direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Buitengebied Hoofdstuk 22a Drieweg ong./Zuidweg 22
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0654.TAMOPDWZW222024-0002

Regels

Preambule

Dit TAM-omgevingsplan beoogt een nieuw agrarisch bouwvlak toe te staan aan de Drieweg ong. in Nisse en hiervoor het agrarisch bouwvlak aan de Zuidweg 22 te 's Heer- Abtskerke om te zetten van agrarisch naar wonen. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Borsele.

De in deze wijziging van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als afdelingen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan van de gemeente Borsele.

In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22a.]' gelezen worden.

In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22a]' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • a. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locaties, bedoeld in lid c.
  • b. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • c. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Drieweg ongenummerd te Nisse en Zuidweg 22 te 's Heer Abtskerke, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0654.TAMOPDWZW222024-0002 zoals vastgelegd op https://https://regels-op-de-kaart/

Artikel 2 Algemeen gebruiksverbod

Niet genoemde activiteiten en activiteiten die in strijd zijn met dit plan zijn niet toegestaan.

Hoofdstuk 2 Waarvoor mag ik deze locatie gebruiken

Artikel 3 Agrarisch - grondgebonden

3.1 Toelaatbaar gebruik

De gronden ter plaatse van de locatie 'agrarisch - grondgebonden' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  • a. een grondgebonden agrarisch bedrijf;
  • b. niet grondgebonden aquacultuur bij wijze van nevenactiviteit;
  • c. paardenpension bij wijze van nevenactiviteit;
  • d. nevenfuncties zoals aangegeven in 3.2;
  • e. bij deze functie behorende voorzieningen zoals tuinen, erven, verhardingen, waterhuishoudkundige voorzieningen, laad- en losvoorzieningen, groenelementen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.
3.2 Specifieke regels voor gebruik

Voor het in 3.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  • a. het is niet toegestaan om mestbassins, mestzakken en vergelijkbare voorzieningen voor mest aan te leggen buiten het bouwvlak;
  • b. het is niet toegestaan meer dan 1 ha, op en aansluitend aan het bouwvlak bij een grondgebonden agrarisch bedrijf te gebruiken voor de aanleg van teeltondersteunende vijvers en bassins voor niet grondgebonden aquacultuur, waarbij geldt dat:
    • 1. de bassins en vijvers aansluitend aan het bouwvlak moeten worden gerealiseerd;
    • 2. er sprake moet zijn van een goede landschappelijke inpassing zoals aangegeven in hoofdstuk 7; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan;
  • c. het jaarrond tijdelijk huisvesten van tijdelijke werknemers, al dan niet met een binding met het betreffende agrarische bedrijf, in bedrijfsgebouw is toegestaan, waarbij geldt:
    • 1. er is geen sprake van een onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven;
    • 2. parkeren vindt plaats op het eigen erf;
    • 3. er worden geen kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren van inrichtingen en/of leidingen gerealiseerd en voorkomen wordt dat door conversie van beperkt kwetsbare objecten, kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren ontstaan;
    • 4. er ontstaat geen langdurige bewoning door individuele personen hetgeen betekent dat een persoon er niet langer dan 12 maanden mag wonen en bewoners ingeschreven moeten worden in de Basisregistratie Personen;
    • 5. op het moment van in gebruik name van de voorziening en gedurende het gebruik beschikt de voorziening over een certificaat van de Stichting Normering Flexwonen;
  • d. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    • 1. het gebruik van bestaande agrarische bedrijfsbebouwing voor de verkoop van agrarische producten mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarische hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum verkoopvloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    • 2. het gebruik van de bedrijfswoningen/of bestaande agrarische bedrijfsbebouwing en onbebouwde gronden binnen het bouwvlak ten behoeve van kleinschalige plattelandshoreca mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarische hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte van bebouwing in gebruik voor de kleinschalige plattelandshoreca, niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    • 3. kleinschalige zorginitiatieven (zorgboerderij) waarbij een beperkte logiesfunctie in de bedrijfswoning is toegestaan mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarisch bedrijf, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum oppervlakte van bebouwing in gebruik voor het zorginitiatief, inclusief de logiesfunctie, niet meer dan 40 m2 mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    • 4. het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    • 5. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit mag in de woning en/of het bijbehorende vrijstaande bouwwerk worden uitgeoefend;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt.
3.3 Toelaatbare verandering

Het is verboden voor grondgebonden agrarische bedrijven om zonder voorafgaande melding aan burgemeester en wethouders, weidegang te beëindigen.

3.4 Beoordelingsregels melding

Grondgebonden agrarische bedrijven die in plaats van weidegang voldoende ruwvoer telen, worden aangemerkt als grondgebonden agrarische bedrijven indien voldaan wordt aan het volgende:

  • a. de gronden in gebruik voor ruwvoerteelt zijn in overwegende mate in de directe omgeving van het bedrijf gelegen;
  • b. de gronden in gebruik voor ruwvoerteelt behoren feitelijk tot het bedrijf;
  • c. de gronden worden feitelijk voor ruwvoerteelt voor het bedrijf gebruikt;
  • d. de oppervlakte gronden in gebruik is toereikend voor voerteelt in relatie tot de omvang van de veestapel;
  • e. er wordt voldoende voer geteeld voor de voerbehoefte van het eigen bedrijf, zodanig dat het niet gaat om bijvoedering maar om een hoofdbestanddeel in de voervoorziening;
  • f. gewassen worden integraal voor voedering van vee gebruikt;
  • g. bewerking van de gewassen vindt slechts in ondergeschikte mate plaats en in ieder geval op het bedrijf;
  • h. toepassen van weidegang is vanuit de bedrijfssituatie niet mogelijk of niet gewenst;
  • i. de continuïteit van voerteelt is ook op langere termijn verzekerd.
3.5 Procedureregels melding

Voor het doen van een melding geldt de volgende procedureregel:

  • a. de melding met een onderbouwing dat aan de beoordelingsregels wordt voldaan wordt ingediend via het gemeentelijke digitale loket of schriftelijk voor aanvang van de realisatie van de voorgenomen verandering.

Artikel 4 Wonen

4.1 Toelaatbaar gebruik

De gronden ter plaatse van de locatie 'wonen', mogen worden gebruikt voor:

  • a. het huisvesten van personen in een woning met bijbehorende erven en tuinen;
  • b. nevenfuncties zoals aangegeven in 4.2;
  • c. bij deze functie behorende voorzieningen zoals tuinen, erven, verhardingen, waterhuishoudkundige voorzieningen, groenelementen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.
4.2 Specifieke regels voor gebruik

Voor het in 4.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  • a. het gebruik ten behoeve van een erf is beperkt tot de gronden die direct grenzen aan de woning met aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken en zijn gelegen achter de voorgevelrooilijn van de woning en waarbij voorts geldt dat:
    • 1. tot het erf worden gerekend de gronden die in gebruik zijn voor onder andere verhardingen, terrassen, in- en uitritten, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van het wonen;
    • 2. de omvang van het erf staat in verhouding tot de aanwezige woning en de locatie van de aanwezige woning, hetgeen in ieder geval betekent dat gronden die op een afstand van meer dan 35 m van de woning met aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken zijn gelegen niet als erf worden aangemerkt;
    • 3. tuinen onderscheiden zich van het erf doordat er overwegend sprake is van beplantingen en er geen gebouwen mogen worden gebouwd;
  • b. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    • 1. het gebruik van de woning en/of vrijstaande bijbehorende bouwwerken en onbebouwde gronden ten behoeve van kleinschalige plattelandshoreca mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij de hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte van bebouwing in gebruik voor de kleinschalige plattelandshoreca, niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    • 2. kleinschalige zorginitiatieven (zorgboerderij) waarbij een beperkte logiesfunctie in de woning is toegestaan mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij de hoofdfunctie, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum oppervlakte van bebouwing in gebruik voor het zorginitiatief, inclusief de logiesfunctie, niet meer dan 40 m2 mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    • 3. het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    • 4. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt.

Artikel 5 Algemeen toelaatbare functies

5.1 Huidig en rechtstreeks toelaatbaar gebruik

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:

algemeen:

  • a. ter plaatse van de locatie: de aangegeven hoofdfunctie zoals aangeduid in dit plan;
  • b. niet-bedrijfsmatig particulier, hobbymatig gebruik van vergunde, solitaire gebouwen zoals voormalige fruitschuren, veldschuren of spooremplacementen;
  • c. agrarisch grondgebruik met dien verstande dat:
    • 1. bij de aanleg van nieuwe fruitboomgaarden een uit oogpunt van volksgezondheid minimale afstand van 50 m tot woningen en daarbij behorende erven en tuinen in acht moet worden genomen;
    • 2. lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan;
    • 3. lage permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn uitsluitend toegestaan in de Kleinschalige polders, zoals bedoeld in hoofdstuk 3;
    • 4. tot agrarisch grondgebruik ook wordt gerekend de aanleg van waterbassins, geen bouwwerken zijnde, in fruitgaarden;
    • 5. het aanleggen van voorzieningen voor paarden (paardenbak) uitsluitend is toegestaan:
      • in aansluiting op de bebouwing die aanwezig is op het bouwperceel waartoe ook de voorzieningen voor paarden behoren;
      • maar niet vóór de voorgevelrooilijn;

natuur en landschap:

  • d. lijnvormige en/of kleinschalige solitaire natuur- en landschapselementen met dien verstande dat de aanleg van nieuwe natuurelementen en nieuwe landschapselementen niet leidt tot onevenredige beperkingen van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de functies in de directe omgeving;
  • e. waterlopen, waterpartijen en bluswatervoorzieningen;
  • f. tuinen aansluitend bij woongebruik (burgerwoningen of bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning) met dien verstande dat het gebruik ten behoeve van tuinen niet is toegestaan aansluitend aan fruitboomgaarden indien er geen afschermende maatregelen zijn genomen;

overig:

  • g. extensief dagrecreatief medegebruik;
  • h. overdraaiende wieken van in het plan toegestane windturbines;
  • i. gsm-masten;
  • j. voorzieningen die horen bij de toegelaten functies zoals groen, water, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen en voorzieningen voor de verkeersgeleiding bij wegen, uitingen van kunstzinnigheid en reclame-uitingen;
  • k. voor deze reclame-uitingen geldt dat:
    • 1. deze beperkt van afmetingen moeten zijn;
    • 2. niet ontsierend zijn in het landschap en bij het perceel;
    • 3. geen afbreuk mogen doen aan de verkeersveiligheid.
5.2 Verboden gebruik

Het is verboden:

  • a. gronden op een andere wijze te gebruiken dan toegestaan;
  • b. bij een paardenbak en vergelijkbare voorzieningen een geluidinstallatie, of verlichting door middel van lichtmasten die niet zijn voorzien van bovenafdekking, te gebruiken;
  • c. het storten en lozen van bagger en grondspecie; het gebruik van gronden als tijdelijk of permanent gronddepot.
5.3 Afwijken voor tijdelijk baggerdepot

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2 onder c en een tijdelijke baggerdepot toestaan indien:

  • a. sprake is van een tijdelijke voorziening, die verband houdt met een uit te voeren werk of werkzaamheden;
  • b. na afloop van het tijdelijke gebruik de oorspronkelijke situatie wordt hersteld.
5.4 Afwijken voor fruitboomgaarden

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.1 onder c1 en een fruitboomgaard op minder dan 50 m tot woningen en daarbij behorende erven en tuinen toestaan indien:

  • a. er uit oogpunt van volksgezondheid afdoende afschermende maatregelen zijn genomen.

Artikel 6 Algemeen toelaatbare functies in kwetsbare gebieden

6.1 Huidig en rechtstreeks toelaatbaar gebruik

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:

Algemeen:

  • a. ter plaatse van de functies: de aangegeven hoofdfunctie zoals aangeduid in dit plan;
  • b. niet-bedrijfsmatig particulier, hobbymatig gebruik van vergunde, solitaire gebouwen zoals voormalige fruitschuren, veldschuren of spooremplacementen;
  • c. agrarisch grondgebruik met dien verstande dat:
    • 1. bij de aanleg van nieuwe fruitboomgaarden een uit oogpunt van volksgezondheid minimale afstand van 50 m tot woningen en daarbij behorende erven en tuinen in acht moet worden genomen;
    • 2. lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan;
    • 3. lage permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn uitsluitend toegestaan in de Kleinschalige polders, zoals bedoeld in hoofdstuk 3;
    • 4. tot agrarisch grondgebruik ook wordt gerekend de aanleg van waterbassins, geen bouwwerken zijnde, in fruitgaarden;
    • 5. het aanleggen van voorzieningen voor paarden (paardenbak) uitsluitend is toegestaan:
      • in aansluiting op de bebouwing die aanwezig is op het bouwperceel waartoe ook de voorzieningen voor paarden behoren;
      • maar niet vóór de voorgevelrooilijn;

Verkeer:

  • d. op het moment van vaststelling van het plan bestaande wegen met ten hoogste 2 x 1 doorgaande rijstroken, alsmede opstelstroken en busstroken, met dien verstande dat:
    • 1. bij aanpassing van het profiel of geringe aanpassingen van het tracé van deze bestaande wegen:
      • de aanpassing uit oogpunt van verkeersintensiteiten en verkeersveiligheid noodzakelijk is;
      • er geen onevenredige geluidoverlast zal optreden;
      • - indien sprake is van kenmerkende wegbeplanting - de kenmerkende wegbeplanting in stand wordt gehouden of met de herplant van wegbeplanting op peil blijft;
    • 2. de aanleg van geheel nieuwe wegen niet is toegestaan;
  • e. op het moment van vaststelling van het plan bestaande voet- en fietspaden met dien verstande dat:
    • 1. bij aanpassing van het profiel of geringe aanpassingen van het tracé van bestaande voet- en fietspaden:
      • de aanpassing uit oogpunt van verkeersintensiteiten en verkeersveiligheid noodzakelijk is;
      • – indien sprake is van kenmerkende wegbeplanting – de kenmerkende wegbeplanting in stand wordt gehouden of met de herplant van wegbeplanting op peil blijft;
    • 2. de aanleg van geheel nieuwe voet- en fietspaden niet is toegestaan;

Natuur en landschap:

  • f. lijnvormige en/of kleinschalige solitaire natuur- en landschapselementen met dien verstande dat de aanleg van nieuwe natuurelementen en nieuwe landschapselementen niet leidt tot onevenredige beperkingen van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de functies in de directe omgeving;
  • g. bestaande tuinen;
  • h. waterlopen, waterpartijen en bluswatervoorzieningen;

Overig:

  • i. extensief dagrecreatief medegebruik;
  • j. voorzieningen die horen bij de toegelaten functies zoals groen, water, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen en voorzieningen voor de verkeersgeleiding bij wegen, uitingen van kunstzinnigheid en reclame-uitingen;
  • k. voor deze reclame-uitingen geldt dat:
    • 1. deze beperkt van afmetingen moeten zijn;
    • 2. niet ontsierend zijn in het landschap en bij het perceel;
    • 3. geen afbreuk mogen doen aan de verkeersveiligheid.
6.2 Verboden gebruik

Het is verboden:

  • a. gronden op een andere wijze te gebruiken dan toegestaan;
  • b. bij een paardenbak en vergelijkbare voorzieningen, een geluidinstallatie, of verlichting door middel van lichtmasten die niet zijn voorzien van bovenafdekking, te gebruiken;
  • c. het storten en lozen van bagger en grondspecie; het gebruik van gronden als tijdelijk of permanent gronddepot.

Hoofdstuk 3 Wat mag ik op deze locatie bouwen (bouwregels)

Artikel 7 Bebouwing ten behoeve van een functie

Ter plaatse van het aangewezen bouwvlak mag worden gebouwd ten behoeve van de aangewezen functie en in overeenstemming met de regels die voor de bebouwing ten behoeve van deze functie gelden.

Artikel 8 Specifieke bouwaanduiding agrarisch - grondgebonden

8.1 Vergunningplicht bouwen

Voor bouwactiviteiten zoals opgenomen in het omgevingsplan geldt een vergunningplicht zoals opgenomen in artikel 22.26 van het omgevingsplan van de gemeente Borsele.

8.2 Beoordelingsregels bouwen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan van de gemeente Borsele, gelden tevens de volgende beoordelingsregels voor de functie Agrarisch - grondgebonden inclusief de medegebruiksfuncties:

  • a. bebouwing voldoet aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in hoofdstuk 5;
  • b. de hierna onder c tot en met j genoemde bebouwing is uitsluitend toegestaan:
    • 1. binnen het opgenomen bouwvlak voor bebouwing
    • 2. met dien verstande dat bebouwing ook kan worden toegestaan aansluitend aan het aangewezen bouwvlak tot een maximale oppervlakte van 1,5 ha met zijden met een maximale lengte van 175 m indien:
      • het bouwvlak van 1 ha is benut en redelijkerwijs geen ruimte meer biedt voor verdere bedrijfsontwikkeling;
      • het bouwvlak kan vierkant, rechthoekig, een combinatie daarvan of meerhoekig zijn;
      • het bouwvlak mag een openbare weg niet overschrijden;
      • waarbij gerealiseerde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van de bouwwerken zoals bedoeld in artikel 11 en/of 12, te allen tijde binnen het vlak gesitueerd moeten blijven; indien eenmaal gekozen voor realisering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van de bouwwerken zoals bedoeld in artikel 11 en/of 12, buiten het vlak, dan gelden de regels van het bouwvlak;
      • de situering van nieuwe gebouwen afgestemd moet worden op de situering en lengterichting van de aanwezige bebouwing;
      • waarbij, voor zover mogelijk, de zichtbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en elementen op het bouwvlak vanaf de openbare weg is gewaarborgd;
      • geen bebouwing is toegestaan voor de voorgevelrooilijn;
      • er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van aanwezige natuur, cultuurhistorische en/of landschappelijke waarden;
      • waarbij niet gebouwd mag worden binnen een afstand van 5 m tot een bouwperceelgrens;
  • c. per bouwvlak is ten hoogste één bedrijfswoning met aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken toegestaan, tenzij anders aangegeven in het plan;
  • d. voor de bedrijfswoning geldt:
    • 1. er wordt geen nieuwe bedrijfswoning binnen 10-6-contouren van inrichtingen en/of leidingen gerealiseerd;
    • 2. op de gevel van een nieuwe bedrijfswoning moet worden voldaan aan het Besluit hogere waarde voor geluid van 53 dB(A) dat voorafgaand aan de vaststelling van dit plan is genomen;
    • 3. uitbreiden van de woning, inclusief de aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken en aangebouwde overkappingen, is toegestaan waarbij geldt dat het uitwendige karakter overeenkomstig de opgenomen typologie voor de woning zoals beschreven in hoofdstuk 5 niet ingrijpend mag worden gewijzigd;
    • 4. bij herbouw van de bedrijfswoning binnen het bouwvlak:
      • mag niet vóór de voorgevelrooilijn van de bestaande bedrijfswoning worden gebouwd tenzij een locatie vóór deze voorgevelrooilijn uit stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieuoogpunt – waaronder geluid – aanvaardbaar is;
      • komt het uitwendige karakter van de nieuwe bedrijfswoning overeen met de opgenomen typologie voor de woning zoals beschreven in hoofdstuk 5;
    • 5. in afwijking van het bepaalde onder b bedraagt de afstand van de met aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken tot de bouwperceelgrens ten minste 2 m;
  • e. per bedrijfswoning zijn vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan waarbij geldt:
    • 1. er zijn geen vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan voor de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoningen;
    • 2. de gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 150 m² bedragen;
    • 3. bij uitbreiding van een bestaand vrijstaand bijbehorend bouwwerk mag de goothoogte en de dakhelling niet meer bedragen dan die van het bestaande vrijstaand bijbehorend bouwwerk;
    • 4. in het geval dat een geheel nieuw vrijstaand bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer dan 3,25 m bedragen;
    • 5. indien een dakhelling wordt toegepast bedraagt de helling minimaal 30o en maximaal 45o;
    • 6. in afwijking van het bepaalde onder b bedraagt de afstand van ieder vrijstaand bijbehorend bouwwerk tot de bouwperceelgrens ten minste 2 m;
  • f. per bouwvlak zijn bedrijfsgebouwen en overkappingen toegestaan; voor nieuwe agrarische bedrijfsgebouwen en overkappingen geldt:
    • 1. de situering is passend gelet op de situering van bestaande bedrijfsgebouwen en daarbij blijft, voor zover mogelijk, de zichtbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en elementen op het bouwvlak gewaarborgd;
    • 2. de goothoogte mag niet meer dan 7 m bedragen;
    • 3. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing zoals aangegeven in hoofdstuk 7; de aanleg en duurzame instandhouding van de landschappelijke inpassing wordt bij de verlening van de omgevingsvergunning voor bouwen vastgelegd;
    • 4. bouwen is pas toegestaan nadat nader onderzoek is uitgevoerd naar de aanwezigheid van kleine marterachtigen en de haas;
  • g. voor teeltondersteunende kassen geldt dat deze uitsluitend zijn toegestaan:
    • 1. als ondersteuning van een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering;
    • 2. tot een oppervlakte van ten hoogste 2.000 m²;
  • h. voor gebouwen ten behoeve van een neventak aquacultuur geldt dat deze uitsluitend zijn toegestaan tot een oppervlakte van ten hoogste 2.000 m2;
  • i. voor gebouwen ten behoeve van sanitaire- en slechtweervoorzieningen bij kleinschalige kampeerterreinen geldt dat deze uitsluitend zijn toegestaan tot een oppervlakte van ten hoogste 100 m2;
  • j. voor silo's geldt het volgende:
    • 1. sleufsilo's zijn uitsluitend toegestaan tot een bouwhoogte van 3,5 m;
    • 2. overige silo's en melktanks zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 10 m;
  • k. van permanent aanwezige kampeermiddelen mag de oppervlakte ten hoogste 40 m2 bedragen en de bouwhoogte ten hoogste 3,5 m;
  • l. binnen het bouwvlak zijn overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, toegestaan tot een bouwhoogte van ten hoogste 5 m tenzij het bouwwerken betreft zoals genoemd in artikel 12.2.

Artikel 9 Specifieke bouwaanduiding wonen

9.1 Vergunningplicht bouwen

Voor bouwactiviteiten geldt een vergunningplicht zoals opgenomen in artikel 22.26 van het omgevingsplan van de gemeente Borsele.

9.2 Beoordelingsregels bouwen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan van de gemeente Borsele, gelden tevens de volgende beoordelingsregels voor de functie Wonen inclusief de medegebruiksfuncties:

  • a. toegestaan zijn:
    • 1. één hoofdgebouw met aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken en aangebouwde overkappingen ten behoeve van één woning;
    • 2. vrijstaande bijbehorende bouwwerken met aangebouwde overkappingen;
    • 3. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde;
  • b. bebouwing voldoet aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in hoofdstuk 5;
  • c. voor de woning geldt:
    • 1. vernieuwen en veranderen van de woning binnen het bestaande bouwvolume van de woning met de daarmee een geheel vormende ruimten (voormalige schuren en stallen en dergelijke) is toegestaan waarbij geldt dat:
      • het uitwendige karakter overeenkomstig de opgenomen typologie voor de woning zoals beschreven in hoofdstuk 5 niet ingrijpend mag worden gewijzigd;
    • 2. uitbreiden van de woning, inclusief de aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken en aangebouwde overkappingen, is toegestaan waarbij geldt dat:
      • niet gebouwd mag worden vóór de voorgevelrooilijn van de bestaande woning;
      • het uitwendige karakter overeenkomstig de opgenomen typologie voor de woning zoals beschreven in hoofdstuk 5 niet ingrijpend mag worden gewijzigd, waaronder in ieder geval wordt verstaan dat de goot- en bouwhoogte ten opzichte van de bestaande goot- en bouwhoogte met niet meer dan 10% mag worden vergroot;
      • de afstand van de woning met aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken tot de bouwperceelgrens ten minste 2 m bedraagt;
    • 3. nieuwbouw van een woning in combinatie met sloop van de bestaande woning is toegestaan waarbij geldt dat:
      • niet gebouwd mag worden vóór de voorgevelrooilijn van de bestaande woning tenzij een locatie vóór deze voorgevelrooilijn uit stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieuoogpunt – waaronder geluid – aanvaardbaar is;
      • de afstand van de woning met aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken tot de bouwperceelgrens ten minste 2 m bedraagt;
      • de afstand van de nieuwe woning tot de bestaande te slopen woning niet meer dan 10 m mag bedragen met dien verstande dat een grotere afstand mogelijk is indien er sprake blijft van een mate van concentratie van bebouwing, gelet op de situering van de overige aanwezige gebouwen;
      • het uitwendige karakter van de nieuwe woning overeen komt met de opgenomen typologie voor de woning zoals beschreven in '5 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit';
      • er worden geen nieuwe woningen binnen 10-6-contouren van inrichtingen en/of leidingen gerealiseerd;
  • d. per woning zijn vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan waarbij geldt:
    • 1. vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan op de gronden die als erf bij de woning mogen worden gebruikt;
    • 2. er is sprake van een bepaalde mate van concentratie van gebouwen waarbij de onderlinge afstand tussen het hoofdgebouw en de op hetzelfde bouwperceel te realiseren vrijstaande bijbehorende bouwwerken in ieder geval niet meer dan 25 m mag bedragen;
    • 3. de gezamenlijke bebouwde oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken met aangebouwde overkappingen mag maximaal bedragen:
      • in geval het erf kleiner dan of gelijk is aan 100 m2: 50% van het erf;
      • in geval het erf groter is dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk is aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het erf dat groter is dan 100 m2;
      • in geval het erf groter is dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het erf dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m²;
    • 4. er zijn geen vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan voor de voorgevelrooilijn van de woning;
    • 5. bij uitbreiding van een bestaand vrijstaand bijbehorend bouwwerk mag de goothoogte en de dakhelling niet meer bedragen dan die van het bestaande vrijstaande bijbehorende bouwwerk;
    • 6. in het geval dat een geheel nieuw vrijstaand bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer dan 3,25 m bedragen;
    • 7. indien een dakhelling wordt toegepast bedraagt de helling minimaal 30 o en maximaal 45 o;
    • 8. de afstand van ieder vrijstaand bijbehorend bouwwerk tot de bouwperceelsgrens bedraagt ten minste 2 m;
  • e. voor gebouwen ten behoeve van sanitaire- en slechtweervoorzieningen bij kleinschalige kampeerterreinen geldt dat deze uitsluitend zijn toegestaan tot een oppervlakte van ten hoogste 100 m2;
  • f. van permanent aanwezige kampeermiddelen mag de oppervlakte ten hoogste 40 m2 bedragen en de bouwhoogte ten hoogste 3,5 m;
  • g. bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, zijn toegestaan tot een bouwhoogte van ten hoogste 3 m tenzij het bouwwerken betreft zoals genoemd in artikel 12.2.

Artikel 10 Bouwvlak

Voor de functie op deze locatie geldt het aangeduide bouwvlak voor bebouwing zoals opgenomen in artikel 8 en/ of artikel 9.

Artikel 11 Anti-hagelgeneratoren, teeltondersteunende voorzieningen en mestbassins

Toegestaan zijn:

  • a. anti-hagelgeneratoren;
  • b. teeltondersteunende voorzieningen;
  • c. mestbassins.
11.1 Anti-hagelgeneratoren

Voor anti-hagelgeneratoren geldt:

  • a. anti-hagelgeneratoren zijn uitsluitend toegestaan op gronden in gebruik voor fruitgaarden.
11.2 Teeltondersteunende voorzieningen

Voorzover voor teeltondersteunende voorzieningen op gronden in agrarisch gebruik sprake is van bouwen geldt:

  • a. voor lage tijdelijke permanente teeltondersteunende voorzieningen gelden geen specifieke voorwaarden;
  • b. hoge tijdelijke en hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan in de volgende categorieën waarbij de aangegeven voorwaarden gelden:
    • 1. boog- en gaas kassen en vergelijkbare voorzieningen zijn toegestaan in aansluiting op een agrarisch bouwvlak waarbij geldt:
      • de boog- en gaaskassen zijn en blijven teeltondersteunend aan een grondgebonden agrarisch teeltbedrijf;
      • de bouwhoogte van boog- en gaaskassen bedraagt ten hoogste 3,5 m;
      • de oppervlakte van de boog- en gaaskassen bedraagt per bouwvlak ten hoogste 1 ha;
      • voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing zoals aangegeven in hoofdstuk 7; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan;
    • 2. regenkappen en vergelijkbare voorzieningen zijn toegestaan waarbij geldt:
      • de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 3 m;
      • voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing zoals aangegeven in hoofdstuk 7; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan;
    • 3. stellingen en hagelnetten en vergelijkbare voorzieningen zijn toegestaan waarbij geldt:
      • de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 6 m;
      • de netten en folies zijn ten hoogste 7 maanden per kalenderjaar uitgerold aanwezig;
      • de kleur van de netten en folies is wit of grijs;
      • de palen mogen jaarrond aanwezig zijn;
      • voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing zoals aangegeven in 7; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan;
    • 4. voor de toelaatbaarheid van teeltondersteunende kassen wordt verwezen naar artikel 8.
11.3 Mestbassins

Op agrarische gronden, uitsluitend ter plaatse van bouwvlakken ten behoeve van de functie Agrarisch - grondgebonden, is het oprichten van mestbassins als bouwwerk, mestzak of foliebassin toegestaan, onder de volgende voorwaarden:

  • a. de totale maximale inhoudsmaat van mestbassins bedraagt 2.500 m3 per bouwvlak, indien het bassin uitsluitend wordt gebruikt voor de opslag van mest van het eigen bedrijf of voor mest die op de bij het eigen bedrijf behorende gronden wordt gebruikt;
  • b. de totale maximale inhoudsmaat van een mestbassin bedraagt 5.000 m3 per bouwvlak, indien het bassin wordt gebruikt voor de opslag van mest van meerdere agrarische bedrijven en/of indien de mest wordt gebruikt op de gronden van meerdere agrarische bedrijven;
  • c. de hoogte van een mestbassin bedraagt maximaal 5 m;
  • d. een mestbassin moet voorzien zijn van een goede landschappelijke inpassing, zoals aangegeven in '8 Voor het bouwen of de invulling van de functie gelden regels voor een goede landschappelijke inpassing';
  • e. mestbassins zijn niet toegestaan binnen een zone van 100 meter ten opzichte van woon- en verblijfsrecreatiegebieden en natuurgebieden.

Artikel 12 Algemeen toelaatbare gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voorts zijn nog toegestaan:

12.1 Gebouwen en overkappingen

De volgende gebouwen en overkappingen, uitsluitend ten behoeve van de toegelaten functie, waarbij het volgende geldt:

  • a. kleinschalige bouwwerken ten behoeve van schuilgelegenheden of stallen voor het hobbymatig houden van vee/paarden tot een maximale oppervlakte van 25 m² (inclusief overkappingen) per schuilgelegenheid waarbij geldt:
    • 1. deze bouwwerken zijn niet toegestaan op de gronden aangeduid als Waarde - Natuur en landschapswaarden in agrarisch gebied;
    • 2. de locatie van de bouwwerken zijn in landschappelijk en stedenbouwkundig opzicht passend in de omgeving;
    • 3. de locatie van de bouwwerken zorgt niet voor overlast en hinder voor omwonenden;
    • 4. bij de toepassing van een zadeldak bedraagt de goothoogte maximaal 2,5 m en de dakhelling maximaal 45o met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer dan 4,5 m mag bedragen;
    • 5. bij de toepassing van een lessenaarsdak bedraagt de goothoogte aan de lage zijde maximaal 2 m en de dakhelling maximaal 20o met dien verstande dat de goothoogte aan de hoge zijde niet meer dan 3,5 m mag bedragen;
  • b. toelaatbaar zijn gebouwen en overkappingen van geringe omvang voor natuuronderhoud, -beheer, natuurrecreatie of -educatie;
  • c. toelaatbaar zijn gebouwen en overkappingen van geringe omvang ten behoeve van het verkeer zoals gebouwen voor verkeersgeleiding, verkeersveiligheid en abri's;
  • d. toelaatbaar zijn gebouwen en overkappingen ten behoeve van de waterkering, het beheer en onderhoud ervan, de scheepvaart en de waterbeheersing;
  • e. toelaatbaar zijn fruitschuren, veldschuren en schuilgelegenheden of stallen voor vee voor een grondgebonden veehouderij met weidegang met een oppervlakte van ten hoogste 50 m² en een bouwhoogte van ten hoogste 6 m ten behoeve van agrarisch bedrijven waarbij:
    • 1. de opstallen noodzakelijk zijn vanuit het oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering;
    • 2. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing zoals aangegeven in hoofdstuk 7; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan;
    • 3. van toepassing;
  • f. bebouwing voldoet aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in '5 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit'.
12.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De volgende bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, uitsluitend ten behoeve van de toegelaten functie, waarbij het volgende geldt:

  • a. perceels- en terreinafscheidingen zijn toegestaan:
    • 1. tot een bouwhoogte van 1 m voor de voorgevelrooilijn van (bedrijfs)woningen;
    • 2. tot een bouwhoogte van 2 m in overige situaties;
    • 3. tot een bouwhoogte van 2,5 m indien deze hoogte uit oogpunt van veiligheid en beveiliging noodzakelijk is;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, voor verkeersgeleiding, verlichting, bewegwijzering, kunstwerken en vergelijkbare noodzakelijke voorzieningen van algemeen nut, zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 8 m;
  • c. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, noodzakelijk voor de waterkering, het beheer en onderhoud ervan en de waterbeheersing zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 6 m;
  • d. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, ten behoeve van paardenbakken, stapmolens en vergelijkbare voorzieningen zijn uitsluitend toegestaan:
    • 1. in aansluiting op een bouwvlak of in aansluiting op bestaande bebouwing;
    • 2. tot een bouwhoogte van 1,5 m;
  • e. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, ten behoeve van extensief recreatief gebruik zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 5 m;
  • f. waterbassins voor de fruitteelt zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 3 m;
  • g. bebouwing voldoet aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in '5 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit'.

 

Hoofdstuk 4 Op deze locatie gelden aanvullende gebruiks- en bouwregels voor (de bescherming van) leidingen

Artikel 13 Leiding - Riool

13.1 Toelaatbaar gebruik

Toegestaan is het medegebruik van de gronden voor rioolleidingen.

13.2 Werken en werkzaamheden
13.2.1 Verbod

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen zoals afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen en egaliseren van gronden;
  • b. het verharden, aanbrengen, verleggen, verbreden of verwijderen van paden, wegen en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen;
  • c. het aanbrengen en/of rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het aanleggen, verleggen of verwijderen van andere ondergrondse kabels en leidingen dan bij het toelaatbare gebruik is aangegeven en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • f. het aanleggen, vergraven of dempen van sloten, greppels of wateren.

13.2.2 Uitzondering op het verbod

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor omgevingsvergunning is verleend;
  • b. tot het normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de functie behoren;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.
13.3 Afwijking en bijbehorende beoordelingsregels

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan pas worden verleend, indien:

  • a. hierdoor, dan wel door de te verwachten gevolgen, het leidingbelang geen schade wordt toegebracht.

De leidingbeheerder van de desbetreffende leiding wordt vooraf gedurende drie weken in de gelegenheid gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling bedoeld onder a, alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden ter bescherming van de daar genoemde belangen.

Hoofdstuk 5 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit

Artikel 14 Agrarische en niet-agrarische bedrijfsbebouwing in een kleinschalige polder

Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in een kleinschalige polder gelden de volgende regels:

14.1 Algemeen

Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in een kleinschalige polder gelden de volgende algemene regels:

  • a. Het woongedeelte en bedrijfsgedeelte moeten als zelfstandige functies herkenbaar zijn.
  • b. De compositie van de bebouwing op het (agrarisch) bedrijfsperceel dient compact te blijven.
  • c. De bestaande positionering van woonhuis en bedrijfsbebouwing is maatgevend.
  • d. Uitbreiding en toevoeging van bedrijfsbebouwing dient plaats te vinden achter (het verlengde van) de achtergevel van de voorste bedrijfsbebouwing, tenzij dit gelet op de feitelijke situering van bestaande bebouwing en de bestaande erfinrichting niet passend is. Silo's mogen niet aan de wegzijde worden geplaatst.
  • e. De bebouwing dient zowel qua positionering, vorm-, kleur- als materiaalgebruik een samenhangend geheel te vormen. De dakhelling, nokhoogte en -richting moeten op elkaar worden afgestemd.
  • f. De gebouwen dienen orthogonaal ten opzichte van elkaar en de openbare ruimte (weg/dijk) te worden geplaatst. Hiervan kan worden afgeweken indien de bestaande bebouwing of landschapsstructuur daartoe aanleiding geeft.
  • g. Indien er sprake is van bestaande, detonerende bedrijfsbebouwing dient bij verdere bedrijfsuitbreiding gezocht te worden naar een kwaliteitsverbetering voor de detonerende bebouwing.
  • h. Bij het toevoegen van bedrijfsbebouwing dient rekening gehouden te worden met mogelijke toekomstige uitbreiding van het bedrijf.
  • i. Nissenhutten en romneyloodsen zijn niet toegestaan.
  • j. Voor nieuwbouw van bedrijfsbebouwing ten behoeve van een complex zonder historische kenmerken gelden de regels als verwoord in lid 14.2.
14.2 Nieuwbouw ten behoeve van een complex zonder historische kenmerken

Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in een kleinschalige polder gelden de volgende regels voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op grote afstand van historische (bedrijfs)bebouwing of bij een complex zonder historische kenmerken:

  • a. De nieuwe bedrijfsbebouwing is qua schaal en maat en kleur- en materiaalgebruik afgestemd op de reeds aanwezige bedrijfsbebouwing.
  • b. Het hellingspercentage van hellende dakvlakken mag maximaal 10 graden flauwer zijn dan van de historische bedrijfsbebouwing.
  • c. De overspanningsmaat van de bedrijfsbebouwing bedraagt maximaal 1,5 maal de overspanningsmaat van de bestaande, historische bedrijfsbebouwing
  • d. De lengte van een bedrijfsgebouw bedraagt niet meer dan 3 maal de breedte van de overspanning. Uitgangspunt is dat bedrijfsgebouwen niet in elkaars verlengde worden geplaatst.
  • e. Voor de gevels van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    • 1. Gevels worden opgetrokken uit roodbruin metselwerk, gepotdekseld hout in een zwarte kleur met een plint van roodbruin metselwerk of damwandprofielplaten met een plint van roodbruin metselwerk of beton met een kleurtoeslag (donkergrijs of antraciet).
    • 2. Voor de beplating van gevels zijn uitsluitend de RAL-kleuren 6012 of donkerder groen en 9005 (zwart) toegestaan.
    • 3. Deuren en roosters dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de gevels. In traditioneel uitgevoerde bedrijfsbebouwing zijn witte accenten als kozijnen, details en ornamenten toegestaan. In modern uitgevoerde bedrijfsbebouwing is dit enkel toegestaan wanneer dit passend is in het architectonische beeld.
  • f. Voor de dakvlakken van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    • 1. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat of golfplaten (staal of cementgebonden).
    • 2. Voor de beplating van daken is uitsluitend RAL 7016 of donkerder grijs toegestaan.
    • 3. De beplating van daken dient een voldoende diepe profilering te hebben.
    • 4. Dakdoorvoerende elementen dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de dakvlakken.
  • g. Het is toegestaan lichtplaten in het dakvlak toe te passen, mits voldaan wordt aan de volgende regels:
    • 1. Lichtplaten beslaan in verticale zin maximaal tweederde deel van het dakvlak, gerekend van de goot tot de nok. De lichtplaten dienen zich in het midden tussen de goot en de nok te bevinden.
    • 2. Lichtplaten hebben een breedte van 1 meter.
    • 3. De afstand van de lichtplaten tot de dakrand aan de kopgevel bedraagt minimaal 2 meter.
    • 4. De onderlinge afstand tussen lichtplaten in horizontale zin bedraagt minimaal 1 meter.
    • 5. De lichtplaten dienen in horizontale zin regelmatig over het dakvlak te worden verdeeld.
  • h. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren en materialen is niet toegestaan. Wit – anders dan als accentkleur in traditionele bebouwing – wordt beschouwd als een contrasterende kleur. Hoofdzakelijk gebruik van beton of kunststof is niet toegestaan, evenmin als de toepassing van weerspiegelende materialen.
  • i. Indien extra daglichttoetreding nodig is voor een kantoor of huisvesting van arbeidsmigranten, kunnen horizontale raamstroken worden toegevoegd in een onregelmatig patroon maar met behoud van het evenwichtige beeld.
  • j. Stijl- en beeldkenmerken van de bestaande bebouwing, bijvoorbeeld witte belijningen rond de kap, deur- en raampartijen, dienen ook in de (vervangende) nieuwbouw te worden toegepast.

Artikel 15 Agrarische en niet-agrarische bedrijfsloods in een kleinschalige polder

Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in een kleinschalige polder gelden de volgende regels:

15.1 Algemeen

Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in een kleinschalige polder gelden de volgende algemene regels:

  • a. De compositie van de bebouwing op het (agrarisch) bedrijfsperceel dient compact te blijven.
  • b. De bestaande positionering van bedrijfsbebouwing is maatgevend.
  • c. Uitbreiding en toevoeging van bedrijfsbebouwing dient plaats te vinden achter (het verlengde van) de achtergevel van de voorste bedrijfsbebouwing, tenzij dit gelet op de feitelijke situering van bestaande bebouwing en de bestaande erfinrichting niet passend is. Silo's mogen niet aan de wegzijde worden geplaatst.
  • d. De bebouwing dient zowel qua positionering, vorm-, kleur- als materiaalgebruik een samenhangend geheel te vormen. De dakhelling, nokhoogte en -richting moeten op elkaar worden afgestemd.
  • e. De gebouwen dienen orthogonaal ten opzichte van elkaar en de openbare ruimte (weg/dijk) te worden geplaatst. Hiervan kan worden afgeweken indien de bestaande bebouwing of landschapsstructuur daartoe aanleiding geeft.
  • f. Indien er sprake is van bestaande, detonerende bedrijfsbebouwing dient bij verdere bedrijfsuitbreiding gezocht te worden naar een kwaliteitsverbetering voor de detonerende bebouwing.
  • g. Bij het toevoegen van bedrijfsbebouwing dient rekening gehouden te worden met mogelijke toekomstige uitbreiding van het bedrijf.
  • h. Nissenhutten en romneyloodsen zijn niet toegestaan.
  • i. Voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing ten behoeve van een complex zonder historische kenmerken gelden de regels als verwoord in lid 15.2.
15.2 Nieuwbouw ten behoeve van een complex zonder historische kenmerken

Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in een kleinschalige polder gelden de volgende regels voor nieuwbouw van bedrijfsbebouwing:

  • a. De hoofdvorm van het gebouw dient enkelvoudig, eenduidig en symmetrisch te zijn. Overstekken maken onderdeel uit van de hoofdvorm.
  • b. De bedrijfsgebouwen dienen voorzien te zijn van een zadeldak met een hellingshoek van minimaal 20 graden, tenzij de dakhelling van bestaande bedrijfsbebouwing er aanleiding toe geeft een andere dakhelling te hanteren ten einde te komen tot een evenwichtig bebouwingsbeeld.
  • c. De overspanningsmaat van een bedrijfsgebouw gelegen in een kleinschalige polder bedraagt maximaal 25 meter. Indien een bedrijfsgebouw breder wordt dan de van toepassing zijnde overspanningsmaat, dienen er 2 kappen te worden gerealiseerd.
  • d. De lengte van een bedrijfsgebouw bedraagt niet meer dan 3 maal de breedte van de overspanning. Uitgangspunt is dat bedrijfsgebouwen niet in elkaars verlengde worden geplaatst.
  • e. Voor de gevels van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    • 1. Gevels worden opgetrokken uit roodbruin metselwerk, gepotdekseld hout in een zwarte kleur met een plint van roodbruin metselwerk of damwandprofielplaten met een plint van roodbruin metselwerk of beton met een kleurtoeslag (donkergrijs of antraciet).
    • 2. Voor de beplating van gevels zijn de uitsluitend RAL-kleuren 6012 of donkerder groen en 9005 (zwart) toegestaan.
    • 3. Deuren en roosters dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de gevels. In traditioneel uitgevoerde bedrijfsbebouwing zijn witte accenten als kozijnen, details en ornamenten toegestaan. In modern uitgevoerde bedrijfsbebouwing is dit enkel toegestaan wanneer dit passend is in het architectonische beeld.
  • f. Voor de dakvlakken van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    • 1. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat, omgekeerde damwandprofielplaten of golfplaten (staal of cementgebonden).
    • 2. Voor de beplating van daken is uitsluitend RAL 7016 of donkerder grijs toegestaan.
    • 3. De beplating van daken dient een voldoende diepe profilering te hebben.
    • 4. Dakdoorvoerende elementen dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de dakvakken.
  • g. Het is toegestaan lichtplaten in het dakvlak toe te passen, mits voldaan wordt aan de volgende regels:
    • 1. Lichtplaten beslaan in verticale zin maximaal tweederde deel van het dakvlak, gerekend van de goot tot de nok. De lichtplaten dienen zich in het midden tussen de goot en de nok te bevinden.
    • 2. Lichtplaten hebben een breedte van 1 meter.
    • 3. De afstand van de lichtplaten tot de dakrand aan de kopgevel bedraagt minimaal 2 meter.
    • 4. De onderlinge afstand tussen lichtplaten in horizontale zin bedraagt minimaal 1 meter.
    • 5. De lichtplaten dienen in horizontale zin regelmatig over het dakvlak te worden verdeeld.
  • h. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren en materialen is niet toegestaan. Wit – anders dan als accentkleur in traditionele bebouwing – wordt beschouwd als een contrasterende kleur. Hoofdzakelijk gebruik van beton of kunststof is niet toegestaan, evenmin als de toepassing van weerspiegelende materialen.
  • i. Indien extra daglichttoetreding nodig is voor een kantoor of huisvesting van arbeidsmigranten, kunnen horizontale raamstroken worden toegevoegd in een onregelmatig patroon maar met behoud van het evenwichtige beeld.

Artikel 16 Nieuwvestiging agrarische bedrijfsbebouwing

Voor een goede beeldkwaliteit van nieuwvestiging van (agrarische) bedrijfsbebouwing gelden de volgende regels:

16.1 Algemeen

Voor een goede beeldkwaliteit van nieuwvestiging van (agrarische) bedrijfsbebouwing gelden de volgende algemene regels:

  • a. Het woongedeelte en bedrijfsgedeelte moeten als zelfstandige functies herkenbaar zijn.
  • b. De compositie van de bebouwing op het (agrarisch) bedrijfsperceel dient compact te blijven.
  • c. De bedrijfswoning dient aan de wegzijde te worden gesitueerd, bijgebouwen en bedrijfsgebouwen moeten daarachter worden gepositioneerd. Silo's mogen niet aan de wegzijde worden geplaatst.
  • d. De bebouwing dient zowel qua positionering, vorm-, kleur- als materiaalgebruik een samenhangend geheel te vormen. De dakhelling, nokhoogte en -richting moeten op elkaar worden afgestemd.
  • e. De gebouwen dienen orthogonaal ten opzichte van elkaar en de openbare ruimte (weg) te worden geplaatst. Hiervan kan worden afgeweken indien de landschapsstructuur daartoe aanleiding geeft.
  • f. Voor de vormgeving van de bedrijfswoning dient gekozen te worden voor het type boerenhofstedewoning en gelden de regels zoals verwoord in lid 16.3.
16.2 Bedrijfsbebouwing

Voor een goede beeldkwaliteit van nieuwvestiging van (agrarische) bedrijfsbebouwing gelden de volgende regels voor de bedrijfsbebouwing:

  • a. Nissenhutten en romneyloodsen zijn niet toegestaan.
  • b. De hoofdvorm van het gebouw dient enkelvoudig, eenduidig en symmetrisch te zijn. Overstekken maken onderdeel uit van de hoofdvorm.
  • c. De bedrijfsgebouwen dienen voorzien te zijn van een zadel- of lessenaarsdak met een hellingshoek van minimaal 20 graden.
  • d. De overspanningsmaat van een bedrijfsgebouw gelegen in een grootschalige polder bedraagt maximaal 30 meter. In een kleinschalige polder en in de Poel en heggengebied Nisse bedraagt de maximale overspanningsmaat 25 meter. Indien een bedrijfsgebouw breder wordt dan de van toepassing zijnde overspanningsmaat, dienen er 2 kappen te worden gerealiseerd.
  • e. De lengte van een bedrijfsgebouw bedraagt niet meer dan 3 maal de breedte van de overspanning. Uitgangspunt is dat bedrijfsgebouwen niet in elkaars verlengde worden geplaatst.
  • f. Voor de gevels van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    • 1. Gevels worden opgetrokken uit roodbruin metselwerk, gepotdekseld hout in een zwarte kleur met een plint van roodbruin metselwerk of damwandprofielplaten met een plint van roodbruin metselwerk of beton met een kleurtoeslag (donkergrijs of antraciet).
    • 2. Voor de beplating van gevels zijn uitsluitend de RAL-kleuren 6012 of donkerder groen en 9005 (zwart) toegestaan.
    • 3. Deuren en roosters dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de gevels. In traditioneel uitgevoerde bedrijfsbebouwing zijn witte accenten als kozijnen, details en ornamenten toegestaan. In modern uitgevoerde bedrijfsbebouwing is dit enkel toegestaan wanneer dit passend is in het architectonische beeld.
  • g. Voor de dakvlakken van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    • 1. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in matte rode of blauwe keramische dakpannen, omgekeerde damwandprofielplaten of golfplaten (staal of cementgebonden).
    • 2. Voor de beplating van daken is uitsluitend RAL 7016 of donkerder grijs toegestaan.
    • 3. De beplating van daken dient een voldoende diepe profilering te hebben.
    • 4. Dakdoorvoerende elementen dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de dakvlakken.
  • h. Het is toegestaan lichtplaten in het dakvlak toe te passen, mits voldaan wordt aan de volgende regels:
    • 1. Lichtplaten beslaan in verticale zin maximaal tweederde deel van het dakvlak, gerekend van de goot tot de nok. De lichtplaten dienen zich in het midden tussen de goot en de nok te bevinden.
    • 2. Lichtplaten hebben een breedte van 1 meter.
    • 3. De afstand van de lichtplaten tot de dakrand aan de kopgevel bedraagt minimaal 2 meter.
    • 4. De onderlinge afstand tussen lichtplaten in horizontale zin bedraagt minimaal 1 meter en maximaal 2 meter.
    • 5. De lichtplaten dienen in horizontale zin regelmatig over het dakvlak te worden verdeeld.
  • i. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren en materialen is niet toegestaan. Wit – anders dan als accentkleur in traditionele bebouwing – wordt beschouwd als een contrasterende kleur. Hoofdzakelijk gebruik van beton of kunststof is niet toegestaan, evenmin als de toepassing van weerspiegelende materialen.
  • j. Indien extra daglichttoetreding nodig is voor een kantoor of huisvesting van arbeidsmigranten, kunnen horizontale raamstroken worden toegevoegd in een onregelmatig patroon maar met behoud van het evenwichtige beeld.
16.3 Bedrijfswoning in de vorm van een boerenhofstedewoning

Voor een goede beeldkwaliteit van nieuwvestiging van (agrarische) bedrijfsbebouwing gelden de volgende regels voor de bedrijfswoning in de vorm van een boerenhofstedewoning:

  • a. Voor de situering, massa en vorm van de boerenhofstedewoning gelden de volgende regels:
    • 1. Gebouwen dienen gepositioneerd te worden in lijn met een traditionele erfopzet.
    • 2. De positionering van bijgebouwen dient ondergeschikt te zijn en zich te voegen naar de erfopzet.
    • 3. De woning bestaat uit maximaal één bouwlaag met een zadeldak, eventueel met borstwering.
    • 4. De woning is voorzien van een steil zadeldak met een hellingshoek van minimaal 45 graden. Wolfseinden zijn niet toegestaan.
    • 5. De nokrichting van de bebouwing volgt de lengterichting van de plattegrond.
    • 6. De lengte van de woning is minimaal 1/3 deel langer dan de diepte van de woning.
    • 7. Dakkapellen worden bij voorkeur aan de achterzijde van woning gesitueerd.
    • 8. Loggia's zijn niet toegestaan.
  • b. Voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van de boerenhofstedewoning gelden de volgende regels:
    • 1. De woningen kennen een verticale, symmetrische gevelindeling.
    • 2. Gevels dienen te worden uitgevoerd in rood metselwerk.
    • 3. Het schilderen of pleisteren van gevels is niet toegestaan.
    • 4. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat.
    • 5. Kozijnen, deuren en ramen worden bij voorkeur uitgevoerd in hout. Het gebruik van kunststof kozijnen en ramen in blokprofiel is toegestaan, mits met een gelijkwaardige profilering.
    • 6. Luiken worden uitgevoerd in hout en dienen werkend te zijn.
    • 7. Voor kozijnen is wit toegestaan, donkergroen, donkerblauw en meekraprood voor de ramen en deuren. Voor luiken wordt wit gecombineerd met één van de andere kleuren.
    • 8. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, felpaars en dergelijke is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.
  • c. Voor de detaillering van de boerenhofstedewoning gelden de volgende regels:
    • 1. De detaillering en ornamentiek dienen te harmoniëren met het gebouw.
    • 2. Gevelbepalende ornamenten, zoals hanenkammen, rollagen (de zogenaamde metselwerkarchitectuur), makelaars, waterborden/windveren en goten dienen te worden aangebracht op historisch juiste wijze.
    • 3. Raamdorpels uitvoeren in metselwerk of blauw hardsteen.
    • 4. Neggen dienen voldoende diep te zijn, zowel wat betreft de plaatsing van het kozijn in de gevel als het glas in het kozijn. Indien T- of H-(schuif)vensters worden toegepast of een afgeleide hiervan, dienen deze uitgevoerd te worden met een zogenaamde wisseldorpel.
    • 5. Indien een roedeverdeling, T-vensters of een andere historische raamindeling wordt toegepast, dient deze historisch juist te worden uitgevoerd. Bij dubbelglas zorgen voor voldoende slanke profielen, niet aangebracht tussen het glas. Bij het aanbrengen van roeden op het glas, wordt het glas voorzien van zogenaamde sprossen.
  • d. Voor een aan- of uitgebouwd en vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij de boerenhofstedewoning gelden de volgende regels:
    • 1. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen ondergeschikt te zijn en in samenhang met de woning ontworpen te worden.
    • 2. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen aan de achterzijde te worden gesitueerd.
    • 3. Het kleur- en materiaalgebruik van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken wordt afgestemd op het kleur- en materiaalgebruik van de woning.
    • 4. Wat betreft maatvoering, architectuur en detaillering moeten aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken afgestemd zijn op de woning.
    • 5. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn voorzien van een zadel- of lessenaarsdak of plat dak.

Artikel 17 Typologie Boerenhofstede

Voor een goede beeldkwaliteit van een boerenhofstede gelden de volgende regels:

17.1 Algemeen

Voor een goede beeldkwaliteit van een boerenhofstede gelden de volgende algemene regels:

  • a. Behoud van het ensemble is het uitgangspunt. Niet alleen het woonhuis en de schuur, maar ook de overige oorspronkelijke bouwwerken (varkenshok, wagenschuur, bakkeet, etc.), het erf, de beplanting en de omgeving van de boerderij moeten in samenhang worden vormgegeven.
17.2 Situering, massa en vorm

Voor een goede beeldkwaliteit van een boerenhofstede gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  • a. De positie en oriëntatie van de oorspronkelijke woning en schuur is maatgevend.
  • b. De compositie van de bebouwing op het perceel dient compact te zijn. Alle gebouwen op het perceel vormen in ruimtelijke zin een ensemble met elkaar.
  • c. De oorspronkelijke eenvoudige, markante hoofdvorm van de schuur dient als beeldbepalend element in het landschap bewaard te blijven. Ook bij renovatie of (vervangende) nieuwbouw dient dit steeds het uitgangspunt te zijn.
  • d. Het woonhuis en de schuur zijn vrijstaand. De gebouwen zijn orthogonaal ten opzichte van elkaar geplaatst en ten opzichte van de openbare ruimte (weg/dijk) of de kavelrichting.
  • e. De positionering van vrijstaande bijbehorende bouwwerken dient ondergeschikt te zijn en zich te voegen naar de traditionele erfopzet.
  • f. De woning bestaat uit maximaal één bouwlaag met een zadeldak, eventueel met borstwering.
  • g. Woning en schuur zijn voorzien van een steil zadeldak met een hellingshoek van minimaal 45 graden. Wolfseinden zijn bij de woning niet toegestaan.
  • h. De nokrichting van de bebouwing volgt de lengterichting van de plattegrond.
  • i. De lengte van de woning is minimaal 1/3 deel langer dan de diepte van de woning.
  • j. Toevoegingen aan het dakvlak van de schuur, zoals dakkapellen en schoorstenen, zijn niet toegestaan. Bij functiewijziging kunnen, om extra daglicht te verkrijgen, smalle, verticale dakramen worden toegepast.
  • k. Dakkapellen worden bij voorkeur aan de achterzijde van woning gesitueerd.
  • l. Loggia's zijn niet toegestaan.
17.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik van de woning

Voor een goede beeldkwaliteit van een boerenhofstede gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van de woning:

  • a. De woningen kennen een verticale, veelal symmetrische gevelindeling.
  • b. Gevels dienen te worden uitgevoerd in rood of geel metselwerk (IJsselsteen).
  • c. Het schilderen of pleisteren van gevels is enkel toegestaan indien:
    • 1. De oorspronkelijke bebouwing dit kent.
    • 2. Er sprake is van (ernstige) bouwkundige gebreken (zoals scheurvorming of vochtdoorslag).
    • 3. Er sprake is van (ernstige) verstoring van beeldkwaliteit (zoals reparatiewerkzaamheden, sterk wisselende verkleuring/vervuiling enzovoort).

Beleid is om hier uiterst terughoudend mee om te gaan en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels.

  • d. Indien gekozen wordt voor het schilderen van gevels – wat prevaleert boven het pleisteren van gevels – wordt gekozen voor een minerale verf in aardetinten, vergelijkbaar met de kleur van de bestaande gevels. Gepleisterde gevels worden voorzien van een traditionele textuur, zoals grof geschuurd, schijnvoegen of rotsen.
  • e. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat.
  • f. Kozijnen, deuren, ramen en luiken worden bij voorkeur uitgevoerd in hout. Het gebruik van kunststof kozijnen en ramen in blokprofiel is toegestaan.
  • g. Voor kozijnen is wit toegestaan, donkergroen voor de ramen en deuren. Voor luiken worden beide kleuren gecombineerd.
  • h. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, felpaars en dergelijke is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.
17.4 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik van de schuur

Voor een goede beeldkwaliteit van een boerenhofstede gelden de volgende regels voor de gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik van de schuur:

  • a. De oorspronkelijke gevelopeningen, zoals stal- en mendeuren, dienen gehandhaafd te blijven.
  • b. De gevels van de schuren bestaan uit roodbruin metselwerk of gepotdekseld hout in een zwarte kleur, eventueel met een plint van roodbruin metselwerk. Potdekselplanken hebben een werkende hoogte van minimaal 25 cm. Damwandprofielplaten zijn niet toegestaan.
  • c. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat of in riet.
  • d. Gevelopeningen in de gemetselde delen van de schuur zijn kleinschalig en veelal vierkant, eventueel met een getoogde bovenkant.
  • e. Kozijnen, deuren en ramen in gemetselde delen van de schuur worden uitgevoerd in hout, gietijzer of beton of een goed gelijkend ander materiaal met hetzelfde profiel.
  • f. Kozijnen, deuren en ramen in houten delen van de schuur worden uitgevoerd in hout.
  • g. Luiken worden uitgevoerd in hout en dienen werkend te zijn.
  • h. Gevelopeningen in de houten delen van de schuur en de schuurdeuren (uitgezonderd de mendeuren) zijn kleinschalig en veelal horizontaal, zodat ze passend zijn in de horizontale indeling van het potdekselwerk. Gevelopeningen in houten schuurdelen worden met een witte rand afgebiesd, conform de bestaande toestand.
  • i. Voor kozijnen en ramen zijn zwart en wit toegestaan, zwart voor de deuren en luiken.
  • j. Bij functieverandering van de schuur kunnen stal- en mendeuren als gevelopening gebruikt worden, met dien verstande dat:
    • 1. Een kozijn met een sobere indeling en kleurstelling achter in de negge wordt geplaatst.
    • 2. De deuren behouden worden.
    • 3. Achter de gevelopening visueel één ruimte zichtbaar dient te zijn.
  • k. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, felpaars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.
17.5 Detaillering

Voor een goede beeldkwaliteit van een boerenhofstede gelden de volgende regels voor de detaillering:

  • a. De detaillering en ornamentiek dienen te harmoniëren met het gebouw en/of gebaseerd te zijn op een bouwhistorisch onderzoek.
  • b. Gevelbepalende ornamenten, zoals speklagen, hanenkammen, rollagen (de zogenaamde metselwerkarchitectuur), makelaars, waterborden/windveren en goten dienen te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  • c. Raamdorpels onder de vensters uit te voeren in een combinatie van waterlagen en rollagen (maximaal een drieklezoor hoog) dan wel gemetselde bakstenen raamdorpels onder een hellingshoek.
  • d. Functionele elementen, zoals hooideuren, draagbalken en luiken dienen behouden te blijven.
  • e. In gemetselde gevels of geveldelen dienen neggen voldoende diep te zijn, zowel wat betreft de plaatsing van het kozijn in de gevel als het glas in het kozijn. Indien T- of H-(schuif)vensters worden toegepast of een afgeleide hiervan, dienen deze uitgevoerd te worden met een zogenaamde wisseldorpel.
  • f. In houten gevels of geveldelen wordt het kozijn gelijk met de (buitenkant van de) plank geplaatst.
  • g. Indien een roedeverdeling, T-vensters of een andere historische raamindeling wordt toegepast, dient deze historisch juist te worden uitgevoerd. Bij dubbelglas zorgen voor voldoende slanke profielen, niet aangebracht tussen het glas. Bij het aanbrengen van roeden op het glas, wordt het glas voorzien van zogenaamde sprossen.
17.6 Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken

Voor een goede beeldkwaliteit van een boerenhofstede gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:

  • a. Voor aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken gelden de volgende algemene regels:
    • 1. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen ondergeschikt te zijn.
    • 2. Aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken dienen in samenhang met de woning en de schuur ontworpen te worden, dan wel vormen hiermee en contrast.
    • 3. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen in samenhang met de woning en de schuur ontworpen te worden
  • b. Voor aangebouwde en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken aan de woning gelden de volgende regels:
    • 1. Aangebouwde en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken dienen aan de achterzijde te worden gesitueerd.
    • 2. Wat betreft architectuur, kleur- en materiaalgebruik en detaillering moeten deze aangebouwde en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken afgestemd zijn op de woning, dan wel hiermee een contrast vormen.
    • 3. De gevels van de aangebouwde en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken worden uitgevoerd in metselwerk of gepotdekseld hout in een zwarte kleur. Potdekselplanken hebben een werkende hoogte van minimaal 25 cm.
    • 4. Het hiervoor onder3 bepaalde is niet van toepassing indien het aangebouwde of uitgebouwde bijbehorend bouwwerk eigentijds is vormgegeven. Het kleur- en materiaalgebruik vormt in dat geval een contrast met het kleur- en materiaalgebruik van het hoofdgebouw.
    • 5. Aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken zijn voorzien van een zadel- of lessenaarsdak.
    • 6. Een aangebouwd of uitgebouwd bijbehorend bouwwerk kan in afwijking van het hiervoor onder 5 bepaalde voorzien worden van een plat dak, mits het aangebouwde of uitgebouwde bijbehorend bouwwerk eigentijds is vormgegeven.
  • c. Voor aangebouwde en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken aan de schuur gelden de volgende regels:
    • 1. Aangebouwde en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken dienen aan de achterzijde te worden gesitueerd.
    • 2. Wat betreft architectuur, kleur- en materiaalgebruik en detaillering moeten deze aangebouwde en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken afgestemd zijn op de schuur, dan wel hiermee een contrast vormen.
    • 3. De gevels van de aangebouwde en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken worden uitgevoerd in metselwerk of gepotdekseld hout in een zwarte kleur. Potdekselplanken hebben een werkende hoogte van minimaal 25 cm.
    • 4. Het hiervoor onder 3 bepaalde is niet van toepassing indien het aangebouwde of uitgebouwde bijbehorend bouwwerk eigentijds is vormgegeven. Het kleur- en materiaalgebruik vormt in dat geval een contrast met het kleur- en materiaalgebruik van het hoofdgebouw.
    • 5. Een aangebouwd of uitgebouwd bijbehorend bouwwerk aan een schuur wordt vormgegeven als aankapping met een lessenaarsdak.
    • 6. De diepte van een aangebouwd of uitgebouwd bijbehorend bouwwerk bedraagt 1/3 tot 1/2 deel van de overspanning van de schuur.
    • 7. Het dak wordt aangekapt ter plaatse van of onder de goot van de schuur.
  • d. Voor vrijstaande bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:
    • 1. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn voorzien van een zadeldak, qua dakhelling gelijk aan het dak van de woning.
    • 2. Het kleur- en materiaalgebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken wordt afgestemd op het kleur- en materiaalgebruik van de woning en/of schuur.
    • 3. De gevels van vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden uitgevoerd in metselwerk of gepotdekseld hout in een zwarte kleur. Potdekselplanken hebben een werkende hoogte van minimaal 25 cm.

Artikel 18 Dakkapellen

Voor een goede beeldkwaliteit van dakkapellen gelden de volgende regels:

18.1 Algemeen

Voor een goede beeldkwaliteit van dakkapellen gelden de volgende algemene regels:

  • a. De dakkapel is gelijkvormig aan eerder geplaatste dakkapellen op het betreffende dakvlak van het gebouw.
  • b. De dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw.
  • c. Dakkapellen zijn niet toegestaan op schuren, aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken.
18.2 Plaatsing en aantal

Voor een goede beeldkwaliteit van dakkapellen gelden de volgende regels voor de plaatsing en het aantal:

  • a. Bij meerdere dakkapellen in dezelfde bouwmassa is sprake van een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn, dus niet boven elkaar gerangschikt.
  • b. Bij een individueel hoofdgebouw is de dakkapel gecentreerd in het dakvlak of gelijk aan de geleding van de (voor)gevel.
  • c. Er is minimaal 1,00 meter dakvlak aanwezig boven, onder en aan weerszijden van de dakkapel. De afstand tot de zijkant wordt gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel, bij kilkepers wordt gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel. De afstand boven en onder wordt gemeten langs het dakvlak.
18.3 Maatvoering

Voor een goede beeldkwaliteit van dakkapellen gelden de volgende regels voor de maatvoering:

  • a. De hoogte van de dakkapel bedraagt maximaal 50% van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak, met een maximum van 1,30 meter gemeten vanaf de voet van de dakkapel tot aan de bovenzijde van het boeiboord of de daktrim.
  • b. De breedte van de dakkapel(len) bedraagt in totaal maximaal 40% van de breedte van het dakvlak met een maximum van 2,00 meter per dakkapel gemeten langs de goot van het desbetreffend dakvlak.
18.4 Vormgeving

Voor een goede beeldkwaliteit van dakkapellen gelden de volgende regels voor de vormgeving:

  • a. De dakkapel is plat afgedekt.
  • b. De indeling en profielen van kozijnen zijn verwant aan die van de ramen en kozijnen van de woning.
  • c. Geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten.
18.5 Kleur- en materiaalgebruik

Voor een goede beeldkwaliteit van dakkapellen gelden de volgende regels voor het kleur- en materiaalgebruik:

  • a. Het kleur- en materiaalgebruik van kozijnen en profielen is gelijk aan dat van de kozijnen en profielen van de woning.
  • b. De zijwanden van de dakkapel worden bij voorkeur uitgevoerd in zink. Uitvoering in hout of plaatwerk in een donkere kleur is eveneens toegestaan.
18.6 Aanvullende criteria voor dakkapellen per kapvorm

Voor een goede beeldkwaliteit van dakkapellen gelden bij een aantal afwijkende kapvormen en bebouwingstypologieën de volgende aanvullende regels:

  • a. Zadeldak met hellingshoek <30°: Een dakkapel op een zadeldak met een helling kleiner dan 30° is ongewenst. Een bouwplan voor een dakkapel op een zadeldak met een flauwe helling zal altijd ter beoordeling aan het bevoegd gezag worden voorgelegd.
  • b. Zadeldak met wolfseind: Een dakkapel op een wolfseind is niet toegestaan.
  • c. Mansardekap: Een dakkapel is toegestaan in het onderste deel van het dakvlak. De bovenaansluiting met het dakvlak dient op de knik van het dakvlak plaats te vinden.
  • d. In geval van combinaties van verschillende dakvormen is overleg met het bevoegd gezag in een zo vroeg mogelijk stadium gewenst. In het overleg kan besproken worden wat voor de betreffende specifieke situatie acceptabel is.

Artikel 19 Erfafscheidingen

Voor een goede beeldkwaliteit van erfafscheidingen gelden de volgende regels:

19.1 Algemeen

Voor een goede beeldkwaliteit van erfafscheidingen gelden de volgende algemene regels:

  • a. Er wordt bij voorkeur gewerkt met groene erfafscheidingen, bestaande uit haagplanten zoals beuk, haagbeuk, veldesdoorn, liguster, taxus of hulst, of een volledig te begroeien hekwerk.
  • b. Gebouwde erfafscheidingen zijn eveneens toegestaan.
19.2 Maatvoering en vormgeving

Voor een goede beeldkwaliteit van gebouwde erfafscheidingen gelden de volgende regels voor de maatvoering en vormgeving:

  • a. Een gebouwde erfafscheiding wordt qua vormgeving afgestemd op de bebouwing waar deze bij hoort.
  • b. De hoogte van een erfafscheiding bedraagt maximaal 2,00 meter, mits de erfafscheiding minimaal 1,00 meter achter (het verlengde van) de voorgevellijn wordt geplaatst.
  • c. Toogvormen zijn niet toegestaan.
19.3 Kleur- en materiaalgebruik

Voor een goede beeldkwaliteit van gebouwde erfafscheidingen gelden de volgende regels voor het kleur- en materiaalgebruik:

  • a. Een gebouwde erfafscheiding bestaat uit metselwerk of hout. Een goed op hout gelijkend composietmateriaal is eveneens toegestaan.
  • b. Voor erfafscheidingen in metselwerk gelden de volgende regels:
    • 1. Het kleur- en materiaalgebruik wordt uitgevoerd conform het metselwerk van het hoofdgebouw.
    • 2. Een gemetselde erfafscheiding bestaat uit een regelmatige afwisseling van vlakken en penanten.
    • 3. Een gemetselde erfafscheiding kan worden gecombineerd met metalen stijlen in een donkere kleur, houten schuttingdelen of te begroeien hekwerken.
  • c. Voor erfafscheidingen in hout of een goed gelijkend composietmateriaal gelden de volgende regels:
    • 1. Een houten erfafscheiding, hoger dan 1,00 meter, wordt bij voorkeur gecombineerd met groene delen.
    • 2. Voor hout zijn de kleuren naturel vergrijsd, donkergroen en zwart toegestaan. Voor composiet zijn donkergroen en zwart toegestaan.
  • d. Het toepassen van golfplaat, damwandprofielen, rietmatten, vlechtschermen, kokosschermen of schanskorven is niet toegestaan.
  • e. Het gebruik van beton of metaal is alleen toegestaan in de vorm van palen tussen schuttingdelen en te begroeien hekwerken.
  • f. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, fel paars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

Artikel 20 Voormalige agrarische bedrijfsbebouwing

Indien er sprake is van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gelden de volgende regels voor een goede beeldkwaliteit:

  • a. Bij aanpassing of vervangende nieuwbouw van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing is overleg met het bevoegd gezag in een zo vroeg mogelijk stadium gewenst. In het overleg kan besproken worden wat voor de betreffende specifieke situatie acceptabel is.
  • b. In geval van aanpassing of vervangende nieuwbouw van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing is verbetering van de beeldkwaliteit het uitgangspunt, waarbij het bestaande complex wordt gerespecteerd en waar nodig versterkt.

Artikel 21 Algemene regels


De algemene regels voor een goede beeldkwaliteit liggen ten grondslag aan elke planbeoordeling en zijn bij het opstellen van de regels per typologie in acht genomen. In de praktijk zullen de regels per typologie voldoende houvast bieden voor de planbeoordeling. In bijzondere situaties kan het echter nodig zijn dat wordt teruggegrepen op de algemene regels voor een goede beeldkwaliteit.

In dat geval gelden de volgende algemene regels voor een goede beeldkwaliteit:

  • a. De verschijningsvorm van een gebouw of bouwwerk heeft een relatie met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is. De vormgeving van een gebouw of bouwwerk is samenhangend en logisch.
  • b. Een gebouw of bouwwerk levert een positieve bijdrage aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het gebouw of van de omgeving groter is.
  • c. Verwijzingen naar en associaties met een bouwstijl worden zorgvuldig gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar en leesbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit.
  • d. In een gebouw of bouwwerk is structuur aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat.
  • e. Een gebouw of bouwwerk heeft een samenhangend stelsel van maatverhoudingen, dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen.
  • f. Materiaal, textuur, kleur en licht ondersteunen het karakter van het gebouw of bouwwerk en maken de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk.

Artikel 22 Verplicht advies

Voor de beoordeling van een bouwplan aan de in hoofdstuk 5 opgenomen regels voor een goede beeldkwaliteit gelden de volgende regels:

22.1 Verplicht advies
  • a. Burgemeester en wethouders winnen advies in bij een deskundige op het gebied van beeldkwaliteit met betrekking tot de vraag of het bouwplan in voldoende mate voldoet aan de in hoofdstuk 5 opgenomen regels voor een goede beeldkwaliteit.
  • b. De deskundige baseert zijn advies slechts op de regels zoals deze zijn opgenomen in hoofdstuk 5. De adviezen van de deskundige zijn openbaar.
  • c. Een advies van de deskundige inhoudende dat een bouwplan in strijd is met de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals bedoeld in hoofdstuk 5 wordt schriftelijk uitgebracht en deugdelijk gemotiveerd.
22.2 Uitzondering adviesplicht
  • a. Indien het bouwplan betrekking heeft op het bouwen en/of verbouwen van een bouwwerk dat valt onder de werking van artikel 18 en/of artikel 19 kunnen burgemeester en wethouders afzien van het inwinnen advies.

Artikel 23 Excessenregeling

Het is verboden om het uiterlijk van een bestaand bouwwerk in een toestand te brengen en/of te houden die in ernstige mate in strijd is met de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals opgenomen in hoofdstuk 5.

Om te bepalen of sprake is van een toestand die in ernstige mate in strijd is met de regels voor een goede beeldkwaliteit moet sprake zijn van een buitensporigheid in het uiterlijk van het bouwwerk die ook voor niet-deskundigen evident is en die afbreuk doet aan de uiterlijke kwaliteit van een gebied. Vaak heeft die buitensporigheid betrekking op:

  • a. het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk van zijn omgeving;
  • b. het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een bouwwerk;
  • c. armoedig/uit de toon vallend materiaalgebruik;
  • d. toepassing van felle en (sterk) contrasterende kleuren;
  • e. te opdringerige reclames;
  • f. een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is.

Hoofdstuk 6 Mag het toelaatbare gebruik en het bouwen op deze locatie ook veranderen

Artikel 24 Bijzondere overnachtingsplaatsen

24.1 Toelaatbare verandering

Omgevingsvergunning om van het toelaatbare gebruik en bouwen af te wijken kan door het bevoegd gezag worden verleend voor bijzondere overnachtingsplaatsen ten behoeve van verblijfsrecreatief gebruik op bijzondere locaties.

24.2 Beoordelingsregels afwijken

De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat:

  • a. de bijzondere overnachtingsplaatsen dienen onderscheidend te zijn gelet op de architectuur dan wel de verschijningsvorm en gelet op de locatie;
  • b. er dient een inventieve en originele relatie te zijn tussen de architectuur dan wel de verschijningsvorm van de overnachtingsplaats en de locatie waar de overnachtingsplaats zich bevindt; verwezen wordt naar referentiebeelden in lid 24.3;
  • c. de bijzondere overnachtingsplaatsen op een locatie zijn kleinschalig in omvang en aantal;
  • d. een bijzondere overnachtingsplaats is toegestaan in een (verbouwd) bestaand gebouw of wordt gerealiseerd als nieuw object.
24.3 Referentiebeelden

Voor de toepassing van de beoordelingsregel zoals genoemd in lid 24.2 onder b gelden de volgende, niet limitatieve, referentiebeelden ter ondersteuning van de creatieve invulling van bijzondere overnachtingsplaatsen.

  • a. architectuur die wegvalt in het landschap of juist de karakteristiek van het landschap versterkt;
  • b. architectuur die aansluit bij een thema;
  • c. kracht van de omgeving vertaald in het ontwerp van de bijzondere overnachtingsplaats;
  • d. uitnodigend tot beleving van de bijzondere locatie;
  • e. kunstzinnig;
  • f. spraakmakend element in het landschap;
  • g. exclusiviteit in relatie tot beleving;
  • h. verbinding van de locatie met de overnachtingsplaats rond een thema zoals:
    • 1. omgeving Sloegebied/Borssele < > Industrieel Toerisme;
    • 2. omgeving Fort Ellewoutsdijk/kuststrook Westerschelde < > Liberation Route en Dark Tourism;
    • 3. omgeving De Zak van Zuid-Beveland < > platteland, 'slapen in kunst'.

Artikel 25 Kleinschalige polders

25.1 Toelaatbare veranderingen van gebruik en bouwen

In de kleinschalige polders zijn veranderingen van gebruik en bouwen toegestaan met dien verstande dat:

  • a. voor de relatief eenvoudige veranderingen die zijn opgenomen in lid 25.3 een melding nodig is;
  • b. voor de veranderingen die zijn opgenomen in lid 25.4 een afwijkingsprocedure nodig is waarbij:
    • 1. de veranderingen in ieder geval aan de in lid 25.2 opgenomen Gebiedsbeschrijving worden getoetst;
    • 2. indien van toepassing de provinciale 'Handreiking verevening' zoals deze luidt op het moment van inwerkingtreding van het plan, zal worden gehanteerd.
25.2 Gebiedsbeschrijving

De ruimtelijke kwaliteit van de kleinschalige polders wordt bepaald door:

  • a. de kleinschalige polders en het dichte (hoger gelegen) dijkenpatroon in combinatie met laaggelegen kreken; richting Oudelande en Ellewoutsdijk krijgt het landschap een meer open karakter;
  • b. de (bloemen)dijken als verwijzing naar de ontstaansgeschiedenis van het gebied;
  • c. de verspreid voorkomende kreekresten, welen, erven en andere historische landschapselementen;
  • d. de kreken en kreekrestanten die herkenbaar zijn als laagten in het landschap;
  • e. de waardevolle elementen Zwaakse weel en Westeindse weel;
  • f. de inlagen, karrevelden bij Ellewoutsdijk en de buitendijkse schorren;
  • g. de gebieden met zoute kwel vanuit de Westerschelde;
  • h. de aanwezige wegbeplantingen.
25.3 Functieverandering met melding in de kleinschalige polders
25.3.1 Toelaatbare veranderingen

Het is verboden het toegelaten gebruik in de volgende situaties te veranderen zonder voorafgaande melding aan burgemeester en wethouders:

  • a. de vestiging van kleinschalige agrarisch aanverwante functies in de bestaande bebouwing, met aansluitende onbebouwde gronden, bij 'Agrarisch - grondgebonden',
  • b. de vestiging van een kleinschalige kampeerterreinen bij de functies 'Agrarisch - grondgebonden' of 'Wonen' waarbij geldt:
    • 1. kleinschalig kamperen uitsluitend is toegestaan indien een bedrijfswoning of woning op grond van de functie is toegestaan, aanwezig is en bewoond wordt;
    • 2. het aantal standplaatsen per kleinschalig kampeerterrein bedraagt maximaal 15, waarvan ten hoogste 20% van de gerealiseerde standplaatsen mag worden gebruikt ten behoeve van permanent aanwezige kampeermiddelen of stacaravans, de overige standplaatsen worden als toeristische standplaats ingericht;
    • 3. de standplaatsen worden gerealiseerd op of in aansluiting op de bebouwing en het erf;
    • 4. het afvalwater wordt op een zorgvuldige wijze afgevoerd;
    • 5. het terrein is voldoende veilig waaronder mede begrepen de aanwezigheid van een goede, bereikbare blusvoorziening met voldoende capaciteit in relatie tot het aantal standplaatsen en een plan voor calamiteitenbestrijding;
  • c. het gebruik van een terrein voor kleinschalig kamperen bij de functies 'Agrarisch - grondgebonden', voor de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers waarbij ten opzichte van b de volgende aanvullende voorwaarden gelden:
    • 1. betreft uitsluitend de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers die op het betreffende bedrijf werkzaam zijn;
    • 2. van toepassing zijn de brandveiligheidseisen zoals opgenomen in bijlage 2 van de 'Beleidsnota huisvesting arbeidsmigranten';
    • 3. de huisvesting uitsluitend is toegestaan gedurende een periode van maximaal 12 aaneengesloten weken gedurende enig kalenderjaar;
    • 4. ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers mogen kampeermiddelen, stacaravans en/of woonunits worden geplaatst mits de kampeermiddelen, stacaravans en/of woonunits na afloop van deze periode van 12 weken telkenmale verwijderd worden.

25.3.2 Beoordelingsregels melding

De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat voldaan moet worden aan de voorwaarden -voor zover relevant- zoals vermeld in tabel 25.1

Tabel 25.1

afbeelding "i_NL.IMRO.0654.TAMOPDWZW222024-0002_0011.png"

25.3.3 Procedureregels melding

Voor het doen van een melding geldt de volgende procedureregel:

  • a. de melding met een beschrijving van het initiatief wordt ingediend via het gemeentelijke digitale loket of schriftelijk voor aanvang van de realisatie van de voorgenomen verandering.
25.4 Functieverandering en bouwen met afwijking in de kleinschalige polders
25.4.1 Toelaatbare veranderingen

Omgevingsvergunning om van het toelaatbare gebruik en bouwen af te wijken kan door het bevoegd gezag worden verleend voor de volgende functies of bouwwerken:

  • a. de vestiging van kleinschalige horecamatige, kleinschalige dagrecreatieve functies of kleinschalige bedrijfsmatige functies, niet zijnde detailhandel, in de bestaande bebouwing, met aansluitende onbebouwde gronden, bij 'Agrarisch - grondgebonden'of 'Wonen';
  • b. de vestiging van een paardenpension bij wijze van nevenactiviteit in de bestaande bebouwing, met aansluitende onbebouwde gronden, bij 'Agrarisch - grondgebonden' of 'Wonen';
  • c. het gebruik van bedrijfswoning voor bewoning door personen die geen relatie hebben met het bedrijf dat ter plaatse wordt uitgeoefend (plattelandswoning);
  • d. verkleining of vergroting van voorgeschreven afstandsmaten;
  • e. bouwen vóór een voorgevelrooilijn;
  • f. de ontwikkeling van zorginitiatieven bij wijze van nevenactiviteit zoals zorgboerderijen, leerboerderijen, dagbestedingsplaatsen, kinderopvang en stage- of werkervaringsplaatsen, in de bestaande bebouwing, met aansluitende onbebouwde gronden bij 'Agrarisch - grondgebonden' of 'Wonen';
  • g. ver- of herbouw van woningen of bedrijfswoningen waarbij het uitwendige karakter ingrijpend wordt gewijzigd; uitgangspunt is het behoud van de bestaande typologie van de woning maar hiervan kan worden afgeweken indien:
    • 1. ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van het bouwperceel aanleiding geven om de typologie te wijzigen, of;
    • 2. de stedenbouwkundige aard en/of karakteristiek van de omgeving hiertoe aanleiding geeft, waarbij de voorgestane typologiewijziging passend is in deze omgeving, of;
    • 3. de oorspronkelijke typologie dusdanig is aangetast, dat de uiterlijke kenmerken niet meer te herleiden zijn tot de oorspronkelijke typologie, en;
    • 4. aanpassing van de typologie leidt tot een versterking van de beeldkwaliteit van het buitengebied, en;
    • 5. bij nieuwbouw gekozen wordt voor een uitgesproken typologie die passend is op die locatie en in de omgeving, en;
    • 6. de inrichting van het voorerf afgestemd wordt op de nieuwe typologie en streekeigen is, en;
    • 7. er sprake is van een levensloopbestendige woning of bedrijfswoning;
  • h. het gebruik van bestaande bebouwing , met aansluitende onbebouwde gronden, als verblijfsrecreatieve groepsaccommodatie of ten behoeve van recreatief nachtverblijf bij 'Agrarisch - grondgebonden' of 'Wonen';
  • i. nieuwbouw ten behoeve van de in dit artikel genoemde en bestaande kleinschalige functies of nevenactiviteiten waarbij de oppervlakte met ten hoogste 20% van de bestaande bebouwing in gebruik voor de functie, mag worden vergroot, tot een maximum van 250 m²;
  • j. de uitbreiding van bestaande kleinschalige kampeerterreinen met dien verstande dat:
    • 1. het aantal standplaatsen ten hoogste 25 mag bedragen waarvan ten hoogste 20% mag worden gebruikt ten behoeve van permanent aanwezige kampeermiddelen of stacaravans, de overige standplaatsen worden als toeristische standplaats ingericht;
    • 2. aan de regels voor kleinschalige kampeerterreinen tot 15 standplaatsen zoals opgenomen in artikel 25.3.1onder b moet worden voldaan;
    • 3. een vereveningsplan moet worden overlegd met betrekking tot de meerwaarde die wordt gecreëerd.

25.4.2 Beoordelingsregels afwijking

De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat voldaan moet worden aan de voorwaarden – voor zover relevant – zoals vermeld in tabel 25.2

Tabel 25.2

afbeelding "i_NL.IMRO.0654.TAMOPDWZW222024-0002_0012.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0654.TAMOPDWZW222024-0002_0013.jpg"

25.4.3 Procedureregel

Bij het toepassen van het bepaalde in lid 25.4.1 onder i winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een deskundige op het gebied van beeldkwaliteit omtrent de vraag of voldaan wordt aan de genoemde voorwaarden.

25.4.4 Integraliteit

In afwijking van de beoordelingsregels in lid 25.4.2 kan medewerking worden verleend indien het initiatief niet of in onvoldoende mate voldoet aan een of meerdere van de beoordelingsregels maar na een integrale afweging van alle beoordelingsaspecten, als aanvaardbaar en passend binnen de Gebiedsbeschrijving kan worden aangemerkt. Hiervan kan alleen sprake zijn indien het initiatief op een of meerdere andere beoordelingsregels in meer dan ruime mate voldoet. Indien niet aan de beoordelingsregels voor 'geluid' of 'gezondheid en milieu' wordt voldaan kan geen medewerking worden verleend.

25.4.5 Voorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen voorschriften aan de omgevingsvergunning voor het afwijken verbinden gericht op de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing.

Hoofdstuk 7 Voor het bouwen of de invulling van de functie gelden regels voor een goede landschappelijke inpassing

Artikel 26 Landschappelijke inpassing in De Poel (inclusief het heggengebied Nisse)

Voor zover in het voorgaande een 'goede landschappelijke inpassing' is voorgeschreven gelden de volgende:

  • a. algemene regels zoals opgenomen in lid 26.2;
  • b. specifieke regels zoals opgenomen in lid 26.3;
  • c. specifieke regels voor kleinschalig kamperen zoals opgenomen in lid 26.4;

De kenmerken van het gebied zoals opgenomen in lid 26.1 zijn daarbij richtinggevend voor de beoordeling of sprake is van een goede landschappelijke inpassing.

26.1 Kenmerken van het gebied

De Poel is een grootschalig en open gebied. De (opgaande) erfbeplantingen spelen hier een belangrijke rol in het landschapsbeeld. In de randen komen de karakteristieke heggengebieden voor. Van oorsprong werd de zogenaamde Zeeuwse haag aangeplant op de perceelsgrenzen of langs slootjes en diende als veekering. Het vormt een losse (niet geschoren) haag en bestaat uit soorten die een dichte ondoordringbare begroeiing vormen. Vaak zitten hier doornen aan, zoals bijvoorbeeld aan de meidoorn.

Het meest verdichte deel vormt het gebied rondom Nisse, dat gekenmerkt wordt door meidoornheggen op de perceelsgrenzen. Hierdoor ontstaat een besloten beeld en zijn de erfbeplantingen minder beeldbepalend.

26.2 Algemene regels voor goede landschappelijke inpassing

Voor een goede landschappelijke inpassing gelden de volgende algemene regels:

  • a. alvorens over te gaan tot realisatie van een landschappelijke inpassing wordt een erfbeplantingsplan met beheervisie opgesteld; hierin wordt het eindbeeld van de beplantingen omschreven;
  • b. het erfbeplantingsplan omvat een korte onderbouwing, is getekend op een goed leesbare schaal en bevat een lijst van de toe te passen soorten en een onderverdeling in aantallen of percentages (singelbeplantingen);
  • c. het erfbeplantingsplan houdt rekening met de uit hoofde van nadere regelgeving verplichte beplantingsvrije stroken;
  • d. de landschappelijke inpassing sluit aan op de kenmerken van het gebied zoals beschreven in lid 26.1; de kenmerken moeten intact blijven en waar mogelijk verder versterkt;
  • e. met de landschappelijke inpassing wordt aansluiting gezocht bij de ontstaansgeschiedenis van het gebied;
  • f. bij moderne erven waarbij, gelet op de aanwezige bebouwing, indeling van het erf en aanwezige beplanting, geen sprake is van een historisch erf wordt het vereiste om aan te sluiten bij de ontstaansgeschiedenis minder strikt toegepast;
  • g. de plaatselijke omstandigheden zijn bepalend voor de haalbaarheid van de specifieke regels;
  • h. de situering en keuze voor beplantingen is zodanig dat het karakter van de bedrijfsgebouwen wordt geaccentueerd en minder fraaie opstallen worden gecamoufleerd;
  • i. de aanplant van meidoorn binnen een afstand van 500 m van fruitboomgaarden wordt vanwege de kans op bacterievuur afgeraden;
  • j. een erfbeplanting mag een doelmatige bedrijfsvoering niet in de weg staan; er vindt afstemming plaats tussen de wensen van de initiatiefnemer en het volume en de compositie van de beplanting;
  • k. het uitgangspunt bij het opstellen van een erfbeplantingsplan is dat er een duidelijke samenhang bestaat in de terreinindeling tussen de beplanting en de bedrijfsgebouwen; de beplantingen mogen geen belemmering vormen voor de bouwmogelijkheden;
  • l. er wordt rekening gehouden met reeds aanwezige beplantingselementen; voorwaarde is dat een evenwichtige inrichtingssituatie ontstaat;
  • m. voor de kleinschalige kampeerterreinen gelden de aanvullende voorwaarden zoals vermeld in lid 26.4.
26.3 Specifieke regels voor goede landschappelijke inpassing

De nadruk ligt op de toepassing van streekeigen elementen, omdat de traditionele, streekeigen erven een belangrijke landschappelijke karakteristiek vormen. De eisen die gesteld worden aan de basisinrichting - zijnde de Zeeuwse haag - zijn minder zwaar. In combinatie met de basisinrichting wordt minimaal één aan het erf toegevoegd streekeigen element gevraagd.

Regels:

  • a. de inrichtingsmaatregelen zorgen voor een goede landschappelijke inpassing van bedrijfsgebouwen en afscherming van storende elementen (bijvoorbeeld voederopslag);
  • b. door de openheid van het gebied kunnen bedrijfsgebouwen het landschapsbeeld gaan domineren; daarom is het wenselijk dat rondom de nieuwbouw een beplantingsstrook (Zeeuwse haag) wordt aangelegd (zie bijlage );
  • c. afhankelijk van de mate van snoei, dient de strook van de Zeeuwse haag minimaal 2 à 3 m breed te zijn;
  • d. de bedekking door de Zeeuwse haag moet minimaal zijn 3 zijden van het gebouw en 60% van de totale gevellengte (omtrek); het is van belang dat deze doorgaande beplanting als een geheel overkomt en niet versnipperd is; uiteraard dient een normale bedrijfsvoering mogelijk te zijn; om relaties vanaf het erf met het omliggende landschap te leggen kunnen in beperkte mate 'doorzichten' gemaakt worden;
  • e. in De Poel is een te hoge beplanting niet gewenst in verband met de vereiste openheid voor de ganzen; een Zeeuwse haag voldoet aan de eisen, omdat deze niet hoger wordt dan circa 4 m;
  • f. aanvulling van de Zeeuwse haag met minimaal één van de volgende streekeigen beplantingselementen is noodzakelijk: drinkputten, knotbomen, kleine boomgroepen en solitaire bomen (zoals noten);
  • g. elzen- of populierenschermen zijn uitgesloten;

het beplantingssortiment moet bestaan uit inheemse of streekeigen soorten (zie bijlage ); erfafscheidingen moeten bestaan uit groenelementen; schuttingen, coniferen en dergelijke zijn niet toegestaan;

  • h. in afwijking van het bepaalde onder g geldt voor de landschappelijke inpassing van teeltondersteunende voorzieningen dat volstaan kan worden met een elzenhaag met een minimale eindhoogte van 3 tot 4 m; ook een Zeeuwse haag zonder doorns en stekels kan als landschappelijke inpassing worden gerealiseerd.
26.4 Aanvullende voorwaarden kleinschalige kampeerterreinen

Voor kleinschalige kampeerterreinen gelden de volgende aanvullende regels:

  • a. naast de standplaatsen voor kampeermiddelen moeten ook de parkeervoorzieningen middels passende beplantingsvormen worden ingepast in het landschappelijk beeld;
  • b. de beplantingsvormen worden afgestemd op de voor de Zak van Zuid-Beveland karakteristieke boerenerven; een sobere en bij de streek passende vormgeving is gewenst;
  • c. aanvullend op de regels voor de erfbeplantingen moet één of meer van de volgende streekeigen elementen aan de terreininrichting worden toegevoegd:
    • 1. boomweiden/boomrijen/boomgroepen/solitaire bomen;
    • 2. boomgaard met hoogstamfruitbomen;
    • 3. vogelbosje (struweel);
    • 4. hagen;
    • 5. facultatief kunnen bijvoorbeeld ook drinkputten deel uitmaken van de inrichting.

Hoofdstuk 8 Deze locatie bevindt zich in archeologisch waardevol gebied, hiervoor gelden regels

Artikel 27 Waarde - Archeologie A

27.1 Bouwen

Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van:

  • a. de archeologische verwachtingswaarden:
    • 1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een bouwhoogte van ten hoogste 2 m;
  • b. ten behoeve van de samenvallende functie, indien:
    • 1. burgemeester en wethouders beschikken over een verklaring van een archeologisch deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden niet nodig is, of;
    • 2. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
    • 3. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen;
    • 4. het bepaalde in dit lid onder 2 en 3 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:
      • vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de locatie en maat van de bestaande fundering;
      • de oppervlakte van de bodemverstoring is niet groter dan 250 m²;
      • de bodem wordt tot maximaal 130 cm onder maaiveld geroerd.
27.2 Werken en werkzaamheden
27.2.1 Verbod

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het ontginnen, bodem verlagen, afgraven of egaliseren van gronden voor zover geen ontgrondingsvergunning is vereist;
  • b. het planten of verwijderen van houtgewas, niet zijnde fruit- en boomgaarden;
  • c. het verharden, aanbrengen, verleggen, verbreden of verwijderen van paden, wegen en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen;
  • d. het aanbrengen en/of verleggen van ondergrondse kabels of leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • e. het aanleggen van drainage;
  • f. het graven van sloten, watergangen, vijvers of vaarten;
  • g. het uitvoeren van overige grondbewerkingen.

27.2.2 Uitzondering op het verbod

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 27.1 in acht is genomen;
  • b. werken of werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het omgevingsplan;
  • c. werken of werkzaamheden in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe erkende partij;
  • d. werken of werkzaamheden die betrekking hebben op locaties die niet groter zijn dan 250 m² of werken en werkzaamheden waarbij de bodem tot maximaal 130 cm onder maaiveld wordt geroerd.
27.3 Afwijken en bijbehorende beoordelingsregel

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend, indien:

  • a. aan de hand van nader archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn;

voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien:

  • b. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • c. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen.
27.4 Kwaliteitseisen archeologisch rapport

Het rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria, zoals verwoord in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland.

Burgemeester en wethouders winnen ter beoordeling van het rapport schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.

27.5 Voorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen voorschriften aan de omgevingsvergunning voor het bouwen of de omgevingsvergunning voor het afwijken verbinden om schade aan de archeologische waarden te voorkomen. Voorschriften zijn gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.

Artikel 28 Waarde - Archeologie 2

28.1 Bouwen

Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van:

  • a. de archeologische verwachtingswaarden:
    • 1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een bouwhoogte van ten hoogste 2 m;
  • b. ten behoeve van de samenvallende functie, indien:
    • 1. burgemeester en wethouders beschikken over een verklaring van een archeologisch deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden niet nodig is, of;
    • 2. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
    • 3. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen;
    • 4. het bepaalde in dit lid onder 2 en 3 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:
      • vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de locatie en maat van de bestaande fundering;
      • de oppervlakte van de bodemverstoring is niet groter dan 250 m²;
      • de bodem wordt tot maximaal 40 cm onder maaiveld geroerd.
28.2 Werken en werkzaamheden
28.2.1 Verbod

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het ontginnen, bodem verlagen, afgraven of egaliseren van gronden voor zover geen ontgrondingsvergunning is vereist;
  • b. het planten of verwijderen van houtgewas, niet zijnde fruit- en boomgaarden;
  • c. het verharden, aanbrengen, verleggen, verbreden of verwijderen van paden, wegen en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen;
  • d. het aanbrengen en/of verleggen van ondergrondse kabels of leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • e. het aanleggen van drainage;
  • f. het graven van sloten, watergangen, vijvers of vaarten;
  • g. het uitvoeren van overige grondbewerkingen.

28.2.2 Uitzondering op het verbod

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 28.1 in acht is genomen;
  • b. werken of werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het omgevingsplan;
  • c. werken of werkzaamheden in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe erkende partij;
  • d. werken of werkzaamheden die betrekking hebben op locaties die niet groter zijn dan 250 m² of werken en werkzaamheden waarbij de bodem tot maximaal 40 cm onder maaiveld wordt geroerd.
28.3 Afwijken en bijbehorende beoordelingsregel

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend, indien:

  • a. aan de hand van nader archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn;

voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien:

  • b. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • c. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen.
28.4 Kwaliteitseisen archeologisch rapport

Het rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria, zoals verwoord in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland.

Burgemeester en wethouders winnen ter beoordeling van het rapport schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.

28.5 Voorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen voorschriften aan de omgevingsvergunning voor het bouwen of de omgevingsvergunning voor het afwijken verbinden om schade aan de archeologische waarden te voorkomen. Voorschriften zijn gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.

Hoofdstuk 9 Op deze locatie is sprake van natuur- en landschapswaarden, hiervoor gelden regels

Artikel 29 Waarde - Natuur en landschapswaarden in agrarisch gebied

29.1 Werken en werkzaamheden
29.1.1 Verbod

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het vernietigen van voor het gebied kenmerkende bodemvegetatie door het afbranden van beplanting of restanten hiervan;
  • b. het ophogen, ontginnen, bodemverlagen, afgraven of egaliseren van gronden voor zover geen ontgrondingsvergunning is vereist;
  • c. het verharden, aanbrengen, verleggen, verbreden of verwijderen van paden, wegen en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen;
  • d. het aanbrengen van voorzieningen voor extensieve dagrecreatie/natuurrecreatie;
  • e. het omzetten van grasland naar bouwland dan wel het scheuren van grasland ten behoeve van graslandverbetering;
  • f. het aanleggen van drainage;
  • g. het graven of dempen van sloten, watergangen, waterpartijen of vaarten;
  • h. het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, kaden en aanlegplaatsen;
  • i. het aanbrengen, verleggen of verwijderen van boven- en ondergrondse kabels of leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • j. het beplanten van gronden met houtopstanden;
  • k. het kappen of vellen van houtopstanden, met dien verstande dat hiervan zijn uitgezonderd:
    • 1. houtopstanden op erven en in tuinen;
    • 2. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;
    • 3. houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld.

29.1.2 Uitzondering op het verbod

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. plaatsvinden binnen een bouwvlak of op gronden in gebruik voor Wonen;
  • b. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor omgevingsvergunning is verleend;
  • c. tot het normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de functie behoren;
  • d. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  • e. het verbod is ook niet van toepassing op het kappen of vellen van wilg en populier:
    • 1. indien binnen een afstand van 5 m van de gekapte of gevelde boom binnen 3 jaar herplant plaatsvindt;

waarbij de gekapte of gevelde boom wordt vervangen door de aanplant van een inheemse, streekeigen zogenaamde ' eerste orde grootte bomen' zoals opgenomen in bijlage .

29.2 Afwijken en bijbehorende beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning om van het gestelde verbod in artikel 29.1.1 af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan door het bevoegd gezag worden verleend, indien:

  • a. de aanwezige natuurwaarden en/of landschapswaarden niet significant worden aangetast;
  • b. de oppervlakte van gronden die als waardevol zijn aangemerkt niet significant vermindert;
  • c. er geen significante aantasting van de samenhang tussen gronden en elementen plaatsvindt.
29.3 Voorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen voorschriften aan de omgevingsvergunning voor het afwijken verbinden om schade aan de natuurwaarden en/of de landschappelijke kwaliteiten te voorkomen. Voorschriften zijn gericht op het behoud van de natuurwaarden en/of landschappelijke kwaliteiten.

Hoofdstuk 10 Regels voor samenvallende medegebruiksfuncties

Artikel 30 Samenloopregeling bij medegebruik van functies

Deze gronden zijn aangewezen voor meerdere van de volgende medegebruiksfuncties: Leiding - Riool, Waarde - Archeologie 2, Waarde - Natuur en landschapswaarden in agrarisch gebied.

Hier geldt het volgende: er worden geen bouwwerken, werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden toegelaten indien deze op grond van één van de vormen van medegebruik niet toelaatbaar zijn.

Hoofdstuk 11 Verklarende regels

Artikel 31 Begripsbepalingen

In deze regels wordt verstaan onder:

31.1 toepassing omgevingsplan

Artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing op dit omgevingsplan, tenzij hierna daarvan is afgeweken.

31.2 plan

het TAM-omgevingsplan Buitengebied Hoofdstuk 22a Drieweg ong./Zuidweg 22 met identificatienummer NL.IMRO.0654.TAMOPDWZW222024-0002 van de gemeente Borsele.

31.3 verbeelding

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0654.TAMOPDWZW222024-0002

31.4 agrarisch bedrijf

een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen (of veredelen) van gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in:

  • a. grondgebonden agrarisch bedrijf: een bedrijf dat (nagenoeg) geheel afhankelijk is van de tot het bedrijf behorende agrarische grond als productiemiddel en waar (nagenoeg) geheel gebruikgemaakt wordt van open grond (de teelt onder afdekmateriaal daarbij inbegrepen), nader te onderscheiden in:
    • 1. grondgebonden teelt bedrijf:
      • akker- en vollegrondstuinbouw: de teelt van gewassen op open grond, daaronder niet begrepen sier-, fruit- en bollenteelt;
      • bollenteelt: de teelt van bloembollen op open grond al dan niet in samenhang met de teelt van bolbloemen;
      • sierteelt: de teelt van siergewassen op open grond al dan niet gecombineerd met de handel in boomkwekerijgewassen en vaste planten;
      • grondgebonden aquacultuur: de teelt van (zout)watergebonden organismen en zouttolerante gewassen, waarbij de grond als productiefactor wordt gebruikt;
      • fruitteelt: de teelt van fruit op open grond;
    • 2. grondgebonden dierhouderij:
      • grondgebonden veehouderij: het houden van melk- en ander vee waarbij in de bedrijfsvoering weidegang essentieel is;
      • paardenhouderij: het houden, melken of africhten van paarden, alsmede de handel in paarden en/of het fokken van paarden, de verkoop van gefokte paarden en het houden van paarden ten behoeve van de fokkerij;
  • b. niet-grondgebonden agrarisch bedrijf: een bedrijf dat (nagenoeg) niet afhankelijk is van de tot het bedrijf behorende agrarische grond als productiemiddel, nader te onderscheiden in:
    • 1. glastuinbouwbedrijf: de teelt van gewassen (nagenoeg) geheel met behulp van kassen en/of permanent aanwezige tunnels, met een hoogte van 1,5 m of meer;
    • 2. intensieve veehouderij; een niet aan de grond gebonden agrarisch bedrijf of bedrijfsonderdeel dat zich toelegt op het houden of mesten van vee en/of slacht-, fok-, leg- of pelsdieren in gebouwen zonder of nagenoeg zonder weidegang (zoals een kalvermesterij, kippenfarm, varkensfokkerij en –mesterij), met uitzondering van een biologische veehouderij waarbij dieren een buitenuitloop hebben;
    • 3. intensief tuinbouwbedrijf in gebouwen: de teelt van gewassen, paddenstoelen daaronder begrepen, in gebouwen, niet vervaardigd van glas of ander lichtdoorlatend materiaal;
    • 4. niet-grondgebonden aquacultuur: een niet aan de grond gebonden bedrijf of bedrijfsonderdeel dat zich toelegt op teelt van (zout)watergebonden organismen en zouttolerante gewassen, waaronder begrepen vis, zagers, schaal- en schelpdieren en andere aquatische producten.
31.5 agrarisch deskundige

de Agrarische Adviescommissie Zeeland dan wel een andere door het bevoegd gezag aan te wijzen deskundige, of commissie van deskundigen, op het gebied van land- en tuinbouw.

31.6 agrarisch grondgebruik

het gebruik van onbebouwde gronden voor:

  • a. de teelt van akker- en vollegrondstuinbouwgewassen, boomkwekerij-, siergewassen-, en bollenteelt;
  • b. de teelt van (zout)watergebonden organismen en zouttolerante gewassen;
  • c. de fruitteelt;
  • d. graslanden voor de grondgebonden dierhouderij;
  • e. beweiding door manegepaarden;
  • f. hobbymatig agrarisch grondgebruik, dierenweide.
31.7 archeologisch deskundige

de gemeentelijke archeoloog dan wel een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige of commissie van deskundigen op het gebied van archeologie.

31.8 archeologisch onderzoek

onderzoek dat uitgevoerd wordt conform de BRL 4000 en dat verricht wordt door een onderzoeksbureau of instelling die beschikt over een geldig certificaat voor de gevraagde KNA-protocollen.

31.9 archeologische verwachting

de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op in dat gebied voorkomende archeologische sporen en relicten.

31.10 archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied aanwezige archeologische sporen en relicten.

31.11 architectonische waarde

de in het kader van dit plan aan een gebouw toegekende waarde gekenmerkt door de opbouw en/of indeling van de gevels, de dakopbouw en het materiaal en/of kleurgebruik eventueel in samenhang met de omgeving.

31.12 bebouwing

een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

31.13 bedrijf

een onderneming met winstoogmerk gericht op het uitvoeren van werkzaamheden en/of het produceren, bewerken, herstellen, installeren, inzamelen, verwerken, verhuren, opslaan en/of distribueren van goederen.

31.14 bedrijfsgebouw

een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten.

31.15 bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning

het gebruik van (een gedeelte van) een woning en/of bijbehorende bouwwerken voor bedrijfs- en/of beroepsmatige activiteiten of een praktijkruimte, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt.

31.16 bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, vanwege de toegestane functie van het gebouw of het terrein.

31.17 bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen

de afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktemaat, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden.

31.18 bestaande gebouwen in relatie tot mogelijkheden voor functieveranderingen en nevenfuncties

gebouwen die op het tijdstip van:

  • a. feitelijke ingebruikneming bij rechtstreeks toelaatbaar gebruik;
  • b. moment van melding van een met melding toelaatbaar gebruik;
  • c. moment van aanvraag van een met afwijking toelaatbaar gebruik;

tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de Omgevingswet.

31.19 bevoegd gezag

het bevoegd gezag zoals bedoeld in de Omgevingswet.

31.20 bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak, nader te onderscheiden in:

  • a. aan- of uitgebouwd bijbehorend bouwwerk: een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw;
  • b. vrijstaand bijbehorend bouwwerk: een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.
31.21 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

31.22 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk (stelselcatalogus OW).

31.23 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit gedeelte zonder ingrijpende voorzieningen voor de toegelaten functies geschikt of geschikt te maken is.

31.24 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

31.25 bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel.

31.26 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van de functie hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond bedoeld om ter plaatse te functioneren.

31.27 cultuurhistorische waarde

de in het kader van dit plan aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarde in verband met ouderdom en gaafheid.

31.28 dagrecreatie

activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie, waarbij overnachting uitdrukkelijk is uitgesloten.

31.29 dagrecreatieve voorziening

speciaal aangelegde accommodatie al dan niet overdekt ten behoeve van dagrecreatie.

31.30 deskundige op het gebied van beeldkwaliteit

een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake beeldkwaliteit (welstand).

31.31 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, hieronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan diegenen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

31.32 eerste orde grootte bomen

bomen die in volgroeide staat hoger zijn dan 15 m.

31.33 erf

al dan niet bebouwd bouwperceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat hoofdgebouw.

31.34 extensief dagrecreatief medegebruik

die vormen van dagrecreatie die zijn gericht op de beleving van en/of kennismaking met natuur, landschap en cultuur van het platteland dan wel de plattelandskernen, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, kanoën, zwemmen en natuurobservatie.

31.35 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

31.36 historische bebouwing

(voormalige) bedrijfsbebouwing die volgens de gegevens van de gemeente in principe is gebouwd voor 1970.

31.37 hoofdgebouw

een gebouw of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige toegestane functie van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is.

31.38 houtopstand

hakhout (een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen), een houtwal of een of meer bomen.

31.39 kampeermiddel

tent, tentwagen, kampeerauto, of caravan, dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor nachtverblijf door een persoon, één huishouden of daarmee gelijkgestelde groep personen.

31.40 kantoor

het beroepsmatig/bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek niet of slechts in beperkte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen zoals een administratiekantoor, ontwerp-technisch bureau, makelaarskantoor of assurantiekantoor.

31.41 kas

een bouwwerk van glas of ander lichtdoorlatend materiaal ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering met een hoogte van 1,5 m of meer, trek-, tunnel-, schaduw-, boog- en gaaskassen daaronder begrepen.

31.42 kleinschalig kampeerterrein

terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en zoals blijkt uit die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen en, in beperkte mate voor permanent aanwezige kampeermiddelen, ten behoeve van recreatief nachtverblijf.

31.43 kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen

voorzieningen, zoals aanlegsteigers, picknickplaatsen, observatiepunten, informatieborden en banken, ten behoeve van extensief dagrecreatief medegebruik.

31.44 kleinschalige (bedrijfsmatige, horecamatige, agrarisch aanverwante, dagrecreatieve) functies

nevenfunctie die bij een andere hoofdfunctie op een bouwperceel – al dan niet door een bewoner, samen met personeelsleden – op bedrijfsmatige wijze wordt uitgeoefend, waarbij de hoofdfunctie in overwegende mate aanwezig blijft en het bouwperceel een ruimtelijke uitstraling behoudt die daarbij past.

31.45 kleinschalige plattelandshoreca

een aan het plattelandstoerisme gerelateerde inrichting van geringe omvang bestemd voor het bedrijfsmatig, voor gebruik ter plaatse, verstrekken van alcoholische en/of niet-alcoholische dranken, eventueel in combinatie met het verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide etenswaren; verblijfsrecreatieve voorzieningen hieronder niet begrepen.

31.46 landschapswaarde

de in het kader van dit plan aan een gebied toegekende waarde, wat betreft het waarneembare deel van het aardoppervlak, welke waarde wordt bepaald door de herkenbaarheid en identiteit van de onderlinge samenhang en beïnvloeding van niet-levende en levende natuur.

31.47 levensloopbestendige woning

een woning welke geschikt is voor bewoning in alle levensfasen, waarbij alle primaire leefruimten (woonkamer, keuken, slaapkamer en badkamer met toilet) zich op de begane grond bevinden en waarbij deze leefruimten zowel inpandig als vanuit het aansluitende terrein drempelvrij toegankelijk zijn.

31.48 maaiveld
  • a. het oppervlak (of de hoogte daarvan) van het land;
  • b. de bovenkant van het terrein dat een bouwwerk omgeeft.
31.49 manege

een bedrijf dat gericht is op het lesgeven in paardrijden of het zelf trainen met paarden en daarvoor paarden en/of pony's houdt, al dan niet in combinatie met een of meer van de volgende hiermee samenhangende activiteiten of voorzieningen:

  • a. het stallen en/of in pension houden van paarden en/of pony's;
  • b. kleinschalige horeca-activiteiten (kantine, foyer en dergelijke) en verenigingsaccommodatie;
  • c. het houden van wedstrijden of andere evenementen.
31.50 mestbassin

een reservoir, silo, foliebassin of mestzak, bestemd en geschikt voor het bewaren van dunne mest, dat niet geheel of gedeeltelijk is gelegen onder een stal, en dat al dan niet een bouwwerk is.

31.51 natuurwaarde

de in het kader van dit plan aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.

31.52 nevenactiviteit

aanvullende, ondergeschikte activiteit ten opzichte van de hoofdactiviteit gelet op arbeidsbehoefte, financiële opbrengst, ruimtebeslag en/of milieuhinder.

31.53 niet-permanente verblijfsrecreatie

verblijfsrecreatie waarbij uitsluitend van seizoensgebonden standplaatsen voor kampeermiddelen gebruik wordt gemaakt.

31.54 nutsvoorzieningen

de voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.

31.55 omgevingsplan

het omgevingsplan bestaat uit de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

31.56 overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een dak.

31.57 paardenbak en vergelijkbare voorzieningen

een buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten, met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen en al dan niet voorzien van een omheining; onder vergelijkbare voorzieningen worden verstaan paddocks (relatief kleine omheinde uitloop, veelal voorzien van een zandbodem, in aansluiting op de stalling en ten behoeve van de vrije uitloop van paarden en pony's), stap- en trainingsmolens zonder overkappingen en longeercirkels.

31.58 paardenpension

het bieden van gelegenheid aan derden om hun paarden en/of pony's in pension te stallen en te weiden.

31.59 peil
  • a. de kruin van de weg indien de afstand tussen het bouwwerk en de kant van de weg minder dan 5 m bedraagt;
  • b. bij ligging in het water het gemiddelde zomerpeil van het aangrenzende water;
  • c. op of in het water van de Westerschelde: 0 m Normaal Amsterdams Peil;
  • d. in andere gevallen de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte bouwterrein.
31.60 permanent aanwezig kampeermiddel of stacaravan

kampeermiddel of stacaravan, inclusief bij dat kampeermiddel of die stacaravan behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten, die gedurende het gehele jaar op een standplaats aanwezig is of mag zijn.

31.61 plattelandstoerisme

alle vormen van kleinschalige recreatie en toerisme (met de nadruk op dagtoerisme en klein verblijfstoerisme), die plaatsvinden op en gebonden zijn aan het platteland.

31.62 plattelandswoning

een agrarische bedrijfswoning welke gebruikt mag worden door derden die geen binding hebben met het op hetzelfde perceel aanwezige agrarische bedrijfscomplex.

31.63 praktijkruimte

een gebouw of een gedeelte daarvan, dat dient voor het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch, medisch, paramedisch, therapeutisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied.

31.64 recreatief nachtverblijf

een kleinschalige verblijfsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch verblijf, ondergeschikt aan de (woon)functie, zoals een recreatie appartement of het bieden van logies met ontbijt.

31.65 slopen

het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk.

31.66 stacaravan

een gebouw dat in zijn geheel kan worden verplaatst en is bestemd voor recreatief verblijf, waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben.

31.67 standplaats voor kampeermiddel of stacaravan

een gedeelte van een terrein bestemd voor de plaatsing van een kampeermiddel of stacaravan, inclusief bij dat kampeermiddel of die stacaravan behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten.

31.68 teeltondersteunende voorzieningen

voorzieningen of constructies die bij agrarische bedrijven worden toegepast ten behoeve van de bescherming van plantaardige agrarische teelten (tegen neerslag, zonlicht, vogelvraat) en/of de voorkweek van ten behoeve van het eigen bedrijf benodigd plantmateriaal en/of de voorkoming van verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen, ten behoeve van grondgebonden agrarische teelten, nader te onderscheiden in:

  • a. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen: voorzieningen die niet langer dan 6 maanden gedurende een jaar worden geplaatst, te onderscheiden in:
    • 1. lage tijdelijke voorzieningen: voorzieningen zoals afdekfolies, acryldoek, insectengaas, tunnels met een bouwhoogte van niet meer dan 1.50 m;
    • 2. hoge tijdelijke voorzieningen: voorzieningen zoals plastic boogkassen (een constructie vervaardigd van lichtdoorlatend materiaal, geen glas zijnde), wandelkappen en regenkappen (een open constructie zonder wanden overtrokken met lichtdoorlatend materiaal anders dan glas) met een bouwhoogte van meer dan 1.50 m;
  • b. permanente teeltondersteunende voorzieningen, te onderscheiden in:
    • 1. lage permanente voorzieningen: voorzieningen zoals containervelden en regenkappen met een bouwhoogte van minder dan 1.50 m;
    • 2. hoge permanente voorzieningen: voorzieningen zoals kassen, plastic boogkassen (een constructie vervaardigd van lichtdoorlatend materiaal, geen glas zijnde) tunnelkassen, rolkassen, gaaskassen, stellingen, paalconstructies met netten (een open constructie zonder wanden overtrokken met netten; hagelnetten) en regenkappen met een bouwhoogte van meer dan 1.50 m.
31.69 toeristische standplaats kampeermiddel

een gedeelte van een terrein bestemd voor de plaatsing van een kampeermiddel, inclusief bij dat kampeermiddel behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten, gedurende een beperkte tijd zoals enkele weken.

31.70 typologie

de uiterlijke (ruimtelijke en architectonische) kenmerken van een bepaald type bouwwerk.

31.71 vellen van houtopstand

omhakken of -zagen van houtopstand; onder vellen wordt mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

31.72 verblijfsmiddelen

de voor verblijf geschikte - al dan niet aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken - voer- en vaartuigen, arken, caravans, tenten en andere soortgelijke constructies, voor zover geen bouwwerken en geen kampeermiddelen zijnde.

31.73 verkoopvloeroppervlakte

de vloeroppervlakte van voor het publiek toegankelijke winkelruimten.

31.74 vloeroppervlakte

de oppervlakte gemeten op elk vloerniveau in een gebouw.

31.75 voorgevelrooilijn

denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel van het hoofdgebouw of de woning loopt tot aan de zijdelingse bouwperceelsgrenzen; de voorgevellijn van het hoofdgebouw of de woning op het perceel die het dichtst bij de weg is gelegen is bepalend, tenzij anders aangegeven in het plan of door burgemeester en wethouders anders wordt bepaald.

31.76 weidegang

gedurende een substantieel gedeelte van het jaar, nagenoeg dagelijks buiten laten lopen van dieren, op een substantiële oppervlakte landbouwgrond, waarbij een deel van de voerbehoefte door de dieren buiten verzameld wordt en waarbij meer dan 50% van de betreffende landbouwgrond is begroeid.

31.77 woning

een gebouw of gedeelte van een gebouw, bestaande uit een complex van ruimten, dat is bedoeld en dat dient voor de huisvesting van personen.

Artikel 32 Wijze van meten

In aanvulling op artikel 22.24 van dit omgevingsplan, gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

32.1 afstanden

van bouwwerken onderling, alsmede afstanden van bouwwerken tot de bouwperceelsgrens worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn.

32.2 de afstand van een gebouw tot de zijdelingse bouwperceelsgrens

vanaf het dichtst bij de bouwperceelsgrens gelegen punt van het gebouw en haaks op de bouwperceelsgrens.

32.3 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

32.4 de breedte en diepte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of tot het hart van de scheidingsmuren, met dien verstande, dat wanneer de betreffende gevelvlakken niet evenwijdig lopen of verspringen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste maat.

32.5 de dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

32.6 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

32.7 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

32.8 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

32.9 het bebouwde oppervlak

van een bouwperceel, of een ander terrein wordt bepaald door de oppervlakten van alle op een terrein gelegen gebouwen en overkappingen bij elkaar op te tellen, tenzij in de regels anders is bepaald.

32.10 bruto vloeroppervlak

de bruto vloeroppervlakte volgens NEN 2580.

Hoofdstuk 12 Welke regels gelden er nog meer op deze locatie

Artikel 33 Voorwaardelijke verplichtingen - gebruik

33.1 Gebruiksverbod Drieweg te Nisse

Het is verboden gronden en bouwwerken ter plaatse van het adres Drieweg ong. te Nisse als bedoeld in Artikel 1 Toepassingsbereik onder c, te gebruiken als bedoeld in artikel 3 Agrarisch - grondgebonden:

  • a. als 6 maanden na gereedmelding van een bedrijfsgebouw op locatie Drieweg ong. te Nisse, de voormalige bedrijfsgebouwen op locatie Zuidweg 22 's Heer Abtskerke niet zijn verwijderd, waarbij ten hoogste 150 m2 aan voormalige bedrijfsgebouwen mag worden gehandhaafd.
  • b. onder de te slopen bedrijfsgebouwen, als bedoeld in sub a, wordt niet de voormalige bedrijfswoning verstaan.
33.2 Gebruiksverbod Zuidweg 22 te 's Heer Abtskerke

Het is verboden gronden en bouwwerken ter plaatse van het adres Zuidweg 22 te 's Heer Abtskerke, als bedoeld in Artikel 1 Toepassingsbereik onder c te gebruiken als bedoeld in artikel 4 Wonen:

  • a. als niet is voorzien in een driftreducerende voorziening, bestaande uit twee rijen elzen (of andere loofbomen) op 3 m afstand. De elzen dienen in de rij geplant te worden met een tussenruimte van 75 cm. Tussen de rijen elzen in dient een wintergroene haag (bij aanplant minimaal 1 m). De uiteindelijke hoogte van de elzen en de wintergroene haag dient 4 m te zijn.
  • b. als niet is is aangetoond dat de bodem geschikt is voor de functie.

Artikel 34 Brandvoorschriftengebied

 

34.1 Bouwen in brandvoorschriftengebied

Voor het bouwen van een nieuw beperkt kwetsbaar, kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw binnen de locatie 'brandvoorschriftengebied' zijn de artikelen 4.91, 4.92, 4.93, 4.94 en 4.95 van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing.

Artikel 35 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 36 Overgangsrecht

36.1 Overgangsrecht bouwwerken

Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt:

  • a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan;
  • b. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%;
  • c. dit lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
36.2 Uitzondering overgangsrecht bouwwerken

Artikel 36.1 onder a is niet van toepassing voor de voormalige bedrijfsgebouwen op het perceel Zuidweg 22 te 's Heer Abtskerke, niet zijnde de woning, wanneer de in artikel 33.1 genoemde termijn van 6 maanden is verstreken en voor zover de oppervlakte van de gebouwen groter is dan 150 m².

36.3 Overgangsrecht gebruik

Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt:

  • a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  • b. het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  • c. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  • d. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 37 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: 'Regels van het TAM-omgevingsplan Buitengebied Hoofdstuk 22a Drieweg ong./Zuidweg 22