direct naar inhoud van 2 Bestemmingsregels
Plan: Buitengebied Voorschoten (2010)
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0626.2010Buitengebied-BP10

2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch met waarden - Open gebied

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden - Open gebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de bedrijfsuitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven;
  • b. de bedrijfsuitoefening van niet-grondgebonden agrarische bedrijven voor zover deze voorkomen op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld;
  • c. de instandhouding en ontwikkeling van ter plaatse voorkomende dan wel aan deze gronden eigen landschapswaarden, waarbij de openheid van het landschap de primaire kenmerkende waarde daarvan is;
  • d. extensief recreatief medegebruik, indien en voor zover de sub c. bedoelde waarden daardoor niet onevenredig (kunnen) worden aangetast;
  • e. recreatiepaden;
  • f. bijbehorende groen- en nutsvoorzieningen.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Gebouwen

Binnen deze bestemming mogen gebouwen ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. de gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de bouwvlakken mogen voor 100% bebouwd worden;
  • c. de hoogte, respectievelijk goot- of boeiboordhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan ten hoogste de goot- respectievelijk boeiboordhoogte zoals die was ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan.
3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. de bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de bouwvlakken mogen voor 100% worden bebouwd;
  • c. uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - buitenbak' mag een niet-overdekte rijbak ten behoeve van de ruitersport worden gerealiseerd, met dien verstande dat de oppervlakte van een dergelijke rijbak niet meer mag bedragen dan 800 m2;
  • d. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel:
    Bouwwerken, geen gebouwen zijnde   Maximale hoogte  
    Erf- en perceelsafscheidingen op tenminste 1 meter achter de voorgevelrooilijn   2 m.
     
    Overige erf- en perceelsafscheidingen   1 m.  
    Ooievaarsnesten   7 m.  
    Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   3 m.  
  • e. de maximale oppervlakte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van een overkapping mag maximaal 30 m2 bedragen.
3.3 Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van:

  • a. het bepaalde in lid 3.2.1 , sub a en b, ten behoeve van het oprichten van een schuilgelegenheid voor dieren of berging ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering, met dien verstande dat:
    • 1. per perceel of per geheel van aaneengesloten percelen, behorend tot één agrarisch bedrijf, niet meer dan één schuilgelegenheid of berging mag worden opgericht;
    • 2. de oppervlakte van een schuilgelegenheid of berging niet meer mag bedragen dan 25 m2;
    • 3. de hoogte van een schuilgelegenheid of berging niet meer mag bedragen dan 3 meter;
  • b. het bepaalde in lid 3.2.1, sub b, ten behoeve van de bouw van een (gereedschappen)berging met een oppervlakte van ten hoogte 100 m2, met dien verstande dat:
    • 1. ontheffing eerst verleend na toepassing van het bepaalde in lid 3.6.2;
    • 2. de (gereedschappen)berging gesitueerd wordt binnen het voor 'wijzigingsbevoegdheid 3' aangeduide gebied;
    • 3. de (gereedschappen)berging ten dienste staat van de uitoefening van de vollegrondsteelt na beëindiging van een glastuinbouwbedrijf;
  • c. het bepaalde in lid 3.2.1, sub c, met dien verstande dat de goot- en boeiboordhoogte van gebouwen ook na ontheffing niet meer mag bedragen dan 4,0 meter;
3.4 Ontheffing van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 3.1 , ten behoeve van het gebruik van bestaande agrarische bedrijfsgebouwen voor het stallen dan wel aan derden bieden van gelegenheid tot stallen van paarden en pony's, mits:

  • a. het betreffende gebruik naar aard en omvang ondergeschikt blijft aan het gebruik van de betreffende gebouwen ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering;
  • b. geen aantasting plaatsvindt van de in lid 1 onder c bedoelde waarden;
  • c. het verlenen van de ontheffing niet leidt tot een onevenredige toename van de verkeers- en/of parkeerdruk ter plaatse.
3.5 Aanlegvergunning
3.5.1 Aanlegverbod zonder aanlegvergunning

Het is verboden op de in artikel 3.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen en verharden van wegen en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  • b. het verlagen van de bodem en het afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden;
  • c. het aanleggen en dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterpartijen;
  • d. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • e. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout;
  • f. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder tevens begrepen het telen en kweken van bomen heesters (inclusief fruitbomen en boomgaarden), alsmede het beplanten met c.q. de teelt van maïs;
3.5.2 Uitzondering op het aanlegverbod

Het in lid 3.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale beheer en/of onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop dit plan wordt vastgesteld;
  • c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een daarvoor verleende (aanleg)vergunning;
  • d. betrekking hebben op het aanbrengen van verhardingen ten behoeve van in- en/of uitritten, tot een oppervlakte van ten hoogste 10 m²;
  • e. betrekking hebben op het normale beheer en/of onderzoek op of in gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie';
  • f. betrekking hebben op de aanleg van natuurvriendelijke oevers.
3.5.3 Voorwaarden voor een aanlegvergunning

De aanlegvergunning wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. de werken en werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft, noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming;
  • b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van het terrein;
  • c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit;
  • d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische- en/of archeologische waarden van het terrein.
3.5.4 Verlening

Alvorens omtrent een aanvraag om aanlegvergunning te beslissen winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein c.q. de betreffende bestemming meest aangewezen instantie, zoals de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, het Hoogheemraadschap van Rijnland, etc.

3.6 Wijzigingsbevoegdheid
3.6.1 wro-zone - wijzigingsgebied 1

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ter plaatse van de nadere aanduiding op de planverbeelding 'wro-zone - wijzigingsgebied 1' de bestemming van de gronden te wijzigen in de bestemming 'Sport' en/of 'Recreatie -Volkstuinen', met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. ten behoeve van de bestemming mogen gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd;
  • b. indien de bestemming van de gronden wordt gewijzigd in de bestemming 'Sport' mag de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen ten behoeve van de bestemming 'Sport' niet meer bedragen dan 225 m2;
  • c. indien de bestemming van de gronden wordt gewijzigd in de bestemming 'Recreatie -Volkstuinen'mag binnen de begrenzingen van de bestemming een clubgebouw worden opgericht met een bebouwbaar oppervlak van 100 m2;
  • d. een bebouwing voor én sport én een clubgebouw voor volkstuinders is niet toegestaan;
  • e. de hoogte resp. goot- of boeiboordhoogte van onder b. en c. genoemde gebouwen mag niet meer bedragen dan 5,0 m. resp. 2,5 m.;
  • f. indien de bestemming van de gronden wordt gewijzigd in de bestemming 'Recreatie- Volkstuinen' mogen binnen de begrenzingen van deze bestemming bergingen worden gebouwd met een maximaal vloeroppervlak van 10 m2 en een bouwhoogte van 2,5 m.;
  • g. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 5,0 m;
  • h. door middel van een inrichtingsplan dient te worden aangetoond dat de wijziging van de bestemming gepaard gaat met een goede ruimtelijke inpassing.
3.6.2 wro-zone - ruimte voor ruimte - wijzigingsgebied 2

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ter plaats van de nadere aanduiding op de planverbeelding 'wro-zone - wijzigingsgebied 2' de bestemming van deze gronden te wijzigen in de bestemming 'Wonen' met dien verstande dat:

  • a. de bestemming niet wordt gewijzigd alvorens vast staat dat de agrarische bedrijfsactiviteiten, glastuinbouw daaronder mede begrepen, ter plaatse volledig worden beëindigd en alle agrarische bedrijfsbebouwing wordt gesloopt, met uitzondering van bebouwing die is aangeduid als 'specifieke vorm van agrarisch - rijksmonument', 'specifieke vorm van agrarisch - gemeentelijk Monument' alsmede met uitzondering van bebouwing die als erfbebouwing ten dienste van het wonen kan worden aangemerkt en in overeenstemming is met het daaromtrent in artikel 19 van dit plan ('Wonen') bepaalde;
  • b. ter compensatie van de beëindiging van de agrarische bedrijfsvoering resp. het slopen van de agrarische bedrijfsbebouwing woningen mogen worden gebouwd, met inachtneming van de volgende bepalingen:
    • 1. ter compensatie van de sloop van elke 1.000 m2 agrarische bedrijfsbebouwing mag één woning worden gebouwd, tot een maximum van ten hoogste 3 woningen per agrarisch bedrijf dat wordt gesaneerd;
    • 2. ter compensatie van de sloop van 5.000 m2 glastuinbouwkassen mag één woning worden gebouwd, tot een maximum van ten hoogste 3 woningen per agrarisch bedrijf dat wordt gesaneerd;
    • 3. ten behoeve van de bouw van woningen als hier bedoeld mogen per agrarisch bedrijf meerdere percelen in deze regeling worden betrokken, waarbij minimaal per perceel te slopen oppervlakte aan agrarische bedrijfsbebouwing resp. kassen tenminste 250 m2 resp. 1.000 m2 bedraagt;
  • c. woningbouw als bedoeld onder b. zowel op het desbetreffende voormalig agrarische bedrijfsperceel als elders kan plaatsvinden, met inachtneming van de volgende bepalingen:
    • 1. compenserende woningbouw op het desbetreffende voormalige agrarische bedrijfsperceel is uitsluitend toegelaten indien geen aantasting plaatsvindt van landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden;
    • 2. compenserende woningbouw elders dient te worden geconcentreerd binnen of in de directe nabijheid van een bestaande woonkern, waarbij voor wat betreft de situering van de woning(en) zoveel als mogelijk aansluiting dient te worden gezocht bij de bestaande bebouwing;
  • d. de wijziging van de bestemming naar 'Wonen' niet tot gevolg mag hebben dat omliggende, rechtmatig bestaande bedrijven onevenredig in hun bedrijfsvoering worden belemmerd;
  • e. het bepaalde in artikel 19 van dit plan ('Wonen') na wijziging van de bestemming van overeenkomstige toepassing is voor zover in het bepaalde met betrekking tot deze wijzigingsbevoegdheid niet anders is bepaald;
  • f. de hoogte resp. goot- of boeiboordhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan 6 resp. 3 meter;
  • g. op tenminste 3 meter achter het verlengde van de voorgevel van het bijbehorende hoofdgebouw mogen aan de zijgevel aan- en/of uitbouwen worden gebouwd:
    • 1. waarvan de breedte maximaal de helft mag bedragen van de breedte van het bijbehorende hoofdgebouw, met dien verstande dat de breedte van de aan- en/of uitbouw in elk geval ten minste 3 meter mag bedragen;
    • 2. waarvan de achterzijde maximaal 3 meter achter de oorspronkelijke achtergevel van het bijbehorende hoofdgebouw mag liggen;
  • h. op geen van de gevels van de nieuw te realiseren woning(en) ten tijde van de voltooiing daarvan de geluidsbelasting de ter plaats op grond van de Wet geluidhinder toegestane voorkeurswaarde mag overschrijden;
  • i. door middel van een inrichtingsplan de meerwaarde voor de ruimtelijke kwaliteit van de gronden moet worden aangetoond, met name ten aanzien van de beeldkwaliteit en de landschappelijke inpassing van de woonfunctie c.q. woonbebouwing, mede in relatie tot het bepaalde in de Structuurvisie Duivenvoorde en de Nota Beeldkwaliteit Duivenvoorde.
3.6.3 Voorwaarden

Alvorens te besluiten omtrent de toepassing van de wijzigingsbevoegdheden als bedoeld in de leden 3.6.1 en 3.6.2 winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een agrarisch deskundige, bij een deskundige op het gebied van cultuurhistorie en bij een deskundige op het gebied van landschappelijke waarden en landschapsarchitectuur.

Artikel 4 Agrarisch met waarden - Weidevogelgebied

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden - Weidevogelgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de bedrijfsuitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven;
  • b. de bedrijfsuitoefening van niet-grondgebonden agrarische bedrijven, indien en voor zover deze voorkomen op het tijdstip waarop dit plan wordt vastgesteld;
  • c. handhaven bestaande verkeers- en verblijfsvoorzieningen ten behoeve van de ontsluiting van een hippisch bedrijf;
  • d. de instandhouding en ontwikkeling van ter plaatse voorkomende dan wel aan deze gronden eigen landschappelijke en natuurlijke waarden en in het bijzonder de instandhouding van de habitats van weidevogels;
  • e. recreatiepaden;
  • f. extensief recreatief medegebruik, indien en voor zover de sub d. bedoelde waarden daardoor niet onevenredig (kunnen) worden aangetast;
4.2 Bouwregels
4.2.1 Gebouwen

Binnen deze bestemming mogen gebouwen ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - veldschuur' mag een veldschuur worden gebouwd, waarvan de afmetingen niet meer mogen bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel:
    Hoogte   5 m.  
    Goot- of boeiboordhoogte   2,75 m.  
    Lengte   30 m.  
    Breedte   15 m.  
  • b. uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - schuilgelegenheid' mag een schuilgelegenheid voor dieren worden gebouwd, met dien verstande dat:
    • 1. de oppervlakte van de schuilgelegenheid niet meer mag bedragen dan 25 m²;
    • 2. de hoogte van de schuilgelegenheid niet meer mag bedragen dan 3 meter;
4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. erf- en perceelsafscheidingen, met dien verstande dat de hoogte van een erf- of perceelsafscheiding niet meer mag bedragen dan 2 meter;
  • b. uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - buitenbak' mag een niet-overdekte rijbak ten behoeve van de ruitersport worden gerealiseerd, met dien verstande dat de oppervlakte van een dergelijke rijbak niet meer mag bedragen dan 800 m2;
  • c. ooievaarsnesten, met dien verstande dat de hoogte van een ooievaarsnest niet meer mag bedragen dan 7 meter.
4.3 Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 4.2.1 ten behoeve van het oprichten van een schuilgelegenheid voor dieren of berging ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering, met dien verstande dat:

  • a. per perceel of per geheel van aaneengesloten percelen, behorend tot één agrarisch bedrijf, niet meer dan één schuilgelegenheid of berging mag worden opgericht;
  • b. de oppervlakte van een schuilgelegenheid of berging niet meer mag bedragen dan 25 m²;
  • c. de hoogte van een schuilgelegenheid of berging niet meer mag bedragen dan 3,0 meter;
4.4 Aanlegvergunning
4.4.1 Aanlegverbod zonder aanlegvergunning

Het is verboden op de in artikel 4.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen en verharden van wegen en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  • b. het verlagen van de bodem en het afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden;
  • c. het aanleggen en dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterpartijen;
  • d. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • e. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout;
  • f. diepploegen, dat wil zeggen het extra diep omploegen van de gronden waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd (0,4 meter of meer diep);
  • g. werken of werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tot gevolg hebben, zoals uitdiepen of draineren;
  • h. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder tevens begrepen het telen en kweken van bomen heesters (inclusief fruitbomen en boomgaarden), alsmede het beplanten met c.q. de teelt van maïs;
  • i. het (chemisch) scheuren van grasland, anders dan voor graslandverbetering;
  • j. het onttrekken van grondwater, anders dan ten behoeve van de veedrenking.
4.4.2 Uitzondering op het aanlegverbod

Het in lid 4.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale beheer en/of onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop dit plan rechtskracht verkrijgt;
  • c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een daarvoor verleende (aanleg)vergunning;
  • d. betrekking hebben op het aanbrengen van verhardingen ten behoeve van in- en/of uitritten, tot een oppervlakte van ten hoogste 10 m²;
  • e. betrekking hebben op het normale beheer en/of onderzoek op of in gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie';
  • f. betrekking hebben op de aanleg van natuurvriendelijke oevers.
4.4.3 Voorwaarden voor een aanlegvergunning

De aanlegvergunning wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. de werken en werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft, noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming;
  • b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van het terrein;
  • c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit;
  • d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische- en/of archeologische waarden van het terrein.
4.4.4 Verlening

Alvorens omtrent een aanvraag om aanlegvergunning te beslissen winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein c.q. de betreffende bestemming meest aangewezen instantie, zoals de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, het Hoogheemraadschap, etc.

Artikel 5 Bedrijf

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een composteringsbedrijf ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - composteringsbedrijf';
  • b. een jachtwerf ter plaatse van de functieaanduiding 'jachthaven';
  • c. een dienstwoning ten behoeve van een jachtwerf ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - dienstwoning jachthaven';
  • d. een opslagbedrijf ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - opslag bedrijf';
  • e. een verkooppunt voor motorbrandstoffen met lpg ter plaatse van de functieaanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg';
  • f. een vulpunt voor lpg ter plaatse van de functieaanduiding 'vulpunt lpg';
  • g. bijbehorende parkeer-, groen- en nutsvoorzieningen.
5.2 Bouwregels
5.2.1 Gebouwen

Binnen deze bestemming mogen gebouwen ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. de gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - dienstwoning jachthaven" mag één dienstwoning worden opgericht, met dien verstande dat de betreffende dienstwoning:
      • de gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
      • dient te worden geïntegreerd in het bestaande bouwvolume, waarbij de bestaande bouwmassa, contouren e.d. van het betreffende bouwvolume gehandhaafd dient te blijven;
      • uitsluitend op de verdieping van het betreffende bouwvolume mag worden gesitueerd en niet meer dan één bouwlaag mag beslaan;
      • een inhoud van niet meer dan ten hoogste 650 m³ mag hebben.
  • c. De hoogte resp. goot- of boeiboordhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan ten hoogste de hoogte resp. goot- of boeiboordhoogte zoals die was ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan.
5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel;
    Bouwwerken, geen gebouwen zijnde   Maximale hoogte  
    Erf- en perceelsafscheidingen op tenminste 1 meter achter de voorgevelrooilijn   2 m.
     
    Overige erf- en perceelsafscheidingen   1 m.  
    Kunstobjecten   6 m.  
    Vlaggenmasten   6 m.  
    Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   3 m.  
  • b. de maximale oppervlakte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van een overkapping mag maximaal 30 m2 bedragen.
5.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke waarden van de gronden met deze bestemming alsmede van daaraan grenzende gronden;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en/of bouwwerken.
5.4 Specifieke gebruiksregels

Tot gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt niet gerekend:

  • a. ter plaatse van de functieaanduiding 'jachthaven': het gebruik van (een gedeelte van) een hoofdgebouw ten behoeve van de ondergeschikte detailhandel in aan de bestemming gerelateerde producten tot een totaal (gezamenlijk) verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 100 m²;
  • b. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - opslag bedrijf': de bewerking dan wel verwerking van hout, tot ten hoogste een zodanige aard en omvang dat geen milieuhinder dan wel geluids- en/of overige vormen van overlast worden veroorzaakt voor de (woon)omgeving.

Artikel 6 Bedrijf - Hippisch bedrijf

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf - Hippisch bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een paardenhouderij ter plaatse van de functieaanduiding "paardenhouderij";
  • b. een manege ter plaatse van de functieaanduiding "manege";
  • c. bijbehorende parkeer-, groen- en nutsvoorzieningen.
6.2 Bouwregels
6.2.1 Gebouwen

Binnen deze bestemming mogen gebouwen ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. de gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. op het perceel Veurseweg 238 is een dienstwoning van maximaal 650 m3 toegestaan;
  • c. de dienstwoning die toegestaan is op basis van 6.2.1 lid b moet geconcentreerd op het perceel gebouwd worden;
  • d. uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - dagverblijf' mag een ondergeschikte woon- c.q. verblijfsvoorzieningen worden worden gebouwd, met dien verstande dat:
    • 1. de betreffende voorzieningen uitsluitend binnen de bestaande bebouwing mogen worden gerealiseerd;
    • 2. de betreffende voorzieningen uitsluitend ten behoeve van dagverblijf in het kader van het beheer van en toezicht op het bedrijf mogen worden gebruikt;
    • 3. een volwaardige dienstwoning ter plaatse niet is toegestaan.
  • e. De hoogte resp. goot- of boeiboordhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan ten hoogste de hoogte resp. goot- of boeiboordhoogte zoals die was ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan.
6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - buitenbak' mag een niet-overdekte rijbak ten behoeve van de ruitersport worden gerealiseerd, met dien verstande dat de oppervlakte van een dergelijke rijbak niet meer mag bedragen dan 800 m2;
  • b. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel:
    Bouwwerken, geen gebouwen zijnde   Maximale hoogte  
    Erf- en perceelsafscheidingen op tenminste 1 meter achter de voorgevelrooilijn   2 m.
     
    Overige erf- en perceelsafscheidingen   1 m.  
    Afrasteringen ten behoeve van een buitenbak   1,5 m.  
    Lichtmasten   6,5 m.  
    Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   3 m.  
  • c. de maximale oppervlakte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van een overkapping mag maximaal 30 m2 bedragen.
6.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de gronden met deze bestemming alsmede van de daaraan grenzende gronden;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en/of bouwwerken.
6.4 Aanlegvergunning
6.4.1 Aanlegverbod zonder aanlegvergunning

Het is verboden op de in artikel 6.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen en verharden van wegen en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  • b. het verlagen van de bodem en het afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden;
  • c. het aanleggen en dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterpartijen;
  • d. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • e. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout;
  • f. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder tevens begrepen het telen en kweken van bomen heesters (inclusief fruitbomen en boomgaarden), alsmede het beplanten met c.q. de teelt van maïs;
6.4.2 Uitzondering op het aanlegverbod

Het in lid 6.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale beheer en/of onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop dit plan wordt vastgesteld;
  • c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een daarvoor verleende (aanleg)vergunning;
  • d. betrekking hebben op het aanbrengen van verhardingen ten behoeve van in- en/of uitritten, tot een oppervlakte van ten hoogste 10 m²;
  • e. betrekking hebben op het normale beheer en/of onderzoek op of in gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie';
  • f. betrekking hebben op de aanleg van natuurvriendelijke oevers.
6.4.3 Voorwaarden voor een aanlegvergunning

De aanlegvergunning wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. de werken en werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft, noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming;
  • b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van het terrein;
  • c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit;
  • d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische- en/of archeologische waarden van het terrein.
6.4.4 Verlening

Alvorens omtrent een aanvraag om aanlegvergunning te beslissen winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein c.q. de betreffende bestemming meest aangewezen instantie, zoals de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, het Hoogheemraadschap van Rijnland, etc.

Artikel 7 Bedrijf - Nuts

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf - Nuts' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. voorzieningen ten behoeve van openbaar nut c.q. de waterhuishouding in de vorm van gemalen met de daarbij behorende technische en overige voorzieningen en onbebouwde gronden;
  • b. een (pomp}gemaal van zodanig beperkte omvang, dat dit kan worden aangemerkt als bouwwerk, geen gebouw zijnde; ter plaatse van de functieaanduiding "gemaal";
  • c. bijbehorende parkeer- en groenvoorzieningen.
7.2 Bouwregels
7.2.1 Gebouwen

Binnen deze bestemming mogen gebouwen ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. de gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. de hoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan 6 meter;
7.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Binnen deze bestemming mogen bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel:
    Bouwwerken, geen gebouwen zijnde   Maximale hoogte  
    Erf- en perceelsafscheidingen   2 m.  
    Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   3 m.  
  • b. de maximale oppervlakte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van een overkapping mag maximaal 30 m2 bedragen.

Artikel 8 Gemengd - Molen

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Gemengd - Molen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de instandhouding en/of het herstel van molens en hun cultuurhistorische en/of landschappelijke waarden.
8.2 Bouwregels
8.2.1 Molens

Binnen deze bestemming is een molen toegestaan met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. de molen mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de hoogte resp. goot- of boeiboordhoogte van de molen mag niet meer bedragen dan ten hoogste de hoogte resp. goot- of boeiboordhoogte zoals die was ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan;
8.2.2 Bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Binnen deze bestemming mogen bouwwerken geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel:
    Bouwwerken, geen gebouwen zijnde   Maximale hoogte  
    Erf- en perceelsafscheidingen op ten minste 1 m. achter de voorgevelrooilijn   2 m.  
    Overige erf- en perceelsafscheidingen   1 m.  
    Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   3 m.  
  • b. de maximale oppervlakte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van een overkapping mag maximaal 30 m2 bedragen.

Artikel 9 Groen

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bermen;
  • b. plantsoenen;
  • c. waterpartijen;
  • d. speeltoestellen;
  • e. kunstobjecten;
  • f. fiets- en voetpaden;
  • g. een verkeerstunnel ten behoeve van het wegverkeer ter plaatse van de functieaanduiding "tunnel";
9.2 Bouwregels

Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

9.2.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Binnen deze bestemming mogen bouwwerken geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel:
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde   Maximale hoogte  
Erf- en perceelsafscheidingen op ten minste 1 m. achter de voorgevelrooilijn   2 m.  
Overige erf- en perceelsafscheidingen   1 m.  
Speeltoestellen   5 m.  
Kunstobjecten   6 m.  
Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   3 m.  
9.3 Aanlegvergunning
9.3.1 Aanlegverbod zonder aanlegvergunning

Het is verboden op de in artikel '9.1' bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen en verharden van wegen en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  • b. het verlagen van de bodem en het afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden;
  • c. het aanleggen en dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterpartijen;
  • d. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • e. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout;
  • f. diepploegen, dat wil zeggen het extra diep omploegen van de gronden waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd (0,4 meter of meer diep);
  • g. werken of werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tot gevolg hebben, zoals uitdiepen of draineren;
  • h. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder tevens begrepen het telen en kweken van bomen heesters (inclusief fruitbomen en boomgaarden), alsmede het beplanten met c.q. de teelt van maïs;
9.3.2 Uitzondering op het aanlegverbod

Het in lid 9.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale beheer en/of onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop dit plan rechtskracht verkrijgt;
  • c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een daarvoor verleende (aanleg)vergunning;
  • d. betrekking hebben op het aanbrengen van verhardingen ten behoeve van in- en/of uitritten, tot een oppervlakte van ten hoogste 10 m²;
  • e. betrekking hebben op het normale beheer en/of onderzoek op of in gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie';
  • f. betrekking hebben op de aanleg van natuurvriendelijke oevers.
9.3.3 Voorwaarden voor een aanlegvergunning

De aanlegvergunning wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. de werken en werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft, noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming;
  • b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van het terrein;
  • c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit;
  • d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische- en/of archeologische waarden van het terrein.
9.3.4 Verlening

Alvorens omtrent een aanvraag om aanlegvergunning te beslissen winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein c.q. de betreffende bestemming meest aangewezen instantie, zoals de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, het Hoogheemraadschap, etc.

Artikel 10 Horeca

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. 'horeca I' en/of 'horeca II' en/of 'horeca III';
  • b. aan de hoofdfunctie ondergeschikte verkeers- en groenvoorzieningen, tuinen, erven en terreinen.
10.2 Bouwregels
10.2.1 Gebouwen

Binnen deze bestemming mogen gebouwen ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. de gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. op deze gronden mogen geen dienstwoningen worden gebouwd;
  • c. de hoogte resp. goot- of boeiboordhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan ten hoogste de hoogte resp. goot- of boeiboordhoogte zoals die was ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan;
10.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Binnen deze bestemming mogen bouwwerken geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel:
    Bouwwerken, geen gebouwen zijnde   Maximale hoogte  
    Erf- en perceelsafscheidingen op ten minste 1 m. achter de voorgevelrooilijn   2 m.  
    Overige erf- en perceelsafscheidingen   1 m.  
    Kunstobjecten   6 m.  
    Vlaggenmasten   6 m.  
    Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   3 m.  
  • b. de maximale oppervlakte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van een overkapping mag maximaal 30 m2 bedragen.
10.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen omtrent de situering en de maatvoering van bebouwing, ten behoeve van:

  • a. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de gronden met deze bestemming alsmede van daaraan grenzende gronden;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en/of bouwwerken.
10.4 Ontheffing van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 10.1 , teneinde:

  • a. horeca-activiteiten toe te laten die voorkomen in één categorie hoger dan algemeen toelaatbaar, indien en voor zover de betreffende horeca-inrichting naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm alsmede getoetst aan de aangegeven maatgevende milieuaspecten) geacht kan worden te behoren tot de algemeen toelaatbare categorieën van de Staat van Horeca-activiteiten;
  • b. horeca-activiteiten toe te laten die niet in de Staat van Horeca-activiteiten zijn genoemd, indien en voor zover de betrokken horeca-inrichting naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) geacht kan worden te behoren tot de algemeen toelaatbare categorieën van de Staat van Horeca-activiteiten.

Artikel 11 Maatschappelijk - Begraafplaats

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Maatschappelijk - Begraafplaats' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. begraafplaatsen (colombaria, strooivelden e.d. daaronder mede begrepen);
  • b. gebouwde - en/of ongebouwde voorzieningen ten behoeve van begraafplaatsen;
  • c. uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding '(specifieke vorm van maatschappelijk - dienstwoning)': dienstwoningen ten behoeve van het beheer van de begraafplaats;
  • d. groenvoorzieningen;
  • e. waterlopen en waterpartijen;
  • f. wegen en paden;
  • g. parkeer- en nutsvoorzieningen.
11.2 Bouwregels
11.2.1 Gebouwen

Binnen deze bestemming mogen gebouwen ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. de gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. De hoogte van een gebouw ten behoeve van het beheer en het onderhoud van de begraafplaats mag niet meer bedragen dan 5 meter;
  • c. De hoogte resp. goot- of boeiboordhoogte van dienstwoningen mag niet meer bedragen dan ten hoogste de goot- resp. boeiboordhoogte zoals die was ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan.
11.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde (grafmonumenten daaronder niet begrepen).

Binnen deze bestemming mogen bouwwerken geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel:
    Bouwwerken, geen gebouwen zijnde   Maximale hoogte  
    Erf- en perceelsafscheidingen op ten minste 1 m. achter de voorgevelrooilijn   3 m.  
    Overige erf- en perceelsafscheidingen   1 m.  
    Kunstobjecten   6 m.  
    Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   3 m.  
  • b. de maximale oppervlakte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van een overkapping mag maximaal 30 m2 bedragen.

Artikel 12 Natuur - Bijzondere botanische waarden

12.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Natuur - Bijzondere botanische waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de instandhouding van ter plaatse voorkomende dan wel aan de betreffende gronden eigen cultuurhistorische -, landschaps-, botanische - en/of natuurwaarden;
  • b. extensief recreatief medegebruik, indien en voor zover de onder a. bedoelde waarden en/of belangen daardoor niet onevenredig (kunnen) worden aangetast;
  • c. een kwekerij ten behoeve van de teelt van siergewassen, niet zijnde de teelt met behulp van kassen, al dan niet gecombineerd met de handel in boomkwekerijgewassen en vaste planten, met de daarbij behorende parkeer-, groen- en nutsvoorzieningen ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van natuur - kwekerij';
  • d. recreatiepaden;
  • e. een verkeerstunnel ten behoeve van het wegverkeer ter plaatse van de functieaanduiding 'tunnel';
12.2 Bouwregels

Het is verboden op deze gronden te bouwen.

12.3 Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 12.2 indien en voor zover het betreft bouwwerken waarvan de oprichting noodzakelijk is voor het beheer en/of onderhoud van de gronden resp. voor het realiseren van de bestemming.

12.4 Aanlegvergunning
12.4.1 Aanlegverbod zonder aanlegvergunning

Het is verboden op de in artikel '12.1' bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen en verharden van wegen en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  • b. het verlagen van de bodem en het afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden;
  • c. het aanleggen en dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterpartijen;
  • d. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • e. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout;
  • f. diepploegen, dat wil zeggen het extra diep omploegen van de gronden waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd (0,4 meter of meer diep);
  • g. werken of werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tot gevolg hebben, zoals uitdiepen of draineren;
  • h. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder tevens begrepen het telen en kweken van bomen heesters (inclusief fruitbomen en boomgaarden), alsmede het beplanten met c.q. de teelt van maïs;
  • i. het (chemisch) scheuren van grasland, anders dan voor graslandverbetering;
  • j. het onttrekken van grondwater, anders dan ten behoeve van de veedrenking.
12.4.2 Uitzondering op het aanlegverbod

Het in lid 12.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale beheer en/of onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop dit plan rechtskracht verkrijgt;
  • c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een daarvoor verleende (aanleg)vergunning;
  • d. betrekking hebben op het aanbrengen van verhardingen ten behoeve van in- en/of uitritten, tot een oppervlakte van ten hoogste 10 m²;
  • e. betrekking hebben op het normale beheer en/of onderzoek op of in gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie';
  • f. betrekking hebben op de aanleg van natuurvriendelijke oevers.
12.4.3 Voorwaarden voor een aanlegvergunning

De aanlegvergunning wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. de werken en werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft, noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming;
  • b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van het terrein;
  • c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit;
  • d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische- en/of archeologische waarden van het terrein.
12.4.4 Verlening

Alvorens omtrent een aanvraag om aanlegvergunning te beslissen winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein c.q. de betreffende bestemming meest aangewezen instantie, zoals de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, het Hoogheemraadschap, etc.

Artikel 13 Natuur - Weidevogelgebied

13.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Natuur - Weidevogelgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de instandhouding en/of ontwikkeling van ter plaatse voorkomende dan wel aan deze gronden eigen landschaps- en natuurwaarden en in het bijzonder de instandhouding en/of ontwikkeling van habitats van weidevogels;
  • b. extensief recreatief medegebruik, indien en voor zover de onder a. bedoelde waarden en/of belangen daardoor niet onevenredig (kunnen) worden aangetast;
  • c. recreatiepaden.
13.2 Bouwregels

Het is verboden op deze gronden te bouwen.

13.3 Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 13.2, indien en voor zover het betreft bouwwerken waarvan de oprichting noodzakelijk is voor het beheer en/of onderhoud van de gronden resp. voor het realiseren van de bestemming.

13.4 Aanlegvergunning
13.4.1 Aanlegverbod zonder aanlegvergunning

Het is verboden op de in artikel '13.1' bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen en verharden van wegen en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  • b. het verlagen van de bodem en het afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden;
  • c. het aanleggen en dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterpartijen;
  • d. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • e. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout;
  • f. diepploegen, d.w.z. het extra diep omploegen van de gronden waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd (0,4 meter of meer diep);
  • g. werken of werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tot gevolg hebben, zoals uitdiepen of draineren;
  • h. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder tevens begrepen het telen en kweken van bomen heesters (inclusief fruitbomen en boomgaarden), alsmede het beplanten met c.q. de teelt van maïs;
  • i. het (chemisch) scheuren van grasland, anders dan voor graslandverbetering;
  • j. het onttrekken van grondwater, anders dan ten behoeve van de veedrenking.
13.4.2 Uitzondering op het aanlegverbod

Het in lid 13.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale beheer en/of onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop dit plan rechtskracht verkrijgt;
  • c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een daarvoor verleende (aanleg)vergunning;
  • d. betrekking hebben op het aanbrengen van verhardingen ten behoeve van in- en/of uitritten, tot een oppervlakte van ten hoogste 10 m²;
  • e. betrekking hebben op het normale beheer en/of onderzoek op of in gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie';
  • f. betrekking hebben op de aanleg van natuurvriendelijke oevers.
13.4.3 Voorwaarden voor een aanlegvergunning

De aanlegvergunning wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. de werken en werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft, noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming;
  • b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van het terrein;
  • c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit;
  • d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische- en/of archeologische waarden van het terrein.
13.4.4 Verlening

Alvorens omtrent een aanvraag om aanlegvergunning te beslissen winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein c.q. de betreffende bestemming meest aangewezen instantie, zoals de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, het Hoogheemraadschap, etc.

Artikel 14 Recreatie - Kinderboerderij

14.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Recreatie - Kinderboerderij' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een kinderboerderij;
  • b. speelvoorzieningen;
  • c. bijbehorende voorzieningen zoals verhardingen, parkeer- en groenvoorzieningen.
14.2 Bouwregels
14.2.1 Gebouwen
  • a. De gezamenlijke oppervlakte van gebouwen mag maximaal 200 m2 bedragen;
  • b. de hoogte van bebouwing mag maximaal 9 meter bedragen;
  • c. de goot- en boeiboordhoogte van gebouwen mag niet meer dan 3 meter bedragen.
14.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer dan 3 meter bedragen;
  • b. de maximale oppervlakte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van een overkapping mag maximaal 30 m2 bedragen.

Artikel 15 Verkeer

15.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wegen en straten;
  • b. voet- en fietspaden;
  • c. bermen;
  • d. parkeer-, groen- en nutsvoorzieningen;
  • e. waterpartijen;
  • f. geleiding, beveiliging en regeling van het wegverkeer;

waarbij gestreefd wordt naar een inrichting die hoofdzakelijk is gericht op de afwikkeling van het doorgaande verkeer;

15.2 Bouwregels

Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd:

  • a. bouwwerken ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het wegverkeer;
  • b. bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen;
  • c. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Met betrekking tot het bouwen geldt dat de hoogte van bouwwerken niet meer mag bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel:

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde   Maximale hoogte  
Erf- en perceelsafscheidingen   2 m.  
Kunstobjecten   6 m.  
Vlaggenmasten   6 m.  
Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   3 m.  
15.3 Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde onder 15.2 en toestaan dat een bedrijfsgebouw gedeeltelijk buiten een bouwvlak wordt gebouwd, mits:

  • a. ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer voor zover geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. het straat- en/of bebouwingsbeeld;
    • 2. de ruimtelijke kwaliteiten van het gebied;
    • 3. de verkeers- en/of sociale veiligheid;
    • 4. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

Artikel 16 Verkeer - Railverkeer

16.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer - Railverkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. spoorwegvoorzieningen;
  • b. geleiding, beveiliging en regeling van het railverkeer;
  • c. bijbehorende parkeer-, groen- en nutsvoorzieningen;
  • d. kwelsloten;
  • e. een verkeerstunnel ten behoeve van het wegverkeer ter plaatse van de functieaanduiding "tunnel";
16.2 Bouwregels

Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd:

  • a. bouwwerken ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het spoorwegverkeer;
  • b. bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen;
  • c. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • d. groenvoorzieningen.

Met betrekking tot het bouwen geldt dat de hoogte van bouwwerken niet meer mag bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel:

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde   Maximale hoogte  
Erf- en perceelsafscheidingen   2 m.  
Bovenleidingen   6 m.  
Lichtmasten en seinpalen   6 m.  
Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   3 m.  

Artikel 17 Verkeer - Verblijfsgebied

17.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. buurtontsluitingswegen;
  • b. voet- en fietspaden;
  • c. bermen;
  • d. parkeer-, groen- en nutsvoorzieningen;
  • e. waterpartijen;
  • f. speelvoorzieningen;
  • g. geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer.
17.2 Bouwregels

Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd:

  • a. bouwwerken ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het wegverkeer;
  • b. bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen;
  • c. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Met betrekking tot het bouwen geldt dat de hoogte van bouwwerken niet meer mag bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel:

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde   Maximale hoogte  
Erf- en perceelsafscheidingen   2 m.  
Speeltoestellen   5 m.  
Kunstobjecten   6 m.  
Vlaggenmasten   6 m.  
Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   3 m.  
17.3 Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde onder 17.2 en toestaan dat een bedrijfsgebouw gedeeltelijk buiten een bouwvlak wordt gebouwd, mits:

  • a. ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer voor zover geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. het straat- en/of bebouwingsbeeld;
    • 2. de ruimtelijke kwaliteiten van het gebied;
    • 3. de verkeers- en/of sociale veiligheid;
    • 4. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

Artikel 18 Water

18.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. waterberging;
  • b. waterhuishouding;
  • c. waterlopen;
  • d. waterwegen ten behoeve van verkeer over water;
  • e. vijvers, plassen, e.d.;
  • f. groenvoorzieningen, bermen, oevers, e.d.;
  • g. een woonschip ter plaatse van de functieaanduiding 'woonschepenligplaats'.

met daaraan ondergeschikt:

  • h. water- en oeverrecreatie;
  • i. aanlegplaatsen;
  • j. oeververbindingen.
18.2 Bouwregels

Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd:

  • a. remmingswerken, duikers, dukdalven, stuwdammen en overige voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en/of het verkeer over water;
  • b. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • c. de hoogte resp. goot- of boeiboordhoogte van het woonschip mag niet meer bedragen dan ten hoogste de hoogte resp. goot- of boeiboordhoogte zoals die was ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan;
  • d. alleen bijgebouwen die aanwezig zijn ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan zijn toegestaan;
  • e. met betrekking tot het bouwen gelden de volgende bepalingen:
    • 1. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 meter;
    • 2. alvorens te beslissen op enige aanvraag om bouwvergunning (en voor zover het belang van deze bestemming wordt getroffen) winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de waterbeheerder.

Artikel 19 Wonen

19.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen;
  • b. de uitoefening van aan huis verbonden beroepen;
  • c. bijbehorende tuinen en erven;
  • d. bijbehorende parkeer-, groen- en nutsvoorzieningen.
19.2 Bouwregels
19.2.1 Gebouwen

Binnen deze bestemming mogen gebouwen ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. de hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. aan- en uitbouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken;
  • c. de hoogte resp. goot- of boeiboordhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan ten hoogste de hoogte resp. goot- of boeiboordhoogte zoals die was ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan;
  • d. daar waar sprake is van verschillende hoogtes van resp. goot- of boeiboordhoogte is voor het bepaalde in lid c van dit artikel de laagste hoogte van het gebouw bepalend;
  • e. de afstand van een hoofdgebouw tot aan de zijdelingse perceelsgrens of -grenzen, waar dat hoofdgebouw niet aan een ander hoofdgebouw is aangebouwd, mag niet minder bedragen dan 3 meter;
  • f. de hoogte van aan de achtergevel van het bijbehorende hoofdgebouw aangebouwde aan- en/of uitbouwen mag niet meer bedragen dan de hoogte van de vloer van de eerste verdieping van het bijbehorende hoofdgebouw plus 0,25 meter;
  • g. de hoogte van aan de zijgevel van het bijbehorende hoofdgebouw aangebouwde aan- en/of uitbouwen mag niet meer bedragen dan de hoogte van de vloer van de eerste verdieping van het bijbehorende hoofdgebouw plus 0,25 meter en de dakhelling mag niet meer bedragen dan de dakhelling van het bijbehorende hoofdgebouw.
  • h. de achterzijde van een aan- en/of uitbouw mag niet meer dan 3 meter achter de oorspronkelijke achtergevel van het bijbehorende hoofdgebouw liggen;
  • i. op tenminste 3 meter achter het verlengde van de voorgevel van het bijbehorende hoofdgebouw mogen aan de zijgevel aan- en/of uitbouwen worden gebouwd:
    • 1. waarvan de breedte maximaal de helft mag bedragen van de breedte van het bijbehorende hoofdgebouw, met dien verstande dat de breedte van de aan- en/of uitbouw in elk geval ten minste 3 meter mag bedragen;
    • 2. waarvan de achterzijde maximaal 3 meter achter de oorspronkelijke achtergevel van het bijbehorende hoofdgebouw mag liggen.
19.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Binnen deze bestemming mogen bouwwerken geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel:
    Bouwwerken, geen gebouwen zijnde   Maximale hoogte  
    Erf- en perceelsafscheidingen op ten minste 1 m. achter de voorgevelrooilijn   2 m.  
    Overige erf- en perceelsafscheidingen   1 m.  
    Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   3 m.  
  • b. de maximale oppervlakte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van een overkapping mag maximaal 30 m2 bedragen.
19.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen met betrekking tot de afmetingen en de plaatsing van de bebouwing ten behoeve van:

  • a. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de gronden met deze bestemming alsmede van daaraan grenzende gronden;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en/of bouwwerken.
19.4 Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 19.2 ten behoeve van het oprichten van een schuilgelegenheid voor dieren of berging ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering, met dien verstande dat:

  • a. vrijstaande bijgebouwen op ten minste 1 meter achter de voorgevelrooilijn dienen te worden gesitueerd;
  • b. de hoogte van aangebouwde bijgebouwen niet meer mag bedragen dan de hoogte van de vloer van de eerste verdieping van het bijbehorende hoofdgebouw plus 0,25 meter;
  • c. de hoogte resp. goot- of boeiboordhoogte van vrijstaande bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 4,5 resp. 3 meter;
  • d. de totale gezamenlijke oppervlakte van al dan niet vrijstaande bijgebouwen per bijbehorend hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan ten hoogste 50 m².
19.5 Specifieke gebruiksregels

Het is toegestaan om delen van woningen en/of daarbij behorende erfbebouwing als kantoor- en/of praktijkruimte ten behoeve van de uitoefening van aan huis verbonden beroepen, mits:

    • 1. de woonfunctie als primaire functie in stand blijft;
    • 2. het vloeroppervlak dat wordt gebruikt ten behoeve van de uitoefening van het aan huis verbonden beroep niet meer bedraagt dan 30% van het gezamenlijk bruto vloeroppervlak van de woning met bijbehorende erfbebouwing, tot een maximum van 45 m²;
    • 3. ten behoeve van de uitoefening van het aan huis verbonden beroep op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid;
    • 4. de uitoefening van het aan huis verbonden beroep ter plaatse geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer alsmede de parkeerdruk;
    • 5. ter plaatse geen horeca- en/of detailhandelsactiviteiten plaatsvinden;
    • 6. de uitoefening van het aan huis verbonden beroep uitsluitend plaatsvindt door de bewoner(s) van de desbetreffende woning.

Artikel 20 Wonen - Landhuis

20.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen - Landhuis ' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de instandhouding van een landhuis (een kasteel daaronder mede begrepen) met de daarbij behorende voorzieningen en dienstgebouwen zoals opslag- en werkruimten;
  • b. wonen met bijbehoren tuinen en erven;
  • c. gebruik van gebouwen als museum, als ruimte voor culturele activiteiten, recepties, conferenties en daarmee naar aard en omvang gelijk te stellen activiteiten;
  • d. horeca, indien en voor zover dit ten dienste staat van resp. ondergeschikt is aan de functies als genoemd in sub a. en c.;
  • e. bijbehorende parkeer-, groen- en nutsvoorzieningen.
20.2 Bouwregels

Binnen deze bestemming mogen uitsluitend hoofdgebouwen ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. de hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. de hoogte c.q. goot- of boeiboordhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan ten hoogste de hoogte c.q. goot- of boeiboordhoogte zoals die was ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan.
  • c. Gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die dienen tot behoud of versterking van de cultuurhistorische, landschappelijke en/of architectonische waarden van het landhuis, zoals folies, prieeltjes, duiventorens en daarmee vergelijkbare bebouwing mogen uitsluitend ter plaatse van ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan bestaande bebouwing worden opgericht.
20.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen aan de situering van bebouwing in verband met:

  • a. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van cultuurhistorische, landschappelijke en/of architectonische waarden van het landhuis;
  • b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 21 Overig - Uit te werken buitenplaats 1

21.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Overig - Uit te werken buitenplaats 1 ' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de ontwikkeling van een buitenplaats of landgoed (niet zijnde bedoeld voor agrarische exploitatie);
  • b. de instandhouding, het natuurlijk beheer en/of ontwikkeling van ter plaatse voorkomende dan wel aan de betreffende gronden eigen cultuurhistorische -, landschaps-, botanische - en/of natuurwaarden;
  • c. verkeer en verblijf;
  • d. wonen met de daarbij behorende tuinen en erven;
  • e. erven en tuinen, behorende bij bestaande woningen die niet binnen deze bestemming zijn gelegen;
  • f. parkeer-, nuts- en groenvoorzieningen;
  • g. water;
  • h. waterkering;
  • i. extensief recreatief medegebruik indien en voor zover de sub b. bedoelde waarden en/of belangen daardoor niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.
21.2 Uitwerkingsregels

Burgemeester en wethouders werken de in lid 21.1 omschreven bestemming uit met inachtneming van de volgende uitwerkingsregels:

  • a. Algemeen
    • 1. De uitwerking van deze bestemming is gericht op de ontwikkeling van een buitenplaats of landgoed met een natuurbestemming alsmede een openbaar toegankelijke tuin aan de Vlietzijde van de gronden van het voormalige buiten 'Haagwijk', met inbegrip van de daar gelegen oude vijverpartij;
    • 2. Bij de uitwerking van deze bestemming dienen de randvoorwaarden ten aanzien van de stedenbouwkundige -, cultuurhistorische - en landschappelijke kwaliteit, zoals die (mede) zijn vastgelegd in de 'Structuurvisie Duivenvoorde' resp. de 'Nota Beeldkwaliteit Duivenvoorde', in acht te worden genomen;
    • 3. Bij de uitwerking van deze bestemming dient het bepaalde in artikel 32 van deze regels in acht te worden genomen.
  • b. Groenontwikkeling
    • 1. De uitwerking van deze bestemming is primair gericht op groenontwikkeling in de vorm van:
    • 2. een bos annex natuurgebied met botanische waarden met een oppervlakte van ten minste 3 hectare;
    • 3. een openbaar toegankelijke tuin met een oppervlakte van ten minste 1,5 hectare, met inbegrip van de op deze gronden gelegen oude vijverpartij.
  • c. Wonen
    • 1. Binnen de van deze regels deel uitmakende 'Zoneringskaart uitwerkingsgebieden o.g.v. Artikel 10' als Zone A aangewezen gronden mogen woningen worden ontwikkeld in de vorm van:
      • één hoofdcomplex ter plaatse van de locatie van het hoofdgebouw van het voormalige buiten 'Haagwijk', bestaande uit ten hoogste 16 appartementen of ten hoogste 4 aaneengeschakelde grondgebonden woningen, met dien verstande dat het totale bebouwde oppervlak van het hoofdcomplex niet meer mag bedragen dan 700 m²;
      • vrijstaande of aaneengeschakelde grondgebonden woningen, met dien verstande dat het totale bebouwde oppervlak van de grondgebonden woningen niet meer mag bedragen dan 500 m².
    • 2. Binnen de van deze regels deel uitmakende 'Zoneringskaart uitwerkingsgebieden o.g.v. Artikel 10' als Zone B aangewezen gronden mogen woningen worden ontwikkeld in de vorm van vrijstaande of aaneengeschakelde grondgebonden woningen, met dien verstande dat het totale bebouwde oppervlak van de grondgebonden woningen niet meer mag bedragen dan 800 m².
21.3 Bouwregels
21.3.1 Gebouwen

Met betrekking tot de maatvoering en situering van de te ontwikkelen woningen en daarbij behorende bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  • a. de afmetingen van appartementencomplexen en/of grondgebonden woningen mogen niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel:
      Hoogte   Goot- of boeiboordhoogte   Breedte   Diepte  
    Appartementencomplexen   14 m   10,5 m   36 m   17,5 m  
    Vrijstaande woningen   9 m   3,5 m   n.v.t.   n.v.t.  
    Aaneengeschakelde woningen   10,5 m   7 m   n.v.t.   n.v.t.  
  • b. de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens of -grenzen, waar dat hoofdgebouw niet aan een ander hoofdgebouw is aangebouwd, mag niet minder bedragen dan 3 meter;
  • c. hoofdcomplexen dienen te bestaan uit ten hoogste drie volwaardige bouwlagen en een kapverdieping;
  • d. grondgebonden woningen dienen te bestaan uit ten hoogste twee volwaardige bouwlagen en een kapverdieping;
  • e. per grondgebonden woning mogen -binnen hiertoe bij de uitwerking nader aan te duiden erfbebouwingsvlakken- bijgebouwen worden gebouwd met een oppervlakte van ten hoogste 50 m² en een hoogte resp. goot- of boeiboordhoogte van ten hoogste 4,5 meter resp. 3 meter, met dien verstande dat de oppervlakte van deze bijgebouwen is inbegrepen bij de maximaal te bebouwen oppervlakten, genoemd onder lid 21.2, lid c (wonen);
  • f. ten behoeve van elke woning dienen op het bij de desbetreffende woning behorende perceel ten minste 2,3 parkeerplaatsen te worden aangelegd en in stand gehouden, met dien verstande dat ten aanzien van appartementen ook parkeerplaatsen in een gezamenlijke gebouwde parkeervoorziening worden aangemerkt als parkeerplaatsen op het bijbehorende perceel;
  • g. gebouwde parkeervoorzieningen ten behoeve van appartementencomplexen dienen in een geheel verdiepte dan wel ten minste half verdiepte parkeerlaag onder het desbetreffende appartementencomplex te worden gerealiseerd en in stand gehouden;
21.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Binnen deze bestemming mogen bouwwerken geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel:
    Bouwwerken, geen gebouwen zijnde   Maximale hoogte  
    Erf- en perceelsafscheidingen op ten minste 1 m. achter de voorgevelrooilijn   2 m.  
    Overige erf- en perceelsafscheidingen   1 m.  
    Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   3 m.  
  • b. de maximale oppervlakte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van een overkapping mag maximaal 30 m2 bedragen.
21.3.3 Voorlopig bouwverbod

Op de gronden met deze bestemming mag slechts worden gebouwd indien en voor zover met betrekking tot die gronden een uitwerkingsplan is vastgesteld en het bouwplan in overeenstemming is met het uitwerkingsplan resp. met de eisen die krachtens dat plan worden gesteld.

21.4 Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 21.3.3 mits het bouwplan in overeenstemming is met het ontwerp-uitwerkingsplan dan wel op een ruimtelijke verantwoorde wijze kan worden ingepast in een reeds vastgesteld uitwerkingsplan of een daarvoor opgesteld ontwerp;

21.5 Aanlegvergunning
21.5.1 Aanlegverbod zonder aanlegvergunning

Het is verboden op de in artikel '21.1' bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen en verharden van wegen en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  • b. het verlagen van de bodem en het afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden;
  • c. het aanleggen en dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterpartijen;
  • d. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • e. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout;
  • f. diepploegen, d.w.z. het extra diep omploegen van de gronden waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd (0,4 meter of meer diep);
  • g. werken of werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tot gevolg hebben, zoals uitdiepen of draineren;
  • h. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder tevens begrepen het telen en kweken van bomen heesters (inclusief fruitbomen en boomgaarden), alsmede het beplanten met c.q. de teelt van maïs;
  • i. het (chemisch) scheuren van grasland, anders dan voor graslandverbetering;
  • j. het onttrekken van grondwater, anders dan ten behoeve van de veedrenking.
21.5.2 Uitzondering op het aanlegverbod

Het in lid 21.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale beheer en/of onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop dit plan rechtskracht verkrijgt;
  • c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een daarvoor verleende (aanleg)vergunning;
  • d. betrekking hebben op het aanbrengen van verhardingen ten behoeve van in- en/of uitritten, tot een oppervlakte van ten hoogste 10 m²;
  • e. betrekking hebben op het normale beheer en/of onderzoek op of in gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie';
  • f. betrekking hebben op de aanleg van natuurvriendelijke oevers.
21.5.3 Voorwaarden voor een aanlegvergunning

De aanlegvergunning wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. de werken en werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft, noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming;
  • b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van het terrein;
  • c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit;
  • d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische- en/of archeologische waarden van het terrein.
21.5.4 Verlening

Alvorens omtrent een aanvraag om aanlegvergunning te beslissen winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein c.q. de betreffende bestemming meest aangewezen instantie, zoals de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, het Hoogheemraadschap, etc.

Artikel 22 Overig - Uit te werken buitenplaats 2

22.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Overig - Uit te werken buitenplaats 2 ' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de ontwikkeling van een buitenplaats of landgoed (niet zijnde bedoeld voor agrarische exploitatie);
  • b. de instandhouding, het natuurlijk beheer en/of ontwikkeling van ter plaatse voorkomende dan wel aan de betreffende gronden eigen cultuurhistorische -, landschaps-, botanische - en/of natuurwaarden;
  • c. verkeer en verblijf;
  • d. wonen met de daarbij behorende tuinen en erven;
  • e. erven en tuinen, behorende bij bestaande woningen die niet binnen deze bestemming zijn gelegen;
  • f. parkeer-, nuts- en groenvoorzieningen;
  • g. water;
  • h. waterkering;
  • i. extensief recreatief medegebruik indien en voor zover de sub b. bedoelde waarden en/of belangen daardoor niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.
22.2 Uitwerkingsregels

Burgemeester en wethouders werken de in lid 22.1 omschreven bestemming uit met inachtneming van de volgende uitwerkingsregels:

  • a. Algemeen
    • 1. De uitwerking van deze bestemming is gericht op de ontwikkeling van een buitenplaats met een natuurbestemming;
    • 2. Bij de uitwerking van deze bestemming dienen de randvoorwaarden ten aanzien van de stedenbouwkundige -, cultuurhistorische - en landschappelijke kwaliteit, zoals die (mede) zijn vastgelegd in de 'Structuurvisie Duivenvoorde' resp. de 'Nota Beeldkwaliteit Duivenvoorde', in acht te worden genomen;
    • 3. Bij de uitwerking van deze bestemming dient het bepaalde in artikel 4 van deze regels in acht te worden genomen;
  • b. Groenontwikkeling
    • 1. De uitwerking van deze bestemming is primair gericht op groenontwikkeling in de vorm van een bos annex natuurgebied met botanische waarden met een oppervlakte van ten minste 1,5 hectare.
  • c. Wonen
    • 1. Op deze gronden mogen woningen worden ontwikkeld in de vorm van appartementen of vrijstaande en/of aaneengeschakelde grondgebonden woningen, met dien verstande dat het totale ten behoeve van wonen bebouwde oppervlak niet meer mag bedragen dan 2.000 m².
22.3 Bouwregels
22.3.1 Gebouwen

Met betrekking tot de maatvoering en situering van de te ontwikkelen woningen en daarbij behorende bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  • a. de afmetingen van appartementencomplexen en/of grondgebonden woningen mogen niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel:
      Hoogte   Goot- of boeiboordhoogte   Breedte   Diepte  
    Appartementencomplexen   14 m   10,5 m   n.v.t.   n.v.t.  
    Vrijstaande woningen   9 m   3,5 m   n.v.t.   n.v.t.  
    Aaneengeschakelde woningen   10,5 m   7 m   n.v.t.   n.v.t.  
  • b. de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens of -grenzen, waar dat hoofdgebouw niet aan een ander hoofdgebouw is aangebouwd, mag niet minder bedragen dan 3 meter;
  • c. hoofdcomplexen dienen te bestaan uit ten hoogste drie volwaardige bouwlagen en een kapverdieping;
  • d. grondgebonden woningen dienen te bestaan uit ten hoogste twee volwaardige bouwlagen en een kapverdieping;
  • e. per grondgebonden woning mogen -binnen hiertoe bij de uitwerking nader aan te duiden erfbebouwingsvlakken- bijgebouwen worden gebouwd met een oppervlakte van ten hoogste 50 m² en een hoogte resp. goot- of boeiboordhoogte van ten hoogste 4,5 meter resp. 3 meter, met dien verstande dat de oppervlakte van deze bijgebouwen is inbegrepen bij de maximaal te bebouwen oppervlakten, genoemd onder lid 22.2c. (wonen);
  • f. ten behoeve van elke woning dienen op het bij de desbetreffende woning behorende perceel ten minste 2,3 parkeerplaatsen te worden aangelegd en in stand gehouden, met dien verstande dat ten aanzien van appartementen ook parkeerplaatsen in een gezamenlijke gebouwde parkeervoorziening worden aangemerkt als parkeerplaatsen op het bijbehorende perceel;
  • g. gebouwde parkeervoorzieningen ten behoeve van appartementencomplexen dienen in een geheel verdiepte dan wel ten minste half verdiepte parkeerlaag onder het desbetreffende appartementencomplex te worden gerealiseerd en in stand gehouden;
22.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Binnen deze bestemming mogen bouwwerken geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel:
    Bouwwerken, geen gebouwen zijnde   Maximale hoogte  
    Erf- en perceelsafscheidingen op ten minste 1 m. achter de voorgevelrooilijn   2 m.  
    Overige erf- en perceelsafscheidingen   1 m.  
    Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   3 m.  
  • b. de maximale oppervlakte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van een overkapping mag maximaal 30 m2 bedragen.
22.3.3 Voorlopig bouwverbod

Op de gronden met deze bestemming mag slechts worden gebouwd indien en voor zover met betrekking tot die gronden een uitwerkingsplan is vastgesteld en het bouwplan in overeenstemming is met het uitwerkingsplan resp. met de eisen die krachtens dat plan worden gesteld.

22.4 Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 22.3.3 mits het bouwplan in overeenstemming is met het ontwerp-uitwerkingsplan dan wel op een ruimtelijke verantwoorde wijze kan worden ingepast in een reeds vastgesteld uitwerkingsplan of een daarvoor opgesteld ontwerp;

22.5 Aanlegvergunning
22.5.1 Aanlegverbod zonder aanlegvergunning

Het is verboden op de in artikel '22.1' bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen en verharden van wegen en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  • b. het verlagen van de bodem en het afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden;
  • c. het aanleggen en dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterpartijen;
  • d. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • e. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout;
  • f. diepploegen, d.w.z. het extra diep omploegen van de gronden waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd (0,4 meter of meer diep);
  • g. werken of werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tot gevolg hebben, zoals uitdiepen of draineren;
  • h. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder tevens begrepen het telen en kweken van bomen heesters (inclusief fruitbomen en boomgaarden), alsmede het beplanten met c.q. de teelt van maïs;
  • i. het (chemisch) scheuren van grasland, anders dan voor graslandverbetering;
  • j. het onttrekken van grondwater, anders dan ten behoeve van de veedrenking.
22.5.2 Uitzondering op het aanlegverbod

Het in lid 22.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale beheer en/of onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop dit plan rechtskracht verkrijgt;
  • c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een daarvoor verleende (aanleg)vergunning;
  • d. betrekking hebben op het aanbrengen van verhardingen ten behoeve van in- en/of uitritten, tot een oppervlakte van ten hoogste 10 m²;
  • e. betrekking hebben op het normale beheer en/of onderzoek op of in gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie';
  • f. betrekking hebben op de aanleg van natuurvriendelijke oevers.
22.5.3 Voorwaarden voor een aanlegvergunning

De aanlegvergunning wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. de werken en werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft, noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming;
  • b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van het terrein;
  • c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit;
  • d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische- en/of archeologische waarden van het terrein.
22.5.4 Verlening

Alvorens omtrent een aanvraag om aanlegvergunning te beslissen winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein c.q. de betreffende bestemming meest aangewezen instantie, zoals de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, het Hoogheemraadschap, etc.

Artikel 23 Overig - Uit te werken buitenplaats 3

23.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Overig - Uit te werken buitenplaats 3' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de ontwikkeling van een buitenplaats of landgoed (niet zijnde bedoeld voor agrarische exploitatie);
  • b. de instandhouding, het natuurlijk beheer en/of ontwikkeling van ter plaatse voorkomende dan wel aan de betreffende gronden eigen cultuurhistorische -, landschaps-, botanische - en/of natuurwaarden;
  • c. verkeer- en verblijf;
  • d. wonen met de daarbij behorende tuinen en erven;
  • e. erven en tuinen, behorende bij bestaande woningen die niet binnen deze bestemming zijn gelegen;
  • f. parkeer-, nuts- en groenvoorzieningen;
  • g. water;
  • h. waterkering;
  • i. extensief recreatief medegebruik indien en voor zover de sub b. bedoelde waarden en/of belangen daardoor niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.
23.2 Uitwerkingsregels

Burgemeester en wethouders werken de in lid 23.1 omschreven bestemming uit met inachtneming van de volgende uitwerkingsregels:

  • a. Algemeen
    • 1. De uitwerking van deze bestemming is gericht op de ontwikkeling van een buitenplaats met een natuurbestemming;
    • 2. Bij de uitwerking van deze bestemming dienen de randvoorwaarden ten aanzien van de stedenbouwkundige-, cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteit zoals die mede zijn vastgelegd in de 'Structuurvisie Duivenvoorde' resp. de 'Nota Beeldkwaliteit Duivenvoorde', in acht te worden genomen;
    • 3. Bij de uitwerking van deze bestemming dient het bepaalde in artikel 4 van deze regels in acht te worden genomen.
  • b. Groenontwikkeling
    • 1. De uitwerking van deze bestemming is primair gericht op groenontwikkeling in de vorm van een bos annex natuurgebied met botanische waarden met een oppervlakte van ten minste 1 hectare.
  • c. Wonen
    • 1. Op deze gronden mogen woningen worden ontwikkeld in de vorm van één hoofdcomplex, bestaande uit ten hoogste 16 appartementen en/of complexen van aaneengeschakelde grondgebonden woningen, met dien verstande dat het totale bebouwde oppervlak van het hoofdcomplex en complexen van aaneengeschakelde woningen niet meer mag bedragen dan 1.500 m². Daarnaast mogen op deze gronden woningen worden ontwikkeld in de vorm van vrijstaande grondgebonden woningen, met dien verstande dat het totale bebouwde oppervlak daarvan niet meer mag bedragen dan 500 m².
23.3 Bouwregels
23.3.1 Gebouwen

Met betrekking tot de maatvoering en situering van de te ontwikkelen woningen en daarbij behorende bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  • a. de afmetingen van appartementencomplexen en/of grondgebonden woningen mogen niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel:
      Hoogte   Goot- of boeiboordhoogte   Breedte   Diepte  
    Appartementencomplexen   14,5 m   10,5 m   36 m   17,5 m  
    Vrijstaande woningen   9 m   3,5 m   n.v.t.   n.v.t.  
    Aaneengeschakelde woningen   10,5 m   7 m   n.v.t.   n.v.t.  
  • b. de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens of -grenzen, waar dat hoofdgebouw niet aan een ander hoofdgebouw is aangebouwd, mag niet minder bedragen dan 3 meter;
  • c. hoofdcomplexen dienen te bestaan uit ten hoogste drie volwaardige bouwlagen en een kapverdieping;
  • d. grondgebonden woningen dienen te bestaan uit ten hoogste twee volwaardige bouwlagen en een kapverdieping;
  • e. per grondgebonden woning mogen -binnen hiertoe bij de uitwerking nader aan te duiden erfbebouwingsvlakken- bijgebouwen worden gebouwd met een oppervlakte van ten hoogste 50 m² en een hoogte resp. goot- of boeiboordhoogte van ten hoogste 4,5 meter resp. 3 meter, met dien verstande dat de oppervlakte van deze bijgebouwen is inbegrepen bij de maximaal te bebouwen oppervlakten, genoemd onder lid 23.2lid c (wonen);
  • f. ten behoeve van elke woning dienen op het bij de desbetreffende woning behorende perceel ten minste 2,3 parkeerplaatsen te worden aangelegd en in stand gehouden, met dien verstande dat ten aanzien van appartementen ook parkeerplaatsen in een gezamenlijke gebouwde parkeervoorziening worden aangemerkt als parkeerplaatsen op het bijbehorende perceel;
  • g. gebouwde parkeervoorzieningen ten behoeve van appartementencomplexen dienen in een geheel verdiepte dan wel ten minste half verdiepte parkeerlaag onder het desbetreffende appartementencomplex te worden gerealiseerd en in stand gehouden;
23.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Binnen deze bestemming mogen bouwwerken geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel:
    Bouwwerken, geen gebouwen zijnde   Maximale hoogte  
    Erf- en perceelsafscheidingen op ten minste 1 m. achter de voorgevelrooilijn   2 m.  
    Overige erf- en perceelsafscheidingen   1 m.  
    Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   3 m.  
  • b. de maximale oppervlakte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van een overkapping mag maximaal 30 m2 bedragen.
23.3.3 Voorlopig bouwverbod

Op de gronden met deze bestemming mag slechts worden gebouwd indien en voor zover met betrekking tot die gronden een uitwerkingsplan is vastgesteld en het bouwplan in overeenstemming is met het uitwerkingsplan resp. met de eisen die krachtens dat plan worden gesteld.

23.4 Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 23.3.3 mits: het bouwplan in overeenstemming is met het ontwerp-uitwerkingsplan dan wel op een ruimtelijke verantwoorde wijze kan worden ingepast in een reeds vastgesteld uitwerkingsplan of een daarvoor opgesteld ontwerp;

23.5 Aanlegvergunning
23.5.1 Aanlegverbod zonder aanlegvergunning

Het is verboden op de in artikel '23.1' bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen en verharden van wegen en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  • b. het verlagen van de bodem en het afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden;
  • c. het aanleggen en dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterpartijen;
  • d. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • e. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout;
  • f. diepploegen, d.w.z. het extra diep omploegen van de gronden waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd (0,4 meter of meer diep);
  • g. werken of werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tot gevolg hebben, zoals uitdiepen of draineren;
  • h. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder tevens begrepen het telen en kweken van bomen heesters (inclusief fruitbomen en boomgaarden), alsmede het beplanten met c.q. de teelt van maïs;
  • i. het (chemisch) scheuren van grasland, anders dan voor graslandverbetering;
  • j. het onttrekken van grondwater, anders dan ten behoeve van de veedrenking.
23.5.2 Uitzondering op het aanlegverbod

Het in lid 23.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale beheer en/of onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop dit plan rechtskracht verkrijgt;
  • c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een daarvoor verleende (aanleg)vergunning;
  • d. betrekking hebben op het aanbrengen van verhardingen ten behoeve van in- en/of uitritten, tot een oppervlakte van ten hoogste 10 m²;
  • e. betrekking hebben op het normale beheer en/of onderzoek op of in gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie';
  • f. betrekking hebben op de aanleg van natuurvriendelijke oevers.
23.5.3 Voorwaarden voor een aanlegvergunning

De aanlegvergunning wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. de werken en werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft, noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming;
  • b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van het terrein;
  • c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit;
  • d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische- en/of archeologische waarden van het terrein.
23.5.4 Verlening

Alvorens omtrent een aanvraag om aanlegvergunning te beslissen winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein c.q. de betreffende bestemming meest aangewezen instantie, zoals de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, het Hoogheemraadschap, etc.

Artikel 24 Leiding - Gas

24.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg, de instandhouding en bescherming van gasleidingen.

24.2 Bouwregels

Binnen een in lid 24.1 bij de desbetreffende leiding genoemde instandhoudings- en beschermingszone mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten behoeve van de instandhouding en de bescherming van de desbetreffende leiding.

24.3 Aanlegvergunning
24.3.1 Aanlegverbod zonder aanlegvergunning

Het is verboden op de in artikel 24.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen en verharden van wegen en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  • b. het verlagen van de bodem en het afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden;
  • c. het aanleggen en dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterpartijen;
  • d. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • e. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout;
  • f. diepploegen, dat wil zeggen het extra diep omploegen van de gronden waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd (0,4 meter of meer diep);
  • g. werken of werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tot gevolg hebben, zoals uitdiepen of draineren;
  • h. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder tevens begrepen het telen en kweken van bomen heesters (inclusief fruitbomen en boomgaarden), alsmede het beplanten met c.q. de teelt van maïs;
  • i. het (chemisch) scheuren van grasland, anders dan voor graslandverbetering;
  • j. het onttrekken van grondwater, anders dan ten behoeve van de veedrenking.
  • k. het aanbrengen van hoogopgaande of diepwortelende beplantingen;
  • l. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • m. het permanent opslaan van goederen waaronder begrepen het opslaan van afvalstoffen;
  • n. het plaatsen van objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair;
  • o. het aanleggen van geluidswallen.
24.3.2 Uitzondering op het aanlegverbod

Het in lid 24.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale beheer en/of onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop dit plan rechtskracht verkrijgt;
  • c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een daarvoor verleende (aanleg)vergunning;
  • d. betrekking hebben op het aanbrengen van verhardingen ten behoeve van in- en/of uitritten, tot een oppervlakte van ten hoogste 10 m²;
  • e. betrekking hebben op het normale beheer en/of onderzoek op of in gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie';
  • f. betrekking hebben op de aanleg van natuurvriendelijke oevers.
24.3.3 Voorwaarden voor een aanlegvergunning

De aanlegvergunning wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. de werken en werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft, noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming;
  • b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van het terrein;
  • c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit;
  • d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische- en/of archeologische waarden van het terrein.
24.3.4 Verlening

Alvorens omtrent een aanvraag om aanlegvergunning te beslissen winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein c.q. de betreffende bestemming meest aangewezen instantie, zoals de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, het Hoogheemraadschap, etc.

Artikel 25 Leiding - Hoogspanningsverbinding

25.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg, de instandhouding en bescherming van 150 kV bovengrondse hoogspanningsverbindingen.

25.2 Bouwregels

Binnen een in lid 25.1 bij de desbetreffende leiding genoemde instandhoudings- en beschermingszone mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten behoeve van de instandhouding en de bescherming van de desbetreffende leiding.

25.3 Aanlegvergunning
25.3.1 Aanlegverbod zonder aanlegvergunning

Het is verboden op de in artikel 25.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen en verharden van wegen en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  • b. het verlagen van de bodem en het afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden;
  • c. het aanleggen en dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterpartijen;
  • d. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • e. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout;
  • f. diepploegen, dat wil zeggen het extra diep omploegen van de gronden waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd (0,4 meter of meer diep);
  • g. werken of werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tot gevolg hebben, zoals uitdiepen of draineren;
  • h. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder tevens begrepen het telen en kweken van bomen heesters (inclusief fruitbomen en boomgaarden), alsmede het beplanten met c.q. de teelt van maïs;
  • i. het (chemisch) scheuren van grasland, anders dan voor graslandverbetering;
  • j. het onttrekken van grondwater, anders dan ten behoeve van de veedrenking.
  • k. het aanbrengen van hoogopgaande of diepwortelende beplantingen;
  • l. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • m. het permanent opslaan van goederen waaronder begrepen het opslaan van afvalstoffen;
  • n. het plaatsen van objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair;
  • o. het aanleggen van geluidswallen.
25.3.2 Uitzondering op het aanlegverbod

Het in lid 25.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale beheer en/of onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop dit plan rechtskracht verkrijgt;
  • c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een daarvoor verleende (aanleg)vergunning;
  • d. betrekking hebben op het aanbrengen van verhardingen ten behoeve van in- en/of uitritten, tot een oppervlakte van ten hoogste 10 m²;
  • e. betrekking hebben op het normale beheer en/of onderzoek op of in gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie';
  • f. betrekking hebben op de aanleg van natuurvriendelijke oevers.
25.3.3 Voorwaarden voor een aanlegvergunning

De aanlegvergunning wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. de werken en werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft, noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming;
  • b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van het terrein;
  • c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit;
  • d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische- en/of archeologische waarden van het terrein.
25.3.4 Verlening

Alvorens omtrent een aanvraag om aanlegvergunning te beslissen winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein c.q. de betreffende bestemming meest aangewezen instantie, zoals de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, het Hoogheemraadschap, etc.

Artikel 26 Leiding - Water

26.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Water' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg, de instandhouding en bescherming van gasleidingen.

26.2 Bouwregels

Binnen een in lid 26.1 bij de desbetreffende leiding genoemde instandhoudings- en beschermingszone mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten behoeve van de instandhouding en de bescherming van de desbetreffende leiding.

26.3 Aanlegvergunning
26.3.1 Aanlegverbod zonder aanlegvergunning

Het is verboden op de in artikel 26.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen en verharden van wegen en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  • b. het verlagen van de bodem en het afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden;
  • c. het aanleggen en dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterpartijen;
  • d. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • e. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout;
  • f. diepploegen, dat wil zeggen het extra diep omploegen van de gronden waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd (0,4 meter of meer diep);
  • g. werken of werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tot gevolg hebben, zoals uitdiepen of draineren;
  • h. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder tevens begrepen het telen en kweken van bomen heesters (inclusief fruitbomen en boomgaarden), alsmede het beplanten met c.q. de teelt van maïs;
  • i. het (chemisch) scheuren van grasland, anders dan voor graslandverbetering;
  • j. het onttrekken van grondwater, anders dan ten behoeve van de veedrenking.
  • k. het aanbrengen van hoogopgaande of diepwortelende beplantingen;
  • l. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • m. het permanent opslaan van goederen waaronder begrepen het opslaan van afvalstoffen;
  • n. het plaatsen van objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair;
  • o. het aanleggen van geluidswallen.
26.3.2 Uitzondering op het aanlegverbod

Het in lid 26.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale beheer en/of onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop dit plan rechtskracht verkrijgt;
  • c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een daarvoor verleende (aanleg)vergunning;
  • d. betrekking hebben op het aanbrengen van verhardingen ten behoeve van in- en/of uitritten, tot een oppervlakte van ten hoogste 10 m²;
  • e. betrekking hebben op het normale beheer en/of onderzoek op of in gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie';
  • f. betrekking hebben op de aanleg van natuurvriendelijke oevers.
26.3.3 Voorwaarden voor een aanlegvergunning

De aanlegvergunning wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. de werken en werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft, noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming;
  • b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van het terrein;
  • c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit;
  • d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische- en/of archeologische waarden van het terrein.
26.3.4 Verlening

Alvorens omtrent een aanvraag om aanlegvergunning te beslissen winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein c.q. de betreffende bestemming meest aangewezen instantie, zoals de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, het Hoogheemraadschap, etc.

Artikel 27 Waarde - Archeologie 2

27.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende te verwachten archeologische waarden.

27.2 Bouwregels

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de dubbelbestemming, en voorts met inachtneming van de volgende regels:

  • a. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn niet toegestaan;
27.3 Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 2 met inachtneming van de volgende regels:

  • a. ontheffing kan slechts worden verleend voor bouwwerken, voor zover deze zijn toegestaan op grond van de regels van de andere bestemmingen, waarmee de dubbelbestemming samenvalt;
  • b. ontheffing kan slechts worden verleend indien:
    • 1. de aanvrager van de ontheffing een rapport heeft overlegd van archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie, waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
    • 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport zoals onder 1. bedoeld, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de ontheffing voorschriften te verbinden, gericht op:
      • het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
      • het doen van opgravingen door een gecertificeerde organisatie;
      • begeleiding van de bouwactiviteiten door een gecertificeerde archeoloog die voldoet aan de bij de ontheffing te stellen kwalificaties.
27.4 Specifieke gebruiksregels
  • a. De regels van de dubbelbestemming gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere bestemming, waarmee de dubbelbestemming samenvalt.
  • b. De regels van een andere bestemming zijn van overeenkomstige toepassing indien en voor zover deze regels in overeenstemming zijn met de regels van de dubbelbestemming.
27.5 Aanlegvergunning
  • a. Het is verboden om op of in de gronden als bedoeld in lid 1 zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
    • 1. het uitvoeren van grondbewerkingen worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
    • 2. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen;
    • 3. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
    • 4. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
    • 5. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
    • 6. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen.
  • b. Het verbod als bedoeld in sub a. is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden:
    • 1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in lid 3, sub b, onder 1. en 2. in acht is genomen;
    • 2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
    • 3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende aanlegvergunning of een ontgrondingvergunning;
    • 4. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
  • c. Aanlegvergunning wordt verleend, indien de aanvrager van de aanlegvergunning aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts wordt aanlegvergunning verleend indien:
    • 1. de aanvrager van de aanlegvergunning een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en waarin inzicht wordt gegeven in de bodemgesteldheid;
    • 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport zoals in sub a. bedoeld, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de aanlegvergunning voorschriften te verbinden, gericht op:
      • het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
      • het doen van opgraving;
      • het begeleiden van de activiteiten door een archeologische deskundige.
27.6 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de dubbelbestemming te wijzigingen door voor een of meer bestemmingsvlakken de dubbelbestemming:

  • a. geheel of gedeeltelijk van de plankaart te verwijderen, indien:
    • 1. uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    • 2. het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.
  • b. de onderlinge begrenzing tussen verschillende dubbelbestemmingsen Waarde - Archeologie - 2 te verschuiven.

Artikel 28 Waarde - Archeologie 5

28.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie - 5' aangewezen gronden zijn bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende te verwachten archeologische waarden.

28.2 Bouwregels

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de dubbelbestemming, en voorts met inachtneming van de volgende regels:

  • a. gebouwen zijn niet toegestaan;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan tot een bouwhoogte van maximaal 3 m;
  • c. het bepaalde in de aanhef juncto sub a. en sub b. is niet van toepassing indien het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende bouwwerken:
    • 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
    • 2. een bouwwerk met een oppervlakte kleiner dan 10 m²;
    • 3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
28.3 Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 2 met inachtneming van de volgende regels:

  • a. ontheffing kan slechts worden verleend voor bouwwerken, voor zover deze zijn toegestaan op grond van de regels van de andere bestemmingen, waarmee de dubbelbestemming samenvalt;
  • b. ontheffing kan slechts worden verleend indien:
    • 1. de aanvrager van de ontheffing een rapport heeft overlegd van archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie, waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
    • 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport zoals onder 1. bedoeld, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de ontheffing voorschriften te verbinden, gericht op:
      • het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
      • het doen van opgravingen door een gecertificeerde organisatie;
      • begeleiding van de bouwactiviteiten door een gecertificeerde archeoloog die voldoet aan de bij de ontheffing te stellen kwalificaties.
28.4 Specifieke gebruiksregels
  • a. De regels van de dubbelbestemming gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere bestemming, waarmee de dubbelbestemming samenvalt.
  • b. De regels van een andere bestemming zijn van overeenkomstige toepassing indien en voor zover deze regels in overeenstemming zijn met de regels van de dubbelbestemming.
28.5 Aanlegvergunning
  • a. Het is verboden om op of in de gronden als bedoeld in lid 1 zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
    • 1. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte of bouwhoogte dan 30 cm, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
    • 2. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen;
    • 3. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
    • 4. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
    • 5. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
    • 6. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen.
  • b. Het verbod als bedoeld in sub a. is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden:
    • 1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in lid 3, sub b, onder 1. en 2. in acht is genomen;
    • 2. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 30 m²;
    • 3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
    • 4. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende aanlegvergunning of een ontgrondingvergunning;
    • 5. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;
  • c. Aanlegvergunning wordt verleend, indien de aanvrager van de aanlegvergunning aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts wordt aanlegvergunning verleend indien:
    • 1. de aanvrager van de aanlegvergunning een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en waarin inzicht wordt gegeven in de bodemgesteldheid;
    • 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport zoals in sub a. bedoeld, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de aanlegvergunning voorschriften te verbinden, gericht op:
      • het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
      • het doen van opgraving;
      • het begeleiden van de activiteiten door een archeologische deskundige.
28.6 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de dubbelbestemming te wijzigingen door voor een of meer bestemmingsvlakken de dubbelbestemming:

  • a. geheel of gedeeltelijk van de plankaart te verwijderen, indien:
    • 1. uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    • 2. het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.
  • b. de onderlinge begrenzing tussen verschillende dubbelbestemmingsen Waarde - Archeologie - 5 te verschuiven.

Artikel 29 Waarde - Archeologie 6

29.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie - 6' aangewezen gronden zijn bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende te verwachten archeologische waarden.

29.2 Bouwregels

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de dubbelbestemming, en voorts met inachtneming van de volgende regels:

  • a. gebouwen zijn niet toegestaan;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan tot een bouwhoogte van maximaal 3 m;
  • c. het bepaalde in de aanhef juncto sub a. en sub b. is niet van toepassing indien het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende bouwwerken:
    • 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
    • 2. een bouwwerk met een oppervlakte kleiner dan 1000 m²;
    • 3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 100 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
29.3 Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 2 met inachtneming van de volgende regels:

  • a. ontheffing kan slechts worden verleend voor bouwwerken, voor zover deze zijn toegestaan op grond van de regels van de andere bestemmingen, waarmee de dubbelbestemming samenvalt;
  • b. ontheffing kan slechts worden verleend indien:
    • 1. de aanvrager van de ontheffing een rapport heeft overlegd van archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie, waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en waarin inzocht wordt gegeven in de bodemgesteldheid;
    • 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport zoals onder 1. bedoeld, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de ontheffing voorschriften te verbinden, gericht op:
      • het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
      • het doen van opgravingen door een gecertificeerde organisatie;
      • begeleiding van de bouwactiviteiten door een gecertificeerde archeoloog die voldoet aan de bij de ontheffing te stellen kwalificaties.
29.4 Specifieke gebruiksregels
  • a. De regels van de dubbelbestemming gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere bestemming, waarmee de dubbelbestemming samenvalt.
  • b. De regels van een andere bestemming zijn van overeenkomstige toepassing indien en voor zover deze regels in overeenstemming zijn met de regels van de dubbelbestemming.
29.5 Aanlegvergunning
  • a. Het is verboden om op of in de gronden als bedoeld in lid 1 zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
    • 1. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte of bouwhoogte dan 100 cm, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
    • 2. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen;
    • 3. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
    • 4. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
    • 5. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
    • 6. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen.
  • b. Het verbod als bedoeld in sub a. is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden:
    • 1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in lid 3, sub b, onder 1. en 2. in acht is genomen;
    • 2. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 10 m²;
    • 3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
    • 4. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende aanlegvergunning of een ontgrondingvergunning;
    • 5. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
  • c. Aanlegvergunning wordt verleend, indien de aanvrager van de aanlegvergunning aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts wordt aanlegvergunning verleend indien:
    • 1. de aanvrager van de aanlegvergunning een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en waarin inzicht gegeven wordt in de bodemgesteldheid;
    • 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport zoals in sub a. bedoeld, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de aanlegvergunning voorschriften te verbinden, gericht op:
      • het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
      • het doen van opgraving;
      • het begeleiden van de activiteiten door een archeologische deskundige.
29.6 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de dubbelbestemming te wijzigingen door voor een of meer bestemmingsvlakken de dubbelbestemming:

  • a. geheel of gedeeltelijk van de plankaart te verwijderen, indien:
    • 1. uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    • 2. het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.
  • b. de onderlinge begrenzing tussen verschillende dubbelbestemmingsen Waarde - Archeologie - 6 te verschuiven.

Artikel 30 Waarde - Archeologie 7

30.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie - 7' aangewezen gronden zijn bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende te verwachten archeologische waarden.

30.2 Bouwregels

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de dubbelbestemming, en voorts met inachtneming van de volgende regels:

  • a. gebouwen zijn niet toegestaan;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan tot een bouwhoogte van maximaal 3 m;
  • c. het bepaalde in de aanhef juncto sub a. en sub b. is niet van toepassing indien het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende bouwwerken:
    • 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
    • 2. een bouwwerk met een oppervlakte kleiner dan 30 m²;
    • 3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
30.3 Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 2 met inachtneming van de volgende regels:

  • a. ontheffing kan slechts worden verleend voor bouwwerken, voor zover deze zijn toegestaan op grond van de regels van de andere bestemmingen, waarmee de dubbelbestemming samenvalt;
  • b. ontheffing kan slechts worden verleend indien:
    • 1. de aanvrager van de ontheffing een rapport heeft overlegd van archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie, waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
    • 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport zoals onder 1. bedoeld, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de ontheffing voorschriften te verbinden, gericht op:
      • het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
      • het doen van opgravingen door een gecertificeerde organisatie;
      • begeleiding van de bouwactiviteiten door een gecertificeerde archeoloog die voldoet aan de bij de ontheffing te stellen kwalificaties.
30.4 Specifieke gebruiksregels
  • a. De regels van de dubbelbestemming gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere bestemming, waarmee de dubbelbestemming samenvalt.
  • b. De regels van een andere bestemming zijn van overeenkomstige toepassing indien en voor zover deze regels in overeenstemming zijn met de regels van de dubbelbestemming.
30.5 Aanlegvergunning
  • a. Het is verboden om op of in de gronden als bedoeld in lid 1 zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
    • 1. het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
    • 2. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen;
    • 3. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
    • 4. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
    • 5. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
    • 6. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
    • 7. het slopen van (ondergrondse) bebouwing.
  • b. Het verbod als bedoeld in sub a. is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden:
    • 1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in lid 3, sub b, onder 1. en 2. in acht is genomen;
    • 2. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 30 m²;
    • 3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
    • 4. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende aanlegvergunning of een ontgrondingvergunning;
    • 5. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
  • c. Aanlegvergunning wordt verleend, indien de aanvrager van de aanlegvergunning aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts wordt aanlegvergunning verleend indien:
    • 1. de aanvrager van de aanlegvergunning een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en waarin inzicht gegeven wordt in de bodemgesteldheid;
    • 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport zoals in sub a. bedoeld, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de aanlegvergunning voorschriften te verbinden, gericht op:
      • het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
      • het doen van opgraving;
      • het begeleiden van de activiteiten door een archeologische deskundige.
30.6 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de dubbelbestemming te wijzigingen door voor een of meer bestemmingsvlakken de dubbelbestemming:

  • a. geheel of gedeeltelijk van de plankaart te verwijderen, indien:
    • 1. uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    • 2. het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.
  • b. de onderlinge begrenzing tussen verschillende dubbelbestemmingsen Waarde - Archeologie - 7 te verschuiven.

Artikel 31 Waarde - Archeologie 8

31.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie - 8' aangewezen gronden zijn bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende te verwachten archeologische waarden.

31.2 Bouwregels

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de dubbelbestemming, en voorts met inachtneming van de volgende regels:

  • a. gebouwen zijn niet toegestaan;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan tot een bouwhoogte van maximaal 3 m;
  • c. het bepaalde in de aanhef juncto sub a. en sub b. is niet van toepassing indien het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende bouwwerken:
    • 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
    • 2. een bouwwerk met een oppervlakte kleiner dan 1000 m²;
    • 3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 100 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
31.3 Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 2 met inachtneming van de volgende regels:

  • a. ontheffing kan slechts worden verleend voor bouwwerken, voor zover deze zijn toegestaan op grond van de regels van de andere bestemmingen, waarmee de dubbelbestemming samenvalt;
  • b. ontheffing kan slechts worden verleend indien:
    • 1. de aanvrager van de ontheffing een rapport heeft overlegd van archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie, waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en waarin inzicht wordt gegeven in de bodemgesteldheid;
    • 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport zoals onder 1. bedoeld, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de ontheffing voorschriften te verbinden, gericht op:
      • het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
      • het doen van opgravingen door een gecertificeerde organisatie;
      • begeleiding van de bouwactiviteiten door een gecertificeerde archeoloog die voldoet aan de bij de ontheffing te stellen kwalificaties.
31.4 Specifieke gebruiksregels
  • a. De regels van de dubbelbestemming gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere bestemming, waarmee de dubbelbestemming samenvalt.
  • b. De regels van een andere bestemming zijn van overeenkomstige toepassing indien en voor zover deze regels in overeenstemming zijn met de regels van de dubbelbestemming.
31.5 Aanlegvergunning
  • a. Het is verboden om op of in de gronden als bedoeld in lid 1 zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
    • 1. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 100 cm, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
    • 2. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen;
    • 3. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
    • 4. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
    • 5. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
    • 6. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen.
  • b. Het verbod als bedoeld in sub a. is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden:
    • 1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in lid 3, sub b, onder 1. en 2. in acht is genomen;
    • 2. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 1000 m²;
    • 3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
    • 4. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende aanlegvergunning of een ontgrondingvergunning;
    • 5. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
  • c. Aanlegvergunning wordt verleend, indien de aanvrager van de aanlegvergunning aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts wordt aanlegvergunning verleend indien:
    • 1. de aanvrager van de aanlegvergunning een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en waarin inzicht gegeven wordt in de bodemgesteldheid;
    • 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport zoals in sub a. bedoeld, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de aanlegvergunning voorschriften te verbinden, gericht op:
      • het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
      • het doen van opgraving;
      • het begeleiden van de activiteiten door een archeologische deskundige.
31.6 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de dubbelbestemming te wijzigingen door voor een of meer bestemmingsvlakken de dubbelbestemming:

  • a. geheel of gedeeltelijk van de plankaart te verwijderen, indien:
    • 1. uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    • 2. het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.
  • b. de onderlinge begrenzing tussen verschillende dubbelbestemmingsen Waarde - Archeologie - 8 te verschuiven.

Artikel 32 Waarde - Beschermd stads- en dorpsgezicht

32.1 Bestemmingsomschrijving

De gronden die op de verbeelding voorzien zijn van de dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd stads- en dorpsgezicht' zijn behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en/of de versterking van de aanwezige historisch-ruimtelijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden en/of elementen.

32.2 Bouwregels

Met betrekking tot de gronden als bedoeld in lid 32.1 gelden, in aanvulling op het bepaalde in artikel 3 tot en met 26 van dit plan, de volgende bepalingen:

  • a. het realiseren van de krachtens dit plan op de gronden in het plangebied gelegde bestemmingen mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de waardevolle landschaps- en bebouwingsstructuren en landschapselementen;
  • b. het realiseren van de krachtens dit plan op de gronden in het plangebied gelegde bestemmingen mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de waardevolle verkavelings- en waterstructuur zoals beschreven in de van deze planregels deel uitmakende bijlage IV (Toetsingskaart verkavelings- en waterstructuur);
  • c. het realiseren van de krachtens dit plan op de gronden in het plangebied gelegde bestemmingen mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de waardevolle landschapselementen zoals beschreven in de van deze planregels deel uitmakendebijlage V (Toetsingskaart waardevolle landschapselementen).
32.3 Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 32.2 mits:

  • a. een bouw- of inrichtingsplan resp. een beoogde wijze van gebruik geen onevenredige afbreuk doet aan resp. mede strekt tot het behoud en/of de versterking van de historisch-ruimtelijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden en/of elementen.
  • b. alvorens te beslissen omtrent het al dan niet verlenen van vrijstelling als bedoeld in lid 32.2 sub a winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een landschapsdeskundige resp. een deskundige op het gebied van cultuurhistorie.
32.4 Aanlegvergunning
32.4.1 Aanlegverbod zonder aanlegvergunning

Het is verboden op de in artikel 'Waarde - Beschermd stads- en dorpsgezicht' bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen en verharden van wegen en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  • b. het verlagen van de bodem en het afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden;
  • c. het aanleggen en dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterpartijen;
  • d. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • e. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout;
  • f. diepploegen, dat wil zeggen het extra diep omploegen van de gronden waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd (0,4 meter of meer diep);
  • g. werken of werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tot gevolg hebben, zoals uitdiepen of draineren;
  • h. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder tevens begrepen het telen en kweken van bomen heesters (inclusief fruitbomen en boomgaarden), alsmede het beplanten met c.q. de teelt van maïs;
  • i. het (chemisch) scheuren van grasland, anders dan voor graslandverbetering;
  • j. het onttrekken van grondwater, anders dan ten behoeve van de veedrenking.
32.4.2 Uitzondering op het aanlegverbod

Het in lid 32.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale beheer en/of onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop dit plan rechtskracht verkrijgt;
  • c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een daarvoor verleende (aanleg)vergunning;
  • d. betrekking hebben op het aanbrengen van verhardingen ten behoeve van in- en/of uitritten, tot een oppervlakte van ten hoogste 10 m²;
  • e. betrekking hebben op het normale beheer en/of onderzoek op of in gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie';
  • f. betrekking hebben op de aanleg van natuurvriendelijke oevers.
32.4.3 Voorwaarden voor een aanlegvergunning

De aanlegvergunning wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. de werken en werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft, noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming;
  • b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van het terrein;
  • c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit;
  • d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische- en/of archeologische waarden van het terrein.
32.4.4 Verlening

Alvorens omtrent een aanvraag om aanlegvergunning te beslissen winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein c.q. de betreffende bestemming meest aangewezen instantie, zoals de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, het Hoogheemraadschap, etc.

Artikel 33 Waterstaat - Waterkering

33.1 Bestemmingsomschrijving

De gronden die op de verbeelding voorzien zijn van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' zijn behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

  • a. dijken;
  • b. kaden;
  • c. dijksloten;
  • d. waterstaatsdoeleinden;
  • e. andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering;
33.2 Bouwregels

a. voor zover de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend met ontheffing van burgemeester en wethouders ingevolge artikel 38(Algemene ontheffingsregels) toelaatbare bouwwerken slechts worden opgericht indien en voor zover de belangen van de waterkering waarden dit toestaan;

b. binnen deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

    • 1. de hoogte c.q. goot- of boeiboordhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan aangegeven in onderstaande tabel:
      Bouwwerken, geen gebouwen zijnde   Maximale hoogte  
      Erf- en perceelsafscheidingen op ten minste 1 m. achter de voorgevelrooilijn   2 m.  
      Overige erf- en perceelsafscheidingen   1 m.  
      Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   3 m.  
    • 2. alvorens te beslissen omtrent een aanvraag om bouwvergunning en voor zover het treft het belang van deze bestemming winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de waterbeheerder.

33.3 Aanlegvergunning
33.3.1 Aanlegverbod zonder aanlegvergunning

Het is verboden op de in artikel 33.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen en verharden van wegen en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  • b. het verlagen van de bodem en het afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden;
  • c. het aanleggen en dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterpartijen;
  • d. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  • e. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout;
  • f. diepploegen, dat wil zeggen het extra diep omploegen van de gronden waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd (0,4 meter of meer diep);
  • g. werken of werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tot gevolg hebben, zoals uitdiepen of draineren;
  • h. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder tevens begrepen het telen en kweken van bomen heesters (inclusief fruitbomen en boomgaarden), alsmede het beplanten met c.q. de teelt van maïs;
  • i. het (chemisch) scheuren van grasland, anders dan voor graslandverbetering;
  • j. het onttrekken van grondwater, anders dan ten behoeve van de veedrenking.
33.3.2 Uitzondering op het aanlegverbod

Het in lid 33.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale beheer en/of onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop dit plan rechtskracht verkrijgt;
  • c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een daarvoor verleende (aanleg)vergunning;
  • d. betrekking hebben op het aanbrengen van verhardingen ten behoeve van in- en/of uitritten, tot een oppervlakte van ten hoogste 10 m²;
  • e. betrekking hebben op het normale beheer en/of onderzoek op of in gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie';
  • f. betrekking hebben op de aanleg van natuurvriendelijke oevers.
33.3.3 Voorwaarden voor een aanlegvergunning

De aanlegvergunning wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. de werken en werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft, noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun bestemming;
  • b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van het terrein;
  • c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit;
  • d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische- en/of archeologische waarden van het terrein.
33.3.4 Verlening

Alvorens omtrent een aanvraag om aanlegvergunning te beslissen winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein c.q. de betreffende bestemming meest aangewezen instantie, zoals de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, het Hoogheemraadschap, etc.