| Plan: | Jan Dorrekenskade-Oost 73 en Zuidkade 28-31 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0627.BPzdk28tot31jdk73-0401 |
De voorliggende toelichting heeft betrekking op de realisatie van vijf woningen in het gebied ten noorden van Zuidkade 32, te Waddinxveen. Het betreft een braakliggend terrein dat voorheen in gebruik is geweest voor de opslag van bouwmaterialen. Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van Waddinxveen. De realisatie van de vijf woningen is op grond van de geldende bestemmingsplannen niet mogelijk. Voorliggend bestemmingsplan betreft een herziening van de geldende bestemmingsplannen 'Bebouwde Kom 2015' en 'Van station tot hefbrug', ter plaatse van het gebied ten noorden van Zuidkade 32.
Het plangebied is gelegen in het woongebied in de kern van Waddinxveen. Het plangebied ligt tussen de woning aan Zuidkade 32 en het winkelpand aan Zuidkade 71-73, direct ten westen van het kanaal de Gouwe. De Gouwe is een belangrijke transportader en tevens staande mastroute. Aan de overzijde van de Gouwe ligt de provinciale weg N207. Figuur 1 geeft de ligging van het plangebied weer.
Figuur 1 Overzichtskaart, plangebied: rode omlijning
Het plangebied betreft de percelen met de volgende kadastrale aanduidingen:
In figuur 2 zijn de kadastrale percelen in het plangebied weergegeven.
Figuur 2 Kadastraal plangebied: rode omlijning, bron: Hoste Milieutechniek BV
Voor het plangebied van voorliggend bestemmingsplan gelden twee verschillende bestemmingsplannen. In onderstaande tabel is een overzicht van de vigerende bestemmingsplannen opgenomen.
| Bestemmingsplan | Raadsbesluit vaststelling |
| Bestemmingsplan 'Bebouwde Kom 2015' | 16 december 2015 |
| Bestemmingsplan 'Van station tot hefbrug' | 30 januari 2013 |
Voor het zuidelijk deel van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Bebouwde Kom 2015' en voor het noordelijk deel geldt het bestemmingsplan 'Van station tot hefbrug'. De noordelijke gronden zijn bestemd als 'Maatschappelijk' en de zuidelijke gronden zijn bestemd als 'Wonen'.
In het noorden van het plangebied zijn op de gronden binnen het bouwvlak gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan ten behoeve van maatschappelijke dienstverlening. De gronden in het zuiden van het plangebied zijn bestemd voor wonen en aan-huis-verboden beroeps- en bedrijfsactiviteiten. Op de gronden binnen de bouwvlakken zijn niet meer dan het bestaande aantal woningen toegestaan. Doordat de gronden onbebouwd zijn kan het plan niet worden gerealiseerd. Daarnaast past de bebouwing niet geheel binnen de opgenomen bouwvlakken. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling dient de bestemming 'Maatschappelijk' te worden gewijzigd naar 'Wonen' en dienen de grenzen van de bouwvlakken te worden gewijzigd. Figuur 3 bevat een uitsnede van de verbeeldingen van de geldende bestemmingsplannen voor het plangebied.
Figuur 3 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Bebouwde Kom 2015' en bestemmingsplan 'Van station tot hefbrug' met rood omlijnd het plangebied, bron: www.ruimtelijkeplannen.nl
Hoofdstuk 2 gaat in op de bestaande situatie en hoofdstuk 3 geeft een planbeschrijving van de toekomstige situatie. In hoofdstuk 4 zijn de beleidsuitgangspunten van het rijk, de provincie Zuid-Holland, de regio en gemeente Waddinxveen weergegeven. De waterparagraaf is opgenomen in hoofdstuk 5. De milieu- en omgevingsaspecten waaraan het initiatief getoetst dient te worden komen in hoofdstuk 6 aan bod. Hoofdstuk 7 bevat de juridische toelichting. Ten slotte wordt in hoofdstuk 8 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan beschreven.
Het plangebied ligt aan de rand van de woonbuurt Oostpolderwijk. Het plangebied is gelegen aan de Zuidkade. De Zuidkade wordt gekenmerkt door zowel historische als recente bebouwing. Het hoogteverschil tussen de bebouwing aan de Zuidkade en de daarachter gelegen bebouwing (circa 1,5 meter) is kenmerkend. Het plangebied betreft een braakliggend terrein dat voorheen in gebruik is geweest voor de opslag van bouwmaterialen. Daarnaast stond ter plaatse een papiermolen (stomp). Figuur 4 geeft de locatie van het plangebied weer.
Figuur 4 Foto locatie plangebied, bron: Google Streetview
Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van vijf woningen aan de Zuidkade in Waddinxveen, waarvan vier geschakeld zijn en één vrijstaand. De voorgevel van de woningen is georiënteerd naar de Zuidkade. De woningen hebben een inhoud van circa 500 m3 en een te ontwikkelen oppervlakte van circa 150 m2. De goot- en bouwhoogte van de woningen is afgestemd op de afmetingen van omliggende woningen aan de Zuidkade. De goot- en bouwhoogte bedraagt 6 en 10 meter. In figuur 5 en 6 is het bouwplan globaal weergegeven.
Figuur 5 Weergave nieuwbouw, bron: Henk Snoeks architect BNA
Figuur 6 Situering woningen, bron: Henk Snoeks architect BNA
De verkeersontsluiting vindt hoofdzakelijk plaats via de Jan Dorrekenskade-Oost. Via de Jan Dorrekenskade-Oost is de Kanaaldijk bereikbaar, die fungeert als gebiedsontsluitingsweg van de Zeeheldenwijk.
Ieder bouwplan dient te voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen erf. De vraag hoe wordt bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid wordt beantwoord in het parkeerbeleid van de gemeente Waddinxveen. In juli 2014 heeft de gemeente Waddinxveen Parkeerbeleid vastgesteld. Hierin beschrijft de gemeente hoe wordt omgegaan met parkeernormen. Het parkeerbeleid is met name gericht op de bebouwde kom. De gemeente kan ervoor kiezen om gemotiveerd van de richtlijnen af te wijken.
Voor de parkeernormen wordt de CROW publicatie 317 als uitgangspunt gehanteerd. Op deze wijze wordt ten aanzien van de hiervoor genoemde punten een duidelijk houvast geboden voor het beoordelen van aanvragen van een omgevingsvergunning.
| Nieuw CROW 317 (2012)_ | ||
| Programma | Parkeerkengetal (rest bebouwde kom) | Totaal |
| 1 koop, vrijstaande woningen | min. 1.8 & max. 2.6 | 2,2 |
| 4 koop, twee-onder-een-kap | min. 1.7 & max. 2.5 | 2,1 |
| Totaal aantal parkeerplaatsen | 10,6 | |
PLANGEBIED
De vijf woningen voorzien ieder in 2 parkeerplaatsen op eigen terrein. Alle woningen hebben aan de achterzijde van het perceel ruimte voor twee parkeerplaatsen. De overige parkeerbehoefte kan worden opgevangen in het openbaar gebied in de directe omgeving van het plangebied. Dit plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid.
Op 13 maart 2012 heeft de Minister van Infrastratuctuur en Ruimte de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De structuurvisie bevat een concrete, bondige actualisatie van het mobiliteits- en ruimtelijke ordeningsbeleid. De structuurvisie heeft betrekking op:
Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt.
Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. Alleen in de stedelijke regio's rond de mainports (Amsterdam c.a. en Rotterdam c.a.) zal het Rijk afspraken maken met decentrale overheden over de programmering van verstedelijking. Overige sturing op verstedelijking zoals afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, Rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering laat het Rijk los.
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen neemt het Rijk enkel nog een 'ladder' voor duurzame verstedelijking op (gebaseerd op de 'SER-ladder'). Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. In paragraaf 4.1.3 wordt nader ingegaan op de Ladder.
Er komt uit de SVIR geen concrete actie of beperking voor dit bestemmingsplan voort.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de AMvB die het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid vormt voor bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden en zich primair richt tot de gemeente. Daarnaast kan het Barro aan de gemeente opdragen om in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.
Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau.
Op 30 december 2011 is de eerste tranche van het Barro in werking getreden. Deze eerste tranche van het Barro bevat een vertaling van het geldende planologische beleid dat bedoeld was om op lokaal niveau: in bestemmingsplannen, te worden verwerkt. De vastgestelde onderdelen van het Barro Ruimte hebben betrekking op onder meer het kustfundament, de grote rivieren en het Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR).
Op 1 oktober 2012 is de tweede tranche van het Barro in werking getreden. Deze tranche vormt een vertaling van nieuw ruimtelijk beleid van het Rijk, dat eerder is vastgelegd in o.a. de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de MIRT-agenda's.
Dit deel van het Barro bevat regels voor onder meer de ecologische hoofdstructuur, radarverstoringsgebieden, militaire terreinen, gebieden van uitzonderlijke universele waarde en reserveringsgebieden voor (nieuwe en uitbreiding van bestaande) hoofdwegen en spoorlijnen.
In het Barro zijn geen regels opgenomen die relevant zijn voor het voorliggend bestemmingsplan.
In artikel 3.1.6, tweede lid Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de ladder voor duurzame verstedelijking (duurzaamheidsladder) opgenomen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet sprake zijn van zorgvuldig ruimtegebruik en overprogrammering dient te worden voorkomen.
Het Bro stelt overheden verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk besluit de Ladder op te nemen, wanneer een zodanig besluit een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Om aan de eisen van de duurzame ladder te kunnen voldoen dient een aantal stappen te worden gezet die borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkeling wordt gekomen.
In de Handreiking staat dat er geen ondergrens is bepaald voor wat een ‘stedelijke ontwikkeling’ is. Op basis van jurisprudentie blijkt dat één of enkele woningen niet gezien worden als een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 14 januari 2014, nr. 201308263/2/R4 (Midden-Delfland). Het voorliggende initiatief betreft de realisatie van vijf woningen in stedelijk gebied. Vanwege de kleinschalige omvang van het project kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De duurzaamheidsladder is niet van toepassing.
De Eerste Kamer heeft op 31 mei 2011 het wetsvoorstel Modernisering Monumentenzorg aangenomen. In de Wet modernisering monumentenzorg zijn drie speerpunten opgenomen:
Cultuurhistorie en ruimtelijke ordening
Het bestemmingsplan is volgens de wet een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Daarom is, als uitwerking van de wet, in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vastgelegd dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Daartoe dienen gemeenten, volgens het Bro, ter voorbereiding op een bestemmingsplan de cultuurhistorische waarden te inventariseren en analyseren.
Ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan is in hoofdstuk 6.1 de uitvoerbaarheid van het initiatief beschreven, rekening houdend met de cultuurhistorische waarde van het plangebied.
Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland hebben op 9 juli 2014 de 'Visie ruimte en mobiliteit’ (VRM) en bijbehorende uitvoeringsdocumenten vastgesteld. De visie is op 1 augustus 2014 in werking getreden. De Visie ruimte en mobiliteit (VRM) is een structuurvisie op provinciaal niveau en bevat de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid. Hieronder valt ook het Programma ruimte, het Programma mobiliteit, de Verordening ruimte en de Agenda ruimte. De Visie ruimte en mobiliteit biedt geen vast omlijnd ruimtelijk eindbeeld, maar wel een perspectief voor de gewenste ontwikkeling van Zuid-Holland als geheel. De visie gaat uit van 4 rode draden die richting geven aan de gewenste ontwikkeling en het handelen van de provincie:
Wonen
De provincie wil dat wordt voorzien in de maatschappelijke vraag naar woningen. Die vraag ontwikkelt zich sinds enkele jaren onomkeerbaar door structurele demografische ontwikkelingen. De woningmarkt is een voorraadmarkt. In het overgrote deel van de vraag kan worden voorzien door (her)gebruik, vernieuwbouw, renovatie, verhuur en verkoop van de bestaande voorraad. In een deel van de behoefte aan eengezinswoningen kan bijvoorbeeld worden voorzien doordat woningen vrijkomen door verhuizing naar zorgeenheden of door het overlijden van ouderen. De provincie verwacht van gemeenten dat zij met elkaar in regionale visies vanuit dat perspectief vertrekken. Dat wil zeggen dat inzicht wordt gegeven in de mogelijkheden die de bestaande voorraad en doorstroming bieden, dat voorraad- en huisvestingsbeleid worden vastgesteld en dat daaruit volgende acties worden geformuleerd.
Woningbouw zal voor het grootste deel plaats moeten vinden in de stedelijke agglomeratie. Maar ook daarbuiten is er bouwbehoefte. Het grootste deel van de bouwbehoefte betreft woningen in een centrumstedelijk, buitencentrum- of centrumdorps milieu. Maar ook in andere milieus moet worden bijgebouwd. Het accent van de bouwbehoefte op stads-en dorpscentra en hun directe omgeving, past goed bij de ruimtelijk gewenste ontwikkeling van Zuid-Holland. Als op die plaatsen wordt gebouwd, kunnen voorzieningen beter worden benut of versterkt (kwalitatief hoogwaardig systeem van openbaar vervoer), de leefbaarheid en agglomeratiekracht worden versterkt en de groene ruimte worden gespaard.
Beter benutten en opwaarderen van wat er is
De provincie wil op verschillende manieren bijdragen aan het beter benutten van bebouwde ruimte. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening hanteren gemeenten de “ladder voor duurzame verstedelijking” om de keuze voor en situering van nieuwe woon- en werklocaties te verantwoorden. De provincie bevordert de consequente toepassing van de ladder door deze op te nemen in de Verordening Ruimte en daarbij een aantal begrippen te verhelderen. Een van die begrippen is het “bestaand stads- en dorpsgebied” (BSD). De provincie verstaat daaronder: ‘het bestaand stedenbouwkundig stelsel van bebouwing, met inbegrip van daartoe bouwrijp gemaakte terreinen, ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid (uitgezonderd glastuinbouw), detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Volgens de ladder voor duurzame verstedelijking moet nieuwe stedelijke ontwikkeling primair plaatsvinden binnen het BSD. Diverse locaties in en nabij het stedelijk gebied zullen een andere functie krijgen die op die plek passender is, zowel vanuit behoefte als vanuit kwaliteit. Dit past bij de provinciale ambitie voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat.
Het plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied en op de kaart 'Beter benutten van bebouwde ruimte' aangewezen als zijnde 'bebouwde ruimte' (zie figuur 7).
Figuur 7 Uitsnede kaart Beter benutten bebouwde ruimte (plangebied: rode omlijning)
Behoud en versterking leefkwaliteit van de bebouwde ruimte
Zoals eerder aangegeven zet de provincie in op het zoveel mogelijk concentreren van nieuwbouw binnen de bebouwde ruimte. De provincie is zich echter ook zeer bewust dat er grenzen zitten aan de mogelijkheden om te verdichten. Het bepalen of de woningbehoefte binnen de bebouwde ruimte opgevangen kan worden, is niet alleen een technische afweging (is het fysiek mogelijk om de woningbehoefte te accommoderen) maar bevat ook kwalitatieve elementen. Deze elementen zijn er vooral op gericht de leefkwaliteit van de inwoners te beschermen of zo nodig te versterken. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de bouw van vijf woningen op braakliggende gronden gelegen in een woonwijk in de kern van Waddinxveen. Stedenbouwkundig sluit de nieuwbouw aan bij de bebouwing in het gebied en betreft het een verbetering ten opzichte van het huidige gebruik als opslag van bouwmaterialen. Het terrein is door de gemeente Waddinxveen reeds aangewezen als woongebied. Bij de realisatie van de woningen wordt rekening gehouden met het behoud van voldoende groen. De ruimtevraag voldoet aan de wettelijke eisen die worden gesteld aan lucht, geluid, externe veiligheid en bodem, zie hiervoor hoofdstuk 6.
CONCLUSIE
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van vijf woningen binnen bestaand stedelijk gebied. Het plan is in overeenstemming met de visie Ruimte en Mobiliteit en de verordening Ruimte.
Op 14 maart 2013 is de Regionale Agenda Wonen Midden-Holland voor de periode 2013-2019 opgesteld. In deze regionale agenda leggen de gemeenten Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Krimpenerwaard, Waddinxveen en Zuidplas vast hoe zij vorm geven aan de samenwerking rond wonen. Voor de periode 2013-2019 spreken de gemeente het volgende met elkaar af:
PLANGEBIED
In de Regionale Agenda Wonen is de geplande urgente woningbouwproductie geschat op 372 koopwoningen (prijsklasse middel duur). Op basis van algemene ervaringen in de woningmarkt is aan kleine projecten en grondgebonden middeldure woningen een matig risico toegekend. Dit bestemmingsplan voorziet in de bouw van vijf middeldure koopwoningen aan de Zuidkade in Waddinxveen. Voorliggend plan levert een bijdrage aan de woningvraag in Waddinxveen naar woningen in het middeldure segment en past bij de markt. Met deze onwikkeling wordt doorstroming bevorderd.
CONCLUSIE
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van vijf middeldure woningen in Waddinxveen. De ontwikkeling sluit aan bij het totale woningbouwprogramma voor de regio, overeenkomstig de Regionale Agenda Wonen.
Op 3 oktober 2012 is de Structuuvisie Waddinxveen 2030 vastgesteld door de gemeenteraad. De structuurvisie schetst de ruimtelijke koers van de gemeente tot en met 2030 en vormt een integrale visie en een toetsingskader voor nieuwe initiatieven. Op basis van trends en ontwikkelingen, het bestaande gemeentelijke beleid en de projecten die spelen binnen de planperiode zijn de belangrijkste opgaven in beeld gebracht, verdeeld over vijf thema’s.
In de structuurvisie zijn vier strategische keuzes gemaakt:
Op de integrale structuurvisiekaart is het plangebied van voorliggend bestemmingsplan aangeduid als 'wonen bestaand' en 'concentratiegebied winkels en voorzieningen centrumgebied'. Het doel is om van het historische hart van Waddinxveen weer een aantrekkelijk verblijfsgebied te maken.
Wonen & voorzieningen
De gemeente wil bouwen voor de lokale en regionale behoefte op het gebied van wonen. Hierover zijn in het verleden afspraken gemaakt met de regio en de gemeente wil deze afspraken zoveel mogelijk nakomen. Tegelijkertijd is de marktsituatie veranderd en zijn de prognoses over de ontwikkeling van de bevolking en huishoudens in Waddinxveen ten opzichte van 2006 neerwaarts bijgesteld. Een bijstelling van het programma uit de structuurvisie 2006 is daarom noodzakelijk. De prognoses geven aan dat de behoefte aan extra woningen in 2030 circa 2.000 bedraagt (op basis van autonome groei en gezinsverdunning). Waddinxveen wil in deze behoefte voorzien en daarnaast bouwen voor de regionale groei en gaat daarom uit van een programma van circa 4.250 woningen tot 2030. Dit betekent dat gemiddeld ruim 200 woningen per jaar worden gerealiseerd. Van dit programma is ongeveer de helft bestemd voor de behoefte vanuit de eigen gemeente en de andere helft voor instroom vanuit de regio, waarmee de gemeente Waddinxveen haar regionale/Zuidvleugel rol invult.
In vergelijking met het bestaande programma betekent de nieuwe ambitie een bijstelling van circa 6.000 woningen naar 4.250 woningen. De realiteit leert dat op dit aantal sprake zal zijn van planuitval (ervaringscijfers is veelal 30%). Daarnaast worden deze woningen in de tijd gefaseerd.
Binnen het thema 'wonen en voorzieningen' is aangegeven dat ruimtelijke kwaliteit het belangrijkste uitgangspunt is voor het gemeentelijke woningbouwprogramma. Ontwikkelingen moeten bijdragen aan de toekomstige woon-, leef- en werkkwaliteit van Waddinxveen, waarbij een goede balans tussen inbreiding en uitbreiding van groot belang is. Er wordt onder meer ingezet op het (her)ontwikkelen van bestaande locaties in de bebouwde kom.
Figuur 8 Kaart 4 Thema Wonen & voorzieningen (plangebied: blauw omlijnd)
PLANGEBIED
Het plangebied is op Kaart 4 Thema Wonen & voorzieningen (zie figuur 8) aangewezen als 'Wonen bestaand' en voor een klein gedeelte als 'Kwaliteitslag centrumgebied/ concentratiegebied winkels en voorzieningen'. Het plan voorziet in de bouw van vijf woningen aan de Zuidkade. Met de ligging van de woningen aan het water draagt deze ontwikkeling bij aan een aantrekkelijk en kwalitatief onderscheidend aanbod. Dit plan voorziet in de bouw van woningen op gronden die (deels) reeds bestemd zijn voor wonen. De gemeente voorziet zodoende in de herontwikkeling van bestaande locaties in de bebouwde kom en is in overeenstemming met de Structuurvisie Waddinxveen 2030.
De gemeenteraad heeft op 19 december 2012 de Woonvisie Waddinxveen 2012-2017 vastgesteld. Hierin is het lokale woonbeleid geformuleerd, waarbij de lange termijn trends zijn vertaald naar de opgave tot en met 2017. Uitgangspunt daarbij is om tot 2030 4250 woningen toe te voegen aan de woningvoorraad. De volgende ambities zijn hierin opgenomen:
Deze (ruimtelijke) ambities zijn vervolgens op basis van trends en prognoses vertaald naar de opgave voor accenten in het woningbouwprogramma. Daarbij is bepaald dat de accenten moeten liggen bij:
De gemeente kiest ervoor om in te zetten op het afronden van de ruimtelijke structuur van de kern en het herontwikkelen van bestaande locaties in de bebouwde kom die een kwaliteitsimpuls nodig Woonvisie Waddinxveen 2012-2017 hebben. In de woonvisie is een afwegingskader opgenomen waarmee locaties beoordeeld kunnen worden op geschiktheid om bij te dragen aan de bovenstaande ambities en als de locaties geschikt zijn, kan met nadruk op de genoemde wooncategorieën het programma bepaald worden.
De keuzes voor onderhavige ontwikkeling wordt met behulp van het afwegingskader gemaakt.
| Criterium | Beschrijving | Toets |
| Bereikbaarheid | Hoe bereikbaar is de locatie? Is het OV (trein/bus) in de buurt? Fiets/auto? | Gelet op de ligging nabij het rijkswegennet en de aanwezige openbaar vervoersverbindingen kan worden geconcludeerd dat de bereikbaarheid goed is. |
| Voorzieningenniveau | Draagt woningbouw op deze locatie bij aan het draagvlak van de voorzieningen? En andersom: zijn de aanwezige voorzieningen in de buurt? | Het plangebied ligt op een afstand van circa 420 meter tot winkelcentrum Gouweplein. Hiermee zijn voldoende voorzieningen in de buurt gelegen. |
| Ruimtelijke kwaliteit | Hoe is de kwaliteit van deze locatie? En andersom: draagt woningbouw bij aan de ruimtelijke kwaliteit en de ruimtelijke structuur van Waddinxveen? | Het plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied en woningbouwontwikkeling draagt bij aan verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het woongebied. |
| Variatie in de wijk | Draagt de ontwikkeling op deze locatie bij aan variatie in de wijk? | De ontwikkeling van de woningen aan het water draagt bij aan variatie in de wijk. |
| Woonmilieu | Welk woonmilieu is passend op deze locatie en sluit dit aan bij de vraag die er is? | Het plan voorziet in de nieuwbouw van een vrijstaande en aaneengeschakelde woningen. |
CONCLUSIE
De ontwikkeling van de vijf woningen voldoet aan de criteria genoemd in het afwegingskader en is in overeenstemming met het beleid genoemd in de Woonvisie van de gemeente Waddinxveen.
Het "Mobiliteitsplan Waddinxveen 2013-2020" is op 26 juni 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. In het mobiliteitsplan staan de ambities: een optimaal bereikbaar Waddinxveen, verkeersveiligheid voor alle verkeersdeelnemers, stimuleren van het fietsgebruik en het optimaal benutten van het openbaar vervoer. Het doel van het mobiliteitsplan is om deze vier ambities te realiseren. Hiervoor is een routeboek opgesteld. Dit routeboek bestaat uit beleidskaders die gebruikt worden bij diverse (integrale) ontwikkelingen en maatregelen waarmee de grootste knelpunten aangepakt kunnen worden. Het mobiliteitsplan is een sectorale uitwerking van de in oktober 2012 vastgestelde 'Structuurvisie Waddinxveen 2030'.
PLANGEBIED
De verkeersontsluiting vindt hoofdzakelijk plaats via de Jan Dorrekenskade-Oost. Via de Jan Dorrekenskade-Oost is de Kanaaldijk bereikbaar. Het plan is niet in strijd met het Mobiliteitsplan.
In juli 2014 heeft de gemeente Waddinxveen Parkeerbeleid vastgesteld. Hierin beschrijft de gemeente hoe wordt omgegaan met parkeernormen. Het parkeerbeleid is met name gericht op de bebouwde kom. De gemeente kan ervoor kiezen om gemotiveerd van de richtlijnen af te wijken.
Het aantal benodigde parkeerplaatsen moet in het onderhavige geval worden bepaald op basis van de CROW-publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' binnen de volgende kaders:
PLANGEBIED
Op basis van de CROW-publicatie dient in het plangebied te worden voorzien in 10,6 parkeerplaatsen. Aan de achterzijde van de woningen is ruimte voor tien parkeerplaatsen. De overige parkeerbehoefte kan worden opgevangen in het openbaar gebied in de directe omgeving van het plangebied.
CONCLUSIE
Voorliggend plan voorziet in voldoende parkeerplaatsen overeenkomstig de CROW-publicatie 317. Voorliggend bestemmingsplan is niet in strijd met het Parkeerbeleid van de gemeente Waddinxveen.
Op 20 april 2016 heeft de gemeenteraad het groenstructuur en groenbeleidsplan vastgesteld. In het groenstructuur en groenbeleidsplan zijn kaders vastgelegd voor de inrichting en het beheer van het gemeentelijke openbare groen binnen de bebouwde omgeving. Waddinxveen is een groene gemeente aan de rand van het Groene Hart. De prioriteit ligt in het behoud en versterken van het groen in de hoofdgroenstructuur. In het groenstructuurplan en het groenbeleidsplan worden de hoofd- en wijkstructuren van het gemeentelijk groen vastgelegd. In de hoofdgroenstructuur staat behoud en versterken van het groen voorop en is weinig mogelijk. Voor de wijkgroenstructuur geldt een milder beschermingsregime. Voor het overige groen in de directe woon- en werkomgeving is meer mogelijk.
PLANGEBIED
Het plangebied is niet aangewezen als hoofdgroenstructuur en/of wijkgroenstructuur, zie figuur 9. Bij de ontwikkeling van de woningen wordt rekening gehouden met de ambities gesteld in het groenstructuurplan en groenbeleid. Groen wordt gecomponseerd.
Figuur 9 Uitsnede Hoofd- en wijkgroenstructuurkaart plangebied (zwart omlijnd)
Gelet op voorgaande afwegingen kan worden geconcludeerd dat het bestemmingsplan 'Jan Dorrekenskade-Oost 73 en Zuidkade 28-31' in overeenstemming is met het rijks-, provinciaal-, regionaal-, en gemeentelijk beleid.
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening is voor dit ruimtelijke plan een watertoetsproces doorlopen. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de gemeente en waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. Het watertoetsproces voor het bestemmingsplan Jan Dorrekenskade-Oost 73 en Zuidkade 28-31 is op 9 december 2016 digitaal doorlopen via www.dewatertoets.nl, zie Bijlage 1 bij de toelichting.
Nationaal waterbeleid
Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Dit plan vervangt het Nationaal Waterplan 2009-2015 inclusief alle tussentijdse wijzigingen. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit Nationaal Waterplan richt zich op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.
In het Nationaal Waterplan is de meerlaagsveiligheid of veiligheidsketen geintroduceerd. Dit houdt in dat de waterveiligheid op drie manieren moet worden geborgd, te weten:
Het voorkomen van overstromingen richt zich op de waterkeringen. De waterkeringen op orde te brengen en te houden het primaire doel. Het is de taak van het hoogheemraadschap om de waterkeringen veilig en robuust te houden. Daarbij constant zoekend naar de balans tussen de belangen en wensen van omgeving en wat het beheer en veiligheidsvraagstuk vereist van een waterkering. Ook gericht op klimatologische ontwikkelingen in de komende decennia.
Provinciaal waterbeleid
Het waterbeleid is opgenomen in de volgende beleidsdocumenten:
Het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 is op 11 november 2009 vastgesteld door Provinciale Staten. In het waterplan is de provinciale sturingsvisie voor de periode tot 2015 aangegeven. De provinciale rol in het waterveld spitst zich met name toe op kaderstelling en toezicht. Voor de provincie Zuid-Holland zijn vier kernopgaven geformuleerd, waar het provinciaal waterbeleid zich met name op richt. De vier kernopgaven zijn in het waterplan vervolgens verder uitgewerkt in diverse beleidsthema's. De vier kernopgaven zijn:
Gemeentelijk waterbeleid
De gemeenten Waddinxveen en Boskoop hebben, in samenwerking met het Hoogheemraadschap van Rijnland en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, in 2010 een gezamenlijk waterplan opgesteld. Voor de gemeenten is het zorgvuldig omgaan met water van groot belang, onder andere vanwege de ligging in het waterrijke landschap van de veenpolders. Het waterplan bevat een gezamenlijke visie en een maatregelenplan. De beoogde resultaten van de visie zijn ‘droge voeten’, schoon water en een aantrekkelijker Waddinxveen en Boskoop.
De gemeente heeft voor planontwikkeling de volgende randvoorwaarden geformuleerd:
Het plangebied is gelegen aan de kade van de Gouwe. De Gouwe heeft een belangrijke functie voor de waterhuishouding van de veen- en kleipolders in de gemeente Waddinxveen. Daarnaast ligt in het plangebied een waterkering die is opgenomen op de legger van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Hierna wordt ingegaan op de wijze waarop in voorliggend bestemmingsplan met het aspect water is omgegaan.
Waterkering
Planologisch moeten de waterkeringen worden beschermd tegen ongewenste ontwikkelingen door de waterkeringen met een aparte dubbelbestemming te borgen. Concreet betekent dit dat op de verbeelding de beschermingszone wordt bestemd als 'Waterstaat - Waterkering'. In de voorwaarden behorende bij deze dubbelbestemming geldt de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' als primaire bestemming. Daarnaast moet bij bouwplannen binnen deze (dubbel)bestemming de waterkeringbeheerder worden geraadpleegd. Het waterschap zal worden geraadpleegd in het kader van deze bestemmingsplanprocedure. Het verplicht opnemen van de waterkering in het bestemmingsplan is juridisch geregeld in de Provinciale Verordening Ruimte (2010).
Waterkwantiteit/ waterkwaliteit
Het uitgangspunt voor het watersysteem is het faciliteren van de ruimtelijke functies en belangen in het gebied. Over het algemeen functioneert het watersysteem het best met grote, robuuste eenheden. Het streven is daarbij om bij ontwikkelingen zo groot mogelijke aaneengesloten peilgebieden te creëeren en te behouden en lokale afwijkende peilen zoveel mogelijk op te heffen. Het plan voorziet in de realisatie van vijf woningen in een reeds bestaande woonwijk.
Waterafvoer
In de overeenkomst die is gesloten tussen de ontwikkelaar en de gemeente is vastgelegd dat een gescheiden riolerings- en drainagestelsel wordt aangebracht in het plangebied. De materiaalkeurze bji hemelwaterafvoeren is van belang. Uitloogbare materialen zijn niet wenselijk.
CONCLUSIE
Het aspect 'Water' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2019 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.
Op 16 november 2012 heeft de gemeente Waddinxveen de gemeentelijke Nota Archeologiebeleid vastgesteld. Aan de hand van dit beleid is per gebied bepaald of en wanneer archeologisch (voor)onderzoek verplicht is. Op de Waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Waddinxveen heeft het plangebied een 'hoge verwachtingsverwaarde'. De verwachtingswaarde van het gebied is voorzien van een beleidsadvies. Voor de gronden geldt in principe behoud in situ of onderzoek bij plangebieden:
Figuur 11 geeft de aanwezige archeologische verwachtingswaarde voor het plangebied weer (binnen rode lijnen).
Figuur 11 Kaart Archeologische verwachtingswaarden
PLANGEBIED
Het plangebied is door middel van dubbelbestemmingen overgenomen in het bestemmingsplan, waarbij regels gelden om het bodemarchief te beschermen. De gronden in het plangebied hebben de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3'.
In januari 2007 is door RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd, bestaande uit een bureau- en inventariserend veldonderzoek, zie Bijlage 2. Uit de onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat geen archeologisch vervolgonderzoek hoeft te worden uitgevoerd, indien de bodemingrepen niet dieper gaan dan 0,8 m -Mv.
In januari 2017 is door bureau Archeomedia een een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek, in de vorm van een verkennend booronderzoek in het noordelijke deel van het plangebied, uitgevoerd, zie Bijlage 3. Dit onderzoek bevestigt de aanname dat archeologische waarden aanwezig kunnen zijn. Om eventuele aantasting van waarden te voorkomen, worden de volgende aanbevelingen gedaan:
In Waddinxveen is een aantal rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten aanwezig. Cultuurhistorische waarden kunnen sterk bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied en geven een gebied, plek of object identiteit. In en nabij het plangebied zijn geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten gelegen.
Het bouwplan kan worden gerealiseerd rekening houdend met de hierboven genoemde beperkte ontgravingsdiepte. Hiermee is er geen belemmering voor vaststelling van het bestemmingsplan.
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet.
Soortenbescherming
Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen:
Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb.
Gebiedsbescherming
Voor onderhavig plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wet ruimtelijke ordening, de Wnb en de provinciale structuurvisie en verordening.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voormalig EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN.
Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wnb. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort.
AFWEGING
Om de uitvoerbaarheid van onderhavig project te toetsen, is door Otte Groen Adviesbureau een flora en fauna quickscan in het plangebied uitgevoerd, zie Bijlage 4. Het rapport beschrijft de resultaten van een zogenaamde quickscan van beschermde natuurwaarden in en rond het plangebied. Op basis van de onderzoeksresultaten zijn uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkelingen en eventuele vervolgstappen.
Beschermde gebieden
De afstand van het plangebied tot Natuurnetwerk Nederland is dermate groot in verhouding tot de schaal van de ingreep dat een negatief effect op voorhand is uit te sluiten. Binnen de straal van 3 km van de planlocatie zijn geen Natura 2000 gebieden aanwezig. Negatieve effecten zijn dan ook op voorhand uit te sluiten. De werkzaamheden vinden plaats in Nationaal Landschap Groene Hart. De kernkwaliteiten van het Nationale Landschap worden door het lokale bestuur van Waddinxveen gewaarborgd.
Beschermde soorten
Tijdens het veldonderzoek zijn geen beschermde of bedreigde plantensoorten of resten hiervan aangetroffen. Het voorkomen van strikter beschermde plantensoorten is derhalve uit te sluiten.
Het plangebied is geschikt voor diersoorten zoals de egel en het konijn. Dit zijn nationaal beschermde soorten in de Wet Natuurbescherming. De provincie Zuid-Holland heeft vrijstelling gegeven voor deze soorten, in het kader van de ruimtelijke inrichting.
Daarnaast is aandacht besteed aan de vleermuis. Het gebouw aan Zuidkade 32 (aangrenzend aan de planlocatie) is door openingen in de spouwmuur geschikt voor vleermuizen. De nieuwbouw wordt niet geschakeld aan het bovengenoemde pand. Het is van belang dat in- en uitvliegopeningen in gebouwen beschikbaar blijven voor vleermuizen. Hoogstwaarschijnlijk wordt op het terrein gefoerageerd door vleermuizen. De omliggende bebouwing kan een schakel zijn in vliegroutes. Het plan heeft op dergelijke functies nauwelijk tot geen invloed. Met de ruimtelijke ontwikkelingen worden geen effecten verwacht op vleermuizen die foerageren en/of een vliegroute hebben.
De planlocatie is ten tijde van het onderzoek niet geschikt als potentiële voortplanting- en verblijfplaats voor de Europees beschermde soort rugstreeppad. De planlocatie is ook niet geschikt als nest- en/of verblijfplaats van de huismus. Mogelijk gebruikt de huismus de locatie om te foerageren of een stofbad te nemen. In de directe omgeving zijn hiervoor voldoende alternatieven. Het verdwijnen van deze mogelijk aanwezige functies heeft geen wezenlijke invloed op het leefgebied van de huismus.
Maatregelen
CONCLUSIE
Met inachtneming van bovenstaande maatregelen kan worden geconcludeerd dat het aspect ecologie geen belemmering oplevert voor onderhavig bestemmingsplan. De flora en fauna quickscan is voldoende.
In het kader van de Wet geluidhinder is bij de vaststelling of wijziging van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek vereist naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen vanwege industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai. Dit geldt alleen voor (geplande) geluidsgevoelige bestemmingen die binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein liggen.
PLANGEBIED
Op 16 januari 2017 is door Antea Group een akoestisch onderzoek uitgevoerd in het kader van de bouw van de woningen aan de Zuidkade te Waddinxveen, zie Bijlage 5. In het akoestisch onderzoek is onderzocht of aan de geluidgrenswaarden kan worden voldaan en of er eventuele geluidbeperkende maatregelen nodig zijn. Uit het onderzoek kan worden geconcludeerd dat het nieuwbouwplan in de geluidzone van de Henegouwerweg is gelegen. De geluidbelasting ten gevolge van de Henegouwerweg bedraagt ten hoogste 55 dB inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB op grond van artikel 82 Wgh, wordt op alle nieuwe woningen overschreden. De ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 63 dB wordt niet overschreden. Bronmaatregelen (het vervangen van een wegdekverharding door geluidreducerend wegdek) en overdrachtsmaatregelen (plaatsen van geluidschermen of -wallen) zijn in deze situatie niet doelmatig. Het college dient op grond van artikel 110a, eerste lid Wgh, de hogere waarden ten gevolge van het wegverkeerslawaai vast te stellen. De hogere waarden zijn opgenomen in onderstaande tabel:
| Adres | Veroorzakende geluidbron | Hogere waarde (dB) |
| Zuidkade woning I | Henegouwerweg | 55 |
| Zuidkade woning II | Henegouwerweg | 55 |
| Zuidkade woning III | Henegouwerweg | 55 |
| Zuidkade woning IV | Henegouwerweg | 55 |
| Zuidkade woning V | Henegouwerweg | 54 |
CONCLUSIE
De geluidbelasting ter plaatse van de woningen overschrijdt de voorkeursgrenswaarde. Ten behoeve van de ontwikkeling dient door de gemeente een Besluit hogere waarden te worden genomen.
Op basis van de Woningwet en het Bouwbesluit mag niet worden gebouwd op verontreinigde grond. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning moet vaak een bodemonderzoek worden geleverd. Dit is een verplichting uit de Woningwet om de gezondheid en veiligheid te garanderen van mensen die wonen, werken of verblijven in het gebouw waarvoor vergunning wordt aangevraagd.
Een bodemonderzoek is noodzakelijk wanneer:
PLANGEBIED
Voorliggend plan maakt de realisering van vijf woningen mogelijk aan de Zuidkade in Waddinxveen. Op 22 april 2016 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het hoek perceel gelegen aan de Jan Dorrekenskade-Oost en de Zuidkade, zie Bijlage 6. Het onderzoek is uitgevoerd volgens NEN-5740. Op de locatie hebben zich geen bodembedreigende activiteiten plaats gevonden. Aangrenzend aan de locatie (zuidzijde) bevindt een geval van ernstige bodemverontreiniging met zware metalen. Tijdens het veldwerk zijn zintuiglijk in de bodem sterk puinhoudende lagen aangetoond. Enkele boringen zijn gestaakt op puin in de ondergrond. Tevens bevat het puin een geringe bijmenging van koolas. Uit de chemische analyse blijkt dat in de bovengrond een matige verontreiniging met lood en lichte verontreinigingen met kobalt, koper, kwik, nikkel, zink, PCB, PAK en minerale olie aanwezig zijn. De ondergrond is sterk verontreinigd met lood, matig verontreinigd met zink en licht verontreinigd met kobalt, koper, kwik, PCB en PAK. In het grondwater is een lichte verontreiniging met barium geconstateerd. Na uitsplitsing van het mengmonster blijkt dat de ondergrond sterk is verontreinigd met lood en zink. De verontreinigingen worden gerelateerd aan de bijmengingen met puin. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Ten behoeve van de herinrichting is een saneringsplan opgesteld dat ter goedkeuring is voorgelegd aan het bevoegd gezag. De provincie Zuid-Holland heeft reeds ingestemd met het saneringsplan.
In aanvulling op het bodemonderzoek zijn een verkennend en nader asbestonderzoek uitgevoerd op het gehele plangebied (zie Bijlage 7 en Bijlage 8. Op basis van het nader onderzoek (veldwaarnemingen en analyseresultaten) wordt geconcludeerd dat op het onderzoeksterrein plaatselijk sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest. De omvang van deze verontreiniging is op basis van veldwaarnemingen en analyseresultaten begrensd en de omvang wordt geschat op ongeveer 40 m³. De asbestverontreiniging is met name te wijten aan het aangetroffen plaatmateriaal en in mindere mate aan asbest in de fijne fractie. De asbestverontreiniging bevindt zich in de puinhoudende ophooglaag op het noordwestelijke gedeelte van het terrein. In het eerder uitgevoerde verkennend bodemonderzoek is aangetoond dat deze ophooglaag heterogeen tot sterk verontreiniging is met, met name lood en plaatselijk zink. Op het terrein is derhalve sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met zware metalen en plaatselijk asbest. Ten behoeve van de voorgenomen herinrichting is het derhalve nodig om sanerende maatregelen te treffen. Deze maatregelen zullen kostenverhogend werken bij de herontwikkeling. Aanbevolen wordt om de sanerende werkzaamheden af te stemmen op de voorgenomen herinrichting.Tevens dient rekening te worden gehouden met het treffen van veiligheidsmaatregelen in relatie tot het werken in verontreinigde grond. Indien de bij de werkzaamheden asbestverdachte materialen worden aangetroffen, wordt aanbevolen om deze middels handpicking van het terrein te verwijderen en op geëigende wijze af te voeren.
Voorts zijn ten aanzien van de adressen Zuidkade 28 tot en met 31 de volgende onderzoeken uitgevoerd:
Op basis van bovenstaande onderzoeken is in 2005 een besluit in kader van de Wet bodembescherming (Wbb) genomen. Op de locatie ter plaatse van Zuidkade 28 t/m 31 locatie is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met zware metalen. De sanering van de bodemverontreiniging is niet urgent. De bodemverontreiniging is bekend onder Wbb-code ZH062709011. Tevens is ingestemd met het saneringsplan.
CONCLUSIE
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor vaststelling van het bestemmingsplan en de realisering van het bouwplan, met dien verstande dat voorafgaand aan de bouw van de woningen de bodem gesaneerd dient te worden. Hiertoe kunnen in de omgevingsvergunning voor het bouwen voorwaarden worden opgenomen.
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing).
Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden.
Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3, NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.
Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit, heeft VROM, in samenwerking met InfoMil, de nibm-tool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging.
Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald (zie figuur 12). Hierbij is uitgegaan van vijf woningen met in totaal 35 extra voertuigbewegingen. Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3) niet overschrijdt. Het project wordt dan beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven.
Figuur 12 Rekentool luchtkwaliteit
Hoewel geconstateerd is dat het project een zogenaamd nibm-project betreft, dient ook te worden bezien of de luchtkwaliteit in het plangebied niet zodanig is dat de normen voor een goed woonklimaat worden overschreden.
Daartoe is gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland 2016. Het RIVM produceert deze kaarten jaarlijks. De kaarten geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en betreffen zowel recente als toekomstige jaren. Per kilometervak worden de concentraties voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen weergegeven waarvoor Europese regelgeving bestaat. De kaarten op deze website hebben een juridisch-formele status.
De wettelijke grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) zijn opgenomen in de navolgende tabel.
Getoetst dient te worden aan de norm voor NO2 per 1 januari 2015. Vanaf die datum moet blijvend aan de norm van NO2 worden voldaan. Per 21 juni 2011 moet reeds aan de grenswaarden voor fijn stof (PM10)worden voldaan. Vanaf 1 januari 2015 dient te worden voldaan aan de norm voor zeer fijn stof (PM2,5).
Uit de Grootschalige Concentratiekaarten blijkt dat in het plangebied de volgende achtergrondniveaus zijn gemeten en worden verwacht voor NO2 en PM10 en PM2,5.
| Stof | 2016 | 2020 | 2030 |
| PM10 | 18,35 µg/m3 | 17,83 µg/m3 | 19,95 µg/m3 |
| PM2,5 | 11,15 µg/m3 | 11,58 µg/m3 | 9,5 µg/m3 |
| NO2 | 22,35 µg/m3 | 19,48 µg/m3 | 13,7 µg/m3 |
Uit de gemeten en berekende achtergrondniveaus blijkt dat deze ruim onder de wettelijke normen blijven. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven.
CONCLUSIE
De bouw van vijf woningen kan worden gezien worden als een 'nibm' project. Daarnaast blijkt uit de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland dat de normen voor een goed woon- en leefklimaat niet worden overschreden in het plangebied. Nader onderzoek op het gebied van luchtkwaliteit is daarom ook niet nodig.
Inrichtingen met gevaarlijke stoffennacce
Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het in oktober 2004 in werking getreden Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (REVI).
Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het wettelijke kader vastgelegd in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en de onderliggende regelgeving. De wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt volgens verwachting medio 2012 herzien.
Het beleid voor ondergrondse buisleidingen is vastgelegd in het op 1 januari 2011 in werking getreden Besluit Externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:
Transport gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Op 1-1-2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden met de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Dit besluit omvat de nieuwe regelgeving op het gebied van buisleidingen, waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
In plaats van de bebouwings- en toetsingsafstanden waar in de oude circulaires van werd uitgegaan, dienen nu de belemmeringenstrook (4 of 5 m), de plaatsgebonden risicocontour (10-6) en het invloedsgebied van het groepsrisico (1%-letaliteitsgrens) in acht te worden gehouden bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Risicokaart
In figuur 13 is de digitale Risicokaart voor het plangebied en omgeving opgenomen.
Figuur 13 Uitsnede Risicokaart (plangebied: groene omlijning), bron: www.risicokaart.nl
De volgende risicobron ligt in de nabijheid van het plangebied:
Transport van gevaarlijke stoffen
Het plangebied ligt circa 60 meter ten westen van provinciale weg N207. In 2008 zijn in opdracht van de toenmalige Milieudienst Midden-Holland tellingen verricht en op basis hiervan berekeningen uitgevoerd voor de N207. Uit dit rapport is gebleken dat er voor de N207 geen PR 10-6 contour ontstaat buiten de weg. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het plangebied. Ten aanzien van het groepsrisico voor de N207 geldt dat deze ter hoogte van het plangebied kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Het noordelijk deel van het plangebied was bestemd als 'Maatschappelijk'. Functieverandering naar wonen leidt niet tot een toename van het aantal personen dat aanwezig zal zijn in het plangebied. Het groepsrisico neemt niet toe. Op advies van Veiligheidsregio Midden Nederland zullen ventilatiemogelijkheden in de woningen eenvoudig afschakelbaar zijn. Hierdoor worden schadelijke rookgassen en toxische stoffen tijdens het schuilen binnen de woning bij een incident met gevaarlijke stoffen op de N207 langer buiten de woning gehouden.
CONCLUSIE
Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied. Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het bestemmingsplan.
Milieuzonering heeft twee doelen:
Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden, wordt veelal de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is.
PLANGEBIED
Het plangebied kan worden aangemerkt als 'rustige woonwijk'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen haast geen andere functies in het gebied voor. Gelet op de ligging van het plangebied in een woonwijk met vrijwel geen voorzieningen kan het plangebied worden aangemerkt als 'rustige woonwijk'. De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk. In de directe omgeving van het plangebied (Jan Dorrekenskade-Oost 71) was tot voor kort een doe-het-zelfzaak aanwezig. Momenteel is het pand niet in gebruik. Op grond van het bestemmingsplan kan zich hier nieuwe detailhandel vestigen. De afstand tussen het bouwvlak van de woningen tot de perceelsgrens van de winkel is circa 4 meter. Detailhandel (en reparatie t.b.v. particulieren) behoort tot milieucategorie 1. Hiervoor geldt een indicatieve richtafstand van 10 meter. Maatgevend voor de richtafstand is het aspect geluid. Aan deze afstand wordt niet voldaan. In geval van een kortere afstand dient te worden afgewogen of sprake is van een goed woon - en leefklimaat voor de woningen en anderzijds of het aanwezige bedrijf niet wordt belemmerd in haar bedrijfsvoering.
Vraag is vervolgens in hoeverre sprake kan zijn van geluidhinder ten gevolge van de detailhandel. Geluid bij detailhandelsvestiging wordt doorgaans veroorzaakt door enerzijds (koel)installaties op het dak en anderzijds laden en lossen. Ten aanzien van laden en lossen geldt dat dit ofwel aan de voorzijde ofwel aan de noordzijde van het gebouw plaats zal vinden. Wanneer zich nieuwe detailhandel vestigt in het pand, dan zal voldaan moeten worden aan de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit. Hierbij dient ook rekening gehouden te worden met de bestaande, woningen aan de Jan Dorrekenskade-Oost 65, 67 en 69. Aangezien deze dichterbij de detailhandel en met name ook dichterbij de locatie van laden en lossen liggen dan de nieuwe woningen, zal ook voor de nieuwe woningen voldaan kunnen worden aan het Activiteitenbesluit, zonder dat hiervoor aanvullende maatregelen genomen dienen te worden.
Het feit dat niet aan de richtafstand wordt voldaan vormt geen belemmering voor de bedrijfsactiviteiten en leidt niet een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat vanuit milieuhygiënisch oogpunt.
CONCLUSIE
Geconcludeerd kan worden dat de realisatie van de woningen niet leidt tot een beperking in de bedrijfsactiviteiten van de winkel aan Jan Dorrekenskade-Oost 71. Daarnaast is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden ligt, moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Daarbij dient te worden nagegaan of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten
Figuur 10 Uitsnede Bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage Onderdeel D. Activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan de procedure als bedoeld in de artikelen 7.16 tot en met 7.20 van de wet van toepassing is
Voorliggend bestemmingplan maakt de realisatie van vijf woningen mogelijk. Deze ontwikkeling valt onder categorie D11.2 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) van het Besluit m.e.r. Het woningbouwproject is kleinschalig en ligt beneden de drempelwaarden van kolom 2. Er is geen sprake van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (85/337/EEG), zoals blijkt uit de voorgaande paragrafen.
Het bestemmingsplan ‘Jan Dorrekenskade-Oost 73 en Zuidkade 28-31’ bestaat uit drie delen: een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting bevat een motivatie en verantwoording van de keuzes die in het bestemmingsplan zijn gemaakt. Daarnaast zijn in de toelichting onder andere het vigerende beleid en diverse milieuaspecten beschreven.
Voorliggend bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bouw en het gebruik van vijf woningen. Daarbij zijn de (bouw)mogelijkheden uit de vigerende bestemmingsplannen zoveel mogelijk gerespecteerd. Het plan sluit aan bij de vormvereisten van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012).
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen. Op de verbeelding is tevens een gebiedsaanduiding opgenomen met het oog op het aanwijzen van een gebied waarop een specifieke regeling in de regels van toepassing is. Deze aanduiding krijgen in de regels een juridische betekenis.
Het digitale plan Jan Dorrekenskade-Oost 73 en Zuidkade 28-31 is de verzameling geometrisch bepaalde planobjecten dat is vervat in een GML-bestand (GML-bestand NL.IMRO.0627.BPzdk28tot31jdk73-0401) met bijbehorende regels. Dit bestemmingsplan is via elektronische weg uitwisselbaar en raadpleegbaar. Het geeft de bestemming en de bebouwingsmogelijkheden van de gronden aan.
De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels zijn, overeenkomstig de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken:
De toelichting van een bestemmingsplan heeft geen bindende werking en maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan. De toelichting heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.
Het bestemmingsplan voorziet in een aantal regels. Hieronder volgt een korte toelichting op deze regels.
Bestemming 'Wonen'
De gronden met de bestemming ‘Wonen’ zijn bestemd voor wonen. Bij de woonfunctie zijn aan huis- verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten onder voorwaarden toegestaan. In de specifieke gebruiksregels zijn voorwaarden opgenomen voor de aan-huis-verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten.
De bestemming 'Wonen' regelt niet het type woning (aaneengebouwd, half-vrijstaand of vrijstaand). Op de verbeelding is binnen de bestemming 'Wonen' een bouwvlak aangegeven. Woningen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Op de verbeelding zijn de maximale goot- en bouwhoogte aangegeven door middel van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)'.
Buiten het bouwvlak zijn bijbehorende bouwwerken (aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) toegestaan. Hierbij geldt dat de gronden buiten het bouwvlak voor maximaal 50% mogen worden bebouwd, tot een maximum van 50 m2. In de regels zijn nadere voorwaarden gegeven voor de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Op grond van artikel 3.1.2, onder 2, sub a Bro kan een bestemmingsplan regels bevatten waarvan de uitleg, bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid, afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. Hiertoe is in de specifieke gebruiksregels bij de bestemming 'Wonen' een voorwaardelijke verplichting voor parkeerplaatsen opgenomen, waarbij de vraag hoe wordt bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid wordt beantwoord in het Parkeerbeleidsplan van de gemeente Waddinxveen.
Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3'
Voor archeologisch waardevolle gebieden zijn in het bestemmingsplan dubbelbestemmingen opgenomen: 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3'. Deze bestemmingen komen voort uit het bestemmingsplan 'Bebouwde Kom 2014'. Er zijn twee verschillende archeologische waarden in het plangebied. Deze hebben ieder hun eigen waarde. Per bestemming is aangegeven in welk geval er archeologisch onderzoek moet plaatsvinden voorafgaand aan een ontwikkeling. Voor de specifieke ontwikkeling die nu mogelijk wordt gemaakt, is archeologisch onderzoek uitgevoerd, zie paragraaf 6.1.2.
Dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'
In het belang van de aanwezige waterkering, met bijbehorende beschermingszone in het plangebied is er een beschermingszone opgenomen. Deze strook is mede bepalend voor het waterkerend vermogen en de stabiliteit van de waterkering. De betreffende gronden zijn aangewezen voor waterkeringsdoeleinden. Deze gronden zijn als zodanig bestemd in combinatie met andere aan deze gronden gegeven bestemmingen.
Gelet op het bepaalde in artikel 3.1 Wro moet in het kader van een bestemmingsplan onder andere inzicht worden verschaft in de economische uitvoerbaarheid van het plan. In verband daarmee is eerst onderzocht of voor het onderhavige bestemmingsplan op grond van artikel 6.12, eerste lid Wro de verplichting bestaat om één of meer exploitatieplannen vast te stellen.
Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De kosten die gepaard gaan met de bijbehorende uitvoeringskosten zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het opstellen van dit bestemmingsplan en de bijbehorende ruimtelijk-juridische procedure zijn voor rekening van de initiatiefnemer.
De initiatiefnemer en de gemeente Waddinxveen gaan een anterieure overeenkomst aan waarin het verplichte kostenverhaal wordt geregeld. Degene die meent schade te lijden door het vaststellen van het bestemmingsplan, kan een verzoek indienen om een tegemoetkoming van de schade (Artikel 6.1 Wro). Eventuele kosten voortkomend uit de planschade zijn in eerdergenoemde overeenkomst meegenomen.
Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Vanaf 18 mei tot en met 28 juni 2017 heeft het voorontwerp bestemmingsplan 'Jan Dorrekenskade-Oost 73 en Zuidkade 28-31' voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Het voorontwerp bestemmingsplan is naar de volgende overleginstanties verzonden:
In de Nota van beantwoording vooroverleg en inspraakreacties is de beantwoording op de vooroverleg- en inspraakreacties samengevat.
Het ontwerp bestemmingsplan heeft gedurende zes weken voor eenieder ter inzage gelegen. Er zijn binnen deze termijn geen zienswijzen ingediend. Wel is gebleken dat de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering niet correct was opgenomen op de verbeelding. Dit is in de verbeelding van het vastgestelde plan gecorrigeerd. Dit betreft een ambtelijke wijziging.