waal heeft op 20 april 2017 de Structuurvisie voor recreatieconcentratiegebieden vastgesteld. In deze structuurvisie staan toerisme en recreatie als onderwerp centraal en biedt de gemeente waar mogelijk ruimte aan de ontwikkeling van (kleinschalige) recreatieve activiteiten. Deze visie is het ruimtelijke kader waarmee recreatie en de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten binnen de gemeente West Maas en Waal worden verankerd waardoor de gemeente een betere bekendheid verkrijgt als toeristische trekpleister. Er zijn vier recreatie-concentratiegebieden vastgesteld die dienen als de belangrijkste ruimtelijke dragers:

  • 1. De Schans;
  • 2. De Gouden Ham;
  • 3. De Tuinen van Appeltern;
  • 4. Zandwin-/ en natuurontwikkelingsproject Over de Maas.

Planspecifiek
Voorliggend initiatief valt binnen het gebied 'de Gouden Ham'. Centraal in het concept voor de Gouden Ham staat het realiseren van een mix van voorzieningen met de Maas als verbindend element. Binnen de ontwikkelvisie voor het gebied zijn de volgende doelstellingen geformuleerd:

  • Het geven van ruimte (binnendijks) voor kleinschalige verblijfs- en horecagelegenheden langs het dijklint.
  • Het versterken van de recreatieve dag en/of verblijfsvoorzieningen in het buitendijks gelegen gebied door middel van de EMAB initiatieven.
  • Het realiseren van seizoensonafhankelijke dag- en verblijfsrecreatie binnendijks.
  • Vooral binnendijks is ruimte voor de gewenste groei.

De Gouden Ham is voor het behoud van specifieke gebiedskwaliteiten in 5 verschillende deelgebieden ingedeeld. Het plangebied valt binnen het deelgebied 'Blauwe Sluis en omgeving'. Hierin wordt de karakteristieke lintbebouwing aan de van de Sluissestraat en Bovendijk aangewezen als een locatie waar kleinschalige recreatieve (gebruiks)voorzieningen kunnen worden toegevoegd. De voorzieningen dienen qua karakter en uitstraling (hoogte, oppervlakte, materiaal- en kleurgebruik, reclame-uitingen) te passen binnen deze karakteristieke linten. Daarnaast mag de recreatieve functie geen grote publieks- en verkeersaantrekkende werking hebben.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAABovendijk65-BOH1_0010.png"

Uitsnede Visiekaart Structuurvisie Dorpen 2025 met de Gouden Ham en de globale aanduiding van het plangebied (rode omcirkeling)

Voorliggend initiatief past binnen het kader wat in de structuurvisie wordt gesteld, omdat het de realisatie van een kleinschalige recreatieve verblijfsvoorziening betreft aan de binnendijkse lintbebouwing van de Bovendijk. In de beleidsnotitie 'permanente bewoning recreatieverblijven' wordt onder kleinschalige verblijfsrecreatie 'een bed & breakfast, erfgoedlogies of een klein aantal recreatiewoningen' verstaan. Voorliggend initiatief past gezien de beperkte aantallen recreatiewoningen (3 recreatiewoningen en 1 trekkershut) die toegevoegd worden en gezien de beperkte extra voertuigaantrekkende werking (zie subparagraaf 4.1.1) als gevolg van deze extra verblijfsaccommodaties binnen deze definitie. Ook de uitbreiding van de al bestaande bed & breakfast met 4 slaapplekken vindt plaats binnen de bestaande schuur (die al in gebruik is als bed & breakfast), is beperkt van aard. Daarnaast is de beoogde ontwikkeling ook relatief gezien kleinschalig te noemen; zeker in relatie tot de grotere vakantieparken in de directe omgeving. Juist door de recreatieve voorzieningen op het achterste deel van het perceel te realiseren, worden deze bijzonder vormgegeven en zelfvoorzienende recreatiewoningen passend geacht binnen de uitstraling van de karakteristieke lintbebouwing.

Verder bevorderd voorliggend initiatief seizoensonafhankelijke verblijfsrecreatie, omdat de beoogde bijzondere verblijfsaccommodaties ook buiten het hoogseizoen aantrekkelijk zullen zijn voor toeristen. De huisjes zijn verwarmd, overdekt, voorzien van eigen sanitaire voorziening het terrein beschikt over een zwembad en een hottub. Ook de 'tuinkamer (=kas)', waar de gasten terecht kunnen voor wat eten en drinken, is overdekt. De gasten kunnen dus zowel in de winter als in de zomer terecht 'Bij Tante Hanneke'.

3.3.2 Conclusie

In het plangebied zijn geen gemeentelijke belangen in het geding.

Hoofdstuk 4 Milieu- & omgevingsaspecten

4.1 Verkeer & parkeren

4.1.1 Verkeer

Om inzicht te bieden in de mate van verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling, die met dit bestemmingsplan wordt gefaciliteerd, moet de verkeersaantrekkende werking worden bepaald. Daarvoor is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van een gemiddelde weekdag.

Om de verkeersgeneratie van alle functies in het plangebied te bepalen is gekeken naar de ligging van het plangebied. De gemeente West Maas en Waal is qua stedelijkheidsgraad aan te merken als een 'niet stedelijk' gebied en het plangebied maakt onderdeel uit van het 'buitengebied', waardoor de verkeersgeneratie (uitgaande van het gemiddelde van de aangegeven bandbreedtes) uitkomt op:

  • 8,2 voertuigbewegingen per woning (koop, vrijstaand): dus 1 x 8,2 voertuigbewegingen;
  • 2,7 voertuigbewegingen per recreatiewoning (= bungalowpark (huisjescomplex)): dus 3 x 2,7 = 8,1 voertuigbewegingen;
  • Voor de bed & breakfast (14 slaapplekken) wordt worst-case per 2 slaapplekken uitgegaan van een gelijk aantal voertuigbewegingen als voor een recreatiewoning. Dus 7 x 2,7 = 18,9 voertuigbewegingen.

Voor de trekkershut (2-personen) wordt gezien de primitieve aard ervan (geen sanitair) uit gegaan dat de bezoekers hiervan niet met de auto komen.

In totaal is daarmee sprake van 8,2 + 8,1 + 18,9 = 35,2 voertuigbewegingen gemiddeld per etmaal in de toekomstige situatie.

Omdat in de bestaande situatie al sprake is van een vrijstaande koopwoning en een bed & breakfast met 10 slaapplekken, samen zijnde 21,7 voertuigbewegingen, bedraagt de toename 35,2 - 21,7 = 13,5 voertuigbewegingen per etmaal.

Het plan wordt ontsloten op de Bovendijk. De capaciteit van de van Bovendijk is voldoende om de extra voertuigbewegingen als gevolg van de uitbreiding van het aantal recreatieve voorzieningen op te vangen.

Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.1.2 Parkeren

Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is gebruik gemaakt van de normen zoals opgenomen in de 'Nota Parkeren 2019', die gebaseerd zijn op de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. De gemeente West Maas en Waal is qua stedelijkheidsgraad aan te merken als een 'niet stedelijk' gebied. De parkeerkencijfers uit de publicaties van CROW worden weergegeven in de vorm van een bandbreedte. De gemeente West Maas en Waal gaat bij het bepalen van de parkeerbehoefte uit van de waarde tussen de gemiddelde en maximale bandbreedte. Binnen de functie wonen wordt geen onderscheid gemaakt tussen koop- of huurwoningen. Ook wordt geen rekening gehouden met woninggrootte of de hoogte van de koop- of huursom. Voor bed & breakfasts staan zowel geen normen in de gemeentelijke Nota parkeren alsmede geen normen in CROW-publicatie 381. Daarom is voor die verblijfsrecreatieve voorziening een beredeneerde aanname gedaan.

De parkeernormen bedragen:

  • 2,3 parkeerplaatsen per woning; Dus 2,3 parkeerplaatsen voor de al bestaande vrijstaande woning;
  • 2,1 parkeerplaatsen per recreatiewoning (= aangesloten bij de normen voor 'bungalowpark (huisjescomplex)'); dus 3 x 2,1 = 6,3 parkeerplaatsen, voor 14 personen verspreid over een tiny-house met 4 slaapplekken en twee andere accommodaties met elk 6 slaapplekken;
  • Voor de bed & breakfast (14 slaapplekken) wordt worst-case per 2 slaapplekken uitgegaan van één parkeerplaats. Dus 7 x 1,0 = 7,0 parkeerplaatsen.

In totaal is daarmee sprake van een parkeerbehoefte van 2,3 + 6,3 + 7,0 = 15,6, afgerond 16 parkeerplaatsen.

Voor de trekkershut (2-personen) wordt gezien de primitieve aard ervan uit gegaan dat de bezoekers hiervan niet met de auto komen.

In totaal worden er in het plangebied 16 parkeerplaatsen gerealiseerd. Dit is voldoende om te voldoen aan de gemeentelijke parkeernorm. De minimale afmetingen van een parkeerplaats op eigen terrein bedragen 5 m x 2,5 m (lxb). De 7 nieuwe parkeerplaatsen hebben aan één zijde ruimte voor een uitstapstrook van 0,5 m en zijn dus iets breder dan de bestaande parkeerplaatsen. De parkeernorm is in de regels van het onderhavige bestemmingsplan geborgd.

Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.2 Bodem

4.2.1 Regelgeving

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd, dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening moet voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden.

Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen).

Bij nieuwe ontwikkelingen moet bekeken worden of de bodemkwaliteit een belemmering op kan leveren voor de realisering hiervan. Bijna altijd is het mogelijk om bodem geschikt te maken voor het gewenste gebruik. Het is echter mogelijk dat een plan financieel onuitvoerbaar wordt, bijvoorbeeld omdat de kosten van de sanering te hoog zijn. Bij een wijziging van de bestemming of van de functie wordt een bodemonderzoek alleen noodzakelijk geacht, indien deze wijziging tevens een meer gevoelige vorm van bodemgebruik inhoudt.

4.2.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor de gronden aan de noordzijde in het plangebied (daar waar de bestemming wordt herzien van 'Agrarisch - Oeverwal' naar 'Recreatie'). De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 1 bij de toelichting gevoegd.

Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt het volgende:

  • In de toplaag zijn geen organochloorbestrijdingsmiddelen aangetoond;
  • De bovengrond is licht verontreinigd met cadmium, lood en/of zink;
  • De ondergrond is licht verontreinigd met kobalt en nikkel;
  • In het grondwater zijn geen verontreinigende stoffen zijn aangetoond.

Er zijn geen verontreinigingen aangetoond in gehalten/ concentraties boven de tussenwaarde; het uitvoeren van een nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

De aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit levert geen belemmeringen op voor de voorgenomen bestemmingsplanherziening.

Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.3 Geluid

4.3.1 Regelgeving

Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd moet worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten.

Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen.

De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen. Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden/gebouwen voor een geluidgevoelige functie in een geluidszone zijn gelegen. Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een 'hogere waarde procedure' worden doorlopen door het college van burgemeester en wethouders. Een uitzondering waar toetsing aan de grenswaarden niet hoeft, is wanneer een geluidsgevoelig gebouw een zogenoemde 'dove' gevel heeft. Een 'dove gevel' is een bouwkundige constructie:

  • waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een bepaalde geluidwering;
  • waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.

Bij ontheffing van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting kan (in het kader van de omgevingsvergunning) een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het woon- en leefklimaat in de woning. De karakteristieke geluidwering van de gevel moet voor nieuwbouw zodanig zijn dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit, zijnde het verschil tussen de geluidsbelasting op de gevel en het gewenste binnenniveau met een minimum van 20 dB.

Wegverkeerslawaai
In de Wgh en het Bgh is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven, 30-km/uur-gebieden en wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart blijkt dat de geluidsbelasting op 10 m uit de meest nabij gelegen wegas 48 dB of minder bedraagt.

Bij vaststelling van een bestemmingsplan moet voor alle wegen waarvan de zone een overlap met het plangebied kent, een akoestisch onderzoek worden verricht (artikel 76 lid 1 Wgh). De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie navolgende tabel:

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAABovendijk65-BOH1_0011.png"

Overzicht zonebreedtes (vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg)

De definities van het buitenstedelijk en stedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 van de Wgh. Als buitenstedelijk gebied wordt aangemerkt het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg, die binnen de bebouwde kom ligt. Voor nieuwe woningen bedraagt de wettelijke (voorkeurs)grenswaarde 48 dB.

4.3.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Op grond van de Wet geluidhinder kunnen recreatiewoningen niet als geluidgevoelige objecten worden aangemerkt. Dit betekent dat er geen nader onderzoek hoeft plaats te vinden naar het aspect.

De bed & breakfast in de schuur achter de woning is al een bestaande situatie. Er komen in de schuur alleen 10 extra slaapplekken bij. Te compensatie komen de 6 slaapplekken in het voorhuis van de woning te vervallen. Per saldo neemt het aantal slaapplekken in de bed & breakfast daarmee met 4 plekken toe.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan aanvullend nog wel gezegd worden dat de 3 nieuwe recreatiewoningen en de trekkershut op 90 m of meer van de Bovendijk gelegen zijn. Ook de afstand tot de Sluissestraat bedraagt meer dan 90 m. Dit is een zodanig grote afstand tot deze wegen dat de geluidbelasting ter plaatse van deze recreatiewoningen, mede gezien de toegestane maximumsnelheid van 30 km/u op zowel de Bovendijk als de Sluissestraat, onder de voorkeurswaarde van 48 dB zal liggen.

Het aspect 'wegverkeerslawaai' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.4 Milieuzonering

4.4.1 Regelgeving

Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies.

Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten middels een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied.

Voor het vaststellen van de genoemde minimum richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAABovendijk65-BOH1_0012.png" Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'

Voorgaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven, inpassing is dan mogelijk.

4.4.2 Doorvertaling bestemmingsplan

In de omgeving van het plangebied is in de huidige situatie, maar ook in de situatie na de beoogde bestemmingsherziening sprake van verschillende recreatieve voorzieningen en enkele horecagelegenheden direct naast woningen (vooral aan de buitendijkse zijde van de Bovendijk). Het plangebied en de directe omgeving zou daarom aangemerkt kunnen worden als gelegen in het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Worst-case wordt echter uitgegaan van een 'rustig woongebied'.

Op navolgende uitsnede van de geldende bestemmingsplannen in en om het plangebied staan in geel de woonfuncties, in groen de recreatieve functies en in oranje de horecafuncties:

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAABovendijk65-BOH1_0013.png"

Direct aangrenzend aan het plangebied komen nu alleen woningen voor. Daarom hoeft er geen inwaartse zonering plaats te vinden. De woonfunctie met één vrijstaande burgerwoning aan de dijkzijde van het plangebied (nr. 65) blijft gelijk aan de bestaande situatie.

Een bed & breakfast en losse recreatiewoningen worden niet specifiek genoemd in de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (editie 2009). Het meest vergelijkbaar zijn 'hotels en pensions met keuken'. Voor deze functie geldt een richtafstand van 10 m in een rustig woongebied. Aan deze richtafstand tot de omliggende woonpercelen wordt voldaan.

Los hiervan is de bed & breakfast in de bestaande situatie al voor 10 slaapplekken vergund op het huidige woonperceel. In de toekomstige situatie wordt de bed & breakfast geconcentreerd in het bijgebouw achter de woning en komen er 4 extra slaapplekken. Dit is een relatief beperkte uitbreiding.

Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.5 Luchtkwaliteit

4.5.1 Regelgeving

Op 15 november 2007 is de wijziging van de Wet milieubeheer in werking getreden. Deze wet vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005' en is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om:

  • negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken.
  • mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.

De paragraaf luchtkwaliteit in de Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt.
  • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3 % ten opzichte van de grenswaarde). Het gaat hier bijvoorbeeld om woningbouwlocaties met één ontsluitingsweg en niet meer dan 1.500 nieuwe woningen, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen.
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking is getreden nadat de EU in april 2009 derogatie heeft verleend.

Als aannemelijk kan worden gemaakt dat aan één of meerdere van de bovengenoemde criteria wordt voldaan, kan het project zonder toetsing aan de gestelde grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 m van een provinciale weg of 300 m van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. De zones worden afgemeten vanaf de rand van de weg. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien.

4.5.2 Doorvertaling bestemmingsplan

In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Omdat voorliggend initiatief geen woningen mogelijk maakt, maar recreatieve voorzieningen, is in subparagraaf 4.1.1 berekend dat er 13,5 extra voertuigbewegingen in de toekomstige situatie worden gegenereerd ten opzichte van de bestaande situatie. Met behulp van de NIBM-tool (versie 23 april 2022) is vervolgens berekend wat de effecten zijn op de luchtkwaliteit:

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAABovendijk65-BOH1_0014.png"

Hieruit blijkt dat de bijdrage van de extra voertuigbewegingen niet-in-betekende-mate is en er geen nader onderzoek nodig is.

Goede ruimtelijke ordening
Op basis van de grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5, ter plaatse van het plangebied, voor het peiljaar 2025 (gegevens 2022), bepaald. Uit deze kaarten blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet worden overschreden met waarden van respectievelijk 10,9 µg/m3 (voor NO2), 15,1 µg/m3 (voor PM10) en 8,4 µg/m3 (voor PM2,5). Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.

Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.6 Geur

4.6.1 Regelgeving

Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningsplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:

  • voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object;
  • voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie navolgende tabel:

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAABovendijk65-BOH1_0015.png"

Geurnormen Wgv
De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kunnen gemeenten een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie.

Regeling geurhinder en veehouderij
In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop:

  • de geurbelasting wordt bepaald;
  • de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten.

Activiteitenbesluit
Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Voor vergunningplichtige veehouderijen gelden overigens nog steeds de eisen uit de Wet geurhinder en veehouderij.

Geur bij niet-agrarische bedrijven
Het voorkomen van (nieuwe) geurhinder is het algemene uitgangspunt in het rijksbeleid. Dit uitgangspunt is uitgewerkt in het landelijk informatiedocument ‘Handleiding Geur Industrie’ en beschrijft de methodiek voor de bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau voor geur ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten. Vanwege het lokale aspect van geurhinder is de hoogte van het aanvaardbaar hinderniveau niet landelijk vastgelegd. Het bevoegd gezag moet daar een eigen afweging in maken. De provincie Gelderland heeft deze afweging uitgewerkt in de ‘Beleidsregels geur bedrijven (niet-veehouderijen) Gelderland 2017’ voor de industriële bedrijven waarvoor de provincie het bevoegde gezag is. Daarin is het aanvaardbaar geurhinderniveau vertaald naar streef-, richt- en grenswaarden. De streefwaarde is de waarde waaronder geen sprake is van hinder. De grenswaarde is de waarde waarboven sprake is van ernstige hinder. Over het algemeen wordt een geurcontour die ligt tussen streef- en grenswaarde als aanvaardbaar geurhinderniveau vastgesteld en vastgelegd in de milieuvergunning voor een industrieel geurrelevant bedrijf.

4.6.2 Doorvertaling bestemmingsplan

In de directe omgeving van het plangebied komen geen agrarische bedrijven voor met een geurcontour die over het plangebied is gelegen. De dichtstbijzijnde agrarische bedrijven zijn gelegen aan de Bovendijk 51 op circa 300 m ten westen van het plangebied en aan de Dijkgraaf de Leeuwweg 48 op circa 300 m ten noordoosten van het plangebied. Daarnaast zijn de bestaande woningen die dichterbij voornoemde veehouderijen zijn gelegen, maatgevend voor de betreffende bedrijven. De voorgenomen activiteiten zorgen daarmee niet voor extra belemmeringen voor deze agrarische bedrijven.

Uit toetsing van de achtergrondbelasting aan de huidige situatie (zie kaart 3 geurverordening 'Milieukwaliteit huidige situatie achtergrondgeurbelasting Wgv-normen') blijkt bovendien dat ter plaatse van de Bovendijk e.o. sprake is van een (geur)milieukwaliteit die goed is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAABovendijk65-BOH1_0016.png"

Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.7 Externe veiligheid

4.7.1 Regelgeving

Externe veiligheid gaat over de beheersing van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Die activiteiten kunnen bestaan uit het opslaan, verwerken of transporteren van gevaarlijke stoffen. Deze activiteiten kunnen een risico veroorzaken voor de leefomgeving. De risico's worden uitgedrukt in twee risicomaten: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een inrichting die valt onder het Bevi, moeten worden aangehouden.

4.7.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Het plan voorziet zelf niet in de oprichting van een Bevi-inrichting of een andere stationaire risicobron. Hierdoor vormt het plangebied geen belemmering voor nabijgelegen woningen of andere (beperkt) kwetsbare objecten.

Het plan heeft wel betrekking op kwetsbare objecten, maar uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet ligt binnen:

  • het invloedsgebied van een inrichting die valt onder het Bevi;
  • de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen;
  • het invloedsgebied van een relevante buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen;
  • het invloedsgebied van een relevante transportweg of een basisnetroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, de weg en het water.

Het aspect 'externe veiligheid' is daarmee niet relevant voor het plangebied en vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.8 Waterhuishouding

4.8.1 Regelgeving

Algemeen
Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing:

  • Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2016 - 2021, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water;
  • Provinciaal beleid: Omgevingsvisie Gelderland;
  • Waterschapsbeleid: Watervisie 2050, Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen', Nota riolering 'Samen door één buis' (2019) en de Keur voor waterkeringen en wateren;
  • Gemeente: Gemeentelijk riool- en waterplan 2018 - 2022.

Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water: Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen:

  • 1. Nieuwe plannen moeten voldoen aan het principe van het 'hydrologisch neutraal' bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden.
  • 2. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht moet worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden.
  • 3. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is.

Bij de inrichting, het bouwen en het beheer moeten zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen moeten worden vermeden om watervervuiling te voorkomen.

Uitgangspunten Waterschap Rivierenland
De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als:

  • a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren.
  • b. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater moeten worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100 % afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding).
  • c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk.

Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit:

  • De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 0,2 of 0,3 m stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm.
  • De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt vooral voor droogvallende voorzieningen.

Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem moet 48 tot 96 uur bedragen.

Uitgangspunten gemeente
In het Gemeentelijk Riool- en waterplan 2018 - 2022 is het beleid voor de zorgplicht voor het afvalwater, het afvloeiend hemelwater en het grondwater vastgelegd. Gemeenten moeten verankerd hebben hoe ze omgaan met waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hittestress. Rioolsystemen (ondergronds) hebben bij hevige buien niet altijd voldoende capaciteit voor de afvoer en berging van het hemelwater. Voor het borgen van een adequate afvoer en berging van het hemelwater moet ook gebruik worden gemaakt van de inrichting van de openbare ruimte (bovengronds). Daarmee wordt de gemeentelijke zorgplicht meer bovengronds zichtbaar in wegen en groen en is de relatie met ruimtelijke ordening, openbare ruimte en vergunningverlening cruciaal.

Het klimaatbestendig maken van stedelijk gebied vergt bewuste keuzes bij stedelijke inrichting en stedelijke activiteiten. Bij nieuwe ruimtelijke plannen is een klimaatbestendige en water robuuste inrichting van groot belang. Ruimtelijke functies moeten onderling op elkaar afgestemd zijn en de ruimtelijke effecten op waterhuishouding (en vice versa) moeten vastgelegd worden in een bestemmingsplan of omgevingsplan.

Het uitgangspunt is dat de perceeleigenaar zelf het regenwater moet verwerken. Hierdoor komt er minder regenwater in het riool terecht, wat ten goede komt aan de werking van de zuiveringsinstallatie. Als verwerking op eigen terrein in redelijkheid niet mogelijk is, dan kan het overtollige regenwater afgevoerd worden naar het openbare terrein, al waar het afvoeren de verantwoordelijkheid van de gemeente is.

4.8.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Bestaande situatie
In de huidige situatie heeft het plangebied ter plaatse van het beoogde recreatieve deel (aan de achterzijde van het perceel) planologisch gezien nog een agrarische bestemming. In de praktijk is het echter al in gebruik als tuin in de vorm van een grasveld en er staat een kas (70 m²) op die recreatief in gebruik is als 'tuinkamer'.

Op het huidige woonperceel treedt geen wijziging op qua bebouwing en overig verhard oppervlak. Daarom wordt dit zuidelijke deel van het plangebied verder niet besproken in deze watertoets.

Watergangen
Op basis van de legger wateren van Waterschap Rivierenland ligt direct ten noorden van het plangebied een A-watergang, waarvoor een obstakelvrije zone van 4,0 m geldt. Aan de oostzijde bevindt zich (deels in het plangebied) een B-watergang, waarvoor een obstakelvrije zone van 1,0 m geldt, en aan de westzijde een C-watergang waarvoor geen beschermingszone geldt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAABovendijk65-BOH1_0017.png"

Uitsnede legger Waterschap Rivierenland met aanduiding plangrens (rode omkadering)

Waterkeringen
De recreatiewoningen en de nieuwe trekkershut bevinden zich in de buitenbeschermingszone van de primaire waterkering de Bovendijk. Nieuwe ontwikkelingen mogen de stabiliteit van de waterkering en de waterkerende functie niet belemmeren. Tevens dient de waterkering ook in de toekomst doelmatig te kunnen worden onderhouden en beheerd. Het plangebied bevindt zich in een leggervlak, achter de bouwgrens. Achter de bouwgrens worden geen dijkverbeterende maatregelen uitgevoerd. Ter hoogte van het plangebied is het oprichten van bebouwing in principe toegestaan. Voor het uitvoeren van de beoogde bouwwerkzaamheden gelden algemene toetsingscriteria. Voor het oprichten van een permanent bouwwerk gelden de toetsingscriteria van de Keur (artikel 5.18a) onder B: nieuwbouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAABovendijk65-BOH1_0018.png"

Uitsnede legger Waterschap Rivierenland met aanduiding plangrens (rode omkadering)

Indien wordt voldaan aan de algemene toetsingscriteria onder B van de Keur volstaat een meldingsplicht. Binnen het leggervlak en achter de bouwgrens hoeft niet buiten het profiel van de vrije ruimte te worden gebouwd. De ligging nabij de primaire waterkering vormt geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

Watercompensatie
Er is een verhardingsbalans opgesteld om te laten zien hoe de huidige situatie en de toekomstige situatie ter plaatse van de nieuwe recreatieve functies zich tot elkaar verhouden. Binnen de gronden met een recreatieve bestemming komen 3 recreatiewoningen en een 1 trekkershut te staan. Dit leidt tot de volgende oppervlakte aan extra bebouwing:

  lengte (m)   breedte (m)   oppervlakte (m²)  
Tiny house   12,5   3,8   47,5  
Glazen Huis   6   8   48  
Boomhuis   6   8   48  
Trekkershut   3   4   12  
Totaal       155,5  

  Dakoppervlak (m²)   Terreinoppervlak (m²)   Onverhard (m²)   Totaal (m²)  
Bestaande situatie   70   0   3.130   3.200  
Toekomstige situatie   225,5   257,5   2.717   3.200  
Verschil   +155,5   +257,5   -413    

Bij alle ruimtelijke ontwikkelingen dient sprake te zijn een hydrologische neutrale ontwikkeling. Het waterschap hanteert eenmalig een vrijstelling van 500 m² in stedelijk gebied en 1.500 m² in landelijk gebied. Uit de verhardingsbalans blijkt dat de hoeveelheid verhard oppervlak met circa 413 m2 toeneemt ten opzichte van de huidige situatie.

De ontwikkeling van de recreatiewoningen, de trekkershut en de extra terreinverharding valt onder de vrijstellingsgrens. Er is geen compenserende waterberging noodzakelijk.

Los hiervan zullen de nieuwe parkeerplaatsen worden uitgevoerd in grasbetonstenen en komen zowel het glazen huis als het boomhuis op palen (=onderbouw) te staan. Dit laatste houdt in dat het hemelwater dat op de daken valt gewoon onder beide recreatiewoningen door kan stromen.

Het schone hemelwater kan in de huidige situatie al beperkt ter plaatse in de bodem infiltreren als gevolg van kwel en hoge grondwaterstanden. Het teveel aan hemelwater zal in de beoogde situatie worden afgevoerd via de bestaande watergangen rondom het achterste deel van het plangebied. Daar waar ook de recreatieve voorzieningen gepland zijn.

Voor voorliggend initiatief hoeven dus geen aanvullende watercompenserende maatregelen genomen te worden.

Wateradvies
De watertoets voor dit plan heeft plaatsgevonden via de Digitale Watertoets van waterschap Rivierenland. Uit de gegevens die zijn ingevoerd volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan waarvoor de gangbare watertoetsprocedure gevolgd moet worden. Dit betekent dat er nader overleg plaats moet vinden met Waterschap Rivierenland, zie ook bijlage 2.

Conclusie
Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.9 Ecologie

4.9.1 Regelgeving

In 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen).

Soortenbescherming
Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien moet voor de start van die werkzaamheden ontheffing worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan moet duidelijk zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen.

Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen.

  • 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn.
  • 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien:
    • a. er geen andere bevredigende oplossing is, en
    • b. geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en
    • c. sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen:
      • de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of
      • de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.
  • 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien:
    • a. er geen andere bevredigende oplossing is, en
    • b. indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort.

Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden.

De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In Wijchen is de provincie Gelderland het bevoegd gezag voor de Wnb.

Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven).

Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook moet gelet worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren.

Gebiedsbescherming
De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een 'habitattoets' moet worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets moeten worden beoordeeld door het bevoegd gezag.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN.

4.9.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Soortenbescherming
De nieuwe recreatiewoningen komen op het grasveld achter de schuur (behorende bij de woning) waarin de bed & breakfast al gevestigd is. Het grasveld is onderdeel van de tuin achter de woning.

Op navolgende afbeelding is de westzijde van het grasveld te zien waar de 3 recreatiewoningen voorzien zijn. Achter het lage hekwerk is het perceel van de buren zichtbaar, met daarop de bestaande beplanting.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAABovendijk65-BOH1_0019.png"

Op navolgende afbeelding is de oostzijde van het grasveld te zien waar de nieuwe trekkershut voorzien is. Ook hier is duidelijk de tuinachtige inrichting terug te zien in de vorm van een grasveld zonder natuurwaarden. Achter het grasveld is het perceel van de buren zichtbaar, met daarop de bestaande beplanting.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAABovendijk65-BOH1_0020.png"

Er is geen sprake van ecologische waarden op het grasveld waar de recreatiewoningen en de trekkershut voorzien zijn. Desondanks is op verzoek van de gemeente een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 3 bij de toelichting gevoegd.

Het plangebied heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Het plangebied en de directe omgeving zijn mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli).

In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.

Gebiedsbescherming
Het plangebied is niet gelegen binnen een gebied dat is aangewezen in het kader van de Wet natuurbescherming. Het dichtstbijzijnde deel van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) ligt op circa 600 m ten oosten van het plangebied. Het GNN kent geen externe werking. Daarom is een verdere toetsing aan het provinciale NNN-beleid niet aan de orde.

afbeelding "i_NL.IMRO.0668.MAABovendijk65-BOH1_0021.png"

Om significant negatieve effecten op nabij gelegen Natura 2000-gebieden uit te sluiten is er een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 4 bij de toelichting gevoegd. Uit de berekeningen blijkt dat in zowel de aanleg- als de gebruiksfase de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/j.

Daarnaast blijkt uit de berekeningen dat in zowel de aanleg- als de gebruiksfase de stikstofdepositie ter plekke van de eigen rekenpunten (alle door het wijzigingsbesluit toegevoegde hexagonen met een (naderende) overschrijding van de KDW) niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is dus geen sprake van een vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming.

Omdat de recreatieve voorzieningen in het plangebied niet voorzien zijn van een gasaansluiting en deze onderkomens zodoende elektrisch worden verwarmd, vindt er op dit punt ook geen extra stikstofuitstoot plaats.

Conclusie

Uitvoerbaarheid
De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden moet rekening worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

Te treffen maatregelen

  • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht).
  • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, moet direct contact opgenomen worden met een ter zake deskundige.
  • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig het plangebied te verlaten.
  • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
  • Het plangebied tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
  • De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen moet voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd worden of er broedvogels aanwezig zijn.
  • Indien de ooievaarspaal door de ooievaar in diens broedseizoen wordt gebruikt (globaal april t/m september) dienen verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. Onder verstorende werkzaamheden worden werkzaamheden die bijvoorbeeld harde knalgeluiden produceren of hevige trillingen veroorzaken. Voor de ooievaar geldt een algemeen geaccepteerde verstoringsafstand van 60 m.

Het aspect 'ecologie' vormt, met inachtneming van de te treffen maatregelen, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.10 Archeologie & cultuurhistorie

4.10.1 Regelgeving

In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting van een ruimtelijk plan ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging is de huidige Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. De bedoeling is dat in de Erfgoedwet een betere integratie met verschillende soorten erfgoed komt. Daarnaast worden de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker.

4.10.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Archeologie
De gronden binnen het plangebied zijn voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' en de aanduidingen 'specifieke vorm van waarde - waarde archeologie 1 en 2'.

Hiervoor geldt dat ter plaatse van de aanduiding:

  • 'specifieke vorm van waarde - waarde archeologie 1' bodemingrepen groter dan 100 m² en dieper dan 40 cm;
  • 'specifieke vorm van waarde - waarde archeologie 2' bodemingrepen groter dan 500 m² en dieper dan 40 cm.

alleen zijn toegestaan indien een omgevingsvergunning van burgermeester en wethouders voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden en /of een omgevingsvergunning voor het bouwen is verkregen.

Aangezien de oppervlakte van alle nieuwe recreatieve voorzieningen samen 156 m² bedraagt en deze voorzieningen voorzien zijn in het noordelijke deel van het plangebied (in het gebied waar de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - waarde archeologie 2' geldt), wordt de oppervlaktegrens van 500 m² niet overschreden. Een nader archeologisch onderzoek is daarmee niet noodzakelijk.

Dit nog los van het feit dat zowel het glazen huis als het boomhuis op palen geplaatst zullen worden en dus alleen op die locaties de bodem geroerd zal worden. Ook de trekkershut wordt los op de grond geplaatst.

Cultuurhistorie
Het woonhuis in het plangebied is gebouwd in 1860 en kent daarmee een lange historie. Het karakteristieke gebouw is echter niet aangewezen als monument en ter plaatse van het woonhuis vinden geen ontwikkelingen plaats.

In het plangebied zijn verder geen specifieke cultuurhistorische waarden aanwezig.

De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.11 Molenbiotoop

4.11.1 Regelgeving

Even ten zuidwesten van het plangebied is de naamloze molen van Maasbommel gelegen aan de Bovendijk 4a, in 2011 herbouwd als stellingmolen met een stellinghoogte van 3,8 m (bron: www.molens.nl). Dit betekent dat de wieken komen tot 3,8 + 0,25 m (= de wieken komen nooit helemaal op de grond) = 4,05 m boven het maaiveld ter plaatse van de molen.

In de Omgevingsverordening Gelderland is opgenomen dat in bestemmingsplannen die betrekking hebben op gronden gelegen binnen een molenbiotoop geen nieuwe bebouwing danwel beplanting is toegestaan, tenzij in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat het functioneren van de molen door middel van windvang niet wordt beperkt (zie subparagraaf 3.2.2).

Hierbij is het begrip 'molenbiotoop' gedefinieerd als 'de omgeving van een molen gelegen binnen een straal van 400 m, gerekend vanaf het middelpunt van de molen'.

De provincie Gelderland heeft in 2009 een onderzoek laten uitvoeren naar biotopen van molens in Gelderland, de “Molenbiotoopinventarisatie Gelderland 2009”, waarin ook de biotoop van 'de molen van Maasbommel' is onderzocht en hieruit blijkt dat de molenbiotoop op dit moment als 'goed' is aan te merken.

De bouwregels met betrekking tot de maximum toegestane bouwhoogte van bouwwerken zijn:

  • binnen een afstand van 100 m van de molen mag de bouwhoogte niet hoger zijn dan de hoogte van de onderste punt van de verticaal staande molenwiek, of;
  • op een afstand groter dan 100 m van de molen mag de bouwhoogte niet hoger zijn dan 1/50 van de afstand tussen het bouwwerk plus de hoogte van de onderste punt van de verticaal staande molenwiek.

De maximum bouwhoogte wordt gerelateerd aan de begane grond van de molen. Voor zover ter plaatse van een op te richten bouwwerk het maaiveld hoger respectievelijk lager is gelegen, dient de afstand van het maaiveld tot het onderste punt van de verticaal staande wiek in de maximum bouwhoogte te worden verdisconteerd. Het maaiveld ter plaatse van de molen ligt op 9,8 m +NAP.

4.11.2 Onderzoek

De recreatiewoning die het dichtst bij de molen is voorzien, bevindt zich op 240 m vanaf het middelpunt van de molen. Dit betekent op basis van voorgaande formule dat de maximum bouwhoogte 2,8 m (= regel 1/50) + 4,05 m (=stellinghoogte) = 2,8 + 4,05 = 6,85 m bedraagt.

Het maaiveld ter hoogte van de nieuwe recreatiewoningen ligt bovendien op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) op circa 6,0 m +NAP en loopt verder af tot 5,6 m +NAP aan de uiterste noordzijde van het plangebied. Dit betekent dat het maaiveld ter hoogte van de nieuwe recreatiewoningen circa 9,8 - 6,0 = 3,8 m lager ligt, dan de locatie waar de belt van de molen zich bevindt. Per saldo bedraagt de maximum toegestane bouwhoogte ter plaatse van de nieuwe woningen daarmee 6,85 + 3,8 = 10,65 m.

Omdat de bouwhoogte voor de nieuwe recreatiewoningen, inclusief onderbouw (=palen), 9,0 m bedraagt, ligt de maximum bouwhoogte van de nieuwe recreatiewoningen ruimschoots onder de hoogte die is toegestaan op basis van de formule.

4.11.3 Conclusie

Het aspect 'molenbiotoop' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.12 Leidingen

4.12.1 Regelgeving

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen moeten worden gewaarborgd. Tevens moet rond dergelijke leidingen rekening worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgastransportleiding met een diameter groter of gelijk aan 18”;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”.

4.12.2 Doorvertaling bestemmingsplan

In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, aardgas, brandstof en/of hoogspanningsverbindingen gelegen, die in het kader van het bestemmingsplan op de verbeelding met bijbehorende bebouwingsvrije zones moeten worden opgenomen.

4.13 Vormvrije MER-beoordeling

4.13.1 Regelgeving

Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'.

De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die beneden de drempelwaarden vallen uit de D-lijst, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

  • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
  • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.

4.13.2 Doorvertaling bestemmingsplan

In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen' (activiteit D10). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of een aangesloten gebied van 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Omdat de beoogde ontwikkeling beperkt blijft tot het toevoegen van 3 recreatiewoningen, 1 trekkershut en 4 extra slaapplekken in een al bestaande bed & breakfast, is er geen m.e.r.-beoordeling conform het Besluit m.e.r. noodzakelijk. Gelet hierop, wordt geconcludeerd dat de drempelwaarden niet worden overschreden, waardoor in onderhavig plan kan worden volstaan met het uitvoeren van een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. De in dit hoofdstuk beschreven onderzoeksresultaten voldoen niet alleen aan de onderzoeksverplichting van het Besluit ruimtelijke ordening, maar kunnen ook worden opgevat als de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Daarbij wordt geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd moeten worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en andere bestemmingsplannen van de gemeente Beuningen. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningsvrije bouwwerken opgenomen.

5.1.1 Inleidende regels

Begrippen 
In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

Wijze van meten 
Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

5.1.2 Bestemmingsregels

Bestemmingsomschrijving 
Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijven, wonen, centrum etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies.

Bouwregels 
In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding.

Nadere eisen
In deze bepaling worden de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen benoemt, voor specifieke eisen die aansluiten bij de in het bestemmingsplan al gestelde regels.

Afwijken van de bouwregels
In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels.

Afwijken van de gebruiksregels 
In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels.

Wijzigingsbevoegdheid
Bevat voorwaarden waaronder het college van Burgemeester en Wethouders medewerking kunnen verlenen aan wijzigingen.

5.1.3 Algemene regels

Anti-dubbeltelregel 
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels 
Deze bepaling bevat algemene bouwregels omtrent herbouw, ondergeschikte bouwdelen, bestaande maten en vrijwaringszone A-watergang.

Algemene gebruiksregels
De bepaling bevat een algemeen gebruiksverbod en uitzondering op het verbod.

Algemene afwijkingsregels
Deze bepaling bevat algemene afwijkingsregels voor het oprichten van bouwwerken voor algemeen nut.

Overige regels
Deze bepaling bevat een regeling omtrent parkeren.

5.1.4 Overgangs- en slotregels

Overgangsregels 
Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet.

Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

5.2 Bestemmingen

Het bestemmingsplan kent één bestemmingen en één dubbelbestemming:

Artikel 3 Recreatie
De voor ‘Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor dag- en verblijfsrecreatie. Specifiek voor het plangebied is in bijlage 1 bij de regels aangegeven welke recreatieve voorzieningen ter plaatse zijn toegestaan.

Artikel 4 Wonen
De gronden die bestemd zijn als ‘Wonen’ zijn bedoeld voor wonen in vrijstaande woningen. Indien in een bestemmingsvlak bouwvlakken zijn aangeduid zijn hoofdgebouwen uitsluitend ter plaatse van de bouwvlakken toegestaan. Voor de bebouwingsmogelijkheden binnen deze bestemming wordt een onderscheid gemaakt in het hoofdgebouw van de woning, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Artikel 5 Waarde - Archeologie
De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' is opgenomen ter bescherming van de verwachtte en reeds vastgestelde archeologische waarden. Op grond van deze dubbelbestemming geldt bij bepaalde bodemingrepen een vergunningenstelsel voor het bouwen en voor uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

Artikel 6 Waterstaat - Waterkering
De gronden die bestemd zijn als 'Waterstaat - Waterkering' zijn bedoeld voor het in stand houden, het beheer en de verbetering van de waterkering, alsmede voor bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals kunstwerken, dijksloten en andere waterstaatswerken.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Alle kosten die gemaakt moeten worden voor het opstellen van een bestemmingplan zijn voor rekening van de initiatiefnemers. Hiervoor is een overeenkomst afgesloten, waarin ook de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade is geregeld. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente afdoende geregeld.

6.2 Overleg

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staat dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

In het kader van het vooroverleg zal het plan voorgelegd worden aan de relevante vooroverlegpartners. Te zijner tijd zullen ingediende vooroverlegreacties hier of in een separate nota vooroverleg van een gemeentelijke reactie worden voorzien.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Inspraak
In het kader van de beoogde ontwikkeling heeft de initiatiefnemer op 6 juni 2022 met de direct aanwonenden gesproken op nr. 63. Ze hebben de plannen doorgenomen en zij hebben aangegeven geen bezwaren of opmerkingen te hebben. De plaatsing van de accommodaties is akkoord.

Ook zijn op 6 juni 2022 de plannen besproken met de bewoners van nr. 67. Ook zij hebben aangegeven geen bezwaren te hebben tegen de voorgenomen plannen.

Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf donderdag 23 februari 2023 tot en met woensdag 5 april 2023 (gedurende zes weken) ter visie gelegen.

Er is in deze periode één zienswijze ingediend. De zienswijze is in de 'Nota beantwoording zienswijzen' (zie bijlage 5) van een gemeentelijke reactie voorzien.

De zienswijze heeft geen aanleiding gegeven het plan niet vast te stellen of gewijzigd vast te stellen.