| Plan: | Landgoed De Acht Morgen e.o. |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0668.BPLandgoedDAM-BOH1 |
De gemeente West Maas en Waal heeft de ambitie om De Gouden Ham verder te ontwikkelen als toeristisch-recreatieve hotspot. Thans bestaat het voornemen om een grootschalige dag- en verblijfsrecreatieve voorziening in het zogenaamde 'entreegebied' te realiseren. Het initiatief betreft in hoofdzaak het aanbieden van activiteiten en overnachtingsmogelijkheden voor grote(re) groepen. De accommodaties worden echter zodanig vormgegeven dat kleine(re) groepen, gezinnen en individuen er - afhankelijk van de vraag - ook gebruik van kunnen maken. Onderdeel van het plan is het realiseren van een voorzieningencluster (met onder meer een zwembad, indoor-entertainment, een congrescentrum en horeca) en een multifunctioneel terrein waar outdoor evenementen georganiseerd kunnen worden. Het recreatiegebied biedt tevens ruimte voor ondersteunende voorzieningen zoals wellness, activiteitgebonden horeca en ondersteunende detailhandel. Het park kan gebruikt worden door degenen die verblijven op het terrein, recreanten uit de omgeving en inwoners van het land van Maas en Waal.
Het beoogde initiatief is niet mogelijk op grond van het thans vigerende bestemmingsplan 'Gouden Ham/De Schans, randzone'. Om de gewenste ontwikkelingen juridisch-planologisch mogelijk te maken dient een nieuw bestemmingsplan te worden opgesteld.
Voorgeschiedenis
Het voornemen om een grootschalige dag- en verblijfsrecreatieve voorziening in het zogenaamde entreegebied te realiseren bestaat al enkele jaren. Zodoende is in mei 2015 het voorontwerpbestemmingsplan 'Buitengebied, Gouden Kans Appeltern' (IDN: NL.IMRO.0668.BUIGoudKansApp-BV01) in procedure gebracht. Op het voorontwerpbestemmingsplan zijn destijds diverse inspraak- en overlegreacties binnengekomen. Deze zijn samengevat en beantwoord in de notitie 'Inspraak- en vooroverleg verslag "Buitengebied, Gouden Kans Appeltern"' (zie ook paragraaf 6.2.2).
Na de terinzagelegging van het voorontwerpbestemmingsplan zijn de plannen verder uitgekristalliseerd en op verschillende onderdelen aangepast, is het programma opnieuw vastgesteld en heeft waar nodig aanvullend onderzoek plaatsgevonden. Dit heeft uiteindelijk meer tijd gekost dan aanvankelijk werd gedacht. Mede als gevolg hiervan heeft de gemeenteraad op 7 december 2017 een voorbereidingsbesluit genomen. Een voorbereidingsbesluit is een verklaring van de gemeenteraad dat een bestemmingsplan voor het betreffende gebied wordt voorbereid.
Een voorbereidingsbesluit geldt in principe voor één jaar. Binnen deze termijn moet een ontwerpbestemmingsplan in procedure worden gebracht. Met het voorliggende ontwerpbestemmingsplan wordt hier invulling aan gegeven.
Het plangebied is ten noordwesten van de kern Appeltern gelegen, direct grenzend aan de Dijkgraaf de Leeuwweg en ten noordoosten van het recreatiegebied De Gouden Ham. Onderstaande afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.
Afbeelding 1.1.: globale ligging en begrenzing plangebied
Voor de in dit bestemmingsplan begrepen gronden vigeren momenteel de volgende bestemmingsplannen:
Ter plaatse van het voorliggende plangebied gelden – tot het voorliggende bestemmingsplan in werking is getreden - de bestemmingen 'Agrarisch - Oeverwal', 'Agrarisch - Komgebied', 'Bos', 'Natuur' en 'Water - A-watergang'. Daarnaast zijn de gronden binnen het plangebied voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Om de gewenste dag- en verblijfsrecreatieve ontwikkelingen in het plangebied mogelijk te maken is het noodzakelijk een nieuw bestemmingsplan vast te stellen.
Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in vier delen.
Inleiding en beschrijving plangebied
In hoofdstuk 1 zijn de aanleidingen en het kader voor de planherziening beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied.
Verantwoording
Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet.
Juridische planbeschrijving
In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd.
Uitvoerbaarheid
Het laatste deel (hoofdstuk 6) gaat in op de financieel-economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
Omgeving plangebied
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente West Maas en Waal, die haar naam ontleent aan de twee rivieren Maas en Waal. Deze rivieren hebben het ruimtelijke karakter en de geschiedenis van het gemeentelijke grondgebied in verregaande mate bepaald. De beide rivieren, samen met de uiterwaarden en de dijken, de bebouwing en het landschap erom heen, vormen de grootste aantrekkingskracht van de gemeente voor recreanten en bezoekers van buiten.
Het plangebied is direct ten noordoosten van het recreatie- en watersportgebied ‘De Gouden Ham' gelegen, een waterplas met enkele schiereilanden (het Hanzeland, het Groene Eiland, de Maaslanden en het Langeland). De oevers van de Gouden Ham zijn in de huidige situatie vrijwel geheel in gebruik voor recreatieve doeleinden. In het gebied zijn diverse horecagelegenheden, dag- en verblijfsrecreatieve functies aanwezig. Ten oosten van het voorliggende plangebied zijn de Tuinen van Appeltern gevestigd. Aan de oostzijde van de Gouden ham ligt het natuurgebied 'de Moringerwaard'. De zone tussen het plangebied en De Gouden Ham bestaat in de huidige situatie hoofdzakelijk uit bos en rabatten. De afstand tot de Maas bedraagt circa 700 meter.
Afbeelding 2.1.: positionering van het plangebied in de omgeving
Plangebied
Landschappelijk gezien is het plangebied letterlijk op de overgang van de meer besloten en kleinschalige oeverwal naar de open grootschalige komgebieden gelegen. Het zuidelijke deel van het plangebied heeft een gevarieerd karakter en bestaat momenteel uit (productie)bos, houtwallen/singels, lanen, vijvers, akkers en graslanden. Het noordelijke deel van het plangebied wordt gekenmerkt door grootschalige openheid en heeft door de grote kavelmaat en aanwezige weteringen een overzichtelijk en herkenbaar karakter. Het grootste deel van het plangebied wordt momenteel agrarisch gebruikt. Het gaat om weilanden, maïsteelt en andere vormen van akkerbouw.
Aan de zuidzijde van het plangebied is een grote waterplas gelegen, in de volksmond ook wel bekend als 'de Put'. Deze waterplas is in de jaren vijftig gegraven om klei te winnen, maar heeft thans geen functie meer. In het plangebied zijn daarnaast diverse A-watergangen gelegen.
Afbeelding 2.2.: bestaande situatie plangebied; zicht op het (productie)bos vanaf de Dijkgraaf de Leeuwweg.
Dijkgraaf de Leeuwweg 58
Op het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 58 - aan de westzijde van het plangebied - is momenteel een pluimveebedrijf gevestigd. De eigenaar van het bedrijf is met de gemeente West Maas en Maal overeengekomen dat de bedrijfsactiviteiten op termijn worden beëindigd. Het pluimveebedrijf is in de huidige situatie nauwelijks zichtbaar door de aanwezigheid van een robuuste houtsingel, die het gehele perceel omzoomd.
Dijkgraaf de Leeuwweg 59
Op het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 59 - aan de oostzijde van het plangebied - is momenteel een melkveebedrijf gevestigd. Het betreffende bedrijf ligt vrij in het open landschap.
Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een tweetal initiatieven mogelijk. Enerzijds betreft dit de ontwikkeling van Landgoed De Acht Morgen; een combinatie van dagrecreatieve voorzieningen en verblijfsrecreatieve onderkomens. Anderzijds faciliteert het voorliggende bestemmingsplan de herontwikkeling van het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 58. Het ter plaatse aanwezige pluimveebedrijf wordt beëindigd, waardoor ruimte ontstaat voor nieuwe (recreatieve) functies. Om de voornoemde ontwikkelingen te faciliteren wordt het bestaande melkveebedrijf aan de Dijkgraaf de Leeuwweg 59 voorzien van een maatwerkbestemming.
Gelet op het voorgaande valt het plangebied uiteen in drie deelgebieden (zie afbeelding 2.3):
Afbeelding 2.3.: deelgebieden
De ontwikkelingen in het zuidelijke deel van het plangebied sluiten aan bij de ambitie om (de omgeving van) De Gouden Ham verder te ontwikkelen als recreatieve hotspot in de omgeving. Om dit te realiseren is recentelijk het visiedocument 'Visie en toetsingskader Gouden Ham / De Schans' opgesteld, dat als leidraad voor toekomstige ontwikkelingen dient. Op basis van dit ontwikkelingskader is het plangebied gelegen binnen het zogenaamde 'entreegebied'. De gemeente wenst het entreegebied van De Gouden Ham te accentueren en ziet hier mogelijkheden voor (grootschalige) recreatieve ontwikkelingen die passend zijn bij de aanwezige ruimtelijke maat en grootschaligheid. Het voorliggende initiatief geeft hier concreet invulling aan en kan bovendien als schakel fungeren tussen de bestaande recreatieve voorzieningen rondom De Gouden Ham (ten westen van het plangebied) en de Tuinen van Appeltern (ten oosten van het plangebied).
Landgoed De Acht Morgen
De ontwikkeling van Landgoed De Acht Morgen betreft de realisatie van een groot aantal verblijfsrecreatieve eenheden, gecombineerd met de ontwikkeling van dagrecreatieve voorzieningen; een totaalconcept. De basis van de ontwikkeling is gelegen in de realisatie van groepsaccommodaties - waaraan thans een grote behoefte bestaat - eventueel aangevuld met de realisatie van bungalows, een camping en/of hotel. Het totale aantal overnachtingsplaatsen mag ten hoogste 1.250 bedragen, waarbij het aantal overnachtingsplaatsen in de vorm van een hotel niet meer dan 250 mag bedragen. De verblijfsrecreatieve onderkomens zijn primair gericht op het huisvesten van grotere groepen. De accommodaties worden echter zo ingericht dat ook kleinere groepen, gezinnen en individuen er - afhankelijk van de vraag - gebruik van kunnen maken.
De verblijfsrecreatieve eenheden vormen de basis voor de ontwikkeling van Landgoed De Acht Morgen. Parallel daaraan worden diverse dagrecreatieve voorzieningen ontwikkeld, waaronder een wellnesscentrum, zwembad/zwemparadijs, indoor speelpark, theater/concerthal en congrescentrum. Het exacte programma is thans nog onvoldoende uitgekristalliseerd en is bovendien sterk afhankelijk van de marktvraag. Het voorliggende bestemmingsplan biedt dan ook voldoende ruimte om in te spelen op de snel veranderende consumentenvraag, zodat de recreant optimaal bediend kan worden.
Ondersteunend aan de voorgenoemde functies biedt het bestemmingsplan ruimte voor de realisatie van zelfstandige en activiteitgebonden horecagelegenheden, maximaal twee bedrijfswoningen, bedrijfsgebonden kantoren en een parkwinkel. Dit laatste betreft een kleinschalige vorm van detailhandel ten dienste van de aanwezige recreatieve voorzieningen.
Tot slot is er binnen het plangebied ruimte gereserveerd voor de aanleg van een evenemententerrein ten behoeve van outdoor-evenementen, zoals een muziekfestival, braderie en/of concert.
Het volledige programma voor Landgoed De Acht Morgen is samengevat in onderstaande tabel:
| Functie |
Maximum oppervlakte / maximum aantal eenheden |
|
| Verblijfsrecreatie | Per functie | Totaal |
| Groepsaccommodaties/huisjes/camping | 1.250 overnachtingsplaatsen | 1.250 overnachtingsplaatsen |
| Hotel | 250 overnachtingsplaatsen | |
| Leisure | Per functie | Totaal |
| Wellnesscentrum | 1.000 m2 | 10.000 m2 |
| Zwembad/zwemparadijs | 1.500 m2 | |
| Indoor speelpark | 7.000 m2 | |
| Theater/concerthal | 1.500 m2 | |
| Congrescentrum | 3.000 m2 | |
| Horeca | Per functie | Totaal |
| Zelfstandige horeca | 625 m2 | 625 m2 |
| Activiteitgebonden horeca | Niet beperkt | Niet beperkt |
| Aanverwante functies | Per functie | Totaal |
| Bedrijfsgebonden kantoren (niet zelfstandig) | 500 m2 | 500 m2 |
| Bedrijfswoningen | 2 woningen | 2 woningen |
| Parkwinkel | 250 m2 | 250 m2 |
| Evenementen | Per functie | Totaal |
| (Outdoor) evenementen | 5.500 m2 / max. 12 evenementdagen | 5.500 m2 / max. 12 evenementdagen |
Dijkgraaf de Leeuwweg 58
Om de ontwikkeling van Landgoed De Acht Morgen mogelijk te maken worden de bedrijfsactiviteiten van het pluimveebedrijf aan de Dijkgraaf de Leeuwweg 58 beëindigd, met name vanwege de geurhinder die het bedrijf veroorzaakt. Om de betreffende ondernemer een toekomstperspectief te bieden, is het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 58 voorzien van een flexibele bestemming, waarbinnen diverse functies mogelijk zijn. Het gaat daarbij om kleinschalige, niet-agrarische functies, die passend worden geacht in het buitengebied van de gemeente West Maas en Waal.
Het voorliggende bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om onderstaande functies uit te oefenen op het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 58:
| Functie |
Maximum oppervlakte / maximum aantal eenheden |
| Verblijfsrecreatie | |
| Groepsaccommodaties/chalets/ camping |
220 overnachtingsplaatsen |
| Bed & Breakfast | 8 kamers (16 overnachtingsplaatsen) |
| Bedrijven | |
| Ambachtelijke bedrijven in milieucategorie 1 en 2 | 1.000 m2, maximaal 10 bedrijven |
| Leisure | |
| Indoor speelpark | 1.000 m2 |
| Horeca | |
| Zelfstandige horeca | 50 m2 |
| Aanverwante functies | |
| Stalling van caravans en boten | Niet beperkt |
| Bedrijfswoningen | 2 woningen (bestaand) |
| Nevenactiviteiten | |
| Kinderopvang | Als nevenactiviteit bij en ondergeschikt aan bovengenoemde hoofdfuncties. |
| Kinderboerderij en/of het hobbymatig houden van dieren | Als nevenactiviteit bij en ondergeschikt aan bovengenoemde hoofdfuncties. |
Dijkgraaf de Leeuwweg 59
Met het oog op de ontwikkeling van Landgoed De Acht Morgen is het bestaande melkveebedrijf met rundvee aan de Dijkgraaf de Leeuwweg 59 voorzien van een maatwerkbestemming. De thans vigerende bestemming is in beginsel één-op-één overgenomen, met dien verstande dat uitsluitend het bestaande grondgebonden agrarische bedrijf - een melkveebedrijf met rundvee - wordt toegestaan. Dat betekent dat de betreffende ondernemer de huidige bedrijfsactiviteiten kan voortzetten en uitbreiden. Middels een afwijking kunnen ook andere vormen van grondgebonden agrarische bedrijvigheid (waaronder ook een melkveebedrijf met andere diersoorten) en niet-grondgebonden agrarische bedrijvigheid worden toegestaan, mits is aangetoond dat de omliggende functies en waarden hierdoor niet onevenredig geschaad worden.
Landgoed De Acht Morgen
De toekomstige ruimtelijke hoofdstructuur van Landgoed De Acht Morgen wordt hoofdzakelijk bepaald door de reeds aanwezige landschapselementen, waaronder de waterplas 'De Put', de aanwezige A-watergang en het bestaande hakhoutbosje. Deze elementen zijn kenmerkend voor het plangebied en vormen dan ook het vertrekpunt voor de toekomstige ontwikkeling van het gebied.
Het voorliggende bestemmingsplan maakt het ontwikkelen van een nieuw recreatiegebied mogelijk, dat enerzijds bestaat uit de ontwikkeling van verblijfsrecreatieve onderkomens en anderzijds uit de ontwikkeling van diverse dagrecreatieve voorzieningen. De voorliggende ontwikkeling is nog niet volledig uitgekristalliseerd, waardoor het voorliggende bestemmingsplan de nodige schuifruimte c.q. flexibiliteit biedt. Omdat de exacte situering van de bebouwing nog niet bekend is, zijn ruime bouwmogelijkheden opgenomen. Door deze opzet wordt de gewenste flexibiliteit gedurende het ontwikkelingstraject gecreëerd. Concreet houdt dit in dat de verblijfsrecreatieve onderkomens overal binnen het bouwvlak gesitueerd kunnen worden, een en ander met inachtname van het maximum bebouwingspercentage. De dagrecreatieve voorzieningen - waaronder het zwembad, indoor speelpark, congrescentrum, theater/concerthal en het wellnesscentrum - worden geclusterd aan de noordoostzijde van het recreatieterrein en oriënteren zich primair op de Dijkgraaf de Leeuwweg. Het evenemententerrein is aan de zuidoostzijde van het plangebied gesitueerd. Een en ander is in afbeelding 2.4 gevisualiseerd.
Het bestaande hakhoutbosje en de bosschages rondom 'De Put' worden in de toekomstige situatie behouden en waar mogelijk versterkt. Ook wordt het recreatieterrein landschappelijk ingepast (zie subparagraaf 2.2.4).
Afbeelding 2.4. visualisatie van de ontwikkeling op hoofdlijnen.
Dijkgraaf de Leeuwweg 58
Uitgangspunt voor de herontwikkeling van het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 58 is het behoud van de reeds aanwezige agrarische bebouwing. Dat betekent dat de bestaande schuren een nieuwe functie krijgen. De bouwmogelijkheden voor de reeds vergunde vierde schuur - die thans nog niet gebouwd is - worden gecontinueerd. Het bebouwingspercentage van het bouwvlak is hier op afgestemd.
Omdat het perceel wordt omzoomd door een robuuste (te handhaven) houtsingel biedt het bestemmingsplan veel vrijheid. Derhalve is het perceel voorzien van een ruim bouwvlak, dat voor ten hoogste 30% bebouwd mag worden. Daarmee wordt de mogelijkheid geboden om de bestaande agrarische bebouwing op termijn te amoveren en te vervangen door nieuwbouw. Door het robuuste landschappelijke raamwerk is de positionering van eventuele nieuwbouw van ondergeschikt belang. Dat geldt ook voor de architectonische uitwerking van eventuele nieuwbouw. Door de aanwezige houtsingel is de bebouwing nauwelijks zichtbaar vanuit het omliggende landschap.
Dijkgraaf de Leeuwweg 59
De ruimtelijke structuur van het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 59 blijft ongewijzigd ten opzichte van de bestaande situatie.
Ten behoeve van de ontwikkeling van Landgoed De Acht Morgen en de herontwikkeling van het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 58 is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, dat als bijlage 2 bij de regels is opgenomen.
Landgoed De Acht Morgen
Voor de landschappelijke inpassing van Landgoed De Acht Morgen is aansluiting gezocht bij het Landschapontwikkelingsplan (LOP) van de gemeente West Maas en Waal. Op basis van het LOP is het wenselijk het bestaande hakhoutbos te behouden. Met de voorliggende ontwikkeling wordt hier invulling aan gegeven. Het bestaande hakhoutbos wordt gehandhaafd en verder versterkt met de aanplant van gebiedseigen soorten. Dit is niet alleen een wens vanuit het LOP, maar tevens noodzakelijk vanwege de aanwezigheid van een dassenburcht in het bosje. Ook de bestaande poelen, bosschages en solitaire bomen direct ten (zuid)oosten van het hakhoutbos worden in de toekomstige situatie behouden. In aanvulling daarop worden er enkele fruitbomen aangeplant ten behoeve van de das. Daarnaast wordt ten westen van het hakhoutbos een strook van circa 25 meter breed ingericht als foerageergebied voor de das. Dit foerageergebied, inclusief het hakhoutbos en de bosschages ten oosten daarvan, worden omzoomd door een nieuw aan te leggen houtwal (inclusief grondwal). Hierdoor ontstaat een robuuste groene afscherming tussen de aanwezige natuurwaarden in en rond het hakhoutbos en het omliggende recreatiegebied.
In het LOP wordt de ambitie uitgesproken om nieuwe houtwallen/-singels of bomenrijen aan te leggen c.q. te herstellen, om het bestaande landschap te versterken. Het voorliggende initiatief anticipeert hierop door aan de oost-, zuid- en westzijde een gelaagde groen afscheiding aan te brengen. Door te kiezen voor een gelaagde opbouw - bestaande uit bomen met onderbegroeiing (in gebiedseigen soorten) - dient de groene afscheiding als een soort filter. Tussen de begroeiing door zal er in beperkte mate zicht zijn op de bebouwing daarachter.
De bestaande bosschages rondom 'De Put' worden in de toekomstige situatie gehandhaafd. Wel is het mogelijk om maximaal 2 onderbrekingen aan te brengen, zodat de beoogde recreatieverblijven in dit gebied bereikt kunnen worden. Direct ten oosten van 'De Put' is een langzaamverkeersroute voorzien (tevens calamiteitenroute), die begeleid zal worden door een knip- en scheerhaag (in gebiedseigen soort). De beoogde haag dient ten minste 1,5 meter uit de insteek van het talud te worden aangeplant, zodat de das zich langs deze haag in zuidelijke richting kan verplaatsen.
Aan de zuid- en westzijde van Landgoed De Acht Morgen is een bestaande A-watergang gelegen. Deze wordt in de toekomstige situatie voorzien van een natuurvriendelijke oever (inclusief beheerpad) met een minimale breedte van 10 meter. Deze oever dient - in combinatie met de gelaagde groene afscheiding - tevens als migratieroute voor de das. Om deze te kunnen bereiken worden er tussen de A-watergang en het hakhoutbos ten minste twee houtsingels aangelegd (noord-zuidgeoriënteerd, beide met een minimale breedte van 10 meter) die als migratieroute kunnen functioneren voor de das. In aanvulling daarop wordt tevens een migratieroute (houtsingel) aangelegd tussen het hakhoutbos en het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 58.
Een en ander is verbeeld in onderstaande afbeeldingen. In de regels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Dat betekent dat het bouwen en gebruik van de gronden afhankelijk is gesteld van de aanleg en instandhouding van de landschapselementen zoals beschreven in het landschappelijk inpassingsplan.
Dijkgraaf de Leeuwweg 58
Uitgangspunt voor het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 58 is het behoud van de bestaande houtsingel aan de oost-, zuid- en westzijde van het perceel, waardoor de bestaande en toekomstige bebouwing grotendeels aan het directe zicht wordt onttrokken. Aan de voorzijde van het perceel dient de bestaande groene erfinrichting gehandhaafd te worden.
Afbeelding 2.5: Visualisatie van de landschappelijke inpassing van Landgoed De Acht Morgen en het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 58. Een meer gedetailleerde versie van deze afbeelding is opgenomen in bijlage 2. Daarin zijn tevens de verschillende landschapselementen concreet beschreven.
Voor de ontwikkeling van Landgoed De Acht Morgen en het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 58 is gekozen voor een globaal bestemmingsplan, dat de nodige flexibiliteit bevat. Deze opzet maakt het mogelijk om de stedenbouwkundige en architectonische uitwerking in een later stadium verder uit te werken. Er ligt dan ook geen concreet bouwplan aan de voorliggende ontwikkeling ten grondslag. Om te kunnen sturen op de stedenbouwkundige en architectonische uitwerking is daarom een beeldkwaliteitplan opgesteld, dat als bijlage 20 bij de toelichting is opgenomen.
Het beeldkwaliteitplan geeft in woord en beeld de uitgangspunten voor de stedenbouwkundige uitwerking, de architectonische uitwerking van de bebouwing en (de overgang naar) het omliggende landschap. Het beeldkwaliteitplan en de daarin gegeven richtlijnen moeten niet als keurslijf worden gezien, maar dienen als aansporing en inspiratie voor de verschillende bij de planontwikkeling betrokken partijen. Het schept een kader voor de (stapsgewijze) ontwikkeling van het gebied, garandeert samenhang in het uiteindelijke beeld en vormt een aanzet tot het leveren van een op kwaliteit gerichte inspanning. Het beeldkwaliteitplan is vooral een communicatiemiddel, dat met behulp van beelden en tekst aangeeft wat de ‘doelstellingen’ zijn ten aanzien van de stedenbouwkundige en architectonische kwaliteit en samenhang en waar ruimte ligt voor eigen invullingen.
Landgoed De Acht Morgen
Het toekomstige recreatieterrein Landgoed De Acht Morgen wordt ontsloten via de Dijkgraaf de Leeuwweg. Het verkeer wordt via de Dijkgraaf de Leeuwweg ontsloten op de N329 (de Noord-Zuid) - ten westen van het plangebied - en verder.
Vanwege de bereikbaarheid voor hulpdiensten, is aan de zuidzijde van het plangebied een calamiteitenroute voorzien, die direct aantakt op de Noord-Zuid (N329). Deze ontsluitingsroute is niet toegankelijk voor bezoekers van het recreatiegebied en uitsluitend bestemd voor hulpdienst in geval van calamiteiten.
Parkeren is voorzien aan de noordzijde van het recreatieterrein, parallel aan de Dijkgraaf de Leeuwweg.
Dijkgraaf de Leeuwweg 58
Het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 58 wordt zowel in de huidige als toekomstige situatie ontsloten op de Dijkgraaf de Leeuwweg. De bestaande inritten zullen in de toekomstige situatie gehandhaafd worden. Parkeren wordt op eigen terrein opgelost.
Het Rijk heeft haar ruimtelijk beleid vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De leidende gedachte van het rijksbeleid is ruimte maken voor groei en beweging, waarbij het Rijk zich vooral concentreert op decentralisatie. De verantwoordelijkheid wordt verplaatst van Rijksniveau naar provinciaal en gemeentelijk niveau. In het SVIR en Barro worden dan ook geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot het voorliggende plangebied.
De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder wordt in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: "De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied."
Ontwikkeling
Voorliggend initiatief betreft een grootschalige ontwikkeling van dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen, aansluitend op de bestaande recreatieve structuur rondom De Gouden Ham. Met de ontwikkeling van Landgoed De Acht Morgen krijgt het bestaande recreatiegebied een nieuwe kwalitatieve impuls. De beoogde ontwikkeling omvat de realisatie van een groot aantal verblijfsrecreatieve eenheden, gecombineerd met de ontwikkeling van dagrecreatieve voorzieningen; een totaalconcept. De basis van de ontwikkeling is gelegen in de realisatie van groepsaccommodaties eventueel aangevuld met de realisatie van bungalows, een camping en/of hotel.
Op basis van het Bro en de huidige jurisprudentie is de voorliggende ontwikkeling - gelet op de aard en omvang - aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Derhalve is de ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing op het voorliggende plangebied. De ladder vereist een beschrijving van de actuele behoefte. Om de behoefte van de voorliggende ontwikkeling aan te kunnen tonen is door de STEC groep een ladderonderbouwing opgesteld. Deze is als bijlage 1 bij de toelichting opgenomen.
Marktregio
Om de actuele behoefte te kunnen bepalen dient allereerst de marktregio te worden bepaald. De marktregio van leisurevoorzieningen is veelal sterk afhankelijk van het specifieke concept. Afhankelijk van het uiteindelijke concept dat zich vestigt in het voorliggende plangebied kan een bepaald bezoekersaantal worden verwacht. Geconcludeerd kan worden dat de omvang, thematisering (en uniekheid hiervan), locatie en bereikbaarheid van het concept doorslaggevend zijn voor de te bereiken marktregio. Gelet op de omvang van de voorliggende ontwikkeling en het feit dat het concept relatief uniek is voor Nederland wordt er van uitgegaan dat de ontwikkeling een bovenregionale aantrekkingskracht heeft. Naar verwachting komt een groot deel van de vraag naar dit concept uit een gebied binnen een straal van hemelsbreed ongeveer 75 tot 100 kilometer (circa 1,5 - 2 uur rijden). Dit is de primaire marktregio, die een groot deel van Nederland beslaat. De secundaire marktregio is groter. Gezien de omvang van het project in combinatie met het stijgend aantal buitenlandse toeristen wordt een aanvullende vraag verwacht uit heel Nederland, maar ook daarbuiten. Het gaat daarbij om een combinatie van Duitse en Belgische toeristen, maar mogelijk ook van groepen uit bijvoorbeeld Azië.
Behoefte
De toeristische sector in Nederland groeit relatief hard. Dit blijkt niet alleen uit de trends en ontwikkelingen die banken signaleren, maar ook uit de aanhoudende sterke groei van toeristische bestedingen in Nederland. Er is sprake van een groeiende marktruimte voor sterke, onderscheidende leisureconcepten. Het gaat vooral om concepten met een hoogwaardige 'totaalbeleving' die blijven innoveren. Een hoogwaardige totaalbeleving wordt enerzijds bepaald door de omgeving waarin het bedrijf zich bevindt en anderzijds door de accommodaties en/of voorzieningen die het bedrijf aanbiedt. De hedendaagse consument heeft behoefte aan nieuw eigentijds aanbod, is veeleisend en vraagt om beleving en vernieuwing. Om in deze concurrerende markt staande te blijven is dan ook onderscheidend vermogen nodig. Voorbeelden van het creëren van onderscheidend vermogen is het vervagen van branchegrenzen (blurring) tussen bijvoorbeeld dag- en verblijfsrecreatie: een bed and breakfast die tevens dagrecreatieve voorzieningen aanbiedt en dagattracties waar je ook kunt overnachten. Thermen Bussloo en de Efteling zijn hier aansprekende voorbeelden van. Ook de initiatiefnemers achter Landgoed De Acht Morgen zetten in op een dergelijke combinatie van dag- en verblijfsrecreatie, waardoor een totaalbeleving tot stand komt.
In het rapport van de STEC groep wordt geconcludeerd dat er op basis van de groei van de toeristische secor, een beperkte groei in het aantal overnachtingen in groepsaccommodaties en een beperkt aanbod van groepsaccommodaties voor zeer grote groepen, een kwalitatieve behoefte is aan de voorliggende ontwikkeling.
De gasten van de groepsaccommodaties vormen een belangrijke basis voor de beoogde leisure- en horecaonderdelen van het concept. Er van uitgaande dat per gast grofweg 1 tot 1,25 activiteiten worden ondernomen binnen het leisureconcept en een evenredig aantal keer gebruik wordt gemaakt van de horeca binnen het concept, betekent dit circa 35.000 tot 75.000 leisurebestedingen en circa 35.000 tot 75.000 horecabestedingen vanuit gasten van de groepsaccommodatie. Aanvullend wordt er vraag verwacht vanuit de omliggende campings, hotels en andere verblijfsaccommodaties en van 'dagjesmensen'. Op basis van het STEC rapport wordt geconcludeerd dat het horecadeel in belangrijke mate samenhangt met de te realiseren groepsaccommodaties en dat het verdringingseffect naar verwachting (zeer) beperkt is.
Wat betreft leisure wordt geconcludeerd dat er in vrijwel alle branches sprake is van groei, onder meer door hogere consumentenbestedingen, een aantrekkende zakelijke vraag en meer toerisme. De sector is dynamisch: consumententrends veranderen snel en de levensduur van voorzieningen worden korter. Dat biedt doorlopend kansen voor de ontplooiing van nieuwe ontwikkelingen en initiatieven door nieuwe initiatiefnemers of door parallellisatie in andere branches. In het rapport van STEC is de behoefte aan verschillende leisurevoorzieningen verder uitgewerkt. Op basis van de uitgelichte onderdelen - die zijn toegespitst op Gelderland - en op basis van een sterke aanhoudende groei van toeristische bestedingen in Nederland in het algemeen wordt voldoende behoefte voorzien aan de beoogde 10.000 m2 aan indoor-leisure en wellness.
Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat de actuele behoefte aan verblijfsaccommodaties en leisurevoorzieningen in voldoende mate is aangetoond.
Motivering buiten bestaand stedelijk gebied
Naast het aantonen van de behoefte van de beoogde ontwikkeling vereist de ladder voor ontwikkeling die buiten het bestaand stedelijk gebied zijn gelegen tevens een motivering waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het voorliggende plangebied heeft op dit moment hoofdzakelijk een agrarische bestemming en sluit bovendien niet aan op bestaande stedelijke bebouwing. Het plangebied is daarmee buiten bestaand stedelijk gebied gelegen. Derhalve is een motivering waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte vereist. Deze motivering is drieledig:
ad 1) De voorliggende ontwikkeling beslaat meerdere hectaren en vormt één geheel, waardoor de afzonderlijke ontwikkelingen niet los van elkaar kunnen worden gezien. Omdat het een zeer omvangrijke ontwikkeling betreft met sterk met elkaar samenhangende componenten is een locatie binnen bestaand stedelijk gebied niet passend. Zelfs wanneer een locatie van de benodigde omvang zou bestaan binnen bestaand stedelijk gebied zou het bovendien met het oog op de te verwachten verkeersstromen niet wenselijk zijn deze ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren.
ad 2) Het beoogde concept sluit bovendien aan bij de natuurlijke en recreatieve omgeving van locatie De Acht Morgen. De beoogde ontwikkeling is mede afhankelijk van de strategische ligging nabij recreatiegebied De Gouden Ham. Het concept hangt bovendien sterk samen met de bestaande landschappelijke kwaliteiten die de beoogde locatie biedt, waaronder de aanwezigheid van de voormalige zandwinput. Dergelijke kwaliteiten zijn niet te vinden op een locatie binnen bestaand stedelijk gebied.
ad 3) Tot slot past de beoogde ontwikkeling op de voorliggende locatie goed binnen het regionale en gemeentelijk beleid op het gebied van recreatie (zie ook subparagraaf 3.2.4, 3.3.2 en 3.3.4). Zo benoemd de gemeente West Maas en Waal in het bijzonder kansen voor dag- en verblijfsrecreatie in het gebied rondom het recreatiegebied De Gouden Ham. Het ontwikkelen van het beoogde programma op een andere locatie - al dan niet binnen bestaand stedelijk gebied - ligt hierdoor zowel vanuit ruimtelijk als vanuit commercieel perspectief niet voor de hand.
Gelet op het voorgaande wordt de beoogde ontwikkeling van Landgoed De Acht Morgen op de thans voorliggende locatie passend geacht.
In het SVIR en Barro worden geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot het voorliggende plangebied. Er wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Op 14 januari 2014 stelde het college van Gedeputeerde Staten de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening vast. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid en in de Omgevingsverordening de regels. Provinciale Staten hebben de Omgevingsvisie in hun vergadering van 9 juli 2014 vastgesteld. De Omgevingsverordening is op 24 september 2014 vastgesteld. De Omgevingsvisie en -verordening zijn beide op 18 oktober 2014 in werking getreden.
De Omgevingsvisie en –verordening zijn dynamische instrumenten. Ze worden bijgesteld als ontwikkelingen daarom vragen. Voor 2018 is er een scala aan onderwerpen dat aanpassing behoeft. Deze onderwerpen zijn opgenomen in het actualisatieplan (versie 6, d.d. 13 december 2017) dat op 1 januari 2018 in werking is getreden.
De provincie kiest er in deze Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:
Het verbeteren van de economische structuur is een belangrijke opgave voor de Gelderse samenleving. Ter versterking van de kansen voor bedrijvigheid zet de provincie gericht stappen om ruimte te bieden aan initiatiefnemers en om hen te faciliteren. De provincie ondersteunt, faciliteert en handelt vanuit mogelijkheden en niet alleen vanuit kaders. Bouwprogramma's voor nieuwe woningen zijn daarbij in regionaal verband afgestemd. Waar mogelijk kan lokaal maatwerk worden geleverd.
De strategie van de provincie om de doelen van 'duurzame economische structuurversterking' en 'een gezonde en veilige leefomgeving' te bereiken wordt gevoed door het besef dat stad en land elkaar nodig hebben. De provincie gaat voor:
Als leidend principe hanteert de provincie de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik. Dit houdt in dat in bestemmingsplannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling moet worden aangegeven hoe met de ladder is omgegaan. Kortheidshalve wordt hiervoor verwezen naar subparagraaf 3.1.2. De provincie hanteert voor de bepaling van bestaand stedelijk gebied de definitie uit het Bro.
Vrijetijdseconomie
De provincie zet in de Omgevingsvisie in op het versterken van de vrijetijdseconomie, waarbij onder meer de volgende opgaven zijn geformuleerd:
De provincie wil enerzijds ruimte bieden aan kwaliteitsverbeteringen en innovatie van recreatiebedrijven. Tegelijkertijd bestaat de noodzaak om zorgvuldig om te gaan met de ruimte. Leegstand en verpaupering in de bestaande voorraad moeten worden voorkomen en een goede inpassing is nodig. De bijzondere natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden in Gelderland staan daarbij centraal.
De provincie wil door kwaliteitsverbetering van het toeristisch product haar landelijk marktaandeel vergroten. Voor een kwaliteitsverbetering is het vaak zaak om te investeren in innovatieve en duurzame concepten en daarnaast te investeren in compensatiemaatregelen. Om de kwaliteit van het toeristisch product te behouden en vergroten is bedrijfsmatige exploitatie een voorwaarde; de provincie werkt dan ook niet mee aan de bouw van solitaire recreatiewoningen. Permanente bewoning van recreatiewoningen en (sta)caravans is eveneens ongewenst en moet in het bestemmingsplan worden verboden. Daarnaast wil de provincie de huidige kwaliteit van de dagrecreatieterreinen en routestructuren behouden of verbeteren. Voor de sector zijn er mogelijkheden om mee te liften met gebiedsprocessen en om vanuit die dynamiek kansen te grijpen. Er zijn goede afwegingen nodig voor het bieden van ruimte voor ontwikkelingen in de sector. Er moet daarbij een relatie worden gelegd tussen de kwaliteit van 'nieuwe' ontwikkelingen en de kwaliteit van het bestaande.
Voorliggend initiatief betreft een grootschalige ontwikkeling van dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen, aansluitend op de bestaande recreatieve structuur rondom De Gouden Ham. Met de ontwikkeling van Landgoed De Acht Morgen krijgt het bestaande recreatiegebied een nieuwe kwalitatieve impuls. De beoogde ontwikkeling omvat de realisatie van een groot aantal verblijfsrecreatieve eenheden, gecombineerd met de ontwikkeling van dagrecreatieve voorzieningen; een totaalconcept. De basis van de ontwikkeling is gelegen in de realisatie van groepsaccommodaties - waaraan thans een grote behoefte bestaat in de provincie Gelderland - eventueel aangevuld met de realisatie van bungalows, een camping en/of hotel. Deze innovatieve ontwikkeling zorgt voor een economische versterking van zowel de economische structuur van de stadsregio Rivierenland als het nabijgelegen stedelijk netwerk Arnhem-Nijmegen.
Het Land van Maas en Waal staat bekend om zijn sterk toeristisch en recreatieve karakter. Het recreatiegebied 'De Gouden Ham' vormt de kern van dit recreatieve gebied. De ontwikkeling van Landgoed De Acht Morgen zorgt voor een versterking en uitbreiding van het toeristisch potentieel. Deze stimulans zorgt er mede voor dat zowel de sociale als de economische vitaliteit van het Land van Maas en Waal wordt geborgd voor de toekomst. De ligging van het plangebied - nabij het recreatiegebied De Gouden Ham/De Schans - zorgt ervoor dat de aanwezige toeristische gebiedskwaliteiten ten volle worden benut. Kruisbestuiving tussen het nieuwe recreatiepark als De Gouden Ham/De Schans zorgt voor een duurzame economische structuurversterking en een vergroting van de toeristische concurrentiekracht van de regio.
Dagrecreatieve terreinen bieden van oudsher mogelijkheden voor laagdrempelige recreatie. Daartoe moeten de terreinen (gedeeltelijk) openbaar toegankelijk blijven. De provincie onderzoekt of het mogelijk is om nieuwe toeristisch recreatieve activiteiten meer te concentreren op de bestaande dagrecreatieterreinen. Deze worden (gedeeltelijk) al intensief gebruikt voor recreatiedoeleinden. Met concentratie van bedrijfsmatige activiteiten op deze terreinen, kan de omgeving verder worden ontzien. Voor vrijetijdsbedrijven is het voordeel dat dit kan leiden tot diversiteit in het aanbod op deze terreinen die aansluit bij de consumentenvraag. Tegelijkertijd kan dit een bijdrage leveren aan de verbetering van de exploitatie van deze terreinen en daarmee het behoud van de openbare functie van (gedeelten) ervan.
Zoals blijkt uit het voorgaande stelt de provincie zich ondersteunend en coöperatief op ten aanzien van ontwikkelingen in de vrijetijdseconomie. Voor nieuwe ontwikkelingen zijn mogelijkheden mits is aangetoond dat realisering ervan binnen bestaande terreinen niet mogelijk is. Daarnaast moet het gaan om bedrijfsmatige exploitatie en is een zorgvuldige inpassing een voorwaarde. Het planvoornemen voldoet aan de gestelde voorwaarden en is onderscheidend ten opzichte van bestaande voorzieningen. Aangetoond is dat de omvang en insteek van het recreatiepark niet past binnen de bestaande terreinen.
De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening.
De volgende artikelen uit de Omgevingsverordening zijn relevant voor dit bestemmingsplan:
Artikel 2.2.2.1
Op grond van dit artikel zijn solitaire recreatiewoningen slechts toegestaan op locaties waar ook reguliere woningen kunnen worden gebouwd. Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen solitaire recreatiewoningen mogelijk. Bovendien is permanente bewoning van recreatieverblijven expliciet uitgesloten.
Artikel 2.2.2.2
Op grond van artikel 2.2.2.2 van de Omgevingsverordening dient permanente bewoning van recreatiewoningen uitgesloten te worden in bestemmingsplannen. Derhalve is permanente bewoning van recreatieverblijven expliciet uitgesloten in de specifieke gebruiksregels van de bestemmingen waarbinnen recreatiewoningen worden toegestaan ('Gemengd', 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' en 'Water').
Artikel 2.2.2.3
Op grond van dit artikel wordt nieuwvestiging en uitbreiding van recreatiewoningen alleen toegestaan indien daaraan de eis van bedrijfsmatige exploitatie wordt verbonden. Onder een bedrijfsmatige exploitatie wordt verstaan "Het door middel van een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon beheren
of exploiteren van recreatiewoningen, waarbij voor recreatiewoningen geldt dat daar permanent
wisselende recreatieve (nacht)verblijfsmogelijkheden worden geboden." In de toelichting bij het bestemmingsplan dient onderbouwd te worden op welke wijze de bedrijfsmatige exploitatie duurzaam is verzekerd.
Het beoogde recreatiepark zal bedrijfsmatig geëxploiteerd worden door Landlust BV. In de regels van dit bestemmingsplan is gewaarborgd dat de recreatieve onderkomens bedrijfsmatig worden geëxploiteerd. Het gebruik van verblijfsrecreatieve onderkomens als solitaire recreatiewoning is bovendien expliciet uitgesloten in de gebruiksregels. Daarmee is een bedrijfsmatige exploitatie voldoende verzekerd en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2.2.2.3 van de Omgevingsverordening.
Gelderse ladder voor duurzame verstedelijking
Het accent van stedelijke ontwikkelingen verschuift van nieuwbouw naar het vitaliseren van bestaande gebieden en gebouwen. Voor een goede afweging van keuzes voor locaties van nieuwe gebouwen staat de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik centraal. Met deze ladder wordt een transparante besluitvorming en een zorgvuldige ruimtelijke afweging nagestreefd. Het gaat om het tijdig afwegen van kansen en mogelijkheden om bestaande gebouwen te benutten bij overwegingen van nieuwe bebouwing.
Als juridische basis gebruikt de provincie de ladder voor duurzame verstedelijking die het Rijk heeft vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In elk bestemmingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling dienen gemeenten de locatiekeuze te motiveren. Deze rijksladder is van provinciaal belang. Aangezien de juridische borging van de ladder al geregeld is in het Bro, heeft de provincie de ladder niet nogmaals opgenomen in de provinciale omgevingsverordening.
Rood in het buitengebied
Bij het toevoegen van 'rood' in het buitengebied moet de vraag gesteld worden of de nieuwe situatie qua aard en schaal passend is. Dat wil zeggen dat de nieuwe situatie zich geruisloos in het karakter van het betreffende buitengebied laat passen. Als de nieuwe situatie qua omvang (oppervlakte) of qua effecten (milieuhinder, verkeersantrekkende werking e.d.) dusdanig is dat de aard van het betreffende buitengebied qua karakter verandert, is er sprake van een grootschalige ontwikkeling. In die gevallen is een afweging op grond van de Gelderse Ladder voor duurzaam ruimtegebruik aan de orde.
De provincie verwacht van gemeenten dat zij bij grotere initiatieven voor functieverandering nagaan of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling die afgewogen moet worden. De provincie verstaat onder functieverandering: het hergebruik van vrijkomende (agrarische) bebouwing in het buitengebied waarbij:
Specifiek voor functieverandering naar werken geldt dat hergebruik van vrijkomende gebouwen het uitgangspunt moet zijn. Bij vervangende nieuwbouw zal altijd de vraag beantwoord moeten worden waarom het nieuwe bedrijfspand niet op een lokaal bedrijventerrein kan worden opgericht.
De Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik kan worden gezien als een uitbreiding op de Rijksladder. De bestaande voorraad wordt centraal gesteld. Twee vragen zijn aan de Gelderse ladder toegevoegd:
Het toevoegen van kwaliteit is dus een belangrijke voorwaarde van de Gelderse ladder.
Ad 1) De provincie heeft de wens om toeristisch recreatieve activiteiten meer te concentreren op de bestaande dagrecreatieterreinen. Deze worden (gedeeltelijk) al intensief gebruikt voor recreatiedoeleinden. Ook recreatiegebied De Gouden Ham is door de provincie aangewezen als bestaand dagrecreatieterrein. Met concentratie van bedrijfsmatige activiteiten op deze terreinen kan de omgeving verder worden ontzien. Voor vrijetijdsbedrijven is het voordeel dat dit kan leiden tot diversiteit in het aanbod op deze terreinen die aansluit bij de consumentenvraag. Tegelijkertijd kan dit een bijdrage leveren aan de verbetering van de exploitatie van deze terreinen en daarmee het behoud van de openbare functie van (gedeelten) ervan.
De ontwikkeling van Landgoed De Acht Morgen sluit aan bij de ambitie van de provincie Gelderland om nieuwe toeristisch recreatieve activiteiten te clusteren op bestaande dagrecreatieterreinen. Omdat het dagrecreatieterrein De Gouden Ham nauwelijks nog ruimte biedt voor uitbreiding en/of intensivering, is gezocht naar een locatie in de directe nabijheid. De voorliggende locatie is zowel door de regio als de gemeente aangewezen voor de ontwikkeling en uitbreiding van recreatievoorzieningen en daardoor zeer geschikt bevonden. Bovendien draagt de voorliggende ontwikkeling bij aan een versterking en uitbreiding van het toeristisch potentieel van De Gouden Ham. De ligging van het plangebied - in de directe nabijheid van recreatiegebied De Gouden Ham/De Schans - zorgt ervoor dat de aanwezige toeristische gebiedskwaliteiten ten volle worden benut. Kruisbestuiving tussen de voorliggende ontwikkeling en het bestaande dagrecreatieterrein zorgt voor een duurzame economische structuurversterking en een vergroting van de toeristische concurrentiekracht van de regio. Daarmee sluit de voorliggende ontwikkeling aan bij de doelen van de provincie.
Ad 2) De regio Rivierenland en de gemeente West Maas en Waal hebben de ambitie om recreatiegebied De Gouden Ham/De Schans verder te ontwikkelen als recreatieve hotspot. De voorliggende ontwikkeling voorziet in een scala aan dag- en verblijfsrecreatieve functies, waarmee de ontwikkeling als vliegwiel voor het recreatieve potentieel van De Gouden Ham kan fungeren. Met de beoogde ontwikkeling van de verschillende dag- en verblijfsrecreatieve functies krijgt het omliggende gebied dan ook een belangrijke kwalitatieve impuls. Bovendien wordt het voorliggende initiatief op zorgvuldige wijze landschappelijk ingepast, waarbij aansluiting wordt gezocht bij het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) van de gemeente. In het LOP wordt de wens uitgesproken om het bestaande hakhoutbos te behouden en nieuwe houtwallen/-singels of bomenrijen aan te leggen c.q. te herstellen, om het bestaande landschap te versterken. Met de voorliggende ontwikkeling wordt hier concreet invulling aangegeven, waarmee het bestaande landschap een kwalitatieve impuls krijgt. Gelet hierop voegt de ontwikkeling van Landgoed De Acht Morgen extra kwaliteit toe aan het gebied.
Gezien het voorgaande wordt voldaan aan de Gelderse ladder voor duurzame verstedelijking.
Regio Rivierenland heeft in 2016 een ambitiedocument voor de regionale speerpunten voor de periode 2016 - 2020 opgesteld. Een van de drie speerpunten is recreatie en toerisme. De gebieden 'De Gouden Ham', 'De Schans' en de Tuinen van Appeltern zijn met de gebiedsaanduiding ‘intensieve recreatie’ aangeduid. Op de kansenkaart is onder andere het gebied De Gouden Ham als een van de drie toeristische recreatieve hotspots opgenomen. Het aanwijzen als hotspot biedt extra kansen voor de ontwikkeling van dit gebied.
Speerpunt Recreatie en Toerisme
Het landschap, de identiteit en het imago verkregen uit de agrarische sector vormen de aanleiding voor talloze recreatieve ontwikkelingen en activiteiten. De keuze voor recreatie en toerisme als speerpunt is een logische, maar er moet nog veel gedaan worden. Ook hier kan focus helpen door recreatieve ontwikkeling rond het thema ‘fruit’, ‘water/rivieren’, ‘routes’ (bijvoorbeeld fiets-, wandel- en vaarroutes) en ‘landmarks’, (bijvoorbeeld de Hollandse Waterlinie) te verkiezen boven andere thema’s. Op dit moment is logiesverstrekking en dagattractie nog onvoldoende ontwikkeld. Aandacht voor arbeidsparticipatie, beleving van agribusiness en logistiek, duurzaamheid in bedrijfsvoering (bijvoorbeeld gebruik van duurzame energie) en verbindingen tussen bestaand recreatief en toeristisch aanbod is hierbij nodig.
De te bereiken resultaten zijn:
Voorliggend bestemmingsplan draagt bij aan de wens om het bestaande toeristisch-recreatieve sector verder te versterken, door het aantal overnachtingsmogelijkheden te vergroten. Daarbij wordt bovendien een specifieke doelgroep aangesproken. De basis van de ontwikkeling is namelijk gelegen in de realisatie van groepsaccommodaties (voor grote groepen), waaraan thans een grote behoefte bestaat. Evenwel draagt de voorliggende ontwikkeling bij aan de ambitie om meer dagattracties te realiseren. Binnen Landgoed De Acht Morgen worden diverse dagrecreatieve voorzieningen geclusterd. In combinatie met de beoogde groepsaccommodaties en de reeds bestaande voorzieningen rondom de Gouden Ham vergroot dit de concurrentiekracht van het gebied. De voorliggende ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met het ambitiedocument.
Het bestemmingsplan is daarmee tevens passend in de Omgevingsvisie en -verordening van de provincie.
De structuurvisie Buitengebied 2020 bevat een brede visie op de toekomst van het buitengebied en vormt het beleidskader voor alle ruimtelijke ontwikkelingen. De visie bestaat uit twee delen. Het eerste deel gaat in op de noodzakelijke inventarisatie en analyse van het plangebied, terwijl het tweede deel de daadwerkelijke visie voor de toekomst op het buitengebied omschrijft. Daarbij wordt de ontwikkelingsrichting van de ruimtelijke, ecologische, functionele en recreatieve hoofdstructuur aangegeven. Op hoofdlijnen worden keuzes inzichtelijk gemaakt. Het betreft een visie voor het buitengebied; de dorpskommen blijven buiten de reikwijdte van de visie.
Op de visiekaart zijn de locaties in en rond de kernen die in aanmerking komen voor toeristisch-recreatieve ontwikkelingen apart aangegeven (zie afbeelding 3.1).
Afbeelding 3.1.: uitsnede structuurvisiekaart; recreatie en toerisme.
Het gedeelte van het plangebied dat ten zuiden van de Dijkgraaf de Leeuwweg is gelegen valt onder de reikwijdte van de Visie en Toetsingskader Gouden Ham/De Schans. Het toetsingskader in de visie voor de Gouden Ham en de Schans is leidend voor het beoordelen van initiatieven aldaar. De randvoorwaarden uit die visie zijn dan ook niet opgenomen in structuurvisie Buitengebied 2020. Wel is de (directe omgeving van de) Gouden Ham aangemerkt als toeristisch recreatieve ontwikkelzone c.q. toeristisch concentratiepunt. De Gouden Ham vervult een sleutelrol bij de toeristisch-recreatieve ontwikkeling van de gemeente door het verbeteren van de kwaliteit toeristisch recreatief product en ondernemerschap, het verbeteren van de faciliteiten voor waterrecreatie, alsmede het ontwikkelen en benutten van concentratiegebieden.
Overigens is de Visie en Toetsingskader Gouden Ham/De Schans inmiddels vervangen door de Structuurvisie Recreatieconcentratiegebieden 2026 (zie paragraaf 3.3.2). Nieuwe initiatieven in de Gouden Ham worden dan ook getoetst aan de nieuwe Structuurvisie Recreatieconcentratiegebieden
Doorwerking plangebied
Het zuidelijke deel van het plangebied ligt binnen de zone met de aanduiding “recreatieontwikkeling met aandacht voor landschappelijke inpassing (Visie en Toetsingskader Gouden Ham/De Schans en bestemmingsplan Tuinen van Appeltern)”. Het planvoornemen past binnen de hoofddoelstelling die ten grondslag ligt aan de Structuurvisie Buitengebied 2020. Het versterkt de toeristisch, recreatieve draagkracht van het gebied en draagt bij aan het realiseren van een leefbaar en economisch goed functionerend buitengebied. Bovendien wordt het voorliggende initiatief op zorgvuldige wijze landschappelijk ingepast (zie ook subparagraaf 2.2.4).
Op 20 april 2017 is de structuurvisie voor de recreatieconcentratiegebieden door de gemeenteraad vastgesteld. Deze structuurvisie vervangt de 'Visie en Toetsingskader Gouden Ham/De Schans'. Doel van de structuurvisie is om richting te geven aan toeristisch-recreatieve ontwikkelingen in de vier recreatieconcentratiegebieden tot 2026. De planologische ruimte zal optimaal worden ingezet om de gebieden hun kracht en economische impuls te laten behouden en waar mogelijk te versterken. De potentiële kwaliteiten en mogelijkheden van de verschillende gebieden vormen daarbij het uitgangspunt.
De visie is het ruimtelijke kader waarmee recreatie en de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van West Maas en Waal in de komende periode duurzaam worden verankerd en waardoor de gemeente meer en betere bekendheid verkrijgt als toeristische trekpleister. In de visie bundelt en actualiseert de gemeente de bestaande - zeer diverse (zowel in datering als in detaillering) - beleidsdocumenten en visies voor de vier gebieden tot één duidelijk beleidsdocument over de vrijetijdseconomie.
De nieuwe structuurvisie geeft het kader en de ambitie weer en inspireert tot verdere ruimtelijke invulling van deze gebieden. In de visie zijn per gebied de plangrenzen opgenomen waarop deze visie van toepassing is. Op de visiekaarten is een ‘doorkijk’ naar de omgeving, waar deze visie niet op van toepassing is, gegeven.
De ontwikkelingsvisie schetst de potenties van het gebied De Gouden Ham, waarbinnen het voorliggende plangebied is gelegen. Een belangrijk speerpunt is de realisatie van seizoensonafhankelijke dag- en verblijfsrecreatie (binnendijks). De voorliggende ontwikkeling geeft hier concreet invulling aan en voorziet in de ontwikkeling van recreatieve verblijfsaccommodaties (voor groepen) en diverse weersonafhankelijke toeristisch-recreatieve voorzieningen, waaronder een zwembad en indoor-entertainment.
In aanvulling op het voorgaande wenst de gemeente het entreegebied - en dan met name de omgeving van de kruising Dijkgraaf de Leeuwweg - Noord Zuid - te accentueren, omdat dit gebied voor veel recreanten een eerste kennismaking met De Gouden Ham vormt. Functies die in dit gebied een plek kunnen krijgen hebben als kenmerk dat zij een groot oppervlak bestrijken en een wervende kracht dienen te zijn voor het hele achterliggende gebied. Het voorliggende initiatief kan deze rol vervullen en heeft bovendien voldoende omvang om het entreegebied visueel te accentueren. Wel is het van belang dat eventuele ontwikkelingen in het entreegebied met voldoende ruimtelijke kwaliteit in het landschap, de omgeving en aangrenzende kernen worden ingepast. Hiertoe is een landschappelijke inpassingsplan opgesteld (zie subparagraaf 2.2.4). De daadwerkelijke uitvoering en instandhouding van de landschappelijke inpassing is middels een voorwaardelijke verplichting in de planregels gewaarborgd.
Er is voor gekozen de stedenbouwkundige en architectonische uitwerking van het recreatiegebied in een later stadium verder uit te werken. Er ligt dan ook geen concreet bouwplan aan de voorliggende ontwikkeling ten grondslag. Dit neemt niet weg dat de gemeente een hoog ambitieniveau heeft en een hoogwaardig ontwerp nastreeft. Om te kunnen sturen op de stedenbouwkundige en architectonische uitwerking is daarom een beeldkwaliteitplan opgesteld, dat als bijlage 20 bij de toelichting is opgenomen. Voor een beschrijving van de gewenste beeldkwaliteit wordt kortheidshalve naar dit document verwezen.
Om het entreegebied te kunnen ontwikkelen tot recreatieve hotspot is het overigens niet wenselijk dat nieuwe (niet-)grondgebonden agrarische bedrijven (o.a. intensieve veehouderijen) zich direct ten noorden van het plangebied vestigen. Zodoende is het bestaande melkveebedrijf aan de Dijkgraaf de Leeuwweg 59 voorzien van een maatwerkbestemming. Op grond van deze bestemming kan de bestaande bedrijfsvoering - een melkveehouderij met rundvee - voortgezet worden, maar is een eventuele omschakeling naar andere vormen van grondgebonden agrarische bedrijvigheid en/of niet-grondgebonden agrarische bedrijvigheid aan voorwaarden verbonden. Wel blijft het mogelijk het bestaande melkveebedrijf met rundvee uit te breiden, uitsluitend met dezelfde diersoort.
De gemeente West Maas en Waal heeft in augustus 2011 een Landschapsontwikkelingsplan vastgesteld (hierna het LOP). De landschappelijke en ruimtelijke visie uit de structuurvisie Buitengebied (2010) heeft als onderlegger gediend voor de landschappelijke uitwerking en het uitvoeringsprogramma van het LOP. In de structuurvisie is bepaald dat nieuwe ontwikkelingen zorgvuldig in het landschap moeten worden ingepast. Voor de wijze waarop deze inpassing moet plaatsvinden wordt verwezen naar het LOP. In algemene zin zet het LOP in op het behouden, versterken en ontwikkelen van de landschappelijke verscheidenheid tussen de drie karakteristieke eenheden van het buitengebied te weten: de uiterwaarden, de kom en de oeverwallen. Het LOP is opgebouwd uit de volgende twee delen:
Het plangebied is getypeerd als 'Oeverwal Maas' en valt daarnaast in een zone die in diverse bovenliggende beleidsstukken is benoemd als zone voor intensieve recreatie. In het LOP wordt over deze gebieden het volgende gezegd:
Afbeelding 3.2.: uitsnede Landschapsontwikkelingsplan; handreiking landschappelijke structuren
Doorwerking plangebied
Op basis van het LOP is het wenselijk het bestaande hakhoutbos te behouden (zie afbeelding 3.2). Daarnaast bestaat de ambitie om nieuwe houtwallen/-singels of bomenrijen aan te leggen c.q. te herstellen, om het bestaande landschap te versterken. Het voorliggende initiatief anticipeert hierop en wordt op zorgvuldige wijze ingepast in het bestaande landschap. In subparagraaf 2.2.4 is beschreven op welke wijze het voorliggende initiatief in de omgeving wordt ingepast. De aanleg en instandhouding van het landschapskader is juridisch verankerd in de regels van dit bestemmingsplan. De voorliggende ontwikkeling is passend binnen de kaders van het LOP.
Deze visie is een herijking van de vorige visie en een samensmelting van vele documenten die door diverse private en publieke partners zijn geproduceerd. De voorliggende visie is de basis voor het uitvoeringsprogramma, dat integraal in de visie is opgenomen. De visie beoogt het realiseren van economische groei door middel van uitbreiding van verblijfsrecreatie en dagrecreatie, waarbij wordt ingezet op een onderscheidend en gevarieerd aanbod. De volgende doelen zijn daarbij gesteld:
Eén van de speerpunten die voortvloeit uit de visie, is het ontwikkelen van de Gouden Ham als recreatieve hotspot. Daarbij kan worden gedacht aan invulling van een weersonafhankelijke trekker die de gemeente West Maas en Waal jaar-rond aantrekkelijk maakt, het stimuleren en bevorderen van verblijfs- en dagrecreatie rondom het recreatiegebied De Gouden Ham, kwaliteitsverbetering van het bestaande aanbod en vervlechting van het bestaande aanbod door meer samenwerking en het opzetten van arrangementen.
De voorliggende ontwikkeling sluit aan bij de ambitie om de Gouden Ham verder te ontwikkelen als recreatieve hotspot en voorziet bovendien in de realisatie van (kwalitatief hoogwaardige) weersonafhankelijke dagrecreatieve voorzieningen. Het initiatief vormt daarmee een belangrijke aanvulling op de reeds bestaande recreatieve voorzieningen rondom de Gouden Ham. De verblijfsaccommodaties spreken daarnaast een specifieke doelgroep aan. De beoogde ontwikkeling richt zich namelijk primair op verblijfsaccommodaties voor grotere groepen, waar thans veel vraag naar is. De accommodaties worden echter zo ingericht dat ook kleinere groepen, gezinnen en individuen er - afhankelijk van de vraag - gebruik van kunnen maken. De combinatie van dagrecreatieve en verblijfsrecreatieve voorzieningen biedt veel mogelijkheden voor het aanbieden van arrangementen. Bovendien kan de ontwikkeling als vliegwiel voor de rest van het gebied fungeren. Daarmee is de ontwikkeling in overeenstemming met de Visie Vrijetijdseconomie van de gemeente West Maas en Waal.
In 2012 heeft de gemeente West Maas en Waal een geactualiseerde welstandsnota vastgesteld. In de welstandsnota staat de gemeentelijke visie op het ruimtelijke kwaliteitsbeleid. De nota geeft inzicht in de wijze waarop de welstandscommissie over een bouwplan adviseert. In de beleidsnota zijn de toetsings- en beoordelingscriteria weergegeven waaraan alle binnengekomen verzoeken/bouwvergunningen worden beoordeeld.
In de welstandsnota is een onderverdeling gemaakt naar gebieden met gelijke kenmerken en eigenschappen op ruimtelijk / morfologische of functionele gronden. Vervolgens zijn de gebieden verdeeld over vier welstandsniveaus. Het voorliggende plangebied is aangeduid als 'Agrarisch landschap'. Voor deze gebieden geldt een regulier welstandsniveau. Gebieden met een regulier welstandsniveau kunnen afwijkingen van de bestaande ruimtelijke structuur en ingrepen in de architectuur van de gebouwen zonder al te veel problemen verdragen. De gemeente stelt hier geen specifieke eisen aan de ruimtelijke kwaliteit en de welstandsbeoordeling heeft als uitgangspunt het handhaven van de basiskwaliteit.
Om te kunnen sturen op de toekomstige ruimtelijke kwaliteit binnen het voorliggende plangebied is een beknopt beeldkwaliteitplan opgesteld, dat als bijlage 20 bij de toelichting is opgenomen (zie ook subparagraaf 2.2.5) en wordt vastgesteld als aanvulling op de welstandsnota. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen toetst de welstandscommissie de bouwplannen aan het beeldkwaliteitplan.
De voorliggende ontwikkeling is passend binnen het gemeentelijke beleid.
Dit bestemmingsplan is passend binnen het beleid van de verschillende overheden.
Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage of te wel m.e.r. ontwikkeld. De m.e.r.-beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten.
Voorliggend bestemmingsplan maakt de bouw van een groot aantal verblijfsrecreatieve eenheden, gecombineerd met de ontwikkeling van dagrecreatieve voorzieningen mogelijk; een totaalconcept. Een dergelijke grootschalige ontwikkeling van (verblijfs)recreatieve voorzieningen is opgenomen in de eerste kolom van de zogenaamde D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage. Het gaat hierbij om categorie 10 van de D-lijst:
De aanleg, wijziging of uitbreiding van:
Voor bovengenoemde activiteiten dient een planMER opgesteld te worden in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op:
Ad 1) Om inzicht te krijgen in de toekomstige bezoekersaantallen van het initiatief is door STEC groep een inschatting gemaakt van de te verwachten bezoekersaantallen. De resultaten hiervan zijn vastgelegd in een notitie, die als bijlage 2 bij de toelichting is opgenomen. Uit deze notitie blijkt dat het aantal unieke bezoekers in de toekomstige situatie maximaal 232.500 per jaar bedraagt. In deze berekening is tevens een outdoor speelpark meegenomen, dat oorspronkelijk in het bos was geprojecteerd. Door de aanwezigheid van een dassenburcht is dit speelpark echter komen te vervallen. Ook is het aantal evenementen teruggebracht van 14 naar 12. De bezoekersaantallen zullen daardoor vermoedelijk lager uitvallen (maximaal 199.500 unieke bezoekers). Gelet op het voorgaande wordt de drempelwaarde van 250.000 bezoekers of meer per jaar in ieder geval niet overschreden.
Voor een volledige onderbouwing van de te verwachten bezoekersaantallen wordt kortheidshalve verwezen naar bijlage 2. In deze rapportage is geen rekening gehouden met het vervallen van het outdoor speelpark en het terugbrengen van het aantal evenementendagen (14 naar 12).
Ad 2) De totale ontwikkeling van Landgoed De Acht Morgen en het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 58 heeft een omvang van 16,25 hectare. Daarmee wordt de drempelwaarde van 25 hectare of meer niet overschreden.
Ad 3) Er worden geen ligplaatsen aangelegd. Daarmee wordt de drempelwaarde van 100 ligplaatsen of meer niet overschreden.
Ad 4) Het voorliggende plangebied is niet gelegen in een gevoelig gebied.
Gelet op het voorgaande worden de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage niet overschreden. Dit neemt niet weg dat in dit geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van drie criteria:
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Royal HaskoningDHV een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd, die als bijlage 3 bij de toelichting is opgenomen. Daarin is per aspect bepaald of de ontwikkeling gevolgen heeft voor de (milieu)aspecten verkeer en bereikbaarheid, luchtkwaliteit, stikstofdepositie, geluid, natuur, geur, bodem, water, archeologie, landschap, cultuurhistorie, externe veiligheid en milieuhinder van bedrijven. De resultaten van deze afweging is weergegeven in tabel 4.1.
Tabel 4.1.: conclusies m.e.r.-beoordeling
In een m.e.r.-procedure is het gebruikelijk de trits: voorkomen, mitigeren en compenseren toe te passen. Onder het motto 'voorkomen is beter dan genezen' dient een project reeds zoveel mogelijk nadelige effecten te voorkomen. Als bij een m.e.r.-beoordeling blijkt dat door middel van een mitigerende maatregel, bijvoorbeeld een geluidswal of een technische maatregel aan een installatie, de effecten dermate beperkt worden dat geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen behoeft in principe geen m.e.r.-procedure doorlopen te worden. Er wordt dan wel vanuit gegaan dat de voorgenomen activiteit deze mitigerende maatregel verwerkt in verdere uitwerking en deze planologisch worden geborgd.
Uit tabel 4.1 blijkt dat de voorliggende ontwikkeling niet leidt tot significant nadelige milieueffecten, waardoor het uitvoeren van een MER niet nodig wordt geacht.
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening dient voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning kan worden verleend.
Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/herzien van een bestemmingsplan alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen). Bij nieuwe ontwikkelingen dient bekeken te worden of de bodemkwaliteit een belemmering op kan leveren voor de realisering hiervan. Bijna altijd is het mogelijk om bodem geschikt te maken voor het gewenste gebruik. Het is echter mogelijk dat een plan financieel onuitvoerbaar wordt, bijvoorbeeld omdat de kosten van de sanering te hoog zijn. Bij een wijziging van de bestemming of van de functie wordt een bodemonderzoek alleen noodzakelijk geacht, indien deze wijziging tevens een meer gevoelige vorm van bodemgebruik inhoudt.
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn er enkele bodemonderzoeken uitgevoerd:
In het vervolg van deze paragraaf zijn de conclusies van de uitgevoerde bodemonderzoeken beknopt weergegeven, de volledige rapportages zijn als bijlage bij de toelichting opgenomen.
Bodemonderzoek onderzoekslocatie 1
Uit de onderzoeksresultaten blijkt plaatselijk sprake te zijn van een matig verhoogd gehalte aan nikkel. Op basis van aanvullend onderzoek wordt geconcludeerd dat geen sprake is van een noemenswaardige verontreiniging met nikkel. In de toplaag zijn plaatselijk licht verhoogde gehaltes aan cadmium, kobalt, lood, nikkel, zink en PCB aangetroffen. Ter plaatse van de generator bij het voormalige jachthuisje zijn zowel in de vaste bodem als in het grondwater geen verontreinigingen aangetoond. Ter plaatse van het puinpad dat op de locatie is gelegen, is een asbestonderzoek uitgevoerd. Uit de resultaten blijkt dat het puin geen asbest bevat.
Gelet op de resultaten van het bodemonderzoek wordt aanvullend of nader onderzoek niet zinvol geacht. Er zijn geen zwaarwegende milieuhygiënische bezwaren aanwezig die de voorliggende ontwikkeling in de weg staan.
Bodemonderzoek onderzoekslocatie 2
Uit de onderzoeksresultaten van het verkennend (water)bodemonderzoek blijkt dat de vaste bodem en het grondwater licht verhoogde gehaltes bevatten met zware metalen. Deze hebben waarschijnlijk een natuurlijke oorsprong. De aangetoonde gehaltes zijn dermate laag dat deze geen aanleiding vormen voor het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek;
De sliblaag van de vijver heeft een dikte van circa 0,19 meter. De kwaliteit voldoet aan de kwaliteitsklasse A vanuit de Regeling bodemkwaliteit.
Het bouwblok van de pluimveehouderij is opgehoogd. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat de ophooglaag niet is verontreinigd. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is rond de kippenschuren een puinverharding aangetroffen met plaatselijk asbestverdacht materiaal. Plaatselijk zijn in de bodem bijmengingen met puin aangetroffen. De bodem dient ter plaatse eveneens als verdacht beschouwd te worden met betrekking tot de aanwezigheid van asbest. In verband met het aanwezige asbestverdachte materiaal is een aanvullend asbestonderzoek uitgevoerd (zie verderop in deze paragraaf).
Asbestonderzoek
In navolging van het verkennend bodemonderzoek ter plaatse van het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 58, heeft een aanvullend asbestonderzoek plaatsgevonden. De resultaten zijn hieronder beknopt weergegeven, de volledige rapportage is als bijlage 5 bij de toelichting opgenomen.
Uit de resultaten van het verkennend onderzoek naar asbest blijkt dat ter plaatse van twee gaten (G12 en G18) sprake is van een overschrijding van de interventiewaarde. De resultaten geven aanleiding voor het uitvoeren van een nader onderzoek. Ter plaatse van G12 is sprake van een puinverharding, ter plaatse van G18 is sprake van een opgebrachte puinhoudende zandlaag, tussen de klinkerverharding en de bosrand. De bodem wordt ter plaatse niet bewerkt, waardoor geen sprake is van een blootstellingsrisico. Momenteel zijn ter plaatse geen wijzigingen in het bodemgebruik voorzien. Het uitvoeren van het nader onderzoek kan derhalve uitgevoerd worden op een natuurlijk moment, dan wel in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.
Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
De Wet geluidhinder verlangt inzicht in de akoestische effecten bij de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten. In dit bestemmingsplan wordt de realisatie van recreatieve verblijfsaccommodaties mogelijk gemaakt. In het kader van de Wet geluidhinder zijn recreatieve verblijfsaccommodaties niet aan te merken als een geluidsgevoelig object. Ook is geen sprake van reconstructie van wegen. Daardoor is de Wet geluidhinder niet van toepassing voor dit bestemmingsplan.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidbelasting inzichtelijke gemaakt voor de locatie waar de recreatieve verblijfsaccommodaties zijn voorzien vanwege het verkeer op de N329 en Dijkgraaf de Leeuwweg. Om een oordeel te kunnen geven over de optredende geluidbelastingen op de locatie, worden de grenswaarden voor nieuwe woningen aangehouden. De voorkeurswaarde voor een nieuwe woning in buitenstedelijk gebied bedraagt 48 dB en de maximale ontheffingswaarde bedraagt 53 dB.
Wegverkeerslawaai
In het kader van de voorliggende ontwikkeling is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. De belangrijkste resultaten zijn hieronder verwoord, de volledige rapportage is als bijlage 6 bij de toelichting opgenomen.
Uit de berekeningen blijkt dat als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling een toename van maximaal 2,3 dB is te verwachten op de woningen langs de ontsluitingsroutes richting de N329 en N322. Op evenementdagen (maximaal 12 keer per jaar) bedraagt de toename maximaal 3,1 dB.
Effecten van de toename aan voertuigbewegingen van de bezoekers zijn hoofdzakelijk te zien bij:
Beoordelingswijze
In de voorliggende situatie zijn er geen wijzigingen aan de infrastructuur voorzien. Een wettelijke toets in het kader van de Wet geluidhinder is daarom niet aan de orde. Voor het vaststellen van hogere waarden (met een voldoende gevelwering) is geen grondslag. Bij de beoordeling in het ruimtelijke spoor kan aangesloten worden bij de wijze die gehanteerd wordt bij reconstructies van wegen. Daar is een effect boven 1,5 dB toename - indien de grenswaarde van 48 dB vanwege wegverkeerslawaai wordt overschreden - als relevant te beschouwen.
Het bevoegd gezag dient de afweging te maken of zij de toename tot 3,1 dB op enkele woningen acceptabel vinden in de beoordeling of hier nog sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat nadat de planontwikkeling is gerealiseerd. Het inzichtelijk maken van mogelijke maatregelen is daarbij een wezenlijk onderdeel.
Maatregelen
Om de toename van de geluidbelasting (tot 3dB bij de autonome groei en planontwikkeling) bij de woningen weg te nemen of te beperken zijn door het bevoegd gezag bronmaatregelen (stiller asfalt over een bepaald wegtraject) te overwegen, dan wel om de betreffende woningen te voorzien van aanvullende gevelwering.
Bronmaatregelen zijn het meest effectief naar de omgeving. Het betreft weggedeelten van de Dijkgraaf De Leeuwweg (tussen N329 en de Molenstraat, en ter plaatse van de kruising met de Sluissewal), en een deel van de N329 zelf (nabij kruising met de Dijkgraaf de Leeuwweg, en een weggedeelte tussen de Van Rechterenstraat en de Maasdijk). Uitgaande van toepassing van een dunne deklaag B op de trajecten zal de geluidbelasting vanwege de planontwikkeling worden teruggebracht tot de geluidbelastingen als gevolge van de autonome ontwikkelingen tot 2030.
Een dergelijke maatregel is echter kostbaar en staat niet altijd in verhouding tot de kosten van de planontwikkeling. In voorliggend geval staat voor de Dijkgraaf de Leeuwweg groot onderhoud gepland voor het jaar 2024. Het in de planning naar voren halen van het groot onderhoud kan voor de omgeving een gunstig effect opleveren. Bovendien zijn de meerkosten voor het toepassen van een stil wegdektype gering. Voor de Noord-Zuid is de toepassing van een stil wegdektype vooralsnog niet aan de orde. Deze weg is in eigendom van de Provincie Gelderland.
Een andere - eveneens effectieve - goedkopere oplossing is het aanbrengen van aanvullende gevelmaatregelen bij de betreffende woningen teneinde een binnenniveau van 33 dB te waarborgen. Bij de dimensionering van de gevelmaatregelen worden de maatregelen gebaseerd op:
Conclusie
Het gemeentebestuur zal een afweging moeten maken, of en zo ja, welke maatregelen zij nodig achten om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen. Gebruikelijk is dat maatregelen getroffen zijn bij openstelling van de planontwikkelingen. Daarbij worden de meningen en wensen van de betrokken omwonenden meegenomen.
Teneinde te kunnen beoordelen of na de planontwikkeling sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor de woningen aan de Dijkgraaf de Leeuwweg 59 en Noord Zuid 7, 8 en 9 is de gemeente voornemens om in ieder geval een onderzoek naar de geluidwering van de gevels op te starten, waarbij beoordeeld wordt of de binnenwaarde in de woningen kan worden beperkt tot 33 dB (nieuwbouweis). Dit onderzoek zal de komende tijd in overleg met omwonenden opgestart worden. Indien blijkt dat de binnenwaarde van 33 dB niet gegarandeerd kan worden, kunnen er in overleg met de betreffende eigenaren bron- en/of gevelmaatregelen getroffen worden.
Railverkeerslawaai
Het voorliggende plangebied is niet gelegen binnen de zone van een spoorweg. Akoestisch onderzoek naar spoorweglawaai is derhalve niet benodigd.
Industrielawaai
Het voorliggende plangebied is niet gelegen binnen de zone van een gezoneerd industrieterrein. Akoestisch onderzoek naar industrielawaai is derhalve niet benodigd. Wel is de geluidhinder als gevolg van de voorliggende ontwikkeling beoordeeld. Kortheidshalve wordt hiervoor verwezen naar paragraaf 4.5.
In het kader van de voorliggende ontwikkeling zijn er geen wijzigingen aan de infrastructuur voorzien. Een wettelijke toets in het kader van de Wet geluidhinder is daarom niet aan de orde. Voor het vaststellen van hogere waarden (met een voldoende gevelwering) is dan ook geen grondslag. Wel is in het kader van een goede ruimtelijke ordening beoordeeld welke effecten de planontwikkeling op omliggende woningen heeft. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat het effect op enkele woningen meer dan 1,5 dB bedraagt.
Door het treffen van bron- en/of gevelmaatregelen, kan een goed woon- en leefklimaat echter gewaarborgd worden. Zodoende vormt het aspect 'geluid' geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht.
De Wet luchtkwaliteit van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO).
Projecten dienen te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als:
In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.
In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
In het kader van de voorliggende ontwikkeling is een onderzoek naar luchtkwaliteit uitgevoerd. De belangrijkste resultaten zijn hieronder verwoord, de volledige rapportage is als bijlage 8 bij de toelichting opgenomen.
NO2 concentraties
In tabel 4.2 zijn de berekende jaargemiddelde concentraties NO2 opgenomen voor de huidige situatie en de situatie voor en na uitvoering van het plan. De concentraties zijn de som van de achtergrondconcentratie en de bijdrage van het verkeer.
Tabel 4.2: jaargemiddelde NO2-concentraties
Uit de tabel blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2 in 2016 met waarden van minder dan 17,4 µg/m3 ruimschoots lager zijn dan de jaargemiddelde grenswaarde (40 µg/m3). Ook is er geen sprake van overschrijding van de uurgemiddelde grenswaarde. De concentraties nemen tussen 2016 en 2020 af tot waarden van minder dan 14,4 µg/m3, ondanks de toename van het verkeer in het plangebied. Daarmee is overschrijding ook in de jaren na 2020 uitgesloten. De afname van de concentraties tussen 2016 en 2020 wordt voornamelijk veroorzaakt door prognoses van afnemende achtergrondconcentraties en emissiefactoren voor wegverkeer vanwege schoner wordende voertuigen door strengere emissienormen.
PM10 concentraties
In tabel 4.3 zijn de berekende jaargemiddelde concentraties PM10 opgenomen voor de huidige situatie en de situatie voor en na herinrichting. De concentraties zijn de som van de achtergrondconcentratie en de bijdrage van het verkeer. Op de concentraties is geen zeezoutcorrectie toegepast.
Tabel 4.3: jaargemiddelde PM10-concentraties
Bovenstaande tabel toont aan dat de totale concentraties PM10 in 2016 met waarden tot 18,6 µg/m3 ruimschoots lager zijn dan de jaargemiddelde grenswaarde. Ook is er geen sprake van overschrijding van de etmaalgemiddelde norm. De concentraties zijn in 2020 zonder uitvoering van het project iets hoger dan in 2016. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door prognoses van een stijging van de achtergrondconcentraties. De toename van het verkeer als gevolg van het plan leidt tot kleine toenames van de concentraties PM10 langs de weg, maar deze toenames leiden niet tot (toekomstige) overschrijding van de grenswaarden.
PM2,5 concentraties
In tabel 4.4 zijn de berekende jaargemiddelde concentraties PM2,5 opgenomen voor de huidige situatie en de situatie voor en na herinrichting. De concentraties zijn de som van de achtergrondconcentratie en de bijdrage van het verkeer.
Tabel 4.4: jaargemiddelde PM2,5-concentraties
Bovenstaande tabel toont aan dat de totale concentraties PM2,5 in 2016 met waarden tot 11,7 µg/m3 ruimschoots lager zijn dan de jaargemiddelde grenswaarde. De concentraties nemen tussen 2016 en 2020 af tot waarden van minder dan 11,3 µg/m3, ondanks de toename van het verkeer in het plangebied. Daarmee is overschrijding van de grenswaarde ook in de jaren na 2020 uitgesloten. De afname van de concentraties tussen 2016 en 2020 wordt voornamelijk veroorzaakt door prognoses van afnemende achtergrondconcentraties en emissiefactoren voor wegverkeer vanwege schoner wordende voertuigen door strengere emissienormen.
Het luchtkwaliteitsonderzoek heeft aangetoond dat de grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 niet overschreden worden. Op grond van deze bevindingen is de conclusie dat de voorgenomen ontwikkelingen voldoen aan de Wet Milieubeheer, art. 5.16, eerste lid, sub a.
Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom dient aandacht te worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken.
Voor het vaststellen van de genoemde minimale richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Daarbij wordt o.a. gekeken naar de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar en zo nodig naar het risico op bodem- of luchtverontreiniging. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.
Tabel 4.5: Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'
Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien er sprake is van een kortere afstand dan de richtafstand, is aanvullend onderzoek noodzakelijk.
Typering omgeving plangebied
Op basis van de VNG-brochure is de omgeving van het plangebied aan te merken als een gemengd gebied. Kenmerkend voor het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is dat sprake is van een zekere verstoring en dus van een relevant andere omgevingskwaliteit dan in een rustig woongebied. Gelet op de ligging in het buitengebied - waar diverse niet-woonfuncties aanwezig zijn - is ter plaatse van de voorliggende locatie sprake van het omgevingstype 'gemengd gebied', waardoor de richtafstand terug kan worden gebracht met één afstandsstap.
Bedrijvigheid in de omgeving
Recreatieve nachtverblijven en/of recreatiewoningen zijn geen woningen als bedoeld in de VNG-brochure, maar behoeven niettemin toch enige bescherming. Derhalve is beoordeeld of er in de directe omgeving functies aanwezig zijn, die vragen om toepassing van een richtinggevende afstand. In de nabijheid van het plangebied zijn thans enkele bedrijven aanwezig. In onderstaande tabel zijn de adressen en maximaal toegestane milieucategorieën van de aanwezige bedrijven weergegeven.
| Adres | Inrichting | Milieucategorie | Maatgevende aspect | Richtafstand (in m)* | Feitelijke afstand (in m) | |
| Dijkgraaf de Leeuwweg 59 | Fokken en houden van rundvee | 3.2 | Geur | 100 (50) | 17 | |
| Noord Zuid 8 | Caravanstalling | 2 | Geluid | 30 (10) | > 250 | |
| Zuidweg 5 | Fokken en houden van rundvee | 3.2 | Geur | 100 (50) | > 250 | |
*de gereduceerde richtafstand is tussen haakjes weergegeven
Tabel 4.6.: overzicht relevante bedrijvigheid
Zoals blijkt uit tabel 4.6 vormen de (agrarische) bedrijven aan de Zuidweg 5 en Noord Zuid 8 geen probleem, gelet op de grote afstand tot het plangebied. Derhalve kan voor deze bedrijven voldaan worden aan indicatieve richtafstanden uit de VNG-brochure.
Zoals blijkt uit tabel 4.6 bedraagt de afstand van de veehouderij aan de Dijkgraaf de Leeuwweg 59 tot het voorliggende plangebied slechts 17 meter. Dat betekent dat het noordoostelijk deel van het plangebied binnen de (gereduceerde) hindercontour van 50 meter is gelegen. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet binnen deze zone echter geen geurgevoelige objecten. De gronden gelegen binnen de hindercontour zijn namelijk uitsluitend bestemd voor parkeervoorzieningen en (ontsluitings-)wegen. Derhalve wordt de veehouderij niet in haar belangen geschaad. De mogelijkheid om stallen binnen het bouwvlak te (ver)plaatsen blijft behouden.
Afbeelding 4.3: hindercontouren omliggende bedrijven t.o.v. plangebied
Bedrijvigheid binnen het plangebied
Het voorliggende bestemmingsplan voorziet diverse nieuwe functies binnen het plangebied. Deze functies zijn mogelijk van invloed op het woon- en leefklimaat van bestaande woningen in de directe omgeving van het plangebied. Derhalve is beoordeeld of voldaan kan worden aan de indicatieve richtafstanden uit de VNG-brochure.
Het voorliggende bestemmingsplan staat de volgende functies toe binnen het plangebied (uitgesplitst per functie):
Bestemming 'Gemengd'
*de gereduceerde richtafstand is tussen haakjes weergegeven
Tabel 4.7: overzicht functies binnen de bestemming 'Gemengd'
Zoals blijkt uit bovenstaande tabel bedraagt de afstand van de beoogde nieuwe functies binnen de bestemming 'Gemengd' tot de dichtstbijzijnde (bestaande) woning aan de Dijkgraaf de Leeuwweg 59 meer dan 100 meter. Zodoende wordt voldaan aan de (gereduceerde) richtafstanden uit de VNG-brochure. Daarmee is een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd. Wel dient rekening te worden gehouden met de beoogde bedrijfswoningen binnen de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie'. Om te kunnen voldoen aan de gereduceerde richtafstanden dienen de bedrijfswoningen op ten minste 30 meter afstand van de bestemming 'Gemengd' gesitueerd te worden. Om te voorkomen dat de bedrijfswoningen op kortere afstand gerealiseerd worden, is in dit bestemmingsplan de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' opgenomen. Daarmee is een goed woon- en leefklimaat voor de bedrijfswoningen voldoende gewaarborgd.
In de regels van de bestemming 'Gemengd' is tevens bepaald dat de afstand van ambachtelijke bedrijven in milieucategorie 2 tot verblijfsrecreatieve onderkomens tenminste 10 meter moet bedragen. Op deze manier wordt te allen tijde voldaan aan de gereduceerde richtafstand voor bedrijvigheid in milieucategorie 2. De gereduceerde richtafstand voor bedrijvigheid in milieucategorie 1 bedraagt 0 meter. Hiervoor is dan ook geen regeling opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan.
Bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie'
met ter plaatse van de aanduiding 'cultuur en ontspanning':
*de gereduceerde richtafstand is tussen haakjes weergegeven
Tabel 4.8: overzicht functies binnen de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie'
De afstand van de inrichtingsgrens van Landgoed De Acht Morgen tot de bestaande bedrijfswoningen aan de Dijkgraaf de Leeuwweg 58 bedraagt in de huidige situatie circa 95 meter. Op basis van het voorliggende bestemmingsplan bestaat echter de planologische mogelijkheid om de bestaande bedrijfswoningen binnen het bouwvlak te verplaatsen. Om te voorkomen dat deze bedrijfswoningen op minder dan 30 meter van de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' worden gesitueerd, is binnen de bestemming 'Gemengd' de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' opgenomen. Ter plaatse van deze aanduiding mogen geen bedrijfswoningen worden gebouwd. Daarmee is een goed woon- en leefklimaat voor de bedrijfswoningen voldoende gewaarborgd.
De afstand van de inrichtingsgrens van Landgoed De Acht Morgen tot de bestaande woning aan de Dijkgraaf de Leeuwweg 59 bedraagt in de huidige situatie 98 meter. Op basis van het bestemmingsplan 'Buitengebied West Maas en Waal' bestaat echter de planologische mogelijkheid om de bestaande woning te slopen en elders binnen het bouwvlak te herbouwen, op circa 74 meter. Derhalve is uitgegaan van een worst-case scenario, waarbij de woning wordt gesloopt en elders binnen het bouwvlak (op kortere afstand) wordt herbouwd. Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen zijn de afstanden in bovenstaande tabel dan ook gemeten tussen de inrichtingsgrens van Landgoed De Acht Morgen en het bouwvlak van het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 59.
Zoals blijkt uit bovenstaande tabel wordt voor vrijwel alle functies voldaan aan de gereduceerde richtafstand uit de VNG-publicatie. Uitzondering hierop vormt het buitenzwembad, waarvoor een gereduceerde richtafstand van 100 meter geldt. Aan deze richtafstand wordt niet zonder meer voldaan. Om te voorkomen dat het buitenzwembad op minder dan 100 meter afstand uit het bouwvlak van het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 59 wordt gepositioneerd (planologisch bestaat immers de mogelijkheid om de bestaande bedrijfswoning te verplaatsen), is in dit bestemmingsplan de aanduiding 'zwembad uitgesloten' opgenomen. Ter plaatse van deze aanduiding is het niet toegestaan een buitenzwembad aan te leggen. Daarmee is een goed woon- en leefklimaat voor een bedrijfswoning aan de Dijkgraaf de Leeuwweg 59 voldoende gewaarborgd. Overigens bedraagt de afstand van de bestaande bedrijfswoning tot de aanduiding 'cultuur en ontspanning' circa 122 meter. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de gereduceerde richtafstand.
Bestemming 'Water' met de aanduiding 'verblijfsrecreatie':
*de gereduceerde richtafstand is tussen haakjes weergegeven
Tabel 4.9: overzicht functies binnen de bestemming 'Water' met de aanduiding 'verblijfsrecreatie'
Zoals blijkt uit bovenstaande tabel bedraagt de afstand van de beoogde nieuwe functies binnen de bestemming 'Gemengd' tot de dichtstbijzijnde (bestaande) woning aan de Dijkgraaf de Leeuwweg 59 meer dan 100 meter. Zodoende wordt voldaan aan de (gereduceerde) richtafstanden uit de VNG-brochure. Daarmee is een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd.
Akoestisch onderzoek
Hoewel voldaan wordt aan de (gereduceerde) richtafstanden uit de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering', is volledigheidshalve een onderzoek naar inrichtingslawaai uitgevoerd. Daarin is tevens rekening gehouden met het organiseren van evenementen binnen het plangebied. De belangrijkste conclusies zijn hieronder weergegeven, de volledige rapportage is als bijlage 7 bij de toelichting opgenomen.
Resultaten
Het akoestisch onderzoek betreft een prognose van de geluidemissie en -immissie van recreatieterrein Landgoed De Acht Morgen en het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 58. De effecten op de geluidbelasting vanwege het verkeer van en naar de beide locaties is apart onderzocht en gerapporteerd (zie paragraaf 4.3.2).
Bij de geluidberekeningen is onderscheid gemaakt in het geluid afkomstig van Landgoed De Acht Morgen en het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 58, bestaande uit het menselijk stemgeluid, technische installaties op het voorzieningencluster, muziekgeluid op diverse potentiële locaties (achtergrondmuziek) en het verkeer op beide terreinen, alsmede het geluid afkomstig van drie categorieën evenementen.
Voor beide recreatieterreinen (De Acht Morgen en Dijkgraaf de Leeuwweg 58) is de situatie met maximale bezetting (zonder evenementen) als worst-case beschouwd. Voor de evenementen met muziekgeluid (optredens etc.) op recreatieterrein Landgoed De Acht Morgen is de maximale situatie aangevuld met een bepaalde categorie evenement (optredens) op het evenemententerrein, onderverdeeld in drie categorieën van evenementen. De volgende situaties zijn doorgerekend:
Voor categorie I evenementen is uitgegaan van het standaard popspectrum, voor categorie II is met het dance-spectrum gerekend en voor categorie III evenement is uitgegaan van het house-spectrum.
Uit de berekeningen en de gepresenteerde geluidcontouren blijkt dat beide recreatieterreinen ten aanzien van het aspect geluid, het woon- en leefklimaat bij de woningen in de directe omgeving - ten tijde van een volledige bezetting (worst-case situatie) zonder evenementen - niet nadelig beïnvloed, behoudens de toename van geluid als gevolg van wegverkeerslawaai (zie paragraaf 4.3). De richtwaarde voor het gebied ligt rond 45 dB(A), bepaald door het wegverkeerslawaai. De richtwaarde va 45 dB(A) wordt niet overschreden.
Zoals aangegeven in het rapport, zijn potentiële locaties aangewezen waar muziekgeluid (achtergrondmuziek) gemaakt kan worden. Dit muziekgeluid mag bij de omliggende woningen niet herkenbaar als muziek hoorbaar zijn. Het ligt in de potenties om op het recreatiepark evenementen te organiseren (max. 12 per jaar) waarbij ook luidruchtige muziek ten gehore wordt gebracht. Het muziekgeluid (als Li-niveau) bij de categorie II en III evenementen zullen bij de omliggende woningen en in de wijde omgeving goed waarneembaar zijn: maximaal 54 dB(A) bij categorie II evenementen en maximaal 64 dB(A) bij categorie III evenementen.
Categorie II en III evenementen, waarbij luidruchtig muziek ten gehore wordt gebracht, zijn alleen mogelijk als op grond van de APV (Algemene Plaatselijke Verordening) hiervoor een ontheffing (van de geluidwaarden) wordt aangevraagd (of in de Wabo wordt geregeld). Deze ontheffing wordt door het bevoegd gezag in de regel niet meer dan twaalf keer per jaar verleend. In de regels van dit bestemmingsplan is een regeling opgenomen om het aantal evenementen te beperken. Daarin zijn ook voorwaarden gesteld aan de maximale geluidniveaus. Voor categorie III evenementen geldt dat de geluidsbelasting op de gevels van woningen niet meer mag bedrage dan 70 dB(A). Dit is een aanscherping ten opzichte van het gemeentelijke evenementenbeleid, dat 80 dB(A) toestaat.
Ten aanzien van het voorzieningencentrum (hoofdgebouw) wordt opgemerkt dat de exploitatie-mogelijkheden afhankelijk zijn van de geluidisolatie van de schil (wanden en daken) van het gebouw. Het voorzieningencluster (met o.a. horecavoorzieningen, zwembad, concerthal/theaterzaal) dient dan ook bouwkundig goed geïsoleerd te worden om hinder van muziekgeluid in de omgeving van en op het park te voorkomen. Bij het definitieve ontwerp van het voorzieningencluster moeten de exploitatiemogelijkheden (feesten en partijen met muziek, concerten en theater, disco zwemmen etc.) en de daarbij behorende bouwkundige maatregelen verder in detail onderzocht worden. Dit kan echter pas als de bouwkundige tekeningen van het hoofdgebouw en indeling van het gebouw verder zijn uitgewerkt.
Conclusie
De huidige geluidsituatie (peiljaar 2018) in de omgeving van het plangebied kan beschreven worden als een rustige omgeving (richtwaarde 45 dB(A) etmaalwaarde). De milieukwaliteitsmaat (MKM) is in de huidige situatie als 'redelijk' te bestempelen. Vanwege de voorgenomen ontwikkeling van twee recreatieparken (zonder evenementen) zal de richtwaarde niet worden overschreden. Er zal geen verslechtering van de milieukwaliteitsmaat optreden. Het maximale geluidniveau als gevolg van schreeuwende mensen bedraagt bij woningen maximaal 55 dB(A). Een waarde die geen hinder hoeft te veroorzaken. Vanuit dat gegeven zal deze ontwikkeling geen nadelige invloed geven op de bestaande omgeving en is derhalve inpasbaar. Daarbij zijn wel nadere voorwaarden aan de geluidemissie vanuit het voorzieningencluster te stellen.
In het kader van het Activiteitenbesluit dienen voor beide inrichtingen, in afwijking van de gangbare 50 dB(A) etmaalwaarde, maatwerkvoorschriften opgesteld te worden. Uitgangspunt is dat de geluidsbelasting op woningen van derden niet meer mag bedragen dan 45 dB(A) etmaalwaarde.
Bij een evenement in categorie I zal de geluidbelasting in de dagperiode maximaal ca. 42 dB(A) bedragen. In de avondperiode is een langtijdgemiddeld deelbeoordelingsniveau tot 45 dB(A) te verwachten, waarbij het stemgeluid de overhand heeft. Bij een evenement in categorie II en III zal het muziekgeluid de overhand krijgen: van maximaal 48 cq. 51 dB(A) voor de dag- respectievelijk avondperiode (cat. II), tot 58 cq. 60 dB(A) voor de dag- respectievelijk avondperiode bij een evenement in categorie III. De geluidniveaus zijn zonder 10 dB(A) straf voor muziekgeluid. Er wordt vanuit gegaan dat na 23.00 uur geen muziekactiviteiten door een evenement worden voortgebracht.
De milieukwaliteitsmaat zal na cumulatie met de muziekevenementen met één stap verslechteren tot 'matig'. Dit zal maximaal 8 keer per jaar optreden (uitsluitend bij evenementen in categorie II en III). Op basis van de 12-dagenregeling (Barim en APV) zijn - na afweging door het bevoegd gezag - de evenementen te regelen. Kijkende naar de regels voor het maximaal geluidniveau bij woningen vanwege muziekevenementen binnen de gemeente West Maas en Waal (LAeq tot 80 dB(A) excl. 10 dB(A) straf vanwege muziekgeluid) zijn de planontwikkelingen voor 8 keer per jaar een (muziek)evenement te organiseren, ruimtelijk inpasbaar.
In de planregels van dit bestemmingsplan zijn nadere eisen en voorwaarden opgenomen met betrekking tot geluid, om te voorkomen dat geluidhinder voor omwonenden ontstaat.
Voor evenementen in categorie II zijn de volgende voorwaarden opgenomen:
Voor evenementen in categorie III zijn de volgende voorwaarden opgenomen:
Met inachtname van de voornoemde voorwaarden kan een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden voldoende gewaarborgd worden.
Het aspect 'bedrijfsmilieuhinder' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. -
Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:
Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie onderstaande tabel.
| Concentratiegebied | Niet-concentratiegebied | ||
| Binnen bebouwde kom | diercategorieën Rgv | max. 3 ouE/m³ | max. 2 ouE/m³ |
| andere diercategorieën | min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object | min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object | |
| Buiten bebouwde kom |
diercategorieën Rgv | max. 14 ouE/m³ | max. 8 ouE/m³ |
| andere diercategorieën | min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object | min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object |
Tabel 4.10: Geurnormen Wgv
De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie.
Regeling geurhinder en veehouderij
In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop:
Activiteitenbesluit
Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee).
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een onderzoek naar de geurbelasting op het plangebied uitgevoerd. De belangrijkste resultaten zijn hieronder opgenomen, de volledige rapportage is als bijlage 9 bij de toelichting opgenomen.
Uit het geuronderzoek blijkt dat het plangebied gedeeltelijk is gelegen binnen de contour van 50 meter afstand rond het bouwvlak van de veehouderij aan Dijkgraaf de Leeuwweg 59 te Appeltern. Omdat de geurgevoelige objecten buiten deze contour worden opgericht, vormt het plan geen belemmering ten aanzien van deze veehouderij. Er wordt tevens voldaan aan de aan te houden gevel-gevel afstand.
Ook voor wat betreft de individuele geurbelasting worden de belangen van de omliggende veehouderijbedrijven niet geschaad door de voorgenomen ontwikkeling. Het plangebied ligt buiten de worst-case geurcontour van de norm van 8,0 ouE/m3 voor de nabij gelegen veehouderij.
De achtergrondbelasting is bepalend voor het woon- en leefklimaat en te definiëren als ‘goed’ tot ‘redelijk goed’. Het woon- en verblijfsklimaat is beter dan op grond van de Wgv acceptabel wordt geacht. Door voorgenomen ontwikkeling worden de veehouderijen niet in hun belangen geschaad, mits de geurgevoelige objecten buiten de 50 meter contour rond het bouwvlak van de Dijkgraaf de Leeuwweg 59 te Appeltern opgericht worden. In dat geval kan voor alle geurgevoelige objecten een acceptabel leefklimaat gegarandeerd worden ten aanzien van vaste afstanden en de geurbelasting.
Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten.
In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas.
Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden.
Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico's langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van de Gasunie zijn het meest relevant.
Op 1 april 2015 is de regeling 'Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' in werking getreden. Het Basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
In de directe omgeving van het plangebied zijn - behoudens het transport van gevaarlijke stoffen over de Maas - geen relevante risicobronnen aanwezig.
Binnen de beoogde bestemming passen geen risicovolle activiteiten, zoals Bevi-activiteiten. De vestiging van een Bevi-inrichting binnen het plangebied is daarmee uitgesloten.
Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege risicovolle inrichtingen.
Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid wel relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Maas. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroute, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en buiten de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones).
Op grond van artikel 7 van het Bevt moet worden ingegaan op de mogelijkheden voor:
Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen.
Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 15 juli 2015 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "bijzonder kwetsbare object", bestemd voor verminderd zelfredzame personen.
Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval
Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.
Mogelijkheden tot zelfredzaamheid
Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen.
Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebieden niet is gelegen binnen het invloedsgebied van relevante buisleidingen voor aardgas en vloeibare brandstoffen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege buisleidingen.
Het aspect externe veiligheid is alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Maas. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er in het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroute. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan hoeven te worden gesteld in het kader van het aspect externe veiligheid.
Rijksbeleid
Het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid tot 2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Rijk speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Om een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem te bereiken moet het water meer bepalend zijn bij de besluitvorming over grote ruimtelijke opgaven dan voorheen. De mate van bepalendheid wordt afhankelijk gesteld van, onder meer, de omvang en de aard van de ingrepen, bestaande functies, nieuwe andere ruimteclaims en de bodemgesteldheid van een gebied.
Beleid waterbeheerder
Op 27 november 2015 heeft het bestuur van Waterschap Rivierenland het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 vastgesteld, met als titel “Koers houden, kansen benutten”. Met dit programma blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Bij de uitvoering van het programma beweegt het waterschap mee met de (klimaat)veranderingen om ons heen en benut zij de kansen die zich voordoen in de regio. Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode (2016 - 2021) wil bereiken en hoe zij dat willen bewerkstelligen. De drie speerpunten van het Waterbeheerprogramma zijn:
Watertoets
In de brochure “Partners in Water” is het beleid van het waterschap Rivierenland verwoord. De brochure gaat in op de inhoud van de watertoets en behandeld de volgende thema’s:
Ten aanzien van het thema Waterneutraal inrichten wordt ingegaan op de benodigde waterberging bij verschillende projecten. Voor kleine projecten in stedelijk gebied is waterberging slechts in beperkte mate noodzakelijk en/of mogelijk. Tot 500 m2 aan extra verharding geldt er voor particulieren een mogelijkheid voor een eenmalige vrijstelling. In alle andere gevallen dienen compenserende maatregelen getroffen te worden. Voor projecten tot 5.000 m2 aan extra verharding bedraagt de compensatie 436 m2 per hectare verharding. Bij een toename groter dan 5.000 m2 is maatwerk benodigd. Waterberging dient in principe binnen het plangebied opgelost te worden. Indien dit niet mogelijk is kan de waterberging elders binnen het peilgebied worden opgelost.
Richtlijnen en eisen drooglegging en ontwatering
Ter voorkoming van grondwateroverlast bij bestaande en nieuwe bebouwing gelden richtlijnen voor een bepaalde drooglegging. Dit is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlaktewaterpeil ligt. Doorgaans geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Er wordt uitgegaan van het zomerpeil.
Voldoende ontwatering is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. In gebieden waar grondwateroverlast bekend is of gebieden met hoge grondwaterstanden adviseert het waterschap om hier nader onderzoek naar te doen. Eventuele maatregelen zijn het ophogen van het maaiveld of kruipruimteloos bouwen.
Tabel 4.12: ontwateringshoogte richtlijnen waterschap Rivierenland
In gebieden met rivierkwel dient aan te worden getoond dat een T=10 hoogwatersituatie op de rivier in combinatie met de T=2 winterbui volgens Buijsman en Velds niet leidt tot onacceptabele peilstijgingen en afvoeren.
In het kader van de voorliggende ontwikkeling is watertoets uitgevoerd. Deze resultaten zijn hieronder weergegeven, de volledige rapportage is als bijlage 10 bij de toelichting opgenomen.
Bestaande situatie
Bodemopbouw
Over het algemeen ligt het maaiveld binnen het plangebied op 5,50 tot 5,60 m boven NAP. Het terrein van de kippenhouderij ligt verhoogd, op een hoogte van 5,90 m boven NAP. De wegen rondom het gebied (de Dijkgraaf de Leeuwweg en de Noord-Zuid) liggen op een hoogte van 6,20 m boven NAP.
Door het plangebied komt overal klei op zand met een dun laagje veen voor. In het noorden van het gebied zit deze veenlaag dieper dan in het zuiden van het gebied. De kleilaag is in het noorden van het gebied van maaiveld tot circa 5 m diepte aanwezig (0,5 m boven NAP). In het zuiden van het plangebied is de kleilaag maar 3-3,5 meter dik. Daaronder zit een laag veen (circa 0,5 m dik). Onder de veenlaag is een zandige laag aanwezig met op verschillende niveaus een grindlaag. Dit is een doorgaand vast zandpakket. In de zandbanenkaart van de Provincie Gelderland wordt daarnaast een meter dikke zandlaag aangeven die varieert van 1 meter onder maaiveld in het zuiden, tot 2 meter onder maaiveld in het noorden van het plangebied.
De metersdikke kleilaag in het gebied zorgt ervoor dat de doorlatendheid laag is. Dat wil zeggen dat water slecht infiltreert in de bodem. Dit is in de hoogtekaart ook terug te zien door de vele greppels op het huidige terrein. Hier dient rekening mee te worden gehouden bij het ontwerp.
Oppervlaktewater en veiligheid
Het plangebied ligt in een waterrijk gebied, met verschillende watergangen van het waterschap lopend door het gebied. Er komen zowel A-, B- en C-watergangen voor. Voor het plangebied geldt het Peilbesluit Quarles van Ufford. Ter plaatse geldt een zomerpeil van 5,00m +NAP en een winterpeil van 4,60m +NAP.
Het plangebied ligt vlak ten noordwesten van het recreatiegebied De Gouden Ham langs de Maas. De dijk langs de Maas is in het beheer van Rijkswaterstaat. Echter, deze dijk loopt buiten het plangebied en het plangebied heeft geen invloed op de werking van deze dijk. Andere relevante waterveiligheidaspecten zijn niet geconstateerd bij de inventarisatie. Het plangebied ligt geheel binnen het beheersgebied van het waterschap (en gemeente).
Grondwater
In het plangebied is grondwatertrap Vb aanwezig. Volgens de indeling grondwatertrappen van de Wageningen Universiteit (WUR) betekent dit een gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) van 25-40cm onder maaiveld. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) is < 1,20m onder maaiveld.
In het gebied rondom het plangebied zijn op verschillende plaatsen grondwatermetingen gedaan. Uit deze metingen is naar voren gekomen dat de grondwaterstand in de winter gemiddeld 20-40 cm onder maaiveld staat en in de zomer 80-100 cm onder maaiveld. Dit komt goed overeen met de grondwatertrap. Deze metingen zijn echter wel gedaan op een afstand van 300 m ten noordwesten van het plangebied, op de grens met grondwatertrap VI, er moet dus rekening worden gehouden met enige onzekerheid of in het plangebied hetzelfde geldt.
Uit de kwelattentiekaart blijkt dat het projectgebied in een kwelgevoelige zone ligt. Door de globale opzet van het plan is het nog niet mogelijk een inschatting te doen wat de gevolgen van de ontwikkelingen zullen zijn op de kwelgevoeligheid van het gebied. Bij de verdere uitwerking zijn kwelberekeningen vereist waarin wordt aangetoond dat de toekomstige ontwikkeling (door ophoging, demping en aanbrengen van nieuw oppervlaktewater) geen verslechtering van de kwelsituatie veroorzaakt
Het plangebied ligt niet in een grondwaterwingebied. Ook is er geen intrekgebied in het plangebied aanwezig. Er is verder geen informatie over de kwaliteit van het grondwater in dit gebied bekend.
Riolering
Het gebied bestaat momenteel uit een deel houthakbos, braakliggend terrein en een kippenhouderij. De kippenhouderij is voorzien van drukriolering gelegen in de Dijkgraaf de Leeuwweg. Er is verder geen vrij verval riolering aanwezig in de omliggende openbare wegen.
Toekomstige situatie
Waterveiligheid
In het kader van waterveiligheid hoeven geen overwegingen te worden gemaakt voor het voorliggende bestemmingsplan. De primaire kering langs de Maas ligt buiten het plangebied en de ontwikkeling heeft geen significant effect op deze kering.
Ontwatering en drooglegging
Voor het plangebied geldt het Peilbesluit Quarles van Ufford. Dit betekent dat er een zomerpeil van 5,00 m +NAP geldt en een winterpeil van 4,60 m + NAP. De peilen blijven gehandhaafd. De wegen rondom het plangebied liggen op circa 6,0 m + NAP.
Op basis van het zomerpeil is het minimaal bouwpeil 6,30 m + NAP met een wegpeil van 6,0 m + NAP om aan de droogleggingseisen te voldoen.
Het halen van voldoende ontwatering is afhankelijk van de optredende grondwaterstanden. De maaiveldhoogtes liggen op circa 5,5 m + NAP en de hoogste grondwaterstanden liggen worstcase op 5,00 m + NAP. Dit levert vanuit de ontwateringsrichtlijnen een minimaal wegpeil van 5,70 m + NAP.
Om voldoende drooglegging en ontwatering te halen moet het plangebied worden opgehoogd. Het verlagen van de grondwaterstanden door ontwateringsmiddelen toe te passen zijn niet toegestaan tenzij anders in overleg met waterschap is besproken. Deze ontwateringsmiddelen veroorzaken namelijk een versnelde afvoer (afwenteling) op het watersysteem van waterschap Rivierenland.
Hemelwater
De afvoer van het afstromend hemelwater en het huishoudelijk afvalwater wordt gescheiden van elkaar afgevoerd. Voor het hemelwater wordt extra bergingscapaciteit in het watersysteem aangelegd ter
compensatie van de toename aan verharding. Infiltratie van hemelwater in de huidige bodem is niet mogelijk vanwege de slecht doorlatende grond op maaiveldniveau. Afvoer van regenwater zal daarom naar het oppervlaktewater plaatsvinden om wateroverlast te voorkomen. Conform het gemeentelijk beleid moet regenwater zichtbaar en bovengronds worden afgevoerd.
Bij de nadere uitwerking kan worden overwogen om de benodigde ophoging met goed doorlatend zand te gebruiken om regenwater alsnog in de ondiepe bodem te laten infiltreren via droogvallende bergingen op maaiveld. Het regenwater kan vervolgens vertraagd over de kleilaag naar het oppervlaktewater afvoeren. Indien haalbaar kan de statische berging in de bergingszones ingezet worden om de berging in het oppervlaktewatersysteem te verminderen. De haalbaarheid en inpassing van berging op maaiveld bepaald ook de afwateringsmethode (boven- of ondergronds) naar de bergingsvoorzieningen.
Bovengenoemd voorstel dient in nauw overleg met de gemeente en het waterschap te worden uitgewerkt en beoordeeld op haalbaarheid.
Voor het voorliggende plan gelden de volgende (harde) eisen met betrekking tot de waterbergingsopgave:
Bij de berekening van de bergingsopgave is uitgegaan van de geldende bouwpercentages voor de verschillende percelen in het plangebied, plus 10% extra verharding voor de aanleg van paden en wegen. Het plangebied heeft een oppervlak van ruim 14,6 ha. Voor de berekening van de bergingsopgave is uitgegaan van de vuistregel van het waterschap horende bij een T10 + 10% bui, dus 436 m3/ha met een maximaal toegestane peilstijging van 30 cm.
Het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 58 is in de huidige situatie al deels verhard, er is namelijk al 4.371 m2 bebouwd. Dit verhard oppervlak is reeds vergund en loost al op het watersysteem van het waterschap Rivierenland. Hier moet rekening mee worden gehouden tijdens het berekenen van de toekomstige bergingsopgave.
Op het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 59 vinden geen ontwikkelingen plaats, hier is geen sprake van een wateropgave omdat het verhard oppervlak niet wijzigt.
Zoals onderstaande tabel toont dient in het plangebied in totaal circa 2.766 m3 berging te worden gecreëerd. Dit dient te worden geïntegreerd met het bestaand watersysteem, uitgaande van maximaal 30 cm peilstijging bij T=10 +10%. Dit komt neer op een oppervlak op de waterlijn van 9.220 m2.
Tabel 4.13: bergingsopgave voor Landgoed De Acht Morgen
Om te waarborgen dat voorzien wordt in voldoende waterberging, is een specifieke regeling opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan. Het plangebied heeft een oppervlak van ruim 14,6 ha. De totale verharding die meetelt voor de bergingsvoorziening voortkomend uit tabel 4.13 bedraagt 6,35 ha. Inclusief bestaande verharding, de woningen op palen en het bosoppervlak is het totale oppervlak 10,92 ha. Daarmee blijft er 4,08 ha over voor invulling van onder andere de wateropgave van 0,92 ha (2.766 m3 / 0,3m).
Naast deze waterberging door toename van het verhard oppervlak dient bij demping van bestaande watergangen 1 op 1 compensatie plaats te vinden. Op basis van het bestemmingsplan is niet aan te geven of en zo ja waar sprake is van een demping van watergangen. De A-watergang in het bestemmingsplan blijft behouden en is als dusdanig bestemd. Aanvullend dienen de ontwateringsloten aan weerszijden van de Dijkgraaf de Leeuwweg (C-status) gehandhaafd te blijven om de ontwateringsituatie van de openbare weg niet te verslechteren. De beoogde dassentunnel onder de openbare weg mag daarbij niet uitkomen in het waterprofiel van de sloot.
Voor de overige watergangen is demping mogelijk, mits gecompenseerd in bergend volume en het waterhuishoudkundig functioneren voor de omgeving niet verslechterd.
Oppervlaktewater
Naast het voorkomen van wateroverlast door voldoende waterberging is ook waterkwaliteit van groot belang voor de beoogde ontwikkeling in dit gebied.
Watergangen met A of B-status
De A-watergang in het bestemmingsplan blijft behouden en is als water bestemd met ruimte voor het
onderhoudspad. Indien de A-watergang aan de planzijde aan verandering onderhevig is gelden aanvullende regels. De watergang dient een bodemverbreding ter krijgen van tenminste 50 cm en minstens 50% van de taluds dient natuurvriendelijk te worden ingericht. Natuurvriendelijke oevers worden aangelegd als flauw talud of als plasberm. Voor de inrichting hiervan gelden breedte- en taludmaten. In overleg met het waterschap wordt daaraan vorm gegeven.
Alle overige (nieuwe) watergangen hebben een B-status en worden minimaal ingericht met het voorgeschreven profiel behorende bij een B-watergang. De aangrenzende perceeleigenaar heeft verder een onderhoudsplicht op de B-watergangen
Waterkwaliteit
Natuurvriendelijke oevers versterken het zelfreinigend vermogen van het oppervlaktewater en dragen bij aan een goede waterkwaliteit. Tevens wordt hiermee een goede ecologische kwaliteit van het water bevorderd. In het bestemmingsplan Landgoed De Acht morgen wordt rekening gehouden met de ruimtevraag voor natuurvriendelijke oevers en de gewenste inrichting; de functie ervan moet worden beschermd. Sinds 2009 is de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) niet meer van toepassing en vallen lozingen onder het activiteitenbesluit. Ten aanzien van afstromende oppervlakten zijn met diverse partijen beleidsafspraken gemaakt welke zijn vastgelegd in het rioleringsbeleid 'Samen door 1 buis'.
Bij bouwprojecten moet rechtstreekse lozing van uitloogbare materialen (zoals van koperen daken, et cetera) en uitspoeling van vervuilende stoffen via de bodem naar het oppervlaktewater worden voorkomen. Bij de aanleg en reconstructie van wegen is een waterwetvergunning nodig. In de aanvraag kan de wegbeheerder aangeven welke maatregelen en voorzieningen hij treft om de waterkwaliteit te waarborgen (bijvoorbeeld bermfiltratie).
Om water van voldoende kwaliteit te kunnen handhaven, is ook het zelfreinigend vermogen van het watersysteem van belang. Dit wordt bevorderd door voldoende ruimte voor water, voldoende waterdiepte en voldoende oevervegetatie. Doorstroming of circulatie door het onderling verbinden van watergangen zijn vaak eveneens gewenst, tenzij al een goede waterkwaliteit aanwezig is. In plannen in het landelijk gebied zullen de kansen worden benut om te voldoen aan de water kwaliteitseisen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water.
Bij realisatie van het planvoornemen staat waterkwaliteit hoog in het vaandel en zal zorg gedragen worden om de waterkwaliteit zelfs te verbeteren. De aanleg van natuurvriendelijke oevers zal hieraan zeker bijdragen. De definitieve inrichting van het voornemen zal worden kortgesloten met het waterschap en de gemeente.
De solitaire waterpartij met status van zwemwaterkwaliteit blijft gescheiden van het landelijk watersysteem van het Waterschap Rivierenland.
Huishoudelijk afvalwater
Zoals eerder vermeld wordt hemelwater niet gekoppeld aan het rioleringssysteem. Schoon hemelwater zal niet worden afgevoerd via het vuilwaterriool. In het plangebied zal er naar een mogelijkheid gezocht worden om afvalwater door middel van drukriolering te transporteren naar bestaande riolering ten zuiden van het plangebied. De uiteindelijke inpriklocatie gebeurt in overleg met de gemeente. De bestaande drukriolering op het terrein van de voormalige kippenhouderij blijft vooralsnog in functie. Eventuele wijzigingen aan het vuilwatersysteem op het terrein van de voormalige kippenhouderij zijn door de perceeleigenaar zelf uit te werken en te realiseren.
Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. In het kader van het wettelijk vooroverleg wordt het voorliggende bestemmingsplan aan Waterschap Rivierenland voorgelegd.
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen).
Soortenbescherming
Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen.
Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen.
Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden.
De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente West Maas en Waal is de provincie Gelderland het bevoegd gezag voor de Wnb.
Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven).
Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren.
Gebiedsbescherming
De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een 'habitattoets' dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN.
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn diverse onderzoeken naar de aanwezigheid van flora en fauna uitgevoerd. De resultaten zijn hieronder beknopt weergegeven, de verschillende rapportages zijn als bijlage 11, 12 en 13 bij de toelichting opgenomen.
Vleermuizen
De bebouwing binnen het plangebied is niet geschikt om te dienen als vaste verblijfplaats voor vleermuizen. Ook zijn binnen of op de grenzen van het plangebied geen essentiële vliegroutes voor vleermuizen aanwezig. Nadelige effecten op verblijfplaatsen in bebouwing en op essentiële vliegroutes kunnen daarom worden uitgesloten. Binnen het plangebied zijn wel bomen met holtes aanwezig die geschikt zijn om te dienen als vaste verblijfplaats voor vleermuizen. Daarnaast zou het plangebied een belangrijk onderdeel kunnen zijn van het foerageergebied van vleermuizen. Gelet hierop heeft aanvullend onderzoek plaatsgevonden.
Foerageergebied
Uit aanvullend onderzoek blijkt dat het bos aan de noordzijde van het plangebied en de waterpartij in het zuiden (de put) een belangrijke functie als foerageergebied voor vleermuizen vervult. Er zijn namelijk tijdens het onderzoek veel individuen waargenomen die daar foerageerden. Er zijn een aantal vergelijkbare gebieden in de omgeving die dezelfde functie van foerageergebied kunnen vervullen als de bomen en de waterpartijen in het plangebied. De dichtstbijzijnde gebieden die mogelijk een belangrijke functie als foerageergebieden zouden kunnen vervullen liggen ten zuidwesten en zuidoosten van het plangebied op een afstand van ongeveer 100 en 250 meter van het plangebied.
Het bos in het noorden en de watergang in het zuiden van het plangebied blijven behouden. Om deze redenen zullen er - voor wat betreft het foerageergebied van vleermuizen - geen overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming plaatsvinden bij de voorgenomen plannen en zijn geen ontheffing en/of maatregelen nodig.
Vliegroutes
Er zijn meerdere lijnvormige elementen in het plangebied die gebruikt worden als vliegroute door vleermuizen; bomen, bosschages en watergangen. De vleermuizen gebruiken deze elementen in het plangebied als oriëntatiepunt en zodanig ook als vliegroute om de naastgelegen gebieden op te zoeken en om hier te foerageren. Omdat deze veelvuldig gebruikt werden door vleermuizen en omdat er geen alternatieve lijnvormige landschapselementen in de vorm van bomen en beschoeiing in de directe omgeving van het plangebied zijn, zijn de vliegroutes binnen het plangebied essentieel.
Aangezien essentiële vliegroutes beschermd zijn, dienen deze behouden te blijven. Ook wordt aangeraden de niet-essentiële vliegroute te behouden. Echter, indien hier een deel van de bomen weggehaald wordt waardoor een onderbreking ontstaat, zal dit geen significante negatieve effecten hebben op de vleermuizen. De A-watergangen in het plangebied blijven behouden. Omdat ook het hakhoutbos aan de noordzijde van het plangebied, de laanbeplanting langs de Dijkgraaf de Leeuwweg, de bosschages aan de noord- en westzijde van de put en de houtsingel rondom het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 58 behouden blijven, zullen er geen overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming plaatsvinden.
Het weghalen van de resterende bomen en begroeiing zal geen significant negatieve effecten hebben op de vliegroute van vleermuizen. Bij de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de vliegroutes van de vleermuizen in het kader van de zorgplicht.
Verblijfsplaatsen
Verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis zijn redelijkerwijs uit te sluiten. Dit komt omdat vleermuizen pas 30 minuten na zonsondergang jagend waargenomen werden en omdat de bebouwing in het plangebied niet geschikt is als verblijfplaats. Dit duidt erop dat hun verblijfplaats zich op een (kleine) afstand van het plangebied bevindt. Voor de Watervleermuis geldt dit niet. Hiervan wordt verwacht dat er een zomerverblijfplaats in een boom in het bos ten noorden van het plangebied aanwezig is. Deze soort werd namelijk al 5 minuten vóór zonsondergang foeragerend waargenomen boven de waterpartij in het zuiden van het plangebied. Over het algemeen vliegt de Watervleermuis pas 15 minuten na zonsondergang uit.
De enige bomen die geschikt zijn om te functioneren als zomerverblijfplaats van watervleermuizen bevinden zich in het bos aan de noordzijde van het plangebied. Dit bosje blijft echter behouden waardoor geen negatieve effecten zijn op de verblijfplaats van de Watervleermuis en er geen overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming plaatsvinden. Wel moeten de volgende maatregelen getroffen worden in het kader van de zorgplicht:
Daarnaast dient in de nieuwe situatie de volgende maatregelen getroffen te worden:
Grondgebonden zoogdieren
Das
Er zijn meerdere waarnemingen gedaan van de strikt beschermde das. Daarnaast zijn er meerdere sporen (prenten, wissels en mestputjes) en een burcht gevonden. Naast dat er een verblijfplaats van dassen in het plangebied aanwezig is, vervult het gebied ook de functie van foerageergebied voor de das. De verstorende invloed van de geplande activiteiten is lastig in te schatten, omdat deze nog niet concreet zijn uitgewerkt. Desondanks is de toename van activiteit, al dan niet binnen 30 meter van de burcht, een belangrijke verstorende factor voor de storingsgevoelige das.
Op basis van het opgestelde compensatieplan en de daarbij behorende notitie (zie bijlage 13), kan de functionaliteit van de dassenburcht naar alle waarschijnlijkheid gewaarborgd worden. Hiermee is er voldoende basis voor het aanvragen en verkrijgen van een ontheffing.
De volgende mitigerende maatregelen zullen in ieder geval getroffen worden:
Om verstoring van de aanwezige dassenburcht zo goed mogelijk te voorkomen adviseert Das&Boom de aanleg van een houtwal (inclusief grondwal) rondom dit gebied, deels aansluitend op de al bestaande houtwal. De burchten zelf zijn extra gevoelig voor verstoring. In dit geval adviseert Das&Boom een zone met een straal van minimaal 30 meter rond de burcht zodanig in te richten dat deze de burchten zo goed mogelijk beschermt tegen verstorende activiteiten. Dat kan gerealiseerd worden de houtwal in westelijke richting te verschuiven, waardoor de rustzone wordt afgeschermd. De strook grasland (gras, klavermengsel), die daarmee voor de dassenburcht behouden blijft, wordt toegankelijk gemaakt met loopplanken over de sloot en een paar hagen.
Het hele door houtwallen ingesloten gebied wordt ontoegankelijk gemaakt voor mensen door het plaatsen van een hekwerk met een minimale hoogte van 1,2 meter. Om ervoor te zorgen dat dassen ook kunnen blijven foerageren in deze zone dient een dassenvriendelijk beheer te worden ingesteld. Dat betekent dat er voor wordt gezorgd dat de bodemfauna op peil blijft (mestgift) en dat het gras kort wordt gehouden. De beste manier om dit uitgangspunt te bereiken is door het inscharen van vee (de nieuwe beplanting moet dan wel worden ingerasterd).
Omdat lastig is in te schatten hoe de dassen gaan reageren op de verstorende activiteiten rond hun burcht, is ondanks de geadviseerde zone van 30 meter niet uit te sluiten, dat de aanwezige burcht verlaten wordt. In de bosschage zijn echter meerdere momenteel onbelopen pijpen beschikbaar, die verder verwijderd liggen van die verstorende activiteiten. Er kan een extra mogelijkheid voor het maken van een nieuwe burcht worden aangeboden in de vorm van een opgeworpen terp met daarin een aantal gresbuizen.
Aangezien het bosje erg open is (en de verwachting is, gezien de leeftijd van de aanwezige populieren, dat dit nog opener gaat worden) adviseert Das&Boom de ondergroei in het bosgebied opnieuw aan te planten met autochtoon bosplantsoen en ontoegankelijk te maken voor koeien.
Behoud foerageermogelijkheden
Voor een hoofdburcht is het van essentieel belang, dat er binnen een straal van 500 meter voldoende voedselaanbod (primair voedselgebied zoals grasland met voldoende aanbod van regenwormen) en beschutting aanwezig is (blijft).
De nu aanwezige foerageergebieden van de dassen zijn;
Na het realiseren van de plannen verdwijnt het aangrenzend westelijk weiland, het aangrenzend zuidelijk weiland en de aangrenzende akker in het oosten. Das&Boom adviseert om in ieder geval het aangrenzend stukje weiland direct ten oosten van het bosje te behouden als foerageermogelijkheid in de directe omgeving. De andere foerageermogelijkheden blijven bereikbaar via twee faunapassages onder de Dijkgraaf de Leeuwweg in het noorden en via drie migratieroutes (elk bestaande uit een houtwal/haag met een minimale breedte van 7 meter). Deze verbindingszones zijn indicatief aangegeven en kunnen in overleg opgaan in de verdere inrichtingsplannen voor het gebied. Uitgangspunt blijft dat deze zones functioneel moeten zodat alle bestaande foerageergebieden ongehinderd toegankelijk blijven voor de das. Verder wordt aan de zuidzijde van het plangebied een oost-west georiënteerde migratieroute aangebracht, om de toegankelijkheid van omliggend fourageergebied te optimaliseren.
De voornoemde mitigerende maatregelen zijn vertaald in het Landschappelijk inpassingsplan, dat als bijlage 2 bij de regels is opgenomen. Middels een voorwaardelijke verplichting is de realisatie en instandhouding van de verschillende landschapselementen gewaarborgd. Het bouwen en/of wijzigen van het bestaande gebruik is uitsluitend toegestaan indien voorzien is in de benodigde mitigerende maatregelen ten behoeve van de das. Bij het aanvragen van de ontheffing worden de mitigerende maatregelen in samenwerking met Das&Boom verder uitgewerkt.
Steenmarter
Er is geen verblijfplaats van de steenmarter in het plangebied. Het plangebied maakt wel onderdeel uit van de functionele leefomgeving van de steenmarter. De waarnemingen geven aan dat de steenmarter voornamelijk het bos in het noorden van het plangebied gebruikt als foerageergebied. Hij komt namelijk vanuit het noordoosten het gebied binnen. Het bos ten noorden van het plangebied en het daarvan oostgelegen perceel zijn (onderdeel van) een essentieel foerageergebied van de steenmarter. Dit komt omdat er meerdere keren een steenmarter is waargenomen in het plangebied. Het plangebied biedt een zeer geschikte foerageerhabitat en er is geen vergelijkbaar habitat in een straal van 500 meter. Aangezien de voorgenomen plannen niet plaatsvinden in het gebied waar de steenmarter foerageerd, zullen er geen permanente significante negatieve effecten optreden voor de steenmarter. Mogelijk zijn er wel tijdelijk negatieve effecten tijdens de werkzaamheden en het aanleg van het recreatiepark in de vorm van vertoring en versnippering. Echter kunnen deze tijdelijke effecten door het treffen van mitigerende maatregelen voorkomen danwel verzacht worden.
Omdat het bos en het grasveld direct ten oosten hiervan (onderdeel zijn van) een essentieel foerageergebied is dienen deze behouden en/of ontwikkeld te worden ten behoeve van deze soort. Ook dient de watergang in het noorden van het gebied behouden te blijven of in de nieuwe situatie geschikt gemaakt te worden, zodat de steenmarter deze kan blijven gebruiken om het foerageergebied te bereiken. Daarnaast dient tijdens de werkzaamheden rekening gehouden te worden met deze soort door in ieder geval de volgende maatregelen te treffen:
Door het treffen van de bovenstaande mitigerende maatregelen worden er geen verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming overtreden en is er geen ontheffing nodig.
Vogels met een vaste verblijfsplaats
Verblijfplaatsen van de buizerd, sperwer, boomvalk, steenuil en de ransuil, zijn jaarrond beschermd onder de Wet natuurbescherming. Binnen het plangebied zijn nesten en boomholtes aangetroffen die mogelijk dienst doen als broedlocatie voor de buizerd, sperwer, boomvalk, steenuil of de ransuil. Om de functie van het plangebied voor deze soorten te bepalen en om aanwezigheid van jaarrond beschermde verblijfplaatsen binnen het plangebied aan te kunnen tonen, dan wel uit te kunnen sluiten is aanvullend onderzoek uitgevoerd.
Uit de inventarisaties blijkt er een vaste verblijfplaats van een buizerd aanwezig te zijn in het westen van het plangebied, in de houtsingel rondom het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 58. Daarnaast kan door het aantal waarnemingen ook gesteld worden dat het gebied valt onder de functionele leefomgeving van deze soort. Dit geldt ook voor de bosuil waarvan gesteld kan worden dat het bos in het noorden en de bomen in het westen onderdeel uitmaken van de functionele leefomgeving van deze soort.
Buizerd
De boom waar de buizerdhorst zich in bevindt blijft behouden. Door de volgende maatregelen tijdens de werkzaamheden te treffen is verstoring van de horst uit te sluiten:
De volgende maatregelen dienen genomen te worden in de nieuwe situatie:
Om de duurzame instandhouding van de vaste verblijfsplaats te waarborgen is in dit bestemmingsplan de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone - natuurwaarden' opgenomen. Ter plaatse van deze aanduiding is het bouwen en gebruik van de gronden uitsluitend toegestaan indien een ontheffing is verleend en afdoende compenserende maatregelen zijn genomen.
Eén paartje buizerd maakt gebruik van het plangebied als functionele leefomgeving. Het bos in het noorden van het plangebied wordt gebruikt als zitplaats en om te foerageren. Alle waarnemingen van een buizerd waarin deze aan het foerageren en/of aan het rusten is, zijn gedaan in het bos aan de noordzijde van het plangebied, dat behouden zal blijven. Het zuiden en oosten van het plangebied zijn slechts een onderdeel van het territorium van dit paartje Buizerd en zijn niet als essentieel bevonden voor het behoud van het nest. De nieuwe ontwikkelingen zoals het aanleggen van een recreatiepark zullen geen negatieve invloed hebben op de gehele functionele leefomgeving van deze soort. De gebieden die dit paartje gebruikt krijgt de bestemming 'Natuur' en worden ontoegankelijk gemaakt voor mensen. Daarnaast zal de toename van bezoekers in het plangebied om dezelfde reden geen negatief effect hebben op de buizerd.
Mogelijk zijn er wel tijdelijke negatieve effecten op het essentiële foerageergebied tijdens de werkzaamheden. De volgende maatregelen dienen genomen te worden om verstoring van de essentiële foerageergebieden, zitplekken e.d. te voorkomen tijdens de werkzaamheden:
De staat van instandhouding van de Buizerd is op plaatselijk, regionaal en landelijk niveau gunstig. De geschikte habitats liggen niet geïsoleerd, maar komen desondanks in de verdrukking door o.a. intensief landgebruik. Door het uitvoeren van de werkzaamheden zal de staat van instandhouding van de Buizerd niet verslechteren. Het essentieel foerageergebied dat gebruikt wordt door de Buizerd wordt namelijk volledig gehandhaafd en zal op de lange termijn mogelijke geschikter worden door extensief beheer.
Bosuil
De bosuilen maken enkel gebruik van het bos en de houtsingel rondom het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 58. Omdat zowel het bosje als de housingel behouden blijven, zullen de werkzaamheden geen nadelig effect hebben op dit deel van de functionele leefomgeving. Daarnaast heeft de Bosuil geen jaarrond beschermd nest en functionele leefomgeving indien er voldoende alternatieve locaties aanwezig zijn. In het bos ten noorden van het plangebied zijn voldoende alternatieve nestlocaties aanwezig. Om deze reden zijn er, ten aanzien van de Bosuil, geen overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming plaatsvinden. Naast de algemene zorgplicht hoeven dan ook geen verdere maatregelen getroffen te worden.
Amfibieën
Het plangebied vormt een geschikt leefgebied voor de beschermde kamsalamander en een matig geschikt leefgebied voor de beschermde poelkikker. Middels aanvullend onderzoek is bepaald of deze soorten ook daadwerkelijk binnen het plangebied aanwezig zijn.
Poelkikker
De poelkikker maakt gebruik van de watergangen centraal in het plangebied als voortplantingswater. De grasvelden in het plangebied worden gebruikt om te foerageren en als overwinteringsgebied. Door het gebied te gebruiken voor recreatieve doeleinden en hier ook gastenverblijven te plaatsen zullen bij de werkzaamheden poelkikkers verwond en/of gedood worden. Daarnaast verdwijnt het foerageergebied en overwinteringsgebied. De voorgenomen plannen zullen daarom een negatief effect hebben op het foerageergebied en op het overwinteringsgebied van de poelkikker. Omdat de populatie en zijn functionele leefomgeving niet duurzaam behouden kan blijven, dient er een ontheffing aangevraagd te worden.
Daarnaast moeten in ieder geval de volgende compenserende maatregelen getroffen worden:
Bij het verplaatsen van deze populatie dient deze gesitueerd te worden in een geschikt gebied die minimaal tweemaal zo groot is als het gebied waar de populatie vandaan komt. Daarnaast dient de verplaatste populatie niet geïsoleerd te zijn; exemplaren moeten de mogelijkheid hebben zich te kunnen verplaatsen naar een andere populatie. Door in ieder geval de bovenstaande compenserende maatregelen te treffen kan worden aangenomen dat een ontheffing verleend wordt.
De staat van instandhouding van de Poelkikker is op plaatselijk, regionaal en landelijk niveau matig ongunstig. De poelen en geschikte habitats liggen geïsoleerd en komen in de verdrukking door o.a. landgebruik en versnippering. Het vangen en relocatiseren van deze populatie poelkikkers zal de staat van instandhouding niet verslechteren mits de populatie uitgezet wordt in een geschikt habitat waar nog geen poelkikkers aanwezig zijn. Er wordt hierbij bij voorkeur voor een locatie gekozen waarbij mogelijkheden gecreëerd worden tot uitwisselen met andere bestaande populaties.
De procedure voor het aanvragen van een ontheffing is inmiddels opgestart. Volledigheidshalve is in de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarbij het bouwen en gebruik van de gronden met de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' afhankelijk is gesteld van het verkrijgen van een ontheffing.
Kamsalamander
Tijdens de inventarisaties naar eieren en volwassen individuen zijn geen kamsalamanders aangetroffen. Het gebied is ook matig geschikt voor de Kamsalamander vanwege de beschutting en het ontbreken van open plekken waar de Kamsalamander zich op zou kunnen warmen. Tijdens de inventarisaties zijn er alleen groene kikkers waargenomen en gedetermineerd.
Vissen
In het oppervlaktewater binnen het plangebied zijn geen beschermde vissoorten aangetroffen. Verdere maatregelen of een ontheffing zijn daarom, ten aanzien van deze soortgroep, niet nodig. Ten aanzien van de (onbeschermde) in de watergang voorkomende vissen dient wel altijd de algemene zorgplicht in acht te worden genomen.
Watergebonden ongewervelden
De platte schijfhoren is niet aangetroffen in het oppervlaktewater binnen het plangebied. Om deze redenen bestaan er ten aanzien van deze soort geen verplichtingen vanuit de Wet natuurbescherming en zijn een ontheffing of maatregelen niet nodig.
Vaatplanten
Binnen het plangebied zijn geen beschermde vaatplanten aangetroffen. Deze worden op basis van biotoopkenmerken van het plangebied ook niet verwacht. Om deze reden bestaan er, anders dan de algemene zorgplicht, geen verplichtingen vanuit de Wet natuurbescherming ten aanzien van vaatplanten.
Zorgplicht
Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht uit artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Manieren om aan de zorgplicht te voldoen zijn bijvoorbeeld:
In het kader van de voorliggende ontwikkeling is een notitie inzake gebiedsbescherming opgesteld. De resultaten zijn hieronder beknopt verwoord, de volledige rapportage is als bijlage bij de toelichting opgenomen.
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het NatuurNetwerk Nederland (NNN)/Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het beschermingsregime voor het GNN en de GO geldt slechts voor gronden die daarbinnen liggen, dus externe werking hoeft niet getoetst te worden. Het is niet op voorhand uitgesloten dat er een toename van verstoring in nabij liggende GNN- of GO-gebieden zal zijn, doordat de recreatiedruk rondom het recreatiepark toeneemt. Mogelijk ondervinden – bijvoorbeeld – pleisterende watervogels meer verstoring door bezoekers aan de Moringerwaarden. Vanuit de Omgevingsverordening is dit echter geen belemmering om het bestemmingsplan vast te stellen.
Het plangebied ligt niet in of nabij Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Rijntakken, dat op tenminste 5,5 km afstand ligt. Op deze afstand zijn externe effecten door verstoring van fauna (geluid, licht, optische effecten) uitgesloten. Alleen stikstofdepositie kan nog een rol spelen, aangezien die in principe ook op grote afstanden van de bron kan optreden. Derhalve heeft een onderzoek naar stikstofdepostie plaatsgevonden. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder beknopt beschreven, de volledige rapportage is als bijlage 8 bij de toelichting opgenomen.
Resultaten onderzoek stikstofdepositie
De stikstofdepositie als gevolg van de ontwikkeling en het verkeer is berekend met het verspreidingsmodel AERIUS Calculator 2016L. De huidige situatie (wegverkeer en pluimveebedrijf) is hierbij vergeleken met de toekomstige situatie (wegverkeer en stikstofemissies door recreatiepark). AERIUS berekent de depositie in beide situaties en het verschil; de planbijdrage.
De rekenresultaten volgen direct uit AERIUS Calculator en zijn weergegeven in bijlage 8. In tabel 4.12 staat de maximale planbijdrage van het project opgenomen. Deze maximale bijdrage is een direct gevolg van de verkeerstoename op de N323, die door het Natura 2000-gebied de Rijntakken heen loopt.
Tabel 4.13: stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Rijntakken
Afbeelding 4.4: Toename stikstofdepositie als gevolg van de ontwikkeling
In afbeelding 4.4 is te zien dat één hexagoon direct langs de N323 een depositietoename heeft die groter is dan 1 mol/ha/jr. Voor een strook langs de N323 wordt verder een depositietoename tussen 0,05 en 1 mol/ha/jr berekend. Dit is het gevolg van de verkeerstoename op de route naar de A15.
Gelet op het voorgaande is de planbijdrage hoger dan de grenswaarde waarboven een vergunningaanvraag nodig is; die grenswaarde is voor de Rijntakken 0,05 mol/ha/jaar. De stikstofdepositie als gevolg van de voorliggende ontwikkeling heeft dus mogelijk een negatief effect op stikstofgevoelige beschermde natuurwaarden in de Rijntakken. Om inzicht te krijgen in deze effecten is een voortoets uitgevoerd. In deze voortoets zijn de effecten van de berekende depositietoenames op 'ZGLg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied' (maximaal 1,04 mol N/ha/j) en 'ZGLg08 Nat, matig voedselrijk grasland' (maximaal 0,11 mol N/ha/j) beoordeeld. Voor de overige leefgebieden en habitattypen worden geen toenames berekend en kunnen negatieve effecten op voorhand worden uitgesloten. De resultaten van de voortoets zijn hieronder weergegeven, de volledige rapportage is als bijlage 15 bij de toelichting opgenomen.
Resultaten voortoets
Het bestemmingsplan veroorzaakt een toename van stikstofdepositie binnen zoekgebied voor de leefgebieden Lg08 en Lg11. Dit zijn gebieden waarvan niet zeker is dat deze daadwerkelijk een functie hebben voor de relevante soorten. De leefgebieden 'Lg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied' en 'Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland' zijn in potentie relevant voor de kwartelkoning. 'Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland' is daarnaast in potentie relevent voor de watersnip.
In totaal is een depositietoename berekend voor 34 hexagonen. Hierbinnen is minder dan 0,1 ha ZGLg08 aanwezig en 11,7 ha ZGLg11. In het merendeel van de hexagonen (18 van de 34) is in 2022 geen sprake van een overschrijding van de KDW van LG08 en LG11, ook niet inclusief de planbijdrage, en kunnen negatieve effecten op voorhand worden uitgesloten. Voor de resterende hexagonen moet worden beoordeeld of de toename in stikstofdepositie in combinatie met de overschrijding van de KDW een belemmering kan vormen voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van kwartelkoning en watersnip. Om hier een uitspraak over te kunnen doen is op basis van beschikbare gegevens bepaald of de hexagonen in het invloedsgebied een functie vervullen voor deze soorten.
Uit de voortoets blijkt dat de onderzochte hexagonen geen functie vervullen voor de kwartelkoning. In Nederland heeft de kwartelkoning een voorkeur voor laat gemaaide graslanden en met name in Groningen en Flevoland voor akkers (met luzerne en wintergraan). De kwartelkoning is kieskeurig; alleen graslanden waar de vegetatie minimaal 20 centimeter hoog is, die kruidenrijk zijn en waar weinig bemest is, komen in aanmerking als broedgebied. In het rivierengebied komt de soort vrijwel alleen tot broeden in gebieden met kwartelkoningbeheer (uitgestelde maaidatum). Dergelijke gebieden zijn niet aanwezig in de onderzochte hexagonen of de omgeving. De afgelopen jaren heeft de kwartelkoning hier dan ook geen broedterritoria gehad, ook niet in de ruimere omgeving. Territoria zijn wel bekend van de Leeuwensche Uiterwaard op circa 1 kilometer ten oosten van het invloedsgebied waar met zekerheid geen negatieve effecten optreden. Op basis hiervan kan worden gesteld dat door te toename van stikstofdepositie de draagkracht van het Natura 2000-gebied voor de kwartelkoning niet wordt aangetast. Significant negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstelling van de kwartelkoning kunnen op voorhand worden uitgesloten.
De watersnip broedt in de Rijntakken in kleine aantallen langs de Neder-Rijn en incidenteel in de Gelderse Poort. Voor de watersnip vervullen de hexagonen geen functie als broedgebied, er zijn van de afgelopen jaren geen broedgevallen bekend en geschikt broedgebied in de vorm van vochtige hooilanden en extensief beweide natte graslanden met een stabiel waterpeil van 0-20 centimeter beneden het maaiveld ontbreekt hier. Op basis hiervan kan worden gesteld dat door te toename van stikstofdepositie de draagkracht van het Natura 2000-gebied voor de watersnip niet wordt aangetast. Significant negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstelling van de watersnip kunnen op voorhand worden uitgesloten.
Overigens leidt de voorgenomen ontwikkeling in veel gebieden tot een depositieafname, doordat het bestaande pluimveebedrijf wordt beëindigd. De maximaal berekende afname in de depositie bedraagt maximaal -2,5 mol/ha/jr. In onderstaande afbeelding is weergegeven op welke hexagoons sprake is van een verbetering ten opzichte van de huidige situatie (alle donkergroene hexagoons).
Afbeelding 4.5: planeffect op Natura 2000-gebieden in de omgeving.
Soortenbescherming
In het voorliggende plangebied zijn diverse beschermde soorten aangetroffen. Het gaat om vleermuizen, de das en steenmarter, een buizerd, bosuil en poelkikker. Ten aanzien van vleermuizen, de steenmarter, buizerd en bosuil wordt geconcludeerd dat geen overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming plaatsvinden. Voor de das en poelkikker dient ontheffing te worden aangevraagd. Deze ontheffingsaanvraag is inmiddels in gang gezet. Om te voorkomen dat overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb plaatsvindt, is in de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Daarbij is het bouwen en gebruik van de gronden afhankelijk gesteld van het verkrijgen van een ontheffing. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken en de voorgestelde mitigerende maatregelen is voldoende aannemelijk gemaakt dat ontheffing verkregen kan worden. Het aspect flora en fauna vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het NatuurNetwerk Nederland (NNN)/Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het plangebied is evenmin gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Wel bevindt zich ten noorden van het plangebied het Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Uit een onderzoek naar stikstofdepositie blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een zeer lokale toename van de stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied Rijntakken binnen het zoekgebied voor de leefgebieden Lg11 en Lg08. Andere effecten kunnen worden uitgesloten. De leefgebieden 'Lg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied' en 'Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland' zijn in potentie relevant voor de kwartelkoning. 'Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland' is daarnaast in potentie relevent voor de watersnip. De toename in stikstofdepositie leidt echter niet tot een verlaging van de draagkracht van het Natura 2000-gebied voor de kwartelkoning en de watersnip, omdat de locatie niet van belang is voor deze soorten en merendeels geen sprake is van een overschrijding van de KDW. De instandhoudingsdoestellingen van het Natura 2000-gebied Rijntakken komen daardoor niet in gevaar. Significant negatieve effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten. De Wet natuurbescherming staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. Bovendien leidt de voorgenomen ontwikkeling op een groot aantal hexagonen/gebieden tot een depositieafname, doordat het bestaande pluimveebedrijf wordt beëindigd.
Omdat de toename aan stikstofdepositie de grenswaarde van 0,05 mol/ha/jaar overschrijdt, dient er voor het voorgenomen plan te zijner tijd een vergunning te worden aangevraagd. Op het moment van uitvoering van het onderzoek is geconstateerd dat er vergunningsruimte vanuit het PAS beschikbaar is. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting ten aanzien van stikstofdepositie opgenomen. Daarin is bepaald dat activiteiten die leiden tot een toename van stikstofdepositie op verzuring gevoelige Natura 2000 gebieden, uitsluitend zijn toegestaan indien een vergunning in het kader van de Wnb is verleend en onherroepelijk is.
Erfgoedwet
De Erfgoedwet bundelt de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen golden, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling. Waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden.
In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2021 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. Het gaat daarbij om de volgende zaken:
In het kader van het voorliggende bestemmingsplan zijn diverse archeologische onderzoeken uitgevoerd:
In het vervolg van deze paragraaf zijn de conclusies van de uitgevoerde bodemonderzoeken beknopt weergegeven, de volledige rapportages zijn als bijlage bij de toelichting opgenomen.
Onderzoekslocatie 1
Gedurende het onderzoek zijn er geen eenduidige archeologische indicatoren aangetroffen. In het verleden zijn geen vondsten gemeld binnen de grenzen van het onderzoeksgebied. Op grond van de huidige staat van kennis zijn beperkende en/of beschermende maatregelen dan ook niet benodigd. Archeologisch vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
Onderzoekslocatie 2
De resultaten van het archeologisch veldonderzoek geven geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. Evenmin zijn tijdens het inventariserende veldonderzoek archeologische resten gevonden waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden.
Onderzoekslocatie 3
Op basis van het bureauonderzoek was een onbekende archeologische verwachting voor het plangebied opgesteld voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het
Midden-Neolithicum en een lage verwachting voor nederzettingsresten uit het Laat-Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Het booronderzoek heeft uitgewezen dat het plangebied tot een diepte van 2,0 m beneden maaiveld uit een nat en laag gelegen komgebied bestaat dat ongeschikt was voor bewoning. Op basis hiervan blijft de onbekende verwachting uit het bureauonderzoek voor vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum tot en met Midden-Neolithicum gehandhaafd met uitzondering van de locatie rondom boring 25 waar deze naar laag is bijgesteld. Daarnaast blijft de lage verwachting voor nederzettingsresten uit het Laat-Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd gehandhaafd.
Aangezien de kans dat een vindplaats binnen het plangebied aanwezig is laag wordt ingeschat, vormt de voorgenomen ontwikkeling geen bedreiging voor het archeologische bodemarchief. Op grond van de vastgestelde natte en lage ligging van het plangebied (binnen een komgebied) en daarmee gepaarde lage archeologische verwachting wordt geen archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd.
Dijkgraaf de Leeuwweg 59
Op het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 59 zijn geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voorzien. Het perceel is overeenkomstig het bestemmingsplan 'Archeologie West Maas en Waal' voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Voor de verschillende archeologische (verwachtings)waarden zijn afzonderlijke gebiedsaanduidingen opgenomen: 'overige zone - waarde archeologie 4' en 'overige zone - waarde archeologie 5'. Voor een aantal werkzaamheden op of in deze gronden is een omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) vereist in het kader waarvan een afweging kan worden gemaakt tussen de activiteit en de te beschermen waarden.
Op basis van de kaart 'Historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie' van de provincie Gelderland zijn er geen cultuurhistorische waardevolle objecten of structuren in het plangebied aanwezig.
Archeologie
Op basis van verschillende archeologische onderzoeken blijkt dat de archeologische verwachtingswaarde in het voorliggende plangebied laag is. Vervolgonderzoek wordt niet nodig geacht. Het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 59 is voorzien van een archeologische dubbelbestemming. Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmeringen voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
Cultuurhistorie
Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij
het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat
bijvoorbeeld om de aanwezigheid van straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke.
In het voorliggende plangebied zijn geen leidingen of andere belemmeringen aanwezig die een planologische bescherming behoeven, of die de planuitvoering in de weg staan.
Om inzicht te bieden in de mate van verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling, die met dit bestemmingsplan wordt gefaciliteerd, moet de verkeersaantrekkende werking worden bepaald. Deze is inzichtelijk gemaakt in de 'Notitie verkeersonderzoek BP De Acht Morgen'. De belangrijkste conclusies zijn hieronder overgenomen, de volledige notitie is als bijlage 19 bij de toelichting opgenomen.
Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van CROW-publicatie 317 "kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" (2012). Voor de berekening van de verkeersgeneratie is uitgegaan van de maximale aantallen, uitgaande van een ligging in het buitengebied én de stedelijkheidsgraad op basis van adressendichtheid "niet stedelijk". Voor de functies in het bestemmingsplan waarvoor het CROW geen verkeersgeneratie heeft bepaald, zijn aannames gemaakt op basis van het aantal benodigde parkeerplaatsen, eerdere onderzoeken of expert judgement.
In onderstaande tabel is de verkeersgeneratie voor Landgoed De Acht Morgen en het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 58 weergegeven. Hierin is rekening gehouden met een 'dubbeltelling' en een maximale beperking ten aanzien van het aantal overnachtingsplaatsen en brutovloeroppervlak in m2. Omdat de outdoor-evenementen incidenteel zijn (maximaal 12 keer per jaar) is deze functie in de tabel apart weergeven.
| Locatie | Verkeersgeneratie ritten/etmaal | |
| Landgoed De Acht Morgen | 1.980 | |
| Dijkgraaf de Leeuwweg 58 | 508 | |
| Totaal | 2.487 | |
| Op evenementdagen | 4.437 | |
Tabel 4.14: verkeersgeneratie.
In de voornoemde notitie zijn de huidige verkeersstromen op de Dijkgraaf de Leeuwweg en N329 geteld. Op basis van de snelste routes in de reisplanner van Google Maps is aangenomen dat 55% van de bezoekers via de N329 rijdt, 35% via de Dijkgraaf de Leeuwweg en 10% richting Appeltern. Wanneer de verkeersgeneratie ten gevolge van het planvoornemen bij de getelde intensiteit wordt opgeteld, blijkt dat de wegen rondom de ontwikkeling het extra verkeer in 2030 kunnen verwerken. De verwachte intensiteiten op de Dijkgraaf de Leeuwweg, 3.451 mvt/etmaal op evenementdagen en 2.768 mvt/etmaal exclusief evenementen), zijn passend voor een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom. Daarnaast zijn de verwachte intensiteiten op de N329, 6.605 mvt/etmaal op evenementdagen en 5.533 mvt/etmaal exclusief een evenement, passend voor een gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom.
Het aspect 'verkeer' vormt derhalve geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
Ter waarborging van voldoende parkeergelegenheid dient de toekomstige parkeerbehoefte te worden bepaald. Deze is inzichtelijk gemaakt in de 'Notitie verkeersonderzoek BP De Acht Morgen'. De belangrijkste conclusies zijn hieronder overgenomen, de volledige notitie is als bijlage 19 bij de toelichting opgenomen.
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is gebruik gemaakt van CROW-publicatie 317 "kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" (2012). Voor de berekening van de parkeerbehoefte is uitgegaan van de maximale aantallen, uitgaande van een ligging in het buitengebied én de stedelijkheidsgraad op basis van adressendichtheid 'niet stedelijk'. Voor de functies in het bestemmingsplan waarvoor het CROW geen verkeersgeneratie heeft bepaald, zijn aannames gemaakt op basis van het aantal benodigde parkeerplaatsen, eerdere onderzoeken of expert judgement.
In onderstaande tabel is de parkeerbehoefte voor Landgoed De Acht Morgen en het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 58 weergegeven. Hierin is rekening gehouden met een 'dubbeltelling' en een maximale beperking ten aanzien van het aantal overnachtingsplaatsen en brutovloeroppervlak in m2.
| Locatie | Benodigd aantal parkeerplaatsen |
| Landgoed De Acht Morgen | 1.226 |
| Dijkgraaf de Leeuwweg 58 | 168 |
| Totaal | 1.394 |
| Op evenementdagen | 2.369 |
Tabel 4.15: benodigd aantal parkeerplaatsen.
Omdat de toekomstige uitwerking van het recreatiegebied nog niet volledig is uitgekristalliseerd, is er in het voorliggende bestemmingsplan een specifieke regeling ten aanzien van parkeren opgenomen. In de overige regels is bepaald dat bij het bouwen en/of het wijzigen van het bestaande gebruik voorzien moet worden in de aanleg en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid. Daarbij wordt gebruik gemaakt van het vigerende gemeentelijke parkeerbeleid. Thans is het gemeentelijk parkeerbeleid vastgelegd in de 'Nota Parkeren 2019' van de gemeente West Maas en Waal, zoals deze door de gemeenteraad is vastgesteld op 24 januari 2019. Indien deze parkeernota in de toekomst wordt herzien zijn burgemeester en wethouders bevoegd het door de gemeenteraad gewijzigde beleid overeenkomstig van toepassing te verklaren. Daarmee is de realisatie van voldoende parkeergelegenheid voldoende gewaarborgd. Parkeren dient geheel binnen het plangebied te worden opgelost.
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.
In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012 en de Wabo. Daarnaast is zoveel mogelijk aangesloten bij andere bestemmingsplannen van de gemeente West Maas en Waal. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningvrije bouwwerken opgenomen.
Opzet bestemmingsplan
De ontwikkeling van Landgoed De Acht Morgen en de transformatie van het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 58 betreffen beide (verblijfs)recreatieve ontwikkelingen, die gefaseerd worden ontwikkeld en gerealiseerd. Doordat marktomstandigheden en/of inzichten kunnen veranderen en de architectonische ontwerpen en het inrichtingsplan nog nader uitgewerkt moeten worden, is een bepaalde mate van flexibiliteit gedurende het ontwikkelingstraject gewenst. Bovendien kan zo beter ingespeeld worden op specifieke wensen vanuit de toekomstige exploitanten of eventuele doelgroepen.
Het toekomstige recreatiegebied is grotendeels voorzien van een globale eindbestemming. Op grond van deze bestemming geldt een rechtstreekse bouwtitel. De globale eindbestemming is inhoudelijk gestoeld op een stedenbouwkundig verkenning, maar biedt de nodige flexibiliteit. Omdat het een nog te realiseren recreatiegebied betreft en de exacte situering en vorm van de verschillende gebouwen nog niet bekend is, zijn ruime bouwmogelijkheden opgenomen. Door deze opzet wordt de gewenste flexibiliteit gedurende het ontwikkelingstraject gecreëerd.
In het vervolg van deze paragraaf worden de regels kort toegelicht.
Begrippen
In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
Wijze van meten
Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
Bestemmingsomschrijving
Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijven, wonen, centrum etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies.
Bouwregels
In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding.
Afwijken van de bouwregels
In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels.
Specifieke gebruiksregels
In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de doeleindenomschrijving.
Afwijken van de gebruiksregels
In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels.
In deze paragraaf zijn de feitelijk in het plan voorkomende bestemmingen beschreven. Per bestemming is kort toegelicht welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden.
Het agrarische perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 59 is overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan voorzien van de bestemming 'Agrarisch - Komgebied'. Deze bestemming is één-op-één overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan, met uitzondering van het toegestane gebruik (bestemmingsomschrijving) en enkele overbodige bepalingen. Deze overbodige bepalingen zijn komen te vervallen. Daarnaast is het bestaande bedrijf voorzien van een maatwerkbestemming. Dat betekent dat de gronden uitsluitend zijn bestemd voor het bestaande grondgebonden agrarische bedrijf, zijnde een melkveebedrijf met rundvee. In aanvulling daarop zijn de gronden (conform het vigerende plan) tevens bestemd voor het behoud, beheer en/of herstel van de landschappelijke en ecologische waarden, de uitoefening van nevenfuncties bij agrarische bedrijven, het uitoefenen van een beroep aan huis of een bedrijf aan huis, ondergeschikte detailhandel in eigen vervaardigde producten en streekgeproduceerde producten, extensief recreatief medegebruik en kleinschalige voorzieningen voor de verkoop van streek geproduceerde (agrarische) producten.
Op grond van de bestemming 'Agrarisch - Komgebied' kan de bestaande bedrijfsvoering voortgezet worden, maar is een eventuele omschakeling naar andere vormen van grondgebonden agrarische bedrijvigheid en/of niet-grondgebonden agrarische bedrijvigheid aan voorwaarden verbonden. Het bevoegd gezag kan middels een afwijkingsbevoegdheid een omgevingsvergunning verlenen voor het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van andere vormen van grondgebonden agrarische bedrijvigheid en/of niet-grondgebonden agrarische bedrijvigheid, mits voldaan wordt aan de daaraan gestelde voorwaarden. Wel blijft het mogelijk het bestaande melkveebedrijf met rundvee uit te breiden, uitsluitend met dezelfde diersoort.
De bestemming 'Gemengd' is opgenomen voor het perceel Dijkgraaf de Leeuwweg 58. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor bedrijfsmatig geëxploiteerde verblijfsrecreatie (in categorie 1 t/m 4), een bed & breakfast, horeca (in categorie 2), een indoor-speeltuin (met bijbehorende voorzieningen), ambachtelijke bedrijvigheid in milieucategorie 1 en 2 en een stalling voor caravans en/of boten. De bestaande houtsingel is voorzien van een aanduiding. Ter plaatse zijn de gronden uitsluitend bestemd voor de instandhouding van een houtsingel.
Binnen de bestemming is een ruime bebouwingsregeling opgenomen, die de nodige flexibiliteit biedt. Wel zijn er in de gebruiksregels beperkingen opgenomen ten aanzien van het te realiseren programma. Per functie is een maximum gesteld aan het brutovloeroppervlak (b.v.o.). Voor de verblijfsrecreatieve nachtverblijven is een maximum gesteld aan het aantal overnachtingsplaatsen (236).
Het bestaande bos en de omliggende gronden, alsmede de bosschages aan de noord- en westzijde van De Put zijn voorzien van de bestemming 'Natuur'. Ter plaatse zijn de gronden bestemd voor het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van de natuurwetenschappelijke en landschappelijke waarden, bos en bosbouw en waterhuishoudkundige voorzieningen, met daaraan onderschikt paden en nutsvoorzieningen. De bebouwingsmogelijkheden binnen deze bestemming zijn nihil. Ook de aanleg van verharding is niet zonder meer mogelijk.
De bestemming 'Recreatie' is toegekend aan de oevers van de waterplas, ook wel bekend als 'De Put'. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor dagrecreatie. Bouwen binnen de bestemming is niet mogelijk.
Recreatie - Verblijfsrecreatie
Het nieuwe recreatieterrein is voorzien van de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie'. Deze bestemming biedt ruime bouw- en gebruiksmogelijkheden en daarmee veel flexibiliteit bij de uiteindelijke uitwerking van het recreatiegebied. Binnen de bestemming zijn de gronden in ieder geval bestemd voor bedrijfsmatige geëxploiteerde verblijfsrecreatie (in categorie 1 t/m 4), bedrijfswoningen en horeca in categorie 1 en 2. Het voorzieningencluster wordt geconcentreerd ter plaatse van de aanduiding 'cultuur en ontspanning'. Aldaar zijn de gronden tevens bestemd voor een indoor-activiteitencentrum, theater, zwembad, wellnesscentrum, congrescentrum, evenementenhal, sport- en spelruimten, horeca in categorie 3, 4 en 5 en een parkwinkel. Ondergeschikt aan de voorgenoemde voorzieningen wordt er tevens ruimte geboden voor activiteitgebonden horeca en ondersteunende detailhandel. Evenementen (outdoor) zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'evenemententerrein'. Ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' zijn de gronden uitsluitend bestemd voor parkeren.
Binnen de bestemming is een ruime bebouwingsregeling opgenomen, die de nodige flexibiliteit biedt. Wel zijn er in de gebruiksregels beperkingen opgenomen ten aanzien van het te realiseren programma. Per functie is een maximum gesteld aan het brutovloeroppervlak (b.v.o.). Voor de verblijfsrecreatieve nachtverblijven is een maximum gesteld aan het aantal overnachtingsplaatsen.
Tot slot is een specifieke regeling opgenomen voor evenementen, om te voorkomen dat omwonenden onaanvaardbare geluidhinder ervaren.
Water
De waterplas aan de zuidzijde van het plangebied - ook wel bekend als 'De Put' - is voorzien van de bestemming 'Water'. Binnen deze bestemming zijn de gronden in ieder geval bestemd voor waterlopen en waterpartijen. Daar zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsrecreatie' mede bestemd voor verblijfsrecreatie in categorie 1 t/m 4.
Bouwen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsrecreatie'. Binnen de bestemming is een ruimte bebouwingsregeling opgenomen, die de nodige flexibiliteit biedt. Wel zijn er in de gebruiksregels beperkingen opgenomen ten aanzien van het te realiseren programma.
Water - A Watergang
De aanwezige A-watergangen in het plangebied zijn voorzien van de bestemming 'Water - A-watergang'. Binnen deze bestemming zijn de gronden in ieder geval bestemd voor A-watergangen en andere waterhuishoudkundige doeleinden waaronder het ontvangen, bergen en/of afvoeren van water met de daarbij behorende oeverstroken. De bouwmogelijkheden binnen de bestemming zijn zeer beperkt.
De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ is opgenomen ter bescherming van mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden. Voor de verschillende archeologische (verwachtings)waarden zijn afzonderlijke gebiedsaanduidingen opgenomen: 'overige zone - waarde archeologie 4' en 'overige zone - waarde archeologie 5'.
Voor een aantal werkzaamheden op of in deze gronden is een omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) vereist in het kader waarvan een afweging kan worden gemaakt tussen de activiteit en de te beschermen waarden. De voorwaarden voor wanneer een omgevingsvergunning is vereist is afhankelijk van de archeologische (verwachtings)waarden en is gekoppeld aan de verschillende gebiedsaanduidingen.
Waterstaat - Waterstaatkundige functie
Ten behoeve van het onderhoud van de A-watergangen in het plangebied is bepaald dat een strook van 4 meter in principe onbebouwd dient te blijven. Een en ander is geregeld middels de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterstaatkundige functie'. Voor het oprichten van bouwwerken en voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, ten behoeve van de onderliggende bestemming, geldt dat in principe advies moet worden ingewonnen van de waterbeheerder.
Anti-dubbeltelregel
Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Algemene bouwregels
Deze bepaling bevat algemene regels omtrent bestaande afstanden en maten.
Algemene gebruiksregels
In dit artikel is in algemene zin aangegeven wanneer sprake is van strijdig gebruik met de regels
uit het bestemmingsplan.
Algemene aanduidingsregels
Aanvullend op de regels die bij de bestemmingen zijn gegeven gelden bijzondere bepalingen die met een aanduiding op de geometrische plaatsbepaling zijn weergegeven. In dit bestemmingsplan is de aanduiding ‘Vrijwaringszone - natuurwaarden’ opgenomen ten behoeve van de aangetroffen vaste verblijfsplaats van de buizerd. De gronden ter plaatse van deze aanduiding mogen niet gebruikt worden ten dienste van de in hoofdstuk 2 van de regels genoemde bestemmingen, tenzij een ontheffing is verleend voor het verstoren van deze verblijfsplaats en afdoende compenserende maatregelen zijn getroffen. Deze aanduiding is opgenomen om te voorkomen dat de buizerdhorst verstoord wordt. Uitzondering op voornoemde bepaling vormen werken die in het kader van normaal onderhoud en beheer verricht moeten worden, zoals het onderhouden van het terrein.
Algemene afwijkingsregels
Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen waarin nog een aantal algemene afwijkingen is opgenomen. Het betreft hier onder meer een standaardregeling die beperkte afwijkingen in de maatvoering bij de uitvoering van bouwplannen mogelijk maakt.
Algemene wijzigingsregels
In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier onder andere om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Tevens is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om het Landschappelijk inpassingsplan, dat als bijlage 2 bij de regels is opgenomen, te vervangen door een nieuw landschappelijk inpassingsplan, mits voldaan wordt aan de gestelde voorwaarden.
Overige regels
In de overige regels is een regeling voor parkeren opgenomen. Indien op grond van één van de in het voorliggende plan opgenomen bestemmingen wordt gebouwd dan wel het gebruik wordt gewijzigd, dient voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de 'Nota Parkeren 2019' van de gemeente West Maas en Waal, zoals deze op 24 januari 2019 door de gemeenteraad is vastgesteld. In de betreffende parkeernota zijn de parkeernormen voor de gemeente vastgelegd. Indien deze nota in de toekomst herzien wordt, dient getoetst te worden aan de rechtsopvolger(s) van de voorgenoemde nota. Voor de functies die niet zijn benoemd in het vigerende gemeentelijke parkeerbeleid, worden de meest recente parkeerkencijfers van het CROW toegepast.
Naast de regeling voor parkeren, is tevens een voorwaardelijke verplichting opgenomen om de realisatie en instandhouding van voldoende waterberging te waarborgen. De regeling sluit aan bij de harde eisen die waterschap Rivierenland stelt aan nieuwe ontwikkelingen.
Overgangsrecht
Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet.
Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens bestaat op grond van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.
Omdat de gemeente de nog te ontwikkelen gronden niet geheel in eigendom heeft, is een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer(s) gesloten. Daarmee zijn de kosten voor de planontwikkeling anderszins verzekerd en is het opstellen van een exploitatieplan niet aan de orde. Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.
Conform ex artikel 3.1.1. van het Bro moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
In het kader van het vooroverleg is het voorliggende bestemmingsplan toegezonden aan diverse overlegpartijen. Gedurende de reactietermijn zijn in totaal drie overlegreacties ingekomen. Deze zijn samengevat en beantwoord in de notitie 'Inspraak- en vooroverleg verslag "Buitengebied, Gouden Kans Appeltern"', dat als bijlage 21 bij de toelichting is opgenomen.
Het voorontwerpbestemmingsplan is, conform de gemeentelijke inspraakverordening, voorafgaand aan de formele bestemmingsplanprocedure voor inspraak vrijgegeven. Gedurende de inspraaktermijn is een ieder in de mogelijkheid gesteld schriftelijke en/of mondeling te reageren op het bestemmingsplan.
In totaal zijn zes inspraakreacties ontvangen. Deze zijn samengevat en beantwoord in de notitie 'Inspraak- en vooroverleg verslag "Buitengebied, Gouden Kans Appeltern"', dat als bijlage 21 bij de toelichting is opgenomen.
Na afronding van het vooroverleg is de formele bestemmingsplanprocedure gestart. De aanpassingen die volgden uit de overlegreacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Daarnaast hebben er tevens ambtshalve wijzigingen plaatsgevonden.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 6 december 2018 tot en met 16 januari 2019 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Ook zijn de stukken voor kennisgeving aan de wettelijke overlegpartners toegezonden.
Tevens heeft er op 19 december 2019 een informatieavond plaatsgevonden, waarbij het bestemmingsplan is toegelicht aan omwonenden en andere belanghebbenden.
Gedurende de inzagetermijn zijn in totaal negen zienswijzen ingekomen. Deze zijn samengevat en beantwoord in de 'Nota beantwoording zienswijzen en ambtshalve aanpassingen bestemmingsplan Landgoed De Acht Morgen e.o.', die als bijlage 22 bij de toelichting is opgenomen.
Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging heeft de gemeenteraad een besluit genomen over de vaststelling van het bestemmingsplan. Het voorliggende plan is vastgesteld op 4 april 2019.
Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan.