direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Beneden-Leeuwen, Van Heemstraweg 35
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0668.BENvanheemstra35-TOOH

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen

Artikel 1 Toepassingsbereik

1.1 Omgevingsplan gemeente West Maas en Waal

Dit plan wijzigt het Omgevingsplan gemeente West Maas en Waal in die zin dat na hoofdstuk 22 van het Omgevingsplan gemeente West Maas en Waal [een hoofdstuk 22o] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in dit plan moeten gelezen worden als paragrafen van [hoofdstuk 22o] van het Omgevingsplan gemeente West Maas en Waal. In de artikelkop van de artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer [22o] gelezen worden. In de kop van de bijlagen moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage [22o] gelezen worden.

1.2 Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.4.

1.3 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat (vangnetbepaling)

De regels in afdeling 22.2 van het Omgevingsplan gemeente West Maas en Waal (activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen) met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 (activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit Omgevingsplan), en afdeling 22.3 (milieubelastende activiteiten) zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit plan.

1.4 Verwijzing naar verbeelding

De regels van dit plan zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Beneden-Leeuwen, Van Heemstraweg 35, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0668.BENvanheemstra35-TOOH.

Artikel 2 Begripsbepalingen

2.1 van toepassing verklaring

begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit plan.

2.2 aanvullende begrippen

in aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit plan de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.51 gehanteerd.

2.3 plan

het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Beneden-Leeuwen, Van Heemstraweg 35 met identificatienummer NL.IMRO.0668.BENvanheemstra35-TOOH van de gemeente West Maas en Waal.

2.4 TAM-omgevingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

2.5 omgevingsplan gemeente West Maas en Waal

het omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet.

2.6 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee locaties zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze locaties.

2.7 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

2.8 afhankelijke woonruimte

een onderdeel van het hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is;

2.9 antenne-installatie

een installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie;

2.10 archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische relicten;

2.11 bebouwingspercentage

de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen op een bouwperceel, in procenten van de oppervlakte van dat bouwperceel;

2.12 bed and breakfast

een activiteit ondergeschikt aan een woning die in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van nachtverblijf voor korte tijd en waarbij het verstrekken van maaltijden en/of dranken aan de logerende gasten (daaraan) ondergeschikt is;

2.13 bedrijf

een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis gebonden beroepen daaronder niet begrepen;

2.14 bedrijf aan huis

een bedrijf of het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door middel van handwerk, waaronder een kappersbedrijf, dat door de gebruiker van een woning in die woning of een bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend, waarbij de woning in hoofdzaak de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Detailhandel valt hier niet onder, met uitzondering van een internetwinkel voor zover geen sprake is van een afhaalmogelijkheid of van uitstalling van goederen ter plaatse;

2.15 beroep aan huis

een dienstverlenend beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door de gebruiker van een woning in die woning of een bijbehorend bouwwerk uitgeoefend wordt, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Detailhandel valt hier niet onder, met uitzondering van een internetwinkel voor zover geen sprake is van opslag en verzending, een afhaalmogelijkheid of van uitstalling van goederen ter plaatse;

2.16 bestaand
  • a. bij bebouwing: bebouwing zoals aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp TAM-omgevingsplan én gebouwd is krachtens een onherroepelijke omgevingsvergunning voor het bouwen, dan wel nadien mag worden gebouwd krachtens een onherroepelijke omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag vóór het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp TAM-omgevingsplan is ingediend;
  • b. bij gebruik: gebruik zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen en in overeenstemming is met het voorheen geldend planologische regime;
2.17 bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerken met een dak;

hieronder worden begrepen:

aanbouw:
een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk, bestaande uit maximaal één bouwlaag al dan niet met kap, die daaraan ruimtelijk (door zijn constructie of afmetingen) ondergeschikt is, waarbinnen een primaire woonfunctie is toegestaan;

aangebouwd bijbehorend bouwwerk:
een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag al dan niet met kap, een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig, (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) opzicht ondergeschikt is aan en niet in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw, een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt en uit minimaal 2 gesloten wanden bestaat;

vrijstaand bijbehorend bouwwerk:
een vrijstaand gebouw dat zowel in bouwkundig (constructie) architectonisch en/of ruimtelijk visueel (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) opzicht ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en uit minimaal 2 gesloten wanden bestaat;

2.18 bodemingreep
  • a. grondwerken, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, wegruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  • b. het verlagen en verhogen van het waterpeil;
  • c. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard, waarbij stobben worden verwijderd;
  • d. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • e. het aanleggen en verwijderen van verhardingen ten behoeve van wegen, paden, parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen;
  • f. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen.
2.19 bouwgrens

de grens van een bouwvlak.

2.20 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond.

2.21 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

2.22 bouw(werk)perceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Bij woningen betreft dit het gehele perceel inclusief voor- en zijtuinen;

2.23 carport

een bouwwerk, al dan niet een gebouw zijnde, die dient voor de stalling van een (motor)voertuig;

2.24 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

2.25 evenement

een één of meerdaagse voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak;

2.26 flexwoning

een woonvorm met het complete woonprogramma op de begane grond, met uitzondering van een bergruimte op de zolder;

2.27 gebouw

bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt

2.28 gestapelde woningen

boven dan wel beneden en/of naast elkaar gesitueerde woningen waarbij per woning een zelfstandige toegankelijkheid, al dan niet direct vanaf het voetgangersniveau, gewaarborgd is;

2.29 hoofdgebouw

gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is.

2.30 huishouden

een persoon of groep van personen, die duurzaam een gemeenschappelijk huishouden voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling;

2.31 internetwinkel

een activiteit waarbij sprake is van een online etalage waarbij diensten en producten kunnen worden aangeschaft via het internet;

2.32 inwoning

het bewonen van een woonruimte die deel uitmaakt van een woonruimte die door een ander huishouden in gebruik is genomen, met dien verstande dat woningsplitsing en/of kamerbewoning niet toegestaan is;

2.33 kamerbewoning

onzelfstandige woonvorm waarbij sprake is van woonruimte die geen eigen toegang heeft en waarbij de bewoner afhankelijk is van één of meer gedeelde wezenlijke voorzieningen (keuken, douche en/of toilet) buiten die woonruimte;

2.34 locatiegrens

de grens van een locatievlak.

2.35 locatievlak

een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een gebruiksdoel.

2.36 mantelzorg

het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband;

2.37 meergeneratiewoning

één woning die krachtens een omgevingsvergunning geschikt is gemaakt voor bewoning door twee huishoudens met een familierelatie en een fysieke koppeling, waarbij sprake is van inwoning gerelateerd aan de familierelatie én sprake is van ten minste één gezamenlijke voorziening zoals een badkamer, keuken of entree;

2.38 ondergronds bouwwerk

een gebouw, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen beneden peil;

2.39 overig bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;

2.40 overkapping

een bijbehorend bouwwerk, omsloten door maximaal één wand en voorzien van een gesloten dak;

2.41 peil
  • voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • voor gebouwen in het talud van de dijk: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld ter plaatse van de van de dijk afgekeerde zijde van het gebouw;
  • in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld.
2.42 perceelsgrens

een grenslijn tussen bouwpercelen onderling;

2.43 prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

2.44 seksinrichting

de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;

2.45 terras

een buiten de besloten ruimte van een inrichting liggend deel van een horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt;

2.46 uitbouw

een bijbehorende bouwwerk dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw;

2.47 voorgevellijn

denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen;

2.48 voorzieningen van openbaar nut

voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer;

2.49 wonen

het gehuisvest zijn in (een) woning(en);

2.50 woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

2.51 zolder

zolder onder een kap voor zover de hoogte van de borstwering ter plaatse van de omtrekmuren minder dan 80 cm boven de vloer is gelegen.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

3.1 van toepassing verklaring

In aanvulling op en indien van toepassing in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24 van het Omgevingsplan gemeente West Maas en Waal, gelden de meetbepalingen van Artikel 3:

3.2 afstand tot de bouwperceelsgrens

tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is;

3.3 goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

3.4 bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

3.5 horizontale diepte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de voorgevel en de achtergevel;

3.6 oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

3.7 inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van de daken en dakkapellen, waarbij voor het meten van de inhoud van een woning aanbouwen worden meegerekend;

3.8 dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

3.9 ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk

vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.

Hoofdstuk 2 Specifieke regels over functies

Artikel 4 Wonen - 2

4.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0668.BENvanheemstra35-TOOH is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen - 2.

4.2 Functieomschrijving Wonen
4.2.1 Algemeen

Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen - 2 heeft de volgende functies:

  • a. wonen in gestapelde woningen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis, met dien verstande dat maximaal 40 % van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt ten behoeve van het beroep aan huis, met een maximum van 80 m2;

met de daarbij behorende:

  • b. tuinen en erven;
  • c. water en voorzieningen voor de waterhuishouding;
  • d. parkeervoorzieningen;
  • e. groenvoorzieningen.

4.3 Gebruiksactiviteit
4.3.1 Algemeen

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in artikel 4.2 genoemde functies van de gronden.

4.3.2 Specifieke functieregels

Het is in ieder geval verboden om gronden te gebruiken ten behoeve van:

  • a. permanente of tijdelijke bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken;
  • b. 24-uurszorg (zijnde een 'zeer kwetsbaar gebouw');
  • c. bewoning als afhankelijke woonruimte;
  • d. seksinrichtingen.

4.3.3 Voorwaardelijke verplichting geluid
  • a. Het gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en gebouwen overeenkomstig deze bestemming mag, in afwijking van het bepaalde in lid 4.1 onder a, uitsluitend indien de volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied in een woning (al dan niet in samenhang met een gebouwde geluidwerende voorziening in de vorm van een geluidscherm ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm') groter is dan het verschil in de: LAr,LT-geluidbelasting (vanwege het westelijk gelegen brandstofverkooppunt) en de 35 dB(A) LAr,LT-etmaalwaarde in de nieuw te bouwen woningen.
  • b. In aanvulling op het bepaalde onder a mogen woningen pas in gebruik genomen worden als de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied in een woning, al dan niet in samenhang met een gebouwde geluidwerende voorziening in de vorm van:
    • 1. een geluidscherm met een minimum lengte van circa 40,0 m en een minimum bouwhoogte van 2,5 m ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm' is gerealiseerd en in stand wordt gehouden conform de lichtblauwe lijn in bijlage 1;
    • 2. een geluidscherm met een minimum lengte van circa 4,5 m en een minimum bouwhoogte van 2,0 m op de dakrand is gerealiseerd en in stand wordt gehouden conform de oranje lijn in bijlage 1;
  • c. Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde onder b als met een akoestisch onderzoek wordt aangetoond dat op een andere wijze wordt voorzien in de benodigde gevelwering en/of er niet langer sprake is van de betreffende geluid veroorzakende activiteit;
  • d. De geluidniveaus worden door het treffen van maatregelen zoveel als mogelijk beperkt en de resterende overschrijdingen worden door middel van nadere eisen in de vergunning van het westelijk gelegen brandstofverkooppunt toegestaan.

4.3.4 Voorwaardelijke verplichting waterberging

De bouw, het gebruik en de instandhouding van de woningen, zoals beschreven in deze functie, is pas toegestaan indien en zolang aan de volgende voorwaarde wordt voldaan:

  • a. voorzien moet worden in de aanleg van voldoende hemelwaterberging conform de ten tijde van de vergunningverlening geldende Waterschapsverordening en het Gemeentelijk riool- en waterplan.

4.3.5 Voorwaardelijke verplichting quickscan natuur

De bouw, het gebruik en de instandhouding van de woningen, zoals beschreven in deze functie, is pas toegestaan als met ecologisch onderzoek is aangetoond dat er (indien van toepassing) na het nemen van maatregelen c.q. na het verlenen van een omgevingsvergunning flora en fauna-activiteit(en)) geen significant negatieve effecten optreden voor flora en fauna.

4.4 Bouwactiviteit
4.4.1 Algemeen

Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in artikel 4.2 met dien verstande dat uitsluitend mogen worden gebouwd:

  • a. gebouwen;
  • b. de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken;
  • c. de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde;
  • d. ongeacht het bepaalde in artikel 4.4.2 moet tenminste 50% van het bouw(werk)perceel onbebouwd blijven.

4.4.2 Beoordelingsregels
a Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. uitsluitend het bestaande aantal woningen is toegestaan. Hier geldt de bestaande situatie op het moment van de tervisielegging van het ontwerp TAM-omgevingsplan als uitgangspunt;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder b geldt dat:
    • 1. voor zover de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is opgenomen, het aantal woningen maximaal het ter plaatse aangegeven aantal bedraagt;
  • d. de maximum bouwhoogte bedraagt zoveel als ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven.

b Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken, niet zijnde overkappingen en carports, gelden de volgende regels:

  • a. de bijbehorende bouwwerken, niet zijnde overkappingen en carports, mogen uitsluitend in het bouwvlak en ter plaatse van de aanduidingen 'bijgebouwen' worden gebouwd;
  • b. de maximum goothoogte bedraagt 4,0 m;
  • c. de maximum bouwhoogte bedraagt 6,0 m;
  • d. in afwijking van het bepaalde onder a t/m c mogen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - garageboxen' uitsluitend garageboxen worden gebouwd;
    • 1. de maximum bouwhoogte van garageboxen bedraagt 3,0 m;
    • 2. de maximum oppervlakte per garagebox bedraagt 20 m².

c Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de maximum bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2,0 m, met dien verstande dat de maximum bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen voor zover gelegen voor de voorgevellijn 1,0 m bedraagt;
  • b. voor overkappingen, niet zijnde carports, geldt een maximum bouwhoogte van 3,0 m, met dien verstande dat de maximum oppervlakte 30 m2 bedraagt en de overkapping niet voor de voorgevellijn is toegestaan;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder a is ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm' een geluidwerende voorziening met een maximum bouwhoogte van 3,0 m toegestaan;
  • d. de maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, inclusief geluidwerende voorzieningen op dakterrassen, bedraagt 2,5 m.

4.5 Omgevingsplanactiviteit
4.5.1 Bedrijf aan huis
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bedrijf aan huis uit te oefenen in een deel van het hoofdgebouw of bijbehorende bouwwerken bij een woning.
  • b. De omgevingsvergunning bedoeld onder a wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    • 1. de woonfunctie blijft als hoofdfunctie behouden;
    • 2. bedoeld gebruik mag geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat opleveren en geen onevenredige afbreuk mag doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt; dit betekent onder meer dat:
      • geen vergunning wordt verleend voor het uitoefenen van bedrijvigheid, dat onder de werking van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het desbetreffende gebruik door middel van het stellen van voorwaarden verantwoord is;
      • het gebruik naar aard met het woonkarakter van de omgeving in overeenstemming moet zijn;
      • het gebruik de woonfunctie moet ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in het hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk uitvoert, tevens de gebruiker van het hoofdgebouw is;
      • buitenopslag niet is toegestaan;
  • c. het geen zodanig verkeersaantrekkende activiteiten betreft, die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte;
  • d. parkeren moet zoveel mogelijk op eigen terrein plaatsvinden;
  • e. er geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd:
    • 1. een beperkte verkoop in het klein in verband met bedrijfsmatige activiteiten in of bij het hoofdgebouw;
    • 2. een internetwinkel met opslag en verzending;
  • f. maximaal 40% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken mag ten behoeve van aan huis gebonden beroepsmatige en/of bedrijfsmatige activiteiten in gebruik zijn, zulks met een absoluut maximum van 80 m2;
  • g. in de kernen Beneden-Leeuwen en Dreumel zijn kappers uitsluitend toegestaan binnen een winkelconcentratiegebied.

4.5.2 Mantelzorg
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een deel van het hoofdgebouw of bijbehorende bouwwerken bij een woning te gebruiken als afhankelijke woonruimte (inwoning).
  • b. De omgevingsvergunning bedoeld onder a wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    • 1. een dergelijke bewoning is noodzakelijk vanuit het oogpunt van mantelzorg;
    • 2. op het perceel is al een woning aanwezig;
    • 3. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;
    • 4. per woning mag maximaal één vergunning ten behoeve van inwoning voor mantelzorg worden verleend;
    • 5. inwoning moet in beginsel plaatsvinden bij, in of direct aansluitend aan de woning, waarbij de afhankelijke woonruimte een onderlinge verbinding met de woning moet hebben; het gebruik van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk als afhankelijke woonruimte is uitsluitend toegestaan indien realisering van de inwoning in of aan het hoofdgebouw voor de inwoner of andere bewoner(s) onredelijk bezwarend is;
    • 6. maximaal 75 m2 van hoofdgebouw en/of bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt ten behoeve van de inwoning;
    • 7. er is geen eigen nutsvoorziening toegestaan;
    • 8. er moet een overeenkomst worden gesloten met de gemeente West Maas en Waal.

4.5.3 Meergeneratiewoning
  • a. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een deel van het hoofdgebouw of bijbehorende bouwwerken bij een woning te gebruiken als meergeneratiewoning.
  • b. De omgevingsvergunning bedoeld onder a wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    • 1. op het perceel is al een woning aanwezig;
    • 2. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;
    • 3. per woning mag maximaal één vergunning ten behoeve van een meergeneratiewoning worden verleend;
    • 4. maximaal 75 m2 van hoofdgebouw en/of bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt ten behoeve van de meergeneratiewoning;
    • 5. er is geen eigen nutsvoorziening toegestaan;
    • 6. er moet een overeenkomst worden gesloten met de gemeente West Maas en Waal.

Hoofdstuk 3 Algemene regels over functies

Artikel 5 Toepassingsbereik

De regels van dit hoofdstuk zijn van toepassing binnen het plangebied zoals opgenomen in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0668.BENvanheemstra35-TOOH.

Artikel 6 Aanvraagvereisten

  • 1. De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het Omgevingsplan gemeente West Maas en Waal, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan. In het bijzonder geldt dat:
    • a. het bepaalde in artikel 22.284 van het Omgevingsplan gemeente West Maas en Waal van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit in dit plan; en
    • b. het bepaalde in artikel 22.286 van het Omgevingsplan gemeente West Maas en Waal van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit in dit plan.
  • 2. In aanvulling op het bepaalde onder 1 worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de beoordelingsregels.

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 8 Bouwactiviteit - algemeen

8.1 Ondergronds bouwen
8.1.1 Algemeen

Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen.

8.1.2 Beoordelingsregel ondergrondse bouwwerken

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende regels:

  • a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
  • b. het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil vermeerderd met 15 m2;
  • c. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt minimaal 2,6 m en maximaal 4,0 m onder peil;
  • d. bij het berekenen van de blijkens de deze regels geldende bebouwingspercentages, of van het in deze regels maximaal te bebouwen oppervlak, wordt de oppervlakte van ondergrondse gebouwen mede in aanmerking genomen.

8.1.3 Afwijken beoordelingsregel ondergrondse bouwwerken

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om een omgevingsvergunning voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 10 m onder peil te verlenen onder de voorwaarde dat:

  • a. de waterhuishouding niet wordt verstoord;
  • b. geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden.

8.2 Ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. functiegrenzen niet meer dan 1,0 m bedraagt.

8.3 Bestaande afstanden en maten - algemeen
8.3.1 Bestaande grotere afstanden en maten

Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden.

8.3.2 Bestaande kleinere afstanden en maten

In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar worden aangehouden.

8.3.3 (Her)oprichting

In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in sublid 8.3.1 en sublid 8.3.2 uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.

8.4 Parkeergelegenheid
8.4.1 Beoordelingsregel parkeren op eigen terrein
  • a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen of uitbreiden van een gebouw wordt slechts verleend, indien is aangetoond dat wordt of zal worden voldaan aan de Nota Parkeren en haar rechtsopvolgers.
  • b. Een omgevingsvergunning voor het wijzigen van het gebruik van gronden en/of bouwwerken wordt slechts verleend, indien is aangetoond dat wordt of zal worden voldaan aan de Nota Parkeren en haar rechtsopvolgers, met dien verstande dat dit uitsluitend noodzakelijk is voor wat betreft de toename in de parkeerbehoefte.

8.4.2 Afwijken beoordelingsregel parkeren op eigen terrein

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om een omgevingsvergunning voor het bouwen of uitbreiden van een gebouw en/of het wijzigen van het gebruik van gronden en/of bouwwerken als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan gemeente West Maas en Waal te verlenen in afwijking van het bepaalde in sublid 8.4.1 onder a en b indien:

  • a. het voldoen aan deze bepaling door bijzondere omstandigheden op zwaarwegende bezwaren stuit, of;
  • b. voor zover op andere wijze in de benodigde parkeergelegenheid of laad- of losruimte wordt voorzien.

Artikel 9 Afwijken - algemeen

9.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 2 met betrekking tot:

  • a. de functiebepalingen en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geeft;
  • b. de functiebepalingen en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  • c. de functiebepalingen en toestaan dat nutsgebouwen, kunstobjecten, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, gebouwen ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwen en naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwen worden gebouwd, mits de inhoud per gebouw maximaal 50 m3 bedraagt en een maximum bouwhoogte van 3,0 m heeft;
  • d. de functiebepalingen ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouw zijnde, wordt vergroot tot maximaal 10 m;
  • e. de functiebepalingen ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouw zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen gebouw zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot maximaal 40 m. Wat betreft zend- en ontvang- en/of sirenemasten gelden nog de volgende voorwaarden:
    • 1. losse masten met hekwerken, gebouwtjes e.d. zijn alleen toegestaan:
      • buiten de bebouwde kom en in landschappelijk minder gevoelige gebieden, langs grote verkeerswegen en dan bij voorkeur bij parkeerplaatsen, benzinestations, knooppunten, viaducten, bedrijventerreinen en horecagelegenheden;
      • binnen de bebouwde kom uitsluitend op bedrijventerreinen en sportparken;
    • 2. installaties op of aan een gebouw zijn alleen toegestaan:
      • op hoge gebouwen (minimale bouwhoogte 14 m); bij voorkeur op een plat dak en zo ver mogelijk van een dakrand, met dien verstande dat bijzondere en waardevolle gebouwen in beginsel geheel moeten worden ontzien, zo nodig in overleg met de monumentencommissie;
      • tegen gevels aan; wanneer de invloed van die installaties geen afbreuk doet aan de aanwezige kwaliteiten.

9.2 Bed and breakfast

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om een omgevingsvergunning voor de gebruiksactiviteit te verlenen in afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 2 met betrekking tot het realiseren van een bed and breakfast onder de voorwaarde dat:

  • a. de woonfunctie als hoofdfunctie behouden blijft;
  • b. bedoeld gebruik geen hinder voor het woonmilieu oplevert en geen onevenredige afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of buurt;
  • c. bedoeld gebruik geen belemmering voor de omliggende bedrijven oplevert;
  • d. het gebruik naar aard met het woonkarakter van de omgeving in overeenstemming is;
  • e. het gebruik de woonfunctie ondersteunt, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in het hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk uitvoert, tevens de gebruiker van het hoofdgebouw is;
  • f. er geen duurzame ontwrichting van de evenwichtige opbouw van de voorzieningenstructuur ontstaat;
  • g. het geen zodanig verkeersaantrekkende activiteiten betreft, die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
  • h. er voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
  • i. de bed and Breakfast-voorziening in bestaande bebouwing gerealiseerd wordt;
  • j. maximaal 40% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken ten behoeve van een bed and Breakfast in gebruik is, zulks met een absoluut maximum van 60 m2.

Hoofdstuk 4 Regels ter bescherming van waarden en objecten

Artikel 10 Veiligheidszone - voorschriftengebied

10.1 Brandvoorschriftengebied
  • a. Binnen de aanduiding 'veiligheidszone - brandvoorschriftengebied' gelden aanvullende bouweisen als bedoeld in de artikelen 4.90 tot en met 4.95 van het Besluit bouwwerken leefomgeving bij het gewijzigd gebruik van het hoofdgebouw als kwetsbaar woongebouw.
  • b. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van het bepaalde onder a, waarbij de aanvullende bouweisen zoals genoemd onder a niet langer van toepassing zijn:
    • 1. als er geen sprake meer is van een lpg-brandstofverkooppunt en de omgevingsvergunning voor de opslag en verkoop van lpg onherroepelijk is ingetrokken op het naastgelegen westelijke perceel;
    • 2. als het lpg-reservoir is verplaatst naar een afstand van 60 m of meer vanaf het hoofdgebouw dat in gebruik is als kwetsbaar woongebouw.

10.2 Explosievoorschriftengebied
  • a. Binnen de aanduiding 'veiligheidszone - explosievoorschriftengebied' gelden aanvullende bouweisen als bedoeld in de artikelen 4.90 en 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving bij het gewijzigd gebruik van het hoofdgebouw als kwetsbaar woongebouw.
  • b. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van het bepaalde onder a, waarbij de aanvullende bouweisen zoals genoemd onder a niet langer van toepassing zijn, als er geen sprake meer is van een lpg-brandstofverkooppunt en de omgevingsvergunning voor de opslag en verkoop van lpg onherroepelijk is ingetrokken op het naastgelegen westelijke perceel.

Artikel 11 Waarde - Archeologie 1

11.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3.

11.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0668.BENvanheemstra35-TOOH is aangewezen als Waarde - Archeologie 1.

11.3 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als Waarde - Archeologie 1 heeft mede als functie de bescherming van de verwachtte en reeds vastgestelde archeologische waarden.

11.4 Bouwactiviteit
11.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor bouwen bodemingrepen groter dan 100 m² en dieper dan 40 cm of/dan wel ophogingen groter dan 100 m² en hoger dan 70 cm uit te voeren. Deze regeling geldt ongeacht het bepaalde in de regels bij andere op deze gronden van toepassing zijnde functies.

11.4.2 Uitzonderingsregeling

Het verbod in sublid 11.4.1 geldt niet als in het kader van een planologische procedure al een selectiebesluit is genomen over de archeologische waarde.

11.4.3 Beoordelingsregels vergunning

De omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, indien het bevoegd gezag heeft vastgesteld dat de in sublid 11.4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal danwel dat de verstoring ervan redelijk is in relatie tot het belang van de te verrichten werken en het archeologische belang daarbij voldoende is gewaarborgd.

11.4.4 Aanvullende aanvraagvereisten

Om de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen goed te kunnen beoordelen kan het noodzakelijk zijn dat een rapport wordt overgelegd waarin de archeologische waarde van de gronden die blijkens de aanvraag worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.

11.4.5 Aanvullende vergunningvoorschriften

Aan de omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem worden behouden; of
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
  • c. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

11.5 Aanlegactiviteit
11.5.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden bodemingrepen groter dan 100 m² en dieper dan 40 cm of/dan wel ophogingen groter dan 100 m² en hoger dan 70 cm uit te voeren. Deze regeling geldt ongeacht het bepaalde in de regels bij andere op deze gronden van toepassing zijnde functies.

11.5.2 Uitzonderingsregeling

Het verbod in sublid 11.5.1 geldt niet als in het kader van een planologische procedure al een selectiebesluit is genomen over de archeologische waarde.

11.5.3 Beoordelingsregels vergunning

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt verleend, indien het bevoegd gezag heeft vastgesteld dat de in sublid 11.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal danwel dat de verstoring ervan redelijk is in relatie tot het belang van de te verrichten werken en het archeologische belang daarbij voldoende is gewaarborgd.

11.5.4 Aanvullende aanvraagvereisten

Om de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden goed te kunnen beoordelen kan het noodzakelijk zijn dat een rapport wordt overgelegd waarin de archeologische waarde van de gronden die blijkens de aanvraag worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.

11.5.5 Aanvullende vergunningvoorschriften

Aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden kunnen de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem worden behouden; of
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
  • c. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

Artikel 12 Waarde - Archeologie 4

12.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3.

12.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0668.BENvanheemstra35-TOOH is aangewezen als Waarde - Archeologie 4.

12.3 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als Waarde - Archeologie 4 heeft mede als functie de bescherming van de verwachtte en reeds vastgestelde archeologische waarden.

12.4 Bouwactiviteit
12.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor bouwen bodemingrepen groter dan 1.000 m² en dieper dan 150 cm of/dan wel ophogingen groter dan 1.000 m² en hoger dan 70 cm uit te voeren. Deze regeling geldt ongeacht het bepaalde in de regels bij andere op deze gronden van toepassing zijnde functies.

12.4.2 Uitzonderingsregeling

Het verbod in sublid 12.4.1 geldt niet als in het kader van een planologische procedure al een selectiebesluit is genomen over de archeologische waarde.

12.4.3 Beoordelingsregels vergunning

De omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, indien het bevoegd gezag heeft vastgesteld dat de in sublid 12.4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal danwel dat de verstoring ervan redelijk is in relatie tot het belang van de te verrichten werken en het archeologische belang daarbij voldoende is gewaarborgd.

12.4.4 Aanvullende aanvraagvereisten

Om de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen goed te kunnen beoordelen kan het noodzakelijk zijn dat een rapport wordt overgelegd waarin de archeologische waarde van de gronden die blijkens de aanvraag worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.

12.4.5 Aanvullende vergunningvoorschriften

Aan de omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem worden behouden; of
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
  • c. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

12.5 Aanlegactiviteit
12.5.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden bodemingrepen groter dan 1.000 m² en dieper dan 150 cm of/dan wel ophogingen groter dan 1.000 m² en hoger dan 70 cm uit te voeren. Deze regeling geldt ongeacht het bepaalde in de regels bij andere op deze gronden van toepassing zijnde functies.

12.5.2 Uitzonderingsregeling

Het verbod in sublid 12.5.1 geldt niet als in het kader van een planologische procedure al een selectiebesluit is genomen over de archeologische waarde.

12.5.3 Beoordelingsregels vergunning

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt verleend, indien het bevoegd gezag heeft vastgesteld dat de in sublid 12.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal danwel dat de verstoring ervan redelijk is in relatie tot het belang van de te verrichten werken en het archeologische belang daarbij voldoende is gewaarborgd.

12.5.4 Aanvullende aanvraagvereisten

Om de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden goed te kunnen beoordelen kan het noodzakelijk zijn dat een rapport wordt overgelegd waarin de archeologische waarde van de gronden die blijkens de aanvraag worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.

12.5.5 Aanvullende vergunningvoorschriften

Aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden kunnen de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem worden behouden; of
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
  • c. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

Artikel 13 Waarde - Archeologie 5

13.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3.

13.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0668.BENvanheemstra35-TOOH is aangewezen als Waarde - Archeologie 5.

13.3 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als Waarde - Archeologie 5 heeft mede als functie de bescherming van de verwachtte en reeds vastgestelde archeologische waarden.

13.4 Bouwactiviteit
13.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor bouwen bodemingrepen groter dan 5.000 m² en dieper dan 40 cm of/dan wel ophogingen groter dan 5.000 m² en hoger dan 70 cm uit te voeren. Deze regeling geldt ongeacht het bepaalde in de regels bij andere op deze gronden van toepassing zijnde functies.

13.4.2 Uitzonderingsregeling

Het verbod in sublid 13.4.1 geldt niet als in het kader van een planologische procedure al een selectiebesluit is genomen over de archeologische waarde.

13.4.3 Beoordelingsregels vergunning

De omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, indien het bevoegd gezag heeft vastgesteld dat de in sublid 13.4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal danwel dat de verstoring ervan redelijk is in relatie tot het belang van de te verrichten werken en het archeologische belang daarbij voldoende is gewaarborgd.

13.4.4 Aanvullende aanvraagvereisten

Om de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen goed te kunnen beoordelen kan het noodzakelijk zijn dat een rapport wordt overgelegd waarin de archeologische waarde van de gronden die blijkens de aanvraag worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.

13.4.5 Aanvullende vergunningvoorschriften

Aan de omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem worden behouden; of
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
  • c. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

13.5 Aanlegactiviteit
13.5.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden bodemingrepen groter dan 5.000 m² en dieper dan 40 cm of/dan wel ophogingen groter dan 5.000 m² en hoger dan 70 cm uit te voeren. Deze regeling geldt ongeacht het bepaalde in de regels bij andere op deze gronden van toepassing zijnde functies.

13.5.2 Uitzonderingsregeling

Het verbod in sublid 13.5.1 geldt niet als in het kader van een planologische procedure al een selectiebesluit is genomen over de archeologische waarde.

13.5.3 Beoordelingsregels vergunning

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt verleend, indien het bevoegd gezag heeft vastgesteld dat de in sublid 13.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal danwel dat de verstoring ervan redelijk is in relatie tot het belang van de te verrichten werken en het archeologische belang daarbij voldoende is gewaarborgd.

13.5.4 Aanvullende aanvraagvereisten

Om de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden goed te kunnen beoordelen kan het noodzakelijk zijn dat een rapport wordt overgelegd waarin de archeologische waarde van de gronden die blijkens de aanvraag worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.

13.5.5 Aanvullende vergunningvoorschriften

Aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden kunnen de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem worden behouden; of
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
  • c. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

Hoofdstuk 5 Overgangsregels

Artikel 14 Overgangsrecht

14.1 Overgangsrecht bouwwerken
14.1.1 Algemeen

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

14.1.2 Maatwerkvoorschrift

Het bevoegd gezag kan bij maatwerkschrift eenmalig afwijken van het bepaalde in sublid 14.1.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sublid 14.1.1 met maximaal 10%.

14.1.3 Uitzondering

Het bepaalde in sublid 14.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd zijn met het Omgevingsplan zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit plan.

14.2 Overgangsrecht gebruik
14.2.1 Algemeen

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

14.2.2 Strijdig gebruik

Het is verboden het met dit plan strijdige gebruik, bedoeld in sublid 14.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

14.2.3 Onderbroken gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in sublid 14.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

14.2.4 Uitzondering

Het bepaalde in sublid 14.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het Omgevingsplan voor inwerkingtreding van dit plan.