| Plan: | Jan Dorrekenskade - Oost 65-71a |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0627.BPjdkoost65tot71-0401 |
Het voorliggende plan heeft betrekking op de realisatie van negen woningen ter plaatse van de Jan Dorrekenskade-Oost, 65, 67, 69, 71 en 71a. Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van Waddinxveen. De bestaande bebouwing bestaat uit drie woningen en een leegstaande winkel. Deze bebouwing blijft deels behouden en zal worden getransformeerd. Een deel wordt gesloopt. De realisatie van de negen woningen is op grond van het geldende bestemmingsplan niet mogelijk. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een bestemmingsplanwijziging nodig. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
Het plangebied is gelegen in het woongebied in de kern van Waddinxveen. Het plangebied ligt ten westen van het kanaal de Gouwe. De Gouwe is een belangrijke transportader en tevens staande mastroute. Aan de overzijde van de Gouwe ligt de provinciale weg N207. Onderstaande figuur geeft de ligging van het plangebied weer.
Ligging plangebied. (Plangebied rood omlijnd)
Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Bebouwde Kom 2015'. In dit bestemmingsplan zijn de gronden voorzien van de bestemmingen 'Wonen' en 'Detailhandel'. Binnen de woonbestemming zijn twee bouwvlakken opgenomen. Het aantal woningen mag niet meer bedragen dan het bestaande aantal, in het onderhavige geval drie woningen.
De voorgenomen ontwikkeling van negen woningen is op grond van het vigerende plan derhalve niet mogelijk.
Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan weergegeven.
Uitsnede bestemmingsplan (Plangebied rood omlijnd)
Hoofdstuk 2 gaat in op de bestaande situatie en hoofdstuk 3 geeft een planbeschrijving van de toekomstige situatie. In hoofdstuk 4 zijn de beleidsuitgangspunten van het rijk, de provincie Zuid-Holland, de regio en gemeente Waddinxveen weergegeven. De waterparagraaf is opgenomen in hoofdstuk 5. De milieu- en omgevingsaspecten waaraan het initiatief getoetst dient te worden komen in hoofdstuk 6 aan bod. Hoofdstuk 7 bevat de juridische toelichting. Ten slotte wordt in hoofdstuk 8 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan beschreven.
Het plangebied ligt aan de rand van de woonbuurt Oostpolderwijk. Het plangebied is direct gelegen aan de Jan Dorrekenskade -Oost en de Alpherwetering. De Zuidkade is nabij gelegen aan de oostzijde van het plangebied. De omgeving wordt gekenmerkt door zowel historische als recente bebouwing. De bestaande bebouwing binnen het plangebied betreft drie woningen en een leegstaande winkel/magazijn/werkplaats. Onderstaande afbeelding geeft een impressie van de bestaande situatie.
Dit bestemmingsplan voorziet in de functieverandering van detailhandel naar wonen, waardoor de locatie beter aansluiting vindt bij de omgeving. De separaat liggende detailhandel wordt verwijderd. Er worden 9 grondgebonden woningen gerealiseerd door middel van transformatie van de bestaande bebouwing. Een deel van de bebouwing wordt gesloopt. De woningen hebben 2 bouwlagen en een plat dak. De voorgevels van de woningen zijn geörienteerd naar de Jan Dorrekenskade-Oost en de Alpherwetering. Aan de achterzijde van de woningen zijn tuinen en parkeerplaatsen voorzien.
De woningen vallen in het midden prijsklasse segment waarmee tevens aansluiting wordt gevonden met de nabije omgeving. De woningen worden gasloos gebouwd en uitgerust met warmtepomp en zonnepanelen.
In onderstaande figuur is het bouwplan globaal weergegeven.
De verkeersontsluiting vindt hoofdzakelijk plaats via de Jan Dorrekenskade-Oost. Via de Jan Dorrekenskade-Oost is de Kanaaldijk bereikbaar, die fungeert als gebiedsontsluitingsweg van de wijk.
Ieder bouwplan dient te voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen erf. De vraag hoe wordt bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid wordt beantwoord in het parkeerbeleid van de gemeente Waddinxveen. De gemeente Waddinxveen hanteert de CROW publicatie 317 als uitgangspunt voor de parkeernormen, zie ook paragraaf 4.4.4. Dit is tevens vastgelegd in het bestemmingsplan Parapluplan Archeologie en Parkeren, zoals vastgesteld op 19 september 2018.
Op deze wijze wordt ten aanzien van de hiervoor genoemde punten een duidelijk houvast geboden voor het beoordelen van aanvragen van een omgevingsvergunning. Er wordt uitgegaan van het midden van de bandbreedte zoals in de CROW is genoemd.
In de huidige situatie is sprake van de volgende parkeerbehoefte:
| CROW 317 (2012) | ||
| Programma | Parkeerkengetal (rest bebouwde kom) | Totaal |
| 2 woningen koop, tussen/hoek (matig stedelijk) | min 1,5 / max 2.3 (midden = 1,9) | 3,8 |
| Detailhandel (bouwmarkt) 716 m2 bvo | min 2,1/ max 2,6 (midden = 2,35) per 100 m2 bvo | 16,8 |
| Totaal aantal parkeerplaatsen | 20,6 | |
Uitgaande van het maatgevende moment (zatermiddag) is de parkeervraag:
Woningen: (60% van 3,8) 2,28
Detailhandel: (100% van 16,8) 16,8
Totale parkeerbehoefte maatgevend moment: 19 parkeerplaatsen die volledig in de openbare ruimte wordt opgelost (geen parkeerplaatsen aanwezig op eigen perceel)
In de nieuwe situatie is sprake van de volgende parkeerbehoefte:
| CROW 317 (2012) | ||
| Programma | Parkeerkengetal (rest bebouwde kom) | Totaal |
| 9 woningen koop, tussen/hoek (matig stedelijk) | min 1,5 / max 2.3 (midden = 1,9) | 17,1 |
| Totaal aantal parkeerplaatsen | 17,1 | |
Uitgaande van het maatgevende moment ('s nachts) is de parkeervraag:
Woningen: (100% van 17,1) 17,1
Totale parkeerbehoefte maatgevend moment: 17 parkeerplaatsen
Met de voorgenomen ontwikkeling waarbij de functie van detailhandel wijzigt naar wonen, vervalt er parkeerdruk. Het totaal aantal benodigde parkeerplaatsen neemt in beperkte mate af. De parkeerbehoefte bij de maatgevende momenten in de huidige en nieuwe situatie is vergelijkbaar.
Daarnaast wijst een parkeerdrukmeting uit 2014 uit dat zeven van de twintig parkeerplaatsen vrij waren in het deel van de Jan Dorrekenskade-Oost tussen de Zuidkade en de Raadhuisstraat. De meting wijst ook uit dat er in de Raadhuisstraat, wat voor een groot deel binnen de honderd meter van de planlocatie ligt, voldoende ruimte is.
Er wordt in de nieuwe situatie voorzien in negen parkeerplaatsen op eigen terrein en de overige acht parkeerplaatsen worden opgenomen in het openbaar gebied in de directe omgeving van het plangebied. Met de ruimte die ontstaat door de bestemmingswijziging, samen met de negen parkeerplaatsen die worden gerealiseerd op eigen terrein, wordt voldaan aan de parkeernorm.
Dit plan voorziet derhalve in voldoende parkeergelegenheid en is als zodanig juridisch geborgd in de planregels.
Op 13 maart 2012 heeft de Minister van Infrastratuctuur en Ruimte de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De structuurvisie bevat een concrete, bondige actualisatie van het mobiliteits- en ruimtelijke ordeningsbeleid. De structuurvisie heeft betrekking op:
Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt.
Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. Alleen in de stedelijke regio's rond de mainports (Amsterdam c.a. en Rotterdam c.a.) zal het Rijk afspraken maken met decentrale overheden over de programmering van verstedelijking. Overige sturing op verstedelijking zoals afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, Rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering laat het Rijk los.
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen neemt het Rijk enkel nog een 'ladder' voor duurzame verstedelijking op (gebaseerd op de 'SER-ladder'). Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. In paragraaf 4.1.3 wordt nader ingegaan op de Ladder.
Er komt uit de SVIR geen concrete actie of beperking voor dit bestemmingsplan voort.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de AMvB die het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid vormt voor bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden en zich primair richt tot de gemeente. Daarnaast kan het Barro aan de gemeente opdragen om in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.
Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau.
Op 30 december 2011 is de eerste tranche van het Barro in werking getreden. Deze eerste tranche van het Barro bevat een vertaling van het geldende planologische beleid dat bedoeld was om op lokaal niveau: in bestemmingsplannen, te worden verwerkt. De vastgestelde onderdelen van het Barro Ruimte hebben betrekking op onder meer het kustfundament, de grote rivieren en het Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR).
Op 1 oktober 2012 is de tweede tranche van het Barro in werking getreden. Deze tranche vormt een vertaling van nieuw ruimtelijk beleid van het Rijk, dat eerder is vastgelegd in o.a. de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de MIRT-agenda's.
Dit deel van het Barro bevat regels voor onder meer de ecologische hoofdstructuur, radarverstoringsgebieden, militaire terreinen, gebieden van uitzonderlijke universele waarde en reserveringsgebieden voor (nieuwe en uitbreiding van bestaande) hoofdwegen en spoorlijnen.
In het Barro zijn geen regels opgenomen die relevant zijn voor het voorliggend bestemmingsplan.
In artikel 3.1.6, tweede lid Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de ladder voor duurzame verstedelijking (duurzaamheidsladder) opgenomen. Op 1 juli 2017 is 'de Ladder' gewijzigd in werking getreden. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Het bevoegd gezag moet voldoen aan een motiveringsvereiste als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. In paragraaf 4.2.2 is deze onderbouwing opgenomen.
Op 20 februari 2019 is de Omgevingsvisie door de provincie Zuid-Holland vastgesteld. Deze visie geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer, energie, landschap en bodem en water.
Zuid-Holland staat voor de opgave om de komende jaren een fors aantal woningen te realiseren en om de woonvoorraad te verduurzamen. Opgaven die in Zuid-Holland om ingrijpende keuzes vragen. Daarvoor zijn sturende ruimtelijke concepten nodig. De uitdaging is om de stap te maken naar een gezonde, sociale en duurzame samenleving. De metropolitane ontwikkeling moet op die manier vorm krijgen. Om die vitale samenleving te realiseren is meer nodig dan woningbouw alleen. Het economisch potentieel kan beter benut worden door de steden met hun afzonderlijke kwaliteiten te verbinden tot één metropolitaan gebied. Het leef- en vestigingsklimaat daarin kan versterkt worden door stad en land goed te verbinden, door ruimte te bieden voor groen en water in de stad, door een evenwichtige woningvoorraad en passende werklocaties. De vitaliteit van de stad is ook gebaat bij cultuur, kenniscentra en aantrekkelijke
binnensteden.
Opgaven omgevingskwaliteit
Voor het realiseren van de maatschappelijke belangen werkt de provincie vanuit de zes vernieuwingsambities en vanuit opgaven in het gebied. Voor het realiseren van een goede omgevingskwaliteit werken we vanuit twaalf samenhangende opgaven van het omgevingsbeleid, die we van provinciaal belang achten. Ten aanzien van wonen heeft de provincie de opgaven 'Wonen' en 'Ruimte en verstedelijking' opgesteld. Onderstaande beleidskeuzes zijn relevant voor de voorgenomen ontwikkeling.
Verstedelijking en wonen
De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouw- corporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van het huurbeleid. Hierbij gaat de voorkeur uit naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied en georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer. De provincie is terughoudend over het toevoegen van nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stads- en dorpsgebied en vragen om de bodemdalingsgevoeligheid van een gebied expliciet mee te wegen. De provincie heeft de ambitie om alle woningen in Zuid-Holland in 2035 CO²-neutraal en vóór 2050 klimaatrobuust ingericht en ingepast te laten zijn. Nieuwe woningen dragen bij aan een aantrekkelijke woon- en leefomgeving in Zuid-Holland. Nieuwe woningen zijn energieneutraal of leveren energie en zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering (heftige regenbuien, perioden van droogte en hittestress) en bodemdaling. Gemeenten maken in samenspraak met de provincie regionale woonvisies en regionale woningbouwprogramma's waarin bovengenoemde doelstellingen zijn uitgewerkt.
Stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied
In lijn met de maatschappelijke behoefte zet de provincie in op het beter benutten van het bestaand stads en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in nationale wet- en regelgeving Toepassing is van provinciaal belang, daarom is in de verordening een verwijzing opgenomen naar de rijksladder. Uitgangspunt van de Ladder is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Het doel is een zorgvuldig gebruik van de ruimte. De provincie wil bevorderen dat de ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied. De gemeenten stemmen de geplande opgave met behulp van actuele regionale visies voor in ieder geval wonen en kantoren af met andere gemeenten in de regio. Het is aan gemeenten zelf om te bepalen of zij ook behoefte hebben aan regionale visies ter afstemming van het beleid met betrekking tot bedrijventerreinen en detailhandel, of aan regionale ruimtelijke visies. De provincie laat die keus aan hen. Gedeputeerde Staten kunnen echter voor een bepaalde regio aangeven dat het nodig is om een regionale visie voor bedrijventerreinen te maken.
Figuur: planlocatie en de kaart 'Stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads - en dorpsgebied'
Onderhavige ontwikkeling voorziet in realisatie van negen woningen in bestaande bebouwing, in een woonwijk in de kern van Waddinxveen. Het plan voorziet in de transformatie van bestaande bebouwing, waardoor de ontwikkeling stedenbouwkundig aansluit bij de bebouwing in het gebied. Het terrein is door de gemeente Waddinxveen reeds aangewezen als woongebied. Bij de realisatie van de woningen wordt voorzover mogelijk rekening gehouden met het behoud van voldoende groen. De ruimtevraag voldoet aan de wettelijke eisen die worden gesteld aan lucht, geluid, externe veiligheid en bodem, zie hiervoor hoofdstuk 6.
Ladder voor duurzame verstedelijking
De in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in de Omgevingsverordening, in artikel 6.10. Op grond van dit artikel dient een bestemmingsplan waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt te voldoen aan de volgende eisen:
In lid 2 is bepaald dat Gedeputeerde Staten bij de aanvaarding van een regionale visie kunnen aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening.
Ruimtelijke kwaliteit
Op grond van artikel 6.9, lid 1 van de Omgevingsverordening (Ruimtelijke kwaliteit) kan een bestemmingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:
Ladder voor duurzame verstedelijking
Bij binnenstedelijke ontwikkelingen in Waddinxveen komt het grootste deel van de kopers uit Waddinxveen zelf. De verwachting is dat dit ook in dit plan het geval is. Daarmee is het verzorgingsgebied lokaal. Op basis van de Regionale Agenda Wonen worden woningbouwplannen in de regio afgestemd. Dit plan maakt onderdeel uit van het Sleutelkwartier. Het Sleutelkwartier is regionaal afgestemd en daarmee past dit plan binnen de afspraken voor de realisatie van woningbouwprojecten.
Ruimtelijke kwaliteit
Onderhavige ontwikkeling voorziet in het hergebruik en gedeelteijke sloop van een bedrijfslocatie gecombineerd met woningen ten behoeve van de realisatie van negen woningen in de bestaande bebouwing, gelegen in een woonwijk in Waddinxveen. De ontwikkeling sluit daarmee aan op het uitgangspunt beter benutten en opwaarderen van wat er is. Tevens ontstaat op de locatie een interessante woonlocatie die ten opzichte van het huidige aanbod in Waddinxveen te zien is als waardevolle kwalitatieve toevoeging.
Met de transformatie van de bestaande bebouwing sluit de realisatie van de woningen stedenbouwkundig aan bij de identiteit en aard en schaal van het gebied. De ruimtevraag voldoet aan de wettelijke eisen die worden gesteld aan lucht, geluid, externe veiligheid en bodem, zie hiervoor hoofdstuk 6. Het plangebied is op de kwaliteitskaart niet gelegen binnen een beschermingscategorie.
Conclusie
Het plan is in overeenstemming met de visie Ruimte en Mobiliteit en de verordening Ruimte.
Op 14 maart 2013 is de Regionale Agenda Wonen Midden-Holland voor de periode 2013-2019 opgesteld. In deze regionale agenda leggen de gemeenten Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Krimpenerwaard, Waddinxveen en Zuidplas vast hoe zij vorm geven aan de samenwerking rond wonen. Voor de periode 2013-2019 spreken de gemeenten het volgende met elkaar af:
Plangebied
In de Regionale Agenda Wonen is de geplande urgente woningbouwproductie geschat op 372 koopwoningen (prijsklasse middel duur). Op basis van algemene ervaringen in de woningmarkt is aan kleine projecten en grondgebonden middeldure woningen een matig risico toegekend. Dit bestemmingsplan voorziet in realisatie van negen middeldure koopwoningen. Voorliggend plan levert een bijdrage aan de woningvraag in Waddinxveen naar woningen in het middeldure segment en past bij de markt. Met deze ontwikkeling wordt doorstroming bevorderd.
Conclusie
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van negen middeldure woningen in Waddinxveen. De ontwikkeling sluit aan bij het totale woningbouwprogramma voor de regio, overeenkomstig de Regionale Agenda Wonen.
Op 3 oktober 2012 is de Structuurvisie Waddinxveen 2030 vastgesteld door de gemeenteraad. De structuurvisie schetst de ruimtelijke koers van de gemeente tot en met 2030 en vormt een integrale visie en een toetsingskader voor nieuwe initiatieven. Op basis van trends en ontwikkelingen, het bestaande gemeentelijke beleid en de projecten die spelen binnen de planperiode zijn de belangrijkste opgaven in beeld gebracht, verdeeld over vijf thema’s.
In de structuurvisie zijn vier strategische keuzes gemaakt:
Op de integrale structuurvisiekaart is het plangebied van voorliggend bestemmingsplan aangeduid als 'wonen bestaand' en 'concentratiegebied winkels en voorzieningen centrumgebied'. Het doel is om van het historische hart van Waddinxveen weer een aantrekkelijk verblijfsgebied te maken.
Wonen & voorzieningen
De gemeente wil bouwen voor de lokale en regionale behoefte op het gebied van wonen. Hierover zijn in het verleden afspraken gemaakt met de regio en de gemeente wil deze afspraken zoveel mogelijk nakomen. Tegelijkertijd is de marktsituatie veranderd en zijn de prognoses over de ontwikkeling van de bevolking en huishoudens in Waddinxveen ten opzichte van 2006 neerwaarts bijgesteld. Een bijstelling van het programma uit de structuurvisie 2006 is daarom noodzakelijk. De prognoses geven aan dat de behoefte aan extra woningen in 2030 circa 2.000 bedraagt (op basis van autonome groei en gezinsverdunning). Waddinxveen wil in deze behoefte voorzien en daarnaast bouwen voor de regionale groei en gaat daarom uit van een programma van circa 4.250 woningen tot 2030. Dit betekent dat gemiddeld ruim 200 woningen per jaar worden gerealiseerd. Van dit programma is ongeveer de helft bestemd voor de behoefte vanuit de eigen gemeente en de andere helft voor instroom vanuit de regio, waarmee de gemeente Waddinxveen haar regionale/Zuidvleugel rol invult.
In vergelijking met het bestaande programma betekent de nieuwe ambitie een bijstelling van circa 6.000 woningen naar 4.250 woningen. De realiteit leert dat op dit aantal sprake zal zijn van planuitval (ervaringscijfers is veelal 30%). Daarnaast worden deze woningen in de tijd gefaseerd.
Binnen het thema 'wonen en voorzieningen' is aangegeven dat ruimtelijke kwaliteit het belangrijkste uitgangspunt is voor het gemeentelijke woningbouwprogramma. Ontwikkelingen moeten bijdragen aan de toekomstige woon-, leef- en werkkwaliteit van Waddinxveen, waarbij een goede balans tussen inbreiding en uitbreiding van groot belang is. Er wordt onder meer ingezet op het (her)ontwikkelen van bestaande locaties in de bebouwde kom.
Figuur: Kaart 4 Thema Wonen & voorzieningen (plangebied: rood omlijnd)
Plangebied
Het plangebied is op Kaart 4 Thema Wonen & voorzieningen (zie figuur 8) aangewezen als 'Wonen bestaand' en voor een klein gedeelte als 'Kwaliteitsslag centrumgebied/ concentratiegebied winkels en voorzieningen'. Dit plan voorziet in de bouw van woningen op gronden die (deels) reeds bestemd zijn voor wonen. De gemeente voorziet zodoende in de herontwikkeling van bestaande locaties in de bebouwde kom en is in overeenstemming met de Structuurvisie Waddinxveen 2030.
Op 13 december 2017 heeft de gemeenteraad de Woonvisie Waddinxveen 2018-2022 vastgesteld. Hierin is het lokale woonbeleid geformuleerd, waarbij de lange termijn trends zijn vertaald naar de opgave tot en met 2022. Het doel van de Woonvisie is richting te geven aan het beleid rondom wonen en de woningmarkt in Waddinxveen. Die richting bestaat uit een hoofddoelstelling, vier pijlers en een woninbouwprogramma.
Hoofddoelstelling: prettig wonen voor iedereen
Waddinxveen ligt op het grensvlak van stad en platteland. Het voorzieningenniveau is goed, de sociale cohesie is sterk, er is werkgelegenheid en de gemeente heeft een rijk verenigingsleven. Waddinxveen is goed bereikbaar. Dat maakt Waddinxveen een aantrekkelijke woongemeente. Iedereen die dat wil moet op een prettige, geschikte manier kunnen wonen in Waddinxveen. Daarom moet de woningvoorraad zo goed mogelijk aansluiten bij de markt en moeten mensen die hulp nodig hebben bij het vinden van passende huisvesting worden ondersteund.
Pijler 1: beschikbaarheid en betaalbaarheid
Er moet variatie zijn in het woningaanbod, zodat iedereen een geschikte woning kan vinden in Waddinxveen. De gemeente wil dan ook kwaliteit en diversiteit bieden, zowel qua woning als qua woonomgeving.
Pijler 2: wonen, zorg en welzijn
Prettig wonen hangt voor een groot deel ook samen met contact hebben met anderen en verzorgd worden wanneer dat nodig is en wonen in een geschikte woning.
Pijler 3: duurzaamheid
Duurzaamheid is een belangrijk thema in zowel de bestaande voorraad als nieuwbouw. Door duurzaam te bouwen of woningen te verduurzamen, wordt bijgedragen aan een beter woon- en leefklimaat.
Pijler 4: leefbaarheid
Prettig wonen hangt voor een belangrijk deel samen met leefbaarheid. Iedereen moet zich prettig en veilig kunnen voelen in de eigen directe woonomgeving. In Waddinxveen is de leefbaarheid goed. Doel is om dit zo te houden. Goede kwaliteit hangt samen met de woning zelf, maar ook met de woonomgeving. Waddinxveen kent verschillende woonmilieus. De aanwezige variatie in woonmilieus wordt bewaakt. Daarnaast wordt ingezet op woonmilieus met een onderscheidend karakter ten opzichte van de woonmilieus die in een bepaalde wijk al aanwezig zijn.
Woningbouwprogramma
Om aan de vraag te voldoen is het van belang inzicht te hebben in het gewenste programma voor Waddinxveen. Waddinxveen heeft veel ruimte om woningbouwplannen te realiseren. Naast de uitbreidingslocaties Park Triangel en 't Suyt zet de gemeente in op binnenstedelijke herontwikkeling en transformatie van vastgoed. De verdeling in vraag naar koop- en huurwoningen is ongeveer 55-45. De wenselijke verdeling tussen eengezins- en meergezinswoningen is min of meer gelijk. Van het nieuwbouwprogramma in Waddinxveen is de wens om minimaal 30% in de sociale huur realiseren. Er wordt daarnaast ingezet op 12% middeldure huur en 10% goedkope koop. De rest is in het middeldure en dure koopsegment. De woningbouw wordt gemonitord door middel van een jaarlijks bij te stellen woningbouwprogramma.
Conclusie
De ontwikkeling van de negen woningen is in overeenstemming met het beleid genoemd in de Woonvisie van de gemeente Waddinxveen.
Het "Mobiliteitsplan Waddinxveen 2013-2020" is op 26 juni 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. In het mobiliteitsplan staan de ambities: een optimaal bereikbaar Waddinxveen, verkeersveiligheid voor alle verkeersdeelnemers, stimuleren van het fietsgebruik en het optimaal benutten van het openbaar vervoer. Het doel van het mobiliteitsplan is om deze vier ambities te realiseren. Hiervoor is een routeboek opgesteld. Dit routeboek bestaat uit beleidskaders die gebruikt worden bij diverse (integrale) ontwikkelingen en maatregelen waarmee de grootste knelpunten aangepakt kunnen worden. Het mobiliteitsplan is een sectorale uitwerking van de in oktober 2012 vastgestelde 'Structuurvisie Waddinxveen 2030'.
Plangebied
De verkeersontsluiting vindt plaats via de Alpherwetering en de Jan Dorrekenskade-Oost. Via de Jan Dorrekenskade-Oost is de Kanaaldijk bereikbaar. Het plan is niet in strijd met het Mobiliteitsplan.
Op 9 juli 2014 heeft de gemeenteraad het parkeerbeleid vastgesteld en dit is in 2017 aangevuld met de memo 'Toepassing parkeerbeleid 2017'. Dit parkeerbeleid geeft aan wat wordt verstaan onder een goede parkeersituatie en wat het bereik van de verantwoordelijkheid van de gemeente is. Het parkeerbeleid is een uitwerking van het eerder door de gemeenteraad vastgestelde Mobiliteitsplan Waddinxveen 2013-2020. Met het parkeerbeleid werkt de gemeente aan het bereiken van de ambities uit het mobiliteitsplan.
Voor inbreidingslocaties kan ervoor worden gekozen om bestaande openbare parkeercapaciteit te benutten. Een parkeeronderzoek kan uitwijzen of deze capaciteit beschikbaar is. Nieuwe ontwikkelingen op inbreidingslocaties mogen nooit leiden tot parkeerknelpunten in de omgeving. Dit is tevens vastgelegd in het bestemmingsplan Parapluplan Archeologie en Parkeren, zoals vastgesteld op 19 september 2018.
Het aantal benodigde parkeerplaatsen moet in het onderhavige geval worden bepaald op basis van de CROW-publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' binnen de volgende kaders:
Plangebied
Op basis van de CROW-publicatie dient in het plangebied te worden voorzien in 17,1 parkeerplaatsen. Aan de achterzijde van de woningen is ruimte voor 9 parkeerplaatsen. Uit een parkeerdrukmeting van 2014 blijkt dat er zeven parkeerplaatsen vrij waren in het deel van de Jan Dorrekenskade-Oost tussen de Zuidkade en de Raadhuisstraat. De meting wijst ook uit dat er in de Raadhuisstraat, wat voor een groot deel binnen de honderd meter van de planlocatie ligt, voldoende ruimte is. Hieruit blijkt dat de overige parkeerbehoefte kan worden opgevangen in het openbaar gebied in de directe omgeving van het plangebied.
Conclusie
Voorliggend plan voorziet in voldoende parkeerplaatsen overeenkomstig de CROW-publicatie 317. Voorliggend bestemmingsplan is niet in strijd met het Parkeerbeleid van de gemeente Waddinxveen.
Op 20 april 2016 heeft de gemeenteraad het groenstructuur en groenbeleidsplan vastgesteld. In het groenstructuur en groenbeleidsplan zijn kaders vastgelegd voor de inrichting en het beheer van het gemeentelijke openbare groen binnen de bebouwde omgeving. Waddinxveen is een groene gemeente aan de rand van het Groene Hart. De prioriteit ligt in het behoud en versterken van het groen in de hoofdgroenstructuur. In het groenstructuurplan en het groenbeleidsplan worden de hoofd- en wijkstructuren van het gemeentelijk groen vastgelegd. In de hoofdgroenstructuur staat behoud en versterken van het groen voorop en is weinig mogelijk. Voor de wijkgroenstructuur geldt een milder beschermingsregime. Voor het overige groen in de directe woon- en werkomgeving is meer mogelijk.
Plangebied
Het plangebied is niet aangewezen als hoofdgroenstructuur en/of wijkgroenstructuur, zie onderstaande figuur. Bij de ontwikkeling van de woningen wordt voorzover mogelijk rekening gehouden met de ambities gesteld in het groenstructuurplan en groenbeleid.
Gelet op voorgaande afwegingen kan worden geconcludeerd dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met het rijks-, provinciaal-, regionaal-, en gemeentelijk beleid.
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening is voor dit ruimtelijke plan een watertoetsproces doorlopen. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de gemeente en waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. Het watertoetsproces voor het onderhavige bestemmingsplan is op 26 november 2018 digitaal doorlopen via www.dewatertoets.nl, zie Bijlage 1 Watertoets. Naar aanleiding van de watertoets zal overleg plaatsvinden met het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard.
Nationaal waterbeleid
Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Dit plan vervangt het Nationaal Waterplan 2009-2015 inclusief alle tussentijdse wijzigingen. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit Nationaal Waterplan richt zich op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.
In het Nationaal Waterplan is de meerlaagsveiligheid of veiligheidsketen geintroduceerd. Dit houdt in dat de waterveiligheid op drie manieren moet worden geborgd, te weten:
Het voorkomen van overstromingen richt zich op de waterkeringen. De waterkeringen op orde te brengen en te houden het primaire doel. Het is de taak van het hoogheemraadschap om de waterkeringen veilig en robuust te houden. Daarbij constant zoekend naar de balans tussen de belangen en wensen van omgeving en wat het beheer en veiligheidsvraagstuk vereist van een waterkering. Ook gericht op klimatologische ontwikkelingen in de komende decennia.
Provinciaal waterbeleid
Het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2016-2021 is op 29 juni 2016 vastgesteld door Provinciale Staten. Het waterplan bevat geen nieuwe beleid maar bestaat uit de volgende beleidsdocumenten:
In het waterplan is de provinciale sturingsvisie voor de periode tot 2021 aangegeven. De provinciale rol in het waterveld spitst zich met name toe op kaderstelling en toezicht. Voor de provincie Zuid-Holland zijn vier kernopgaven geformuleerd, waar het provinciaal waterbeleid zich met name op richt. De vier kernopgaven zijn in het waterplan vervolgens verder uitgewerkt in diverse beleidsthema's. De vier kernopgaven zijn:
Gemeentelijk waterbeleid
De gemeenten Waddinxveen en Boskoop hebben, in samenwerking met het Hoogheemraadschap van Rijnland en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, in 2010 een gezamenlijk waterplan opgesteld. Voor de gemeenten is het zorgvuldig omgaan met water van groot belang, onder andere vanwege de ligging in het waterrijke landschap van de veenpolders. Het waterplan bevat een gezamenlijke visie en een maatregelenplan. De beoogde resultaten van de visie zijn ‘droge voeten’, schoon water en een aantrekkelijker Waddinxveen en Boskoop.
De gemeente heeft voor planontwikkeling de volgende randvoorwaarden geformuleerd:
Het plangebied is gelegen nabij de Gouwe. De Gouwe heeft een belangrijke functie voor de waterhuishouding van de veen- en kleipolders in de gemeente Waddinxveen. Daarnaast ligt in het plangebied een waterkering die is opgenomen op de legger van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Hierna wordt ingegaan op de wijze waarop in voorliggend bestemmingsplan met het aspect water is omgegaan.
Waterkering
Planologisch moeten de waterkeringen worden beschermd tegen ongewenste ontwikkelingen door de waterkeringen met een aparte dubbelbestemming te borgen. Concreet betekent dit dat op de verbeelding de beschermingszone wordt bestemd als 'Waterstaat - Waterkering'. Overigens ligt de waterkering zelf niet in het plangebied. In de voorwaarden behorende bij deze dubbelbestemming geldt de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' als primaire bestemming. Daarnaast moet bij bouwplannen binnen deze (dubbel)bestemming de waterkeringbeheerder worden geraadpleegd. Het waterschap is geraadpleegd in het kader van deze bestemmingsplanprocedure. Het verplicht opnemen van de waterkering in het bestemmingsplan is juridisch geregeld in de Provinciale Verordening Ruimte.
Waterkwantiteit/waterkwaliteit
Het uitgangspunt voor het watersysteem is het faciliteren van de ruimtelijke functies en belangen in het gebied. Over het algemeen functioneert het watersysteem het best met grote, robuuste eenheden. Het streven is daarbij om bij ontwikkelingen zo groot mogelijke aaneengesloten peilgebieden te creëeren en te behouden en lokale afwijkende peilen zoveel mogelijk op te heffen. Het plan voorziet in de realisatie van negen woningen in een reeds bestaande woonwijk.
Waterafvoer
In de overeenkomst die is gesloten tussen de ontwikkelaar en de gemeente is vastgelegd dat
een gescheiden riolerings- en drainagestelsel wordt aangebracht. Dat wil zeggen een riolering ten behoeve van het hemelwaterafvoer aangesloten op de sloot dan wel die voorziet in infiltratie van het af te voeren hemelwater in het plangebied en een onderheide riolering ten behoeve van het afvalwater aangesloten op het gemeentelijk riool. Het drainagestelsel onder de woningen dient te lopen naar de sloot dan wel te worden aangesloten op de riolering ten behoeve van (de afvoer van) het hemelwater en de huisaansluitingen.
Conclusie
Het aspect 'Water' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2019 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.
Op 16 november 2012 heeft de gemeente Waddinxveen de gemeentelijke Nota Archeologiebeleid vastgesteld. Aan de hand van dit beleid is per gebied bepaald of en wanneer archeologisch (voor)onderzoek verplicht is. Het archeologiebeleid is vervolgens vertaald in het 'Parapluplan Archeologie en Parkeren'. Dit overkoepelende bestemmingsplan is op 19 september 2018 door de gemeenteraad vastgesteld. Het plangebied heeft in het vigerende plan de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2'. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemverstorende werkzaamheden groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm –mv. De dubbelbestemming is afgeleid van het 'Parapluplan Archeologie en Parkeren'.
Op 23 januari 2019 is door Econsultancy een archeologisch bureaonderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 2 Archeologisch onderzoek. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat het plangebied een hoge archeologische verwachting heeft voor archeologische resten uit de 14e tot 17e eeuw en de vroege 19e eeuw. Resten uit de 14e – 17e eeuw bevinden zich onder een ophoogpakket dat in ieder geval voor het begin van de 20e eeuw is opgebracht. De resten uit de 19e eeuw bevinden zich in of onder dit pakket, dat ten minste een dikte van 80 cm heeft. De bestaande bebouwing heeft een strookfundering tot maximaal 80 cm –mv. Dit betekent dat archeologische waarden onder het op-hoogpakket vermoedelijk niet zijn vergraven, maar, door de strookfundering, zijn eventuele archeolo-gische resten uit de 19e eeuw in het ophoogpakket mogelijk ook nog intact aanwezig.
De nieuwbouw wordt op een strookfundering op palen gefundeerd. De funderingsstroken worden niet dieper dan de huidige funderingen aangelegd, dus tot 80 cm –mv. Het onderste archeologische niveau, met een verwachting voor resten uit de 14e – 17e eeuw wordt alleen aangetast door het aanbrengen van heipalen, hetgeen een relatief lichte verstoring betreft. Het bovenste archeologische niveau met mogelijk resten uit de vroege 19e eeuw, wordt wel door de voorgenomen werkzaamheden bedreigd.
Econsultancy adviseert om bij de op handen zijnde bestemmingsplanwijziging de bestaande dubbel-bestemming 'waarde – archeologie 2' te handhaven. Dit advies betekent dat voorafgaand aan ver-gunningplichtige werkzaamheden beneden 30 cm –mv, eerst verder archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd om vast te stellen of er archeologische waarden worden bedreigd door de werk-zaamheden.
Omdat het plangebied bebouwd is, wordt geadviseerd om dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een archeologische begeleiding van de sloop van de ondergrondse delen van de bestaande bebouwing, gevolgd door een proefsleuvenonderzoek. Dit vervolgonderzoek moet worden uitgevoerd aan de hand van een door de bevoegde overheid, de gemeente Waddinxveen, goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).
In Waddinxveen is een aantal rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten aanwezig. Cultuurhistorische waarden kunnen sterk bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied en geven een gebied, plek of object identiteit. In en nabij het plangebied zijn geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten gelegen.
Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor vaststelling van het bestemmingsplan. Voor het aspect 'archeologie' dient er vervolgonderzoek te worden uitgevoerd in de vorm van een archeologische begeleiding van de sloop van de ondergrondse delen van de bestaande bebouwing, gevolgd door een proefsleuvenonderzoek.
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet.
Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen:
Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb.
Voor onderhavig plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wet ruimtelijke ordening, de Wnb en de provinciale structuurvisie en verordening.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalig EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN.
Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wnb. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort. De depositie van stikstof in Natura 2000-gebieden ten gevolge van de emissie van NOx en NH3 van deze ontwikkeling, alsmede van het verkeer van en naar de locatie is berekend met het programmapakket
AERIUS (29 oktober 2019), zie bijlage 5. Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde Natura 2000-gebieden. Een vergunning van de Wnb is in het kader van de stikstofdepositie dan ook niet nodig. De minister van LNV heeft in mei 2019 het deelgebied Polder Stein bij Reeuwijk voorgedragen als stikstofgevoelig gebied. Dit ligt veel dichterbij dan de Nieuwkoopse Plassen. Door ODMH is volledigheidshalve een berekening uitgevoerd en leidt niet tot een negatief effect,
Plangebied
Om de uitvoerbaarheid van onderhavig project te toetsen, is door Ecoresult een Quickscan flora en fauna uitgevoerd, zie Bijlage 3 Quickscan flora en fauna. Deze quickscan zoomt in op de (mogelijke) schadelijke effecten door de activiteiten en op welke wijze in het kader van de wet gehandeld kan worden.
In de quickscan worden de volgende conclusies getrokken:
Conclusie
De Wet natuurbescherming (Wnb) of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid, staat met inachtneming van het voorgaande de ontwikkeling niet in de weg.
De Wet geluidhinder kent een systeem van zones (aandachtgebieden) rond geluidsbronnen. Voor dit onderzoek zijn de volgende definities uit de Wet geluidhinder van belang ten aanzien van zones en grenswaarden binnen zones. Zogenaamde 30 km/u wegen vallen buiten het regime van de Wet geluidhinder.
Wegverkeerslawaai
Een weg heeft in de zin van de Wet geluidhinder een geluidszone wanneer de maximaal toegestane rijsnelheid hoger is dan 30 km/u.
Een weg heeft een zone die zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg:
Aftrek artikel 110g Wet geluidhinder
Op basis van artikel 110g Wet geluidhinder en artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 mag er op de geluidsbelasting vanwege een weg, op de gevel van woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen, een aftrek worden toegepast in verband met het stiller worden van het verkeer in de toekomst. De aftrek wordt toegepast op de huidige en toekomstige situatie. Op alle genoemde geluidsbelastingen in deze rapportage is de aftrek toegepast, tenzij anders vermeld.
De aftrek bedraagt maximaal:
Voor wegen met een representatieve snelheid tot 70 km/uur;
Voor wegen met een representatieve snelheid van 70 km/uur1 of meer;
Grenswaarden nieuwe situaties
Het systeem van de Wet geluidhinder gaat hierbij uit van voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden. Een geluidsbelasting onder de voorkeursgrenswaarde is toelaatbaar. De effecten van geluid worden dan aanvaardbaar geacht. Een geluidsbelasting in het gebied tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximale grenswaarde is alleen toelaatbaar na een afwegingsproces. Het afwegingsproces heeft vorm gekregen in de procedure vaststelling hogere waarden voor geluid. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de wettelijke grenswaarden voor wegverkeerslawaai (Wgh).
| Bestemming | Geluidsbron | Geluidsbelasting Lden in dB | |
| Voorkeursgrenswaarde | Maximale grenswaarde | ||
| Nieuwe woning | Wegverkeer buitenstedelijk | 48 | 53 |
| Wegverkeer binnenstedelijk | 48 | 63 |
Gemeentelijke beleid t.a.v. Hogere waarden
Op 30 oktober 2018 heeft de gemeente ingestemd met de ontwerpregels Hogere Waarden Wetgeluidshinder regio Midden-Holland. De beleidsregels liggen tot en met 21 december ter inzage.
Voorwaarden geluidsluwe gevel, geluidsluwe buitenruimte
Bij het vaststellen van een hogere waarde wordt getoetst of de geluidsbelasting meer is dan:
- 53 dB wegverkeerslawaai of;
- 60 dB railverkeerslawaai of;
- 55 dB(A) industrielawaai.
De toetsing heeft betrekking op het geluid van de weg / spoorweg / industrieterrein waarvoor de
hogere waarde wordt verleend. Bij de toetsing wordt geen rekening gehouden met het geluid dat
andere bronnen veroorzaken.
Als de vast te stellen hogere waarde meer is dan de hierboven genoemde waarde:
Voorwaarden geluidsbelasting binnen gebouwen die geluidsgevoelig worden
In een aantal procedures hogere waarden wordt niet alleen aandacht geschonken aan het beheersen van het geluid buiten, met een geluidsluwe gevel / buitenruimte, maar worden in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook voorwaarden gesteld voor het geluid binnen geluidsgevoelige gebouwen. Uitgangspunt zijn de eisen aan de gevelwering voor nieuwbouw uit de artikelen 3.2 en 3.3 van het Bouwbesluit. Hiervan afwijken is mogelijk. Hierbij geldt dat naarmate de afwijking ten opzichte van de nieuwbouweis voor de geluidsbelasting binnen het gebouw groter wordt, de onderbouwing over de aanvaardbaarheid beter moet zijn.
Overschrijding maximale grenswaarde
Hogere waarden kunnen niet worden verleend voor geluidsgevoelige gebouwen als de
geluidsbelasting hoger is dan de maximale grenswaarde. Dit betekent dat geluidsgevoelige gebouwen niet geplaatst kunnen worden op locaties waar de geluidsbelasting hoger is dan de maximale grenswaarde. Om op deze locaties toch te kunnen bouwen kan gebruik worden gemaakt van een zogenoemde dove gevel of kan aan de woning een vliesgevel worden bevestigd.
Overschrijdingen van de maximale grenswaarde zijn onwenselijk; zij worden echter niet uitgesloten.
Een akoestisch onderzoek is uitgevoerd, zie Bijlage 6 Akoestisch onderzoek.
Uit het onderzoek blijkt dat niet alle te realiseren woningen voldoen aan de wettelijke eisen wat betreft het wegverkeerslawaai. De overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (voorkeursgrenswaarde) bedraagt maximaal 3 dB vanwege de Jan Dorrekenskade-Oost (woning 1, 2, 3 en 4) en 1 dB vanwege de Henegouwerweg (woning 6). De maximale grenswaarde wordt niet overschreden.
Jan Dorrekenskade-Oost
Op grond van de Wet geluidhinder is de Jan Dorrekenskade-Oost niet 'zoneplichtig' en behoeft formeel geen verdere actie te worden ondernomen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is bij de beoordeling van deze weg aangesloten bij de normstelling die de Wgh kent voor gezoneerde wegen. Omdat maatregelen aan de bron en in het overgangsgebied niet mogelijk zijn zullen, indien nodig, aanvullende geluidsisolerende maatregelen aan de betreffende gevels van de geluidgevoelige bebouwing worden toegepast teneinde te voldoen aan de maximale binnenwaarde van 33 dB (conform artikel 3.2 en 3.3 van het Bouwbesluit). Dit onderzoek dient bij de indiening van het bouwplan mede aangeleverd te worden.
Henegouwerweg
Om de realisatie van deze woningen mogelijk te maken dient het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Waddinxveen een hogere waarde te verlenen aan de meest oostelijke woning (woning 6). Gemotiveerd is waarom maatregelen aan de bron of in het overdrachtsgebied niet mogelijk zijn. Daarbij is getoetst aan de landelijke wetgeving.
Mogelijk zijn voor het verlenen van een hogere waarde wel aanvullende geluidsisolerende maatregelen aan de betreffende gevels van de geluidgevoelige bebouwing nodig, teneinde te voldoen aan de maximale binnenwaarde van 33 dB. Dit onderzoek dient bij de indiening van het bouwplan mede aangeleverd te worden.
Conclusie
Ten behoeve van de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde ter plaatse van de Henegouwerweg (woning 6) dient door de gemeente een Besluit hogere waarden te worden genomen.
Op basis van de Woningwet en het Bouwbesluit mag niet worden gebouwd op verontreinigde grond. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning moet vaak een bodemonderzoek worden geleverd. Dit is een verplichting uit de Woningwet om de gezondheid en veiligheid te garanderen van mensen die wonen, werken of verblijven in het gebouw waarvoor vergunning wordt aangevraagd.
Een bodemonderzoek is noodzakelijk wanneer:
Plangebied
Een historisch bodemonderzoek is uitgevoerd, zie Bijlage 7 Historisch bodemonderzoek. Het doel van het onderzoek was het maken van een risico-inschatting inzake de eventuele aanwezigheid van bodemverontreiniging binnen het plangebied.
Voor de bestemmingswijziging is het niet nodig dat meer bodemonderzoek wordt uitgevoerd. Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek wordt wel nodig geacht in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning.
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor vaststelling van het bestemmingsplan. Wel dient er een verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd in kader van de aanvraag van de omgevingsvergunning.
Op 11 juli 2018 ie er door Jongejan Asbest inventaristaie een Asbestinventarisatie opgesteld, zie Bijlage 8 Asbestinventarisatie. Het betreft een asbestinventarisatie van de verkoopruimte en huidige woningen. Uit de inventarisatie blijkt dat er geen (mogelijk) asbestverontreininging is aangetroffen. Op een aantal plekken zijn asbesthoudende toepassingen aangetroffen:
De verwijdering van deze asbesthoudende toepassing kan niet zonder schade aan het asbesthoudende materiaal toe te brengen, de saneringen komen in Risicoklasse 2 en 2A. De sanering dient te geschieden door een daartoe gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf. Dit vormt geen belemmering voor vaststelling van het bestemmingsplan.
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing).
Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden.
Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3, NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.
Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit, heeft VROM, in samenwerking met InfoMil, de nibm-tool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging.
Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald. Hierbij is uitgegaan van negen woningen met in totaal 63 extra voertuigbewegingen. Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3) niet overschrijdt. Het project wordt dan beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven.
Hoewel geconstateerd is dat het project een zogenaamd nibm-project betreft, dient ook te worden bezien of de luchtkwaliteit in het plangebied niet zodanig is dat de normen voor een goed woonklimaat worden overschreden.
Daartoe is gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland 2017. Het RIVM produceert deze kaarten jaarlijks. De kaarten geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en betreffen zowel recente als toekomstige jaren. Per kilometervak worden de concentraties voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen weergegeven waarvoor Europese regelgeving bestaat. De kaarten op deze website hebben een juridisch-formele status.
De wettelijke grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) zijn opgenomen in de navolgende tabel.
Getoetst dient te worden aan de norm voor NO2 per 1 januari 2015. Vanaf die datum moet blijvend aan de norm van NO2 worden voldaan. Per 21 juni 2011 moet reeds aan de grenswaarden voor fijn stof (PM10)worden voldaan. Vanaf 1 januari 2015 dient te worden voldaan aan de norm voor zeer fijn stof (PM2,5).
Uit de Grootschalige Concentratiekaarten blijkt dat in het plangebied de volgende achtergrondniveaus zijn gemeten en worden verwacht voor NO2 en PM10 en PM2,5.
| Stof | 2017 | 2020 | 2030 |
| PM10 | 18,35 µg/m3 | 17,83 µg/m3 | 19,95 µg/m3 |
| PM2,5 | 11,15 µg/m3 | 11,58 µg/m3 | 9,5 µg/m3 |
| NO2 | 22,35 µg/m3 | 19,48 µg/m3 | 13,7 µg/m3 |
Uit de gemeten en berekende achtergrondniveaus blijkt dat deze ruim onder de wettelijke normen blijven. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven.
Conclusie
De realisatie van negen woningen kan worden gezien worden als een 'nibm' project. Daarnaast blijkt uit de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland dat de normen voor een goed woon- en leefklimaat niet worden overschreden in het plangebied. Nader onderzoek op het gebied van luchtkwaliteit is daarom ook niet nodig.
Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het in oktober 2004 in werking getreden Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (REVI).
Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het wettelijke kader vastgelegd in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en de onderliggende regelgeving. De wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt volgens verwachting medio 2012 herzien.
Het beleid voor ondergrondse buisleidingen is vastgelegd in het op 1 januari 2011 in werking getreden Besluit Externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:
Op 1-1-2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden met de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Dit besluit omvat de nieuwe regelgeving op het gebied van buisleidingen, waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
In plaats van de bebouwings- en toetsingsafstanden waar in de oude circulaires van werd uitgegaan, dienen nu de belemmeringenstrook (4 of 5 m), de plaatsgebonden risicocontour (10-6) en het invloedsgebied van het groepsrisico (1%-letaliteitsgrens) in acht te worden gehouden bij ruimtelijke ontwikkelingen.
In onderstaande figuur is de digitale Risicokaart voor het plangebied en omgeving opgenomen.
De volgende risicobron ligt in de nabijheid van het plangebied:
Transport van gevaarlijke stoffen
Het plangebied ligt circa 65 meter ten westen van provinciale weg N207. In 2008 zijn in opdracht van de toenmalige Milieudienst Midden-Holland tellingen verricht en op basis hiervan berekeningen uitgevoerd voor de N207. Uit dit rapport is gebleken dat er voor de N207 geen PR 10-6 contour ontstaat buiten de weg. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het plangebied. Ten aanzien van het groepsrisico voor de N207 geldt dat deze ter hoogte van het plangebied kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Het plangebied was bestemd als 'Wonen'en 'Detailhandel'. Functieverandering naar alleen wonen leidt niet tot een toename van het aantal personen dat aanwezig zal zijn in het plangebied. Het groepsrisico neemt niet toe.
Conclusie
Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied. Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het bestemmingsplan.
Milieuzonering heeft twee doelen:
Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden, wordt veelal de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is.
Plangebied
Het plangebied kan worden aangemerkt als 'rustige woonwijk'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen haast geen andere functies in het gebied voor. Gelet op de ligging van het plangebied in een woonwijk met vrijwel geen voorzieningen kan het plangebied worden aangemerkt als 'rustige woonwijk'. De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen milieubelastende activiteiten toegestaan. Het dichtstbijgelegen bedrijf aan de Van Speijkstraat ligt op ca. 110 m van het plangebied. Ter plaatse zijn bedrijfsactivitieten tot en met categorie 2 toegestaan. Verder worden aan het Raadhuisplein maatschappelijke voorzieningen toegstaan. Deze locatie ligt op ca. 105 meter van het plangebied. Voor deze functies geldt een richtafstand van 30 m tot aan gevoelige functies. Aan deze afstand wordt ruim voldaan.
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
De wet- en regelgeving voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in de AMvB Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer zijn vooral de procedurele verplichtingen opgenomen. In Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een m.e.r. verplicht is. Globaal zijn er 3 soorten m.e.r..
Bij een plan-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 3 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r.
Bij een project- of besluit-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage C of D va het Besluit m.e.r. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een bestemmingsplan dat in directe zin woningbouw mogelijk maakt waarvoor een m.e.r.-plicht geldt, of om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een bedrijf (met aanzienlijke milieugevolgen).
Indien de activiteit groter is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D dient de in de wet milieubeheer beschreven m.e.r.-beoordelingsprocedure beschreven te worden.
Indien de activiteit kleiner is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D dient beoordeeld te worden of de in de Wet milieubeheer beschreven m.e.r.-beoordelingsprocedure al dan niet nodig is. Dit noemt men vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Bij een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage 4 van het Besluit m.e.r.
Onderzocht is of het bestemmingsplan het ruimtelijk kader biedt voor activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel C of D van het Besluit MER. Daarbij is alleen naar de ontwikkeling van dit plan gekeken.
Voor de beoordeling of een project m.e.r plichtig is relevant of de activiteit is opgenomen in de in Bijlage II van het besluit m.e.r. Er moet, in dit geval, getoetst worden aan Onderdeel D11.2. De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.
Dit plan betreft het transformeren van een leegstaande winkel en drie woningen naar negen woningen in een stedelijk gebied. Om een inschatting te kunnen maken van de nadelige gevolgen op het milieu ten gevolge van deze ontwikkeling wordt getoetst aan de selectiecriteria uit de Europese richtlijn, Bijlage III (Richtlijn 2001/42/EG). In tabel 9.1 is de vormvrije mer-beoordeling opgenomen.
Tabel: Vormvrije-mer-beoordeling
| 1 kenmerken van het project | |
| Omvang van het project (relatie met drempel D lijst) | Dit project maakt de transformatie mogelijk van een leegstaande winkel en drie woningen naar 9 woningen. Dit is een stedelijke ontwikkelingsproject als vermeld in bijlage D van het besluit m.e.r (Nr D11.2). De omvang van dit project is klein. De milieueffecten op de omgeving van de huidige bestemming en de woningen is niet verschillend. |
| Cumulatie met andere projecten | Geen |
| Gebruik natuurlijke hulpbronnen | Gebruik van natuurlijke hulpbronnen is in dit geval niet aan de orde. De woningen hebben geen effect op natuurlijke hulpbronnen, zoals mineralen, ertsen, fossiele brandstoffen. |
| Productie van afvalstoffen | Huishoudelijk afval, afvalwater |
| Verontreiniging en hinder | De woningen veroorzaken CO2 uitstoot en lucht verontreiniging door verkeer |
| 2 Plaats van het project | |
| Bestaand grondgebruik | Een leegstaande winkel en drie woningen |
| Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratieve vermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied | Geen |
| Opnamevermogen milieu met aandacht voor wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, HA/ Richtlijnengebied, gebieden waar milieunormen worden overschreden, gebieden met hoge bevolkingsdichtheid, landschappelijk historische cultureel of archeologische gebieden van belang | In de onmiddellijke omgeving van het plangebied liggen geen beschermde natuurgebieden. Cultuurhistorie het plangebied is niet uniek en veel voorkomend in Zuid Holland Archeologie waarden worden beschermd Geen overschrijding normen luchtkwaliteit in en rond plangebied |
| 3 kenmerken van potentieel effecten | |
| Bereik van het effect (Geografisch en grootte getroffen bevolking) | Dit project leidt niet tot veranderingen van de effecten op de omgeving |
| Grensoverschrijdend karakter | Nee |
| Orde van grootte en complexiteit effect | De effecten zijn niet groot en niet complex |
| Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect | De bestaande bebouwing wordt getransformeerd ten behoeve van woningen. |
| Conclusie | |
| De ontwikkeling leidt niet tot significante omgevingseffecten |
Het bestemmingsplan biedt geen ruimtelijk kader voor activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Milieugevolgen ten gevolgen van deze activiteit kunnen derhalve worden uitgesloten.
Op dit bestemmingsplan rust geen plicht tot het uitvoeren van een MER. De voorgenomen ontwikkeling veroorzaakt geen nadelige gevolgen voor het milieu.
Het bestemmingsplan ‘Jan Dorrekenskade 65-71’ bestaat uit drie delen: een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting bevat een motivatie en verantwoording van de keuzes die in het bestemmingsplan zijn gemaakt. Daarnaast zijn in de toelichting onder andere het vigerende beleid en diverse milieuaspecten beschreven.
Voorliggend bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bouw en het gebruik van negen woningen. Daarbij zijn de (bouw)mogelijkheden uit de vigerende bestemmingsplannen zoveel mogelijk gerespecteerd. Het plan sluit aan bij de vormvereisten van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012).
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen. Op de verbeelding is tevens een gebiedsaanduiding opgenomen met het oog op het aanwijzen van een gebied waarop een specifieke regeling in de regels van toepassing is. Deze aanduiding krijgen in de regels een juridische betekenis.
Het digitale plan Jan Dorrekenskade 65-71 is de verzameling geometrisch bepaalde planobjecten dat is vervat in een GML-bestand met bijbehorende regels. Dit bestemmingsplan is via elektronische weg uitwisselbaar en raadpleegbaar. Het geeft de bestemming en de bebouwingsmogelijkheden van de gronden aan.
De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels zijn, overeenkomstig de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken:
De toelichting van een bestemmingsplan heeft geen bindende werking en maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan. De toelichting heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.
Het bestemmingsplan voorziet in een aantal regels. Hieronder volgt een korte toelichting op deze regels.
Bestemming 'Wonen'
De gronden met de bestemming ‘Wonen’ zijn bestemd voor wonen. Bij de woonfunctie zijn aan huis- verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten onder voorwaarden toegestaan. In de specifieke gebruiksregels zijn voorwaarden opgenomen voor de aan-huis-verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten.
Op de verbeelding is binnen de bestemming 'Wonen' een bouwvlak aangegeven. Woningen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Op de verbeelding zijn de maximale goot- en bouwhoogte aangegeven door middel van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)'.
Buiten het bouwvlak zijn bijbehorende bouwwerken (aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) toegestaan. Hierbij geldt dat de gronden buiten het bouwvlak voor maximaal 50% mogen worden bebouwd, tot een maximum van 50 m2. In de regels zijn nadere voorwaarden gegeven voor de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Op grond van artikel 3.1.2, onder 2, sub a Bro kan een bestemmingsplan regels bevatten waarvan de uitleg, bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid, afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. Hiertoe is in de specifieke gebruiksregels bij de bestemming 'Wonen' een voorwaardelijke verplichting voor parkeerplaatsen opgenomen, waarbij de vraag hoe wordt bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid wordt beantwoord in het Parkeerbeleidsplan van de gemeente Waddinxveen.
Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3'
Voor archeologisch waardevolle gebieden zijn in het bestemmingsplan dubbelbestemmingen opgenomen: 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3'. Er zijn twee verschillende archeologische waarden in het plangebied. Deze hebben ieder hun eigen waarde. Per bestemming is aangegeven in welk geval er archeologisch onderzoek moet plaatsvinden voorafgaand aan een ontwikkeling. Voor de specifieke ontwikkeling die nu mogelijk wordt gemaakt, is archeologisch onderzoek uitgevoerd, zie paragraaf 6.1.2.
Dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'
In het belang van de aanwezige waterkering, met bijbehorende beschermingszone in het plangebied is er een beschermingszone opgenomen. Deze strook is mede bepalend voor het waterkerend vermogen en de stabiliteit van de waterkering. De betreffende gronden zijn aangewezen voor waterkeringsdoeleinden. Deze gronden zijn als zodanig bestemd in combinatie met andere aan deze gronden gegeven bestemmingen.
Gelet op het bepaalde in artikel 3.1 Wro moet in het kader van een bestemmingsplan onder andere inzicht worden verschaft in de economische uitvoerbaarheid van het plan. In verband daarmee is eerst onderzocht of voor het onderhavige bestemmingsplan op grond van artikel 6.12, eerste lid Wro de verplichting bestaat om één of meer exploitatieplannen vast te stellen.
Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De kosten die gepaard gaan met de bijbehorende uitvoeringskosten zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het opstellen van dit bestemmingsplan en de bijbehorende ruimtelijk-juridische procedure zijn voor rekening van de initiatiefnemer.
Tussen de initiatiefnemer en de gemeente Waddinxveen is een anterieure overeenkomst gesloten waarin het verplichte kostenverhaal wordt geregeld. Degene die meent schade te lijden door het vaststellen van het bestemmingsplan, kan een verzoek indienen om een tegemoetkoming van de schade (Artikel 6.1 Wro). Eventuele kosten voortkomend uit de planschade zijn in eerdergenoemde overeenkomst meegenomen.
Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Het ontwerp van het bestemmingsplan Jan Dorrekenskade Oost 65-71a heeft met de daarbij behorende stukken voor een ieder ter inzage gelegen in de periode van 28 februari tot en met 9 april 2020 in het gemeentehuis van Waddinxveen.
In totaal zijn er drie zienswijzen ingediend binnen de gestelde termijn. In een nota zijn de zienswijzen behandeld. Tevens is een overzicht gegeven van de ambtshalve wijzigingen die in het bestemmingsplan zijn doorgevoerd ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan.