| Plan: | Boven-Leeuwen, Pastoor Schoenmakersstraat ong. |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0668.BOVPastSchoenmong-BOH1 |
Voorliggend bestemmingsplan maakt een drietal ontwikkelingen mogelijk in het buitengebied van gemeente West Maas en Waal. Initiatiefnemer is in het bezit van twee bedrijfslocaties, ter plaatse van de Steenstraat 15 en de Molenstraat 2 in Boven-Leeuwen. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening en optimale bedrijfsvoering is het wenselijk om deze twee bedrijfslocaties samen te voegen.
In de huidige situatie wordt de bedrijfslocatie aan de Steenstraat ontsloten via een weg die door een woonwijk loopt. Het feit dat (zwaar) transportverkeer van en naar deze locatie zich verplaatst via deze woonwijk is onwenselijk en kan voorkomen worden door de bedrijfslocatie te 'verplaatsen'. Logischerwijs wordt de bedrijfslocatie aan de Steenstraat 15 daarom verplaatst naar de bedrijfslocatie aan de Molenstraat 2. Hier, aan de Molenstraat, bevindt zich het overgrote deel van het bedrijf van de initiatiefnemer. Door de twee bedrijfslocaties samen te voegen (de locatie aan de Steenstraat te verplaatsen) wordt de bedrijfsvoering gecentraliseerd. Dit gaat gepaard met de volledige stop van verplaatsingen van (zwaar) transport verkeer door de woonwijk, wat de 'goede ruimtelijke ordening' ten goede komt.
Door een bestaande schuur ter plaatse van de Molenstraat 2 uit te breiden worden de bedrijfslocaties samengevoegd. Daarnaast heeft de ontwikkeling landschappelijke meerwaarde omdat het verdwijnen van de machineberging-schuur aan de Steenstraat bijdraagt aan het open karakter van het landschap van Boven- en Beneden-Leeuwen.
De derde ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt is de realisatie van een vrijstaande eengezinswoning aan de Pastoor Schoenmakersstraat ongenummerd (schuin tegenover Pastoor Schoenmakersstraat 6). Met de realisatie van deze woning wordt de westelijke entree van Boven-Leeuwen aantrekkelijker omdat er wordt geïnvesteerd in groen en landschappelijk karakter.
Kortom, onderhavig planvoornemen, bestaande uit de hierboven beschreven ontwikkelingen, draagt bij aan de 'goede ruimtelijke ordening' van de omgeving van Boven-Leeuwen en daarmee de gemeente West Maas en Waal. De beoogde ontwikkelingen zijn binnen het vigerende bestemmingsplan niet mogelijk, derhalve dienen de drie locaties opnieuw bestemd te worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een passende juridisch-planologische verankering van de voorgenomen ontwikkeling.
Het plangebied bestaat uit drie locaties. Ter wille van de duidelijkheid worden de drie locaties eerst per stuk beschreven en vervolgens ten opzichte van elkaar.
Steenstraat 15
Dit plangebied ligt ten westen van het dorp Boven-Leeuwen en wordt ontsloten middels de Steenstraat in de richting van het dorp. Het plangebied maakt onderdeel uit van een perceel dat kadastraal bekend staat als Gemeente Wamel, sectie N, nummer 38. Het perceel heeft een totaal oppervlakte van circa 14.050 m2, het plangebied wat kleiner is, beslaat circa 1.317 m2 en is in onderstaande figuur globaal weergegeven.
Figuur 1.1: ligging en begrenzing van het plangebied Steenstraat 15.
Molenstraat 2
Dit plangebied ligt ten zuiden van het dorp Boven-Leeuwen en wordt ontsloten middels de Molenstraat. Het plangebied maakt onderdeel uit van een perceel dat kadastraal bekend staat als Gemeente Wamel, sectie N, nummer 643. Het perceel heeft een totaal oppervlakte van circa 39.200 m2, het plangebied wat kleiner is, beslaat circa 1.600 m2 en is in onderstaande figuur globaal weergegeven.
Figuur 1.2: ligging en begrenzing van het plangebied Molenstraat 2.
Pastoor Schoenmakersstraat ongenummerd
Dit plangebied ligt ten westen van het dorp Boven-Leeuwen en wordt ontsloten middels de Pastoor Schoenmakersstraat. Het plangebied staat kadastraal bekend staat als Gemeente Wamel, sectie N, nummer 35. Het plangebied heeft een totaal oppervlakte van circa 1.320 m2 en is in onderstaande figuur globaal weergegeven.
Figuur 1.3: ligging en begrenzing van het plangebied Pastoor Schoenmakersstraat ongenummerd.
Plangebieden t.o.v. elkaar
Onderstaande figuur laat de liggingen van de drie plangebieden ten opzichte van elkaar zien. De figuur laat duidelijk zien hoe de Steenstraat 15 wordt ontsloten middels een weg welke uitkomt in een woonwijk. Door de aanwezige bedrijfslocatie samen te voegen ter plaatse van de Molenstraat 2 wordt de bedrijfsvoering gecentraliseerd waardoor transportbewegingen van (zwaar)verkeer worden voorkomen en de woonwijk wordt ontzien. Het plangebied waar de vrijstaande eengezinswoning wordt gerealiseerd vormt duidelijk de entree naar Boven-Leeuwen.
Figuur 1.4: situering plangebieden ten opzichte van elkaar.
Ter plaatse van alle plangebieden geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied West Maas en Waal' welke in 2014 onherroepelijk is geworden. In de loop der jaren hebben er een aantal correcties plaatsgevonden, deze hebben echter geen gevolgen voor voorliggend plan. Daarnaast geldt in alle plangebieden het bestemmingsplan 'Archeologie West Maas en Waal', hier wordt in paragraaf 4.4.1 Archeologie nader op ingegaan. Onderstaand wordt per plangebied beschreven wat de vigerende bestemmingen zijn.
Steenstraat 15
Onderstaande figuur geeft de ter plaatse van de Steenstraat 15 vigerende bestemmingen weer, de rode omlijning geeft de globale ligging van het plangebied weer.
Figuur 1.5: uitsnede van het bestemmingsplannen 'Buitengebied West Maas en Waal' en 'Archeologie West Maas en Waal' ter plaatse van de Steenstraat 15.
Enkelbestemming: 'Agrarisch - Oeverwal'
Deze gronden zijn bestemd voor agrarische doeleinden en grondgebonden agrarische bedrijven.
Enkelbestemming: 'Bedrijf'
Deze gronden zijn voornamelijk bestemd voor de uitoefening van een niet-agrarisch bedrijf en bedrijven in milieucategorie 1 tot en met 4 met daarbij behorende gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken, in- en uitritten, groenvoorzieningen, erfverhardingen en parkeervoorzieningen.
Dubbelbestemming: 'Waarde - Archeologie' & Gebiedsaanduiding: 'overige zone - waarde archeologie 3 & 4'
Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de verwachtte en reeds vastgestelde archeologische waarden. Ten noorden van de door de schuur lopende grijze lijn geldt de waarde 3, ten zuiden van de lijn geldt de waarde 4. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'waarde archeologie 3' zijn, bodemingrepen groter dan 1.000 m² en dieper dan 100 cm of/dan wel ophogen groter dan 1.000 m2 en hoger dan 70 cm, alleen toegestaan indien een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden en / of een omgevingsvergunning voor het bouwen is verkregen. Voor de gebiedsaanduiding 'waarde archeologie 4' geldt het bovenstaande voor bodemingrepen groter dan 1.000 m² en dieper dan 150 cm of/dan wel ophogen groter dan 1.000 m2 en hoger dan 70 cm.
Functieaanduiding: 'bedrijfswoning uitgesloten'
Binnen de enkelbestemming 'Bedrijf' zijn bedrijfswoningen mogelijk. Ter plaatse van het plangebied wordt dit uitgesloten middels deze functieaanduiding.
Molenstraat 2
Onderstaande figuur geeft de ter plaatse van de Molenstraat 2 vigerende bestemmingen weer, de rode omlijning geeft de globale ligging van het plangebied weer.
Figuur 1.6: uitsnede van het bestemmingsplannen 'Buitengebied West Maas en Waal' en 'Archeologie West Maas en Waal' ter plaatse van de Molenstraat 2.
Enkelbestemming: 'Agrarisch met waarden - Komgebied'
Deze gronden zijn bestemd voor agrarische doeleinden en grondgebonden agrarische bedrijven.
Dubbelbestemming: 'Waarde - Archeologie' & Gebiedsaanduiding: 'overige zone - waarde archeologie 2'
Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de verwachtte en reeds vastgestelde archeologische waarden. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'waarde archeologie 2' zijn, bodemingrepen groter dan 500 m² en dieper dan 40 cm of/dan wel ophogen groter dan 500 m2 en hoger dan 70 cm, alleen toegestaan indien een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden en / of een omgevingsvergunning voor het bouwen is verkregen.
Gebiedsaanduiding: 'Ecologische hoofdstructuur'
Voor het gehele plangebied geldt de gebiedsaanduiding 'Ecologische hoofdstructuur'. De EHS was de voorganger van het Natuurnetwerk Nederland en bestaat niet langer. Voor gronden waar de gebiedsaanduiding van toepassing was gold dat ingrepen niet toegestaan tenzij aangetoond is dat de ingrepen de ecologische kernkwaliteiten en omgevingscondities van de ecologische hoofdstructuur niet aantasten. Omdat de EHS niet meer bestaat zijn deze regels niet van toepassing. Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland.
Pastoor Schoenmakersstraat ongenummerd
Onderstaande figuur geeft de ter plaatse van de Pastoor Schoenmakersstraat ongenummerd vigerende bestemmingen weer, de rode omlijning geeft de globale ligging van het plangebied weer.
Figuur 1.7: uitsnede van het bestemmingsplannen 'Buitengebied West Maas en Waal' en 'Archeologie West Maas en Waal'.
Enkelbestemming: 'Agrarisch - Oeverwal'
Deze gronden zijn bestemd voor agrarische doeleinden en grondgebonden agrarische bedrijven.
Dubbelbestemming: 'Waarde - Archeologie' & Gebiedsaanduiding: 'overige zone - waarde archeologie 2 & 3'
Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de verwachtte en reeds vastgestelde archeologische waarden. Ten noorden van de door het perceel lopende grijze lijn geldt de waarde 2, ten zuiden van de lijn geldt de waarde 3. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'waarde archeologie 2' zijn, bodemingrepen groter dan 500 m² en dieper dan 40 cm of/dan wel ophogen groter dan 500 m2 en hoger dan 70 cm, alleen toegestaan indien een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden en / of een omgevingsvergunning voor het bouwen is verkregen. Voor de gebiedsaanduiding 'waarde archeologie 3', geldt het bovenstaande voor bodemingrepen groter dan 1.000 m² en dieper dan 100 cm of/dan wel ophogen groter dan 1.000 m2 en hoger dan 70 cm .
Omdat de voorgenomen ontwikkeling niet past binnen de vigerende bestemmingsplannen is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een passend juridisch-planologisch kader.
Steenstraat 15
Initiatiefnemer is voornemens om de bedrijfslocatie ter plaatse van de Steenstraat 15 te 'verplaatsen' naar de Molenstraat 2. Op de locatie aan de Steenstraat zal daarom geen bedrijvigheid meer plaatsvinden. De bedrijfsbestemming wordt omgezet naar een agrarische bestemming dit sluit aan bij de aangelegen gronden. Er is daarmee geen sprake van strijdigheid.
Molenstraat 2
Het planvoornemen is om de bedrijfslocatie aan de Steenstraat 15 te 'verplaatsen' naar de Molenstraat 2. Idealiter gebeurt dit door de op de Molenstraat 2 aanwezige schuur aan de zuidzijde uit te breiden. Naast het feit dat dit de meest praktische ontwikkeling is, heeft dit ook de minst invloed op de landschappelijke inpassing. De bestaande aanduidingsgrens van de enkelbestemming 'Bedrijf' ligt tegen de achterzijde van de in de huidige situatie aanwezige schuur. De plek waar de uitbreiding moet komen te staan kent de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden - Komgebied'. Binnen deze bestemming is de uitbreiding van een schuur ten behoeve van reguliere bedrijfsvoering niet toegestaan. Om de verplaatsing mogelijk te maken moet het de agrarische bestemming ter plaatse van de uitbreiding worden herbestemd tot 'bedrijf'.
Pastoor Schoenmakersstraat ongenummerd
In de huidige situatie is het perceel in agrarisch gebruik, er bevindt zich een grasweide. Het planvoornemen is om hier een vrijstaande eengezinswoning te realiseren. Dit is niet mogelijk binnen de vigerende bestemming 'Agrarisch - Oeverwal'. Om de realisatie van een woning mogelijk te maken is het noodzakelijk de bestemming 'Wonen' op het perceel te realiseren.
Het bestemmingsplan "Boven-Leeuwen, Pastoor Schoenmakersstraat ong." bestaat uit de volgende stukken:
De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en moeten in samenhang 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels gekoppeld teneinde de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de omschrijving, motivering en verantwoording van het bestemmingsplan.
Het bestemmingsplan bestaat uit de drie planonderdelen verbeelding, regels en de voorliggende toelichting. De toelichting is als volgt opgebouwd:
Boven-Leeuwen maakt deel uit van de gemeente West Maas en Waal. In totaal liggen acht woonkernen verspreid over het grondgebied van de gemeente. Dit betreffen Altforst, Appeltern, Alphen, Dreumel, Beneden-Leeuwen, Maasbommel, Wamel, en Boven-Leeuwen. De voor dit initiatief relevante plangebieden zijn gelegen in het buitengebied van dit laatste dorp.
Ruimtelijke ontwikkelingen zijn van alle tijden. Op onderstaande historische kaartuitsnedes zijn de drie plangebieden door de tijd weergeven. Te zien is dat alle drie locaties tot 1970 onbebouwd waren en de locatie aan de Pastoor Schoenmakersstraat tot op heden.
Steenstraat 15
Molenstraat 2
Pastoor Schoenmakersstraat ongenummerd
Figuur 2.1: historische kaarten van de plangebieden en hun omgeving.
Voorliggend bestemmingsplan richt zich op drie plangebieden. Per plangebied wordt hieronder beschreven wat de bestaande situatie is.
Steenstraat 15
In de huidige situatie is dit plangebied bestemd als agrarisch en bedrijf. De locatie wordt gebruikt voor de berging van (zware) (transport) machines. Deze staan opgeslagen in de schuur (zie figuur 2.2.) Het gebied wordt omsloten door agrarische percelen, ten oosten van het plangebied, vanwaar de rechter foto op onderstaande figuur is genomen, ligt een woonwijk welke onderdeel uitmaakt van Boven-Leeuwen. Het gebied beslaat circa 1.317 m2 .
De omgeving wordt gekenmerkt door de openheid van het landschap. Vanaf de woonwijk gezien is de schuur de enige vorm van bebouwing tot aan de Tesstraat verder naar het westen. De schuur kan daarom als landschapontsierend worden beschouwd. De Steenstraat, welke het plangebied ontsluit, loopt door een woonomgeving. De omgeving van het plangebied kan wordt getypeerd als buitengebied.
Figuur 2.2: zuidelijke luchtaanzichtfoto en aanzicht vanaf de Steenstraat.
Figuur 2.3: Steenstraat bestaande inrichting
Molenstraat 2
In de huidige situatie bestaat dit plangebied uit als 'agrarisch' bestemde gronden welke worden gebruikt voor opslag en het longeren (in rondjes laten lopen) van paarden (zie figuur 2.4). Het plangebied ligt aangrenzend aan de bedrijfslocatie van de initiatiefnemer. In onderstaande figuur is te zien dat het plangebied geen agrarisch gebruik kent. Het gebied beslaat circa 1.600 m2.
De omgeving van het plangebied kenmerkt zich door de grote openheid en agrarische percelen. Ten zuidwesten van de locatie bevindt zich nog een agrarisch bedrijf. Aan de overzijde van de Van Heemstraweg, ten noorden van het plangebied, begint de bebouwde kom van Boven-Leeuwen. Hier bevinden zich verscheidende woningen. Het plangebied en de direct omgeving zijn te typeren als buitengebied.
Figuur 2.4: zuidelijke luchtaanzichtfoto en aanzicht vanaf de Molenstraat.
Figuur 2.5: Molenstraat 2(a) bestaande inrichting
Pastoor Schoenmakersstraat ongenummerd
Dit plangebied betreft een als 'agrarisch' bestemd perceel dat ook als zodanig gebruikt wordt in de vorm van grasland (zie figuur 2.6.). Het gebied wordt aan de noordzijde begrenst door de openbare weg, te weten de Pastoor Schoenmakersstraat. Aan de andere zijden wordt het perceel omsloten door agrarisch gronden. Aan de overzijde van de Pastoor Schoenmakersstraat bevindt zich een woning. Het plangebied ligt ten westen van Boven-Leeuwen op de rand van het buitengebied. Circa 50 meter naar het westen begint het stedelijk gebied van het dorp met onder andere de basisschool 'De Mariaschool', de Sint-Willibrordus kerk en woningen. Het gebied beslaat circa 1.320 m2 .
De omgeving van het plangebied kan worden getypeerd als buitengebied liggend in de overgang naar stedelijk gebied. Zij kan daarom worden aangemerkt als entree van het dorp vanwege de overgang van landschap naar bebouwd gebied.
Figuur 2.6: zuidelijke luchtaanzichtfoto en aanzicht vanaf de Pastoor Schoenmakersstraat.
Figuur 2.7: Pastoor Schoenmakersstraat ongenummerd bestaande inrichting.
Voorliggend bestemmingsplan maakt de 'verplaatsing' van de schuur aan de Steenstraat 15, en daarmee de uitbreiding van de schuur aan de Molenstraat 2, mogelijk, alsmede de realisatie van een vrijstaande eengezinswoning aan de Pastoor Schoenmakersstraat.
De in de bestaande situatie aanwezige schuur wordt ontmanteld en verwijderd. Ook de in het plangebied aanwezige verharding wordt verwijderd. Hiermee krijgt de locatie een open, meer natuurlijke, uitstraling wat aansluit bij de omliggende agrarische gronden. Het uitzicht vanuit Boven-Leeuwen op het open landschap van het buitengebied krijgt hiermee een kwalitatieve impuls. Daarnaast zullen er minder verkeersbewegingen van zwaar verkeer tussen de Steenstraat 15 en Molenstraat 2 plaatsvinden. De aanliggende woonwijk zal hierdoor minder overlast ervaren van het transport. Voor de gevolgen voor de waterhuishouding wordt verwezen naar 2.2.2.3.
Figuur 2.8: Steenstraat 15 beoogde inrichting.
De bestaande schuur voor de berging van machines aan de Molenstraat 2 wordt in de toekomstige situatie uitgebreid. De uitbreiding vindt plaats aan de zuidzijde van de schuur waar in de bestaande situatie (buiten)opslag van materiaal plaatsvindt. In onderstaande figuur 2.9 is de uitbreiding weergegeven. Te zien is dat de uitbreiding aansluit op het bestaande gebouw. Door de uitbreiding aan te laten sluiten op de reeds bestaande bebouwing springt zij minder in het oog op landschappelijk vlak. Figuur 2.10 toont een visualisatie van de uitgebreide schuur. Te zien is dat de uitbreiding qua ontwerp aansluit op de bestaande schuur.
Figuur 2.9: inrichtingstekening Molenstraat 2.
Figuur 2.10: visualisatie van de uitgebreide schuur.
Om te voorzien in de ruimtelijk inpassing van de schuur is een erfinrichtingsplan opgesteld, deze is bijgevoegd als Bijlage 1 Erfinrichtingsplannen. In de bestaande situatie zijn aan de westzijde van het plan een sloot en een beukenhaag gesitueerd. Bij de uitbreiding van de schuur zullen deze worden doorgetrokken in zuidelijke richting. Aan de oostzijde van de schuur staat een rij knotwilgen, deze zal in zuidelijke richting worden uitgebreid. Met de aanplant van deze vormen van groen ontstaat een algeheel groen ingepast erf rondom de schuur. Onderstaande figuur 2.11 toont een impressie van de beoogde inrichting.
Figuur 2.11: Erfinrichting Molenstraat toekomstige situatie.
De bedrijfsbebouwing ter plaatse van de Molenstraat 2(a) wordt uitgebreid. Tevens wordt nieuwe verharding gerealiseerd. Als gevolg van onderhavig bestemmingsplan wordt een toename van 437 m2 verharding mogelijk gemaakt. Er geldt daarom een waterbergingsopgave van 19,05 m3 . Deze wordt ingevuld middels de verbreding van de bestaande watergang ten westen van het plangebied met 63,51 m2.
Aan de Pastoor Schoenmakersstraat wordt een nieuwe woning gerealiseerd. Onderstaand wordt ingegaan op de van belang zijnde ruimtelijke aspecten.
Woning
De te realiseren woning zal gelegen zijn in het buitengebied, in de overgang naar de bebouwde kom. Qua ruimtelijke inpassing wordt er gekozen voor een zogeheten 'schuurwoning', dit sluit aan op de ruimtelijke structuur van het buitengebied. Bovendien krijgt de Pastoor Schoenmakersstraat hiermee een kwalitatieve impuls als entree naar het dorp Boven-Leeuwen. Er wordt gekozen voor een woning van één bouwlaag met kap. De toegestane maximum goothoogte is 6 meter en de bouwhoogte bedraagt maximaal 8 meter. Er is gekozen voor een ontwerp dat qua volume aansluit bij de in de omgeving reeds aanwezige woningen. Onderstaande figuren 2.12 en 2.13 geven een impressie van het volume en ontwerp.
Figuur 2.12: bouw- en goothoogte van de te realiseren woning.
Figuur 2.13: visualisatie van de te realiseren woning met aan te leggen bomensingel.
Infrastructuur
Ontsluiting
De woning wordt ontsloten vanaf de Pastoor Schoenmakersstraat, het perceel heeft reeds een inrit welke verhard zal worden. De inrit sluit qua omvang aan bij andere op de Pastoor Schoenmakersstraat ontsloten inritten.
Figuur 2.14: situatietekening woning en infrastructuur.
Parkeren
Met de komst van een nieuwe woning, neemt het aantal auto's toe. Het parkeren van auto's als gevolg van de realisatie van de woning moet plaatsvinden binnen de begrenzing van voorliggend plan. Het benodigde aantal parkeerplaatsen is afhankelijk van het type woning dat wordt gerealiseerd. Het parkeerbeleid van de gemeente West Maas en Waal is opgenomen in de 'Nota Parkeren 2019', hierin zijn ook de parkeernormen opgenomen.
Bij het bepalen van de parkeernorm speelt de ligging van een plangebied een belangrijke rol. In het parkeerbeleid van de gemeente West Maas en Waal wordt uitsluitend onderscheid gemaakt tussen de ligging ‘centrum’ en ‘rest bebouwde kom’. De ‘rest bebouwde kom’ omvat daarmee ook het gebied buiten de bebouwde kom. Reden hiervoor is dat de gemeente West Maas en Waal is aangemerkt als ‘niet stedelijk’. In deze categorie zijn de parkeernormen voor de ligging ‘rest bebouwde kom’ en ‘buitengebied’ hetzelfde.
Onderstaande parkeernormen dienen te worden gehanteerd bij voorliggend plan. In deze norm is het bezoekers aandeel meegenomen. Per woning wordt een bezoekers aandeel van 0,3 gehanteerd.
Tabel 1: parkeernormen 'Parkeernota West Maas en Waal'
| Type woning | Parkeernorm per woning / kamer |
| Woningen | 2,3 |
| Seniorenwoningen | 1,5 |
| Sociale huurwoning | 1,8 |
| Kamerverhuur, zelfstandig (niet-studenten) | 1 |
| Kamerverhuur, zelfstandig (studenten) | 0,3 |
| Aanleunwoning | 1,3 |
Het voorliggende plangebied ligt bestemmingsplan-technisch gezien in het buitengebied en behoord daarmee tot de categorie "rest bebouwde kom". Gelet op bovenstaande tabel dient er in het plan ruimte te zijn voor minimaal 2,3 parkeerplaatsen. In totaal dienen er derhalve 2,3 parkeerplaatsen aanwezig te zijn in het plan. In het inrichtingsplan is rekening gehouden met 2 parkeerplaatsen achter elkaar en één parkeerplaats direct naast het huis. Rekenwaarde voor twee achter elkaar gelegen parkeerplaatsen is 1,5. Het plan voorziet daarmee in 2,5 theoretische parkeerplaatsen en voldoet aan de parkeernorm van 2,3. Het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid.
Groen
Ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing is in de planvorming aandacht besteed aan creëren van waardevol groen. In dit kader is een erfinrichtingsplan opgesteld welke is bijgevoegd als Bijlage 1 Erfinrichtingsplannen. Bij de inrichting van het erf is een geleidelijk overgang tussen de bebouwing en het buitengebied het meest belangrijkste aandachtspunt. Het idee hierbij is gebruik te maken van oorspronkelijke landschapselementen zoals struweelhagen, hoogstam fruitbomen, scheerhagen, kruidenrijke bloemenmengsels maar ook solitaire bomen.
Derhalve wordt aan de westzijde van het perceel knotwilgen langs de waterkant worden aangeplant, haaks op de Pastoor Schoenmakersstraat. Deze singel draagt in positieve zin bij aan de geleidelijke overgang van het landschap naar de bebouwde kom. Daarnaast benadrukt de singel deze overgang van het open en weidse buitengebied naar de entree van de bebouwde kom.
Aan de zuidzijde van het perceel zal over de gehele breedte een struweelhaag worden aangeplant. Hierdoor zal er een natuurlijke afscheiding ontstaan tussen het open landschap en de nieuwe bebouwing. Deze struweelhaag is een ideale schuilplaats voor vogels en kleine zoogdieren. In deze struweelhaag zullen o.a. Gelderse roos, veldesdoorn, hazelaar en wilde liguster worden aangeplant.
In de huidige situatie bestaat het perceel uit agrarische grasgronden. Met de realisatie van de woning, inrit en tuininrichting wordt verharding toegevoegd. Het perceel blijft voor het overgrote deel onverhard. Hiermee blijft de groene uitstraling behouden.
Figuur 2.15: Erfinrichting Pastoor Schoenmakersstraat toekomstige situatie.
Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit grasland waar hemelwater kan infiltreren in de bodem. Als gevolg van de realisatie van de woning en ontsluiting wordt een deel van het plangebied verhard. De toename van het verhard oppervlak is, gelet op de omvang van de kavel, acceptabel. In totaal neemt het verhard oppervlak toe met circa 360 m2. Echter moet worden uitgegaan van een groter percentage perceelsverharding, namelijk 70%. Derhalve wordt gerekend met een verhardingstoename van 525 m2.
De Pastoor Schoenmakersstraat en de Steenstraat 15 maken uit van hetzelfde watersysteem. Ter plaatse van de Steenstraat wordt de bestaande bebouwing en aanwezige verharding verwijderd, in totaal circa 842 m2. Omdat de locaties deel uitmaken van hetzelfde watersysteem mogen de verhardingstoename en - afname tegen elkaar worden weggestreept. Het verhard oppervlak binnen het watersysteem neemt derhalve af met 317 m2. Met waterschap Rivierenland is afgestemd dat derhalve geen sprake is van een waterbergingsopgave voor dit onderdeel van de ontwikkeling. Voor een nadere toelichting van het aspect water wordt verwezen naar 4.3 Water.
In dit bestemmingsplan zijn drie ruimtelijke ontwikkelingen vastgelegd. Ten eerste wordt de bedrijfslocatie aan de Steenstraat 15 opgeheven en wordt de aanwezige bebouwing verwijderd. De bedrijfslocatie wordt verplaatst naar de Molenstraat 2 waar een bestaande bedrijfslocatie wordt uitgebreid. Tot slot wordt er een woning gerealiseerd aan de Pastoor Schoenmakersstraat. Middels voorliggend bestemmingsplan worden de locaties en posities van deze ontwikkeling vastgelegd. De maximale goot- en bouwhoogtes worden vastgelegd in de regels. Hiermee is de ruimtelijke kwaliteit van het plan geborgd.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren. In sommige gevallen moeten belangen worden afgewogen en scherper keuzes worden gemaakt. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie
In voorliggend plan is sprake van een lokale ontwikkeling waarmee geen Rijksbelangen zijn gemoeid. Het plan is dan ook niet in strijd met het Rijksbeleid zoals verwoord in de NOVI.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere planologische kernbeslissingen (pkb's) met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden.
De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling.
Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie
Het Barro bevat geen regels die van toepassing zijn voor het onderhavige plan. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit bestemmingsplan.
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), artikel 3.1.6., tweede lid, zijn eisen opgenomen waaraan een bestemmingsplan moet voldoen als dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zoals een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor de omgeving.
In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijkswegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, de EHS, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater, maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer en is het onderwerp duurzame verstedelijking in regelgeving opgenomen. Per 1 juli 2016 zijn er nog enkele wijzigingen van de Barro van kracht geworden. Deze wijzigingen hebben geen directe invloed op het voorliggende plan. Wel is de term 'Ecologische Hoofdstructuur' gewijzigd in 'Natuurnetwerk Nederland' ('NNN').
Daarom is het noodzakelijk dat in een bestemmingsplan, maar ook in een inpassingsplan van rijk of provincie of bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan, nadrukkelijk wordt stilgestaan bij de vraag of er behoefte is aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Ruimtebeslag
Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Inmiddels heeft jurisprudentie reeds bepaald bij welke minimale omvang sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Conform jurisprudentie is bij 11 woningen geen sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921) en bij 12 woningen wel sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953).
Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie
In het voorliggende plan vinden drie kleinschalige ontwikkelingen plaats. Er wordt één schuur gesloopt, er wordt één schuur uitgebreid en er wordt één woning gerealiseerd. De totale bebouwde oppervlakte neemt af. Er worden minder dan 11 woningen gerealiseerd. Blijkens jurisprudentie wordt een dergelijke kleinschalige ontwikkeling niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de Bro. De laddertoets hoeft niet doorlopen te worden.
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument.
Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.
Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'.
In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor:
- bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
- stedelijke ontwikkeling: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´
Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).
Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie
In het voorliggende plan vinden drie kleinschalige ontwikkelingen plaats. Er wordt één schuur gesloopt, er wordt één schuur uitgebreid en er wordt één woning gerealiseerd. De totale bebouwde oppervlakte neemt af. Er worden minder dan 11 woningen gerealiseerd. Blijkens jurisprudentie wordt een dergelijke kleinschalige ontwikkeling niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de Bro. De laddertoets hoeft niet doorlopen te worden.
Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening vastgesteld. In de visie staan de hoofdlijnen van het beleid en in de verordening de regels en afspraken om de opgaven uit de visie te realiseren. De beleidskaders zijn allebei op 1 maart 2019 in werking getreden.
De Omgevingsvisie en –verordening zijn dynamische instrumenten. Doordat wetten veranderen of door de komst van nieuwe initiatieven, kijkt de provincie 2 keer per jaar of de plannen moeten worden aangepast. De meest recente aanpassing is van 21 december 2022.
De wereld is continu aan verandering onderhevig waardoor er veel op de inwoners van Gelderland afkomt. Denk hierbij aan het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, digitalisering, internationalisering. Deze onderwerpen vragen stevige antwoorden en oplossingen als investering in de toekomst. Met de schaarse ruimte en de vele uiteenlopende belangen en inzichten gaat dit niet vanzelf. Er moeten keuzes worden gemaakt over de voorliggende vraagstukken en de betekenis daarvan voor de inrichting van Gelderland. In onderling overleg zoeken naar synergie, samenhang en uitruilmogelijkheden. Daarom zet de provincie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal.
Om Gelderland aantrekkelijk te houden voor inwoners en bedrijf is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang. Denk hierbij aan:
Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met zeer uiteenlopende stedelijke en landelijke woonkwaliteiten. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied het vertrekpunt van beleid. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en het concentreren van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan er aan de randen van steden of dorpen uitgebreid worden.
De dynamiek op de woningmarkt is momenteel erg groot. Mensen worden ouder, wonen steeds langer alleen en zelfstandig, worden steeds meer energiebewust en zijn mobieler dan vroeger, waardoor ze ook meer en makkelijker verhuizen. Het grootste deel van de woningen die in 2050 in Gelderland nodig zijn, staat er al. Maar deze woningen zijn niet klaar voor de toekomst en moeten aangepast of vervangen worden. Gelderland heeft de ambitie om een aanbod aan woningtypen en woonmilieus te hebben, dat past bij de diversiteit van de woningvraag; voor iedereen een passende (levensloopgeschikte), duurzame woning.
Voor de provincie staat een goede balans tussen de vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën voorop, ook voor specifieke doelgroepen. De meeste woningen zijn verre van energieneutraal en klimaatbestendig. De provincie stimuleert innovaties op dit terrein, zoals het aardgasloos maken van bestaande woningen en het verduurzamen van woonwijken. Daarnaast is de provincie met haar partners in gesprek over hoe het vraagstuk van klimaatadaptatie en wonen slimmer aangepakt kan worden.
Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie
Onderhavig plan betreft de realisatie van één woning waarbij wordt gebouwd voor feitelijke vraag vanuit de markt. Het plan sluit daarmee aan bij de ambitie van de provincie Gelderland om een aanbod aan woningtypen en woonmilieus te hebben, dat past bij de diversiteit van de woningvraag; voor iedereen een passende (levensloopgeschikte), duurzame woning.
De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem.
In de omgevingsverordening zijn regels en bepalingen over inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd. In de omgevingsverordening staan regels met betrekking tot woonlocaties. In artikel 2.1 (regionale woonagenda) staat dat per regio de gemeentebesturen een regionale woonagenda dienen op te stellen en een bestemmingsplan maakt nieuwe woningen alleen mogelijk als die ontwikkeling past binnen deze door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. Enkele voorwaarden daarbij zijn:
Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie
Het verplaatsen van één schuur ter uitbreiding van de schuur aan de Molenstraat en het realiseren van één woning past binnen het gemeentelijke beleid en daarmee ook binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma. Gesteld wordt dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 2.1 uit de Omgevingsverordening.
De colleges van de acht regiogemeenten hebben ingestemd met de Regionale woonagenda Rivierenland 2020-2030. Deze woonagenda is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met de provincie Gelderland. In deze samenwerkingsagenda zijn (woningbouw)afspraken tussen de gemeenten in de Regio Rivierenland onderling én tussen de regio en de provincie Gelderland vastgelegd. Hiermee vormt de regionale woonagenda een belangrijk kader voor de ontwikkeling van nieuwe woningen in de regio. Daarnaast bevat de agenda een thematische uitwerking van enkele (regionale) samenwerkingsprojecten.
West Maas en Waal
Wonen in West Maas en Waal gaat primair over de bestaande woningvoorraad en de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving; nieuwbouw is hieraan ondergeschikt. Om de kernen vitaal en leefbaar te houden is een goede kwaliteit van de leefomgeving en de bestaande woningvoorraad van groot belang.
De woningen die worden toegevoegd dienen dan ook primair bij te dragen aan de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van de kernen. De structuurvisie Dorpen en de daarbij horende Dorpskwaliteitsplannen vormen daarvoor de basis.
In de gemeentelijke woonvisie is verder opgenomen dat wordt uitgaan van het principe "de juiste woning, op de juiste plaats, op het juiste moment". Hiermee wil de gemeente vooral, maar niet uitsluitend, de lokale kwalitatieve vraag invullen. Dit principe is verder uitgewerkt in een toetsingskader woningbouw.
Dit toetsingskader is een verdeelmodel voor het toevoegen van woningen aan de woningvoorraad. De Woonvisie en de Structuurvisie Dorpen, met de daarbij horende Dorpskwaliteitsplannen, vormen samen de basis voor dit verdeelmodel. Hiermee stuurt de gemeente op kwaliteit, zowel volkshuisvestelijk als ruimtelijk. Plannen moeten een minimale puntenscore halen op basis van verschillende criteria. Aan verzoeken die de minimale puntenscore hebben gehaald en positief beoordeeld zijn op de overige aspecten wordt in principe medewerking verleend.
Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie
Het toetsingskader woningbouw is van toepassing op voorliggend plan. Deze toetsing heeft in de tweede helft van 2021 plaatsgevonden waarna op september 2021 een besluit is gemaakt, hieruit bleek dat het voldoet aan de minimale puntenscore. Het plan kan dus rekenen op medewerking van de gemeente. In hoofdstuk 3.3.5 Toetsingskader Woningbouw wordt nader ingegaan op de toetsing.
De gemeenteraad heeft de woonvisie 'Koers naar 2030, aanpak tot 2020' op 12 mei 2016 vastgesteld. Binnen de regio Rivierenland hebben de gezamenlijke gemeenten en corporaties een regionaal woningbehoefteonderzoek uitgevoerd. In de woonvisie zijn de belangrijkste conclusies uit dit regionale woningbehoefteonderzoek voor West Maas en Waal opgenomen. Vervolgens zijn de conclusies doorvertaald naar een kwalitatieve en kwantitatieve woningbehoefte voor de komende jaren met het voorstel om de woningbouwprogrammering in de gemeente deels anders (flexibel) in te steken.
De stabiliserende groei van de bevolking en de veranderingen in de bevolkingssamenstelling leiden tot een andere vraag naar woningen. In het regionale Woningbehoefteonderzoek wordt dit ook aangegeven. Er is minder behoefte aan woningen voor gezinnen en meer behoefte aan woningen die geschikt zijn voor één- en tweepersoonshuishoudens.
Het uitgangspunt dat in iedere kern woningen gerealiseerd moeten kunnen worden, staat nog steeds als een huis. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen particuliere en projectmatige initiatieven. De toekomstige ontwikkeling van de woningvraag is echter lastig te voorspellen. Deze is afhankelijk van een aantal factoren zoals de financieringsmogelijkheden, het consumentenvertrouwen en de identiteit van de kern.
Bij nieuwe initiatieven wordt concreter uitgegaan van de juiste woning, op de juiste plaats, op het juiste moment, waardoor beter ingespeeld kan worden op veranderingen (flexibiliteit) op de woningmarkt. De komende 10 jaar wil en kan de gemeente op deze wijze 300 woningen bruto (dat wil zeggen 1/3 van het totale woningbouwprogramma) aanvullend programmeren. 2/3e van het totale woningbouwprogramma blijft geprogrammeerd in de bestaande, vastgestelde woningbouwprojecten.
Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie
De woning die met dit plan wordt gerealiseerd wordt aangeboden als betaalbare koopwoning welke met name voor senioren is bedoeld. Het aanbod van dergelijke woningen is beperkt in Boven-Leeuwen. De woningen zijn, door hun voorzieningen op de begane grond, uitermate geschikt om er in de toekomst intensieve zorg in te kunnen verlenen. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt ingespeeld op de behoefte in de markt. Daarmee past de ontwikkeling binnen de woonvisie van de gemeente.
De gemeenteraad heeft in begin 2022 de Woonvisie 2022-2026 vastgesteld. Een belangrijk vertrekpunt voor deze Woonvisie is de Regionale Woonagenda Rivierenland 2020-2030. Daarnaast is een regionaal woningbouwprogramma opgesteld. Dit is een belangrijk kader voor de nieuwbouwprogrammering van de regiogemeenten. De nieuwe visie speelt in op de veranderende marktomstandigheden en de toenemende vraag naar woningen. In de visie stelt de gemeente dat in sommige kleinere dorpen de afgelopen jaren te weinig is gebouwd. Veel woningbouw is in Beneden-Leeuwen geland, terwijl er ook in de andere kernen behoefte aan nieuwe woningen was. Er moet daarom een achterstand worden ingehaald.
Tot 2030 is er in West Maas en Waal behoefte aan minimaal 870 woningen. Er zijn ook altijd projecten die niet of moeizaam verlopen, en daardoor niet of maar gedeeltelijk gerealiseerd worden. Om in te kunnen spelen op tegenvallers, zoals planuitval of vertraging, wordt gerekend met een marge +30% op de behoefte. De gemeente zet tot 2030 in op minimaal 1.130 woningen. Van het totaal aantal woningen dat toegevoegd moet worden, wordt 30% in de sociale huursector gerealiseerd.
In grotere nieuwbouwprojecten wordt ingezet op gedifferentieerde bouw, met een programma waarmee de woningvoorraad wordt gevuld. Dit betekent niet alleen de bouw van gezinswoningen, maar ook kleinere woningen voor starters en woningen voor senioren. Zo creëert de gemeente doorstroming en komen de bestaande gezinswoningen op termijn weer vrij voor nieuwe gezinnen. Voor Boven-Leeuwen bestaat voor de periode 2021-2030 een behoefte aan 130 nieuwe woningen.
Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie
Voorliggend plan voorziet in de realisatie van één vrijstaande eengezinswoning en sluit daarmee aan bij de kwantitatieve behoefte aan woningen in Boven-Leeuwen. Er is voldoende vraag naar vrijstaande eengezinswoningen in het buitengebied. Het plan is in overeenstemming met de visie.
De gemeente West Maas en Waal heeft de structuurvisie voor de dorpen vastgesteld op 30 april 2015. De structuurvisie is een uitwerking van de Visie Leefbaarheid Kernen 2030. Het ruimtelijk beleid voor de gemeente is erop gericht de leefbaarheid in de kernen te behouden en te verbeteren. Dit vraagt om een heldere weergave van het beleid op hoofdlijnen. Voor verschillende thema's, zoals wonen, werken, voorzieningen, milieu en veiligheid, zijn speerpunten en ambities opgesteld. Op onderhavig plan is het thema wonen van belang.
Uit de woningmarktscan 2011 van Companen blijkt dat er in de huidige situatie te weinig betaalbare woningen worden gerealiseerd of vrijkomen voor starters. In de huidige markt is er vrijwel alleen vraag naar grondgebonden woningen. Het is een algemeen uitgangspunt dat er, zowel in kwantitatief als in kwalitatief opzicht, wordt gebouwd naar behoefte. Naast de algemene visie op wonen binnen de gemeente West Maas en Waal wordt er ook een visie geschetst op de ruimtelijke ontwikkeling per dorp.
Visie voor Boven-Leeuwen
Om te komen tot een extra contigent woningbouw voor de komende jaren geeft de Structuurvisie Dorpen 2025 richting aan een aantal ruimtelijke opgaven aan in de kern Boven-Leeuwen. Boven-Leeuwen vormt een verbinding tussen de brede oeverwal en de Waalbandijk. De ruimtelijke hoofdstructuur van het dorp bestaat uit een aantal agrarische linten die haaks op de oeverwal liggen. Door de richting van deze linten heeft het dorp een sterke relatie met de brede uiterwaarden langs de Waal.
Voor Boven-Leeuwen worden zes ruimtelijke opgaven benoemd, waarvan één luidt 'Westzijde van het dorp'. Alle bovengenoemde plangebieden vallen in dit gebied. Van noord naar zuid loopt de Molenstraat door het gebied, zij is dan ook één van de belangrijkste ontsluitingswegen van Boven-Leeuwen. Rond de Molenstraat vinden de grootste ontwikkelingen plaats. Onderstaande figuur indiceert de ontwikkelingen die in de zone liggen. Middels blauwe punten zijn de drie plangebieden globaal aangegeven.
De structuurvisie identificeert de volgende ontwikkelingsprojecten.
'2.1 Nieuwe woningbouwlocatie'
Aansluitend op nieuwbouwlocatie de Leeuwenborgh kan een tweede fase worden gerealiseerd. Bij deze ontwikkeling kan het realiseren van een zachte dorpsrand voor de totale woningbouwlocatie worden meegenomen.
'2.2 Landschappelijke inpassing westrand'
De open ruimte ten oosten van het bedrijventerrein Waterstraat blijft gehandhaafd als landschappelijke scheiding tussen de twee kernen. Hiermee krijgt Boven-Leeuwen een herkenbare westrand.
'4.2 Bebouwingslinten als entree'
Een deel van de Florastraat voldoet niet aan de belevingswaarde van een historisch lint. Onderzocht kan worden hoe aan die belevingswaarde tegemoet komt. Zowel de Florastraat als de Molenstraat mogen een meer herkenbare entree vormen van het dorp. Een landschappelijke inrichting kan hieraan een goede bijdrage leveren.
Figuur 3.1: uitsnede illustratie 'Structuurvisie Dorpen 2025'
Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie
De combinatie van voorgenomen ontwikkelingen past binnen de structuurvisie. Het verdwijnen van de bedrijfslocatie aan de Steenstraat 15 (en herplaatsing naar de Molenstraat 2) gaat gepaard met de ontwikkeling van een vrijstaande eengezinswoning aan de Pastoor Schoenmakersstraat. De centralisatie van de bedrijfsvoering leidt tot een betere ruimtelijke ordening en het voorkomen van milieuhinder.
Steenstraat 15
Het verwijderen van de bedrijfslocatie aan de Steenstraat 15 komt met name het landschap ten goede. In de bestaande situatie ontsierd de schuur (de openheid) van het landschap. Het herplaatsen van deze bedrijfslocatie naar de Molenstraat 2 heeft een positieve uitwerking op de overgang van landschap naar bebouwde kom. Deze ontwikkeling sluit daarom goed aan op de structuurvisie.
Molenstraat 2
Zoals te zien is in bovenstaande figuur 3.1 geldt voor het plangebied aan de Molenstraat 2 een herinrichtingsopgave voor de openbare ruimte. De gemeente geeft aan dat het een logische ontwikkeling is om hier de te slopen bedrijfslocatie op te richten. Zij stelt echter wel dat het contrast tussen landschap en bedrijfsbebouwing hier onfraai is en dat het toevoegen van beplanting gewenst is. Door bij de uitbreiding van de bedrijfslocatie aan Molenstraat 2 aandacht te besteden aan landschappelijke inpassing past deze ontwikkeling binnen de structuurvisie.
Pastoor Schoenmakersstraat ongenummerd
De Pastoor Schoenmakersstraat is in de structuurvisie niet aangemerkt als een te verdichten bouwlint. Echter geldt voor deze zone wel de wens om de overgang van landschap naar bebouwde kom te verrijken. Met de ontwikkeling van de vrijstaande eengezinswoning wordt ook geïnvesteerd in landschappelijke inpassing, onder andere door de toevoeging van beplanting langs de perceelsgrens. Bijlage 1 Erfinrichtingsplannen geeft een weergave van landschappelijke inrichtingsmaatregelen. Dit draagt bij aan de overgang van landschap naar bebouwde kom. Daarnaast krijgt de woning het uiterlijk van een "schuurwoning" zodat zij beter in het landschap past. Hiermee past de toevoeging van een woning aan de Pastoor Schoenmakersstraat binnen de doelstellingen en ambities van de structuurvisie.
Voorliggend plan past daarmee binnen de kaders van de structuurvisie Dorpen 2025.
Elk dorp binnen de gemeente West Maas en Waal heeft zijn eigen ruimtelijke kwaliteit en identiteit, deze zijn daarom benoemd en vastgelegd in het dorpskwaliteitsplan en in de dorpspaspoorten. Nieuwe plannen dienen te passen binnen de kernen met recht aan de geschiedenis en identiteit van de kern. Het dorpskwaliteitsplan vormt een leidraad voor nieuwe ontwikkelingen en bevat daarnaast de zogenaamde welstandseisen waaraan omgevingsvergunningen voor bouwen wettelijk worden getoetst.
Figuur 3.2: uitsnede illustraties 'Dorpspaspoort Boven-Leeuwen' plangebieden aangeduid met blauwe punten
In figuur 3.2 is te zien dat het plangebied aan de Molenstraat 2 nabij de opgave 'Zuidelijke entrees' ligt. Deze plekken kunnen geaccentueerd worden, zodat zij herkenbaar zijn als verwelkomende entrees naar Boven-Leeuwen. In de Structuurvisie Dorpen wordt de wens uitgesproken om een meer landschappelijke inrichting te realiseren. Omdat de wegprofielen smal zijn kan gezocht worden naar een verbijzondering van de kruising door middel van beplanting elders rondom de kruising. Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van laanbeplanting. De spelregels voor de opgave 'Zuidelijke entrees' zijn in figuur 3.3. weergegeven.
Figuur 3.2. laat daarnaast zien dat de plangebieden aan de Pastoor Schoenmakersstraat en Steenstraat 15 in of nabij aandachtspunten liggen welke met groen en/of landschap te maken hebben.
Figuur 3.3: uitsneden figuren 'Dorpspaspoort Boven-Leeuwen' en spelregels
Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie
Gedurende de planvorming is het 'Dorpspaspoort Boven-Leeuwen' in acht genomen. Onderstaand wordt onderbouwd hoe de ontwikkeling per plangebied aansluit op het dorpspaspoort.
Steenstraat 15
In figuur 3.2 is te zien dat deze locatie tegen de zone voor 'Groen landschap behouden' ligt. Het opheffen van deze bedrijfslocatie en schuur komt dit uitgangspunt ten goede. Wanneer de schuur verplaatst is krijgt deze zone een groener karakter. Om de transformatie naar groen te borgen wordt de bedrijfs(bouw)bestemming opgeheven.
Molenstraat 2
In de beoogde situatie wordt de bedrijfslocatie van de Steenstraat 15 naar de Molenstraat 2 verplaatst. Op basis van figuur 3.2 grenst dit plangebied aan de herinrichtingsopgave voor entrees. De voorkeur bestaat daarom dat bij de uitbreiding van de bedrijfslocatie wordt geïnvesteerd in landschappelijke inpassing. Voorliggend plan voorziet hierin, Bijlage 1 Erfinrichtingsplannen geeft weer hoe het toevoegen van beplanting bijdraagt aan de landschappelijke inpassing van de schuur, en daarmee de accentuering van het kruispunt.
Pastoor Schoenmakersstraat ongenummerd
Vergelijkbaar met het plangebied aan de Steenstraat 15 geldt voor dit plangebied een groen aandachtspunt, namelijk dat groenstructuren langs de weg behouden worden. Bij de ontwikkeling van de woning wordt geïnvesteerd in onder andere laanbeplanting. Hiermee worden nieuwe groenstructuren gecreëerd en bestaande structuren beter geaccentueerd.
Uit het bovenstaande blijkt dat voorliggend plan geen afbreuk doet aan het dorpskwaliteitsplan. Gesteld kan worden dat het plan en de voorgenomen ontwikkelingen passen binnen de spelregels voor de herinrichting van entrees en daarmee past binnen het Dorpskwaliteitsplan West Maas en Waal en dorpspaspoort Boven-Leeuwen.
De gemeente West Maas en Waal hanteert, sinds 2016, voor nieuwe woningbouwplannen het "Toetsingskader Woningbouw". De Woonvisie en de Structuurvisie Dorpen met de daarbij horende dorpskwaliteitsplannen vormen samen de basis voor dit toetsingskader. Het toetsingskader woningbouw is een verdeelmodel voor het toevoegen van woningen aan de woningvoorraad. Hiermee stuurt de gemeente op kwaliteit, zowel volkshuisvestelijk als ruimtelijke kwaliteit. De volgende vraagstukken vallen binnen het toetsingskader:
De voorgenomen ontwikkeling van een woning aan de Pastoor Schoenmakersstraat ongenummerd behoort tot de Bebouwingslinten Structuurvisie Dorpen vanwege de ligging aan een toegangsweg.
Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie
Voorliggend plan is in september 2021 door de gemeente getoetst. Uit deze toetsing blijkt dat het plan de minimale puntenscore van 9 heeft behaald, het plan heeft namelijk 15 punten gekregen. Het ingediende plan was op hoofdlijnen akkoord maar diende nader uitgewerkt te worden. Het plan is naar aanleiding van deze beoordeling nader uitgewerkt. Geconcludeerd wordt dat het plan binnen het toetsingskader past en dat in het woningbouwprogramma ruimte is gerealiseerd voor de toe te voegen woning.
In december 2022 is het beleid voor klimaatadaptie in de gemeente West Maas en Waal vastgesteld. Dit beleid identificeert de uitdagingen met betrekking tot klimaatadaptieve inrichting van de fysieke leefomgeving van West Maas en Waal. Dat betekent voor West Maas en Waal dat (ruimtelijke) ontwikkelingen zo worden uitgevoerd dat deze het veranderende klimaat het hoofd kunnen bieden én een energie-opwekking realiseren waarbij uitstoot tot een minimum wordt teruggebracht. Het gaat om het vergroten van het aanpassingsvermogen (adaptatiecapaciteit) van de ruimtelijke omgeving bij een veranderend klimaat. Uit analyses blijkt dat het gebied kwetsbaar is voor hevige neerslag, kweltoename en overstromingen (natter), maar ook voor verdroging (droger) en extreme hitte (warmer). Deze kwetsbaarheden vormen een reële bedreiging voor de leefomgeving van de gemeente.
De Waallinten in het noorden van West Maas en Waal zijn de vier grotere dorpen binnen de gemeente. Doordat het meer versteende dorpen zijn, hebben ze meer last van ‘stedelijke’ klimaatproblemen, zoals:
Onderstaande figuur toont de ambities voor de klimaatadaptieve inrichting van de bebouwde omgeving van Boven-Leeuwen. De hierin vervatte regels moeten als uitgangspunt worden meegenomen bij nieuwe ruimtelijke initiatieven.
Figuur 3.4. Klimaatadaptatieplan Boven-Leeuwen
Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie
De Steenstraat 15 is in het klimaatadaptatieplan aangeduid als stedelijke gebied en de Molenstraat 2(a) en Pastoor Schoenmakersstraat zijn aangeduid als buitengebied. Onderhavig bestemmingsplan maakt de verplaatsing van een bestaande bedrijfslocatie en de ontwikkeling van een vrijstaande eengezinswoning mogelijk. Bij deze ontwikkelingen is het aspect klimaatadaptatie relevant. Om een klimaatadaptieve inrichting te realiseren zijn groen en water van groot belang. In Bijlage 1 Erfinrichtingsplannen is de groene inrichting van de percelen weergeven. De ontwikkelingen worden landschappelijk ingepast waarbij wordt aangesloten bij het LOP van de gemeente West Maas en Waal. De beoogde waterhuishoudkundige inrichting van het plan wordt toegelicht in 4.3 Water.
De tuin van de beoogde woning wordt voor minder dan 50% verhard. Naast reguliere verharding rondom de woning, ontsluiting en terras wordt de toepassing van verharding zoveel mogelijk beperkt. Nieuw aan te planten bomen resulteren in schaduwwerking op de woning en omgeving. Vanwege de sanering van de bedrijfslocatie Steenstraat 3 vindt een verbetering van de waterhuishoudkundige situatie plaats. Er is daarom geen sprake van een watercompensatieopgave.
De bedrijfsbebouwing ter plaatse van de Molenstraat 2(a) wordt uitgebreid. Tevens wordt nieuwe verharding gerealiseerd. Er geldt daarom een waterbergingsopgave van 19,05 m3 . Deze wordt ingevuld middels de verbreding van de bestaande watergang ten westen van het plangebied met 63,51 m2. Hier wordt hemelwater van verharding in de toekomstige situatie zo lang mogelijk vastgehouden.
Op basis van het voorgaande voldoet het plan grotendeels aan de in het beleid genoemde regels voor nieuwe initiatieven. Er wordt daarmee voorzien in de klimaatadaptieve inrichting van de beoogde ontwikkelingen. Geconcludeerd wordt dat onderhavig bestemmingsplan geen afbreuk doet aan de ambitie en visie met betrekking tot de klimaatadaptative inrichting van in West Maas en Waal.
Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de in dit kader van belang zijnde milieu- en omgevingsaspecten.
Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bovendien dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien gebouwen worden gerealiseerd voor menselijk verblijf.
Voor het plangebied aan de Steenstraat 15 is een bodemonderzoek niet noodzakelijk. Hier wordt enkel bebouwing en verharding verwijderd. Bij de Molenstraat 2 wordt een nieuwe opslaghal gerealiseerd, in deze opslaghal zal een bovengrondse olieopslag worden geplaatst. In verband met deze uitbreiding is een bodemonderzoek uitgevoerd. Bij de Pastoor Schoenmakersstraat wordt een gevoelige functie gerealiseerd, te weten een woning. Ook hier is bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten en conclusies voor beide locaties staan hieronder toegelicht.
Verkennend bodemonderzoek Pastoor Schoenmakersstraat
Ter plaatse van het plangebied aan de Pastoor Schoenmakersstraat wordt een verblijf voor personen gerealiseerd, daarom is bodemonderzoek hier noodzakelijk. Om de bodemkwaliteit ter plekke van het plangebied in beeld te brengen is door NIPA Milieutechniek B.V. een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 2 Bodemonderzoek Pastoor Schoenmakersstraat behorend bij de toelichting van het bestemmingsplan. De belangrijkste conclusies en aanbevelingen zijn hieronder weergegeven.
In het verleden kende het plangebied een puinpad. Uit de resultaten van het onderzoek is gebleken dat deze gronden niet geheel asbestvrij zijn. Het asbestgehalte overschrijdt de interventiewaarde niet. Het bevoegd heeft op basis van de beoordeling van dit aspect geadviseerd om bij toekomstige werkzaamheden bedachtzaam te blijven op het aantreffen van asbestverdacht materiaal ter plaatse van de Pastoor Schoenmakerstraat. Op het overige terreindeel zijn in de grond en in het grondwater geen noemenswaardige verontreinigingen met de onderzochte parameters aangetoond. Het voormalig gebruik als boomgaard heeft niet tot een aantoonbare verontreiniging van de bodem geleid.
Aanvullend bodemonderzoek Pastoor Schoenmakersstraat
Met het verkennend bodemonderzoek zijn op het weiland plaatselijk licht verhoogde gehaltes aan nikkel en zink aangetoond. Het naastliggende voormalig puinpad is in het verkennende bodemonderzoek alleen op de aanwezigheid van asbest onderzocht. Om ook hier negatieve effecten op de beoogde woning en bewoners uit te sluiten is door NIPA Milieutechniek B.V. een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 3 Aanvullend bodemonderzoek Pastoor Schoenmakersstraat.
Ten behoeve van het aanvullend bodemonderzoek zijn verdeeld over het voormalig puinpad met een lengte van circa 72 meter (breedte circa 2,5 meter) vier boringen verricht tot 0,5 meter. Van de bovengrond is één mengmonster samengesteld dat is geanalyseerd.
Op basis van de analyse is geconcludeerd dat er geen noemenswaardige verontreinigingen zijn aangetoond. In de puinhoudende bovengrond is een licht verhoogd gehalte aan zink aangetoond. Verder zijn geen verontreinigingen met de onderzochte parameters aangetoond. Het gehalte aan zink overschrijdt de Achtergrondwaarde, maar niet tweemaal de Achtergrondwaarde. Indien de grond in het kader van het bouwrijpmaken van het perceel zal vrij komen, dan kan deze, ook op basis van de gehaltes aan PFAS, als Achtergrondwaarde worden hergebruikt.
Bij toekomstige werkzaamheden ter plaatse van het perceel dient men verdacht te zijn op het aantreffen van asbestverdachte materialen op het maaiveld en in de bodem.
Eventueel vrijkomende grond mag op de locatie worden hergebruikt. Indien grond van de locatie afgevoerd dient te worden, is de Regeling bodemkwaliteit van toepassing. Voor de afvoer van de grond naar elders kan een aanvullend onderzoek naar het voorkomen van PFAS noodzakelijk zijn.
Bodemonderzoek nulsituatie Molenstraat 2
Dit bodemonderzoek is uitgevoerd om de nulsituatie ter plaatse vast te leggen. Het onderzoek is uitgevoerd door NIPA Milieutechniek B.V. en opgenomen in Bijlage 4 Bodemonderzoek Molenstraat 2. Het vastleggen van de nulsituatie heeft tot doel een toetsingsgrondslag te verkrijgen met het oog op mogelijke toekomstige bodemverontreiniging voortvloeiende uit bedrijfsactiviteiten. De gemeten waarden dienen te worden gezien als referentiewaarden voor de toekomstige opslag van kunstmest. Als de activiteit wordt beëindigd dient een eindsituatie bodemonderzoek uitgevoerd te worden teneinde vast te stellen of de activiteit tot een bodemverontreiniging hebben geleid. Op basis van het onderzoek is geconcludeerd dat de nulsituatie ter plaatse voldoende is vastgelegd.
Met de uitgevoerde onderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie gelegen aan de Pastoor Schoenmakersstraat te Boven-Leeuwen in voldoende mate vastgesteld. Daarnaast is tevens de nulsituatie ter plaatse van Molenstraat 2 voldoende vastgelegd. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het planvoornemen
Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan geen bezwaren tegen de voorgenomen bestemmingsplanherziening en mogelijk gemaakte nieuwbouw.
Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing:
Nationaal beleid
Het Nationaal Waterplan beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid tot 2027, met een vooruitblik richting 2050. Het Rijk speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Om een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem te bereiken moet het water meer bepalend zijn bij de besluitvorming over grote ruimtelijke opgaven dan voorheen. De mate van bepalendheid wordt afhankelijk gesteld van, onder meer, de omvang en de aard van de ingrepen, bestaande functies, nieuwe andere ruimteclaims en de bodemgesteldheid van een gebied.
Beleid waterschap
Het Waterbeheerprogramma beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022 - 2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema's: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit.
De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als:
Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit:
De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 0,2 of 0,3 m stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm.
De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt vooral voor droogvallende voorzieningen.
Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem moet 48 tot 96 uur bedragen.
Beleid gemeente
De gemeenteraad heeft het 'Beleidsplan Water en Riolering 2023-2027' vastgesteld. Doel van het beleid is het gemeentelijk (afval)watersysteem en de functies ervan te waarborgen. Deze functies zijn onder andere:
Met dit beleid wil de gemeente een duurzame toekomstgerichte en klimaatbestendige inrichting van de openbare ruimte behouden én realiseren. Het bodem- en watersysteem zijn sturend in de planvorming. Het beleidsplan beschrijft de meest belangrijke ambities, doelen en opgaven.
Om in een goede waterhuishoudkundige inrichting, en daarmee tevens een goede ruimtelijke ordening, te voorzien worden navolgend het bestaande en toekomstige watersysteem beschreven. In het kader van de voorgenomen ontwikkelingen is de digitale watertoets uitgevoerd. De toetsingsdocumenten zijn bijgevoegd als Bijlage 5 Digitale Watertoetsen. Uit de toetsing is gebleken dat de gangbare watertoetsprocedure gevolgd dient te worden. Het waterschap is daarom over de ontwikkeling geïnformeerd in het kader van het informele vooroverleg.
Molenstraat 2(a)
Ten westen van de bedrijfslocatie Molenstraat 2(a) ligt een C-watergang van de gemeente. Deze stroomt in zuidelijke richting. Ten noorden van het perceel ligt een A-watergang. Deze stroomt in westelijke richting.
Figuur 4.1: Watergangen in de omgeving van het plangebied (Waterschap Rivierenland)
Steenstraat 15 en Pastoor Schoenmakersstraat ongenummerd
Ten noorden van de bedrijfslocatie aan de Steenstraat ligt een B-watergang welke in westelijke richting stroomt. Ten westen ligt een A-watergang welke in zuidelijke richting stroomt.
Ten noorden van het perceel aan de Pastoor Schoenmakersstraat ligt een C-watergang van de gemeente. Ter hoogte van de helft van het perceel aan de Pastoor Schoenmakersstraat loopt een B-watergang, deze stroomt in zuidelijke richting.
Figuur 4.2: Watergangen in de omgeving van het plangebied (Waterschap Rivierenland)
Het plangebied aan de Molenstraat 2(a) is gesitueerd in het peilgebied QVU128, hier is sprake van een zomerpeil van 4,7 mNAP en een winterpeil van 4,35 mNAP. In de zomer en winter is sprake van een marge van -0,15 m / +0,15 m.
De plangebieden aan de Steenstraat 15 en Pastoor Schoenmakersstraat zijn gesitueerd in het peilgebied QVU127, hier is sprake van een zomerpeil van 4,85 mNAP en een winterpeil van 4,35 mNAP. In de zomer en winter is sprake van een marge van -0,15 m / +0,15 m.
Figuur 4.3: Actuele waterdata zomer- en winterpeil (Waterschap Rivierenland)
Grondwater
Op basis van de klimaatatlas van waterschap Rivierenland is ter plaatse van de plangebieden sprake van kwel. Dit houdt in dat er grondwater vanuit diepere grondlagen omhoog komt. Daardoor kan er bij een hoge waterstand in de Waal extra kwel en daarmee een verhoging van de grondwaterstand plaatsvinden.
In het verkennend bodemonderzoek (mei 2023) ter plaatse van de Molenstraat 2(a) is grondwater aangetroffen op 0,8 m-mv. In het verkennend bodemonderzoek (januari 2023) ter plaatse van de Pastoor Schoenmakersstraat is grondwater aangetroffen op 2,0 m-mv. Op basis van opendata varieert de grondwaterstand tussen 0,74 m-mv (GHG) en 1,36 m-mv (GLG).
Figuur 4.4: Grondwater en kwel ter plaatse van de Molenstraat 2(a)
Figuur 4.5: Grondwater en kwel ter plaatse van de Steenstraat 15 en Pastoor Schoenmakersstraat ongenummerd
Wateroverlast
Vanwege klimaatverandering treden er steeds vaker intense regenbuien op. Dit kan leiden tot wateroverlast omdat de afvoer van hemelwater stokt. Om de potentiële wateroverlast in kaart te brengen zijn stresstesten uitgevoerd, onderstaande kaartuitsnede toont de accumulatie van (hemel)water bij het optreden van een intense regenbui van 60 mm / 1 uur. Uit de figuren volgt dat ter plaatse van de Molenstraat de kans op het optreden van inundatie groter is. Ter plaatse van de Pastoor Schoenmakersstraat wordt geen significante wateroverlast verwacht. Om toekomstige wateroverlast te voorkomen moet de mate van verharding worden beperkt en hemelwater zoveel mogelijk worden vastgehouden.
Figuur 4.6: Wateraccumulatie en inundatie Molenstraat 2(a)
Figuur 4.7: Wateraccumulatie en inundatie Steenstraat 15 en Pastoor Schoenmakersstraat ongenummerd
Naar aanleiding van de watertoets heeft uitgebreid overleg plaatsgevonden tussen initiatiefnemer, waterschap en gemeente over de waterhuishoudkundige inrichting van het plangebied. Dit heeft geresulteerd in de hieronder beschreven inrichting van het watersysteem.
Watercompensatie
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat het oppervlaktewatersysteem niet zonder meer belast mag worden met de afvoer van extra hemelwater. Of dit "extra" hemelwater op eigen terrein wordt vastgehouden of dat er nieuw open water moet worden gecreëerd is van het bestaande watersysteem afhankelijk en heeft gevolgen voor de wijze van compensatie. In het geval van compensatie hanteert het waterschap dat voor een T=10 situatie 436 m³ waterberging per hectare verhard oppervlak gerealiseerd moet worden, waarbij 0,3 m peilstijging mag optreden. Voor de T=100 situatie is dit 664 m³/ha (peil tot aan insteek).
Voor compensatie in open water geldt dat 436 m3 per hectare verhard oppervlak, met een minimaal extra bergend vermogen van 30 cm waterschijf boven op het hoogst gehanteerde streefpeil, moet worden gerealiseerd. Voor compensatie in retentie geldt dat 664 m3 per hectare verhard oppervlak, gelegen boven het hoogst gemeten grondwaterpeil en die binnen 72 uur na een bui weer voor 100% beschikbaar is, moet worden gerealiseerd.
In paragraaf 2.2 Toekomstige situatie is de toekomstige inrichting van de plangebieden beschreven. De ontwikkelingen ter plaatse van de Steenstraat en Pastoor Schoenmakersstraat vinden plaats in hetzelfde watersysteem. De toe- en afname van verharding mogen daarom met elkaar worden verrekend. De cumulatieve mate van verharding neemt hier af, er vindt derhalve een verbetering van de waterhuishoudkundige situatie plaats. Er is derhalve geen sprake van een waterbergingsopgave.
Ter plaatse van de Molenstraat 2(a) wordt nieuwe verharding toegevoegd. Er wordt een toename van 437 m2 verharding mogelijk gemaakt. De waterbergingsopgave wordt opgelost in open oppervlaktewater, hiertoe wordt de bestaande C-watergang ten westen van het plangebied uitgebreid en omgezet naar B-watergang. Vanwege de toename in verharding moet worden voorzien in (437m2 x 0,0436 =) 19,05 m3 extra waterberging. Er mag een maximale peilstijging van 0,3 m optreden, hiertoe dient de watergang met (19,05m3 / 0,3 =) 63,51 m2.
Derhalve wordt de C-watergang omgezet naar B-watergang over een lengte van 85 meter verbreed met gemiddeld 0,75 m. Op deze wijze wordt invulling gegeven aan de wateropgave en voorzien in voldoende waterberging. De realisatie van deze watercompensatie is geborgd in de planregels van dit bestemmingsplan.
Figuur 4.8: Watercompensatie toekomstige situatie
Grondwater
Bij de bouw van de woning aan de Pastoor Schoenmakersstraat moet rekening worden gehouden met de grondwaterstand om grondwateroverlast te voorkomen. Hiertoe kan drooglegging noodzakelijk zijn. Op basis van de bestaande waterhuishoudkundige situatie (4.3.2.1) vormt grondwater(overlast) op voorhand geen probleem. Het bouwen van ondergrondse constructies is niet verboden, maar moeten waterdicht worden aangelegd.
Klimaatadaptatie
Om een toekomstbestendige inrichting van de plangebieden aan de Molenstraat 2(a) en Pastoor Schoenmakersstraat te realiseren zijn klimaatadaptieve maatregelen noodzakelijk. Om wateroverlast te voorkomen wordt watercompensatie gerealiseerd middels het verbreden van de bestaande watergang. Hiermee wordt tevens overlast bij droogte voorkomen omdat meer oppervlaktewater kan worden opgeslagen in plaats van dat dit wordt afgevoerd op het riool. Ook de aan te planten groenvormen en landschapselementen dragen bij aan het plaatselijk voorkomen van droogte doordat de wortelpakketen grondwater vasthouden. De aan te leggen groenvormen dragen bij aan het voorkomen van hittestress vanwege de toename van verdamping en schaduwwerking. Woningbouwlocaties met veel verharding en afwezigheid van groen worden warmer bij het optreden van extreme temperaturen. Dit bestemmingsplan voorziet daarmee in de klimaatadaptieve inrichting van de plangebieden.
Afvalwater
Afvalwater van de nieuwe bebouwing wordt afgevoerd op het bestaande riool. Het bestaande riool is in staat deze hoeveelheden afvalwater te verwerken.
Waterkwaliteit
In de ontwikkeling worden geen uitlogende materialen toegepast, hiermee worden negatieve effecten op de (grond)waterkwaliteit uitgesloten.
Op basis van voorgaande waterparagraaf voldoen dit bestemmingsplan en de daarin mogelijk gemaakt ontwikkeling aan het waterbeleid. Het aspect water vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
Algemeen
Wet op de archeologische monumentenzorg
In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: "de veroorzaker betaalt". Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief "in situ" (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologie vriendelijke alternatieven.
Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Zolang de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, vallen de artikelen waarin de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd, nog in de overgangsregeling van de Erfgoedwet.
Onderzoek
De gemeente West Maas en Waal heeft archeologisch beleid opgesteld (maart 2014 vastgesteld). Dit beleid geldt voor de gehele gemeente en is vastgelegd in het bestemmingsplan "Archeologie West Maas en Waal". Onderstaand wordt per plangebied het van toepassing zijnde archeologische beleid uiteengezet.
Steenstraat 15
In onderstaande figuur 4.9 is een uitsnede van het bestemmingsplan opgenomen. Hierop is te zien dat er binnen het plangebied 2 soorten waarden gelden, te weten waarde 3 en 4. Ten noorden van de door de schuur lopende grijze lijn geldt de waarde 3, ten zuiden van de lijn geldt de waarde 4.
Voor archeologie waarde 3 geldt dat bodemingrepen groter dan 1.000 m² en dieper dan 100 cm of/dan wel ophogen groter dan 1.000 m2 en hoger dan 70 cm onderzoeksplichtig zijn.
Voor archeologie waarde 4 geldt dat bodemingrepen groter dan 1.000 m² en dieper dan 150 cm of/dan wel ophogen groter dan 1.000 m2 en hoger dan 70 cm onderzoeksplichtig zijn.
Binnen dit plangebied wordt alleen bebouwing gesloopt en bestrating verwijderd. Er vinden geen bodemingrepen plaats waarmee bovenstaande drempelwaarden wordt overschreden. Een aanvullend archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk.
Figuur 4.9: uitsnede archeologische kaart Steenstraat 15
Molenstraat 2
In onderstaande figuur 4.10 is een uitsnede van het bestemmingsplan opgenomen. Hierop is te zien dat er binnen het plangebied de archeologische waarde 2 geldt. Voor de zuidwester hoek van het plangebied geldt geen archeologische waarde.
Voor archeologie waarde 2 geldt dat bodemingrepen groter dan 500 m² en dieper dan 40 cm of/dan wel ophogen groter dan 500 m2 en hoger dan 70 cm onderzoeksplichtig zijn.
Binnen dit plangebied vindt de uitbreiding van de bestaande bedrijfslocatie plaats. De schuur wordt in zuidelijke richting uitgebreid. De uitbreiding omslaat een oppervlakte van 240 m2. De gestelde drempelwoorden worden dus niet overschreden. Een aanvullend archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk.
Figuur 4.10: uitsnede archeologische kaart Molenstraat 2
Pastoor Schoenmakersstraat ongenummerd
In onderstaande figuur 4.11 is een uitsnede van het bestemmingsplan opgenomen. Hierop is te zien dat er binnen het plangebied 2 soorten waarden gelden, te weten waarde 2 en 3. Ten noorden van de door het perceel lopende grijze lijn geldt de waarde 2, ten zuiden van de lijn geldt de waarde 3.
Voor archeologie waarde 2 geldt dat bodemingrepen groter dan 500 m² en dieper dan 40 cm of/dan wel ophogen groter dan 500 m2 en hoger dan 70 cm onderzoeksplichtig zijn.
Voor archeologie waarde 3 geldt dat bodemingrepen groter dan 1.000 m² en dieper dan 100 cm of/dan wel ophogen groter dan 1.000 m2 en hoger dan 70 cm onderzoeksplichtig zijn.
Ter plaatse van dit plangebied wordt de nieuw te ontwikkelen vrijstaande eengezinswoning gebouwd. Qua ligging wordt de woning ten noorden van de grijze lijn, in het gebied waar de archeologische waarde 3 geldt, gebouwd. Voor deze ontwikkeling wordt circa 250 m2 bodem geroerd, dit is minder dan de hiervoor geldende drempelwaarde van 1.000 m2. Een aanvullend archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk.
Figuur 4.11: uitsnede archeologische kaart Pastoor Schoenmakersstraat ongenummerd
Conclusie
In de voorgenomen ontwikkeling wordt de bodem slechts in beperkte mate geroerd. In geen van de drie ontwikkelingen worden de vrijstellingsgrenzen overschreden. Het is dan ook niet te verwachten dat er sprake zal zijn van verlies of beschadiging van enige archeologische waarden. Daarom wordt archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. De gebiedsaanduidingen zijn tevens overgenomen in de regels van het bestemmingsplan, waarmee de archeologische waarden planologisch geborgd zijn.
Er bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet, dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Algemeen
In de visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' (juni 2011) zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang.
In de visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat.
Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen.
Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren:
Onderzoek
De provinciale waardenkaart en de gemeentelijke monumentenlijst zijn geraadpleegd, op basis van deze bronnen wordt gesteld dat er geen monumenten aanwezig zijn in de plangebieden.
Conclusie
Binnen de plangebieden zijn geen cultuurhistorische gewaardeerde aspecten of monumenten aanwezig. De bebouwing in de plangebieden zijn niet aangewezen als (rijks)monument en het betreffen geen (bijzondere) karakteristieke gebouwen. Daarnaast zijn ook in de (directe omgeving) geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Als gevolg van het onderhavige plan gaan geen cultuurhistorische waarden verloren en worden ook niet aangetast. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de realisatie van het voorliggende plan.
Wet natuurbescherming
De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden opgenomen als afzonderlijke hoofdstukken, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken.
Natura 2000
De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet Natuurbescherming. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden. In een habitattoets worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend.
Soortbescherming
De Wet natuurbescherming kent naast het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden drie beschermingscategorieën onder het hoofdstuk 'soortbescherming':
De Soortbescherming is alleen (met uitzondering van de zorgplicht) van toepassing op soorten genoemd onder deze drie beschermingscategorieën.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Het NNN is ruimtelijk in de Provinciale Structuurvisie vastgelegd. Het vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden.
Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Wanneer bij ruimtelijke ontwikkelingen een bestemmingsplan wijziging moet worden doorgevoerd dient altijd een 'Nee, tenzij'- toets te worden uitgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er als gevolg van de voorgenomen maatregelen significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden.
Onderstaand wordt ingegaan op de onderwerpen soortenbescherming en gebiedsbescherming. In het kader van de Wet Natuurbescherming moet ecologisch onderzoek worden uitgevoerd bij bouw- en sloopwerkzaamheden om te voorkomen dat het leefgebied van beschermde plant- en diersoorten wordt aangetast. Omdat hiervan mogelijk sprake is bij de ontwikkelingen aan de Steenstraat 15 en Pastoor Schoenmakersstraat ongenummerd is hier een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Daarnaast is geïnventariseerd of de voorgenomen ontwikkelingen mogelijk negatieve gevolgen hebben op Natura 2000-gebieden. Het ecologische onderzoek is uitgevoerd door Willems Winssen BV. Volledigheidshalve is het onderzoek bijgevoegd als Bijlage 6 Quickscan flora en fauna.
Soortenbescherming
Op 3 februari 2022 is een veldbezoek uitgevoerd waarbij de plangebieden aan de Steenstraat 15 en Pastoor Schoenmakersstraat ongenummerd zijn onderzocht op de mogelijke aanwezigheid van beschermde diersoorten. Hierbij is gericht gezocht naar nesten en schuilplaatsen. In geen van beide plangebieden zijn beschermde dieren waargenomen, danwel nesten of schuilplaatsen aangetroffen. Geconcludeerd wordt dat er vanuit de Wet Natuurbescherming geen conflicten bestaan met het oog op de voorgenomen ontwikkelingen.
Gebiedsbescherming
Het meest dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de rivier de Waal inclusief de Rijntakken op circa 300 meter afstand van het plangebied Pastoor Schoenmakersstraat ongenummerd. Ruimtelijke ontwikkelingen mogen geen negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden. Negatief effect (door emissie, geluid en trilling of verlichting) op bovengenoemde gebieden valt uit te sluiten op basis van de afstand van deze gebieden tot het plangebied en de aard van de activiteiten die hier zullen plaatsvinden. In het kader van de Wet Natuurbescherming kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen geen negatieve effecten heeft voor gebiedsbescherming.
Houtopstanden
In het plangebied zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.
Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de instandhoudingsdoelstellingen van de Wet Natuurbescherming niet worden aangetast als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen. Het aspect Flora en fauna vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig plan.
Vanwege de stikstofproblematiek is het noodzakelijk voorafgaand aan de te volgen procedures de gevolgen voor de stikstofdepositie in beeld te brengen. Middels een stikstofdepositieonderzoek is de potentiële stikstofdepositie als gevolg van onderhavig plan op omliggende Natura 2000-gebieden inzichtelijk maakt.
Door Lycens B.V. is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. In Bijlage 7 Stikstofberekening is het onderzoek opgenomen. Hieruit blijkt dat voor de gebruiksfase en realisatiefase geen sprake is van stikstofdeposities op de omliggende Natura 2000-gebieden hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarom vormt het aspect stikstof in relatie tot Natura 2000 geen belemmering voor de realisatie van de vergunningverlening van de "omgevingsvergunning activiteit bouwen".
Voorliggend plan leidt in de gebruiksfase en realisatiefase niet tot stikstofdeposities op de omliggende Natura 2000-gebieden hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen.
Wegverkeerslawaai
Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone. Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De breedte van deze zone is afhankelijk van:
In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes:
In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes:
De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone:
Spoorweglawaai
Spoorwegen hebben een zone, waarvan de breedte afhankelijk is van de hoogte van het geluidsproductieplafond. In artikel 1.4 van het Besluit geluidhinder is de breedte van de zone aangegeven. De zonebreedte varieert van 100 tot 1.200 meter. Bij ontwikkelingen rond geluidsgevoelige bestemmingen in de zone of wijzigingen aan de spoorlijn moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen.
De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 55 en 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie.
Industrielawaai
Rondom industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers, is op grond van art. 41 van de Wgh een geluidszone vastgesteld. In geval van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone of een wijziging aan het industrieterrein of de geluidszone is een akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen.
De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 50 en 65 dB(A) (Letm), afhankelijk van de situatie. Buiten de zone mag de geluidsbelasting nooit meer dan 50 dB(A) (Letm) bedragen. Er dient te worden gewaarborgd dat deze waarde, en de eventuele vastgestelde hogere grenswaarden niet worden overschreden. Middels zogenaamd zonebeheer wordt daarvoor continu de totale vergunde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein beheerd.
Middels onderhavig plan wordt één geluidsgevoelig object gerealiseerd, te weten de vrijstaande eengezinswoning aan de Pastoor Schoenmakersstraat. De plangebieden aan de Steenstraat en Molenstraat kennen geen geluidsgevoelige objecten en hoeven niet nader onderzocht te worden. In de omgeving van het plangebied zijn geen industrie terreinen of spoorwegen aanwezig, daarmee vormen deze geen belemmering voor de ontwikkeling.
Ook ligt het plangebied aan de Pastoor Schoenmakersstraat niet binnen de geluidszone van een weg. Alle nabij gelegen wegen zijn 30 km/uur-wegen die volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geen zone hebben. De Omgevingsdienst oordeelt dat de verkeersintensiteit op deze weg dermate laag is dat de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden. Verkeerslawaai is daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling en nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Het aspect wegverkeerslawaai geeft geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Aanvullend onderzoek naar wegverkeerslawaai is niet nodig.
De 'Wet milieubeheer' is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om:
De paragraaf luchtkwaliteit in de 'Wet milieubeheer' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:
NIBM-grens woningbouwlocatie, 3% criterium:
Voorliggend plan voorziet in de realisatie van één woning , de uitbreiding van een bedrijfslocatie en het toevoegen van een agrarische bestemming in plaats van bedrijfsbestemming. Een bedrijf dat geen ruimteverwarming in de kassen gebruikt, is per definitie NIBM, ongeacht de omvang (subcategorie c). In onderhavig plan is geen sprake van ruimteverwarming in kassen.
Middels de NIBM-tool is beoordeeld of de ontwikkeling kan worden gezien als "niet in betekenende mate". Hiertoe wordt de verkeersgeneratie als gevolg van het plan beoordeeld. In de berekening is daarbij uitgegaan van de verkeersgeneratie in een worstcasescenario zoals berekend in het kader van de stikstofdepositieberekening (4.6 Stikstof). Uit de berekening volgt dat het gehele plan NIBM is.
Figuur 4.12: NIMB-tool berekening luchtkwaliteit
Het voorliggende plan past binnen de gestelde luchtkwaliteitseisen zoals beschreven in de 'Wet luchtkwaliteit' en vormt daarmee geen belemmering.
Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:
Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object (zoals een woning) in vier situaties, deze zijn weergegeven in de volgende tabel.
| binnen bebouwde kom | buiten bebouwde kom | ||
| concentratiegebieden | 3,0 (in ou/m3) | 14,0 (in ou/m3 | |
| niet concentratiegebieden | 2,0 (in ou/m3) | 8,0 (in ou/m3) | |
Geurnormen Wet geurhinder en veehouderij
Voor veehouderijen met diercategorieën waarvoor geen emissiefactor is vastgesteld geldt op grond van artikel 4 van de wet een minimumafstand ten opzichte van een geurgevoelig object. Binnen de bebouwde kom is deze minimumafstand 100 meter en daarbuiten 50 meter. Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij gelden niet de maximale geurbelastingen, maar gelden ook deze minimumafstanden.
Verder moet op grond van artikel 5 van de Wgv een minimale afstand tussen de gevel van een geurgevoelig object en de gevel van het dierenverblijf worden aangehouden. Deze afstand bedraagt ten minste 50 m voor objecten binnen de bebouwde kom en ten minste 25 m voor objecten buiten de bebouwde kom.
De ontwikkeling van een vrijstaande eengezinswoning betreft een geurgevoelig object. Voor de andere twee ontwikkeling geldt dit niet. Er is geen sprake van agrarische bedrijven in de directe omgeving met een geurcontour die (deels) over het plangebied Pastoor Schoenmakersstraat ongenummerd gelegen is.
Het aspect 'geurhinder' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijk ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wro, dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'.
VNG-publicatie 'Bedrijven & milieuzonering'
Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode).
De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken.
Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.).
Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype
| Milieucategorie | Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk en buitengebied | Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied | |
| 1 | 10 m | 0 m | |
| 2 | 30 m | 10 m | |
| 3.1 | 50 m | 30 m | |
| 3.2 | 100 m | 50 m | |
| 4.1 | 200 m | 100 m | |
| 4.2 | 300 m | 200 m | |
| 5.1 | 500 m | 300 m | |
| 5.2 | 700 m | 500 m | |
| 5.3 | 1.000 m | 700 m | |
| 6 | 1.500 m | 1.000 m | |
De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn.
Spuitzones
Bij het mogelijk maken van een nieuwe voor drift gevoelige bestemming in de nabijheid van bestemmingen, die het toepassen van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet uitsluiten, is aandacht voor spuitzones nodig. Dit in verband met de risico's voor de volksgezondheid, vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift.
Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld, die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Drift is een belangrijke en directe bron van luchtverontreiniging, waardoor mens en dier in contact kunnen komen met gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico's voor de gezondheid inhouden.
Op basis van jurisprudentie wordt in de praktijk een spuitzone voor een voor driftgevoelige bestemming aangehouden van 50 m, gemeten vanaf de bestemmingsgrens. Deze 50 m is in diverse uitspraken van de Raad van State als “in het algemeen niet onredelijk” bevonden en geldt als een vaste richtafstand, waar gemotiveerd van kan worden afgeweken. Een kleinere afstand is dus mogelijk, mits dat goed onderbouwd wordt.
De richtafstand is in de open teelt met name van belang voor boomkwekerijen en boomgaarden, omdat gewasbeschermingsmiddelen daarbij niet alleen neerwaarts worden gespoten (onkruidbestrijding) maar ook zij- en opwaarts (voorkomen en bestrijden schimmels en plaagdieren). Omdat bij opwaarts spuiten de vloeistof op een grotere hoogte vrijkomt en er daardoor meer kans is op verspreiding, veroorzaakt het opwaarts spuiten de meeste drift en is om die reden maatgevend voor gezondheidsrisico's. Aanvullend is het zo dat het middelengebruik in de fruitteelt aanzienlijk hoger ligt dan in de boomteelt. Ook wat betreft toxiciteit van de gebruikte middelen scoort de fruitteelt het hoogst en is die teelt als maatgevend voor de spuitzone te beschouwen.
Activiteitenbesluit
Vanaf 1 januari 2018 is het vanuit het Activiteitenbesluit milieubeheer verplicht een 75 % reducerende spuittechniek (DRT75) toe te passen binnen een boomgaard. Bij teelt van in opwaartse of zijwaartse richting te bespuiten boomkwekerijgewassen geldt op basis van artikel 3.80a van het Activiteitenbesluit de verplichting tot toepassen van een 75% reducerende spuittechniek vanaf 1 januari 2021.
Het aspect 'Bedrijven & milieuzonering' is van toepassing op de plangebieden aan de Molenstraat 2 en de Pastoor Schoenmakersstraat ongenummerd. Op de Steenstraat 15 is het niet van toepassing omdat hier alleen een bedrijfsbestemming verdwijnt. Dit heeft geen invloed op bedrijven en milieuzonering.
Molenstraat 2
Ten noorden van de bestaande bedrijfslocatie bevinden zich gevoelige functies, te weten woningen. Als gevolg van de herplaatsing van de schuur aan de Steenstraat 15, en daarmee de uitbreiding van de bedrijfslocatie aan de Molenstraat 2, worden deze gevoelige functies niet gehinderd. De uitbreiding vindt plaats aan de zuidzijde van het bedrijf waardoor aan de richtafstanden van de VNG-publicatie wordt voldaan.
Pastoor Schoenmakersstraat ongenummerd
Bedrijven
In de directe omgeving van het plangebied zijn voornamelijk burgerwoningen, maatschappelijke functies en agrarische gronden gelegen. Het dichtstbijzijnde bedrijf betreft een bedrijfslocatie in het dorp welke wordt omsloten door woningen, de afstand hiertoe is ruim 270 meter. Dit betekent dat de beoogde woning ter plaatse van het plangebied geen bedrijven in hun bedrijfsvoering schaadt en andersom de toekomstige woning geen overlast ondervindt van de aanwezige bedrijvigheid. Er is dus sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Spuitzones
In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen boomgaarden. Wel wordt het plangebied omgeven door agrarische percelen. In het bestemmingsplan 'Buitengebied West Maas en Waal' is voor de agrarische bestemming vastgelegd dat tuinbouw met open grondteelt, fruitteelt en/of bestaande boom- sierteelt (met uitzondering van bestaand gebruik) waarbij bestrijdingsmiddelen worden ingezet alleen is toegestaan indien de afstand tot een woonbestemming minimaal 50 meter bedraagt. Dat geldt ook voor een nieuwe woonbestemming. Hierdoor is de woning 'automatisch' beschermd, maar worden de eigenaren van de agrarische gronden belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden, omdat er op een kleiner gedeelte van het agrarische perceel een boomgaard (o.i.d.) opgericht kan worden. De planologische mogelijkheden voor de omliggende agrarische percelen worden beperkt. Echter, in de bestaande (feitelijke) situatie vormen spuitzoneringen geen belemmering voor het planvoornemen.
Op basis van vorenstaande wordt gesteld dat er geen sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast worden omliggende bedrijven niet beperkt in hun bedrijfsvoering.
Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan.
Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.
Risicovolle bedrijven
Binnen de bestemming “Wonen” van het plangebied worden geen risicovolle activiteiten, zoals Bevi-activiteiten, beoogd. De vestiging van een Bevi-inrichting binnen het plangebied is daarmee niet aannemelijk/uitgesloten.
Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege risicovolle inrichtingen.
Vervoer gevaarlijke stoffen
Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt verder dat het aspect externe veiligheid wel relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen, maar dan alleen vanwege het vervoer over de Betuweroute. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroute, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en buiten de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones).
Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor:
en
Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 2 februari 2022 aangegeven dat in dit geval sprake is van een (standaard)situatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "zeer kwetsbaar gebouw", bestemd voor verminderd zelfredzame personen.
Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval
Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.
Mogelijkheden tot zelfredzaamheid
Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen.
Buisleidingen
Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt tenslotte dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van relevante buisleidingen voor aardgas en vloeibare brandstoffen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege buisleidingen.
Het aspect externe veiligheid is alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er in het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroute. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid.
Om te bepalen of het plan geen negatieve effecten heeft op omliggende wegen en de parkeersituatie, wordt in deze paragraaf de effecten beschreven van het plan op het verkeer en parkeersituatie. Voor parkeren wordt getoetst aan de voor het plangebied geldende parkeernormen.
Steenstraat 15
De bedrijfslocatie aan de Steenstraat 15 wordt verplaatst naar de bedrijfslocatie aan de Molenstraat 2. Hierdoor neemt het (zware) verkeer tussen deze locaties sterk af. De verkeersgeneratie voor omliggende agrarische percelen is nu ook al in werking, deze verkeersgeneratie neemt in feite niet toe. Bij deze locatie wordt niet geparkeerd, het aspect parkeren is dan ook niet van toepassing.
Molenstraat 2
Door de centralisatie van de bedrijfsvoering neem het verkeer tussen de Steenstraat 15 en Molenstraat 2 sterk af. Het zware verkeer dat zich voorheen tussen de Steenstraat en Molenstraat verplaatste staat in de beoogde situatie aan de Molenstraat opgeslagen. De generatie van (zwaar) verkeer neemt daarmee af. Voor de parkeersituatie verandert er in feite niks. De nieuw te realiseren hal dient als opslag voor machines. Voor eventuele extra auto's biedt het aangelegen erf voldoende parkeermogelijkheden.
Pastoor Schoenmakersstraat ongenummerd
Verkeer
In dit plangebied wordt een vrijstaande eengezinswoning gerealiseerd. De realisatie van deze woning gaat gepaard met een geringe toename van verkeer. Volgens de gegevens van het CROW kunnen voor een vrijstaande woning, in het buitengebied van een niet stedelijk gebied 8,2 verkeersbewegingen per etmaal worden verwacht. Dit is een zeer geringe toename van verkeersbewegingen welke door de bestaande verkeersinfrastructuur verwerkt kan worden.
Bij deze woning is het ook mogelijk een beroep aan huis uit te oefenen, mits bedoeld gebruik geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat mag opleveren en geen onevenredige afbreuk mag doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt. Hiertoe wordt rekening gehouden met maximaal 20 verkeersbewegingen per etmaal als gevolg van het beroep aan huis, dit betreffen 10 bezoekers per etmaal. Een dergelijke verkeersgeneratie zal niet leiden tot de afwenteling van negatieve effecten op de verkeerssituatie. Er is voldoende ruimte rondom het plangebied om deze verkeersbewegingen te laten ontsluiten.
Parkeren
Met de komst van een woning neemt ook het aantal auto's toe. Parkeren van auto's als gevolg van de realisatie van de woning moet plaatsvinden binnen de begrenzing van voorliggend plan. Het aantal parkeerplaatsen is afhankelijk van het type woning. Het parkeerbeleid van de gemeente West Maas en Waal is opgenomen in de 'Nota Parkeren 2019', hierin zijn ook de parkeernormen opgenomen.
Bij het bepalen van de parkeernorm speelt de ligging van een plangebied een belangrijke rol. In het parkeerbeleid van de gemeente West Maas en Waal wordt uitsluitend onderscheid gemaakt tussen de ligging ‘centrum’ en ‘rest bebouwde kom’. De ‘rest bebouwde kom’ omvat daarmee ook het gebied buiten de bebouwde kom. Reden hiervoor is dat de gemeente West Maas en Waal is aangemerkt als ‘niet stedelijk’. In deze categorie zijn de parkeernormen voor de ligging ‘rest bebouwde kom’ en ‘buitengebied’ hetzelfde.
Onderstaande parkeernormen dienen te worden gehanteerd bij voorliggend plan. In deze norm is het bezoekers aandeel meegenomen. Per woning wordt een bezoekers aandeel van 0,3 gehanteerd.
Tabel 1: parkeernormen 'Parkeernota West Maas en Waal'
| Type woning | Parkeernorm per woning / kamer |
| Woningen | 2,3 |
| Seniorenwoningen | 1,5 |
| Sociale huurwoning | 1,8 |
| Kamerverhuur, zelfstandig (niet-studenten) | 1 |
| Kamerverhuur, zelfstandig (studenten) | 0,3 |
| Aanleunwoning | 1,3 |
Het voorliggende plangebied ligt bestemmingsplan technische gezien in het buitengebied en behoord daarmee bij de categorie "rest bebouwde kom". Gelet op bovenstaande tabel dient er in het plan ruimte te zijn voor minimaal 2,3 parkeerplaatsen. In totaal dienen er derhalve 2,3 parkeerplaatsen aanwezig te zijn in het plan. In het inrichtingsplan is rekening gehouden met 2 parkeerplaatsen achter elkaar en één parkeerplaats direct naast het huis. Rekenwaarde voor twee achter elkaar gelegen parkeerplaatsen is 1,5. Het plan voorziet daarmee in 2,5 theoretische parkeerplaatsen en voldoet aan de parkeernorm van 2,3. Het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid.
Gelet op het voorgaande levert de gewenste ontwikkeling geen belemmeringen op voor het aspect 'verkeer en parkeren'.
In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.
Aardgastransportleidingen
In de plangebieden of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen aardgastransportleidingen.
Hoogspanningsleidingen
In de plangebieden of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen hoogspanningsleidingen.
Rioolleidingen
De rioolleidingen leiden voor dit plan leidt dit niet tot enige belemmering.
Watertransportleidingen
In de plangebieden of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen.
Straalverbindingen
In de plangebieden of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen .
Kabels en niet planologisch relevante leidingen
Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt de wettelijk verlichte KLIC-melding uitgevoerd. Een dergelijke melding zorgt ervoor dat netwerkbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netwerkbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig zijn op de plaats waar gegraven gaat worden. Tijdens het bouwrijp maken van de plangebieden aan de Molenstraat 2 en Pastoor Schoenmakersstraat ongenummerd worden deze bestaande kabels en leidingen verwijderd dan wel omgelegd.
In en nabij de plangebieden van dit bestemmingsplan zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn daarom geen belemmeringen te verwachten. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen.
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffect-rapportage in aanraking komen:
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.
Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). In het geval dat een activiteit wel genoemd staat in de D-lijst maar onder de genoemde drempelwaarde blijft, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig.
In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is er mogelijk sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'.
Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden:
Met onderhavig plan wordt een bestaande bedrijfslocatie verplaatst, de bedrijfsvoering wordt in wezen niet veranderd. Daarnaast wordt er één nieuwe woning mogelijk gemaakt. Gelet op bovenstaande drempelwaarden wordt derhalve geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een directe m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Hiertoe dienen de aard, omvang en potentiële milieueffecten van hetgeen mogelijk gemaakt te worden beoordeeld.
Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject.
Met onderhavig plan wordt de bestaande bedrijfslocatie aan Molenstraat 2(a) uitgebreid. De planologisch bij deze bedrijfslocatie behorende bedrijfslocatie ter plaatse van de Steenstraat 15 wordt hiertoe gesaneerd. De bouwmogelijkheden ter plaatse van de Steenstraat 15 worden verplaatst naar de bedrijfslocatie ter plaatse van de Molenstraat 2(a). Er is daarmee, netto, geen sprake van een toename van bedrijfsbebouwing. Omdat het bebouwd oppervlakte niet toeneemt en de ontwikkeling niet gepaard gaat met een significante verandering in het aantal verkeersbewegingen is daarom geen sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Deze conclusie komt overeen met de uitspraak van de ABRvS: ECLI:NL:RVS:2019:1253.
Resterend moet enkel nog de aan de Pastoor Schoenmakersstraat mogelijk gemaakte vrijstaande eengezinswoning worden beschouwd. In de bestaande situatie geldt ter plaatse de bestemming agrarisch. Met de herbestemming naar wonen wordt een woning mogelijk gemaakt, eventueel met de uitoefening van een beroep aan huis. De woning kent een maximale maat van 650 m3. Er wordt daarmee nieuwe bebouwing en verharding mogelijk gemaakt. De woning wordt mogelijk gemaakt in het buitengebied. Gelet op de bestaande (planologische) situatie past de ontwikkeling van een woning bij de locatie. Ten oosten van het plangebied is in september 2022 middels een bestemmingsplanherziening de nieuwbouw van een vrijstaande woning mogelijk gemaakt. Er wordt derhalve aangesloten op de bestaande bebouwingskern Boven-Leeuwen. Geconstateerd wordt dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld onder activiteit D11.2 onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage.
Gelet op de aard en omvang van hetgeen mogelijk gemaakt, de bestaande situatie ter plaatse, de ligging ten opzichte van bestaand stedelijk gebied, de kenmerken van de potentiële effecten van de ontwikkeling, en de drempelwaarden voor een stedelijk ontwikkelingsproject wordt geconcludeerd dat uitgesloten kan worden dat het plan zal leiden tot milieueffecten voor de omgeving. Eén en ander is tevens bevestigd in de in Hoofdstuk 4 opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.-toets.
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de plicht tot het opstellen van een bestemmingsplan. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan het afwijken met een omgevingsvergunning, wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente. Het uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan.
Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.
De planregels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Tenslotte komt in hoofdstuk 4 het overgangsrecht en de slotbepaling aan bod.
Bevoegdheid
Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan echter incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk dan wel de provincie het bevoegd gezag is.
Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.
In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik.
Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten (die bij het bouwen in acht dienen te worden genomen) moeten worden gemeten.
De bestemming 'Wonen' wordt opgenomen voor het woonperceel (met eventuele uitbreidingsmogelijkheden van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken).
Bij de bestemming 'Wonen' is de functie wonen toegestaan. Het begrip wonen is gedefinieerd als 'het zelfstandig gehuisvest zijn van één afzonderlijk huishouden'. Dit betekent dat kamerverhuur niet zonder meer is toegestaan.
Hoofdgebouwen worden in het bestemmingsvlak gebouwd. Uitbouwen, aanbouwen en bijgebouwen mogen ook buiten het bouwvlak worden opgericht (tot bepaalde maatvoeringen).
De bestemming 'Bedrijf' wordt opgenomen voor de uitbreiding van de bedrijfslocatie aan de Molenstraat 2.
Bij de bestemming 'Bedrijf' is de bedrijfsvoering van een niet agrarisch bedrijf toegestaan. Het begrip wonen is gedefinieerd als 'een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis gebonden beroepen daaronder niet begrepen'.
Hoofdgebouwen worden in het bestemmingsvlak gebouwd.
De bestemming 'Agrarisch - Oeverwal' wordt opgenomen voor de bedrijfslocatie aan de Steenstraat 15 welke wordt verplaatst. De gronden rondom de locatie hebben reeds de bestemming 'Agrarisch - Oeverwal'. De als 'Agrarisch - Oeverwal' bestemde gronden zijn onder andere aangewezen voor agrarische doeleinden, het behoud, beheer en herstel van landschappelijke en ecologische waarden en ondergeschikte detailhandel.
De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' is opgenomen conform het vigerende bestemmingsplan "Bestemmingsplan archeologie West Maas en Waal". De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de verwachtte en reeds vastgestelde archeologische waarden. De op een locatie van toepassing zijnde archeologische waarde (type 2/3/4) is aangeduid middels een gebiedsaanduiding.
Het plan kent drie type archeologische waarden te weten 2, 3 en 4. Voor elke waarde gelden aparte onderzoeksverplichtingen, maar alle drie hebben als doel het beschermen van de archeologische waarden ter plekke van het plangebied. De verschillende typen zijn aangeduid middels gebiedsaanduidingen.
Het doel van de anti-dubbeltelregel is te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Daarnaast wordt ter verduidelijking van het plan aangegeven dat het gebruiken van gronden ten behoeve van een seksinrichting in ieder geval strijdig is met de bestemming.
De aanduidingen bevatten specificaties van de (dubbel-)bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bijzondere regels, extra regels of nadere afwegingen gelden. Bij gebiedsaanduidingen gaat het veelal om zones en gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend.
Er is een algemene afwijkingsregel opgenomen wanneer dit voor een betere technische realisering van bouwwerken dan wel in verband met de werkelijke toestand van het terrein noodzakelijk is. Deze afwijkingsregel dient bij uitzondering te worden toegepast. De noodzaak om van de bestemmingsregeling af te wijken dient te worden aangetoond.
In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. De bevoegdheid is bedoeld voor aanpassing aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein.
Op de voorbereiding van het besluit tot wijziging is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht en artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing, met dien verstande dat burgemeester en wethouders binnen acht weken na afloop van de termijn van terinzagelegging een besluit nemen omtrent de wijziging.
Voor het stellen van nadere eisen is geen procedure opgenomen in de wet. De procedure staat beschreven in hoofdstuk 3 "Algemene regels" van dit bestemmingsplan.
Voor de overgangsregels is onderscheid gemaakt tussen de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken en de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik. Zowel de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken als de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik gelden vanaf inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat zo weinig mogelijk gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht. Vooraf dient een afweging te worden gemaakt tussen legaliseren (positief bestemmen) dan wel handhaving van illegale situaties. De overgangsbepalingen voor bouwwerken en gebruik zijn overgenomen uit artikelen 3.2.1 en 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het voorliggende bestemmingsplan.
De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn:
Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (onder andere in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening, afwijken van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom.
Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol.
Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door:
In dit bestemmingsplan is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden.
Verder zijn aan de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.
Bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure dient op grond van artikel 3.1.6 lid f van het Bro onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan.
Met de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 is de gemeente verplicht, op grond van artikel 6.12 lid 1 van die wet, tot kostenverhaal bij grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat als de gemeente er bij een ruimtelijke ontwikkeling niet in slaagt met alle particuliere eigenaren in het gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie, de gemeente publiekrechtelijk de kosten moet verhalen bij alle eigenaren in het exploitatiegebied waarmee niet is gecontracteerd. Gemaakte kosten (limitatief opgesomd in artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.5 van het Bro) zoals plankosten, onderzoekskosten, kosten van inrichting van de openbare ruimte etc. kunnen worden verhaald door middel van een exploitatieplan dat gelijktijdig met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.
De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in artikel 6.2.1 Bro (o.a. bouw van 1 of meer woningen, bouw van 1 of meer hoofdgebouwen). Het bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van meerdere woningen. Deze ontwikkeling maakt daarmee een bouwplan mogelijk in de zin van artikel 6.2.1 Bro.
De gemeente heeft met de initiatiefnemers een overeenkomst gesloten over grondexploitatie (een anterieure overeenkomst). Hierin zijn afspraken gemaakt over de betaling van de gemeentelijke kosten. De kosten van grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden zijn hiermee anderszins verzekerd. Het maken van een exploitatieplan is niet nodig.
De procedures voor de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.
Wettelijk (voor)overleg
In het Bro is in artikel 3.1.1 opgenomen dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.
Inspraak
In het kader van inspraak wordt het voorontwerpbestemmingsplan 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens deze perioden kan één ieder zijn of haar reacties indienen.
Participatie
PM
In dit hoofdstuk is de procedure van het bestemmingsplan beschreven. In de eerste plaats is een toelichting gegeven van de verschillende stappen die in het algemeen in een bestemmingsplanprocedure onderscheiden kunnen worden. Vervolgens zijn de resultaten van de doorlopen stappen in de procedure van bestemmingsplan 'Boven-Leeuwen, Pastoor Schoenmakersstraat ong.'.
Een bestemmingsplan kent de volgende procedurestappen:
Het ontwerp bestemmingsplan wordt behandeld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders. Een ontwerp bestemmingsplan ligt vervolgens gedurende zes weken ter inzage met de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen bij de gemeenteraad.
De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vast. De ingediende zienswijzen kunnen leiden tot een gewijzigde vaststelling ten opzichte van het ontwerp.
Nadat de raad het bestemmingsplan heeft vastgesteld, wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Daarna bestaat nog de mogelijkheid tot het indienen van een beroepsschrift bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Het voorontwerpbestemmingsplan is in verband met het vooroverleg naar diverse instanties gestuurd, de reacties worden in dit hoofdstuk verwerkt.
Het ontwerp van het bestemmingsplan 'Boven-Leeuwen, Pastoor Schoenmakersstraat ong.' heeft vanaf 14 december 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is één zienswijze ingediend. Naar aanleiding van de zienswijze ziet de gemeente geen reden om het bestemmingsplan aan te passen. Ook ambtsbehalve zijn er geen aanpassingen gedaan aan het bestemmingsplan. Voor de Nota beantwoording zienswijzen wordt verwezen naar Bijlage 8.