direct naar inhoud van 4.11 Ecologie
Plan: Maasoeverzone
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0622.0208bpMaas2009-0130

4.11 Ecologie

4.11.1 Toetsingskader

De Nota Ruimte geeft het beleidskader voor de duurzame ontwikkeling en een verantwoord toekomstig grondgebruik in de vorm van onder andere de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. De EHS is op provinciaal niveau uitgewerkt in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur (PEHS).

Wat de soortenbescherming betreft is de Flora- en faunawet (Ffw) van belang. De Natuurbeschermingswet 1998 is van belang voor de gebiedsbescherming. In Bijlage 14 is nader ingegaan op de Ffw en de Natuurbeschermingswet 1998.

4.11.2 Onderzoek en conclusie

Referentiesituatie

In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan worden aangetoond. In dit verband is het van belang dat, gelet op de verplichtingen ingevolge de Ffw, aannemelijk moet worden gemaakt dat de gunstige staat van instandhouding van de beschermde soorten niet in het geding is. Hieronder wordt beschreven welke beschermde soorten naar verwachting in het plangebied aanwezig zijn en wat de ecologische gevolgen zijn van de beoogde ingrepen.

Gebiedsbescherming

Het plangebied vormt geen onderdeel van en is ook niet nabij een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de PEHS, maar grenst wel aan de PEHS Nieuwe Waterweg (zie figuur 4.4). Indien er ontwikkelingen plaatsvinden die negatieve gevolgen hebben voor de nabijgelegen PEHS, zal voorafgaand aan de ontwikkelingen contact moeten worden opgenomen met de provincie Zuid-Holland over compensatiemogelijkheden en de exacte inrichtingseisen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0622.0208bpMaas2009-0130_0007.png"

Figuur 4.4 Ligging plangebied ten opzichte van de PEHS (licht blauw)

Soortenbescherming

Het grootste deel van het plangebied is in gebruik als bedrijventerrein.

Het gebied rondom de Koggehaven gaat in de nabije toekomst getransformeerd worden naar bedrijventerrein. Het gaat om een braakliggend, reeds voorbelast terrein. Dit terrein is onderzocht op het voorkomen van de rugstreeppad.

Verder zijn er diverse veranderingen gepland in de verkeersstructuur in het plangebied en wordt de mogelijkheid geboden twee windturbines op te richten. Op enkele plekken moeten daarvoor bomen en struiken gekapt worden. Hier is nader onderzoek verricht naar het voorkomen van vleermuizen en broedvogels met vaste nesten.

Het voorkomen van soorten is bepaald aan de hand van verspreidingsatlassen (Broekhuizen, 1992; Limpens, 1997 en www.ravon.nl) en een door Adviesbureau Mertens uitgevoerd ecologisch veldonderzoek naar vleermuizen, broedvogels met vaste nesten en rugstreeppad (zie Bijlage 15).

Vaatplanten

Gezien de voorkomende biotopen in het plangebied, zijn groeiplaatsen van licht beschermde soorten als dotterbloem en zwanenbloem te verwachten in en nabij watergangen. Tevens is het mogelijk dat op de verruigde delen ook een licht beschermde soort als grote kaardenbol zijn groeiplaatsen heeft. Op basis van bekende verspreidingsgegevens en de aanwezige biotopen kan worden gesteld dat het plangebied geen zwaar beschermde soorten herbergt.

Vogels

In het opgaand groen binnen het plangebied (onder andere ter plaatse van de geplande infrastructuur en windturbines) kunnen algemeen voorkomende vogelsoorten als pimpelmees, koolmees, staartmees, roodborst, spreeuw, ekster en zwarte kraai hun leefgebied hebben. De havens en watergangen kunnen leefgebied bieden aan verschillende watervogels zoals wilde eend, knobbelzwaan en grauwe gans. Nabij het plangebied zijn verder de volgende soorten waargenomen: aalscholver, fuut, krakeend en visdief. Mogelijk dat deze soorten ook gebruikmaken van het plangebied als onderdeel van hun leefgebied. Tijdens het veldonderzoek in 2010 zijn geen broedvogels met vaste nesten waargenomen.

Zoogdieren

De Atlas van de Nederlandse zoogdieren (Broekhuizen, 1992) geeft aan dat soorten als mol, egel, gewone bosspitsmuis, dwergspitsmuis, huisspitsmuis, veldmuis en rosse woelmuis voorkomen. Mogelijk maken deze soorten ook gebruik van het plangebied als onderdeel van hun leefgebied.

Ook zijn verschillende vleermuizen (alle zwaar beschermd) als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis te verwachten in het plangebied. Tijdens het veldonderzoek in 2010 zijn alleen foeragerende vleermuizen aangetroffen. Het plangebied is slechts marginaal foerageergebied voor vleermuizen. In het plangebied zijn geen vaste rust-, verblijfs- en voortplantingsplaatsen aangetroffen.

Amfibieën

Gezien de voorkomende biotopen zijn algemene soorten als bruine kikker, groene kikker en gewone pad te verwachten in het plangebied. Er komt volgens de verspreidingsgegevens van RAVON (2008) wel een zwaar beschermde soort voor binnen het betreffende kilometerhok. Het gaat hier om de zwaar beschermde rugstreeppad. Bij grondwerkzaamheden kan de rugstreeppad aangetrokken worden en het plangebied als winterverblijfplaats gaan gebruiken, zoals het terrein rondom de Koggehaven. Op het braakliggende/zandige terrein zijn regelmatig plassen te vinden; dit biotoop is ideaal voor de rugstreeppad om te verblijven en zich voort te planten. Het voorkomen van de rugstreeppad is tijdens het veldonderzoek in 2010 niet aangetoond.

Vissen

Gezien de voorkomende biotopen is het mogelijk dat de zwaar beschermde kleine modderkruiper gebruikmaakt van het water in het plangebied. Er zijn verder geen (zwaar) beschermde soorten te verwachten; daarvoor is het plangebied ongeschikt. Wel komen de volgende zeldzame (niet beschermd volgens Ffw) soorten voor in de Nieuwe Waterweg: zalm, zeeforel en zeeprik.

Overige soorten

In het plangebied leven naar verwachting geen beschermde reptielen, insecten of andere soorten. Dergelijke soorten stellen bepaalde eisen aan hun leefgebied; het plangebied voldoet hier niet aan.

In tabel 4.8 staat aangegeven welke beschermde soorten in het plangebied (naar verwachting) voorkomen en onder welk beschermingsregime deze vallen.

Tabel 4.8 Beschermde soorten in het plangebied en het beschermingsregime

vrijstellingsregeling Flora- en faunawet   tabel 1     dotterbloem, zwanenbloem en grote kaardenbol

mol, egel, gewone bosspitsmuis, dwergspitsmuis, huisspitsmuis, veldmuis en rosse woelmuis

bruine kikker, groene kikker en gewone pad  
ontheffingsregeling Flora- en faunawet   tabel 2     kleine modderkruiper  
  tabel 3   bijlage 1 AMvB   geen  
    bijlage IV HR   alle vleermuizen (alleen foeragerend)  
  vogels   cat. 1 t/m 4   geen  

Plansituatie

Het bestemmingsplan is het besluit dat ingrepen mogelijk maakt en een aantasting van beschermde dier- of plantensoorten kan betekenen. Uiterlijk bij het nemen van een besluit dat ruimtelijke veranderingen mogelijk maakt, zal daarom zekerheid moeten zijn verkregen dat overtredingen van de Ffw niet optreden. De werkzaamheden leiden tot verstoring van alle aanwezige soorten.

  • Er zal geen ontheffing nodig zijn voor de tabel 1-soorten van de Flora- en faunawet waarvoor een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet geldt.
  • De aantasting en verstoring van vogels dient te worden voorkomen door werkzaamheden buiten het broedseizoen (broedseizoen is globaal van 15 maart tot en met 15 juli) te laten starten.
  • In het plangebied zijn geen broedvogels met vaste nesten waargenomen.
  • Het plangebied heeft alleen een functie als marginaal foerageergebied voor vleermuizen. In het plangebied zijn geen vaste rust-, verblijfs- en voortplantingsplaatsen aangetroffen.
  • Het voorkomen van de rugstreeppad is niet aangetoond op de onderzochte locaties. Naar aanleiding van het advies van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond is echter besloten om in het ontwerpbestemmingsplan een nieuwe ontsluitingsweg over de Scheurstrook mogelijk te maken. De Scheurstrook is mogelijk onderdeel van het leefgebied van de rugstreeppad. Indien de rugstreeppad hier aanwezig blijkt te zijn en aangetast wordt door toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen, dan dient overtreding van de Flora- en faunawet voorkomen te worden door het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen. Indien de vereiste maatregelen worden genomen zal de Flora- en faunawet de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staan.
  • Indien in de toekomst werkzaamheden in en/of aan de watergangen worden voorzien, is nader onderzoek naar de kleine modderkruiper (tabel 2-soort) noodzakelijk. Aantasting van de kleine modderkruiper tijdens werkzaamheden aan de watergangen dient voorkomen te worden door de soort voorafgaand aan de werkzaamheden te verplaatsen. Deze werkzaamheden kunnen zonder ontheffing uitgevoerd worden, indien de aannemer beschikt over een goedgekeurde gedragscode. Als dit niet het geval is, moet een ontheffing aangevraagd worden. Indien de vereiste maatregelen worden genomen zal overtreding van de Ffw niet plaatsvinden. De Ffw zal in dat geval de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staan.

Conclusie

Wanneer rekening wordt gehouden met de randvoorwaarden zoals beschreven in deze paragraaf, zijn er uit ecologisch oogpunt geen belemmeringen voor de uitvoering van het bestemmingsplan.