direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, 9e herziening Buitengebied, locatie Lindeweg 9a, Heerjansdam
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0642.TAMOP15Lindeweg9a-3001

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

1.1 Omgevingsplan gemeente Zwijndrecht

Dit plan wijzigt het omgevingsplan gemeente Zwijndrecht in die zin dat na hoofdstuk 22 [een hoofdstuk 22a] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in dit plan moeten gelezen worden als afdelingen van [hoofdstuk 22a] van het omgevingsplan gemeente Zwijndrecht. In de artikelkop van de artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22a.] gelezen worden. In de kop van de bijlagen moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22a.] gelezen worden.

1.2 Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.4.

1.3 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat

De regels in afdeling 22.2 met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit plan.

1.4 Verwijzing naar verbeelding

De regels in dit plan zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, 9e herziening Buitengebied, locatie Lindeweg 9a, Heerjansdam, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0642.TAMOP15Lindeweg9a-3001 zoals vastgelegd op 'Regels op de kaart' https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/.

Artikel 2 Begrippen

2.1 van toepassing verklaring

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit plan.

2.2 aanvullende begrippen

In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit plan de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.41 gehanteerd.

2.3 plan

het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, 9e herziening Buitengebied, locatie Lindeweg 9a, Heerjansdam met identificatienummer NL.IMRO.0642.TAMOP15Lindeweg9a-3001 van de gemeente Zwijndrecht.

2.4 TAM-omgevingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

2.5 Omgevingsplan gemeente Zwijndrecht

Het omgevingsplan bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet.

2.6 aanbouw

Een aan een hoofdgebouw aangebouwd gebouw dat als een uitbreiding van dat hoofdgebouw te beschouwen is, zoals een bijkeuken, serre, berging, magazijn. Onder aanbouw wordt mede verstaan een uitbouw.

2.7 aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

2.8 aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

2.9 aan-huis-verbonden beroep

Een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

2.10 bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

2.11 bebouwingsgrens

De grens van een bestemmingsvlak.

2.12 bebouwingspercentage

Het in procenten uitgedrukte deel van een bouwwerkperceel dat ten hoogste mag worden bebouwd.

2.13 bed & breakfast

Een kleinschalige, aan de woon- of agrarische functie ondergeschikte voorziening, voor kortdurende,

toeristische verblijfsvoorziening, voor uitsluitend logies en ontbijt, die deel uitmaakt van het hoofdgebouw

en/of is gevestigd in één van de bestaande (vrijstaande) bijgebouwen. Onder bed & breakfast wordt niet

verstaan het overnachten, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden

werkzaamheden en/of arbeid.

2.14 bestaand (in relatie tot bebouwing)

Bebouwing aanwezig ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp TAM-omgevingsplan en die tot stand is gekomen met een omgevingsvergunning.

2.15 bestaand (in relatie tot gebruik)

Gebruik dat bestaat ten tijde van het in werking treden van het TAM-omgevingsplan.

2.16 bijbehorend bouwwerk

Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

2.17 bijgebouw

Een gebouw dat zowel in bouwkundig, als in functioneel opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceelgelegen hoofdgebouw.

2.18 bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

2.19 bouwgrens

De grens van een bouwvlak.

2.20 bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

2.21 bouwperceelgrens

Een grens van een bouwperceel.

2.22 bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

2.23 bouwwerk

Een constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van de functie hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerk gebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart.

2.24 extensieve dagrecreatie

Niet-gemotoriseerde recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen en natuurobservatie.

2.25 gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

2.26 geluid(s)gevoelige functies in de zin van de Wet geluidhinder

Hieronder worden verstaan: woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan de genoemde (t.w. verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken en medische kleuterdagverblijven), alsmede de terreinen die behoren bij de andere gezondheidszorggebouwen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg, alsmede woonwagenstandplaatsen.

2.27 hoofdgebouw

Een gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is.

2.28 huishouden

Een persoon of groep personen die een gemeenschappelijke huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan; kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen.

2.29 kavelpaspoort

Document waarin een visuele weergave en omschrijving wordt gegeven van de eigenschappen, bouwvoorschriften en relevante bepalingen uit het omgevingsplan die van toepassing zijn op een kavel.

2.30 kunstwerk

Civieltechnisch werk voor de infrastructuur van wegen, water, spoorbanen, waterkeringen en of leidingen, niet zijnde een gebouw.

2.31 landschapswaarde

De aan een gebied toegekende waarde met betrekking tot het waarneembare deel van de aardoppervlakte, die wordt bepaald door de herkenbaarheid en de identiteit van de onderlinge samenhang tussen levende en niet-levende natuur.

2.32 locatiegrens

De grens van een locatievlak.

2.33 locatievlak

Een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een gebruiksdoel.

2.34 natuurwaarde

De aan een gebied toegekende waarde in verband met de aanwezige flora en fauna.

2.35 NEN

Door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van het plan.

2.36 omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Een omgevingsplanactiviteit bestaande uit:

  • a. een bouwactiviteit;
  • b. het in stand houden van een bouwwerk en
  • c. het gebruiken van het te bouwen bouwwerk.
2.37 peil
  • a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
2.38 prostitutie

Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

2.39 seksinrichting

Een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch en/of pornografische aard plaatsvinden; onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.

2.40 wonen

Huisvesting in een woning waarbij de bewoners gezamenlijk één afzonderlijk huishouden vormen. 

2.41 woning

Een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Artikel 3 Meten en rekenen

In aanvulling op en indien van toepassing in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24 van dit omgevingsplan, geldende volgende meetbepalingen:

3.1 bebouwingspercentage

Een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het bouwperceel, bouwvlak of aanduidingsvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd. De oppervlakte van zwembaden wordt niet meegerekend bij het bepalen van het bebouwingspercentage.

3.2 de bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.3 de afstand tot de (zijdelingse) perceelgrens

Vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (zijdelingse) perceelgrens.

3.4 de breedte en of diepte van een gebouw

Tussen de buitenwerkse zijgevelvlakken en/of de harten van de gemeenschappelijke scheidingsmuren.

3.5 de dakhelling

Langs het dakvlak gemeten ten opzichte van het horizontale vlak.

3.6 de goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Ter verduidelijking: Indien de goot/de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel lager zijn gemonteerd dan het snijvlak van de gevel en het dakvlak, geldt de hoogte tot aan het snijvlak.

3.7 de inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

3.8 de oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.9 de vloeroppervlakte

De gebruiksoppervlakte volgens NEN2580.

3.10 toepassing van maten

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.

Hoofdstuk 2 Specifieke regels over functies

Artikel 4 Natuur

4.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0642.TAMOP15Lindeweg9a-3001 zijn aangewezen voor het gebruiksdoel Natuur.

4.2 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Natuur heeft de volgende functies:

  • a. behoud, herstel en ontwikkeling van de aan de bossen, grienden, rietlanden en oever- en watervegetaties eigen zijnde natuur- en landschapswaarden;
  • b. extensieve dagrecreatie met wandel-, fiets- en ruiterpaden;
  • c. bij de functie behorende voorzieningen zoals verhardingen en parkeervoorzieningen.
4.3 Gebruiksactiviteit
4.3.1 Algemeen
  • a. Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 4.2 genoemde functies van de gronden;
  • b. In afwijking van het bepaalde onder a. is opslag binnen de bebouwing toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'opslag' met een oppervlakte van 175 m² voor Staatsbosbeheer conform het Kavelpaspoort SBB, ruimtelijke randvoorwaarden zoals opgenomen in Bijlage 2 van de regels, met dien verstande dat:
    • 1. de opslag van brandstof (afgesloten) niet meer bedraagt dan 15 m²;
    • 2. de opslag (hout, steen, ijzer en overig) niet meer bedraagt dan 40 m²;
    • 3. de opslag geen hogere stapelhoogte heeft dan 2 m.
4.4 Bouwactiviteit
4.4.1 Algemeen

Voor het bouwen van bouwwerken geldt het volgende:

  • a. bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in 4.2;
  • b. toegestaan zijn gebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
4.4.2 Beoordelingsregels
a Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels conform het Kavelpaspoort SBB, ruimtelijke randvoorwaarden zoals opgenomen in Bijlage 2 van de regels:

  • a. het bouwen van gebouwen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  • b. het maximale oppervlak van de totale bebouwing bedraagt 350 m²;
  • c. de bouwhoogte van de gebouwen mag maximaal 7 m bedragen;
  • d. de goothoogte van de gebouwen mag maximaal 4 m bedragen.

b Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 1,5 m.
4.5 Specifieke gebruiksregels
4.5.1 Ontsluiting

Ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting' zijn de gronden uitsluitend bestemd voor ontsluiting ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten van Staatsbosbeheer.

4.5.2 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing

Ten behoeve van de landschappelijke inpassing aan de oost- en zuidzijde van de opslag van Staatsbosbeheer als genoemd in artikel 4.3.1, sub b gelden de volgende regels:

  • a. de landschappelijke inpassing ten oosten en zuiden van de aanduiding 'opslag' dient uiterlijk het eerstvolgende plantseizoen na oplevering van de bebouwing te worden gerealiseerd overeenkomstig het in Bijlage 1 opgenomen Kavelpaspoort SBB; inrichtingsschets met een haag van tenminste twee meter hoog en één meter breed;
  • b. de landschappelijke inpassing dient vervolgens duurzaam in stand te worden gehouden door Staatsbosbeheer.
4.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.6.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Natuur zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, aan te leggen of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen of verharden van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • c. het aanleggen van dijken of andere taluds en het vergraven of ontgraven van reeds aanwezige dijken of taluds;
  • d. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, ontginnen, ophogen;
  • e. het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, kaden en aanlegplaatsen;
  • f. het aanleggen van boven- of ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • g. het verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting alsmede het verwijderen van oevervegetaties.
4.6.2 Uitzondering op het aanlegverbod

Het verbod van lid 4.6.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden:

  • a. normaal onderhoud, beheer en gebruik overeenkomstig de bestemming betreffen, waaronder tevens het aanleggen van drainage wordt verstaan;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  • c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.
4.6.3 Voorwaarden van een omgevingsvergunning

De werken of werkzaamheden als bedoeld in 4.6.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de natuur- en landschapswaarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.

Artikel 5 Tuin

5.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0642.TAMOP15Lindeweg9a-3001 zijn aangewezen voor het gebruiksdoel Tuin.

5.2 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Tuin heeft de volgende functies:

  • a. tuin;
  • b. bij de functie behorende voorzieningen, zoals groenvoorzieningen en water.
5.3 Gebruiksactiviteit
5.3.1 Algemeen

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 5.2 genoemde functies van de gronden.

Artikel 6 Water

6.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0642.TAMOP15Lindeweg9a-3001 zijn aangewezen voor het gebruiksdoel Water.

6.2 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Water heeft de volgende functies:

  • a. water;
  • b. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • c. bermen, taluds en groenvoorzieningen;
  • d. behoud en versterking van de landschappelijke en natuurwaarden van de watergangen en oevers;
  • e. kunstwerken, waaronder bruggen en duikers.
6.3 Gebruiksactiviteit
6.3.1 Algemeen

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 6.2 genoemde functies van de gronden.

6.4 Bouwactiviteit
6.4.1 Algemeen

Ter plaatse zijn geen bouwwerken, bijbehorende bouwwerken of bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, met uitzondering van:

  • a. bruggen met een breedte van maximaal 5 m;
  • b. kunstwerken met een hoogte van maximaal 3 m;
  • c. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een hoogte van maximaal 3 m.

Artikel 7 Wonen - 1

7.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0642.TAMOP15Lindeweg9a-3001 zijn aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen - 1.

7.2 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen - 1 heeft de volgende functies:

  • a. wonen, daaronder begrepen aan-huis-verbonden beroepen;
  • b. tuinen en erven;
  • c. nutsvoorzieningen;
  • d. bij de functie behorende voorzieningen zoals verhardingen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en water.
7.3 Gebruiksactiviteit
7.3.1 Algemeen

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 7.2 genoemde functies van de gronden.

7.4 Bouwactiviteit
7.4.1 Algemeen

Voor het bouwen van bouwwerken geldt het volgende:

  • a. bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in 7.2;
  • b. toegestaan zijn gebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
7.4.2 Beoordelingsregels
a Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels conform het Kavelpaspoort woning, zoals opgenomen in Bijlage 3 van de regels:

  • a. het bouwen van een hoofdgebouw is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  • b. het maximale oppervlak van een woning inclusief aan- en uitbouwen bedraagt 125 m²;
  • c. de inhoud van een woning bedraagt ten hoogste 750 m³;
  • d. de bouwhoogte van de woning mag maximaal 8 m bedragen;
  • e. de goothoogte van de woning mag maximaal 3,5 m bedragen;
  • f. de dakhelling bedraagt minimaal 45° en maximaal 55°;
  • g. de dakvorm is een (samengesteld) zadeldak.

b Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. Conform kavelpaspoort op achtererf zijn behoudens vergunningsvrije bijbehorende bouwwerken als bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving en de Bruidsschat, geen bijbehorende bouwwerken toegestaan.
c Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. Conform kavelpaspoort op achtererf zijn behoudens vergunningsvrije bijbehorende bouwwerken als bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving en de Bruidsschat, geen bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan.

Hoofdstuk 3 Algemene regels over functies

Artikel 8 Toepassingsbereik

De regels in dit hoofdstuk gelden in aanvulling op en indien dit nader is bepaald in afwijking van de regels in Hoofdstuk 2.

Artikel 9 Aanvraagvereisten

  • a. De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan. In het bijzonder geldt dat:
    • 1. het bepaalde in artikel 22.284 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor werken en werkzaamheden in dit plan; en
    • 2. het bepaalde in 22.286 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit inhoudende een gebruiksactiviteit of een bouwactiviteit in dit plan.
  • b. in aanvulling op het bepaalde onder a worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de aan de omgevingsvergunning verbonden beoordelingsregels.

Artikel 10 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 11 Bouwactiviteit - algemeen

11.1 Ondergronds bouwen

De regels inzake de toelaatbaarheid, de aard, de omvang en de situering van gebouwen zijn in geval van ondergrondse bouw van overeenkomstige toepassing, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. ondergrondse bouw is uitsluitend toegestaan onder de oppervlakte van bovengronds gelegen gebouwen, alsmede ter verbinding van gebouwen;
  • b. gebouwd mag worden tussen peil en 3,5 m onder peil, met dien verstande dat het bepaalde in dit lid niet geldt voor afval-inzamelvoorzieningen.
11.2 Bestaande maatvoering

Het in stand houden van bouwwerken waarvan de maatvoering afwijkt van het bepaalde in dit plan is toegestaan indien de bestaande maatvoering bestond op het moment dat dit artikel in werking is getreden en het bouwwerk is gerealiseerd overeenkomstig een daartoe verleende omgevingsvergunning.

11.3 Ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen de aanduiding 'bouwvlak' worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, gevel- en kroonlijsten, overstekende daken en reclame-uitingen, buiten beschouwing gelaten, mits de bouw- c.q. functiegrens met niet meer dan 0,5 m wordt overschreden.

11.4 Parkeren
11.4.1 Beoordelingsregels parkeren op eigen terrein

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt voor een bouwwerk, uit het gebruik waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid voortvloeit, alleen verleend, indien op het bijbehorende bouwperceel in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden. Bij de beoordeling van een aanvraag van een omgevingsvergunning activiteit bouwen wordt aan de hand van het "Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan (GVVP) Zwijndrecht" bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid. Indien deze beleidsregels worden gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging.

11.4.2 Laden en lossen

Indien de functie van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

11.4.3 Maatwerkvoorschriften beoordelingsregel parkeren op eigen terrein

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 afwijken van 11.4.1 indien:

  • a. het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
  • b. voor zover op een andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.
11.4.4 Functiewijziging

De regels over parkeren, laden en lossen zijn bij functiewijzigingen onverkort van toepassing, ook ingeval hiervoor geen omgevingsvergunning nodig is.

Artikel 12 Gebruiksactiviteit - algemeen

12.1 Verboden gebruik

Het is in ieder geval verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van:

  • a. het opslaan van aannemersmaterialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gericht gebruik van de gronden;
  • b. het gebruik als opslagplaats van onbruikbare of althans aan hun persoonlijk gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de gronden;
  • c. het gebruik van onbebouwde gronden of het gebruik van bouwwerken ten behoeve van doeleinden van handel of bedrijf, een seksinrichting daaronder mede begrepen;
  • d. het gebruik van bijbehorende bouwwerken voor zelfstandige bewoning;
  • e. het gebruik van bouwwerken voor de opslag van vuurwerk.
12.2 Beroepsuitoefening aan huis

Het gebruik van ruimten van een woning ten behoeve van de uitoefening van een vrij beroep en/of een aan huis verbonden beroep is niet in strijd met de regels van dit plan voor zover wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. maximaal 25% van het vloeroppervlak van de woonruimten met inbegrip van aan- en uitbouwen tot een maximum van 50 m² mag worden gebruikt voor het vrije beroep of het aan huis verbonden beroep;
  • b. degene die de beroepsactiviteit in de woonruimten uitvoert dient tevens bewoner van die woonruimten te zijn;
  • c. vergunningsplichtige (aspect milieu) ingevolge de Omgevingswet of meldingsplichtige activiteiten ingevolge de Wet milieubeheer zijn niet toegestaan;
  • d. op eigen terrein dient te worden voorzien in de parkeer- en stallingbehoefte die het vrije beroep of het aan huis verbonden beroep oproept;
  • e. de activiteit dient qua aard, omvang en uitstraling te passen in een woonomgeving;
  • f. er mag geen detailhandel en/of horeca plaatsvinden;
  • g. aan de buitenzijde van de woonruimten of elders op het bouwperceel mogen geen uiterlijke kenmerken ten behoeve van het vrije beroep of het aan huis verbonden beroep worden aangebracht;
  • h. de uitoefening van een vrij beroep en/of een aan huis verbonden beroep is niet toegestaan in bijgebouwen;
  • i. er mogen geen activiteiten plaatsvinden die betrekking hebben op het onderhouden en repareren van motorvoertuigen.

Artikel 13 Afwijken algemeen

13.1 Algemeen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken ten behoeve van:

  • a. de op de verbeelding dan wel in de regels aangegeven maten en getallen, mits:
    • 1. de afwijking niet meer dan 10% bedraagt;
    • 2. de locatiegrens niet wordt overschreden;
  • b. de plaats en richting van bouwgrenzen, voor het aanbrengen van geringe veranderingen tot niet meer dan 1,0 m.

Hoofdstuk 4 Regels ter bescherming van waarden en objecten

Artikel 14 Waarde - Archeologie 4

14.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in Hoofdstuk 2 en Hoofdstuk 3.

14.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0642.TAMOP15Lindeweg9a-3001 is aangewezen als Waarde - Archeologie 4.

14.3 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als Waarde - Archeologie 4 heeft mede als functie het behoud van en de bescherming van de ter plaatse aanwezige archeologische waarden.

14.4 Bouwactiviteit
14.4.1 Algemeen
  • a. Bouwen ten behoeve van de in artikel 14.3 bedoelde functie is niet toegestaan;
  • b. de krachtens de andere daar voorkomende functies en de met omgevingsvergunning ingevolge de in Hoofdstuk 2 toelaatbare bouwwerken zijn niet toegestaan.
14.4.2 Beoordelingsregels

In afwijking van Hoofdstuk 2 is het bouwen van gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen de functie Waarde - Archeologie 4 alleen toegestaan mits:

  • a. wordt gebouwd in overeenstemming met de bouwregels van de desbetreffende functie;
  • b. de bouwwerken en de fundering niet dieper liggen dan 50 cm beneden het maaiveld;
  • c. de gezamenlijke oppervlakte van het bouwwerk ten hoogste 500 m² bedraagt.
14.4.3 Afwijken beoordelingsregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit afwijken van 14.4.2 met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de archeologische waarden mogen niet onevenredig worden geschaad;
  • b. een omgevingsvergunning als in dit lid bedoeld zal in ieder geval worden verleend indien aan één of meer van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
    • 1. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen heeft blijkens archeologisch onderzoek aangetoond dat op de betrokken bouwlocatie geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    • 2. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen heeft een rapport overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarden van het terrein in voldoende mate worden veiliggesteld;
    • 3. de betrokken archeologische waarden worden door de bouwactiviteiten niet geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de omgevingsvergunning als in dit lid bedoeld regels te verbinden gericht op:
      • het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
      • het doen van opgravingen;
      • begeleiding van de bouwactiviteiten door de archeologisch deskundige.
  • c. voordat over het verlenen van de omgevingsvergunning als in dit lid bedoeld wordt beslist, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige.
14.5 Omgevingsplanactiviteit voor werken en werkzaamheden
14.5.1 Vergunningplicht

Het is verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren:

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte of hoogte dan 50 cm, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • b. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen;
  • c. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  • d. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • e. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
14.5.2 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod van 14.5.1 geldt niet voor:

  • a. het uitvoeren van normale onderhoudswerkzaamheden;
  • b. het uitvoeren van grondwerkzaamheden als bedoeld onder a. tot een diepte van minder dan 50 cm beneden het maaiveld en tot een oppervlakte van 500 m²;
  • c. het vervangen van bestaande riolering en andere ondergrondse kabels en leidingen, indien de afmetingen en horizontale en verticale ligging van de leidingen niet veranderen;
  • d. het verrichten van archeologisch onderzoek door een deskundige archeoloog;
  • e. het verrichten van werken en werkzaamheden waarvoor met inachtneming van het bepaalde in sublid 14.2 of lid 14.4.3 een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend.
14.5.3 Beoordelingsregels
  • a. Voorafgaand aan de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in 14.5.1 vraagt het bevoegd gezag advies aan een archeologisch deskundige.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld in 14.5.1 wordt alleen verleend indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de archeologische waarden van deze gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.
14.5.4 Aanvraagvereisten
  • a. Voorafgaand aan de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in 14.5.1 wordt voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval vooraf archeologisch advies ingewonnen bij de door het bevoegd gezag aangewezen archeologisch deskundige.
  • b. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in 14.5.1 wordt voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval een archeologisch rapport overgelegd waaruit naar het oordeel van het bevoegd gezag blijkt dat:
    • 1. de archeologische waarde van het terrein in voldoende mate is vastgesteld;
    • 2. archeologische waarden door het uitvoeren van de werken en/of werkzaamheden niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden;
    • 3. er geen archeologische waarden zijn.

Artikel 15 Geluidzone - gezoneerd bedrijventerrein Kijfhoek

15.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in Hoofdstuk 2 en Hoofdstuk 3.

15.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0642.TAMOP15Lindeweg9a-3001 is aangewezen als Geluidzone - gezoneerd bedrijventerrein Kijfhoek.

15.3 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als Geluidzone - gezoneerd bedrijventerrein Kijfhoek is opgenomen met oog op het beschermen van de geluidsactiviteiten vanuit het bedrijventerrein.

15.4 Bouwactiviteit
15.4.1 Algemeen
  • a. Bouwen ten behoeve van de in artikel 15.3 bedoelde functie is niet toegestaan;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a is ter plaatse van het op de verbeelding aangegeven bouwvlak met de functie 'Wonen - 1' de bouw van een nieuwe woning toegestaan overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.4.

Hoofdstuk 5 Overgangsregels

Artikel 16 Overgangsrecht

16.1 Overgangsrecht bouwwerken
16.1.1 Algemeen

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
16.1.2 Maatwerkvoorschrift

Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift eenmalig afwijken van het bepaalde in 16.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 16.1.1 met maximaal 10%.

16.1.3 Uitzondering

Het bepaalde in 16.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd zijn met het omgevingsplan zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling.

16.2 Overgangsrecht gebruik
16.2.1 Algemeen

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

16.2.2 Strijdig gebruik

Het is verboden het met dit plan strijdige gebruik, bedoeld in 16.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

16.2.3 Onderbroken gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in 16.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

16.2.4 Uitzondering

Het bepaalde in 16.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het omgevingsplan voor inwerkingtreding van dit plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.