| vastgesteld |
| NL.IMRO.0653.BVBAK13BAKHUIZENBV-VA01 |
De beheersverordening is gebaseerd op de bestaande situatie, met op perceelsniveau een aantal (extra) gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden die niet als ontwikkeling in de zin van een beheersverordening worden aangemerkt. Het gaat hier hoofdzakelijk om uitbreidingsmogelijkheden van woningen en erfbebouwing.
Het uitgangspunt voor de regeling is het geldende bestemmingsplan, aangevuld met de bestaande situatie, zoals is geïnventariseerd in de BAG. Om te voorkomen dat bij andere functies dan wonen de bestaande rechten worden weggenomen met de beheersverordening, is voor deze functies gekozen voor een systeem met bouwvlakken, percentages en hoogte-aanduidingen op de kaart die corresponderen met de regeling uit het geldende bestemmingsplan. De functies die inmiddels zijn gewijzigd naar een woonfunctie vallen onder de regeling bestaand en kennen deze systematiek niet.
In de beheersverordening zijn de bestaande functies en bebouwing geregeld, door middel van gebruiks- en bouwregels. Deze regelen de functies die beschreven zijn in Hoofdstuk 2 en het gebruik en de bebouwing. De regeling is in enkele gevallen aangevuld met regelingen uit de bestemmingsplannen zoals die tot vaststelling van deze verordening gelden.
De gebruiksregels beschrijven het toegestane gebruik van bebouwing en openbare ruimte. De basis hiervoor is het bestaande gebruik zoals weergegeven in Bijlage 1. Algemeen worden daarmee de bestaande functies mogelijk gemaakt op de plaats waar deze nu aanwezig zijn. Daarbij worden enkele bestaande rechten overgenomen, zoals de mogelijkheid voor een beroep of bedrijf aan huis en de mogelijkheid voor een bedrijfswoning bij bedrijven. Voor de uitzonderingen hierop zijn specifieke besluitsubvlakken opgenomen.
Bovendien is aanvullend gebruik mogelijk. Het gaat bijvoorbeeld om het vestigen van andere (vergelijkbare) bedrijven en instellingen op de locaties van bestaande bedrijv en instellingen. Ook is het vestigen van diverse bedrijven tot milieucategorie 3 op het bedrijventerrein, dat als zodanig is aangeduid, mogelijk.
Bij de gebruiksregels zijn afwijkingsregels opgenomen. Deze geven bijvoorbeeld de mogelijkheid om na afwijking een ander gebruik toe te staan op een plaats waar dit in de bestaande situatie niet aanwezig is. In sommige gevallen is een afwijking gekoppeld aan een besluitsubvak. In die gevallen geldt een afwijkingsmogelijkheid alleen voor het gebied waarop het besluitsubvlak ligt. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het besluitsubvak 'bedrijventerrein' en heeft te maken met het voorkomen van overlast van de omgeving. Aan het afwijken van de regels zijn voorwaarden verbonden, deze zijn opgenomen in de regels. De afwijkingen zijn gebaseerd op die al in de geldende plannen zijn opgenomen en waar nodig geactualiseerd als gevolg van nieuwe (beleids)inzichten.
Tot slot is bij de gebruiksregels een regeling opgenomen voor een omgevingsvergunning. Met die regeling wordt het mogelijk na verlening van de vergunning werken (geen bouwwerken) en/of werkzaamheden uit te voeren. Hierbij gaat het dus niet om de bouw van bouwwerken.
De bouwregels van deze beheersverordening geven in eerste instantie aan dat bestaande bouwwerken toegestaan zijn. De feitelijk bestaande situatie is daarbij het uitgangspunt. Er is echter gekozen om vergroting van bestaande bouwwerken en nieuwe bouwwerken in beperkte mate toe te staan. De basis hiervoor zijn de geldende bestemmingsplannen. Daaraan zijn voorwaarden gekoppeld, die ook opgenomen zijn in de bouwregels. Het gaat daarbij om voorwaarden over de afmeting van de gebouwen, maar ook over de plaats. Bepaalde bebouwing is alleen toegestaan binnen een bepaald besluitsubvlak. Deze regeling geldt voornamelijk voor niet-woonpercelen. Alleen de nog niet gebouwde woningen in het uitbreidingsgebied zijn van een dergelijke regeling voorzien. Daar waar geen besluitsubvlakken zijn opgenomen, kan worden gesteld dat er sprake is van wonen.
In de bouwregels is een onderscheid gemaakt in karakteristieke en niet-karakteristieke bebouwing. Daarbij mag bij de aanduiding 'karakteristiek' het hoofdgebouw niet wijzigen. Een verder onderscheid is gemaakt tussen gebouwen met daarbij behorende bouwwerken, woonhuizen met daarbij behorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouwen zijnde. Bijbehorende bouwwerken zijn bijvoorbeeld bijgebouwen. De bouwregels hiervan bepalen dat deze bouwwerken ruimtelijk ondergeschikt zijn aan de (hoofd)gebouwen op het betreffende perceel. Onder bouwwerken, geen gebouwen zijnde, vallen onder meer erfafscheidingen, palen en masten.
De regeling die opgenomen is, is gericht op het handhaven van de bestaande situatie, maar ook op het mogelijk maken van perceelsgebonden ontwikkelingen. De bestemmingsplannen die tot voor vaststelling van deze verordening gelden, zijn hiervoor de basis.
Ook bij de bouwregels zijn afwijkingsregels opgenomen. Deze geven bijvoorbeeld de mogelijkheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de in de verordening genoemde afmetingen die in de bestaande situatie aanwezig zijn. Het gaat hierbij om afwijkingsregels die algemeen toegepast kunnen worden. Aan het afwijken van de regels zijn voorwaarden verbonden, deze zijn opgenomen in de regels. In veel gevallen zijn de afwijkingen gebaseerd op die al in de geldende plannen zijn opgenomen.
Daarnaast zijn regels opgenomen met betrekking tot archeologie en de aanwezige rioolpersleiding van het waterschap.
De regels omtrent archeologie zijn gebaseerd op hetgeen is genoemd in 3.2.7. Bij ingrepen in de grond moet hieraan getoetst worden.
Voor de rioolpersleiding is een regeling opgenomen die voorziet in een bebouwingsvrije zone van 5 meter aan weerszijden van de leiding. Binnen dit gebied dient een veilig en doelmatig functioneren van de leiding te worden gegarandeerd. Bouwen in dit deze zone is alleen mogelijk na toesteming van het waterschap.