| Plan: | Kortedijkje 8, Rockanje |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0614.bpKortedijkje8-0100 |
Dit bestemmingsplan betreft de transformatie van een manege naar een woonhuis. De initiatiefnemer is al enige jaren bezig met de transformatie. De manege is gevestigd aan Kortedijkje 8 in Rockanje. De stallen van de manege zijn nog (gedeeltelijk) in gebruik. Een deel van de gronden is inmiddels in gebruik als 'boomgaard'. De realisatie van een woonhuis is niet mogelijk binnen het vigerende bestemmingsplan. Daarom wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld, dat specifiek is gericht op de transformatie naar een woonhuis.
Het plangebied ligt ten zuiden van Rockanje. De omvang van het plangebied is ongeveer 0,6 hectare. In paragraaf 2.2 is de huidige situatie in het plangebied uitgebreider beschreven.
Het geldende bestemmingsplan voor het plangebied is Landelijk Gebied Westvoorne. Dit bestemmingsplan is op 29 mei 2007 vastgesteld door de gemeenteraad van Westvoorne en op 9 december 2009 onherroepelijk geworden na uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Het bestemmingsplan Landelijk Gebied Westvoorne is inmiddels viermaal gedeeltelijk herzien. Daarbij zijn zowel aanpassingen aan de plankaarten als in de voorschriften vastgesteld. De 4e herziening is vastgesteld op 25 september 2012 en is op 19 november 2012 onherroepelijk in werking getreden.
Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de geldende plankaart weergegeven. De gronden met een bedrijfsbestemming en aanduiding 'manege' in het vigerende bestemmingsplan worden omgezet in een woonbestemming.
Deze toelichting is als volgt opgebouwd:
Dit hoofdstuk beschrijft de huidige situatie in het plangebied en geeft een toelichting op de voorgenomen ontwikkeling. In de laatste paragraaf is de landschappelijke inpassing gemotiveerd.
Bestaande feitelijke situatie
De manege is gelegen aan de Kortedijkje 8 in Rockanje. Op de bijgaande afbeelding is het plangebied van dit bestemmingsplan globaal aangeduid met een rode cirkel op een luchtfoto van de bestaande situatie. De gronden en bebouwing waren voorheen in gebruik voor de manege. Dit betreft een parkeerplaats, een rijbak, weiden, een schuur met rieten kap aan de straatzijde en 2 stallen aan de zijde van de weiden. Binnen het plangebied is reeds een deel ingericht als boomgaard. (zie foto's plangebied).
|
|
|
|
Planologische mogelijkheden
Op grond van het geldende bestemmingsplan is het op het perceel, binnen het daarvoor opgenomen bouwvlak, toegestaan bebouwing op te richten ten behoeve van de manege. Op het perceel is geen bedrijfswoning toegestaan.
Met de eigenaar is overeengekomen dat de mogelijkheden voor het uitoefenen van een manege, met de daarbij behorende bouwmogelijkheden, op het perceel permanent en in het geheel komen te vervallen. De eigenaar sloopt de stallen, de schuur blijft behouden.
Ter compensatie van de bedrijfsbeëindiging en het slopen van een deel van de bebouwing wordt binnen het plangebied de mogelijkheid geboden voor het oprichten van een vrijstaande woning (zogenaamde burgerwoning).
De eigenaar beschikt over meer gronden, aan de zuidzijde van het plangebied. Omdat op deze percelen de bouw van andere (agrarische) bedrijfsgebouwen op grond van het geldende bestemmingsplan niet is toegestaan zijn deze gronden niet in het voorliggende bestemmingsplan opgenomen. De bouw- en gebruiksmogelijkheden voor deze gronden blijven ongewijzigd (regulier agrarisch gebruik zonder substantiële bouwmogelijkheden).
Borging en afspraken
De afspraken over de transformatie van manege naar woning zijn vastgelegd in een anterieure exploitatieovereenkomst die is gesloten tussen de gemeente en de betrokken grondeigenaar. Voorwaarde dat aan de randvoorwaarden en kwaliteitseisen wordt voldaan
In de overeenkomst is onder andere vastgelegd dat beide gebouwen voor de stalling van de paarden (met erfverharding) en de paardenbak met hekwerken rondom de mestput binnen 6 maanden na het onherroepelijk worden van het voorliggende bestemmingsplan door de eigenaar worden verwijderd (mits er toestemming is verleend). Ook is vastgelegd dat de manege permanent wordt beëindigd en dat de eigenaar alle (aanvragen voor) vergunningen, ontheffingen, meldingen en toestemmingen die gerelateerd zijn aan de uitoefening van de manege intrekt of laat vervallen.
In de exploitatieovereenkomst is ook vastgelegd dat niet mag worden gestart met de bouw van de nieuwe woning voordat de aangegeven opstallen en erfverhardingen zijn verwijderd.
In de overeenkomst is tot slot opgenomen dat bij een eventuele (gedeeltelijke) overdracht van het eigendom van de gronden de bepalingen uit de overeenkomst via een kettingbeding aan de rechtsopvolgers worden doorgelegd. Wanneer afspraken uit de overeenkomst niet worden nageleefd kan de gemeente, naast het vorderen van naleving van de overeenkomst, ook boetes opleggen aan de eigenaar. Hiermee is een extra zekerheid ingebouwd tot nakoming van de gemaakte afspraken.
Met het sluiten van de exploitatieovereenkomst bestaat voldoende zekerheid over de daadwerkelijke uitvoering van de ontwikkeling op het perceel Kortedijkje 8.
Landschappelijke inpassing
Een van de afspraken die in de overeenkomt zijn vastgelegd is dat bij de ontwikkeling van de locatie rekening zal worden gehouden met een uit te brengen advies van Dorp, Stad en land. Over dit advies, waarbij wordt ingegaan op de bouwstijl, de situering en de groene inpassing, is inmiddels overeenstemming bereikt.
Belangrijk is onder meer dat geen kopie ontstaat van de woning aan de overzijde. Bij de uitwerking van de ontwikkeling wordt rekening gehouden met de aandachtspunten uit het advies. Zodoende wordt een geleidelijke overgang gerealiseerd tussen Rockanje en het buitengebied.
Gevolgen (woon)omgeving
Dit bestemmingsplan voorziet in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, niet alleen voor de percelen binnen het plangebied zelf, maar ook voor de omliggende woningen en woonpercelen. De (potentiële) overlast-gevende mogelijkheden voor bedrijfsactiviteiten worden beëindigd. De nieuwe woning wordt landschappelijk ingepast. Het plan voorziet dan ook in een positieve ontwikkeling voor de nabij het plangebied aanwezige (woon)percelen.
In dit hoofdstuk wordt het relevante ruimtelijke beleidskader beschreven. Achtereenvolgens komt het rijksbeleid, het provinciale beleid en het gemeentelijke beleid aan bod. Het beleid van het waterschap is verwerkt in de watertoets, die in hoofdstuk 5 bij de sectorale onderzoeken is opgenomen.
Het rijksbeleid voor de ruimtelijke ordening is vastgelegd in de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (maart 2012). Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te bereiken is een aanpak geformuleerd die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Bij deze aanpak gaat het Rijk uit van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden en eenvoudige regels. Zo ontstaat er ruimte voor maatwerk en initiatieven van burgers en bedrijven.
Vertrouwen in medeoverheden is de basis voor het bepalen van verantwoordelijkheden, regelgeving en rijksbetrokkenheid. De gemeente is de overheid die het dichtst bij de burger staat en in eerste instantie zorg draagt voor een veilige en leefbare woon- en werkomgeving. Bij de inrichting van de ruimte gaat het om de ruimtelijke ontwikkeling van stad en platteland in brede zin, waarbij onder meer de belangen van mobiliteit, milieu, natuur, water, economie en wonen worden afgewogen.
Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte heeft het Rijk verder dertien zogenaamde 'nationale belangen' geformuleerd. Deze nationale belangen geven aan voor welke onderwerpen het Rijk verantwoordelijk is en waarvoor zij resultaten wil bereiken.
De transformatie van de manege naar een woning op het perceel Kortedijkje 8 in Rockanje is geen onderwerp vallend binnen een van de nationale belangen. Wel draagt de ontwikkeling bij aan het waarborgen en verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving. Het bestemmingsplan past hiermee binnen de door het Rijk gestelde doelen. De uitwerking en verantwoordelijkheid voor de realisatie wordt aan de gemeentelijke overheid gelaten.
Provinciale structuurvisie en programma Ruimte
Het relevante provinciale beleid is vastgelegd in de structuurvisie Ruimte en Mobiliteit (juli 2014). Bij deze structuurvisie hoort een programma Ruimte (juli 2014)
Een belangrijk uitgangspunt in de structuurvisie is het tegengaan en actief verbeteren van de ruimtelijke situatie op plekken waar sprake is van een (dreigende) verrommeling. Daarbij moet rekening worden gehouden met de kernkwaliteiten van het landschap, natuur en cultuurhistorie en moet sprake zijn van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering.
Transformatie van het bedrijf leidt tot een ruimtelijke kwaliteitsverbetering door het verdwijnen van de mogelijkheden voor uitoefening van een manege. Het bedrijf is relatief kleinschalig en heeft een beperkte economische waarde in relatie tot de aangewezen greenports in Zuid-Holland. De nieuwe woning wordt aan de zijde van Kortedijkje gerealiseerd. Hiermee wordt de ruimtelijke impact op het open gebied tot een minimum beperkt en wordt aangesloten bij de bestaande bebouwingstructuur.
In de structuurvisie zijn de gronden aangeduid als 'stads- en dorpsrand' en 'zeekleipolder' en een deel als 'strategische reservering natuur'. Een van de richtpunten binnen de zeekleipolder is dat de bebouwing zich concentreert in of bij compacte kernen, niet in het open middengebied van de polders. Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit. De ontwikkeling past binnen deze richtpunten. De strategische reservering van natuur is geregeld in de Verordening.
Provinciale verordening
Naast de structuurvisie heeft de provincie ook de verordening Ruimte 2014 vastgesteld (juli 2014). In deze verordening staan de algemeen verbindende regels waaraan een gemeentelijk bestemmingsplan moet voldoen. De verordening bevat een aantal regels welke relevant zijn voor dit bestemmingsplan.
Op grond van artikel 2.2.1, eerste lid, van de verordening kan in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling worden voorzien wanneer deze past binnen de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart. De toevoeging van 1 woning betreft geen stedelijke ontwikkeling. Het plangebied is door de provincie niet aangewezen als gebied met een specifieke waarde (categorie 2) of bijzondere kwaliteit (categorie 1). Alle ruimtelijke ontwikkelingen in dit gebied moeten bijdragen aan de instandhouding en versterking van de gebiedskenmerken en de ruimtelijke kwaliteit zoals die door de provincie is geformuleerd.
Opgemerkt wordt dat in deze geen sprake is van een gebiedsvreemde ontwikkeling. De omgeving van het plangebied bestaat nagenoeg volledig uit verspreid liggende woonbebouwing, hoofdzakelijk in linten langs de wegen. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt een nieuwe woning toegevoegd langs Kortedijkje. Hiermee wordt de ontwikkeling ingepast in de bestaande ruimtelijke context. De mogelijkheden voor een manege, met de bijbehorende bouwmogelijkheden, worden verwijderd. De ontwikkeling past binnen de aard en schaal van het gebied.
Daarnaast worden aanvullende ruimtelijke maatregelen getroffen die bijdragen aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. In artikel 2.2.1, derde lid, van de verordening staan de regels die de provincie stelt ten aanzien van deze aanvullende maatregelen:
“De aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit (een combinatie van):
In dit geval wordt wegnemen van verharding in het buitengebied gerealiseerd. Deze aanvullende ruimtelijke maatregelen worden getroffen binnen het plangebied zelf.
In paragraaf 2.4 van de toelichting van dit bestemmingsplan is gemotiveerd in welke vorm de aanvullende ruimtelijke maatregelen worden geleverd en hoe deze zijn verzekerd. Kortheidshalve wordt hiernaar verwezen. In hoofdstuk 5 wordt nog ingegaan op de aspecten welstand en beeldkwaliteit.
In artikel 2.3.4 is in lid 4 een regeling opgenomen voor gebieden die zijn aangeduid als 'strategische reservering natuur'. Een bestemmingsplan voor gronden binnen de strategische reservering natuur wijst geen bestemmingen aan die de mogelijkheden tot instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden significant beperken, tenzij het een ontwikkeling betreft die past binnen het huidige agrarische grondgebruik. Binnen de gronden met de aanduiding 'reservering natuur' wordt geen bouwvlak opgenomen.
De woonbestemming is niet meer belemmerend voor de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden dan de manege in de huidige situatie. De zuidelijk gelegen gronden blijven voorzien van een agrarische bestemming.
Regionale woningmarktafspraken
In 2014 hebben de colleges van de gemeenten Bernisse, Brielle, Hellevoetsluis, Rotterdam (namens de deelgemeente Rozenburg), Spijkenisse en Westvoorne de woningmarktafspraken Voorne-Putten-Rozenburg vastgesteld. Deze woningmarktafspraken zijn een nadere uitwerking van het convenant Samenwerkingsafspraken woningmarkt subregio Voorne-Putten/Rozenburg 2014-2020 zoals dat eind januari 2014 door de gezamenlijke gemeenten is getekend. De nieuwe woning die met het voorliggende bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt kan worden aangemerkt als Overig kleinschalig.
De woningmarktafspraken van de subregio Voorne-Putten/Rozenburg zijn als onderdeel van de nota 'Dat spreken we af' door de Stadsregio Rotterdam aan de provincie Zuid-Holland toegestuurd. In reactie hierop heeft de provincie aangegeven dat zij de nota 'Dat spreken we af' met de diverse bijbehorende bijlagen aanvaardt als kader voor de verantwoording van de woningbouwopgave in bestemmingsplannen zoals dat in haar Verordening Ruimte is opgenomen. Dit betekent dat bestemmingsplannen die voldoen aan de nota 'Dat spreken we af', op basis van de Verordening Ruimte voldoen aan het onderdeel verantwoording van de behoefte en regionale afstemming daarvan voor wonen uit de Ladder van Duurzame Verstedelijking. Deze ladder is gezien de toevoeging van 1 woning (geen stedelijke ontwikkeling) niet verplicht. Het voorliggende bestemmingsplan voldoet aan de voorwaarden die de provincie stelt.
Conclusies
Gelet op de hierboven gegeven toelichting wordt geconcludeerd dat het voorliggende bestemmingsplan voldoet aan het door de provincie in haar structuurvisie Ruimte en Mobiliteit, verordening Ruimte 2014 en programma Ruimte vastgelegde beleid. De ladder van duurzame verstedelijking is doorlopen en het plan voldoet ook verder aan de provinciale regels en uitgangspunten voor ruimtelijke ontwikkeling.
Omgevingsvisie Westvoorne 2030 (in voorbereiding)
Eind 2014 is gestart met de concrete voorbereiding van het proces om te komen tot de omgevingsvisie. In het eerste half jaar van 2015 wordt, in samenwerking met inwoners, ondernemers en andere geïnteresseerden, gewerkt aan de opstelling van een ontwerpvisie.
De Omgevingvisie gaat onder andere het beleidskader vormen voor de algehele herziening van de diverse bestemmingsplannen voor het buitengebied van Westvoorne, waaronder Landelijk Gebied Westvoorne. Met de voorbereiding van deze algehele herziening wordt later in 2015 gestart.
Het voorliggende bestemmingsplan past binnen het relevante beleid van de diverse overheden. Zoals beschreven draagt het plan bij aan de realisatie van de beleidsdoelstellingen.
In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische opzet van het bestemmingsplan. Er wordt ingegaan op de gekozen planvorm en de toegepaste plansystematiek wordt toegelicht.
Er is gekozen voor een gedetailleerde planvorm, waarbij de functies direct zijn vastgelegd op hun locatie. Hierdoor kunnen op basis van dit bestemmingsplan de relevante omgevingsvergunningen worden verleend. De gekozen planvorm biedt hiermee duidelijkheid aan alle betrokkenen.
Inhoudelijk is aansluiting gezocht bij de regeling in de het vigerende bestemmingsplan. De planregels zijn opgesteld met inachtneming van de regels uit de Wet ruimtelijke ordening en de bijbehorende wettelijke regelingen. De plansystematiek is in overeenstemming met de verplicht toe te passen Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012).
Verbeelding
De verbeelding is de kaart waarop te zien is welke bestemming voor welke gebieden geldt. Alle functies in dit bestemmingsplan zijn apart bestemd, waardoor het direct mogelijk is om op de verbeelding te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven.
In dit plan wordt gebruikgemaakt van bestemmingsvlakken en bouwvlakken. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Een gebruik betekent niet altijd dat er ook mag worden gebouwd. Het bouwvlak is een gebied dat op de verbeelding is aangeven waarvoor de mogelijkheden om gebouwen te bouwen in de regels zijn aangegeven. In dit plan is alleen binnen een deel van het bestemmingsvlak Wonen een bouwvlak opgenomen.
Regels
Begrippen en wijze van meten
Het artikel Begrippen definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen.
Het artikel Wijze van meten geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte en dergelijke van bouwwerken worden gemeten of berekend. Alle begrippen, waarin maten en waarden voorkomen, worden in dit artikel verklaard.
Voor beide artikelen geldt dat een deel van de formuleringen bindend is voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Bestemmingsregels
In de bij de verbeelding horende regels zijn de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de gebruiksregels en de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden te vinden.
Wonen
Met het oog op het verminderen van regeldruk is een uniforme bouwregeling voor woonbestemmingen voor het gehele grondgebied van de gemeente Westvoorne opgesteld. Deze is inmiddels doorgevoerd in het merendeel van de bestemmingsplannen van Westvoorne. De regeling is ook in dit plan opgenomen. In dit specifieke geval is gekozen voor een aangepast bouwvlak. Het bouwvlak is zo gekozen dat de 'reservering natuur' en de geluidscontour van Kortedijkje buiten het bouwvlak liggen.
Binnen de woonfunctie is het uitoefenen van aan-huis-gebonden beroepen in hoofdgebouwen en bijgebouwen onder voorwaarden mogelijk. Eén van de voorwaarden is dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Of aan dit criterium wordt voldaan wordt getoetst aan de aanbevelingen van het ASVV. Het ASVV bundelt alle bestaande kennis over verkeersvoorzieningen. Om te garanderen dat de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft, mag ten hoogste 50 m² van het vloeroppervlak van de hoofdgebouwen, aan-, uitbouwen en bijgebouwen, worden benut ten behoeve van de kantoor- en/of praktijkruimte.
Waarde - Archeologie
De bestemming 'Waarde - Archeologie' is een dubbelbestemming. Binnen het plangebied is sprake van 2 verschillende soorten van archeologische verwachtingen en waarden. Om deze (mogelijke) archeologische sporen te beschermen, is op de betreffende gronden de dubbelbestemming Waarde - Archeologie van toepassing. Voor bouwwerkzaamheden wordt pas toestemming verleend nadat de archeologische waarde van het betreffende gebied is vastgesteld en de bouwactiviteiten geen schade aan kunnen brengen aan de aanwezige archeologische resten.
Langs oude dijken, vaak de eerste plaatsen van bewoning, geldt dat voor ieder bouwwerk dat groter is dan 100 m² of minder én niet dieper reikt dan 0,8 m onder het maaiveld archeologische toetsing nodig is. In dit plan betreft het Kortedijkje. Voor het overige deel van het plangebied is de archeologische toetsing niet nodig indien het gaat om een bouwwerk van 200 m² of minder.
Omgevingsvergunning voor werken of werkzaamheden
Door het opnemen van een omgevingsvergunning voor werken of werkzaamheden zijn werken
en werkzaamheden, groter dan de hiervoor aangegeven oppervlakte en met een grotere
diepte dan genoemd, vergunningplichtig. Normaal onderhoud en beheer zijn hiervan uitgezonderd.
Algemene regels
In dit onderdeel van de regels komen algemene regels aan de orde die gelden voor alle bestemmingen in het bestemmingsplan.
Antidubbeltelregel
Een Anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De formulering van de anti-dubbeltelregel wordt bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.4 Bro).
Algemene bouwregels
Het artikel Algemene bouwregels bevat enkele algemene regels voor het bouwen. Zo zijn er regels over de geringe overschrijding van bouwgrenzen of oppervlaktematen door ondergeschikte onderdelen van gebouwen. Ook wordt voorzien in een regeling voor overkappingen, luifels, overstekken en ondergrondse gebouwen, waarin wordt vastgelegd waar deze zijn toegestaan en in hoeverre deze meetellen bij de inhouds- en oppervlaktemaat van de bovengrondse gebouwen. Daarnaast is in dit artikel een parkeerregeling opgenomen. Door de inwerkingtreding van de 'Reparatiewet BZK 2014' (Staatsblad 2014, 458) per 29 november 2014 is de bouwverordening niet meer van toepassing. De regeling van parkeerbepaling uit de bouwverordening is daarom overgenomen in dit bestemmingsplan. Een en ander leidt niet tot een inhoudelijke wijziging van de beoogde toetsing. Aan het Besluit ruimtelijke ordening is mede in verband met het intrekken van toetsing aan de bouwverordening de mogelijkheid opgenomen om voor de invulling van de eis van voldoende parkeren in concrete situaties gebruik te maken van beleidsregels (zie artikel 3.1.2 lid 2 onder a Bro), zoals dit ook onder de werking van de bouwverordening mogelijk was.
Algemene gebruiksregels
Hoewel het gebruik van gronden en bouwwerken is geregeld in de Wro, zijn voor de duidelijkheid regels opgenomen over dit gebruik. Een voorbeeld is een algemeen verbod om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de bestemming of de bijbehorende regels.
Algemene afwijkingsregels en wijzigingsregels
In deze artikelen wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan kan worden afgeweken. Ook wordt een opsomming gegeven van de regels waarmee door middel van een wijzigingsbevoegdheid ex artikel 3.6 Wro het mogelijk is enige flexibiliteit in het plan aan te brengen. Het gaat hierbij om een bevoegdheid en houdt dus geen verplichting in. De bevoegdheid mag nadrukkelijk niet worden gebruikt om zodanig aanzienlijke wijzigingen van bestemmingen te bewerkstelligen, dat daarmee de essentie van het plan wezenlijk wordt veranderd.
Werking wettelijke regelingen
In de regels van een bestemmingsplan wordt in een (toenemend) aantal gevallen met verwijzing naar een (andere) wettelijke regeling een procedure, begrip en/of functie uit die andere regeling van toepassing verklaard. De van toepassing verklaarde wettelijke regeling geldt zoals deze luidt op het moment van de vaststelling van het plan. Wijziging van de wettelijke regeling na de vaststelling van het bestemmingsplan zou anders zonder Wro-procedure een wijziging van het bestemmingsplan met zich mee kunnen brengen.
Overgangs- en slotregel
In het afsluitende onderdeel van de regels komen de overgangs- en slotregel aan de orde. De formulering van het overgangsrecht is bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.1 Bro). De slotregel bevat de titel van het plan.
Dit hoofdstuk bevat de motivering van het bestemmingsplan voor de diverse relevante omgevingsaspecten. Voor enkele zaken is een uitgebreidere beschrijving als bijlage bij de toelichting opgenomen. In dit hoofdstuk wordt dan alleen een korte samenvatting van het uitgevoerde onderzoek gegeven. Uit de sectorale onderzoeken blijkt dat het bestemmingsplan voldoet aan de relevante wet- en regelgeving.
Toetsingskader
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast moet het bevoegd gezag bij de activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden hebben betrekking op:
Onderzoek en conclusies
Het bestemmingsplan omvat feitelijk niet meer dan de omzetting van een manege naar een bestemming voor een vrijstaande woning. Daarbij wordt een groot deel van de aanwezige bebouwing gesloopt en vervallen de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de manege. Het gaat dus om een zeer kleinschalige ontwikkeling in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r..
Gelet op de kenmerken van de aanpassing van het bestemmingsplan en de kenmerken van de potentiële effecten treden geen negatieve milieugevolgen op. Voor het merendeel van de aspecten is sprake van een verbetering van de (potentiële) gevolgen op het milieu. Dit blijkt ook uit het onderzoek van de verschillende milieuaspecten die in de volgende paragrafen is opgenomen. Voor het bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r..
Beleidskader
De gemeente Westvoorne onderschrijft de uitwerking van het 'Verdrag van Malta': behoud van het archeologische erfgoed waar mogelijk en documentatie waar nodig. Hierbij wordt aangesloten op het rijks- en het provinciale beleid. Westvoorne heeft op 22 april 2008 een gemeentelijk archeologisch beleid vastgesteld, waarvan de Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK) een belangrijk instrument vormt. De kaart toont de archeologische waarden en verwachtingen binnen Westvoorne en geeft aan hoe de gemeente daarmee wenst om te gaan.
In het momenteel voor het plangebied geldende bestemmingsplan Landelijk Gebied Westvoorne is een dubbelbestemming ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden opgenomen. De AWK is het achterliggende beleidskader voor de motivering van die dubbelbestemming.
Het wettelijk kader voor de bescherming van (archeologische) monumenten en de aanwijzing van beschermde stads- of dorpsgezichten is vastgelegd in de Monumentenwet 1988.
Onderzoek en conclusies
Op de bijgaande afbeelding is het plangebied globaal aangeduid met een rode cirkel op een uitsnede van de AWK. Voor het plangebied geldt een redelijk hoge tot hoge archeologische verwachting (gebiedscategorie B en C), waarbij archeologisch onderzoek verplicht is bij ingrepen en werkzaamheden dieper dan 50 cm (categorie B) en 80 cm (categorie C).
Het geldende bestemmingsplan Landelijk Gebied Westvoorne bevat reeds een dubbelbestemming waarmee de bescherming van de archeologische waarden is geborgd. Deze regeling is overgenomen in onderhavig bestemmingsplan.
Vanuit cultuurhistorisch oogpunt heeft de bestaande bebouwing en inrichting binnen het plangebied geen bijzondere waarde. In de directe omgeving bevinden zich geen aangewezen monumenten of beschermde gezichten. De beoogde wijziging in het gebruik betekent geen negatieve inbreuk op het bestaande beeld van de omgeving. De nieuwe woning wordt gevoegd in de bestaande bebouwingsstructuur. Daarnaast verdwijnt aanwezige bedrijfsbebouwing en worden de mogelijkheden voor exploitatie van een manege en de bijbehorende bouwmogelijkheden ongedaan gemaakt.
Daarnaast is landschappelijk advies opgesteld door Dorp, Stad en Land. Het bouwplan zal ingepast worden op basis van dit advies.
De bescherming van mogelijke archeologische waarden binnen het plangebied is gewaarborgd door middel van een dubbelbestemming. Het aspect cultuurhistorie vraagt verder geen nader beschermingsregime in het bestemmingsplan.
In deze paragraaf worden de effecten beschreven voor de aspecten beeldkwaliteit en welstand. De landschappelijke inpassing is beschreven in paragraaf 2.4. Voor het plangebied wordt geen afzonderlijke beeldkwaliteitparagraaf (bedoeld als aanvulling op de gemeentelijke Nota ruimtelijke kwaliteit) vastgesteld. Voor de toetsing van bouwplannen in het plangebied wordt de geldende gemeentelijke Nota ruimtelijke kwaliteit van toepassing verklaard.
Voor het plangebied is het welstandsgebied 'Buitengebied' van toepassing. Het Buitengebied, heeft een Basis niveau van welstand. Het beleid is gericht op het handhaven van een goede basiskwaliteit met daarbij voldoende vrijheid voor de burger of ondernemer om invulling te geven aan eigen initiatieven. Bouwplannen in deze gebieden mogen in principe geen afbreuk doen aan de basiskwaliteit van de omgeving. De welstandscommissie zal bij de advisering over woongebouwen en bedrijfsgebouwen onder meer aandacht schenken aan de mate van afwisseling en individualiteit in de massa in combinatie met vormgeving en traditioneel gebruik van materialen en kleuren. In dit plan is het advies van Dorp, Stad en Land leidinggevend bij de inrichting van het perceel.
Beleid en Normstelling
Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.
Onderzoek en conclusie
Ter plaatse van het plangebied is door BMA Milieu BV een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 1). Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem.
Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het grondwater overschrijdingen van de streefwaarde zijn vastgesteld. Hierdoor is sprake van een lichte verontreiniging in het grondwater. Deze resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek.
Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat ten aanzien van de milieuhygienische bodemkwaliteit er geen belemmeringen aanwezig zijn voor de beoogde ontwikkeling van de locatie.
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie ten aanzien van de Ecologische Hoofdstructuur de uitvoering van het plan niet in de weg staan.
De huidige ecologische waarden zijn vastgesteld aan de hand van een locatiebezoek aan het plangebied, algemene ecologische kennis en verspreidingsatlassen/gegevens (onder andere Ravon, www.verspreidingsatlas.nl en www.waarneming.nl).
Huidige situatie
Het plangebied bestaat uit een voormalige manege met rijbak, bijgebouwen, een boomgaard, parkeerterrein, braakliggend terrein en weiland. Oppervlaktewater ontbreekt.
Beoogde ontwikkelingen
Het bestemmingsplan voorziet in het wijzigen van de functie manege in een woonfunctie. De overige gronden krijgen een agrarische bestemming. Enkele bijgebouwen worden daarbij gesloopt en er wordt een woning gerealiseerd.
Normstelling en beleid
Het rijksbeleid ten aanzien van de bescherming van soorten (flora en fauna) en de bescherming van de leefgebieden van soorten (habitats) is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De uitwerking van dit nationale belang ligt bij de provincies. De bescherming van de EHS is in Zuid-Holland in de provinciale structuurvisie nader uitgewerkt.
Soortenbescherming
Voor de soortenbescherming is de Flora- en faunawet (hierna Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dieren plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Ffw niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Economische Zaken. Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend. De Ffw is voor dit bestemmingsplan van belang, omdat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
Gebiedsbescherming
Uit het oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998 van belang. Deze wet onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:
De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de minister van EZ). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het bestemmingplan.
De speciale beschermingszones (a) hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Natuurbeschermingswet
1998 de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning Natuurbeschermingswet 1998 kan worden verkregen.
Onderzoek en toetsing
Gebiedsbescherming
Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Op korte afstand ten westen van de locatie maakt het duingebied wel deel uit van de EHS en is het duingebied aangewezen als Natura 2000-gebied Voornes Duin. Een deel van het plangebied is wel aangewezen als 'strategische reservering natuur'. Dit zijn agrarische gebieden die pas de status van EHS krijgen als (in 2027) duidelijk is dat er voldoende financiële middelen zijn voor de uitvoering. De gebieden zijn volledig voor de agrarische functie te gebruiken; er mogen geen andere functies worden toegelaten die leiden tot waardevermeerdering ten opzichte van de waarde bij de agrarische functie.
De ligging van het plangebied (rode cirkel) t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: geo-loket provincie Zuid-Holland) is zichtbaar op navolgende afbeelding.
Het verdwijnen van de manege heeft een positief effect op de omliggende natuurgebieden, doordat de stikstofdepositie op het natuurgebied afneemt. De woonfunctie is een minder verstorende functie. De sloop- en bouwwerkzaamheden zijn tijdelijk van aard en leiden niet tot verstoring van de op relatief grote afstand gelegen natuurgebieden. Significant negatieve effecten worden dan ook uitgesloten.
De Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.
Soortenbescherming
Vogels
In en in de omgeving van het plangebied komen tuin- en struweelvogels voor. Hier zijn soorten als koolmees, roodborst, winterkoning en merel aanwezig. De riet- en leibedekking van de daken is ongeschikt voor vaste nesten van broedvogels. Onder de overstekken zijn geen nesten aangetroffen. In de stallen zijn wel enkele nesten van boerenzwaluw aanwezig. De boerenzwaluw komt veelvuldig voor in het buitengebied van Westvoorne. De sloop van de stallen heeft dan ook geen ongunstig effect op de instandhouding van de soort. In het buitengebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig voor het creëren van nieuwe nesten.
Zoogdieren
Het plangebied biedt geschikt leefgebied aan algemeen voorkomende, licht beschermde soorten als mol, egel, huisspitsmuis, veldmuis, hermelijn, wezel, haas en konijn. De te slopen stallen zijn ongeschikt voor vaste verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied kan langs de randen wel fungeren als foerageergebied. De sloop van de bijgebouwen en de functiewijziging is hier echter niet op van invloed.
Amfibieën
Algemene amfibieën als bruine kikker, bastaardkikker en gewone pad kunnen gebruik maken van het plangebied als schuilplaats in struiken en onder stenen. Gezien de aanwezige biotopen komen hier geen zwaarder beschermde soorten voor.
Overige soorten
Er zijn, gezien de aanwezige biotopen, geen beschermde vaatplanten, vissen, reptielen en/of bijzondere insecten of overige soorten te verwachten op de planlocatie. Deze soorten stellen hoge eisen aan hun leefgebied; het plangebied voldoet hier niet aan.
In tabel 5.1 staat aangegeven welke beschermde soorten er binnen het plangebied (naar verwachting) aanwezig zijn en onder welk beschermingsregime deze vallen.
Tabel 5.1: Naar verwachting aanwezige beschermde soorten binnen het plangebied en het beschermingsregime (niet limitatief)
| Nader onderzoek nodig | ||||
| Vrijstellingsrege-ling Ffw | tabel 1 | mol, egel, huisspitsmuis, veldmuis, hermelijn, wezel, haas en konijn bruine kikker, gewone pad en de bastaardkikker |
nee | |
| Ontheffingsrege-ling Ffw | tabel 2 | - | nee | |
| tabel 3 | bijlage 1 AMvB | - | nee | |
| bijlage IV HR | alle vleermuizen (foeragerend) | nee | ||
| vogels | cat. 1 t/m 4 | - | nee | |
| categorie 5 | boerenzwaluw | Nee, voldoende nestgelegenheid aanwezig in de omgeving. | ||
Het bestemmingsplan voorziet in een bestemmingswijziging, hierbij worden enkele bijgebouwen gesloopt en een woning gerealiseerd. De benodigde werkzaamheden ten behoeve van deze ontwikkeling kunnen leiden tot aantasting van te beschermen natuurwaarden.
Gezien de bovenstaande conclusies staat de Flora- en faunawet, met inachtneming van de voorgestelde maatregelen, de uitvoering van het plan niet in de weg.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Waterbeheer en watertoets
De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Namens de initiatiefnemer is het waterschap Hollandse Delta geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de Digitale Watertoets. Deze is uitgevoerd op 24-06-2015. Hieruit blijkt dat het plan geringe invloed heeft op de belangen van het waterschap.
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.
Europa:
Nationaal:
Provinciaal:
Waterschapsbeleid
In het Waterbeheerplan 2009-2015 staat hoe Hollandse Delta het waterbeheer in het werkgebied in de komende jaren wil uitvoeren. Daarbij gaat het om betaalbaar waterbeheer met evenwichtige aandacht voor veiligheid, waterkwaliteit, waterkwantiteit, duurzaamheid en om het watersysteem als onderdeel van de ruimtelijke inrichting van ons land. Het Waterbeheerplan beschrijft de uitgangspunten voor het beheer, de ontwikkelingen die de komende jaren verwacht worden en de belangrijkste keuzen die het waterschap moet maken. Daarnaast geeft het Waterbeheerplan een overzicht van maatregelen en kosten. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan.
Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer moet voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 1.500 m2 in landelijk gebied dient er volgens het beleid van waterschap Hollandse Delta 10% van de toename aan functioneel open water gerealiseerd worden.
Huidige situatie
Algemeen
Het plangebied bestaat uit een manege met bedrijfsgebouwen, een parkeerplaats, een rijbak, weiden, een schuur en twee stallen. De bodem ter plaatse van het plangebied bestaat uit leemarm zand in stuifduinen en stranden. Er sprake van grondwatertrap IV. Dat wil zegen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand meer dan 0,4 m beneden maaiveld ligt en de gemiddelde laagste grondwaterstand varieert tussen de 0,8 en 1,2 m beneden maaiveld.
Waterkwantiteit
Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. In de directe omgeving van het plangebied is wel oppervlaktewater aanwezig. Dit betreffen overige wateren en wegsloten. Overige wateren beschikken over een beschermingszone van 2 m. Wegsloten beschikken over een beschermingszone van 5 m. Binnen deze zones gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen. Het plangebied ligt binnen deze beschermingszones.
Veiligheid en waterkeringen
Het plangebied is niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering.
Afvalwaterketen en riolering
Het plangebied is deels aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel.
Toekomstige situatie
Algemeen
In de toekomstige situatie komt de manege te vervallen en wordt er een burgerwoning gerealiseerd. De aanwezige stallen worden gesloopt en de schuur blijft behouden. De exacte locatie van de woning is nog niet bekend. Ten opzichte van de huidige situatie zal er door de beoogde ontwikkeling nauwelijks sprake zijn van toename in verharding. Watercompenserende maatregelen zijn dan ook niet aan de orde.
Afvalwaterketen en riolering
Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.
Veiligheid en waterkeringen
De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving.
Waterbeheer
Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Bij de beoogde ontwikkeling zal rekening worden gehouden met de beschermingszones behorende bij de aanwezige watergangen.
Conclusie
De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
In het plangebied worden een nieuwe woning gerealiseerd. Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder geluidsgevoelige functies waarvoor akoestisch onderzoek dient te worden uitgevoerd.
Toetsingskader
Langs alle wegen, met uitzondering van 30 km/u-wegen en woonerven, bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg getoetst moet worden. De geluidhinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.
Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is onder voorwaarden vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de uiterste grenswaarde niet te boven gaan. De uiterste grenswaarde is op grond van artikel 83 Wgh afhankelijk van de ligging van de woningen (binnen- of buitenstedelijk). Voor de beoogde buitenstedelijke ontwikkeling geldt een maximaal toelaatbare hogere waarde van 53 dB voor wegverkeerslawaai. De geluidswaarde binnen de geluidsgevoelige bestemming (binnenwaarde) moet in alle gevallen voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 33 dB.
Krachtens artikel 3.4 van het Reken- en Meetvoorschrift Geluidhinder (RMG) 2012 mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Voor wegen met een representatief te achten snelheid lager dan 70 km/h geldt een aftrek van 5 dB. Op alle wegen rondom het plangebied geldt een maximum snelheid van minder dan 70 km/h. Zodoende is van deze aftrek gebruik gemaakt.
Onderzoek en resultaten
Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd door DCMR Milieudienst Rijnmond. Middels een contourberekening (zie bijlage 2) zijn de geluidcontouren van de omliggende wegen in beeld gebracht. Het binnen onderhavig bestemmingsplan mogelijk gemaakte bouwvlak is op deze geluidscontour afgestemd. Hierbij is het bouwvlak gesituteerd tussen de 48 dB contour en de 53 dB contour. Dit betekent dat de geluidbelasting op de gevel van de woning maximaal 53 dB bedraagt. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden, de maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt niet overschreden. Voor de te realiseren woning zal een hogere waarde van 53 dB vastgelegd worden in het kadaster.
Beleid en Normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en gevoelige functies met betrekking tot milieu in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit bestemmingsplan gebruik gemaakt van een milieuzonering. Deze milieuzonering vindt plaats aan de hand van een Staat van Bedrijfsactiviteiten. Dit is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Bij een gemengd gebied kan gebruik worden gemaakt van kleinere richtafstanden.De Staat van Bedrijfsactiviteiten is gebaseerd op de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009).
Onderzoek en conclusie
De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van een burgerwoning. In de directe omgeving van het plangebied zijn woningen en natuurgebieden met veelal agrarisch gebruik aanwezig. Hierdoor is het plangebied te categoriseren als rustige woonwijk. Er zijn geen bedrijven aanwezig die van invloed zijn op de milieusituatie in het plangebied of die belemmerd worden in hun bedrijfsvoering door de beoogde ontwikkeling. Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van de beoogde woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
Verkeer en parkeren
Het plangebied wordt ontsloten op Kortedijkje. Verdere ontsluiting zal voornamelijk plaatsvinden in de richting van de kern Westvoorne en richting de provincialeweg N496. Via de N496 wordt aangesloten op de regionale stroomweg N57 tussen Walcheren en Europoort. Kortedijkje is gecategoriseerd als erftoegangsweg buiten de bebouwde kom met een maximum snelheid van 60 km/h. De weg beschikt over een vrijliggende fietsvoorziening, welke in noordoostelijke richting overgaat in een parallel gelegen vrijliggende fietsvoorziening langs de Nieuwe Achterweg. Fietsers rijden via de Alardusdreef richting de kern Westvoorne. Ter hoogte van de rotonde Alardusdreef - Nieuwe Achterweg - Strandweg is een vrijliggende fietsvoorziening aanwezig. Deze sluit op de noordelijke tak van de rotonde aan op de aanwezige fietsstroken op de Alardusdreef. Op de oostelijke tak van de rotonde (Nieuwe Achterweg) is een verbod aangegeven voor (brom)fietsers. De ontsluiting van de locatie is voor het gemotoriseerd verkeer en het fietsverkeer goed.
Het plan voorziet in de realisatie van een nieuwe woning binnen een ruim vastgelegde woonbestemming. Het parkeren dient op eigen terrein opgevangen te worden. Hiervoor is voldoende ruimte binnen het plangebied aanwezig. Conform de 'Parkeerbeleidsnota Westvoorne' dient voor nieuwe plannen voldaan te worden aan de parkeerkencijfers van het CROW zoals vastgelegd in de meest recente versie van de ASVV ('Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom'). Deze kencijfers zijn afhankelijk van de ligging van de locatie in de stedelijke omgeving. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied van een weinig stedelijke omgeving (bron: CBS) geldt een parkeerkencijfer van 2,4 parkeerplaatsen per woning. Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling dienen binnen het plangebied zodoende drie parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. In artikel 6.2 is vastgelegd dat voorzien moet worden in voldoende parkeergelegenheid.
Beleid en Normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.
Tabel 5.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
| Stof | Toetsing van | Grenswaarde |
| Stikstofdioxide (NO2) | Jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| Uurgemiddelde concentratie | Max. 18 keer p.j. Meer dan 200 µg/m³ | |
| Fijn stof (PM10) | Jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| 24-uurgemiddelde concentratie | Max. 35 keer p.j. Meer dan 50 ìg / m³ | |
| Fijn stof (PM2,5) | Jaargemiddelde concentratie | 25 µg/m³ |
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate
In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
Onderzoek en conclusie
De ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van 1 woning. Dit aantal woningen valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden. De ontwikkeling draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Er wordt dus voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving, en nader onderzoek is niet noodzakelijk.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat in 2015 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen direct langs het Kortedijkje en de Schapengorsedijk (maatgevende wegen nabij het plangebied) bedragen 18,9 µg/m³ voor NO2, 21,1 µg/m³ voor PM10 en 13,3 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedraagt 8,9 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
Beleid en normstelling
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Onderzoek en conclusie
Uit de professionele risicokaart blijkt dat er binnen en in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Tevens blijkt dat er geen sprake is van vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor, het water of door buisleidingen. Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid staat de boogde ontwikkeling niet in de weg.
Afwegingskader
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:
Onderzoek en conclusie
Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Er wordt geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staat.
In dit hoofdstuk wordt een korte toelichting gegeven op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Naast de economische uitvoerbaarheid wordt ook ingegaan op de handhaving van het bestemmingsplan.
Met de eigenaar van de manege uit het voorliggende bestemmingsplan is een anterieure exploitatieovereenkomst gesloten. Met deze overeenkomst is sprake van een volledig kostenverhaal, waardoor het niet nodig is om een exploitatieplan vast te stellen.
De gesloten exploitatieovereenkomst bevat specifieke informatie in relatie tot de financiële belangen van de betrokken grondeigenaar. Deze informatie is alleen van belang voor de afspraken tussen gemeente en grondeigenaar en wordt daarom aangemerkt als vertrouwelijk. De gemeente is niet als grondeigenaar betrokken bij de bestemmingswijziging. Tevens vindt de sanering van het bedrijf plaats voor rekening en risico van de betrokken grondeigenaar.
De financiële aspecten vormen geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Het college van burgemeester en wethouders is het bevoegd gezag voor de handhaving van het
bestemmingsplan. Zoals blijkt uit jurisprudentie heeft de gemeente een beginselplicht tot
handhaving. In de loop van de jaren '90 is in de gemeente Westvoorne de handhaving steeds
meer tot ontwikkeling gekomen. Dit werd mede ingegeven door het besef dat grote delen van de
gemeente landschappelijk zeer kwetsbaar gebied is waarin strikt gehandhaafd moet worden.
In het Beleidsplan toezicht en handhaving (geactualiseerd in 2014) is het handhavingsbeleid voor
ruimtelijke ordening en bouwen neergelegd. In het beleidsplan wordt aangegeven op welke wijze
de gemeente Westvoorne handhavend optreedt tegen overtredingen van de regelgeving op het
gebied van ruimtelijke ordening en bouwen. Het formuleren en vaststellen van het
handhavingsbeleid biedt onder andere meer duidelijkheid (intern en extern), bevordert de
rechtszekerheid en voorkomt rechtsongelijkheid. Het plan vormt een beleidsmatige onderlegger voor een jaarlijks op te stellen uitvoeringsprogramma. Het uitvoeringsprogramma is een schriftelijke vastlegging van alle uit te voeren handhavingsactiviteiten in het aankomende jaar.
Handhavingsmiddelen
De gemeente heeft verschillende instrumenten tot haar beschikking om handhavend op te treden.
Er kan onderscheid worden gemaakt tussen bestuursrechtelijke, privaatrechtelijke en
strafrechtelijke instrumenten. De bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen staan in het
Beleidsplan toezicht en handhaving centraal.
De bestuursrechtelijke instrumenten kunnen onderverdeeld worden in preventieve en
repressieve instrumenten. Preventieve instrumenten hebben tot doel het begaan van
overtredingen te voorkomen. Hierbij moet niet alleen worden gedacht aan het houden van
gedegen toezicht, maar onder andere ook aan het tijdig actualiseren en handhaafbaar houden
van bestemmingsplannen en het verstrekken van juiste informatie en gerichte voorlichting aan
inwoners en eigenaren.
Met behulp van repressieve instrumenten kan worden opgetreden tegen geconstateerde
overtredingen. De gemeente is bijvoorbeeld bevoegd een last onder bestuursdwang of een last
onder dwangsom op te leggen om te bewerkstelligen dat de strijdige situatie wordt beëindigd.
In dit hoofdstuk worden de resultaten van het gevoerde overleg beschreven.
In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro is afstemming nodig met de vooroverlegpartners. De ontvangen overlegreacties zijn als bijlage 3 bij de toelichting van dit bestemmingsplan gevoegd. In deze paragraaf staat kort een samenvatting van de reacties gegeven en is aangegeven hoe de reacties eventueel in het plan zijn verwerkt.
Rijksoverheid
Zoals in hoofdstuk 3 is toegelicht zijn er bij dit bestemmingsplan geen rijksbelangen in het geding. De verantwoordelijkheid voor de voorgenomen bestemmingswijziging ligt bij de gemeente. Er is geen specifieke afstemming met het Rijk nodig. Om die reden is het voorontwerpbestemmingsplan niet afzonderlijk in het kader van het vooroverleg aan rijksdiensten toegezonden.
Provincie Zuid-Holland
Omdat het (voorontwerp) bestemmingsplan voldoet aan het provinciale beleid is het voorontwerp in het kader van het vooroverleg niet afzonderlijk aan de provincie toegezonden. Wel is het voorontwerpbestemmingsplan via het digitale aanbiedingsformulier bij de provincie bekend gemaakt. Ter informatie is het aanbiedingsformulier als bijlage bij de toelichting opgenomen.
Waterschap Hollandse Delta
Het voorontwerp van het bestemmingsplan is aan het Waterschap Hollandse Delta toegestuurd. Het Waterschap heeft hierop aangegeven dat het bestemmingsplan voldoet aan de waterstaatkundige uitgangspunten. De vooroverlegreactie is toegevoegd als bijlage bij de toelichting van dit bestemmingsplan.
Conclusies
Uit het wettelijke vooroverleg is gebleken dat het bestemmingsplan voldoet aan de beleidskaders van de betrokken andere overheden.
Het voorliggende bestemmingsplan heeft geen betrekking op nieuwe beleidsvoornemens en betekent ook voor de omliggende percelen een verbetering van de ruimtelijke situatie. Mede omdat de gemeente veel waarde hecht aan een snelle uitvoering van de sanering en omdat de ruimtelijke impact beperkt is, is geen afzonderlijke inspraakprocedure gevolgd.
Een ieder wordt in het kader van de wettelijke procedure in de gelegenheid gesteld een zienswijze te geven op het ontwerpbestemmingsplan.