| Plan: | Oosthavenkade 55 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0622.0293bpOhkd2019-0030 |
Het gebouw aan de Oosthavenkade 55 Vlaardingen staat leeg en het plan is om het gebouw intern te verbouwen naar vier appartementen. Het uiterlijk van de buitengevels van het gebouw blijft ongewijzigd.
Binnen het vigerende bestemmingsplan 'Oostwijk - Zuid' is het gebouw bestemd voor ''Gemengd -2''. Binnen deze bestemming zijn wooneenheden toegestaan maar in de regels is opgenomen dat het aantal wooneenheden, zoals aanwezig ten tijde van de inwerking van het bestemmingsplan, niet mag worden vergroot. In het gebouw was één wooneenheid aanwezig. Omdat het aantal wooneenheden wordt vergroot in de nieuwe situatie is het bouwplan strijdig met de vigerende bestemming.
De realisatie van de vier appartementen wordt planologisch mogelijk gemaakt met voorliggend bestemmingsplan. Daarnaast wordt in dit bestemmingsplan een planologische omissie gerepareerd. Ter plaatse van de percelen Oosthavenkade 55, 53, Maasstraat 1b is een functieaanduiding ''bedrijf tot en met categorie 4.2'' opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Het is niet mogelijk een dergelijk bedrijf daar te vestigen (wegens de ligging in een overwegend woongebied) en daarnaast is het onwenselijk als een dergelijk bedrijf naast de bestaande woningen en toekomstige woningen aan de Oosthavenkade 55 wordt gevestigd. Daarom wordt de betreffende functieaanduiding voor alle van de hiervoor genoemde percelen geschrapt.
Het bestemmingsplangebied heeft betrekking op de percelen Oosthavenkade 55, 53, Maasstraat 1b. Ter plaatse van de percelen Oosthavenkade 53 en Maasstraat 1b wordt, evenals voor het perceel Oosthavenkade 55, de bestemming 'Wonen' opgenomen in plaats van de nu geldende bestemming 'Gemengd -2'.
Het plangebied ligt aan de Oosthavenkade 55 te Vlaardingen (kadastraal bekend als perceelnummer 4518, sectie B, gemeente Vlaardingen). De Oosthavenkade ligt aan de oostzijde van het plangebied en aan de overzijde van deze weg ligt de Oude Haven van Vlaardingen. De voorzijde van het gebouw is georiënteerd richting de haven.
Het gebouw grenst aan de noord- en zuidzijde aan bestaande gebouwen aan de Oosthavenkade 53 en 56. Aan de westkant grenst het gebouw aan de bestaande appartementen Maaskant 1a, 1b, 3a en 3b.
Afbeelding ligging en begrenzing plangebied Oosthavenkade 55
Het vigerende bestemmingsplan is Oostwijk- Zuid, vastgesteld op 26 juni 2014. Ter plaatste van het plangebied gelden de volgende bestemmingen en/of aanduidingen;
Gemengd - 2
De voor 'Gemengd - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor onder andere; wonen, maatschappelijke voorzieningen en kantoren. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf van categorie 4.2' zijn de gronden tevens bestemd voor bedrijfsactiviteiten uit categorie 4.1 en/of 4.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Daarnaast zijn bijbehorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen, water en ontsluitingen toegestaan. Zoals toegelicht in paragraaf 1.1 wordt de functieaanduiding 'categorie 4.2' geschrapt.
In de bouwregels van deze bestemming is opgenomen dat hoofdgebouwen binnen het bouwvlak moeten worden gebouwd en de maximum goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de aangeduide hoogte. In geval van het plangebied, een goothoogte van 12 meter en een bouwhoogte van 16 meter.
De functie wonen is toegestaan. In de algemene bouwregels is bepaald dat het aantal wooneenheden zoals aanwezig ten tijde van de inwerkingtreding van het plan mag niet worden vergroot, behalve wanneer dat elders in de regels expliciet is aangegeven. Ten tijden van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan was er één wooneenheid aanwezig in het gebouw. Het aantal nieuwe woningen bedraagt meer dan is toegestaan in het bestemmingsplan. Omdat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.
Waarde - Archeologie 2
De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de aanwezige archeologische waarden. Voor bouwwerken die ten dienste van andere bestemmingen worden gebouwd dient een archeologisch rapport te worden overlegd. Dit geldt niet indien het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken;
De bouwwerkzaamheden betreffen alleen een interne verbouwing. De bestaande vloeroppervlakte en fundering van het gebouw blijven behouden. Er vinden daarmee geen bodemverstorende werkzaamheden plaats. Een archeologisch onderzoek kan achterwege blijven. Ter bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden wordt de dubbelbestemming overgenomen in voorliggend bestemmingsplan.
Waarde - Cultuurhistorie
De voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van het 'Beschermd Stadsgezicht Vlaardingen'. Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de regels ten aanzien van bouwen. Deze regels zijn niet van toepassing voor bouwplannen die (mede) ten doel hebben het herstel van de oorspronkelijke waarden van de betreffende bouwwerken. Er mag uitsluitend worden gebouwd, indien de cultuurhistorische waarden daardoor niet onevenredig worden aangetast en daarover schriftelijk advies is ingewonnen bij de Commissie voor welstand en monumenten.
Het bouwplan wordt gerealiseerd door het gebouw intern te verbouwen. Er wordt wel een dakopbouw geplaatst om de plafondhoogte van de verschillende etages verhogen. Deze opbouw krijgt een passende uitstraling die aansluit bij de bestaande gevels. Voor de realisatie van het bouwplan is goedkeuring verleend door de Commissie voor welstand en monumenten.
Omdat de bouwwerkzaamheden mede tot doel hebben het herstel van de oorspronkelijke waarden, het oorspronkelijke uiterlijk van het gebouw ongewijzigd blijft en wordt in ere hersteld en er goedkeuring is verleend door de Commissie voor welstand en monumenten , wordt gesteld dat het bouwplan niet in strijd is met de regels van de dubbelbestemming. De dubbelbestemming wordt overgenomen in voorliggend bestemmingsplan.
Karakteristiek
Ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' gelden de volgende bouwregels:
Zoals onder het kopje 'Waarde - Cultuurhistorie' is toegelicht blijft de uitstraling van de buitengevel van het gebouw behouden. De hoogte van het gebouw wordt wel gewijzigd (toevoeging van 1,5 meter). De dakopbouw sluit qua architectuur aan op die van de (opknapte) gevel. Er vinden geen wijzigingen plaats aan de kapvorm/nokrichting. Door de Commissie voor welstand en monumenten en door de stedenbouwkundige van de gemeente Vlaardingen is goedkeuring verleend. Gesteld wordt daarom dat het bouwplan niet in strijd is met de regels behorende bij deze aanduiding. De aanduiding wordt overgenomen in voorliggend bestemmingsplan.
Afbeelding uitsnede vigerend bestemmingsplan
In Hoofdstuk 2 wordt de huidige en toekomstige situatie beschreven. In Hoofdstuk 3 wordt het relevante beleid toegelicht en in Hoofdstuk 4 worden de onderzoeken en beoordelingen van omgevingsaspecten beschreven. Tot slot wordt in Hoofdstuk 5 de uitvoerbaarheid van het plan toegelicht.
Het gebouw dateert uit het jaar 1875. Het gebouw bestaat vier bouwlagen. Onder het gebouw bevindt zich een souterrain. Het souterrain en de begane grond werden gebruikt als winkelruimte en opslagruimte. De eerste en tweede verdieping en de zolder werden gebruikt als woonruimte van één woning. Het gebouw staat sinds 2017 leeg.
Afbeelding aanzicht gebouw Oosthavenkade 55 Vlaardingen, gezien vanaf de Oosthavenkade
Afbeelding vooraanzicht bestaand gebouw
Afbeelding achteraanzicht bestaand gebouw
Afbeelding doorsnede bestaand gebouw
Het bouwplan is om vier appartementen te realiseren in het gebouw. In het souterrain worden vier bergingen gerealiseerd. Per bouwlaag wordt één appartement gerealiseerd met daarin een woonkamer, keuken, twee slaapkamers, sanitaire ruimtes en een eigen buiten ruimte. Het appartement op de begane grond kan gebruik maken van de buitenruimte aan de achterzijde van het gebouw. Bij de appartementen op de tweede bouwlaag tot en met de zolder worden balkons aan de achterzijde van het gebouw geplaatst. In het gebouw komt een lift die uitkomt op elke verdieping.
De appartementen worden na oplevering verkocht in de prijsklasse middenduur/duur.
De buitengevels van het gebouw blijven qua uiterlijk ongewijzigd. De gevels worden opgeknapt en in originele staat hersteld. Het gebouw wordt 0,73 meter hoger door het plaatsen van een dakopbouw. Dit heeft als doel de plafondhoogtes van de verschillende etages te vergroten naar (minimaal) 2,5 meter. Voor het uiterlijk van dakopbouw wordt aangesloten bij het bestaande gevelaanzicht.
Planologisch gezien wordt de bouwhoogte verhoogd met 1,5 meter. Dit komt omdat het straatpeil vanaf waar de bouwhoogte in het bestemmingsplan wordt gemeten lager ligt dan het maaiveld. Hierdoor bedraagt de planologische verhoging van de bouwhoogte meer dan de daadwerkelijke verhoging bedraagt, 0,73 meter (gemeten vanaf maaiveld).
Afbeelding vooraanzicht gebouw nieuwe situatie
Afbeelding achteraanzicht gebouw nieuwe situatie
Afbeelding doorsnede gebouw nieuwe situatie
Gezien de kleinschaligheid van het bouwplan wordt het rijksbeleid niet nader toegelicht, uitzondering hierop betreft een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking welk hieronder wordt toegelicht. Ook het provinciaal beleid wordt nader toegelicht.
Ladder
De ladder is van toepassing bij stedelijke ontwikkelingen. Op basis van jurisprudentie blijkt dat ontwikkeling van één of enkele woningen niet gezien wordt als een stedelijke ontwikkeling (Uitspraak Raad van State, ABRvS 18 december 2013, 201302867/1/R4). Het bouwplan voorziet in de realisatie van 4 woningen, waarvan 3 extra woningen ten opzichte van het geldende planologisch regime. De realisatie van minder van 11 woningen wordt, op basis van jurisprudentie, niet gezien als stedelijke ontwikkeling. Daarom wordt gesteld het bouwplan geen stedelijke ontwikkeling is en dat een onderbouwing van de ladder voor duurzame verstedelijking niet nodig is.
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie
Het beleid Omgevingsvisie ten aanzien van stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied en verstedelijking en wonen wordt toegelicht.
Verstedelijking en wonen en bestaand stads- en dorpsgebied
In lijn met de maatschappelijke behoefte zet de provincie in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie.
Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in nationale wet- en regelgeving. Uitgangspunt van de Ladder is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd.
De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouwcorporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen. Hierbij gaat de voorkeur uit naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied en georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer.
De provincie hecht waarde aan de vestigingswens van haar inwoners en hanteert het uitgangspunt dat woningen daar worden gerealiseerd waar de behoefte zich manifesteert. Het uitgangspunt daarbij is dat de juiste woning op de juiste plek (op juiste moment) wordt gerealiseerd. Dat gaat allereerst over dat gebouwd wordt naar behoefte. De bouw van nieuwe woningen moet bijdragen aan de bestaande woningvoorraad, de (sub)regionale schaal van woningmarkt en de lange termijn in ogenschouw nemend
Het bouwplan betreft de realisatie van vier appartementen binnen bestaand stads- en dorpsgebied. Hierbij wordt de bestaande bebouwde ruimte benut voor de realisatie van nieuwe kwalitatief hoogwaardige woningen. Zoals toegelicht onder het kopje ''ladder'' is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, een laddertoets is niet nodig.
De provincie heeft de ambitie om alle woningen in Zuid-Holland in 2035 CO²-neutraal en vóór 2050 klimaatrobuust ingericht en ingepast te laten zijn. Nieuwe woningen dragen bij aan een aantrekkelijke woon- en leefomgeving in Zuid-Holland. Nieuwe woningen zijn energieneutraal of leveren energie en zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering (heftige regenbuien, perioden van droogte en hittestress) en bodemdaling. Het aspect duurzaamheid wordt toegelicht in paragraaf 3.2.
Uit de Kwaliteitskaart provincie Zuid-Holland is op te maken dat het plangebied is aangewezen als historische centra en kernen. De historische centra en kernen met hun compacte bebouwingsstructuur zijn waardevolle woon- en vestigingsmilieus in Zuid-Holland en dragen bij aan de toeristische kwaliteit. Als ontwikkelingen plaatsvinden in of in de nabijheid van het historisch centrum dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de vitale stads- en dorpscentra met een gevarieerd functioneel en ruimtelijk beeld.
De richtpunten voor dit gebied zijn onder meer;
Zoals toegelicht in paragraaf 2.2 blijft het uiterlijk van de bestaande gevel behouden, deze wordt wel opgeknapt en verhoogd met een dakopbouw die dezelfde architectuur heeft als de rest van de gevel. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan het behoud van cultuurhistorische waarden in het historisch centrum van Vlaardingen. Het gebouw uit 1875 blijft behouden en wordt ingericht voor 4 appartementen, hiermee wordt een kleinschalige invulling gegeven aan de woningbehoefte van deze tijd.
Het provinciale beleid levert geen belemmeringen op.
Omgevingsverordening
Relevant voor het bouwplan is het artikel 6.9 (ruimtelijke kwaliteit). Dit wordt onderstaand toegelicht.
Ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9)
Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:
Uit de provinciale kwaliteitskaart blijkt dat de bestaande gebiedsidentiteit 'steden en dorpen' is.
De realisatie van grondgebonden woningen (in een bestaande woonwijk) in het plangebied past binnen de stedelijke omgeving van Vlaardingen.
Er is geen sprake van een wijziging op structuurniveau. De structuur van de omgeving van het plangebied kan omschreven worden als stedelijk waarbij naast woningen ook ontsluitingswegen en diverse voorzieningen aanwezig zijn. De realisatie van nieuwe woningen is passend binnen een stedelijke structuur.
Het bouwplan is passend binnen de bestaande gebiedsidentiteit en zorgt voor een kwaliteitsverbetering ter plaatse door het opknappen van het gebouw en de realisatie van vier kwalitatief hoogwaardige woningen.
Gemeentelijke visies
Stadsvisie ‘Koers op 2020’ (2000) en Actualisatie Stadsvisie ‘Koers op 2020’ (2008)
De Stadsvisie dient als belangrijkste strategische onderlegger voor de gemeentelijke beleidsontwikkeling op de lange termijn (20 jaar). Vlaardingen koerst in algemene zin op een ‘ongedeelde stad’ door het voorkomen van maatschappelijke uitsluiting en het vergroten van de ruimtelijke en sociale samenhang. Om de belangen van burgers en hun instellingen te kennen en bij het maken van plannen zoveel mogelijk gebruik te maken van de kennis en creativiteit van burgers is participatie waardevol.
Naast samenhang is evenwicht van belang. De stad moet voldoende inwoners hebben voor een goed voorzieningenniveau die wonen in een woning naar hun zin. Vlaardingen wordt een veelzijdige woonstad met gevarieerde, duurzame woonmilieus.
Vlaardingers moeten in eigen stad een wooncarrière kunnen opbouwen. Dat betekent een gevarieerd aanbod in een goed woon- en leefklimaat zoals in het Actieplan Wonen is uitgewerkt. Het tempo van de herstructureringen moet echter omhoog. En meer differentiatie in de woningvoorraad is noodzakelijk. Dit betekent vooral meer eengezinswoningen.
Actieplan Wonen, Woonvisie Vlaardingen 2008-2030 (2008)
Het Actieplan Wonen is een uitwerking van de (geactualiseerde) Stadsvisie, op het onderwerp wonen. Er worden de kaders, doelstellingen en mogelijke maatregelen voor de periode tot 2030 gegeven. Vlaardingen zal de komende jaren moeten werken aan de volgende doelen:
Voor de realisatie van de visie is een trendbreuk ten aanzien van nieuwbouw nodig: werkelijk bouwen voor de vraag in plaats van bouwen voor een maximale opbrengst of een maximum woningaantal. Er is een grootschalige herstructurering gewenst, waarbij verouderde wijken geleidelijk worden omgevormd naar een groenstedelijk woonmilieu met meer eengezinswoningen in lagere dichtheden. Belangrijke randvoorwaarde daarbij is dat de aandachtsgroep niet in de knel komt.
Ruimtelijke Structuurschets Vlaardingen 2020
Op 1 oktober 2003 is door de gemeenteraad van Vlaardingen de Ruimtelijke Structuurschets Vlaardingen 2020 vastgesteld, welke een uitwerking is van de Stadsvisie 'Koers op 2020'.
De Ruimtelijke Structuurschets is van belang om nieuwe projecten gericht te kunnen uitvoeren. Integraal beleid is nodig om de verschillende aanwezige 'landschappen', met elk hun eigen karakteristieke elementen en dynamiek, te kunnen behouden en benutten. De laatste jaren is Vlaardingen in een vernieuwingsproces terechtgekomen. Op tal van plaatsen zijn functieverandering en herstructurering aan de orde. Tegelijk verdient een beter beheer de nodige aandacht. In deze gemeentelijke structuurschets staan de volgende doelstellingen centraal:
Met bovenstaande doelstellingen speelt de Ruimtelijke Structuurschets Vlaardingen 2020 in op lopende projecten en anticipeert waar mogelijk op nieuw beleid
In veel buurten in de gemeente Vlaardingen wordt vrijwel uitsluitend gewoond. Differentiatie in de woningvoorraad is van belang zodat mensen een wooncarrière in de eigen buurt kunnen doorlopen.
Conclusie gemeentelijke visies
Het bouwplan voorziet in de realisatie van middeldure/dure appartementen en zorgt daarmee voor een toevoeging van woningen in de woningvoorraad. Dit levert een bijdrage aan de doorstroming op de woningmarkt en levert een bijdrage aan de vergroting van differentiatie in woonmilieus door de toevoeging van appartementen. In lijn met de ruimtelijke structuurschets Vlaardingen levert het bouwplan een bijdrage aan het herwaarderen van cultuurhistorie door het opknappen en behouden van het gebouw uit 1875. Het plan past binnen de gemeentelijke visies (stadsvisie, actieplan wonen en ruimtelijke structuurschets).
Parkeerbeleid Vlaardingen 2019
De parkeernormen die thans in Vlaardingen worden gebruikt zijn opgenomen in de Nota Parkeerbeleid 2008. In de nota Herijking Parkeerbeleid (vastgesteld in oktober 2017) en in het Actieplan Mobiliteit (vastgesteld 29 november 2018) is aangegeven dat een nota Parkeernormen zal worden opgesteld waarin de beleidsregel voor parkeereisen voor het oprichten van een bouwwerk/gebouw, verandering van een functie en uitbreiding of wijziging van bestaand gebruik zijn vastgelegd. In 2019 is daarom het gemeentelijk parkeerbeleid geactualiseerd.
De uitgangspunten van het parkeerbeleid zijn de kaders voor de parkeernormen. Dat wil zeggen:
In paragraaf 4.5 Verkeer en parkeren wordt nader ingegaan op de aspecten verkeer en parkeren
Programma Duurzaamheid Vlaardingen 2012-2015
De gemeenteraad heeft op 28 juni 2012 het Programma Duurzaamheid Vlaardingen 'Samen voor een duurzaam Vlaardingen' vastgesteld. Vlaardingen wil zowel voor zijn huidige bewoners als voor toekomstige generaties een duurzame stad aan het water zijn: schoon, groen en gezond. Een goede balans tussen sociale, ecologische en economische waarden is het uitgangspunt. Het bevorderen van een duurzame gebiedsontwikkeling is één van de acht genoemde opgaven voor de toekomst. Het streven van de gemeente Vlaardingen is dat elke ruimtelijke verandering leidt tot een betere duurzame leefomgeving en daarmee tot economische waarde.
Bouwplan in relatie tot duurzaamheid
De realisatie van de nieuwe appartementen in het bestaande gebouw zorgt voor een duurzaam hergebruik van de bestaande bebouwing. De nieuwe woningen worden zo duurzaam en energie-efficiënt mogelijk ontworpen. Het uitgangspunt is om waar mogelijk maatregelen te treffen in het belang van duurzaamheid. Onderstaand wordt uiteengezet op welke wijze het plan bijdraagt aan een betere duurzame leefomgeving.
Energie
Op basis van het "rechtens verkregen niveau" (de woningen worden in een bestaand gebouw gerealiseerd) wordt aan het energieverbruik van de woningen geen EPC-eis gesteld. Wel moeten de woningen voldoen aan de basiseisen voor ventilatie en daglicht. Niettemin is er bij de uitwerking van het plan ervoor gekozen de eisen voor nieuwbouwwoningen zoveel mogelijk te benaderen.
Isolatie
De bouwkundige schil van de woningen wordt geheel geïsoleerd op basis van de nieuwbouwnorm.
Warmte-opwekking/ventilatie
Er wordt gebruik van warmteterugwinning. Elk appartement wordt voorzien van een elektrische warmtepomp die de restwarmte uit het gebouw zal gebruiken om de gewenste temperatuur te kunnen leveren. Hiervoor wordt maar voor een klein deel elektriciteit gebruikt.
Er wordt warmte teruggewonnen uit de ventilatielucht en het douchewater. In plaats van de warme lucht naar buiten te blazen wordt hier met de warmtepomp eerst warmte van onttrokken. Deze warmte kan vervolgens ingezet worden voor de verwarming.
Van het douchewater wordt warmte onttrokken om het warmtapwater voor te verwarmen.
Met het toepassen van HR++ glas en Rc waarden die de nieuwbouweis naderen is er sprake van een schil die in het stookseizoen de warmte goed vasthoudt.
Zonnepanelen
Het dak wordt uitgevoerd als een extensief sedumdak met 32 PV panelen. Er wordt zoveel mogelijk sedumdak op het beschikbare dakvlak aangelegd. Deze absorbeert het hemelwater, houdt dit tijdelijk vast en voert het water vervolgens af naar de hemelwaterafvoer. Door de vertraagde afvoer worden de omgeving en riolering minimaal belast. De PV panelen leveren energie voor o.a. de elektrische warmtepompen.
Conclusie
Door het treffen van bovenstaande duurzaamheidsmaatregelen leidt de ruimtelijke verandering van het gebouw naar woningen tot een verbetering van de duurzame leefomgeving van het gebouw. Met bovenstaande maatregelen wordt een gebouw gerealiseerd die gebruik maakt van duurzame energiebronnen, daar zuinig mee omgaat en een aanvulling op de omgeving is.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies noodzakelijk. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2012) zijn deze richtafstanden opgenomen. Deze richtafstanden hebben betrekking op de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken.
Beoordeling
In de directe omgeving van het plangebied zijn binnen de bestemming 'Gemengd -2' diverse functies toegestaan, waaronder bedrijven met een bepaalde milieucategorie. Daarnaast ligt het plangebied aan een ontsluitingsweg tussen het station en het centrum. Er wordt daarom uitgegaan van het omgevingstype gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden met 1 afstandstap verlaagd mogen worden.
In onderstaande tabel zijn de bedrijven en/of functies met een milieucategorie in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Bedrijven die niet genoemd zijn in de tabel liggen op de voldoende afstand van het plangebied of zijn bestemd voor wonen en zijn daarom buiten beschouwing gelaten. Voor de percelen Maasstraat 1 en Oosthavenkade 53 is uitgegaan van een maximale milieucategorie 2 (conform de bestemming 'Gemengd - 2' in het vigerend bestemmingsplan). Milieucategorie 4.2, zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan, komt ter plaatse van deze percelen te vervallen.
| Bedrijf/activiteiten | Adres | Milieu cat. conform bestemmingsplan | Minimale gewenste afstand gemengd gebied | Huidige afstand |
| Bestemming Gemengd -2, diverse functies waaronder bedrijven | Maasstraat 1 a-3B | 2 | 10 meter | 3 meter |
| Bestemming Gemengd -2, diverse functies waaronder bedrijven | Oosthavenkade 51 | 2 | 10 meter | 54 meter |
| Bestemming Gemengd -2, diverse functies waaronder bedrijven | Oosthavenkade 53 | 2 | 10 meter | 0 meter |
| Bestemming Gemengd -2, diverse functies waaronder bedrijven | Oosthavenkade 56 | 2 | 10 meter | 2 meter |
| Bestemming Gemengd -2, diverse functies waaronder bedrijven | Oosthavenkade 58 | 2 | 10 meter | 22 meter |
Tabel bedrijven in de omgeving van het plangebied met de bijbehorende milieucategorie
Ter plaatse van het gebouw Oosthavenkade 51 en 58 wordt voldaan aan de richtafstand.
Ter plaatste van de gebouwen Oosthavenkade 57, Maasstraat 1a-3B en Oosthavenkade 53 wordt niet voldaan aan de richtafstand. Planologisch gezien kan een bedrijf met maximaal milieucategorie 2 worden gevestigd in deze gebouwen. In de huidige situatie zijn de gebouwen in gebruik als woningen. Ter plaatse van het plangebied en in de directe omgeving is de functie wonen reeds toegestaan binnen de bestemming 'Gemengd - 2' of binnen de bestemming 'Wonen'. Dit betekent dat als een bedrijf zich vestigt in één van de panden er rekening gehouden moet worden met de aanwezige functie wonen, de bedrijven mogen een goed woon- en leefklimaat niet belemmeren. Omdat in de gebouwen, waar niet wordt voldaan aan de richtafstand, de functie wonen reeds aanwezig is wordt de vestiging van een bedrijf in de huidige situatie al belemmerd omdat rekening gehouden moeten worden met deze functie.
Omdat de functie wonen ter plaatse van het plangebied is toegestaan wordt een verdere belemmering voor een nieuw bedrijf niet verwacht. Daarnaast is er sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied omdat er geen bedrijven zijn gevestigd in de directe omgeving en op grond van het Activiteitenbesluit is geborgd dat een bedrijf een goed woon- en leefklimaat niet mag belemmeren.
Conclusie
Het aspect bedrijven- en milieuzonering levert geen belemmeringen op.
Econsultancy heeft een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 1 bijgesloten.
Beoordeling
Met behulp van de risicokaart is een indruk van de risicobronnen in de omgeving van een plangebied verkregen. In onderstaande afbeelding is een uitsnede weergegeven van de risicokaart.
Afbeelding uitsnede risico kaart met aanduiding locatie
Het plangebied is in de afbeelding zwart omcirkelt en met een pijl aangeduid. De volgende risicobronnen liggen in de omgeving van het plangebied;
Binnen 1 kilometer afstand tot het plan zijn enkele inrichtingen aanwezig die relevant zijn met betrekking tot externe veiligheid.
Op circa 340 meter ten zuidoosten van het plan ligt de inrichting van Aveno (1). De inrichting is aan-geduid op de risicokaart vanwege de opslag van ammoniak. Er is echter geen sprake van een in-vloedsgebied voor de betreffende inrichting. Ten oosten van Aveno is de B.V. NEM (2) gelegen. Op de inrichting is het Bevi niet van toepassing, maar is aangeduid als een BRZO-inrichting type A. De inrichting heeft geen invloed op het plan.
Op 600 meter ten zuidoosten ligt de inrichting Vopak (3). Binnen de inrichting vindt opslag in tanks plaats. Uit de risicokaart volgt een relatief groot gebied met een plaatsgebonden risico van 10-6/jaar of meer. Het invloedsgebied van de inrichting bedraagt 977 meter. Maatgevend scenario is een toxische calamiteit als gevolg van een aanvaring. In de verantwoording groepsrisico wordt stilgestaan bij het scenario ‘toxische wolk’, dit wordt onderstaand toegelicht.
Ten noorden van de inrichting van Vopak is de terminal van DFDS gelegen (D). Deze inrichting is op de risicokaart niet aangegeven. Er is geen sprake van op- of overslag van risicovolle stoffen, wel is het volgens de website van het bedrijf mogelijk om “hazardous cargo” te vervoeren tussen Rotterdam en Immingham. Omdat de inrichting niet wordt vermeld op de risicokaart, wordt gesteld dat deze niet relevant is te noemen met betrekking tot het plangebied.
Op circa 370 meter in zuidelijke richting ligt Deltahout B.V. (4). De inrichting is aangeduid op de risi-cokaart vanwege de opslag van brandbare vaste stoffen, meer bepaald hout. Er is echter geen sprake van een invloedsgebied.
Op meer dan 1 kilometer in zuidwestelijke richting zijn nog een inrichting met propaantank en een bouwmarkt gelegen (5). Het plan is niet binnen het invloedsgebied van deze inrichtingen gelegen. Verantwoording van het groepsrisico is niet aan de orde.
De Nieuwe Maas (6), gelegen op circa 900 meter ten zuiden van het plan, maakt deel uit van het Ba-sisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied. In de verantwoording groepsrisico wordt stilgestaan bij het scenario ‘toxische wolk’, dit wordt onderstaand toegelicht.
In de nabijheid van het plangebied zijn diverse buisleidingen aanwezig. Het plan ligt op meer dan 800 meter tot de meest nabijgelegen leiding. Een kwantitatieve risicoanalyse of verantwoording van het groepsrisico is niet aan de orde.
Verantwoording groepsrisico
Het plan ligt binnen het invloedsgebied van Vopak en transport via de Nieuwe Maas, derhalve is een verantwoording groepsrisico opgesteld. Het gebied ten noorden van de spoorlijn/metrolijn bestaat uit de dichtbebouwde kom van Vlaardingen met hoge aanwezigheidsdichtheid. Het toevoegen van de wooneenheden heeft daarom geen significante invloed op het groepsrisico.
Analyse van scenario's
In relatie tot het plan is enkel het vrijkomen van toxische wolken relevant. Deze kunnen vrijkomen bij calamiteiten op de Nieuwe Maas, bij Vopak of andere nabijgelegen inrichtingen. In dat geval moeten aanwezigen direct worden gewaarschuwd, bijvoorbeeld met behulp van sirenes en NL-Alert. Ramen en deuren moeten worden gesloten en aanwezigen moeten inpandig schuilen tot het gevaar is gewe-ken. Bij voorkeur worden de woningen uitgerust met ventilatievoorzieningen die eenvoudig centraal uitgeschakeld en/of dichtgezet kunnen worden.
Zelfredzaamheid
De woningen zijn niet specifiek bedoeld voor aanwezigen met een beperkte zelfredzaamheid. In geval van calamiteiten kunnen aanwezigen, als de situatie dat toelaat, het gebouw ontvluchten in een richting loodrecht op de windrichting. Het water van de Oude Haven vormt een belemmering in westelijke richting, maar ontvluchting in alle andere richtingen is mogelijk.
Conclusie
Gelet op voorgaande wordt gesteld dat het aspect externe veiligheid geen belemmering oplevert voor het bouwplan.
In het Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Een m.e.r.-procedure is noodzakelijk als een besluit wordt genomen over een activiteit waarbij belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. In het Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is moet:
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Het maakt daarvoor niet uit of het een activiteit onder of boven de D-drempel betreft.
Beoordeling
Het plan betreft de bouw van vier appartementen in een bestaand gebouw. In het geval van nieuwe woningen moet worden aangetoond of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. In het Besluit m.e.r. is niet gedefinieerd wat onder een stedelijk ontwikkelingsproject wordt verstaan. In het kader van de toepassing van artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (de kruimelgevallen) heeft zich jurisprudentie gevormd over het begrip stedelijk ontwikkelingsproject. Uit de jurisprudentie blijkt dat het afhangt van de concrete omstandigheden of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit-m.e.r., waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan, is niet doorslaggevend voor het zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit-m.e.r..
De drempelwaarde uit onderdeel D voor woningen ligt op 2.000 woningen of meer. Het bouwplan betreft de realisatie van vier appartementen in een bestaand gebouw waar de functie wonen reeds is toegestaan. Omdat de omvang van het gebouw gelijk blijft en de functie wonen reeds is toegestaan wordt gesteld dat er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r..
Conclusie
Een vormvrije m.e.r. beoordeling is niet van toepassing.
Buro DB heeft een akoestisch onderzoek wegverkeer, railverkeer en industrielawaai uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 2 bijgesloten.
Onderzoeksresultaten
Wegverkeerslawaai
Het bestaande pand met de beoogde nieuwe woningen is gesitueerd binnen de wettelijke geluidszones van de Spoorsingel, de Vulcaanweg-Galgweg en de Parallelweg-Westhavenkade. Daarnaast is er een invloed van het verkeer op de in het onderzoeksgebied aanwezige 30 km/uur-wegen.
Uit het onderzoek naar het wegverkeerslawaai volgt dat de geluidsbelasting ten gevolge van de 50 km/uur-wegen in alle gevallen voldoet aan de voorkeursgrenswaarde (norm) van 48 dB. Daarnaast blijkt dat de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen samen, inclusief de 30 km/uur-wegen, maximaal 60 dB (ongecorrigeerd) bedraagt. Daarmee kan de situatie vanuit de perceptie volgens de gemeentelijke beleidsregel 'Beleid hogere waarden' worden aangemerkt als 'lawaaiig'.
Ten aanzien van het wegverkeer is het treffen van geluidsbeperkende maatregelen (buiten de woningen) niet nodig. Door het geluidsniveau van de 30 km/uur-wegen (verkeer op de Oosthavenkade) is de geluidsbelasting van het wegverkeer maatgevend ter plaatse van de woningen van het plan. Aanbevolen wordt om rekening te houden met voldoende geluidwerende gevels, gebaseerd op een totale geluidsbelasting (van wegverkeer) van 60 dB op de voorgevel. De geluidsbelasting op de zij- en achtergevel voldoet aan de norm en daarmee beschikken de woningen over ten minste één geluidsluwe gevel voor wat betreft het geluid van wegverkeer.
Railverkeerslawaai
Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidszone van de spoorbaan Rotterdam -Hoek van Holland. Voor de nieuwe woningen van het plan is de te verwachten geluidsbelasting op de gevels berekend.
Uit de berekeningen volgt dat de geluidsbelasting van het verkeer op deze spoorbaan voldoet aan de norm van 55 dB. De maximale geluidsbelasting ten gevolge van het railverkeer is 52 dB. Omdat de wettelijke geluidsnorm niet wordt overschreden is nader onderzoek naar c.q. het treffen van geluidsbeperkende maatregelen voor deze situatie niet nodig.
Industrielawaai
De planlocatie is gesitueerd binnen het aandachtsgebied (geluidscontour) van bedrijventerrein 'Botlek-Pernis' en de geluidszone van industrieterrein Vulcaanhaven/Koningin Wilhelminahaven/Vettenoord (VKV). Op basis van informatie van omgevingsdienst DCMR is de maatgevende geluidsbelasting op de gevels van het pand ten gevolge van het bedrijventerrein vastgesteld op maximaal 53 dB(A) en ten gevolge van het industrieterrein op maximaal 55 dB(A).
Gelet op de situatie van de planlocatie en het pand en de aard van het geluid vanaf de beide terreinen is het treffen van geluidsbeperkende maatregelen aan de bron en/of in de overdracht niet reëel en/of doelmatig. Omdat er sprake is van normoverschrijding moet voor de realisatie van het plan ontheffing voor een hogere grenswaarde voor het industrielawaai worden aangevraagd. Het verzoek hiertoe moet worden ingediend bij de gemeente/omgevingsdienst DCMR. Bij het verlenen van de ontheffing voor het plan wordt een zorgvuldige belangenafweging gemaakt. Met ontheffing voor een hogere grenswaarde heeft het plan echter geen gevolgen voor de bedrijfsvoering van de bedrijven op de beide terreinen. De appartementen kunnen daarmee dan ook volgens plan worden gerealiseerd.
Aanbeveling
In verband met de op de voorgevel aanwezige geluidsbelasting van het wegverkeer (maximaal 60 dB), railverkeer (52 dB) en bedrijven (55 dB(A)) wordt geadviseerd om een verhoogde eis ten aanzien van de karakteristieke geluidwering (GA;k) van deze gevel aan te houden. Aanbevolen wordt uit te gaan van de maatgevende geluidsbelasting van (gecumuleerd) 60 dB ten gevolge van het wegverkeer. Dit betekent dat een karakteristieke geluidwering van de gevels (GA;k) moet worden gerealiseerd van ten minste (60- 33 =) 27 dB. Hiermee wordt het woongenot (acceptabel woon- en leefklimaat) van de nieuwe appartementen geborgd.
Conclusie
Het aspect geluid levert geen belemmeringen op voor de realisatie van het bouwplan. Het besluit Hogere Waarden industrielawaai is genomen en bijgesloten als Bijlage 6.
Verkeer
Het plangebied wordt ontsloten vanaf de Oosthavenkade. De verkeersgeneratie in de nieuwe situatie bedraagt circa 20 verkeersbewegingen (kencijfers CROW, sterk stedelijk, schil centrum, koop appartementen duur en midden, 5 verkeersbewegingen per woning). Een toename van circa 15 verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige situatie.
Gezien het gebruik van de Oosthavenkade als ontsluitingsweg vanaf het station, langs de haven, richting het centrum, en andersom, wordt niet verwacht tot de toename van het aantal woningen van één naar vier zorgt voor een significante toename van het aantal verkeersbewegingen op deze weg. Het aspect verkeer levert geen belemmering op voor het bouwplan.
Parkeren
Uit het parkeerbeleid van de gemeente is op te maken dat het plangebied in het gebied schil centrum ligt. In onderstaande tabel zijn de van toepassing zijnde parkeernormen en de parkeerbehoefte toegelicht.
| Parkeernorm Schil centrum | Eenheid | Norm | Aantallen woningen | Parkeerbehoefte |
| Appartement huur 75m2 / 100m2 | Per woning | 1,1 | 2 | 2,2 |
| Appartement huur 100m2 / 125m2 | Per woning | 1,3 | 1 | 1,3 |
| Appartement huur > 125m2 | Per woning | 1,5 | 1 | 1,5 |
| Totaal | 4 | 5 |
Tabel geldende parkeernormen en de berekende parkeerbehoefte
Uit de parkeerberekening volgt dat 5 parkeerplekken gerealiseerd moeten worden om te voorzien in de parkeerbehoefte.
In de bestaande situatie was 1 woning aanwezig. De parkeervraag neemt ten opzichte van de bestaande situatie (bestaande vraag 1,1 parkeerplek) met afgerond 4 parkeerplekken toe. In de omgeving van het plangebied is voldoende parkeergelegenheid aanwezig om te voorzien in deze parkeervraag. Voor de nieuwe woningen worden parkeervergunningen aangevraagd omdat er in de omgeving van het plangebied sprake is van betaald parkeren.
Het aspect parkeren levert geen belemmering op voor het bouwplan.
Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. De 'Wet luchtkwaliteit' (2007) bevat een gebiedsgerichte aanpak via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit ( NSL). Het NSL-programma is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De Wet milieubeheer (artikel 5.12 en verder) vormt de juridische grondslag voor het NSL. Daarnaast zijn de volgende 2 besluiten relevant, namelijk het Besluit derogatie en het Besluit maatregelen richtwaarden. Deze beide besluiten zijn op 1 september 2009 in werking getreden, met terugwerkende kracht vanaf 1 augustus 2009.
Beoordeling
In de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het bouwplan betreft de realisatie van vier appartementen aan één ontsluitingsweg, de Oosthavenkade. Daardoor is deze ontwikkeling aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit is niet nodig.
Om inzicht te geven in de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van het plan zijn de concentraties uit de digitale monitoringstool, die behoort bij het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) bekeken. Uit de monitoringstool (2018) blijkt dat de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) ter plaatse van de dichtstbij gelegen doorgaande wegen, Westhavenkade en Oosthavenkade, nergens meer bedragen dan grenswaarden 40 ug/m3. De concentratie NO2 bedraagt maximaal 31,3 ug/m3 en concentratie PM10 bedraagt maximaal 19,6 ug/m3. De fijnstof (PM2,5) concentraties zijn nergens hoger dan 11,7 ug/m3 (grenswaarde 25 ug/m3). Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie is maximaal 7,2 waardoor het maximum van 35 dagen eveneens niet wordt overschreden.
Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog lager is.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit levert geen belemmering op voor het bouwplan.
In paragraaf 1.3 is toegelicht dat het bouwplan niet in strijd is met de regels uit het bestemmingsplan aangaande archeologie en cultuurhistorie.
Econsultancy heeft een quickscan flora en fauna uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Het rapport is als Bijlage 3 bijgesloten.
Onderzoek
Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen. Het verwijderen van eventueel aanwezige nestgelegenheden kan buiten het broedseizoen uitgevoerd worden. Indien werkzaamheden in het broedseizoen plaatsvinden dient voor aanvang van de werkzaamheden een broedvogelinspectie plaats te vinden.
Op basis van onderhavige quickscan dient voor de voorgenomen ingreep (met name werkzaamheden aan de steeg en aan de achtergevel van het pand) door middel van aanvullend onderzoek meer duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen. Een nader onderzoek is uitgevoerd naar de functie van het pand voor de vleermuissoorten gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Dit wordt toegelicht in subparagraaf 4.8.2.
Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen, zoals jaarrond beschermde vogels, grondgebonden zoogdieren en amfibieën, zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Om aantoonbaar aan de zorgplicht te voldoen, kan worden gewerkt conform een op maat opgesteld ecologisch werkprotocol.
Met betrekking tot de bescherming van houtopstanden zijn ten aanzien van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie geen negatieve effecten te verwachten. Met betrekking tot gebiedsbescherming zijn de effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden onderzocht door middel van een stikstofberekening. Deze wordt in subparagraaf 4.8.3 toegelicht.
Tabel onderzoeksresultaten quickscan flora en fauna
Conclusie
Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan flora en fauna is aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. Dit onderdeel wordt toegelicht in de volgende paragraaf. Voor het onderdeel gebiedsbescherming iseen onderzoek naar stikstof uitgevoerd. Deze wordt in subparagraaf 4.8.3 toegelicht.
Voor de andere aspecten is geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het bouwplan.
Habitus heeft een vleermuizenonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek richtte zich op de soorten gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Het rapport behorende bij het onderzoek is toegevoegd als Bijlage 4.
Er zijn geen beschermde functies voor vleermuizen aangetroffen binnen het projectgebied. Tijdens alle bezoeken zijn er geen in- of uitvliegende vleermuizen waargenomen. Daarnaast zijn er bij de bezoeken gericht op paarverblijven geen baltsende vleermuizen waargenomen. De platanen bomenrij en de watergang voor de woning worden mogelijk gebruikt als foerageergebied en vliegroute. Er zijn hier tijdens diverse bezoeken foeragerende vleermuizen aangetroffen. Daarnaast zijn er in de bomenrij twee baltsende gewone vleermuizen waargenomen welke mogelijk een paarverblijf in één van de bomen hebben. Deze verblijven vallen buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden.
Bij uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden wordt de Wet natuurbescherming voor de onderzochte soorten en functies niet overtreden. Het aspect flora en fauna levert geen belemmering op voor het bouwplan.
Voor het planvoornemen is een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 5 toegevoegd.
Voor zowel de werkzaamheden met betrekking tot de realisatiefase als de gebruiksfase van de appartementen, zijn met behulp van de AERIUS Calculator berekeningen gemaakt om te kunnen bepalen of er sprake is van een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden in de omgeving. De nieuwe appartementen worden voorzien van een gasaansluiting en worden elk verwarmd door middel van een individuele cv-ketel. Voor het berekenen van de stikstofdepositie in de gebruiksfase zijn zowel de voertuigbewegingen als de stikstofuitstoot van de cv-ketels van belang. Naast de gebruiksfase is ook de realisatiefase berekend.
Uit de berekeningen voor de realisatiefase volgt een bijdrage van 0,00 mol/ha/j. Er is dus geen sprake van stikstofdepositie t.g.v. de realisatiefase van dit project.
Uit de berekeningen voor de gebruiksfase volgt een bijdrage van 0,00 mol/ha/j. Er is dus geen sprake van stikstofdepositie t.g.v. de realisatiefase van dit project.
Het planvoornemen kan gezien vanuit stikstofdepositie gerealiseerd worden.
Voor de aspecten water en bodem zijn geen onderzoeken of beoordelingen nodig.
Er wordt geen nieuwbouw toegevoegd, eveneens wordt geen bebouwing gesloopt. De fundering blijft behouden; er vinden alleen inpandige verbouwwerkzaamheden plaats en er wordt een dakopbouw gerealiseerd. Daarnaast was de functie wonen al toegestaan in het plangebied. Een bodemonderzoek is niet nodig omdat er geen werkzaamheden in de bodem plaatsvinden en er geen sprake is van een functiewijziging.
Omdat de verharding in de nieuwe situatie gelijk blijft is een watertoets niet benodigd. Het plangebied ligt niet binnen de beschermingszone van een waterkering. De Oude Haven is aangewezen als secundair water, er vinden geen werken of werkzaamheden plaats in of nabij deze watergang.
In het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt bepaald hoe de afwatering en riolering van de nieuwe woningen wordt aangelegd, dit staat het planologisch mogelijk maken van de nieuwe appartementen niet in de weg. Het aspect water levert geen belemmering op voor de realisatie van de woningen.
HBA b.v. heeft voor het planvoornemen een bezonningsonderzoek uitgevoerd. Dit rapport is als Bijlage 7 bijgevoegd. Een bezonningsstudie is een onderzoek waarbij de bezonning van de bestaande bebouwing wordt vergeleken met de bezonning na het doorvoeren van de veranderingen. Voor het onderzoek zijn de dagen 19 februari en 21 oktober in beeld gebracht. Deze dagen voldoen aan de eisen van de lichte norm van TNO.
Uit het onderzoek komt naar voren dat de dakopbouw van de woning aan Oosthavenkade 55 voldoet aan de lichte norm van TNO.
De geringe verhoging van het dak zal geen extra schaduwhinder veroorzaken op de omliggende bebouwing. Omdat het dak dezelfde hoogte als de railing van het balkon krijgt, zal de bezonning van het balkon ook niet veranderen. Het bovenste dakraam wordt niet beïnvloed door de nieuwe dakopbouw. Het onderste dakraam ligt in de bestaande situatie voor een groot deel van de dag in de schaduw, maar zal door de vernieuwde dakopbouw iets meer schaduwhinder ondervinden.
Het planvoornemen kan gezien vanuit de bezonningstudie gerealiseerd worden.
Het ontwerpbestemmingsplan is ter visie gelegd en naar de betrokken overlegpartners gestuurd. Het ontwerpbestemmingsplan, het ontwerpbesluit hogere grenswaarden en bijbehorende stukken lagen met ingang van 7 januari 2021 gedurende een termijn van 6 weken digitaal ter inzage. Gedurende de ter visie termijn was het voor een ieder mogelijk een reactie in te dienen.
Gedurende de termijn zijn drie reacties ontvangen. Deze zijn samengevat en beantwoord in de nota zienswijzen, hetgeen als Bijlage 8 bij de toelichting is bijgevoegd.
Naar aanleiding van de ontvangen reacties is de toelichting aangepast op de onderdelen planbeschrijving (toelichting bouwhoogtes), duurzaamheid en bezonning.
De realisatie van het bouwplan komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. Er zijn geen gemeentelijke investeringen mee gemoeid. Dit is vastgelegd in een anterieure overeenkomst.
Het bestemmingsplan 'Oosthavenkade 55' bestaat uit bestemmingen en regels. De bestemming van de gronden is geometrisch bepaald door middel van lijnen, coderingen en arceringen. In de bestemmingen zijn regels ten aanzien van het bouwen en het gebruik opgenomen. Het plan gaat vergezeld van deze toelichting. In de toelichting worden de keuzes die zijn gemaakt bij het opstellen van de geometrische plaatsbepaling en de regels verantwoord en verduidelijkt. Vervolgens wordt hierin de uitvoerbaarheid van het plan aangetoond.
De regels bestaan uit vier hoofdstukken:
Het plan is opgesteld conform de digitaliserings- en standaardiseringsbepalingen IMRO en SVBP 2012. In de volgende paragraaf wordt een korte toelichting gegeven op de in het plan opgenomen regels.
In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard, dat wordt gebruikt in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "wijze van meten” opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan geïnterpreteerd moet worden.
In deze paragraaf zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Tevens zijn, waar mogelijk, flexibiliteitsbepalingen opgenomen. Hierna wordt een artikelsgewijze toelichting gegeven.
Binnen deze bestemming is de functie wonen toegestaan en mogen woningen worden gebouwd.
De hoofdgebouwen zijn voorzien van een bouwvlak en een hoogtebepaling; daarbuiten is nog de nodige erfbebouwing toegestaan via een regeling die is afgestemd op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Bij de woningen is een regeling opgenomen voor beroep en bedrijf aan huis (maximaal milieucategorie 2) en inwoning. Deze standaardbepalingen zijn overigens ook opgenomen voor de woningen binnen de andere bestemmingen.
Voor het plangebied geldt de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2. Deze dubbelbestemming geldt primair ten aanzien van de onderliggende bestemmingen en beogen de (mogelijk) aanwezige archeologische waarden in het plangebied te beschermen. Grondverzet is alleen mogelijk nadat hiervoor een omgevingsvergunning is verkregen.
Het Beschermd Stadsgezicht is in het bestemmingsplan voorzien van de dubbelbestemming “Waarde - Cultuurhistorie”. Hier gelden stringente bouwregels en is een omgevingsvergunning nodig voor het slopen van een pand of object, het wijzigen van stoepen en/of de indeling van wegen, het dempen van waterlopen en het verwijderen, kappen, rooien of beschadigen van bomen.
In dit hoofdstuk worden, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, aanvullende regels gesteld. Het gaat om de volgende regels:
In deze regel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om een omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen.
In de algemene gebruiksregels is aangegeven dat onder een strijdig gebruik in elk geval wordt gerekend het gebruik voor het opslaan van onbruikbare (of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken) voorwerpen, goederen, stoffen en materialen, behalve voor zover dat nodig is met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden. Tevens is opslag, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen aangemerkt als strijdig gebruik. Het gebruik voor
seksinrichtingen en bewoning van bijgebouwen is ook strijdig. Een algemene mogelijkheid voor burgemeester en wethouders tot afwijking hiervan ondervangt eventuele situaties waarin strikte toepassing van de regeling ertoe zou leiden dat het meest doelmatige gebruik van gebouwen en/of gronden niet mogelijk zou zijn.
In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen (kunnen) gelden. Zo is een bepaling opgenomen dat ondergeschikte bouwdelen, zoals uitbouwen, balkons en overstekende daken, niet worden meegerekend bij toepassing van het bepaalde in het plan ten aanzien van het bouwen. De overschrijding van de bouw- c.q. de bestemmingsgrenzen mag daarbij niet meer dan 1 meter bedragen. Met deze bepaling is het mogelijk om het in het stedenbouwkundige plan omschreven wisselende gevelbeeld mede te realiseren. Voorts is geregeld dat bestaande maten, zoals aanwezig op het moment van het inwerking treden van het plan, die strijdig zijn met de nieuwe regeling, als tenminste toelaatbaar mogen worden aangehouden.
Aanvullend op de (algemene) bouwregels gelden bijzondere bouwbepalingen voor karakteristieke bebouwing, zoals met een aanduiding ‘karakteristiek’ op de geometrische plaatsbepaling is weergegeven. Hier zijn, in afwijking van het elders in het plan bepaalde, de bestaande afmetingen en situering maximaal toelaatbaar. Er geldt een verplichting tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning bij sloopwerkzaamheden.
Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen, waarin nog een aantal algemene afwijkingsregels is opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen, bij een omgevingsvergunning, beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken. Bijvoorbeeld een geringe overschrijding van de toegestane bouwhoogte of het mogelijk maken van de bouw van schakelkastjes
(nutsgebouwtjes) in het openbare gebied.
In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsregels opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met een ontheffing geregeld kunnen worden. Bijvoorbeeld een geringe wijziging van de bestemmingsgrens.
In dit artikel is bepaald dat de wettelijke regelingen, waarnaar vanuit dit bestemmingsplan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden of luidden op het moment van vaststelling van het plan. Ook is de regeling van het Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019 opgenomen, waarin is bepaald dat moet worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen zoals vastgelegd in het Parkeernormen 2019. Via een wijzigingsbevoegdheid kunnen B&W deze bijlage desgewenst actualiseren (bijvoorbeeld als een nieuwe versie is vastgesteld).
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik, dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd.
In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.