direct naar inhoud van 5 Het toekomstperspectief
Plan: Buitengebied Voorschoten (2010)
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0626.2010Buitengebied-BP10

5 Het toekomstperspectief

5.1 Landschappelijke hoofdstructuur

De ontwikkeling van het buitengebied van Voorschoten is gericht op de versterking van het huidige landschapsbeeld, dat op de eerste plaats wordt gedomineerd door de landgoederen Duivenvoorde en De Horsten met hun talrijke landerijen en bosschages en de open weidegronden in de Papewegsepolder. De fraaie afwisseling van open ruimten en houtopstanden biedt het beeld van een coulissenlandschap dat in de afgelopen eeuwen afgezien van beperkte kassenbouw nauwelijks veranderingen heeft ondergaan. Zodoende fungeert met name de Duivenvoordecorridor thans als laatste groene verbinding tussen het Groene Hart in het oosten en de duinen en duinpannen rond Wassenaar in het westen.

Gezien de hoge landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische kwaliteiten van het buitengebied zal het principe van het coulissenlandschap ook in de toekomst als leidraad bij de herinrichting van de Duivenvoordecorridor worden gebruikt. De nu nog aanwezige tuinbouwbedrijven gaan daarbij geleidelijk aan verdwijnen voor nieuwe weilanden, bosschages en buitenplaatsen of zullen in een beperkt aantal gevallen worden ingepast als nieuwe bedrijven met een meer recreatief gericht profiel.

Met de herinrichting zullen naast het bestaande landgoed Duivenvoorde drie oude buitenplaatsen gedeeltelijk worden hersteld. Het betreft hierbij de buitenplaatsen Noordhey en Oostbosch aan Leidschendam-Voorburgse kant en het buiten Haagwijk op Voorschotens grondgebied. Daarnaast zullen op specifieke plekken enkele nieuwe buitenplaatsen ontstaan, danwel bebouwing die karakteriserend is voor het gebied. Deze worden net als de overige buitenplaatsen ingepast in een bosachtige omgeving en open weilanden. Mede hierdoor zullen in de corridor nieuwe zichtlijnen of vergezichten ontstaan, die de landschapsbeleving bevorderen.

5.2 Natuur & ecologie

De handhaving en ontwikkeling van de natuurwaarden en ecologische waarden in het buitengebied zal worden veilig gesteld in de natuurkerngebieden en de ecologische verbindingszone van het plangebied. Hiertoe behoren:

  • de natuurgebieden in de Duivenvoordse- en Veenzijdsepolder
  • het stiltegebied voor vogels in de Papenwegsepolder
  • de bossen en landerijen van landgoederen en buitenplaatsen
  • de natte graslanden langs de Vliet en
  • de hoofdwetering in de as van landgoed Duivenvoorde (incl. haar oeverzones).

Met het oog op de omvangrijke natuurwaarden van het buitengebied en de ecologische betekenis ervan, maar ook met het oog op de habitat- en vogelrichtlijnen op Europees niveau is tijdens de planvoorbereiding de vraag onderzocht of het buitengebied nog een verder reikende bescherming nodig heeft dan in het streekplan reeds wordt voorzien. Geconstateerd is, dat alle in het plangebied aanwezige natuurgebieden hun status in principe zullen houden en dat overige plandelen een sterkere bescherming zullen ondergaan (m.n. in de Vlietzone en langs de ecologische verbinding haaks op het oude strandwallenpatroon).

afbeelding "i_NL.IMRO.0626.2010Buitengebied-BP10_0005.jpg"

Figuur 5.1) De groenstructuur in de corridor

In verband met de herinrichting heeft zich tijdens de planvoorbereiding van het bestemmingsplan Buitengebied (2007) ook de vraag voorgedaan of de nieuwe inrichting eventueel negatieve effecten voor specifieke delen van het plangebied zou kunnen hebben en of in dit kader nog nader onderzoek conform de Flora- en Faunawet noodzakelijk zou kunnen zijn. Gebleken is, dat de herinrichting vooral gericht is op de sanering van tuinbouwbedrijven en een omvangrijke groenontwikkeling. Bestaande groene functies zullen hun functie behouden en waar mogelijk worden uitgebreid. Een functieverandering blijft in feite beperkt tot terreinen die thans een glastuinbouwbestemming hebben, en waarbij de functieveranderingen eigenlijk een verbetering van de habitatvoorwaarden met zich meebrengen. Nader onderzoek naar mogelijke negatieve effecten in het kader van de Flora- en faunawet werd derhalve niet noodzakelijk geacht en is met instemming van de hogere overheden in het bestemmingsplan Buitengebied (2007) achterwege gelaten. In dit actualiseringsplan zijn geen nieuwe ontwikkelingen opgenomen die negatieve effecten hebben in het kader van de Flora- en fuanawet.

5.3 Groenbeheer, groenontwikkeling en recreatie

De groenontwikkeling in de corridor wordt in de eerste plaats gestimuleerd door de ontwikkeling van de nieuwe buitenplaatsen op terreinen, die thans nog voor de glastuinbouw worden gebruikt. Minimaal 75 procent van deze gronden zal in de toekomst een groene functie krijgen als weiland, bos siertuin of oppervlaktewater. De verwachting bestaat dat deze uitbreiding van het groenareaal niet alleen een bijdrage levert aan de recreatiemogelijkheden voor de omwonende stedelingen. Het biedt ook mogelijkheden voor een versterking van de in het plangebied aanwezige flora en fauna. Bestaande landerijen worden immers verruimd, waardoor het leefmilieu voor weidevogels wordt verbeterd en met de nieuwe bosschages ontstaan nieuwe vestigingsmogelijkheden voor broedvogels en betere foerageermogelijkheden voor tal van knaagdieren.

De ecologische waarden in het plangebied worden vanzelfsprekend ook veilig gesteld door de handhaving van bestaande natuurgebieden zoals de weidegronden in de Duivenvoordse- en Veenzijdsepolder en in de Papenwegsepolder, waarvan de open ruimte zich uitstrekt tot aan Wassenaar en de stadsrand van Leiden. Hier zal het beheer van de gronden afgestemd blijven op de hoofdfunctie als natuurgebied, hetgeen agrarische medegebruik niet uitsluit. Hetzelfde geldt voor een 16 ha grote strook langs de Vliet tussen het oude buiten Haagwijk en de omgeving van de Kniplaan. Deze gronden zullen in de toekomst conform het Natuurgebiedbeleidsplan van de Rijksoverheid sterker als natte graslanden worden ontwikkeld, waardoor hun ecologische betekenis zal toenemen.

Mede door de hoge landschappelijk kwaliteiten heeft het buitengebied van Leidschendam-Voorburg en Voorschoten een hoge aantrekkingskracht voor recreanten. In het verlengde hiervan streven de gemeenten dan ook naar een versterking van de recreatieve functies in het buitengebied waar dit de lange termijn ontwikkeling niet gaat frustreren. Voorbeelden hiervan zijn:

  • de inpassing van hippische activiteiten binnen het plangebied
  • de inpassing van horecagelegenheden in Voorschoten
  • de inpassing van een extensieve camping aan Leidschendam-Voorburgse kant
  • de herijking van nieuwe functies op de bestaande landgoederen
  • de eventuele uitbreiding van het wegenstelsel.

5.4 Waterhuishouding

Het waterstelsel in de Duivenvoordecorridor omvat polder en boezemwater in een omvang van circa 16 ha en kan grofweg worden onderverdeeld in 3 grote beheersgebieden:

  • de watergangen in de Duivenvoordse- en Veenzijdsepolder alsmede de Papewegsepolder
  • het Dobbestelsel ten zuiden van de spoorlijn Den Haag - Leiden (bestaande uit de Dobbewetering en aangrenzende weteringen) en
  • het Vlietstelsel in de Knippolder en Starrenburgerpolder (bestaande uit het boezemwater van de Vliet en het polderwater dat hierin wordt uitgemalen).

Het waterbeheer in de Duivenvoordse- en Veenzijdsepolder zal in de komende tien jaar naar verwachting geen grootschalige ingrepen ondergaan. Weliswaar zijn er al enkele jaren onderzoeken gaande, die tot voorstellen moeten leiden, waarmee de waterkwaliteit in dit gebied verbeterd kan worden.

De verrichte onderzoeken in het kader van het waterbeheer (Kaderrichtlijn Water) die zijn uitgevoerd leiden niet tot noodzakelijke aanpassingen van de planologische regelingen uit het bestemmingsplan Buitengebied (2007).

afbeelding "i_NL.IMRO.0626.2010Buitengebied-BP10_0006.jpg"

Figuur 5.2) Waterstelsel in de Duivenvoordecorridor

Ten aanzien van het Dobbestelsel tussen de spoorlijn Den Haag - Leiden en de as Veurseweg – Veursestraatweg kan worden geconcludeerd, dat ook hieromtrent thans nog geen concrete verzoeken bestaan ten behoeve van een aanpassing van het waterstelsel. Tijdens de voorbereiding van de Structuurvisie Duivenvoorde is echter geconstateerd, dat dit deel van het waterstelsel baat zou kunnen hebben bij:

  • een herinrichting van de Dobbewetering met natuurvriendelijke oevers en
  • een aanpassing van de betrokken poldereenheden tot meer homogene samenhangende watersystemen (b.v. door het opheffen van waterbarrières en peilverschillen, waar deze misschien wel historisch gegroeid zijn, maar thans voor het waterbeheer geen toegevoegde waarde meer hebben).

Voor het bestemmingsplan betekent dit, dat langs de Dobbewetering de planologische mogelijkheid geboden zal worden voor de realisatie van natuurvriendelijke oevers binnen een zone van ca. 15 m aan weerszijden van de wetering, bij en maximale breedte van deze zone van 30 m.

De aanpassing van de polderstelsels tot meer homogene watersystemen is onderdeel van de voorstellen tot herinrichting van de oude tuinbouwlocaties. De noodzaak tot herinrichting kan hier worden aangegrepen voor een vereenvoudiging van het waterbeheer en indien noodzakelijk ook voor een verruiming van de hoeveelheid oppervlaktewater. Uitgangspunt is in ieder geval dat de hoeveelheid oppervlaktewater die thans in het plangebied aanwezig is minimaal gehandhaafd blijft. Met de huidige voorstellen kan dit worden veilig gesteld.

Het waterstelsel in de Vlietzone bestaat uit het boezemwater van de Vliet en de rechtstreeks hierop aangesloten hoofdwatergangen alsmede het polderwater tussen Vliet en Veurseweg - Veursestraatweg. De verwachting bestaat dat deze zone door de herinrichting een waterbergende impuls kan krijgen. Door de sanering van ca. 8 ha aan tuinbouwkassen en de verwijdering van een grote hoeveelheid aan oppervlakteverharding voor verkeer en buitenopslag zal het waterbergende vermogen hier hoe dan ook toenemen.

In het recente verleden is ten noorden van de Kniplaan reeds natuurontwikkeling op beperkte schaal afgerond. Hierdoor zijn niet alleen de natuurwaarden ter plaatse gestimuleerd maar is tevens het waterbergende vermogen langs de Vliet op beperkte schaal toegenomen.

5.5 Cultuurhistorie & Archeologie

Een belangrijke beleidsdoelstelling voor het buitengebied van Voorschoten is de versterking van de cultuurhistorische waarden in het plangebied. In dit kader hebben de gemeenten Leidschendam-Voorburg en Voorschoten samen met de gemeente Wassenaar een procedure gestart, die in 2007 heeft geleid tot de aanwijzing van het beschermd stads- en dorpsgezicht Landgoederenzone Wassenaar-Voorschoten-Leidschendam-Voorburg. Dit beschermde gezicht bestrijkt zowel delen van het plangebied als grote delen van het hierop aansluitende buitengebied van Wassenaar en Leidschendam-Voorburg. Met deze aanwijzing wordt getracht typische landschapsstructuren en bebouwingspatronen te beschermen, hetgeen in Voorschoten met name geldt voor:

  • de landerijen en bosschages op en rond het landgoed Duivenvoorde
  • de bosschages en de waterpartij op het oude buiten Haagwijk
  • de houtwallen en bosschages in de Duivenvoordse- en Veenzijdsepolder
  • buitenplaatsen op oude zandruggen (strandwallen) op min of meer rechthoekige kavels
  • het slagenlandschap van de Papewegsepolder en andere weidegebieden
  • de onregelmatige blokverkaveling op de drogere delen
  • de vergezichten in de verschillende poldereenheden (waaronder de zogenaamde "As van Duivenvoorde" en het 19e eeuwse stelsel van zichtassen)
  • de boerderijclusters op de diverse zandruggen (voormalige strandwallen) in het plangebied
  • de losse opzet van de lintbebouwing langs Veurseweg en Veursestraatweg (inclusief de karakteristieke hoofdopzet van deze bebouwing in een bouwlaag met een kapverdieping)
  • monumenten, die onderdeel uitmaken van clusterbebouwing of ensembles
  • waardevolle laanbeplanting en bomenrijen zowel op de oude landgoederen als langs delen van de oude landwegen.

Een vergelijkbaar beschermende doelstelling heeft zoals eerder reeds is aangeduid de Belvédère-regeling, die voor delen van het buitengebied van toepassing is. Ook zij verplicht de overheden om bij de (her-) ontwikkeling van Belvedèregebieden rekening te houden met de cultuurhistorische waarden van het betreffende gebied. Dientengevolge dient ook in het buitengebied te worden bekeken, hoe met name de herinrichting van de Duivenvoordecorridor een bijdrage kan leveren aan de versterking van de karakteristiek van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0626.2010Buitengebied-BP10_0007.jpg"

Figuur 5.3) Cultuurhistorisch waardevolle elementen en locaties

Specifieke cultuurhistorische waarden zijn verder ook al in het vigerende bestemmingsplan voor het landelijke gebied opgenomen. Hiertoe behoren o.a.:

  • de zichtlijnen op landgoed Duivenvoorde
  • de bosschages van de landgoederen Duivenvoorde en de Horsten (inclusief het Sterrenbos)
  • het middeleeuwse wegennet en padenstelsel van beide landgoederen
  • specifieke tuinstructuren, waterpartijen en enkele tuinmuren op deze landgoederen
  • de bebouwing met monumentale waarden en
  • de waterstructuur van begraafplaats Rosenburgh, afkomstig van het vroegere kasteel.

Om de cultuurhistorische waarden in het plangebied te behouden en te versterken hebben de ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu in november 2007 het 'Beschermd Dorpsgezicht Landgoederenzone Wassenaar-Voorschoten-Leidschendam-Voorburg' aangewezen. De verbetering van de cultuurhistorische waarden zal in het buitengebied op verschillende schaalniveaus gestalte krijgen. Op het niveau van landschapseenheden zal het patroon van het coulissenlandschap worden versterkt met nieuwe bosschages en open ruimten, welke recht doen aan de karakteristiek van een landgoederenzone. Plekken voor kostendragende nieuwbouw zijn daarbij zodanig gekozen, dat waar mogelijk (delen van) de oude buitens hersteld kunnen worden.

Op het schaalniveau van de buitenplaatsen zal worden getracht om de belangrijkste hoofdelementen van de afzonderlijke buitens terug te laten keren. Daarbij moet worden gedacht aan oude hoofdassen, beschermende houtwallen en typische details als vijvers of oprijlanen.

Op het schaalniveau van de bebouwing zal met name aandacht moeten worden besteed aan de karakteristiek van de bebouwing op de buitenplaatsen, boerenhoeven en in de lintbebouwing. Hiervoor is reeds tijdens de uitwerking van de structuurvisie een kaderstellende notitie vervaardigd (de 'Notitie Beeldkwaliteit'), welke voor een aantal bebouwingstypen duidelijke randvoorwaarden bepaalt. Deze kenmerken dienen in passende bebouwingsregels te worden vertaald m.b.t:

  • de omvang van de bebouwing in relatie tot het groen in de rechtstreekse omgeving
  • de hoogte van de bebouwing en
  • de hiërarchie tussen hoofd- en bijgebouwen.

De handhaving van cultuurhistorische waarden vindt haar neerslag tenslotte ook in de aanwijzing van een aantal Rijksmonumenten of bebouwing met cultuurhistorische waarden. Deze zullen op de planverbeelding van een passende aanduiding worden voorzien. Meer concreet betreft het hierbij Rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten op de landgoederen ter Horst en Duivenvoorde, langs de Veurseweg, de Kniplaan en op het voormalige buiten Haagwijk (zie ook bijlage 6).

Belangrijke aandachtspunten in cultuurhistorisch opzicht zijn verder de archeologische waarden in het plangebied. Dienaangaande is door de gemeente een inventarisatie uitgevoerd van alle archeologische gegevens afkomstig uit het gemeentelijk archief, uit het archief van de Archeologische Werkgroep Leidschendam-Voorburg en gegevens uit het databestand ARCHIS van het ROB. Tevens heeft het Archeologisch Adviesbureau RAAP B.V. een archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart van het plangebied opgesteld. Deze is verwerkt in de Beleidskaart archeologie van de gemeente Voorschoten. Ter verificatie zijn tevens diverse grondboringen uitgevoerd. Daarmee zijn de thans bekende archeologische vindplaatsen in kaart gebracht en zones met een lage danwel hoge trefkans voor archeologische vondsten in het geval van grondwerkzaamheden. Voor informatie omtrent details van deze studies wordt hier kortheidshalve verwezen naar de bijlagen 4 en 5 van deze toelichting.

afbeelding "i_NL.IMRO.0626.2010Buitengebied-BP10_0008.jpg"

Figuur 5.4) Uittreksel Beleidskaart archeologie van de gemeente Voorschoten

Op basis van de beleidskaart worden voor het plangebied vier verschillende gebiedstypen onderscheiden. De gebiedstypen worden hieronder beschreven.

Gebiedstype 2 (geel): terrein van hoge tot zeer hoge archeologische waarde: bodemverstorende activiteiten zijn hier in principe niet toegestaan. Het College van Burgemeester & Wethouders beslist op basis van een archeologisch bureauonderzoek.

Gebiedstype 5 (rood): hoge verwachting voor de periode Neolithicum t/m Nieuwe Tijd; bij bodemingrepen > 30 m2 en dieper dan 30 cm -mv. Op basis van de resultaten hiervan beslist de gemeente over te nemen vervolgstappen: vrijgave, vervolgonderzoek of behoud.

Gebiedstype 6 (blauw) lage archeologische verwachting: bij bodemingrepen groter dan 1000 m2 en dieper dan 1 m -mv dient een bureauonderzoek te worden uitgevoerd met enige controleboringen naar de bodemgesteldheid (= verkennend booronderzoek). Op basis van de resultaten hiervan beslist de gemeente over te nemen vervolgstappen: vrijgave, vervolgonderzoek of behoud.

Gebiedstype 7 (oranje): hoge archeologische verwachting voor lintbebouwing vanaf de 16e/17e eeuw + overige historische bebouwing. Bij bodemverstorende activiteiten met een oppervlakte groter dan 30 m2 dient een bureauonderzoek plaats te vinden, bij voorkeur in combinatie met een bouwhistorisch onderzoek. Op basis van de resultaten hiervan beslist de gemeente over te nemen vervolgstappen: vrijgave, vervolgonderzoek of behoud.

Gebiedstype 8 (lichtgroen): lage archeologische verwachting. Bij bodemingrepen >1000m2 en dieper dan 1 meter -mv dient een archeologisch bureauonderzoek conform KNA en enkele controleboringen naar de bodemgesteldheid van het plangebied te worden uitgevoerd. Op basis van de resultaten hiervan beslist de gemeente over te nemen vervolgstappen: vrijgave, vervolgonderzoek of behoud.

5.6 Woonmilieus

De woonfunctie in het plangebied zal zich in principe beperken tot plandelen waaraan ook in voorafgaande bestemmingsplannen reeds een woonfunctie was toegekend. Tevens is een woonfunctie toegekend aan een tweetal woningen aan de Veurseweg die middels een projectbesluit zijn gerealiseerd. Deze woningen zijn gerealiseerd via de Ruimte voor Ruimte regeling. Daarnaast zijn een aantal voormalige agrarische bedrijfswoningen in het actualiseringsplan bestemd als 'burgerwoning' conform de huidige situatie.

Uit te werken buitenplaatsen

Via het bestemmingsplan is het mogelijk om binnen de gebieden die zijn bestemd als 'Overig - Uit te werken buitenplaats' nieuwe woningen op te richten, dit in het kader van kostendragende woningbouw. Het betreft hierbij over het algemeen vrijstaande woningen of eengezinswoningen en appartementen in een representatieve 'setting'. De keuze voor deze woningtypen is vooral ingegeven door het beoogde totaalbeeld voor de Duivenvoordecorridor maar ook door de wens, om met de grondopbrengsten conform de eisen uit het streekplan Zuid-Holland West zowel de groenontwikkeling op de buitenplaatsen als de sanering en verplaatsing van de nu nog aanwezige tuinbouwbedrijven te dekken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0626.2010Buitengebied-BP10_0009.jpg"

Figuur 5.5) De uitwerkingslocaties in de corridor

Rekening houdend met deze wensen streeft de gemeente naar een woningaanbod met zowel grondgebonden woningen als appartementen. De bouwmogelijkheden zijn daarbij zo flexibel ontworpen dat indien marktontwikkelingen hiertoe aanleiding geven ook een hoger of lager aantal appartementen of woningen gerealiseerd kan worden. Qua woningtypologie streeft de gemeente naar een diversiteit van vrijstaande woningen, land- of herenhuizen en clusterbebouwing zoals die ook op buitenplaatsen kan voorkomen. Daarbij moet worden gedacht aan:

  • vrijstaande woningen met één bouwlaag en een kapverdieping
  • geschakelde woningen, bestaande uit twee bouwlagen met een kapverdieping
  • grondgebonden woningen in hoofdcomplexen met maximaal 3 bouwlagen en een kap en
  • appartementen in de vorm van een buitenplaats.

Ten aanzien van de parkeerbehoefte moet rekening worden gehouden met gangbare normen van het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte. Daarbij geldt dat de parkeerbehoefte van bewoners uit het plangebied op eigen erf moet worden opgevangen met een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per woning. In het geval van appartementen- of hoofdcomplexen op de nieuwe buitenplaatsen dienen deze in verdiepte of halfverdiepte parkeerlagen gerealiseerd te worden. Daarnaast moet rekening worden gehouden met een aanvullend aanbod voor bezoekersparkeren van min. 0,3 parkeerplaatsen per woning.

Ruimte voor ruimte regeling

Doelstelling van de structuurvisie Duivenvoordecorridor is de sanering van de plaatselijke glastuinbouw en handhaving en uitbreiding van de bestaande open ruimte. Voor individuele percelen is het mogelijk om gebruik te maken van de 'ruimte-voor-ruimte' regeling. In de planregels van dit bestemmingsplan zijn de voorwaarden opgenomen om gebruik te kunnen maken van de 'ruimte-voor-ruimte' regeling. In grote lijnen komt deze regeling overeen met de regeling zoals de provincie Zuid-Holland deze heeft opgenomen in de Ontwerp Verordening Ruimte, Visie op Zuid-Holland. Belangrijke voorwaarde van de 'ruimte-voor-ruimte' regeling is dat het ter plaatse gaat om een volledige beëindiging van de agrarische bedrijfsactiviteiten en dat alle voormalige agrarische bedrijfsgebouwen op het betreffende perceel moeten worden gesloopt. Dit met uitzondering van bebouwing die is aangeduid als Rijksmonument, Gemeentelijk monument of cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Alsmede met uitzondering van de bebouwing die als erfbebouwing ten dienste van wonen kan worden aangemerkt en in overeenstemming is met hetgeen in de bestemming Wonen is bepaald.

Ter compensatie van sloop van elke 1.000 m2 aan voormalige agrarische bedrijfsgebouwen mag één woning worden teruggebouwd, tot een maximum van ten hoogste 3 woningen per agrarisch bedrijf dat wordt gesaneerd. Ter compensatie van de slop van elke 5.000 m2 glastuinbouwkassen mag één woning worden gebouwd, tot een maximum van ten hoogste 3 woningen per agrarisch bedrijf dat wordt gesaneerd.

In principe wordt gestreefd om de woning te bouwen in aansluiting op de bestaande bebouwingsclusters. Wanneer hiervoor geen mogelijkheid is, dan kan worden gezocht naar een locatie ter plekke of in de directe omgeving van de gesloopte bebouwing.

In de verbeelding hieronder wordt als voorbeeld aangegeven hoe de 'ruimte-voor-ruimte' regeling in de praktijk, op een locatie ter plekke, kan worden ingevuld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0626.2010Buitengebied-BP10_0010.jpg"

Figuur 5.7) Voorbeeld inrichtingsplan ruimte-voor-ruimte

5.7 Bedrijvigheid

Ten aanzien van de bedrijvigheid in het gebied kan worden geconcludeerd, dat de glastuinbouw in het plangebied geleidelijk aan zal verdwijnen. Bedrijfsmatige activiteiten zullen zich derhalve op de lange termijn beperken tot een klein aantal bedrijven, waarvoor per bedrijf een rechtstreekse bestemming zal worden opgenomen. Dit geldt voor:

  • een composteringsbedrijf aan de Papelaan
  • een opslagbedrijf aan de Papelaan
  • horecabedrijven aan de Veurseweg, de Kniplaan en Rosenburgh en
  • een jachtwerf langs de Kniplaan.

Voor alle bedrijven geldt dat zij hun parkeerbehoefte in principe op eigen erf moeten opvangen. Uitzondering hierop vormt alleen de horecagelegenheid aan de Veurse Weg 346 waar sprake is van een historisch gegroeide situatie met afwijkende parkeermogelijkheden.

Voor de bebouwing van de bedrijven gelden verder vergelijkbare voorwaarden als voor de woondoeleinden. Bebouwing is alleen toegestaan binnen een op de verbeelding hiervoor opgenomen bouwvlak en met in achtneming van de maximaal toegestane bouwhoogte.

Verder dienen de bedrijven zorg te dragen voor een goede landschappelijke inpassing van hun bedrijfsopstallen. Voor de kleine bedrijven betekent dit, dat zij hun bedrijfsactiviteiten in het geval van nieuwbouw niet meer in kapconstructies mogen voortzetten maar dat zij hierbij gebruik dienen te maken van bakstenen of houten gebouwen passend bij de karakteristiek van het landelijke gebied.

5.8 Weg- en railverkeer in relatie tot geluidsaspecten

De ontsluiting van het plangebied voor gemotoriseerd verkeer omvat een provinciale weg (N 447) en een aantal secundaire ontsluitingswegen te weten de Kniplaan, de Horstlaan, het Laantje van van Wissen of de Nieuwe Weg. Deze wegenstructuur zal in het kader van de herinrichting in principe niet veranderen.

Met uitzondering van de provinciale weg zullen de openbare wegen in het plangebied in de nieuwe situatie worden ingericht als 30 km-zones. Dientengevolge is hier geen geluidzone in acht te nemen conform artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh).

Voor het wegverkeerslawaai, dat van het verkeer op de provinciale weg uitgaat, is dit artikel echter wel van belang. Nader onderzoek heeft uitgewezen, dat de verkeersintensiteit door wegverkeer op de N 447 meer dan 20.000 voertuigen per etmaal bedraagt. De hiermee gepaard gaande geluidhinder is zo intensief, dat ook op grotere afstand van de wegas, de voorkeursgrenswaarde van 48 dB(A) voor het landelijk gebied duidelijk wordt overschreden. De gemeente streeft in overleg met de provincie echter naar een aanpassing van het snelheidsregime op de N 447. Een deel van de resultaten is weergegeven in figuur 5.6.

afbeelding "i_NL.IMRO.0626.2010Buitengebied-BP10_0011.png"

Figuur 5.6) De beoogde hoofdontsluiting en geluidhindercontouren in de corridor

Uit onderzoek ten behoeve van het bestemmingsplan Buitengebied (2007) is voorts gebleken, dat delen van het plangebied geluidhinder door wegverkeer ondervinden, die hoger is dan de wettelijke voorkeurswaarde voor het landelijke gebied van 48 dB(A), maar die lager ligt dan de grenswaarde van 53 dB(A). De ontwikkeling van hindergevoelige functies (zoals een woonfunctie) is ter plekke alleen mogelijk indien daarvoor conform de Wet geluidhinder een "Hogere grenswaarde" wordt verleend.

Gezien het beoogde herstel en de ontwikkeling van buitenplaatsen of woningen op locaties waar sprake is van een geluidbelasting tussen de 48 dB en 53 dB(A), is voor deze locaties een procedure gestart voor de toekenning van 'Hogere grenswaarden'. Voor de resultaten van deze procedure wordt hier kortheidshalve verwezen naar bijlage III. Deze bijlage maakt inzichtelijk, in welke zone en voor hoeveel woningen een hogere grenswaarde is verleend. In dit actualiseringsplan zijn geen nieuwe situaties gecreëerd waarbij het noodzakelijk is om een Hogere grenswaarde te verlenen.

Ten aanzien van geluidhinder door railverkeer zijn vergelijkbare eisen van toepassing als voor hinder door wegverkeer. Daarbij bedraagt de wettelijke voorkeurswaarde echter 55 dB(A) en is de zogenaamde ontheffingswaarde bij 68 dB(A) gelegen. Ook hier zijn voor de plandelen waarbinnen woonfuncties worden overwogen "Hogere grenswaarden" aangevraagd. Voor de resultaten van de desbetreffende procedure wordt hier kortheidshalve wederom verwezen naar bijlage III.

Tenslotte moet nog worden vermeld, dat voor hindersituaties door wegverkeer of railverkeer wordt geëist, dat woningen in een hinderzone van zodanige bouwkundige constructies moeten worden voorzien dat het geluidsniveau in de woningen 33 dB(A) of lager ligt.

5.9 Milieu & externe veiligheid

Met betrekking tot de milieuaspecten hebben tijdens de voorbereiding van dit bestemmingsplan verschillende onderzoeken plaatsgevonden, waarmee de randvoorwaarden t.a.v. de meest belangrijke milieuparameters in kaart zijn gebracht. Hiertoe behoren o.a.:

  • een historisch bodemonderzoek
  • een onderzoek ter toetsing van de luchtkwaliteit conform het besluit luchtkwaliteit en
  • een onderzoek naar externe veiligheidsfactoren.

Bodemkwaliteit

In het algemeen geldt dat op elke locatie waar nieuwbouw plaatsvindt van tevoren minimaal een historisch bodemonderzoek conform de vigerende normen (thans NEN 5725) dient te worden uitgevoerd. Uit het historisch onderzoken kan naar voren komen dat vanwege potentiële bodemverontreiniging(en) nodig is om ook een fysiek bodemonderzoek (met grond- en grondwateranalyses) conform de vigerende normen (thans NEN 5740) uit te voeren. Wanneer er overschrijdingen zijn van bepaalde stoffen zullen sanerende maatregelen worden getroffen, conform het provinciaal milieubeleid, het gemeentelijk milieubeleid en de Wet Bodembescherming, alvorend er mag en kan worden gebouwd. Andere aandachtsgebieden waarbij de bodemkwaliteit van belang is, zijn:

  • grondverbetering ter plaatse van fietspaden en grondverbetering in het algemeen;
  • bij ontmanteling van kassen aandacht voor puinverhardingen en asbest in de bodem;
  • aanleg en vervanging van rioleringen, grond dat vrijkomt bij het planten van bomen, etc.

Alle bodemonderzoeken, voor zover bekend bij de gemeente en bij de provincie, zijn in een gemeentelijk databestand opgenomen. Deze data zijn vervolgens gekoppeld aan een Gis (Geografisch Informatiesysteem). Via dit bodeminformatiesysteem kan snel en adequaat inzicht worden verkregen in de bodemkwaliteit op perceelsniveau.

De gemeente Voorschoten beschikt over bodemkwaliteitskaarten (één uit 2002 en twee aanvullende uit 2005) en een bodembeheerbeleid (uit 2002). Deze zijn laatstelijk vastgesteld door het college van B&W op 24 juni 2008 en geldig voor zover zij niet strijdig zijn met het Besluit bodemkwaliteit dat op 1 juli 2008 in werking is getreden. Er wordt gebruik gemaakt van overgangsrecht waardoor de bestaande bodemkwaliteitskaarten tot uiterlijk 24 juni 2013 geldig blijven.

Het buitengebied dat onderdeel uitmaakt van het voorliggende bestemmingsplan is grotendeels gezoneerd volgens de 'Bodemkwaliteitskaart en grondstromenplan voor het landelijk gebied van de gemeente Voorschoten, opgesteld d.d. 16 augustus 2005'. Verder is een klein deel van het buitengebied gezoneerd volgens de 'Regionale bodemkwaliteitskaart en grondstromenplan Leidse regio, opgesteld d.d. 18 oktober 2002'. Wat dan nog rest is een zeer klein deel van het buitengebied dat niet is gezoneerd.

Het overgrote deel van het buitengebied heeft een bodemkwaliteit waarbij de onderzochte parameters (zware metalen en PAK) als niet verontreinigend tot licht verontreinigend voorkomen in de bovengrond. Slechts in een zeer klein deel van het buitengebied (in het noord-westen en het zuidoosten) kunnen plaatselijk sterke verontreinigingen voorkomen. Deze verontreinigingen zijn dan plaatselijk homogeen verspreid aanwezig (achtergrondgehalte) en betreffen geen afgebakende verontreinigingsgevallen waarop een saneringsplicht berust.

Gezien de resultaten van de diverse bodemonderzoeken is de bodem van een dusdanige kwaliteit dat er vooralsnog geen financiële en ruimtelijke consequenties voor het plangebied aanwezig zijn.

Aandachtspunten

In het gebied bevindt zich een voormalige afvalstort van huisvuil. Het betreft een oppervlakte van circa 25.600 m2. Het betreft een locatie aan het einde van het Laantje van Wissen, zie figuur 5.7. De verontreinigingen in het stortmateriaal zijn beperkt (koper en zink boven interventiewaarde). De provincie zorgt voor een jaarlijkse monitoring van het grondwater middels een zestal peilbuizen. De monitoringsresultaten leveren geen bijzondere verontreinigingen op in het grondwater. Een aandachtspunt blijft dat de afdeklaag op de vuilstort op een aantal plaatsen te dun (kleiner dan 0,5 m) is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0626.2010Buitengebied-BP10_0012.jpg"

Figuur 5.7) locatie voormalige afvalstort huisvuil

Luchtkwaliteit

Ten aanzien van de luchtkwaliteit is reeds in paragraaf 4.2 aangegeven dat de luchtkwaliteit in het plangebied dient te voldoen aan de Wet luchtkwaliteit.

Voor de gemeente Voorschoten is voor het jaar 2007 een rapportage luchtkwaliteit opgesteld. Deze rapportage is op 25 augustus 2009 vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. Ten aanzien van stikstofdioxide (NO2) blijkt dat de jaargemiddelde concentratie nergens de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m3 overschrijdt. Na aftrek van de zeezoutbijdrage komen er geen overschrijdingen van de grenswaarden van de 24 uurgemiddelde concentratie van fijn stof PM10 (35 keer per jaar) voor. De jaargemiddelde concentratie van PM10 overschrijdt nergens de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m3. Aan de hand van deze rapportage kan geconcludeerd worden dat binnen de gemeente Voorschoten er in 2007 geen grenswaarden werden overschreden. De verwachting voor de toekomst is dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide alleen maar lager wordt. Er worden in de toekomst dan ook geen overschrijdingen van de grenswaarden verwacht.

Voor het plangebied van de Duivenvoorde corridor is door Goudappel Coffeng onderzocht of de beoogde functieverandering negatieve consequenties heeft voor het plangebied en of dit tot bijstelling van de plandoelstellingen zou moeten leiden. Daarbij is gebruik gemaakt van het verkeersmodel ter bepaling van de geluidhinder en het zogeheten CAR-II-model in de versie 5.0. Geconstateerd is dat de grenswaarde van 40 µg/m3 voor stikoxiden respectievelijk fijn stof voor het jaargemiddelde niet worden overschreden. Ook de 24-uurgemiddelde concentratie van fijn stof, die maximaal 35 keer per jaar mag worden overschreden voldoet bij alle onderzochte locaties aan de wettelijk gestelde norm.

Daarnaast wordt in het onderzoek geconcludeerd dat de belangrijkste bronnen van voornoemde 'schadelijke stoffen' de provinciale wegen N 447 en N 448 zijn. Alle locaties waar een functieverandering wordt beoogd zijn volgens de studie op voldoend afstand gelegen, zodat geen aanvullende of verbeterende maatregelen getroffen hoeven te worden. Op de locaties zelf is de belasting door bebouwing, bedrijvigheid of verkeer reeds zo laag dat ook hier aan de wettelijke normen kan worden voldaan.

Externe veiligheid

Omtrent het aspect externe veiligheid is gebleken dat in het plangebied slechts één locatie bekend is, welke vanuit het oogpunt van veiligheid van relatief belang is. Het betreft hier een verkooppunt voor LPG ter hoogte van de woning aan de Veurseweg 236. De hiermee gepaard gaande risicocontour van het LPG vulpunt bedraagt 45 meter volgens tabel 2a uit bijlage 1 van de Regeling externe veiligheid inrichtingen en dient bij een functieverandering in de rechtstreekse omgeving in acht te worden genomen. Geconstateerd kan worden dat binnen de risicocontour van het LPG-vulpunt geen nieuwe ontwikkelingen worden beoogd, zodat het LPG-station voor de herinrichting geen belemmering vormt.

Verder is eveneens gekeken naar mogelijk gevaar vanuit het transport van gevaarlijke goederen via de weg of spoorwegen. Hieromtrent is gebleken dat dergelijke transporten noch op de provinciale weg noch op de secundaire wegen plaatsvinden. Alleen via het spoor worden incidenteel gevaarlijke goederen getransporteerd. Dit geschiedt echter in zo geringe mate dat het spoorvak binnen het plangebied tot de op twee na laagste veiligheidsklasse kan worden gerekend. De hieraan gekoppelde veiligheidszone van 20 m gerekend vanuit de spoorstaaf valt grotendeels binnen het beoogde bestemmingsvlak voor spoorwegdoeleinden of binnen groene bestemmingen (zoals 'Natuur' of 'Agrarisch gebied') zonder hindergevoelige objecten of bestemmingen. Ook toekomstige locaties voor kostendragers worden door deze veiligheidszone niet geraakt. Een en ander betekent, dat deze transporten voor de herinrichting van het plangebied geen onaanvaardbare hinder opleveren.

Leidingen en straalverbindingen

In het plangebied zijn tenslotte ook een aantal leidingen gelegen die weliswaar geen veiligheidsrisico met zich mee brengen maar, waarvan de belangen van de leidingenbeheerders gerespecteerd dienen te worden. Het betreft hierbij:

  • twee aardgastransportleidingen
  • een drinkwatertransportleiding
  • een hoogspanningsverbinding en
  • een straalverbindingstraject.

De juridische regeling met betrekking tot deze voorzieningen is opgenomen in artikel 24, 25, 26 en 37 van de planregels. Voor een beknopte beschrijving van deze artikelen en voor een overzichtskaart van deze voorzieningen wordt hier kortheidshalve verwezen naar hoofdstuk 5.4 van deze toelichting.