| Plan: | Sanering Glastuinbouw Torenweg Rockanje / Aelbrechtsweg Oostvoorne |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0614.bpTorenwgAelb-0100 |
Dit bestemmingsplan heeft betrekking op twee ontwikkelingen die verspreid liggen in het landelijk gebied van de gemeente Westvoorne. De aanleiding voor het opstellen van dit bestemmingsplan is de sanering van bestaand glas en het wegbestemmen van papieren glas. Ter compensatie wordt de realisatie van één nieuwe woning mogelijk gemaakt. Met dit bestemmingsplan worden deze ontwikkelingen juridisch-planologisch mogelijk gemaakt.
Beleidscontext sanering verspreid glas
Het tegengaan van verspreid gelegen kassencomplexen is een belangrijk uitgangspunt in het ruimtelijke beleid van zowel de provincie Zuid-Holland als de gemeente Westvoorne. Met ondersteuning van de provincie spant de gemeente zich in om het aantal verspreid liggende kassencomplexen buiten het glastuinbouwgebied Tinte te verminderen. De afgelopen jaren zijn diverse bestemmingsplannen vastgesteld voor bedrijfslocaties van glastuinbouwbedrijven, waarbij de mogelijkheden voor uitoefening van glastuinbouw weg zijn genomen. In 2009 heeft de gemeente Westvoorne de structuurvisie Glasherstructurering vastgesteld. Deze visie bevat het beleid voor de glastuinbouwsector in Westvoorne. De sanering van verspreid liggende glastuinbouwbedrijven vindt op vrijwillige basis plaats. Dit is de reden dat de sanering gefaseerd wordt uitgevoerd. Een eigenaar moet immers eerst met een initiatief komen voor bedrijfsbeëindiging, waarna nog overeenstemming moet worden bereikt over de precieze voorwaarden voor sanering.
Dit bestemmingsplan heeft betrekking op twee ontwikkelingen op verschillende locaties in het landelijk gebied (zie ook figuur 1.1):
Figuur 1.1 - De ligging van de locaties die het plangebied vormen. Links Torenweg, Rechts Aelbrechtsweg (bron: Google Maps).
Op de locatie aan de Torenweg vigeert momenteel de beheersverordening 'Landelijk gebied Westvoorne', vastgesteld door de gemeenteraad op 21 maart 2017. Binnen deze verordening ligt het plangebied in het besluitvlak waar de regeling van het bestemmingsplan Landelijk Gebied Westvoorne van toepassing is verklaard. Dit bestemmingsplan werd op 29 mei 2007 vastgesteld door de gemeenteraad.
Voor de locatie Aelbrechtsweg 12 geldt het bestemmingsplan Glastuinbouwintensiveringsgebied Tinte, vastgesteld op 5 april 2011. Tot slot is de parapluherziening 'Erfafscheiding, B&B, gastenverblijf en parkeren', die is vastgesteld op 10 mei 2016, van toepassing op het plangebied.
Bestaande bestemmingen
Op beide locaties bevindt zich een glastuinbouwbedrijf dat als zodanig is bestemd, met één bedrijfswoning. Voor de locatie Torenweg geldt de bestemming 'Agrarisch met landschappelijke waarde', waar het maximale oppervlak aan kassen is bepaald op 2 hectare. Voor de locatie Aelbrechtsweg gaat het om de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouwintensiveringsgebied', waar er maximaal 3 hectare aan kassen is toegestaan. In het geval van de locatie Torenweg is daarnaast sprake van het realiseren van een compensatiewoning op een andere plek dan de locatie waar gesaneerd wordt. Namelijk aan de Torenweg tussen 12 en 14. Het betreft onbebouwde, agrarisch bestemde en gebruikte grond. In figuur 1.2 en 1.3 zijn uitsneden opgenomen van de huidige planologische situatie, afkomstig van de plankaarten van het geldende plan.
Figuur 1.2 - Planologische situatie volgens het geldende bestemmingsplan Aelbrechtsweg 12.
Figuur 1.3 - Planologische situatie volgens het geldende bestemmingsplan locatie Torenweg. Links Torenweg tussen 12 en 14, rechts Torenweg 10.
Deze toelichting is als volgt opgebouwd:
In dit hoofdstuk worden zowel de huidige situaties als de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied beschreven. Dit gebeurt voor beide ontwikkelingen in afzonderlijke paragrafen. In paragraaf 2.4 wordt ingegaan op de ruimtelijke kwaliteitsverbetering vanuit een overkoepelend perspectief. In paragraaf 3.3.2 volgt een meer gerichte toetsing van de ontwikkelingen aan de regels omtrent ruimtelijke kwaliteit die in de provinciale verordening worden gesteld.
Huidige situatie
Deze locatie bevindt zich in het Glastuinbouwintensiveringsgebied Tinte, dat tussen Oostvoorne en Brielle in ligt. Binnen het Glastuinbouwintensiveringsgebied hoort de locatie echter bij een zone die voor sanering van glas in aanmerking komt. Aan de zuidkant (voorkant) van het perceel ligt de Aelbrechtsweg en ten westen ervan loopt de Ruggeweg. Langs de noordoostelijke perceelsgrens loopt een hoogspanningsverbinding.
Op dit moment bevindt zich hier een glastuinbouwbedrijf met een bedrijfswoning, een kassencomplex van ca. 7.700 m2 en bijbehorende bedrijfsbebouwing waaronder een waterbassin in de noordelijke punt van het perceel. Naast het glastuinbouwbedrijf houdt de eigenaar schapen als agrarische neventak. Bij het bouwvlak mag maximaal 3 ha glas worden gebouwd.
Figuur 2.1 - Huidige situatie (l) en een indicatie van de nieuw te bestemmen situatie (r) voor de Aelbrechtsweg 12, Oostvoorne
Voorgenomen ontwikkeling
Op deze locatie wordt het kassencomplex van ca. 7.700 m2 gesloopt en de glastuinbouwtak van het bedrijf beëindigd. De eigenaar zet zijn agrarische bedrijf voort als schapenhouderij. Dit is momenteel al een nevengeschikte bedrijfstak en wordt in de nieuwe en voorgenomen situatie de hoofdtak van het bedrijf. Hiervoor is in dit bestemmingsplan een agrarische maatbestemming opgenomen, met een agrarisch bouwvlak van 5.000 m2 aan de zuidkant van het perceel (zie figuur 2.1). Binnen dit bouwvlak wordt verder een bedrijfswoning toegestaan en wordt bedrijfsbebouwing mogelijk gemaakt tot een oppervlakte van 800 m2. Daarnaast wordt 3 hectare aan glas wegbestemd.
Huidige situatie
Aan de Torenweg 10 bevindt zich op dit moment een tuinbouwbedrijf in de open grond met een opkweekkas van ca. 1.900 m2 en een bedrijfswoning. Het onbebouwde perceel dat tussen de Torenweg 12 en 14 is in agrarisch gebruik bij een tuinbouwbedrijf en grenst aan de noordkant aan een watergang (figuur 2.2).
Figuur 2.2 - Huidige situatie (l) en een indicatie van de nieuw te bestemmen situatie (r) voor de Torenweg 10 en tussen 12 en 14.
Voorgenomen ontwikkeling
Op de torenweg 10 wordt 0,19 ha fysiek en vergund glas gesaneerd en 1,81 ha papieren glas wegbestemd. Ter compensatie van de sloop c.q. het verwijderen van de tuinbouwkassen en bijbehorende agrarische bedrijfsbebouwing wordt de realisatie van een compensatiewoning aan de Torenweg op het perceel kadastraal bekend als B451 planologisch mogelijk gemaakt. Op dit perceel wordt, zoals weergegeven in figuur 2.2 (r boven), een woonbestemming gelegd met een bouwvlak. Dit bouwvlak wordt aan de straatzijde gesitueerd, zodat de woning binnen het bestaande lint valt.
De compensatiewoning zal worden gerealiseerd op een ander perceel aan de Torenweg en niet op de locatie van sanering, omdat de initiatiefnemer nog maximaal 8,5 jaar een glastuinbouwbedrijf wil exploiteren. De bedoeling is om in die periode over te gaan tot een vollegronds tuinbouwbedrijf, waardoor het niet mogelijk is om op de saneringslocatie een compensatiewoning te realiseren.
Op het perceel Torenweg 10 wordt een agrarische maatbestemming opgenomen met een bouwvlak. Hier wordt het tuinbouw-/akkerbouwbedrijf met bedrijfswoning toegestaan. Als aanvulling hierop worden er kassen toegestaan tot een maximum van 500 m2. De ontwikkelruimte voor glas die het geldende bestemmingsplan geeft - zogenaamd papieren glas, waarvan het maximum is gesteld op 2 hectare - wordt wegbestemd. Daarnaast is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee het agrarische bouwvlak kan worden gewijzigd in de bestemming 'Wonen' wanneer het vollegronds tuinbouwbedrijf wordt beeindigd. De bedrijfswoning van de eigenaren krijgt via de in te zetten bestemmingsplanwijziging dan een woonbestemming.
Toekomstperspectief en alternatieven
Het toekomstperspectief voor de bij dit bestemmingsplan betrokken glastuinbouwbedrijven zijn, mede door de veranderingen in de omgeving, niet meer van dien aard dat er sprake is van op de lange termijn duurzaam voort te zetten agrarisch bedrijven op de bestaande locaties. Ze zijn sterk in hun mogelijkheden ingeperkt door de omringende burgerwoningen van derden. Daarnaast beschikken ze over een relatief beperkt areaal aan kassen. Door de ligging nabij burgerwoningen van derden zijn de mogelijkheden voor een eventuele verbreding van de agrarische bedrijfsactiviteiten eveneens beperkt. De bedrijven liggen daarnaast relatief solitair in het landschap, in vergelijking met de concentraties van glastuinbouwbedrijven bij Tinte en Vierpolders in de gemeente Brielle. Ook de economische binding met greenports elders in Zuid-Holland is beperkt. Vanwege de ligging buiten het Glastuinbouwintensiveringsgebied Tinte is uitbreiding van het areaal aan kassen bij deze bedrijven niet wenselijk. Ze zijn daarom in het gemeentelijke glastuinbouwbeleid aangewezen als op termijn te saneren glastuinbouwbedrijf, evenals in het provinciale ruimtelijke beleid (zogenaamd ‘verspreid glas’).
Gelet op deze omstandigheden zijn op verzoek van de eigenaar van de bedrijven afspraken gemaakt over de beëindiging van de glastuinbouwbedrijven, het wegbestemmen van 'papieren glas' en/of de sloop van bedrijfsbebouwing. Om de saneringen voor de bedrijfseigenaren een economisch haalbaar alternatief te laten zijn, worden de voormalige bedrijfswoningen regulier bestemd en/of wordt de bouw één of meer compensatiewoningen mogelijk gemaakt. Daarnaast zijn op sommige locaties maatwerk-afspraken gemaakt die de bouw- of gebruiksregels ter plekke raken.
Verbetering van de ruimtelijke kwaliteit
De belangrijkste ruimtelijke kwaliteitsverbetering wordt gevonden in de blijvende sanering van de agrarische bedrijvigheid op de twee locaties. Op de locatie Aelbrechtsweg 12 wordt in totaal 7.700 m2 aan kassen gesaneerd. Daar komt de sloop van bedrijfsgebouwen nog bij. Kortom, met de sanering van kassen verdwijnt verspreid glas blijvend uit het buitengebied van de gemeente Westvoorne, waarmee een belangrijke en in verschillende beleidsstukken beoogde verbetering van de ruimtelijke kwaliteit wordt bereikt. Op de Torenweg tussen 12 en 14 komt er één compensatiewoning voor in de plaats, maar per saldo neemt het verhard en bebouwd oppervlak af.
Daarnaast wordt het planologisch onmogelijk gemaakt om nog nieuwe agrarische bedrijfsactiviteiten van enige omvang te ontplooien of agrarische bebouwing op te richten. Op de locatie Torenweg 10 verdwijnt de planologische mogelijkheid om een glastuinbouwbedrijf te exploiteren, maar blijft een akker- of tuinbouwbedrijf mogelijk met daarbij een klein areaal aan kassen. Realisatie van eventuele nieuwe kassencomplexen met bijbehorende bedrijfsbebouwing zou een sterk negatieve invloed hebben op de bestaande en beoogde ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied van de gemeente Westvoorne. Verstoring van het in meer of mindere mate open landschap van de zanderijen en de zeekleipolders door kassencomplexen, met een hoogte die kan oplopen naar 5 meter, buiten de daarvoor aangewezen glastuinbouwintensiveringsgebieden is gezien het gemeentelijk en provinciaal beleid ongewenst.
Landschappelijke inpassing van de compensatiewoning
Op het perceel Torenweg 10 verdwijnt de glastuinbouw. Ter compensatie van het wegbestemmen van het glas en het 'papieren glas' op het perceel, wordt er op het perceel tussen Torenweg 12 en 14 een nieuwe woning mogelijk gemaakt. Het gaat hier om een woning die aansluit bij een bestaand bebouwingscluster, in plaats van een woning in een relatief open en onbebouwd landschap. Direct oostelijk en noordelijk van de locatie bevinden zich al een aantal woonbestemmingen en ook zuidelijk van de locatie bevindt zich bebouwing (waaronder het tuinbouwbedrijf aan de Torenweg 10). Overigens komt het bouwvlak aan de straatzijde te liggen, waardoor het achterste deel van het perceel onbebouwd zal blijven. Mede vanwege deze overwegingen wordt de landschappelijke inpassing van de woning in de directe omgeving gewaarborgd.
In dit hoofdstuk wordt het relevante ruimtelijke beleidskader beschreven. Achtereenvolgens komt het
rijksbeleid, het provinciale beleid en het gemeentelijke beleid aan bod.
Het rijksbeleid voor de ruimtelijke ordening is vastgelegd in de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
(maart 2012). Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te bereiken is een aanpak geformuleerd die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Bij deze aanpak gaat het Rijk uit van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden en eenvoudige regels. Zo ontstaat er ruimte voor maatwerk en initiatieven van burgers en bedrijven. Vertrouwen in medeoverheden is de basis voor het bepalen van verantwoordelijkheden, regelgeving en de betrokkenheid van het Rijk. De gemeente is de overheid die het dichtste bij de burger staat en in eerste instantie zorgt voor een veilige en leefbare woon-en werkomgeving. Bij de inrichting van de ruimte gaat het om de ruimtelijke ontwikkeling van stad en platteland in brede zin, waarbij onder meer de belangen van mobiliteit, milieu, natuur, water, economie en wonen worden afgewogen. In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte heeft het Rijk dertien zogenaamde ‘nationale belangen’ geformuleerd. Deze nationale belangen geven aan voor welke onderwerpen het Rijk verantwoordelijk is en waarvoor zij resultaten wil bereiken.
De sanering van de betrokken glastuinbouwbedrijven is geen onderwerp vallend binnen een van die nationale belangen. Wel draagt de sanering bij aan het waarborgen en verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving. Met de sanering vervallen de ruimtelijke impact en de mogelijke negatieve effecten op de kwaliteit van het milieu en de leefomgeving die gepaard (kunnen) gaan met een glastuinbouwbedrijf. Het bestemmingsplan past hiermee binnen de door het Rijk gestelde algemene doelen voor de ruimte. De uitwerking en verantwoordelijkheid voor de realisatie wordt aan de gemeentelijke overheid overgelaten.
In het Bro (artikel 3.1.6 lid 2) is bepaald dat bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen moet worden:
'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.'
Toepassing
Omdat de nieuwe stedelijke ontwikkelingen die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt onderdeel zijn van de regionale woningmarktafspraken, is afzonderlijke toetsing aan de hand van de 'ladder' niet nodig.
Het relevante provinciale beleid is vastgelegd in de visie Ruimte en Mobiliteit (juli 2014). Bij deze structuurvisie hoort een programma Ruimte (juli 2014). Beide zijn in 2018 geactualiseerd. Op 20 februari 2019 is de Omgevingsvisie Zuid-Holland vastgesteld. Dit betreft een beleidsneutrale omzetting van de visie Ruimte en Mobiliteit en het programma Ruimte.
Een belangrijk uitgangspunt in de omgevingsvisie is het tegengaan en actief verbeteren van de ruimtelijke situatie op plekken waar sprake is van (dreigende) verrommeling. Daarbij moet rekening worden gehouden met de kernkwaliteiten van het landschap, natuur en cultuurhistorie en moet sprake zijn van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Binnen dit uitgangspunt past de sanering van verspreid liggende glastuinbouwlocaties. Een van de bijbehorende beleidsuitgangspunten is de aanpak van ‘papieren glaslocaties’ - ontwikkelruimte voor de uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven. Het provinciale beleid gaat in principe uit van een beperking van de uitbreidingsmogelijkheden voor verspreid liggende glastuinbouwlocaties met een beperkte economische waarde in relatie tot de greenports. De provincie heeft daarnaast een faciliterende en stimulerende rol in de nog te realiseren sanering van verspreid liggende kassen. De inzet van de provincie verschilt per gebied. Leidend is de te bereiken verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Het behalen van de doelstelling hangt vooral af van de mate waarin gemeenten zelf actie ondernemen en de bereidheid van eigenaren om te saneren.
Het voorliggende bestemmingsplan vormt een uitwerking van het provinciale beleid. In tabel 3.1 een overzicht van de manier waarop er per ontwikkeling en locatie sprake is van een bijdrage aan de provinciale doelen. In beide gevallen wordt er - deels of volledig - 'papieren glas' wegbestemd en bij één gaat het ook om het saneren van bestaande kassen. De locatie Torenweg betreft zogenaamd verspreid glas: glastuinbouwbedrijven die buiten het aangewezen glastuinbouwintensiveringsgebied liggen.
| Nr. | Locatie | Sanering bestaand glas, (v) = verspreid | Wegbestemmen 'papieren glas' | Nieuwe woningen | |
| 1 | Aelbrechtsweg 12 | 7.700 m2 | Volledig | ||
| 2 | Torenweg 10 | 1.900 m2 | Deels | ||
| Torenweg tussen 12 en 14 | 1 | ||||
Tabel 3.1 - Overzicht van de sanering en woningcompensatie per ontwikkeling
Sanering leidt in alle gevallen tot een ruimtelijke kwaliteitsverbetering door het verdwijnen van de mogelijkheden voor uitoefening dan wel uitbreiding van een agrarisch (glastuinbouw)bedrijf. Met de sanering verdwijnt een totale oppervlakte van 7.700 m2 aan bestaande kassen. De twee glastuinbouwbedrijven die worden beëindigd zijn relatief kleinschalig en hebben een beperkte economische waarde in relatie tot de greenports in Zuid-Holland. Ook bij de compensatie door het mogelijk maken van een nieuwe woning op grond elders, wordt door de locatiekeuze en de landschappelijke inpassing ter plekke gewaarborgd dat de ruimtelijke kwaliteit gelijk blijft dan wel toeneemt.
Naast de omgevingsvisie heeft de provincie ook de omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld op 20 februari 2019. De verordening bevat enkele regels die relevant zijn voor dit bestemmingsplan.
Ruimtelijke kwaliteit
Het kwaliteitsbeleid van Zuid-Holland is ingestoken als 'ja, mits-beleid': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten met richtpunten en de gebiedsprofielen. De gebiedsprofielen zijn in samenhang met de decentrale overheden opgesteld. Om te bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is met name de ruimtelijke impact op de gebiedsidentiteit en de bestaande structuur, zoals uiteengezet in het gebiedsprofiel, van belang. Daarvoor wordt onderscheid gemaakt in drie types ontwikkelingen: inpassen, aanpassen en transformeren (zie figuur 3.1).
Figuur 3.1 - Typologie van ontwikkelingen (bron: VRM).
Op grond van artikel 6.9.1 worden voorwaarden over ruimtelijke kwaliteit gesteld voor de verschillende types nieuwe ontwikkelingen. In lid 1 van dit artikel staat onder andere het volgende
hierover:
"Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:
Inpassen
Allereerst kan worden opgemerkt dat er sprake is van ontwikkelingen die passen binnen de aard en schaal van het gebied (inpassen). De sanering van glastuinbouwbedrijven en de omzetting van bedrijfswoningen naar een gewone burgerwoningen past binnen de bestaande ruimtelijke inrichting en structuur. Ook onder de geldende bestemmingsplanregels was een dergelijke omschakeling mogelijk. De sloop van de kassen en het wegbestemmen van de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een glastuinbouwbedrijf zijn in dit geval niet aan te merken als nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Tot zover kunnen de voorgenomen ontwikkelingen dus worden 'ingepast' in het bestaande karakter van het gebied.
Voor de realisatie van de nieuwe woning die mogelijk worden gemaakt geldt dat er ook sprake is van 'inpassen'. De toelichting bij artikel 6.9.1 van de verordening stelt dat ontwikkelingen die onder 'inpassen' vallen sterk aansluiten bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap. Het moet gaan om een gebiedseigen ontwikkeling die zich afspeelt op het niveau van een kavel. In het geval van de nieuwe woning aan de Torenweg wordt binnen deze kaders gebleven. Het gaat om slechts één woning, die wordt toegevoegd in het relatief bebouwingsdichte landschap van de Zanderijen. Ook wordt de woning binnen de bestaande kavel gebouwd.
Gelet op deze toelichting is de conclusie dat het voorliggende bestemmingsplan voldoet aan het door de provincie in haar omgevingsvisie en omgevingsverordening vastgelegde beleid en de daarbij behorende regels en uitgangspunten.
Het ruimtelijk beleid van de gemeente Westvoorne is vastgelegd in de Omgevingsvisie Westvoorne 2030. De visie op sanering en ontwikkeling van glas is daarbij onverkort overgenomen uit de structuurvisie Glasherstructurering (na 1e herziening, april 2011).
Uitgangspunt is een sanering van de verspreid liggende glastuinbouwlocaties in Westvoorne. De structuurvisie beschrijft hoe de sanering van de verspreide glastuinbouw samenhangt met de optimalisatie van het glastuinbouwgebied Tinte en de eventuele bouw van woningen. Ook geeft de structuurvisie aan wat de belangrijkste randvoorwaarden zijn bij de sanering van bedrijven. Tot slot wordt in de structuurvisie aangegeven hoe de sanering planologisch, financieel en juridisch mogelijk wordt gemaakt. De financiële aspecten van de sanering zijn verder uitgewerkt in de bij de structuurvisie horende Businesscase. De Businesscase wordt jaarlijks herzien. Dit bestemmingsplan vormt de juridisch-planologische basis voor de realisering van een deel van de sanering die is aangegeven in de structuurvisie Glasherstructurering. Het bestemmingsplan draagt bij aan de realisatie van de beleidsdoelen voor het landelijk gebied van Westvoorne.
Het voorliggende bestemmingsplan past binnen het relevante beleid van de diverse overheden.
Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk project te worden aangetoond en dient te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de milieutechnische aspecten beschreven en getoetst die relevant zijn voor de ontwikkelingen die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.
Voor sommige aspecten is er, gezien de vergelijkbare omstandigheden, een onderbouwing mogelijk die voor de twee ontwikkelingen samen geldt. Wanneer dat vanwege locatie specifieke omstandigheden niet kan, is er binnen de betreffende paragraaf een onderverdeling gemaakt per ontwikkeling.
Beleidskader
De gemeente Westvoorne onderschrijft de uitwerking van het 'Verdrag van Malta': behoud van het archeologische erfgoed waar mogelijk en documentatie waar nodig. Westvoorne heeft op 22 april 2008 een gemeentelijk archeologisch beleid vastgesteld, waarvan de Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK) een belangrijk instrument vormt. De kaart toont de archeologische waarden en verwachtingen binnen Westvoorne en geeft aan hoe de gemeente daarmee omgaat.
In het momenteel voor het plangebied geldende bestemmingsplan Landelijk Gebied Westvoorne is een dubbelbestemming ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden opgenomen. De AWK is het achterliggende beleidskader voor de motivering van die dubbelbestemming.
Het wettelijk kader voor de bescherming van (archeologische) monumenten en de aanwijzing van beschermde stads- of dorpsgezichten is vastgelegd in de Monumentenwet 1988.
Onderzoek en conclusies
Op figuur 4.1 zijn de locaties die het plangebied vormen met zwarte cirkeltjes aangeduid op de AWK. De twee locaties liggen in een gebied met een redelijk hoge tot hoge archeologische verwachting (categorie 3.2). Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen en werkzaamheden die een oppervlak beslaan van meer dan 200 m2 en die dieper reiken dan 80 cm beneden het maaiveld. Deze vrijstellingswaarden zijn met een archeologische dubbelbestemming overgenomen in de regels. Op deze manier is en blijft het archeologische belang gewaarborgd in dit bestemmingsplan.
Figuur 4.1 - De locaties aangeduid op de Archeologische Waarden- en Beleidskaart.
Vanuit cultuurhistorisch oogpunt heeft de bestaande bebouwing en inrichting binnen het plangebied geen bijzondere beschermde waarde. In de directe omgeving bevinden zich geen aangewezen monumenten of beschermde gezichten. De beoogde wijziging in het gebruik en de sloop van bebouwing heeft een positieve invloed op het bestaande beeld van de omgeving. Het aspect cultuurhistorie vraagt geen nader beschermingsregime.
Toetsingskader
Wet natuurbescherming
Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Gebiedsbescherming
De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:
Natura-2000 gebieden: De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).
Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Natuurnetwerk Nederland (NNN): Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.
Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland
In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.
Onderzoek
Gebiedsbescherming
De saneringslocaties maken geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. De locaties maken ook geen deel uit van Natuurnetwerk Nederland (NNN). In figuur 4.2 is de ligging van de saneringslocaties ten opzichte van beschermde natuurgebieden te zien.
Figuur 4.2 - Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. Natura 2000 gebieden en EHS (bron: geo-loket provincie Zuid-Holland)
Het plangebied is niet gelegen in beschermde natuurgebieden. Directe effecten als areaalverlies en versnippering kunnen derhalve worden uitgesloten. Tevens kunnen effecten als verstoring en effecten op de waterhuishouding worden uitgesloten. het saneren van in totaal 7.700 m2 aan kassen zal leiden tot een relevante daling van de stikstofemissies op korte afstand van het stikstofgevoelige duingebied, tevens Natura 2000. Op basis van kengetallen van AERIUS.nl neemt de totale stikstofemissie af met 773 kg per jaar. De stikstofemissie van de nieuwe woning die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bedraagt in totaal ongeveer 3 kg per jaar, zodat per saldo sprake is van een forse daling van de stikstofdepositie op Natura 2000.
Het Natuurnetwerk kent in Zuid-Holland geen externe werking zodat toetsing aan de gevolgen voor dit netwerk niet aan de orde is. Overigens zal dit netwerk eveneens een positief effect ondervinden als gevolg van de dalende stikstofdepositie.
Gezien bovenstaande conclusies staat de Wet natuurbescherming 2017 en het beleid van de provincie, de uitvoering van de beoogde ontwikkelingen niet in de weg.
Soortenbescherming
Kassencomplexen zijn ongeschikt als verblijfplaatsen voor vleermuizen of vogels met vaste nestplaatsen. Ook de aanwezigheid van beschermde planten, vissen of reptielen zijn binnen de betreffende locaties uitgesloten; dergelijke soorten stellen hoge eisen aan hun leefgebied, waar dergelijke locaties nooit aan voldoen. Voor de algemene soorten kleine zoogdieren en amfibieën die hier aanwezig kunnen zijn geldt een provinciale vrijstelling voor de relevante bepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor wat betreft broedende vogels kan strijdigheid met de Wet natuurbescherming worden voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen op te starten.
De aanwezigheid van de zwaar beschermde rugstreeppad is op de betreffende locaties echter niet op voorhand uitgesloten. Het slopen van bijgebouwen kan bovendien ten koste gaan van verblijfplaatsen van vleermuizen of vaste nestplaatsen van vogels. Bij de daadwerkelijke herinrichting van de planlocaties zal per locatie daarom de aanwezigheid van soorten nader onderzocht moeten worden. In voorkomende gevallen zal tevens een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming verkregen moeten worden. In dat kader zullen tevens mitigerende en compenserende maatregelen worden vereist. Aangezien er per locatie voldoende maatregelen mogelijk zijn voor bijvoorbeeld vleermuizen en broedvogels, wordt verwacht dat een dergelijke ontheffing per locatie kan worden verkregen. De gunstige effecten van het plan op de kwaliteit van bodem, water, natuur en landschap maken dat in voorkomende gevallen de dwingende reden van groot openbaar belang van de ingreep kan worden aangetoond.
Ook ten aanzien van het thema soortbescherming staat de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan daarom niet in de weg.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkelingen leiden niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Positieve ecologische effecten zijn daarentegen aannemelijk en qua stikstof zelfs evident. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Toetsingskader
In verband met de uitvoerbaarheid van een plan dient rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren).
Onderzoek
Gezien de functiewijziging, in combinatie met de bouwplannen die hier in de nabije toekomst zijn beoogd, is voor dit bestemmingsplan een verkennend bodemonderzoek verricht. De resultaten van het bodemonderzoek op deze locatie zijn opgenomen in bijlage 1. Uit het onderzoek blijkt dat de bovenlaag / bouwvoor bestaat tot 0,5 m-mv uit zwak humeus kleiïg zand, tot 1,0 m-mv uit sterk siltig zand. Tot de geboorde einddiepte van 2,5 m-mv bestaat de bodem uit klei. Ter plaatse van de voormalige kavelscheiding, de mogelijk gedempte historische middensloot, is geen afwijkende bodemopbouw aangetroffen.
Op het maaiveld en in het opgeboorde bodemmateriaal zijn geen (mogelijk) asbesthoudende materialen waargenomen.
Uit het chemisch-analytisch onderzoek blijkt dat de bovengrond (bouwvoor) licht verontreinigd is met
DDD, DDE en drins en niet met de overige onderzochte parameters. De onderzochte zandige onderlaag is niet verontreinigd met onder meer bestrijdingsmiddelen De diepere klei ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Het grondwater is niet verontreinigd met de onderzochte parameters.
Conclusie
De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding voor vervolgonderzoek. De locatie is geschikt voor het huidige en beoogde gebruik. De aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. Het voor herinrichting benodigde grondwerk kan vanwege het uitblijven van een sterke verontreiniging op geheel de locatie worden uitgevoerd zonder geldende veiligheidsklasse in standaard basishygiëne.
Toetsingskader
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden.
Risicovolle inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.
Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.
Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht.
Besluit externe veiligheid buisleidingen
In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Onderzoek
Risicovolle inrichtingen
Overeenkomstig de professionele risicokaart (https://nederlandprof.risicokaart.nl) waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn in of nabij de saneringslocaties geen risicovolle inrichtingen gelegen.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
Nabij de locatie aan de Aelbrechtsweg 12 te Oostvoorne worden gevaarlijke stoffen vervoerd over de Schrijversdijk. De Schrijversdijk heeft geen plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar. Het invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt 355 m. De locatie is gelegen op circa 350 m afstand. Het noordelijke puntje valt dan ook binnen het invloedsgebied. Ter plaatse van dit deel van het terrein worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt waarbij sprake is van een toename van het aantal personen. Het groepsrisico vormt dan ook geen belemmering. Circa 160 m ten oosten van de locatie worden gevaarlijke stoffen vervoerd door buisleidingen. Het gaat om twee hogedruk aardgasleidingen van de Gasunie (A-624 en A-536) en één K1-leiding. De K1-leiding heeft een plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar van 25 m. De Aelbrechtsweg 12 ligt daar ruimschoots buiten. Daarnaast heeft de K1-leiding een effectafstand (dodelijk) van 36 m. Ook daar ligt de locatie ruimschoots buiten. De gasleidingen hebben geen plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar. Het invloedsgebied van het groepsrisico van de gasleidingen bedraagt respectievelijk 470 m en 430 m. De Aelbrechtsweg 12 is gelegen binnen het invloedsgebied van beide gasleidingen. Dit bestemmingsplan maakt bedrijfsbebouwing ten behoeve van schapenhouderij en een bedrijfswoning mogelijk. In de huidige situatie worden daarnaast al schapen gehouden. Gelet op de aard van de beoogde ontwikkeling zal het aantal personen niet relevant toenemen. De beoogde ontwikkeling zal dan ook niet van relevante invloed zijn op de hoogte van het groepsrisico. Wel is een beknopte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk.
Verder vindt in of nabij de saneringslocaties geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het spoor, het water of door buisleidingen.
Beknopte verantwoording van het groepsrisico
In het kader van het wettelijk vooroverleg zal voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd worden aan de veiligheidsregio.
Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid
Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn.
De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van en incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Tevens speelt een snelle alarmering te allen tijde een belangrijke rol.
De locatie aan de Aelbrechtsweg 12 te Oostvoorne wordt ontsloten via de Aelbrechtsweg. Via deze weg kan van de bron af worden gevlucht en is het plangebied goed bereikbaar voor hulpdiensten.
Zelfredzaamheid
Ter plaatse van de Aelbrechtsweg maakt dit bestemmingsplan bedrijfsbebouwing ten behoeve van schapenhouderij en een bedrijfswoning mogelijk. De aanwezige personen zullen over het algemeen dan ook zelfredzaam zijn. Aanwezige kinderen, ouderen en gehandicapten worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden.
Conclusie
De locatie aan de Aelbrechtsweg 12 ligt binnen het invloedsgebied van twee gasleidingen. Ten gevolge van de beoogde ontwikkeling zal het groepsrisico niet relevant toenemen. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in of nabij de overige saneringslocatie geen risicovolle bronnen aanwezig die een belemmering vormen.
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.
Onderzoek
Locatie 1 - Aelbrechtsweg 12, Oostvoorne
Op deze locatie wordt het kassencomplex gesloopt en de glastuinbouwtak van het bedrijf beëindigd. De eigenaar zet zijn agrarische bedrijf voort als schapenhouderij. Dit is momenteel al een nevengeschikte bedrijfstak en wordt in de nieuwe en voorgenomen situatie de hoofdtak van het bedrijf. Om milieuhinder ter plaatse van omliggende woningen te voorkomen dient bij realisatie en/of uitbreiding van dierenverblijven te worden voldaan aan de eisen uit het Activiteitenbesluit.
Locatie 2 - Torenweg 10 en tussen 12 en 14, Rockanje
Locatie 2 aan de Torenweg 10 wordt omgeven door agrarische gronden en woningen. De ontwikkelruimte voor glas wordt wegbestemd. Ter compensatie hiervan wordt de bouw van een nieuwe woning mogelijk gemaakt op het perceel tussen de Torenweg 12 en 14. In de omgeving van deze beoogde woning zijn met name agrarische gronden en woningen gelegen. Het dichtstbijzijnde glastuinbouwbedrijf is op circa 70 m ten zuiden van de beoogde woning gelegen. Voor een glastuinbouwbedrijf geldt een richtafstand van 30 m ten opzichte van een rustig buitengebied. Aan deze richtafstand wordt voldaan. De agrarische gronden in de omgeving veroorzaken, gelet op het gebruik en planologische mogelijkheden, geen milieuhinder ter plaatse van de beoogde woning. Verder zijn in de omgeving geen bedrijven aanwezig die een belemmering vormen voor de milieusituatie ter plaatse van de beoogde woning, of die door de beoogde ontwikkeling worden belemmerd in hun bedrijfsvoering.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de beoogde en bestaande (bedrijfs)woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat de omliggende bedrijven niet in de eigen bedrijfsvoering worden beperkt. Daarnaast zal de sanering van glas het woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen verbeteren.
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven.
| Stof | Toetsing van | Grenswaarde |
| stikstofdioxide (NO2) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| fijn stof (PM10) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ | |
| fijn stof (PM2,5) | jaargemiddelde concentratie | 25 µg /m³ |
Tabel 4.1 - Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate
In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
Onderzoek
Met dit bestemmingsplan wordt op diverse locaties sanering van glastuinbouw mogelijk gemaakt. De beëindiging van deze bedrijfsactiviteiten zal leiden tot een verbetering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Daarnaast worden naast de bestaande bedrijfswoningen ook één extra woning mogelijk gemaakt. Deze woningen vallen onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de beoogde woningen niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2016 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende wegen betreffen de Middelweg, Vleerdamsedijk en Kloosterweg. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2015 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze wegen ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Omdat direct langs deze wegen aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van de saneringslocaties het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkelingen.
De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het projectgebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.
Europa:
Nationaal:
Provinciaal
Waterschapbeleid
In het Waterbeheerprogramma (WBP) (2016 - 2021) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen), voldoende water, schoon water en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater). Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan.
Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct
worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan, is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplichtig gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1.500 m² of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De versnelde afvoer als gevolg van de
toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding. Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige
voorzieningen:
Huidige situatie
Algemeen
Op beide locaties in het plangebied bevinden zich momenteel kassencomplexen, enkele bedrijfsgebouwen en verharding ten behoeve van glastuinbouwbedrijven. In hoofdstuk 2 is per locatie aangegeven wat de inrichting (met maatvoering) van elke locatie momenteel is. Bij de Torenweg 10 horen onbebouwde en onverharde gronden die voor agrarische doeleinden worden ingezet.
Bodem en grondwater
De locaties zijn verspreid over twee bodemtypes: het bedrijf aan de Aelbrechtsweg 12 ligt op zeekleigronden. De bodem van de Torenweg bestaat met name uit zand. Ter plaatse van Aelbrechtsweg 12 is sprake van grondwatertrap VI. Dat wil zeggen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand varieert tussen 0,4 m en 0,8 m beneden het maaiveld en dat de gemiddeld laagste grondwaterstand meer dan 1,2 m beneden het maaiveld ligt. Ter plaatse van de Torenweg is sprake van grondwatertrap IV. Dat wil zeggen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand meer dan 0,4 m beneden het maaiveld ligt en dat de gemiddeld laagste grondwaterstand varieert tussen 0,8 m en 1,2 m beneden het maaiveld.
Waterkwantiteit
De locaties liggen in verschillende peilgebieden. De locatie Aelbrechtsweg 12 ligt in het peilgebied V01.165. Dit peilgebied kent een vast peil van 1,5 meter -NAP. De locatie aan de Torenweg ligt in het peilgebied V01.136. Dit peilgebied kent een vast peil van 0,1 meter +NAP. Verder worden beide locaties overeenkomstig de Legger van het waterschap omgeven door diverse watergangen, zie figuren 4.2 en 4.3. De rode watergangen in de figuren betreffen overige wateren met een beschermingszone van 2 meter en de blauwe watergangen in de figuren betreffen wegsloten of hoofdwatergangen met een beschermingszone van 5 meter. Binnen deze beschermingszones gelden conform de Keur van Waterschap Hollandse Delta beperkingen voor bouwen en aanleggen om onderhoud aan de watergangen mogelijk te houden.
Figuur 4.2 - Aelbrechtsweg 12
Figuur - 4.3 Torenweg 10 en tussen 12 en 14
Veiligheid en waterkeringen
De locaties zijn niet gelegen binnen de kern- en beschermingszone van een regionale/primaire waterkering.
Afvalwaterketen en riolering
De projectlocaties zijn deels aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel.
Toekomstige situatie
Als gevolg van dit bestemmingsplan wordt verspreid glas gesaneerd. In tabel 3.1 is hiervan een overzicht gegeven per locatie, waaruit valt op te maken dat in totaal 7.700 m2 aan kassen wordt gesaneerd. Dit getal is exclusief bedrijfsbebouwing, verharding en waterbassins die eveneens worden gesloopt. Naast deze feitelijke sanering vervalt de mogelijkheid om enkele hectares aan kassen en bedrijfsbebouwing op te richten, omdat de mogelijkheid om glastuinbouwbedrijven te beginnen wordt wegbestemd. Tegenover de sanering van bebouwing en verharding staat de nieuwbouw van 1 woning. In het geval van de Torenweg tussen 12 en 14 vindt deze nieuwbouw plaats op gronden die in de huidige situatie onbebouwd en onverhard zijn.
Waterkwantiteit
Voor beide locaties geldt dat bij de beoogde ontwikkelingen de watergangen en bijbehorende beschermingszones in acht worden genomen. Bij eventuele werkzaamheden binnen de beschermingszones zal een watervergunning worden aangevraagd.
Voor beide locaties geldt tevens dat als gevolg van de glassanering sprake is van een afname van het verhard oppervlak. Voor beide locaties is de verwachting dat watercompenserende maatregelen niet noodzakelijk zijn. Echter, vanwege de ligging van de twee locaties in verschillen peilgebieden zal de (eventuele) noodzaak van watercompenserende maatregelen in samenspraak met Waterschap Hollandse Delta nader worden bepaald. Daarnaast zal daar waar het realiseren van open water niet goed mogelijk is, bijvoorbeeld op zandgrond, het hemelwater worden afgekoppeld. Verder voorzien de beoogde ontwikkelingen niet in wijzigingen aan het bestaande watersysteem.
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.
Veiligheid en waterkeringen
De beoogde ontwikkelingen hebben geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving.
Afvalwaterketen en riolering
Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
Waterbeheer
Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
Conclusie
Dit bestemmingsplan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Alvorens het definitief indienen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning zal overleg plaatsvinden met het waterschap.
Ontsluiting en verkeersafwikkeling
De ontsluiting vindt voor alle locaties plaats via erftoegangswegen (type II) buiten de bebouwde kom waar een maximum snelheid geldt van 60 km/u. Het gemotoriseerd verkeer en fietsverkeer maken op dit soort wegen gebruik van dezelfde rijbaan.
In het plangebied wordt één nieuwe woning mogelijk gemaakt. Deze ontwikkeling leidt naar verwachting tot een beperkte verkeerstoename. Daarnaast wordt op de Aelbrechtsweg glastuinbouw gesaneerd. De sanering van de glastuinbouw zorgt daarmee voor een beperkte verkeersafname. De verwachting is dat de eventuele beperkte verkeerstoename op zal gaan in de dagelijkse fluctuatie van het verkeer.
Parkeerbehoefte
De bestaande bedrijfswoningen/burgerwoningen en de nieuwe woning hebben een parkeerbehoefte. De parkeerbehoefte zal opgelost worden op het eigen terrein.
Conclusie
De ontsluiting van de functies binnen het plangebied is goed. De parkeerbehoefte zal per locatie op eigen terrein worden opgelost. De eventuele (beperkte) verkeerstoename op de ontsluitende wegen gaat op in de dagelijkse fluctuatie van het verkeer. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling niet in de weg.
Toetsingskader
Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/u-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.
Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavig situatie bedraagt 53 dB (buitenstedelijk gelegen woningen).
Onderzoek en resultaten
Het bestemmingsplan voorziet een nieuwe geluidgevoelige functie in de vorm van 'Wonen' in het plangebied. Middels sanering van glastuinbouw wordt één woning mogelijk gemaakt op het perceel tussen Torenweg 12 en 14. Voor de nieuwe woning is akoestisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 2). Daarnaast wordt de bedrijfswoning op het perceel Aelbrechtsweg van functie gewijzigd naar een burgerwoning. Voor de functiewijziging is geen akoestisch onderzoek noodzakelijk.
Aelbrechtsweg 12
Geen nieuwe geluidgevoelige functie, de huidige bedrijfswoning blijft behouden. Het aspect wegverkeerslawaai staat de ontwikkeling hier niet in de weg.
Torenweg 10 en tussen 12 en 14
In plaats van glastuinbouw op het perceel Torenweg 10 wordt een nieuwe woning mogelijk gemaakt op het perceel tussen Torenweg 12 en 14. De nieuwe woning is een geluidgevoelige functie en gelegen in de geluidzone van de Torenweg (60 km/u). De woning is nog niet gesitueerd in het plangebied. Input voor de ligging is daardoor mede het onderzoek naar wegverkeerslawaai. In het onderzoek (zie bijlage 2) zijn de geluidcontouren in het plangebied berekend; de afstand van de as van de weg tot de voorkeursgrenswaarde (48 dB) en de maximale ontheffingswaarde (53).
Aan de maximale ontheffingswaarde wordt voldaan wanneer de woning op ten minste 4,5 meter van de as van de weg wordt gerealiseerd. Gelet op het bebouwingslint (Torenweg 12 en 14) zal ruim aan deze afstand worden voldaan. Om ook aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen zal de woning op ten minste 11,5 meter van de as van de weg moeten worden gebouwd. Indien wordt voldaan aan deze afstand is dan ook sprake van een goed akoestisch woon- en leefklimaat in de woning. Vanuit akoestisch oogpunt wordt deze afstand dan ook aanbevolen.
Als vanuit stedenbouwkundig oogpunt de woning op minder dan 11,5 meter wordt gerealiseerd, dient volgens de Wgh te worden onderbouwd of met andere maatregelen de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde kan worden gereduceerd. Maatregelen om de geluidbelasting op een andere wijze te reduceren, zoals het toepassen van bronmaatregelen of maatregelen in het overdrachtsgebied, zijn niet doelmatig geacht in deze memo. Bij het overschrijden van de voorkeursgrenswaarde is dan een hogere waarde besluit nodig voor de woning, waarbij aanvullend onderzoek moet uitwijzen welke hogere waarden moet worden verleend. Het aspect wegverkeerslawaai staat de ontwikkelingen niet in de weg.
Conclusie
Voor de functiewijziging van de bedrijfswoning op het perceel Aelbrechtsweg 12 naar burgerwoning is geen akoestisch onderzoek noodzakelijk. Voor de nieuwe woning op het perceel tussen Torenweg 12 en 14 wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde. Wanneer de voorste bebouwingslijn wordt gesitueerd op ten minste 11,5 meter van de as van de weg ontstaat een goed akoestisch woon- en leefklimaat en wordt de voorkeursgrenswaarde niet overschreden. Bij minder dan 11,5 meter van de as van de weg zal met een aanvullende berekening de hogere grenswaarde nog moeten worden bepaald. Het aspect wegverkeerslawaai staat de ontwikkelingen niet in de weg.
Toetsingskader
Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones).
Onderzoek en conclusie
Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkelingen niet in de weg.
In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische opzet van het bestemmingsplan. Er wordt ingegaan op de gekozen planvorm en de toegepaste plansystematiek wordt toegelicht.
Er is gekozen voor een gedetailleerde planvorm, waarbij de functies direct zijn vastgelegd op hun locatie. Hierdoor kunnen op basis van dit bestemmingsplan eventuele relevante omgevingsvergunningen worden verleend. De gekozen planvorm biedt hiermee duidelijkheid aan alle betrokkenen. Inhoudelijk is aansluiting gezocht bij de regeling in andere recente bestemmingsplannen voor de sanering van verspreid liggende glastuinbouw in Westvoorne. Waar nodig is de regeling aangepast aan het ter plaatse toegepaste maatwerk.
De planregels zijn opgesteld met inachtneming van de regels uit de Wet ruimtelijke ordening en de bijbehorende wettelijke regelingen. De plansystematiek is in overeenstemming met de verplicht toe te passen Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012).
De verbeelding is de kaart waarop te zien is welke bestemming voor welke gebieden geldt. Alle functies in dit bestemmingsplan zijn apart bestemd, waardoor het direct mogelijk is om op de verbeelding te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven.
In dit plan wordt gebruikgemaakt van bestemmingsvlakken en bouwvlakken. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Een gebruik betekent niet altijd dat er ook mag worden gebouwd. Het bouwvlak is een gebied dat op de verbeelding is aangeven waarvoor de mogelijkheden om gebouwen te bouwen in de regels zijn aangegeven.
In de bij de verbeelding horende regels zijn de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de gebruiksregels en de afwijkings-en wijzigingsbevoegdheden te vinden.
Begrippen en wijze van meten
Het artikel Begrippen definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Het artikel Wijze van meten geeft aan hoe de maatvoering van bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen, waarin maten en waarden voorkomen, worden in dit artikel verklaard. Voor beide artikelen geldt dat een deel bindend is voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Agrarisch
De bestemming 'agrarisch' is alleen van toepassing op de locatie Aelbrechtsweg 12 te Oostvoorne. Het betreft een op maat aangepaste versie van het artikel 'agrarisch' uit het plan Glastuinbouwintensiveringsgebied Tinte dat op deze locatie van kracht is. Ten opzichte van de oorspronkelijke regeling zijn er uitsluitend regels aangepast of achterwege gelaten voor zover de oorspronkelijke regels voor deze specifieke bedrijfslocatie niet relevant zijn, en zijn regels toegevoegd voor zover die in het kader van de beoogde ontwikkeling nodig of gewenst zijn. Zo is de aanduiding 'schapenhouderij' opgenomen, wordt er één bedrijfswoning toegestaan en wordt bedrijfsbebouwing toegestaan tot een maximum oppervlak van 1.000 m2. Een andere vorm van agrarisch gebruik, zoals het voormalige gebruik voor glastuinbouw, is niet langer toegestaan.
Agrarisch met waarden
De bestemming 'agrarisch met waarden' is van gelijke strekking en opzet als de gelijknamige bestemmingen in andere postzegelbestemmingsplannen die de afgelopen jaren van kracht zijn geworden in het landelijk gebied van Westvoorne. Deze bestemmingen zijn op hun beurt gebaseerd op de regeling die is opgenomen in het bestemmingsplan Landelijk Gebied Westvoorne. Voor de Torenweg 10 is een bouwvlak opgenomen met de aanduiding 'akkerbouw'. Zodat het bedrijf op deze plek op maat wordt bestemd. Ten behoeve van dit bedrijf wordt er in de bouwregels maximaal 3.500 m2 aan kassen en één bedrijfswoning mogelijk gemaakt. Naast het toevoegen of laten staan van de genoemde regels zijn er uitsluitend regels aangepast of achterwege gelaten voor zover de oorspronkelijke regels voor deze gronden en het bedrijf niet relevant zijn.
Wonen
Met het oog op het verminderen van regeldruk is een uniforme bouwregeling voor woonbestemmingen voor het gehele grondgebied van de gemeente Westvoorne opgesteld. Deze is inmiddels doorgevoerd in bijna alle bestemmingsplannen van Westvoorne en is ook als basis gebruikt voor het bestemmingsartikel wonen in dit plan. Ook de aanpassingen voor de woonbestemming naar aanleiding van het Paraplubestemmingsplan Wonen zijn hierin verwerkt.
Leiding - Hoogspanningsverbinding
De planologische beperkingen die voortvloeien uit de hoogspanningsverbinding die in het plangebied
voorkomt is verwerkt in dit artikel. De zakelijk rechtstrook voor dit type leiding is 27,5 en 38 meter aan weerszijden van de verbinding: hierbinnen mag niet worden gebouwd. Voordat het bevoegd gezag (in de meeste gevallen burgemeester en wethouders) bij een omgevingsvergunning afwijkt van het bouwverbod binnen de zakelijk rechtstrook van de leiding of een omgevingsvergunning voor aanlegwerkzaamheden verleent, vraagt zij de leidingbeheerders om advies.
Waarde - Archeologie
De bestemming 'Waarde -Archeologie' is een dubbelbestemming. Om de (mogelijke) archeologische waarden in de ondergrond te beschermen, is binnen het plangebied de dubbelbestemming Waarde - Archeologie van toepassing. Voor bepaalde bouw-of aanlegwerkzaamheden wordt pas toestemming verleend nadat de archeologische waarde van het betreffende gebied is vastgesteld en duidelijk is dat de activiteiten geen schade aan kunnen brengen aan de aanwezige archeologische resten. Deze dubbelbestemming was, zij het met een andere naamgeving, ook al opgenomen in het voorgaande bestemmingsplan voor het plangebied.
In dit onderdeel van de regels komen algemene regels aan de orde die gelden voor alle bestemmingen in het bestemmingsplan.
Anti-dubbeltelbepaling
Een Anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De formulering van de anti-dubbeltelregel is bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.4 Bro).
Algemene bouwregels
Het artikel Algemene bouwregels bevat enkele algemene regels voor het bouwen. Zo zijn er regels over parkeergelegenheid, de geringe overschrijding van bouwgrenzen of oppervlaktematen door ondergeschikte onderdelen van gebouwen. Ook wordt voorzien in een regeling voor overkappingen, luifels, overstekken en ondergrondse gebouwen, waarin wordt vastgelegd waar deze zijn toegestaan en in hoeverre deze meetellen bij de inhouds- en oppervlaktemaat van de bovengrondse gebouwen.
Algemene gebruiksregels
Hoewel het gebruik van gronden en bouwwerken is geregeld in de Wro, zijn voor de duidelijkheid regels
opgenomen over dit gebruik. Een voorbeeld is een algemeen verbod om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de bestemming of de bijbehorende regels.
Algemene aanduidingsregels
In het plangebied komt de gebiedsaanduiding 'geluidszone – industrie' voor. Nieuwe geluidsgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder zijn uitsluitend toegestaan indien de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein Maasvlakte - Europoort op de gevels van dit object niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde
Algemene afwijkingsregels en wijzigingsregels
In deze artikelen wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan kan worden afgeweken. Ook wordt een opsomming gegeven van de regels waarmee door middel van een wijzigingsbevoegdheid ex artikel 3.6 Wro het mogelijk is enige flexibiliteit in het plan aan te brengen. Het gaat hierbij om een bevoegdheid en dus geen verplichting.
Overige regels
Werking wettelijke regelingen: In de regels van een bestemmingsplan wordt in een toenemend aantal gevallen met verwijzing naar een (andere) wettelijke regeling een procedure, begrip en/of functie uit die andere regeling van toepassing verklaard. De van toepassing verklaarde wettelijke regeling geldt zoals deze luidt op het moment van de vaststelling van het plan. Wijziging van de wettelijke regeling na de vaststelling van het bestemmingsplan zou anders zonder Wro-procedure een wijziging van het bestemmingsplan kunnen betekenen.
In het afsluitende onderdeel van de regels komen de overgangs-en slotregel aan de orde. De formulering van het overgangsrecht is bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.1 Bro). De slotregel bevat de titel van het plan.
Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) tegelijk met het wijzigingsplan, een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst.
De gronden in plangebied zijn volledig in eigendom van de initiatiefnemer. Voorliggend wijzigingsplan omvat geen ontwikkelingen waarbij voor de gemeente kostenverhaal aan de orde is. Een exploitatieplan is derhalve niet noodzakelijk. Het plan wordt economisch uitvoerbaar geacht.
Het college van burgemeester en wethouders is het bevoegd gezag voor de handhaving van het bestemmingsplan. De gemeente heeft een beginselplicht tot handhaving. Ook in Westvoorne is de afgelopen decennia de handhaving steeds meer tot ontwikkeling gekomen.
In het Beleidsplan toezicht en handhaving is het handhavingsbeleid voor ruimtelijke ordening en bouwen neergelegd. In het beleidsplan wordt aangegeven hoe de gemeente handhavend optreedt tegen overtredingen van de regelgeving. Het formuleren en vaststellen van het handhavingsbeleid biedt onder andere meer duidelijkheid (intern en extern), bevordert de rechtszekerheid en voorkomt rechtsongelijkheid. Het plan vormt een beleidsmatige onderlegger voor een jaarlijks op te stellen uitvoeringsprogramma. Het uitvoeringsprogramma is een schriftelijke vastlegging van alle uit te voeren handhaving activiteiten in het aankomende jaar. Bij nieuw op te stellen bestemmingsplannen wordt bovendien een handhaving paragraaf opgenomen, waarin beschreven staat hoe en met welke middelen wordt gehandhaafd.
Handhavingsmiddelen
De gemeente heeft verschillende instrumenten tot haar beschikking om handhavend op te treden. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen bestuursrechtelijke, privaatrechtelijke en strafrechtelijke instrumenten. De bestuursrechtelijke handhaving staat in het Beleidsplan toezicht en handhaving centraal. De bestuursrechtelijke instrumenten kunnen onderverdeeld worden in preventieve en repressieve instrumenten. Preventieve instrumenten hebben tot doel het begaan van overtredingen te voorkomen. Hierbij moet niet alleen worden gedacht aan het houden van goed toezicht, maar onder andere ook aan het tijdig actualiseren en handhaafbaar houden van bestemmingsplannen en het verstrekken van juiste informatie en gerichte voorlichting aan inwoners en eigenaren. Met behulp van repressieve instrumenten kan worden opgetreden tegen geconstateerde overtredingen. De gemeente is bijvoorbeeld bevoegd een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te
leggen om te bewerkstelligen dat de strijdige situatie wordt beëindigd.
Ontwerpwijzigingsplan
Zoals bepaald in artikel 3.11 Algemene wet bestuursrecht heeft het ontwerpwijzigingsplan 6 weken ter inzage gelegen (3 oktober t/m 14 november). Een ieder is in die tijd in de gelegenheid geweest om zienswijzen tegen dit wijzigingsplan kenbaar te maken. Er zijn geen zienswijzen ingediend in deze periode.
Vast te stellen wijzigingsplan
Na de procedure van het ontwerpwijzigingsplan volgt de vaststellingsfase. Hier worden de eventueel ingediende zienswijzen samengevat en beantwoord. Daarna wordt het wijzigingsplan vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders.