direct naar inhoud van REGELS
Plan: Twee woningen, nabij IJsseldijk-West 15 in Ouderkerk aan den IJssel
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0644.WP1321YW002-VG01

REGELS

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan:

het wijzigingsplan Twee woningen, nabij IJsseldijk-West 15 in Ouderkerk aan den IJssel van de gemeente Ouderkerk;

1.2 aan- of uitbouw:

een uit de gevel springend, in architectonisch opzicht ondergeschikt deel van een woning dat door haar indeling en inrichting is bestemd hoofdzakelijk te worden gebruikt ten behoeve van een woning;

1.3 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.5 aaneengebouwd:

blokken van meer dan twee aaneengebouwde woningen;

1.6 bebouwing:

eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

1.7 bedrijfsactiviteiten in of bij een woning:

het bedrijfsmatig verlenen van diensten, geen zakelijke dienstverlening zijnde, en ambtelijke bedrijvigheden, geheel of overwegend door middel van handwerk, waarbij de aard (qua milieuplanologische hinder) en omvang van bedrijfsactiviteiten in een woning en de daarbij behorende aan- of uitbouwen en bijgebouwen kunnen worden uitgeoefend en de activiteiten geen onevenredige afbreuk doen aan het woon- en leefmilieu in de directe omgeving. ;

1.8 beroepsactiviteiten in of bij een woning:

het beroeps- of bedrijfsmatig verlenen van diensten op administratief, medisch, juridisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee naar de aard gelijk te stellen beroep dat door zijn aard en omvang in een woning zodanig is dat deze activiteiten in een woning en de daarbij behorende aan- of uitbouwen en bijgebouwen kunnen worden uitgeoefend en de activiteiten geen onevenredige afbreuk doen aan het woon- en leefmilieu in de directe omgeving;

1.9 bijgebouw:

een bij een woning behorend gebouw, zoals een garage, huishoudelijke bergruimte of hobbyruimte, dat niet in directe verbinding staat met de woning en dat niet voor bewoning is bestemd;

1.10 bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak;

1.11 bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.12 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.13 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

1.14 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.15 bouwperceelsgrens:

de grens van een bouwperceel;

1.16 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

1.17 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.18 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.19 gebruiken:

gebruiken, doen gebruiken of laten gebruiken;

1.20 hoofdgebouw:

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken;

1.21 overkapping:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak;

1.22 paardenbak:

een niet overdekt terrein aangelegd, ingericht en omheind ten behoeve van het paard- of ponyrijden, met daarbij behorende voorzieningen;

1.23 peil:
  • a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg, ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein, zoals aanwezig ten tijde van het in ontwerp ter inzage leggen van het plan, ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • c. voor een bouwwerk die wordt gebouwd in of op de grens van het water van de Hollandsche Ijssel: -0.30 m NAP (gemiddeld ebniveau);
1.24 vrij beroep:

een beroep of beroepsmatige dienstverlening op administratief, juridisch, medisch, paramedisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch en daarmee gelijk te stellen gebied;

1.25 woning:

een hoofdgebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Artikel 2 Wijze van meten

2.1 de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens:

vanaf het dichtst bij de perceelsgrens gelegen punt van het gebouw en haaks op de perceelsgrens;

2.2 dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 4. De goothoogte van een bouwwerk;

2.3 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.4 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.5 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.6 de oppervlakte van een bouwwerk:

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Wonen

3.1 Bestemmingsomschrijving
3.1.1 De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. woningen, met inbegrip van "vrij" beroep;
  • b. aan- of bijgebouwen en andere bouwwerken, zoals pergola's en erfafscheidingen;
  • c. wegen, parkeervoorzieningen, waterlopen, tuinen en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming;

met dien verstande dat:

de gezamenlijke brutovloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van een vrij beroep binnen een woning en de daarbij horende aan- of uitbouwen en bijgebouwen mag, in voorkomend geval samen met de brutovloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van andere beroeps- en bedrijfsactiviteiten niet meer bedragen dan 30% van de totale brutovloeroppervlakte van de betreffende woning en de daarbij behorende aan- of uitbouwen en bijgebouwen, en in ieder geval niet meer dan 50 m2;

een paardenbak niet is toegestaan behoudens dat, voor zover aanwezig ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerp van het plan, bestaande paardenbakken mogen worden gehandhaafd;

alsmede voor:

  • d. ter plaatse van de aanduiding "bijgebouwen": bijgebouwen
3.1.2 Op deze gronden mogen, met inachtneming van de op de plankaart ...

Op deze gronden mogen, met inachtneming van de op de plankaart aangegeven aanduidingen, uitsluitend ten dienste van de in lid 3.1.1 genoemde bestemming worden gebouwd:

  • a. hoofdgebouwen
  • a. vrijstaande bijgebouwen;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • c. overkappingen.
3.2 Bouwregels

De gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak worden opgericht;
  • b. vrijstaande bijgebouwen mogen uitsluitend in het aangegeven bebouwingsvlak alsmede ter plaatse van de aanduiding "bijgebouwen" worden opgericht;
  • c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen zowel binnen als buiten de op de plankaart aangegeven bouwvlakken en aanduidingen worden opgericht, met dien verstande dat buiten het bouwvlak en de aanduiding "bijgebouwen" geen overkappingen mogen worden opgericht;
  • d. de inhoud van een woning, inclusief erfbebouwing en exclusief ondergrondse kelders (met uitzondering van ruimten aanwezig tussen de begane grondvloer en het aansluitend afgewerkt terrein) mag maximaal de ter plaatse van de aanduiding "maximum volume (m3)" aangegeven inhoud bedragen;
  • e. ter plaatse van de aanduiding "twee-aaneen" mogen uitsluitend twee aaneen gebouwde hoofdgebouwen worden gebouwd;
  • f. de bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 4,50 meter boven de toegestane goothoogte;
  • g. de goothoogte en/of bouwhoogte van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedragen ten hoogste:

bouwwerken   max. goothoogte   max. bouwhoogte  
bijgebouwen   2,5 m   5 m  
erfafscheidingen achter de voorgevel van de woning   n.v.t.   2 m  
overige erfafscheidingen   n.v.t.   1 m  
overige andere bouwwerken   n.v.t.   5 m  
3.3 Nadere eisen
3.3.1 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, bij het verlenen ...

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, bij het verlenen van een bouwvergunning nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering, de vorm, de afmetingen, dakbeëindiging, kapvorm en bouwhoogte van bebouwing.

3.3.2 Deze nadere eisen mogen slechts worden gesteld indien dit …

Deze nadere eisen mogen slechts worden gesteld indien dit naar hun oordeel noodzakelijk is, vanuit:

  • a. milieuhygiënisch, verkeerskundig, ecologisch, landschappelijk, natuurwetenschappelijk en cultuurhistorisch oogpunt, één en ander mede gelet op de aard van de bedrijfsvoering en de ligging, alsmede de omvang van het bedrijf;
  • b. het behoud van de bebouwingskarakteristiek van de omgeving;
  • c. het behoud van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.
3.4 Afwijken van de bouwregels
3.4.1 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in:
  • a. artikel 3, lid 1, onder e voor de aanleg van een paardenbak, met dien verstande dat de paardenbak dient als volgt te worden gesitueerd:
    • 1. de paardenbak dient als volgt te worden gesitueerd:
      • achter de hoofdgebouwen,
      • tenminste 20 meter uit de rand van de weg,
      • tenminste 1,5 meter uit de slootranden,
      • tenminste 5 meter uit de bouwperceelsgrens,
    • 2. de omvang van een paardenbak mag ten hoogste bedragen 20 meter bij 40 meter;
    • 3. de hoogte van een hek rondom een paardenbak mag ten hoogste 1,50 meter bedragen en moet een open rasterhek zijn met een donkere kleur;
    • 4. het plaatsen van verlichting is niet toegestaan;
    • 5. de paardenbak dient voorzien te zijn van natuurlijk waterdoorlatend bodemmateriaal;
    • 6. indien de paardenbak vanaf de weg zichtbaar is, afschermende beplanting dient te worden aangebracht, mits hierdoor geen doorbreking plaatsvindt van bestaande zichtlijnen op het open veenweidegebied.
  • b. artikel 3, lid 2, onder a voor een andere vorm of locatie van het bouwvlak ten behoeve van herbouw of vergroting van woningen tot een inhoud van ten hoogste 650 m3, inclusief erfbebouwing en exclusief ondergrondse kelders, mits:
    • 1. de woning niet in de dijk wordt uitgebouwd en is aangetoond dat de belangen van de waterkering dat gedogen;
    • 2. de massa van de bebouwing is afgestemd op de omgeving;
    • 3. de aanwezige landschappelijke, ecologische en/of cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast;
    • 4. uit onderzoek is gebleken dat voldaan wordt aan het bepaalde in de Wet geluidhinder of de conform deze wet verleende hogere waarden;
    • 5. geen verslechtering van de milieuhygiënische situatie optreedt;
    • 6. omliggende bedrijven niet onevenredig in hun bedrijfsvoering worden aangetast.
3.5 Specifieke gebruiksregels
3.5.1 De uitoefening van beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten, andere dan …

De uitoefening van beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten, andere dan een "vrij" beroep in of bij een woning en de daarbij behorende bijgebouwen als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, is uitsluitend toegestaan indien:

  • a. maximaal 30% van het vloeroppervlak van de woning en de bijgebouwen tot ten hoogste 50 m², mag worden gebruikt voor de beroepsactiviteiten;
  • b. de woning blijft voldoen aan de bepalingen ingevolge of krachtens de Woningwet;
  • c. degene die de activiteiten uitvoert, is tevens bewoner van de woning;
  • d. er wordt geen afbreuk gedaan aan het woonkarakter van de buurt;
  • e. er vindt geen detailhandel plaats, uitgezonderd verkoop als ondergeschikte nevenactiviteit die verband houdt met de beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten alsmede goederen die ter plaatse in het kader van diezelfde activiteiten zijn vervaardigd;
  • f. er ontstaat geen ernstige of onevenredige hinder voor het woonmilieu en er vinden geen activiteiten plaats waarvoor een milieuvergunning of een melding op grond van milieuwetgeving verplicht is;
  • g. in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreedt, met dien verstande dat
    • 1. het parkeren ten behoeve van de beroeps- en bedrijfsactiviteiten zoveel mogelijk op eigenterrein dient plaats te vinden;
    • 2. behoudens in- en uitladen, geen beroeps- en bedrijfsactiviteiten in de openbare ruimte rond de betreffende woning mogen plaatsvinden;
  • a. er is geen sprake van buitenopslag.
3.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.6.1 Vergunningvereiste

Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de navolgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het ophogen van gronden met meer dan 0,3 m;
  • b. het aanleggen van oppervlakteverhardingen.
3.6.2 Uitzonderingsbepaling

Het in lid 3.6.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van:

  • a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming;
  • b. werken en/of werkzaamheden die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan in uitvoering zijn
  • c. werken en/of werkzaamheden die reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.
3.6.3 Toelaatbaarheid

Werken en werkzaamheden als bedoeld in lid 3.6.1 zijn slechts toelaatbaar, indien die werken of werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de ontsluiting van de woonpercelen op de openbare weg en het maken van de noodzakelijke parkeerruimte en deze werken en werkzaamheden, danwel de daarvan, hetzij direct, of indirect te verwachten gevolgen, niet leiden tot een onevenredige aantasting van:

  • de verkeersveiligheid op de dijk;
  • de bebouwingskarakteristiek van de omgeving;
  • de monumentale bebouwing op de aangrenzende gronden;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.
3.6.4 Procedureregel

Alvorens te beslissen omtrent een aanvraag met betrekking tot een omgevingsvergunning verkrijgen burgemeester en wethouders een advies van het Hoogheemraadschap.

Artikel 4 Waterstaat - Waterkering

4.1 Bestemmingsomschrijving
4.1.1 De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden...

De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen(en), mede bestemd voor:

  • a. werken ten behoeve van de waterkering;
  • b. de waterhuishouding met de daarbij behorende voorzieningen;]
  • c. voorzieningen ten dienste van de geleiding en beveiliging van het scheepvaartverkeer;
4.1.2 Op deze gronden mogen met inachtneming van de op ...

Op deze gronden mogen met inachtneming van de op de plankaart aangegeven aanduidingen, uitsluitend ten dienste van de in artikel 4, lid 1.1 genoemde bestemming worden gebouwd:

  • bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
4.2 Bouwregels

De bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

  • a. ten behoeve van deze bestemming mogen uitsluiten bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd tot een bouwhoogte van maximaal 9 m;
  • b. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag niet worden gebouwd.
4.3 Afwijken van de bouwregels
4.3.1 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om bij omgevingsvergunning af te wijken van:

het bepaalde in artikel 4, lid 2, onder b indien de bij de betrokken bestemming(en) behorende bouwregels in acht worden genomen en geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterstaatsbelangen of de belangen van de waterkering.

4.3.2 Procedureregels

Bij het verlenen van een vergunning als bedoeld in lid 4.3.1 zullen burgemeester en wethouders schriftelijk advies inwinnen bij Rijkswaterstaat en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard.

4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.4.1 Vergunningvereiste

Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de navolgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het afgraven of ophogen van gronden met meer dan 0,3 m;
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
  • c. het aanleggen van oppervlakteverhardingen;
  • d. het aanleggen van een vooroeverconstructie.
4.4.2 Uitzonderingsbepaling

Het in lid 4.4.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van:

  • a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming;
  • b. werken en/of werkzaamheden die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan in uitvoering zijn
  • c. werken en/of werkzaamheden die reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.
4.4.3 Toelaatbaarheid

Werken en werkzaamheden als bedoeld in lid 4.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien door die werken of werkzaamheden, danwel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer waarden of functies van de in die artikelen bedoelde gronden welke het plan beoogt te beschermen niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, danwel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

4.4.4 Procedureregel

Alvorens te beslissen omtrent een aanvraag met betrekking tot een omgevingsvergunning verkrijgen burgemeester en wethouders een advies van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard en Rijkswaterstaat.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 5 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 6 Algemene bouwregels

6.1 Bebouwingsvrije zone langs water

Onverminderd het overigens in deze regels met betrekking tot het bouwen bepaalde, mag op en in gronden:

  • a. die zijn gelegen binnen een afstand van 5 m vanuit de bestemming "Water – 2" van het bestemmingsplan "IJsseldijk West", gemeten vanaf de bovenkant van de taluds, niet worden gebouwd zonder voorafgaande omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders voor het afwijken van de bouwregels, zoals bedoeld in het hiernavolgende lid.
6.2 Algemene afwijking

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, na advies te hebben ingewonnen bij het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard voor zover het betrekking heeft op bestemming "Water – 2" van het bestemmingsplan "IJsseldijk West", bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.1 ten behoeve van het bouwen tot aan de bestemmingsgrens van desbetreffende gronden.

Artikel 7 Algemene gebruiksregels

7.1 Algemeen verbod op strijdig gebruik

Het is verboden gronden en bouwwerken te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de bestemming.

7.2 Bijzonder gebruiksverbod

Het is in ieder geval verboden bouwwerken en gronden te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken:

  • a. als seksinrichting;
  • b. als standplaats voor onderkomens, alsmede wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van detailhandel;
  • c. als kampeerterrein, caravanterrein en dagcamping;
  • d. als opslag-, stort-, lozings- of bergplaats van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden;
  • e. als opslagplaats van hout en aannemersmaterialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden;
  • f. als terrein voor het al dan niet ten verkoop opslaan en opstellen van ongebruikte en/of gebruikte, danwel geheel of ten dele uit gebruikte onderdelen samengestelde motorvoertuigen of aanhangwagens c.q. onderdelen daarvan, welke bruikbaar en niet aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken zijn;
  • g. voor het beoefenen van de modelvliegtuigsport, alsmede voor het crossen met motorvoertuigen en bromfietsen;
  • h. voor volkstuinen;
  • i. voor (mest)bassins;
  • j. voor bewoning ter plaatse van vrijstaande bijgebouwen;

behoudens voor zover anders is bepaald in de specifieke gebruiksregels zoals opgenomen in de artikelen in hoofdstuk 2.

7.3 Uitzondering bijzonder gebruiksverbod

Het in 7.2 bepaalde is niet van toepassing op:

  • a. het (tijdelijke) gebruik ten behoeve van de realisering en/of handhaving van de bestemmingen of het normale onderhoud van de gronden.
7.4 Algemene afwijking

Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde onder artikel 7, lid 1, indien strikte toepassing van die bepalingen zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

Artikel 8 Algemene afwijkingsregels

8.1 Afwijkingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van de regels in dit bestemmingsplan voor:

  • a. afwijkingen van eisen, gesteld ten aanzien van maten en percentages, mits
    • 1. de afwijkingen beperkt blijven tot ten hoogste 10% van de in het plan aangegeven maten en percentages en
    • 2. de maximale inhoud van een woning zoals opgenomen in 3.2 onder d hierdoor niet mag worden vergroot;
    • 3. het aanbrengen van geringe aanpassingen in de plaats en de richting van bouwgrenzen, geen bestemmingsgrens zijnde, mits deze nodig zijn in verband met afwijkingen en onnauwkeurigheden van de kaart ten opzichte van de feitelijke situatie, dan wel nodig zijn in verband met de juiste inpassing van de gebouwen binnen bouwvlakken, waarbij de grenzen met niet meer dan 5 m worden verschoven;
    • 4. het overschrijden van de grenzen van het bouwvlak naar de buitenzijde door:
      - erkers, balkons en bordessen tot maximaal 2 m;
      - ingangspartijen tot maximaal 2 m, mits de bebouwde oppervlakte maximaal 6 m2 en de bouwhoogte maximaal 3 m zal bedragen;
      voor zover deze overschrijding van grenzen niet leidt tot wijziging van bestemmingen of onevenredige aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    • 5. de bouw van niet voor bewoning bestemde gebouwen met een oppervlakte van ten hoogste 25 m2 en een goothoogte van niet meer dan 4 m ten dienste van het openbaar nut, zoals schakelhuisjes, wachthuisjes, telefooncellen en gasdrukregel- en gasdrukmeetstations.
8.2 Procedureregels

Bij het afwijken van de regels als bedoeld in lid 8.1 kunnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies inwinnen bij een stedenbouwkundige.

Artikel 9 Algemene wijzigingsregels

9.1 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen ten behoeve van:

  • a. een enigszins andere situering en/of begrenzing van de bouwvlakken, indien bij de uitvoering van het plan mocht blijken, dat verschuivingen in verband met de ingekomen bouwaanvragen nodig zijn, ter uitvoering van een bouwplan, mits:
    • 1. de oppervlakte van het betreffende bouwvlak, met niet meer dan 10% wordt gewijzigd;
    • 2. de maximale inhoud van een woning zoals opgenomen in artikel 3, lid 2, onder d hierdoor niet mag worden vergroot;
  • b. het in geringe mate aanpassen van het plan, teneinde enig onderdeel van het plan, zoals een bestemmingsgrens, behalve die van de bestemmingen "Verkeer", te veranderen, indien bij definitieve uitmeting en verkaveling blijkt, dat deze aanpassing in het belang van een juiste verwerkelijking van het plan redelijk gewenst of noodzakelijk is, mits:
    • 1. de grenzen met niet meer dan 10 m worden verschoven;
    • 2. de maximale inhoud van een woning zoals opgenomen in artikel 3, lid 2, onder d hierdoor niet mag worden vergroot.
9.2 Procedureregels
  • a. Bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in lid 9.1 kunnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies inwinnen bij een stedenbouwkundige.
  • b. Bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in lid 9.1 is zijn de algemene procedureregels van toepassing zoals opgenomen in artikel 10 van deze regels.

Artikel 10 Algemene procedureregels

Op de voorbereiding van een besluit tot het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid en voor zover in deze regels wordt verwezen naar dit artikel is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 11 Overgangsrecht

11.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het bepaalde onder a met maximaal 10%.
  • c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
11.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
11.3 Persoonsgebonden overgangsrecht

Voor zover toepassing van het overgangsrecht of gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard jegens een of meer natuurlijke personen kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van die persoon of personen van dat overgangsrecht afwijken.

11.4 Ten aanzien van bestaande afstanden en andere maten
  • a. Indien afstanden ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van het plan meer dan wel minder bedragen dan ingevolge Hoofdstuk 2 is toegestaan, mogen de bestaande afstanden als maximaal respectievelijk minimaal toelaatbaar worden aangehouden.
  • b. In die gevallen dat hoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken op de dag van de ter inzage legging van het ontwerp van het plan meer of minder bedragen dan ingevolge Hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen de bestaande maten en hoeveelheden als maximaal respectievelijk minimaal worden aangehouden.
  • c. In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde onder a en b uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.

Artikel 12 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het Wijzigingsplan

Twee woningen, nabij IJsseldijk-West 15 in Ouderkerk aan den IJssel

van de gemeente Ouderkerk .